Tertia Pars. Quaestio 30. Over de boodschap des engels aan de H. Maagd .
Prooemium
Deinde considerandum est de Annuntiatione beatae virginis. Et circa hoc quaeruntur
quatuor. Primo, utrum conveniens fuerit ei annuntiari quod in ea generandum erat.
Secundo, per quem erat ei annuntiandum. Tertio, per quem modum ei annuntiari debebat.
Quarto, de ordine Annuntiationis. (IIIa q. 30 pr.)
Vervolgens moeten we de boodschap des engels aan de H. Maagd behandelen. Hierover
stellen wij vier vragen: 1. Betaamde het, dat aan haar werd geboodschapt, dat in haar
moest worden voortgebracht? 2. Door wie moest dit haar worden geboodschapt? 3. Hoe
moest het haar worden geboodschapt? 4. Over de volgorde dezer boodschap.
Articulus 1. Was het noodzakelijk, dat aan de H. Maagd werd geboodschapt hetgeen in haar voltrokken
moest worden?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod non fuerit necessarium beatae virgini annuntiari
quod in ea fiendum erat. Annuntiatio enim ad hoc solum necessarium videbatur ut virginis
consensus haberetur. Sed consensus eius non videtur necessarius fuisse, quia conceptus
virginis praenuntiatus fuit prophetia praedestinationis quae sine nostro completur
arbitrio, ut dicit quaedam Glossa, Matth. I. Non ergo necessarium fuit quod talis
Annuntiatio fieret. (IIIa q. 30 a. 1 arg. 1)
1 — Naar men beweert, was het onnodig, dat aan de H. Maagd geboodschapt werd, hetgeen
in haar voltrokken moest worden. Want de boodschap zou uitsluitend nodig zijn geweest,
om de instemming der H. Maagd te verkrijgen. Maar haar instemming was, naar het schijnt,
niet noodzakelijk, omdat het ontvangen der H. Maagd voorspeld was door de profetie
der voorbestemming, en deze wordt onafhankelijk van onze vrije wil vervuld, zoals
een Glosse (op Mattheus, 1, 22) zegt. Derhalve was het onnodig, dat een dergelijke
boodschap geschiedde.
Praeterea, beata virgo incarnationis fidem habebat, sine qua nullus esse poterat in
statu salutis, quia, ut dicitur Rom. III, iustitia Dei est per fidem Iesu Christi.
Sed de eo quod aliquis per certitudinem credit, non indiget ulterius instrui. Ergo
beatae virgini non fuit necessarium ut ei incarnatio filii annuntiaretur. (IIIa q. 30 a. 1 arg. 2)
2 — De H. Maagd geloofde in de menswording, want zonder dit geloof kon niemand in staat
van genade zijn, omdat « de gerechtigheid Gods is door het geloof in Jezus Christus
», zoals in de Romeinenbrief (3, 22) geleerd wordt. Maar betreffende datgene, wat
iemand reeds met zekerheid gelooft, behoeft hij niet nader onderricht te worden. Derhalve
was het onnodig, dat haar de menswording van de Zoon werd medegedeeld.
Praeterea, sicut beata virgo corporaliter Christum concepit, ita quaelibet sancta
anima concipit ipsum spiritualiter, unde apostolus dicit, Galat. IV, filioli mei,
quos iterum parturio, donec formetur Christus in vobis. Sed illis qui spiritualiter
debent ipsum concipere, talis conceptio eis non annuntiatur. Ergo nec beatae virgini
fuit annuntiandum quod esset in utero conceptura filium Dei. (IIIa q. 30 a. 1 arg. 3)
3 — Gelijk de H. Maagd de Christus lichamelijk ontving, zo ontvangt elke ziel, die in
staat van genade is, Hem geestelijk; daarvandaan zegt de Apostel in zijn Brief aan
de Galaten (4, 19): « Mijn kinderkens, voor wie ik opnieuw barensweeën moet lijden,
eer Christus in u is gevormd ». Welnu, aan hen, die Hem geestelijk moeten ontvangen,
wordt een dergelijke ontvangenis niet aangekondigd. Derhalve moest ook aan de H. Maagd
niet worden aangekondigd, dat zij Gods Zoon in haar schoot zou ontvangen.
Sed contra est quod habetur Luc. I, quod Angelus dixit ei, ecce, concipies in utero
et paries filium. (IIIa q. 30 a. 1 s. c.)
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen bij Lucas (1, 31), dat de engel tot haar
zeide: « Zie, gij zult in uw schoot ontvangen en een zoon baren ».
Respondeo dicendum quod congruum fuit beatae virgini annuntiari quod esset Christum
conceptura. Primo quidem, ut servaretur congruus ordo coniunctionis filii Dei ad virginem,
ut scilicet prius mens eius de ipso instrueretur quam carne eum conciperet. Unde Augustinus
dicit, in libro de virginitate, beatior Maria est percipiendo fidem Christi, quam
concipiendo carnem Christi. Et postea subdit, materna propinquitas nihil Mariae profuisset,
nisi felicius Christum corde quam carne gestasset. Secundo, ut posset esse certior
testis huius sacramenti, quando super hoc divinitus erat instructa. Tertio, ut voluntaria
sui obsequii munera Deo offerret, ad quod se promptam obtulit, dicens, ecce ancilla
domini. Quarto, ut ostenderetur esse quoddam spirituale matrimonium inter filium Dei
et humanam naturam. Et ideo per Annuntiationem expetebatur consensus virginis loco
totius humanae naturae. (IIIa q. 30 a. 1 co.)
Het was passend, dat aan de H. Maagd geboodschapt werd, dat zij de Christus zou ontvangen.
