Tertia Pars. Quaestio 5. Over het aannemen der delen van de menselijke natuur .
Prooemium
Deinde considerandum est de assumptione partium humanae naturae. Et circa hoc quaeruntur
quatuor. Primo, utrum filius Dei debuerit assumere verum corpus. Secundo, utrum assumere
debuerit corpus terrenum, scilicet carnem et sanguinem. Tertio, utrum assumpserit
animam. Quarto, utrum assumere debuerit intellectum. (IIIa q. 5 pr.)
Vervolgens moeten wij spreken over het aannemen der delen van de menselijke natuur.
En hierover stellen wij ons vier vragen: 1. Moest Gods Zoon een werkelijk lichaam
aannemen? 2. Moest Hij een aards lichaam aannemen, nl. vlees en bloed? 3. Nam Hij
een ziel aan? 4. Moest Hij een verstand aannemen?
Articulus 1. Nam Gods Zoon een werkelijk lichaam aan?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod filius Dei non assumpserit verum corpus. Dicitur
enim Philipp. II quod in similitudinem hominum factus est. Sed quod est secundum veritatem,
non dicitur esse secundum similitudinem. Ergo filius Dei non assumpsit verum corpus. (IIIa q. 5 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat Gods Zoon geen werkelijk lichaam aannam. Want in de Brief aan de
Philippiërs (2, 7) wordt gezegd, dat Hij « aan de mensen gelijk is geworden ». Maar
wat werkelijk iets is, wordt niet daaraan gelijk genoemd. Dus nam Gods Zoon geen werkelijk
lichaam aan.
Praeterea, assumptio corporis in nullo derogavit dignitati divinitatis, dicit enim
Leo Papa, in sermone de nativitate, quod nec inferiorem naturam consumpsit glorificatio,
nec superiorem minuit assumptio. Sed hoc ad dignitatem Dei pertinet quod sit omnino
a corpore separatus. Ergo videtur quod per assumptionem non fuerit Deus corpori unitus. (IIIa q. 5 a. 1 arg. 2)
2 — Het aannemen van het lichaam heeft in niets aan de waardigheid van de godheid te kort
gedaan; want Paus Leo zegt in zijn preek Over de Geboorte (serm. 21), dat « noch de
verheerlijking de lagere natuur heeft verteerd, noch het aannemen de hogere verlaagd
». Maar het behoort tot Gods waardigheid, dat Hij geheel en al van het lichaam is
gescheiden. Dus schijnt het, dat God door het aannemen niet met een lichaam is verenigd.
Praeterea, signa debent respondere signatis. Sed apparitiones veteris testamenti,
quae fuerunt signa et figurae apparitionis Christi, non fuerunt secundum corporis
veritatem, sed secundum imaginariam visionem, sicut patet Isaiae VI, vidi dominum
sedentem, et cetera. Ergo videtur quod etiam apparitio filii Dei in mundum non fuerit
secundum corporis veritatem, sed solum secundum imaginationem. (IIIa q. 5 a. 1 arg. 3)
3 — Tekens moeten beantwoorden aan wat betekent wordt. Maar de verschijningen onder het
Oude Verbond, die tekens en voorafbeeldingen waren van Christus’ verschijning, geschiedden
niet in de lichamelijke werkelijkheid, maar in aan de verbeelding getoonde gezichten,
zoals blijkt uit Isaïas (6,2): « Ik zag de Heer gezeten », enz. Dus schijnt het, dat
ook de verschijning van Gods Zoon in de wereld niet gebeurde in een werkelijk lichaam,
maar in de verbeelding.
Sed contra est quod Augustinus dicit, in libro octogintatrium quaest., si phantasma
fuit corpus Christi, fefellit Christus. Et si fefellit, veritas non est. Est autem
veritas Christus. Ergo non phantasma fuit corpus eius. Et sic patet quod verum corpus
assumpsit. (IIIa q. 5 a. 1 s. c.)
Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in het boek Over de 83 Vraagstukken
(14° Vr.): « Als Christus’ lichaam een verschijning was, heeft Christus bedrogen.
En als Hij bedrogen heeft, is Hij de Waarheid niet. Maar Christus is de Waarheid.
Dus was zijn lichaam geen verschijning ». En zo blijkt het, dat Hij een werkelijk
lichaam heeft aangenomen.
Respondeo dicendum quod, sicut dicitur in libro de ecclesiasticis dogmatibus, natus
est Dei filius non putative, quasi imaginatum corpus habens, sed corpus verum. Et
huius ratio triplex potest assignari. Quarum prima est ex ratione humanae naturae,
ad quam pertinet verum corpus habere. Supposito igitur ex praemissis quod conveniens
fuerit filium Dei assumere humanam naturam, consequens est quod verum corpus assumpserit.