En wel: 1°, om de juiste orde in de verbinding van de Zoon Gods met de H. Maagd te
bewaren, opdat nl. eerst haar geest over Hem zou worden ingelicht, alvorens zij Hem
in haar vlees zou ontvangen. Vandaar, dat Augustinus in zijn werk Over de Maagdelijkheid
(3° H.) zegt: « Maria is gelukkiger door het verkrijgen van het geloof in Christus
dan door het ontvangen van Christus' vlees ». En daarop laat hij volgen: « Dat Maria
als moeder de Christus zo na stond, zou haar niets hebben gebaat, indien zij Hem niet
met méér vrucht in haar hart had gedragen dan in haar vlees ». — 2°, opdat zij een
des te zekerder getuige zou kunnen zijn van dit geheim, nadat zij van Godswege daarover
was onderricht. — 3°, opdat zij vrijwillig de cijns harer onderworpenheid, aan God
zou brengen, waartoe zij zich dan ook terstond bereidwillig aanbood, zeggende: « Ziehier,
de dienstmaagd des Heren ». — 4°, om te doen zien, dat er een zeker geestelijk huwelijk
bestaat tussen Gods Zoon en de menselijke natuur. En daarom werd door middel van de
boodschap des engels de instemming gevraagd der H. Maagd, als vertegenwoordigende
de gehele mensheid.
Ad primum ergo dicendum quod prophetia praedestinationis completur sine nostro arbitrio
causante, non tamen sine nostro arbitrio consentiente. (IIIa q. 30 a. 1 ad 1)
1 — De profetie der voorbestemming wordt wel vervuld onafhankelijk van onze vrije wil
in die zin, dat onze vrije wil die voorbestemming niet veroorzaakt, doch zij gaat
niet in vervulling zonder instemming van de wil.
Ad secundum dicendum quod beata virgo expressam fidem habebat incarnationis futurae,
sed, cum esset humilis, non tam alta de se sapiebat. Et ideo super hoc erat instruenda. (IIIa q. 30 a. 1 ad 2)
2 — De H. Maagd bezat een uitgesproken geloof in de toekomstige menswording. Doch, daar
zij nederig was, had zij niet zulke hoge gedachten van zichzelf. Hierover moest zij
dus worden ingelicht.
Ad tertium dicendum quod spiritualem conceptionem Christi, quae est per fidem, praecedit
Annuntiatio quae est per fidei praedicationem, secundum quod fides est ex auditu,
ut dicitur Rom. X. Nec tamen propter hoc aliquis pro certo scit se gratiam habere,
sed scit veram fidem esse quam accipit. (IIIa q. 30 a. 1 ad 3)
3 — De geestelijke ontvangenis, welke door het geloof plaats heeft, wordt wel door een
boodschap voorafgegaan, hetgeen geschiedt door de prediking des geloofs, overeenkomstig
het woord: « het geloof is uit het gehoor », zoals gezegd wordt in de Brief aan de
Romeinen (10, 17). Maar toch weet iemand hierom niet als zeker, dat hij de genade
bezit; doch hij weet, dat het geloof, hetwelk hij ontvangt, het ware is.
Articulus 2. Moest deze boodschap aan de H. Maagd worden overgebracht door een engel?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod beatae virgini non debuerit Annuntiatio fieri
per Angelum. Supremis enim Angelis fit revelatio immediate a Deo, ut dicit Dionysius,
VII cap. Cael. Hier. Sed mater Dei est super omnes Angelos exaltata. Ergo videtur
quod immediate a Deo debuerit sibi annuntiari incarnationis mysterium, et non per
Angelum. (IIIa q. 30 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de boodschap aan de H. Maagd niet door een engel moest worden overgebracht.
Want aan de hoogst-verheven engelen wordt de openbaring onmiddellijk door God zelf
medegedeeld, zoals Dionysius leert in zijn werk *Over de Hemelreien* (7e H.). Maar
de Moeder Gods is boven alle engelen verheven. Derhalve moest het geheim der menswording
onmiddellijk door God zelf aan haar worden medegedeeld, en niet door een engel.
Praeterea, si in hoc oportebat servari communem ordinem, secundum quem divina hominibus
per Angelos revelantur, similiter divina ad mulierem per virum deferuntur, unde et
apostolus dicit, I Cor. XIV, mulieres in Ecclesiis taceant, et si quid velint discere,
domi viros suos interrogent. Ergo videtur quod beatae virgini debuit annuntiari mysterium
incarnationis per aliquem virum, praesertim quia Ioseph, vir eius, super hoc fuit
ab Angelo instructus, ut legitur Matth. I. (IIIa q. 30 a. 2 arg. 2)
2 — Indien ook hier de gewone regel moest gehandhaafd blijven, volgens welke het goddelijke
door de engelen aan de mensen wordt geopenbaard, dan moest eveneens het goddelijke
door de man aan de vrouw worden medegedeeld; daarom dan ook zegt de Apostel in zijn
*Eersten Brief aan de Korinthiërs* (14, 34, 35): «De vrouwen moeten in de bijeenkomsten
zwijgen... En wanneer zij inlichtingen verlangen, dan moeten zij thuis haar eigen
man er naar vragen». Derhalve moest het geheim der menswording door een man aan de
H. Maagd worden medegedeeld, temeer, daar Joseph, haar man, aangaande dit geheim door
een engel was ingelicht, zoals we lezen in Mattheus (1, 20, 21).
Praeterea, nullus potest congrue annuntiare quod ignorat. Sed supremi Angeli non plene
cognoverunt incarnationis mysterium, unde Dionysius VII cap. Cael. Hier., ex eorum
persona dicit esse intelligendam quaestionem quae ponitur Isaiae LXIII, quis est iste
qui venit de Edom? Ergo videtur quod per nullum Angelum potuit convenienter Annuntiatio
incarnationis fieri. (IIIa q. 30 a. 2 arg. 3)
3 — Niemand kan behoorlijk mededelen, wat hij zelf niet weet. Welnu, zelfs de meest verheven
engelen kenden het geheim der menswording niet ten volle. Vandaar, dat men volgens
Dionysius (in zijn werk Over de Hemelreien, 7e H.) de vraag van Isaias (63, 1): «
Wie is deze, die van Edom komt? » moet opvatten, als was zij namens hen gesteld. Derhalve
kon de boodschap der mensvordering niet behoorlijk door een engel worden medegedeeld.
Praeterea, maiora sunt per maiores nuntios annuntianda. Sed mysterium incarnationis
est maximum inter omnia alia quae per Angelos sunt hominibus annuntiata. Ergo videtur
quod, si per aliquem Angelum annuntiari debuit, quod annuntiandum fuit per aliquem
de supremo ordine. Sed Gabriel non est de supremo ordine, sed de ordine Archangelorum,
qui est penultimus, unde cantat Ecclesia, Gabrielem Archangelum scimus divinitus te
esse affatum. Non ergo huiusmodi Annuntiatio per Gabrielem Archangelum convenienter
facta est. (IIIa q. 30 a. 2 arg. 4)
4 — Het voornaamste moet door de voornaamste gezanten worden geboodschapt. Welnu, het
geheim der menswording is het voornaamste onder al hetgeen door de engelen aan de
mensen geboodschapt werd. Gesteld dus, dat dit geheim door een engel geboodschapt
moest worden, dan moest dit geschieden door een engel van het hoogste koor. Maar Gabriël
is geen engel van het hoogste koor, doch van het koor der aartsengelen, hetwelk op
een na de laagste plaats inneemt; daarom zingt de Kerk dan ook: « Wij weten, dat de
aartsengel Gabriël van Godswege tot u gesproken heeft ». Derhalve was het niet passend,
dat deze boodschap door de aartsengel Gabriël werd overgebracht.
Sed contra est quod dicitur Luc. I, missus est Gabriel Angelus a Deo, et cetera. (IIIa q. 30 a. 2 s. c.)
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen bij Lucas (1, 26): « De engel Gabriël
werd door God gezonden ».
Respondeo dicendum quod conveniens fuit matri Dei annuntiari per Angelum divinae incarnationis
mysterium, propter tria. Primo quidem, ut in hoc etiam servaretur divina ordinatio,
secundum quam mediantibus Angelis divina ad homines perveniunt. Unde dicit Dionysius,
IV cap. Cael. Hier., quod divinum Iesu benignitatis mysterium Angeli primum edocti
sunt, postea per ipsos ad nos cognitionis gratia transivit. Sic igitur divinissimus
Gabriel Zachariam quidem docebat prophetam esse futurum ex ipso, Mariam autem, quomodo
in ipsa fieret thearchicum ineffabilis Dei formationis mysterium. Secundo, hoc fuit
conveniens reparationi humanae, quae futura erat per Christum. Unde Beda dicit, in
homilia, aptum humanae restaurationis principium ut Angelus a Deo mitteretur ad virginem
partu consecrandam divino, quia prima perditionis humanae fuit causa cum serpens a
Diabolo mittebatur ad mulierem spiritu superbiae decipiendam. Tertio, quia hoc congruebat
virginitati matris Dei. Unde Hieronymus dicit in sermone assumptionis, bene Angelus
ad virginem mittitur, quia semper est Angelis cognata virginitas. Profecto in carne
praeter carnem vivere non terrena vita est, sed caelestis. (IIIa q. 30 a. 2 co.)
LEERSTELLING. — Om drie redenen was het passend, dat Gods menswording aan de Moeder
Gods geboodschap werd door een engel. En wel: 1°, opdat ook hier het goddelijk bestel
zou gehandhaafd blijven, volgens hetwelk datgene, wat van God komt, door middel van
engelen tot de mensen zou komen. Daarom dan ook zegt Dionysius in zijn werk Over de
Hemelreien (4° H.), dat eerst de engelen werden ingelicht betreffende het goddelijk
geheim van Jezus' welwillendheid, en daarna kwam de genade dezer kennis door hen tot
ons. Zo derhalve boodschapte de van God gezondene Gabriël aan Zacharias, dat er uit
hem een profeet zou opstaan, aan Maria echter, hoe in haar het geheim zou worden vervuld
der vorming van de onuitsprekelijke God, welk geheim in God zelf zijn oorsprong had.
— 2° Dit paste bij het a. s. herstel van het mensdom door Christus. Vandaar, dat Beda
in zijn Homelie op de boodschap des engels zegt: « Het was een passende inzet bij
het herstel van het mensdom, dat een engel door God gezonden werd, tot de Maagd, die
geheiligd zou worden door het goddelijk Moederschap, daar de eerste aanleiding tot
de val van het mensdom hierin lag, dat de duivel een slang zond, om de vrouw te misleiden
met de geest van hoovaardij ». — 3° Dit betaamde aan de maagdelijkheid der Moeder
Gods. Zo zegt dan ook Hieronymus in zijn preek Over Maria-ten-hemel-opneming (brief
aan Paulus en Eustochius): « Terecht werd een engel tot de Maagd gezonden, want steeds
is de maagdelijkheid de engelen verwant. Waarlijk, in het vlees, buiten het vlees
om, te leven, is geen aards doch een hemels leven ».
Ad primum ergo dicendum quod mater Dei superior erat Angelis quantum ad dignitatem
ad quam divinitus eligebatur. Sed quantum ad statum praesentis vitae, inferior erat
Angelis. Quia etiam ipse Christus, ratione passibilis vitae, modico ab Angelis minoratus
est, ut dicitur Heb. II. Sed quia tamen Christus fuit viator et comprehensor, quantum
ad cognitionem divinorum non indigebat ab Angelis instrui. Sed mater Dei nondum erat
in statu comprehensorum. Et ideo de divino conceptu per Angelos instruenda erat. (IIIa q. 30 a. 2 ad 1)
1 — De Moeder Gods was wel boven alle engelen verheven wat betreft de waardigheid, waartoe
zij door God werd uitverkoren. Doch wat betreft de staat van haar toenmalig leven,
was zij minder verheven dan de engelen, daar ook Christus zelf, krachtens zijn voor
lijden ontvankelijk leven voor korte tijd beneden de engelen was gesteld, zoals de
Hebreeënbrief leert (2, 9). Maar omdat Christus niet alleen een pelgrim was op weg
naar de hemelse zaligheid, doch tevens reeds deel had aan de eeuwige aanschouwing,
behoefde Hij door geen engelen te worden onderricht in de kennis betreffende het goddelijke.
Maar de Moeder Gods was nog niet in de staat van hen, die aanschouwen. En daarom moest
zij wel door engelen worden ingelicht over haar ontvangen van God.
Ad secundum dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in sermone de assumptione, beata
virgo Maria vera existimatione ab aliquibus generalibus excipitur. Quia nec conceptus
multiplicavit, nec sub viri, idest mariti, potestate fuit, quae integerrimis visceribus
de spiritu sancto Christum suscepit. Et ideo non debuit mediante viro instrui de mysterio
incarnationis, sed mediante Angelo. Propter quod etiam ipsa prius est instructa quam
Ioseph, nam ipsa instructa est ante conceptum, Ioseph autem post eius conceptum. (IIIa q. 30 a. 2 ad 2)
2 — Zoals Augustinus in zijn preek Over Maria-ten-hemel-opneming leert, acht men terecht,
dat de H. Maagd Maria van sommige algemene wetten uitgezonderd is, omdat « zij, die
in haar volstrekt ongeschonden schoot de Christus heeft ontvangen van de H. Geest,
slechts één zwangerschap kende en niet onder de macht van een man stond », d. i. van
een echtgenoot (Boek der Schepping, 3, 16). Daarom dan ook behoefde zij niet door
een man te worden ingelicht over het geheim der menswording, maar door een engel.
Om dezelfde reden werd dit dan ook eerder aan haar geboodschap dan aan Joseph; want
aan haar werd het medegedeeld vóórdat zij ontvangen had, aan Joseph echter, nadat
zij ontvangen had.
Ad tertium dicendum quod, sicut patet ex auctoritate Dionysii inducta, Angeli incarnationis
mysterium cognoverunt, sed tamen interrogant, perfectius scire cupientes a Christo
huius mysterii rationes, quae sunt incomprehensibiles omni creato intellectui. Unde
maximus dicit quod utrum Angeli cognoverint futuram incarnationem, ambigere non oportet.
Latuit autem eos investigabilis domini conceptio, atque modus qualiter totus in genitore,
totus manebat in omnibus, nec non et in virginis cellula. (IIIa q. 30 a. 2 ad 3)
3 — Zoals uit de aangehaalde woorden van Dionysius (zie de Leerstelling) blijkt, kenden
de engelen het geheim der menswording wel; doch zij stellen die vraag, omdat zij de
gronden van dit geheim, welke geen enkel geschapen verstand volledig kan inzien, volmaakter
verlangen te vernemen van Christus. Daarvandaan schrijft Maximus: « Men moet er niet
aan twijfelen, of de engelen de toekomstige menswording kenden. Maar de ontvangenis
van de onnaspeurlijke Heer wisten zij niet, noch de wijze, waarop Hij geheel in de
Vader bleef en toch geheel in alle dingen en tevens geheel in de schoot der Maagd
».
Ad quartum dicendum quod quidam dicunt Gabrielem fuisse de supremo ordine, propter
hoc quod Gregorius dicit, summum Angelum venire dignum fuerat, qui summum omnium nuntiabat.
Sed ex hoc non habetur quod fuerit summus inter omnes ordines, sed respectu Angelorum,
fuit enim de ordine Archangelorum. Unde et Ecclesia eum Archangelum nominat, et Gregorius
ipse dicit, in homilia de centum ovibus, quod Archangeli dicuntur qui summa annuntiant.
Satis est ergo credibile quod sit summus in ordine Archangelorum. Et, sicut Gregorius
dicit, hoc nomen officio suo congruit, Gabriel enim Dei fortitudo nominatur. Per Dei
ergo fortitudinem nuntiandum erat quia virtutum dominus et potens in praelio ad debellandas
potestates aereas veniebat. (IIIa q. 30 a. 2 ad 4)
4 — Sommigen houden dat Gabriël tot het hoogste engelenkoor behoorde, omdat Gregorius
in zijn Homelie Over de Honderd Schapen zegt: « Het betaamde, dat de hoogste engel
kwam, om het allerhoogste aan te kondigen ». Uit deze woorden volgt echter niet, dat
hij de hoogste was onder alle koren, doch de hoogste met betrekking tot de koren der
engelen; hij was dan ook van het koor der aartsengelen. Daarom noemt ook de Kerk hem
aartsengel en schrijft Gregorius zelf (t. a. p.), dat diegenen aartsengelen heeten,
welke het voornaamste boodschappen. Het is dus geloofwaardig genoeg, dat hij de verhevenste
is in het koor der aartsengelen. En gelijk Gregorius (t. a. p.) opmerkt, past deze
naam bij zijn taak: Gabriel toch betekent sterkte Gods. Door « Gods Sterkte » derhalve
moest worden aangekondigd, dat de Heer der Heerscharen, dat Hij, die machtig is in
de strijd, in aantocht was om de machten der lucht te verslaan.
Articulus 3. Moest de boodschappende engel zo aan de H. Maagd verschijnen, dat zij hem met de ogen
van haar lichaam kon zien?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod Angelus annuntians non debuerit virgini apparere
visione corporali. Dignior enim est intellectualis visio quam corporalis, ut Augustinus
dicit, XII super Gen. ad Litt., et praecipue ipsi Angelo magis conveniens, nam visione
intellectuali videtur Angelus in sua substantia; visione autem corporali videtur in
assumpta figura corporea. Sed sicut ad annuntiandum conceptum divinum decebat venire
summum nuntium, ita etiam videtur quod decuerit esse summum genus visionis. Ergo videtur
quod Angelus annuntians apparuit virgini visione intellectuali. (IIIa q. 30 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de boodschappende engel niet zo aan de H. Maagd had moeten verschijnen,
dat zij hem met de ogen haars lichaam kon zien. Want zoals Augustinus zegt in het
12e boek van zijn Letterlijke Verklaring van het boek der Schepping (24e H.) staat
het zien met ons verstand hoger dan het zien met de ogen van ons lichaam; en vooral,
dit past meer ten opzichte van de engel zelf; want het verstand ziet hem in zijn eigen
wezen, doch de ogen des lichaams aanschouwen hem slechts in een aangenomen lichamelijke
gedaante. Welnu, evenzeer als het betaamde, dat de verhevenste gezant Gods menswording
kwam boodschappen (zie: het vorige artikel, antwoord op de 4e bedenking), evenzeer
betaamde de hoogste wijze van hem te zien. Derhalve verscheen de engel zo, dat de
H. Maagd hem zag met haar verstand.
Praeterea, visio imaginaria videtur etiam esse nobilior quam visio corporalis, sicut
imaginatio est altior potentia quam sensus. Sed Angelus apparuit Ioseph in somnis,
secundum imaginariam visionem, ut patet Matth. I et II. Ergo videtur quod etiam apparere
debuerit beatae virgini imaginaria visione, et non corporali. (IIIa q. 30 a. 3 arg. 2)
2 — Eveneens staat het zien met de verbeelding hoger dan het zien met lichamelijke ogen,
gelijk toch ook de verbeeldingskracht zelf een edeler vermogen is dan het uitwendige
zintuig. Welnu aan Joseph verscheen de engel in de slaap, zodat hij hem in zijn verbeelding
kon zien, gelijk blijkt uit Mattheus (1, 20; 2, 13, 19). Derhalve had hij ook aan
de H. Maagd zo moeten verschijnen, niet dat zij hem met haar ogen zag, maar met haar
verbeelding.
Praeterea, corporalis visio spiritualis substantiae videntes stupefacit, unde etiam
de ipsa virgine cantatur, et expavescit virgo de lumine. Sed melius fuisset quod a
tali turbatione mens eius esset praeservata. Non ergo fuit conveniens quod huiusmodi
Annuntiatio fieret per visionem corporalem. (IIIa q. 30 a. 3 arg. 3)
3 — Een geestelijk wezen met onze lichamelijke ogen zien, doet ons versteld staan; daarom
dan ook zingt de Kerk van de H. Maagd (2e Respons. in de Metten op het feest van Maria
Boodschap): « En de Maagd schrok van het licht ». Doch het ware beter geweest, dat
haar geest voor een dergelijke ontsteltenis gespaard was gebleven. Derhalve betaamde
het niet, dat deze boodschap door middel van een lichamelijk waarneembaar visioen
werd medegedeeld.
Sed contra est quod Augustinus, in quodam sermone, inducit beatam virginem sic dicentem,
venit ad me Gabriel Archangelus facie rutilans, veste coruscans, incessu mirabilis.
Sed haec non possunt pertinere nisi ad corpoream visionem. Ergo corporea visione Angelus
annuntians beatae virgini apparuit. (IIIa q. 30 a. 3 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat Augustinus (in zijn 3e preek over de Boodschap des
Engels) de H. Maagd de woorden in de mond legt: « Tot mij kwam de aartsengel Gabriël;
glanzend was zijn aangezicht, vonkelend zijn gewaad, en zijn gang wonderbaar ». Doch
dit kan slechts met de ogen van het lichaam worden waargenomen. Derhalve verscheen
de engel aan de H. Maagd zo, dat zij hem met haar lichamelijke ogen zag.
Respondeo dicendum quod Angelus annuntians apparuit matri Dei corporea visione. Et
hoc conveniens fuit, primo quidem, quantum ad id quod annuntiabatur. Venerat enim
Angelus annuntiare incarnationem invisibilis Dei. Unde etiam conveniens fuit ut ad
huius rei declarationem invisibilis creatura formam assumeret in qua visibiliter appareret,
cum etiam omnes apparitiones veteris testamenti ad hanc apparitionem ordinentur, qua
filius Dei in carne apparuit. Secundo, congruum fuit dignitati matris Dei, quae non
solum in mente, sed in corporeo ventre erat Dei filium receptura. Et ideo non solum
mens eius, sed etiam sensus corporei erant visione angelica refovendi. Tertio, congruit
certitudini eius quod annuntiabatur. Ea enim quae sunt oculis subiecta, certius apprehendimus
quam ea quae imaginamur. Unde Chrysostomus dicit, super Matth., quod Angelus non in
somnis, immo visibiliter virgini astitit. Nam quia magnam valde relationem ab Angelo
accipiebat, egebat ante tantae rei eventum visione solemni. (IIIa q. 30 a. 3 co.)
De engel, die de boodschap aankondigde, verscheen zo aan de Moeder Gods, dat zij hem
met haar lichamelijke ogen zag. En dit betaamde: 1e omdat het overeenkomt met datgene
wat geboodschap werd. De engel toch kwam de menswording aankondigen van de onzichtbare
God. Om dit geheim nu klaar voor ogen te stellen, was het aangepast, dat een onzichtbaar
schepsel een gedaante aannam, waarin hij zichtbaar zou verschijnen; daar toch ook
alle verschijningen van het Oude Verbond gericht waren op deze verschijning van Gods
Zoon in het vlees. — 2° dit kwam ook overeen met de waardigheid der Moeder Gods. Zij
toch zou Gods Zoon niet slechts in haar geest ontvangen, doch tevens in de schoot
haars lichaams. En derhalve mocht niet alleen haar geest, maar mochten ook de zintuigen
van haar lichaam zich verheugen in het zien van de engel. — 3° Dit betaamde aan de
zekerheid betreffende datgene wat geboodschapt werd. Datgene toch wat we kunnen zien
met onze ogen nemen we met meer zekerheid waar dan hetgeen we ons voorstellen. Vandaar,
dat Chrysostomus (in zijn 4° Homelie op Mattheus) zegt, dat de engel niet in haar
slaap verscheen, doch zelfs zichtbaar voor haar stond. « Want daar zij een zeer gewichtige
boodschap van de engel ontving, was een plechtig visioen vóór de verwezenlijking ener
zo belangrijke gebeurtenis voor haar wel noodig ».
Ad primum ergo dicendum quod intellectualis visio est potior quam visio imaginaria
vel corporalis si sit sola. Sed ipse Augustinus dicit quod est excellentior prophetia
quae habet simul intellectualem et imaginariam visionem, quam illa quae habet alterum
tantum. Beata autem virgo non solum percepit visionem corporalem, sed etiam intellectualem
illuminationem. Unde talis apparitio nobilior fuit. Fuisset tamen nobilior si ipsum
Angelum intellectuali visione in sua substantia vidisset. Sed hoc non patiebatur status
hominis viatoris, quod Angelum per essentiam videret. (IIIa q. 30 a. 3 ad 1)
1 — Het zien met ons verstand staat hoger dan het zien met de verbeelding, of dan het
zien met de ogen van ons lichaam, zo het alleen voorkomt, zonder een van beide laatstgenoemde.
Maar Augustinus zelf leert in het 12e boek van zijn Letterlijke Verklaring van het
Boek der Schepping (9e H.), dat een profetie, welke tegelijkertijd zowel door het
verstand als door de verbeelding wordt gezien, hoger staat dan een profetie, welke
slechts door een van beide wordt waargenomen. De H. Maagd nu zag niet uitsluitend
dat lichamelijk waarneembaar visioen, doch kreeg tevens een verlichting van haar verstand.
Zulk een verschijning stond dus hoger. Toch zou deze verschijning nog verhevener zijn
geweest, indien de H. Maagd door haar verstandelijk schouwen de engel zelf in zijn
eigen wezen had gezien. Maar de staat van een mens, die nog pelgrim is op weg naar
de eeuwigheid, laat niet toe, dat hij een engel naar zijn wezen ziet.
Ad secundum dicendum quod imaginatio quidem est altior potentia quam sensus exterior,
quia tamen principium humanae cognitionis est sensus, in eo consistit maxima certitudo;
quia semper oportet quod principia cognitionis sint certiora. Et ideo Ioseph, cui
Angelus in somnis apparuit, non ita excellentem apparitionem habuit sicut beata virgo. (IIIa q. 30 a. 3 ad 2)
2 — Weliswaar is de verbeeldingskracht een edeler vermogen dan het uitwendige zintuig;wijl
echter het zintuig het uitgangspunt is der menselijke kennis, vindt men in hem de
grootste zekerheid, omdat steeds de uitgangspunten onzer kennis het zekerst moeten
wezen. En derhalve had Joseph, wien de engel in zijn slaap verscheen, niet zulk een
hoogstaande verschijning als de H. Maagd.
Ad tertium dicendum quod, sicut Ambrosius dicit, super Luc., perturbamur et a nostro
alienamur affectu, quando restringimur alicuius superioris potestatis occursu. Et
hoc non solum contingit in visione corporali, sed etiam in visione imaginaria. Unde
Gen. XV dicitur quod, cum sol occubuisset, sopor irruit super Abraham, et horror magnus
et tenebrosus invasit eum. Talis tamen perturbatio hominis non tantum homini nocet
ut propter eam debeat angelica apparitio praetermitti. Primo quidem, quia ex hoc ipso
quod homo supra seipsum elevatur, quod ad eius pertinet dignitatem, pars eius inferior
debilitatur, ex quo provenit perturbatio praedicta, sicut etiam, calore naturali ad
interiora reducto, exteriora tremunt. Secundo quia, sicut Origenes dicit, super Luc.,
Angelus apparens, sciens hanc esse humanam naturam, primum perturbationi humanae medetur.
Unde tam Zachariae quam Mariae, post turbationem, dixit, ne timeas. Et propter hoc,
ut legitur in vita Antonii, non difficilis est bonorum spirituum malorumque discretio.
Si enim post timorem successerit gaudium, a domino venisse sciamus auxilium, quia
securitas animae praesentis maiestatis indicium est. Si autem incussa formido permanserit
hostis est qui videtur. Ipsa etiam turbatio virginis conveniens fuit verecundiae virginali.
Quia, ut Ambrosius dicit, super Luc., trepidare virginum est, et ad omnes viri ingressus
pavere, omnes viri affatus vereri. Quidam tamen dicunt quod, cum beata virgo assueta
esset visionibus Angelorum, non fuit turbata in visione Angeli, sed in admiratione
eorum quae ei ab Angelo dicebantur, quia de se tam magnifica non cogitabat. Unde et
Evangelista non dicit quod turbata fuerit in visione Angeli, sed, in sermone eius. (IIIa q. 30 a. 3 ad 3)
3 — Zoals Ambrosius zegt in zijn Uiteenzetting op Lucas (1, 11). « worden wij ontsteld
en van onze gemoedstoestand vervreemd, wanneer het ontmoeten van een hogere macht
ons beklemt ». En dit komt niet alleen voor bij het lichamelijk zien maar ook bij
het zien met onze verbeelding. Vandaar zegt het Boek der Schepping (15, 12): « toen
de zon was ondergegaan, werd Abraham overvallen door een diepe slaap, en een grote
en duistervolle verschrikking overviel hem ». Zulk een ontsteltenis echter benadeelt
de mens toch niet zozeer, dat daarom van een verschijning des engels moest worden
afgezien. Ten eerste namelijk omdat juist door het feit, dat een mens boven zichzelf
verheven wordt, hetgeen betrekking heeft op zijn waardigheid, het minder edele in
hem verzwakt wordt; en hieruit komt voornoemde ontsteltenis voort, zoals ook de uitwendige
ledematen beginnen te rillen, zodra de lichaamswarmte zich naar het inwendige heeft
teruggetrokken. — Ten tweede, omdat, gelijk Origenes in zijn 4e Homelie op Lucas leert,
« de engel, die verschijnt, wetend, dat de menselijke natuur zo is, het allereerst
deze ontsteltenis geneest ». Vandaar, dat hij zowel tot Zacharias als tot Maria bij
hun ontsteltenis sprak: « Vrees niet » (Lucas, 1, 13, 30). Daarom « is het niet moeilijk
— zoals we in het leven van Antonius (door de H. Athanasius) lezen — de goede geesten
te onderscheiden van de kwade. Wanneer namelijk de vrees wordt gevolgd door vreugde,
dan wete men, dat de hulp kwam van de Heer, daar zielekalmte een teken is van het
aanwezig zijn der majesteit. Doch blijft de ingeboezemde vrees, dan is het de vijand,
die men ziet ». Die ontsteltenis der H. Maagd lag trouwens in de lijn der maagdelijke
schuchterheid. Want zoals Ambrosius zegt in het 2e boek van zijn Uiteenzetting op
Lucas (1, 28): « is het de maagden eigen, bang te worden, en bij elk binnenkomen van
een man 'te beven, en er voor te huiveren door een man te worden aangesproken ». Sommigen
houden echter, dat de H. Maagd niet verschrok om het zien van de engel, daar zij engelenvisioenen
gewoon was, maar in haar verwondering om hetgeen door de engel gezegd werd, wijl zij
iets zo verhevens niet dacht van zichzelf. Daarom dan ook zegt de Evangelist niet,
dat zij verschrok van het zien van de engel, maar « van zijn woord » (Luc. 1, 29).
Articulus 4. Geschiedde de boodschap des engels in de passende volgorde?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod Annuntiatio non fuerit convenienti ordine
perfecta. Dignitas enim matris Dei dependet ex prole concepta. Sed causa prius debet
manifestari quam effectus. Ergo primo debuit Angelus virgini annuntiare conceptum
prolis, quam eius dignitatem exprimere eam salutando. (IIIa q. 30 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de boodschap des engels niet in passende volgorde is geschied. Want
de waardigheid der Moeder Gods hangt af van het door haar ontvangen kind. Welnu, de
oorzaak moet eerder worden aangegeven dan het voortbrengsel. Derhalve had de engel
haar eerst de ontvangenis moeten boodschappen, alvorens haar in zijn groet haar waardigheid
mee te delen.
Praeterea, probatio aut praetermitti debet, in his quae dubia non sunt, aut praemitti,
in his quae dubia esse possunt. Sed Angelus primo videtur annuntiasse id de quo virgo
dubitaret, et dubitando quaereret, dicens, quomodo fiet istud? Et postea probationem
adiunxit, tum ex exemplo Elisabeth, tum ex Dei omnipotentia. Ergo inconvenienti ordine
Annuntiatio per Angelum est effecta. (IIIa q. 30 a. 4 arg. 2)
2 — Ofwel men moet het bewijs achterwege laten (bij datgene, wat niet twijfelachtig is),
ofwel voorop plaatsen (bij datgene, wat wel twijfelachtig kan zijn). Maar de engel
schijnt eerst datgene te hebben aangekondigd, wat de H. Maagd zou betwijfelen, en
waarover zij in haar twijfel zou vragen: « hoe zal dit geschieden? », en eerst daarna
het bewijs, zowel uit het voorbeeld van Elisabeth als uit Gods almacht, eraan te hebben
toegevoegd. Derhalve is de boodschap niet in de passende volgorde door de engel volbracht.
Praeterea, maius non potest sufficienter probari per minus. Sed maius fuit virginem
parere quam vetulam. Ergo non fuit sufficiens probatio Angeli probantis conceptum
virginis ex conceptu senis. (IIIa q. 30 a. 4 arg. 3)
3 — Het meerdere kan men niet voldoende bewijzen door het mindere. Welnu, dat een maagd
zal baren, is meer dan dat een oude vrouw zal baren. Derhalve was het geen voldoende
bewijs van de engel, dat hij het ontvangen der H. Maagd aantoonde uit het ontvangen
van een bejaarde vrouw.
Sed contra est quod dicitur Rom. XIII, quae a Deo sunt, ordinata sunt. Angelus autem
missus est a Deo ad hoc quod virgini annuntiaret, ut dicitur Luc. I. Ergo ordinatissime
fuit Annuntiatio per Angelum completa. (IIIa q. 30 a. 4 s. c.)
Daartegenover staat echter hetgeen in de Romeinenbrief (13, 1) gezegd wordt: « Wat
van God is, is geordend ». Welnu, de engel is van God gezonden, om aan de Maagd te
boodschappen, gelijk we lezen bij Lucas (1, 26). Derhalve is de boodschap zo ordelijk
mogelijk door de engel verricht.
Respondeo dicendum quod Annuntiatio congruo ordine per Angelum est perfecta. Tria
enim Angelus intendebat circa virginem. Primo quidem, reddere mentem eius attentam
ad tantae rei considerationem. Quod quidem fecit eam salutando quadam nova et insolita
salutatione. Unde Origenes dicit, super Luc., quod, si scivisset ad alium quempiam
similem factum esse sermonem (utpote quae habebat legis scientiam), nunquam eam, quasi
peregrina, talis salutatio terruisset. In qua quidem salutatione praemisit idoneitatem
eius ad conceptum, in eo quod dixit, gratia plena; expressit conceptum, in eo quod
dixit, dominus tecum; et praenuntiavit honorem consequentem, cum dixit, benedicta
tu in mulieribus. Secundo autem, intendebat eam instruere de mysterio incarnationis,
quod in ea erat implendum. Quod quidem fecit praenuntiando conceptum et partum, dicens,
ecce, concipies in utero, etc.; et ostendendo dignitatem prolis conceptae, cum dixit,
hic erit magnus; et etiam demonstrando modum conceptionis, cum dixit, spiritus sanctus
superveniet in te. Tertio, intendebat animum eius inducere ad consensum. Quod quidem
fecit exemplo Elisabeth; et ratione ex divina omnipotentia sumpta. (IIIa q. 30 a. 4 co.)
De boodschap werd door de engel in de juiste volgorde verricht. De engel toch bedoelde
drie dingen ten opzichte van de H. Maagd. 1°, De aandacht van haar geest te spannen
op het beschouwen van een zo grootse gebeurtenis. Dit nu deed hij door haar aan te
spreken met een nieuwe en ongewone groet. Daarom dan ook zegt Origenes in zijn 6°
Homelie op Lucas: « Indien zij geweten had, dat een dergelijk woord ooit tot iemand
anders was gesproken (zij toch kende de Oude Wet), dan zou zulk een begroeting haar
nooit als iets vreemds hebben doen verschrikken ». In deze begroeting nu gewaagde
hij eerst van haar geschiktheid tot het ontvangen, met de woorden: vol van genade,
vervolgens boodschapte hij het ontvangen zelf, door te zeggen: de Heer is met u, en
tenslotte voorzegde hij de daaruit volgende eer, toen hij sprak: Gezegend zijt gij
onder de vrouwen. — 2° bedoelde hij haar te onderrichten over het geheim der menswording,
hetwelk in haar zou worden voltrokken. Dit nu deed hij zowel door haar de ontvangenis
en geboorte te voorspellen, met de woorden: « Zie, gij zult in uw schoot ontvangen...
» enz., als door haar te wijzen op de waardigheid van het ontvangen kind, zeggende:
« Deze zal groot zijn », en tevens door haar de wijze der ontvangenis te laten zien,
toen hij zei: « De H. Geest zal op u neerdalen ». — 3° bedoelde hij haar geest in
te leiden tot het betuigen van instemming. Dit nu deed hij door het voorbeeld van
Elisabeth en door een beweegreden, ontleend aan Gods almacht.
Ad primum ergo dicendum quod animo humili nihil est mirabilius quam auditus suae excellentiae.
Admiratio autem maxime attentionem animi facit. Et ideo Angelus, volens mentem virginis
attentam reddere ad auditum tanti mysterii, ab eius laude incoepit. (IIIa q. 30 a. 4 ad 1)
1 — Voor een nederige ziel is er niets méér verwonderlijks dan het vernemen haar eigen
voortreffelijkheid. Verwondering echter maakt het sterkst de aandacht van onze geest
gaande. En juist, wil de engel de aandacht van haar geest vestigen op het aanhooren
van een zo verheven geheim, daarom begon hij met haar lof.
Ad secundum dicendum quod Ambrosius expresse dicit, super Luc., quod beata virgo de
verbis Angeli non dubitavit. Dicit enim, temperatior est Mariae responsio quam verba
sacerdotis. Haec ait, quomodo fiet istud? Ille respondit, unde hoc sciam? Negat ille
se credere, qui negat se scire ista. Non dubitat esse faciendum quod, quomodo fieri
possit, inquirit. Augustinus tamen videtur dicere quod dubitaverit. Dicit enim, in
libro quaestionum veteris et novi Test., ambigenti Mariae de conceptu, possibilitatem
Angelus praedicat. Sed talis dubitatio magis est admirationis quam incredulitatis.
Et ideo Angelus probationem inducit, non ad auferendam infidelitatem, sed ad removendam
eius admirationem. (IIIa q. 30 a. 4 ad 2)
2 — Ambrosius zegt uitdrukkelijk in het 2e boek van zijn Uiteenzetting op Lucas (1, 34),
dat de H. Maagd niet twijfelde over de woorden van de engel. Want hij zegt: « Het
antwoord van Maria was meer gematigd dan de woorden van de priester. Zij zei: « Hoe
zal dit geschieden? » Maar hij gaf ten antwoord: « Waaraan zal ik dat weten? » Hij
nu die zegt niet te weten, zegt ook niet te geloven. Maar wie vraagt, hoe dit kan
geschieden, betwijfelt niet, dat het moet geschieden ». Augustinus echter schijnt
te houden, dat zij wel getwijfeld heeft. In zijn werk toch Vragen van het Oude en
Nieuwe Testament (51e Vraag) schrijft hij: « Aan Maria, die haar ontvangen in twijfel
trekt, verkondigt de engel de mogelijkheid ». Maar zulk een twijfel is meer een uiting
van verwondering dan van ongeloof. En derhalve voegt de engel het bewijs er aan toe,
niet om enig ongeloof weg te nemen, doch om haar verwondering te doen ophouden.
Ad tertium dicendum quod, sicut Ambrosius dicit, in Hexaemeron, ob hoc multae steriles
praevenerunt, ut partus credatur virginis. Et ideo conceptus Elisabeth sterilis inducitur,
non quasi sufficiens argumentum, sed quasi quoddam figurale exemplum. Et ideo, ad
confirmationem huius exempli, subditur argumentum efficax ex omnipotentia divina. (IIIa q. 30 a. 4 ad 3)
3 — Zoals Ambrosius in zijn werk Over de zes Scheppingsdagen zegt, « gingen juist daarom
vele onvruchtbare vrouwen vooraf, opdat men zou geloven in het baren door de Maagd
». Het ontvangen der onvruchtbare Elisabeth wordt dus niet aangehaald als een afdoend
bewijs, maar als een voorafbeeldend teken. Ter bevestiging dus van dit voorafbeeldend
teken wordt het geschraagd met een doorslaand bewijs uit Gods almacht.