Secunda ratio sumi potest ex his quae in mysterio incarnationis sunt acta. Si enim
non fuit verum corpus eius sed phantasticum, ergo nec veram mortem sustinuit; nec
aliquid eorum quae de eo Evangelistae narrant, secundum veritatem gessit, sed solum
secundum apparentiam quandam. Et sic etiam sequitur quod non fuit vera salus hominis
subsecuta, oportet enim effectum causae proportionari. Tertia ratio potest sumi ex
ipsa dignitate personae assumentis, quae cum sit veritas, non decuit ut in opere eius
aliqua fictio esset. Unde et dominus hunc errorem per seipsum excludere dignatus est,
Luc. ult., cum discipuli, conturbati et conterriti, putabant se spiritum videre, et
non verum corpus, et ideo se eis palpandum praebuit, dicens, palpate et videte, quia
spiritus carnem et ossa non habet, sicut me videtis habere. (IIIa q. 5 a. 1 co.)
Zoals in het boek Over de Leerstukken der Kerk wordt gezegd (2° H.), « is Gods Zoon
niet schijnbaar geboren, alsof Hij maar een in de verbeelding bestaand lichaam bezat,
maar een echt lichaam ». En hiervoor kan men drie redenen aangeven. De eerste hiervan
is ontleend aan de aard van de menselijke natuur, waaraan het toekomt een echt lichaam
te bezitten. Als wij dus volgens het voorafgaande (4e Kw., 1e Art.) veronderstellen,
dat het paste, dat Gods Zoon de menselijke natuur aannam, volgt er uit, dat Hij een
echt lichaam aannam. De tweede reden kan men ontlenen aan wat bij het geheim der menswording
is gebeurd. Want als zijn lichaam niet echt maar verbeeld was, heeft Hij ook niet
werkelijk de dood ondergaan, en heeft Hij niets van wat de Evangelisten verhalen,
in waarheid gedaan, maar alleen naar een uiterlijke schijn. En dan volgt ook, dat
het ware heil van de mens er niet uit gevolgd is, omdat het gevolg aan de oorzaak
evenredig moet zijn. De derde reden kan men ontlenen aan de persoonlijke waardigheid
zelf van Hem, die aanneemt, want omdat Hij de waarheid is, past het niet, dat er enig
bedrog in zijn werk is. Daarom heeft de Heer zichzelf gewaardigd dwaling op dit punt
uit te sluiten, toen de leerlingen « verward en bevreesd, een geest meenden te zien
» (Luc., Laatste H. 37), en geen echt lichaam, en daarom liet Hij zich aanraken, zeggend
(39): « Tast en ziet, want een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals gij ziet,
dat ik heb. »
Ad primum ergo dicendum quod similitudo illa exprimit veritatem humanae naturae in
Christo, per modum quo omnes qui vere in humana natura existunt, similes specie esse
dicuntur. Non autem intelligitur similitudo phantastica. Ad cuius evidentiam, apostolus
subiungit quod factus est obediens usque ad mortem, mortem autem crucis, quod fieri
non potuisset si fuisset sola similitudo phantastica. (IIIa q. 5 a. 1 ad 1)
1 — Deze gelijkheid drukt de waarheid van de menselijke natuur in Christus uit, zoals
allen, die werkelijk als mens bestaan, gelijk in natuur worden genoemd. Maar een gelijkheid
in de verbeelding wordt niet bedoeld. Om dat aan te tonen, voegt de Apostel er aan
toe (t. a. p., 8): « Hij werd gehoorzaam tot de dood, ja tot de dood des kruises »,
wat niet zou kunnen, als er alleen een gelijkheid in verbeelding bestond.
Ad secundum dicendum quod per hoc quod filius Dei verum corpus assumpsit, in nullo
est eius dignitas diminuta. Unde Augustinus dicit, in libro de fide ad Petrum, exinanivit
seipsum, formam servi accipiens, ut fieret servus, sed formae Dei plenitudinem non
amisit. Non enim filius Dei sic assumpsit verum corpus ut forma corporis fieret, quod
repugnat divinae simplicitati et puritati, hoc enim esset assumere corpus in unitate
naturae, quod est impossibile, ut ex supra dictis patet. Sed, salva distinctione naturae,
assumpsit in unitate personae. (IIIa q. 5 a. 1 ad 2)
2 — Doordat Gods Zoon een echt lichaam aannam is zijn waardigheid in geen enkel opzicht
verminderd. Daarom zegt Augustinus in het boek *Over het Geloof aan Petrus*: « Hij
vernietigde zichzelf, toen Hij het uiterlijk van een slaaf aannam om een slaaf te
worden; maar de volheid van Gods Wezen verloor Hij niet ». Want Gods Zoon nam het
echte lichaam niet zo aan, dat Hij de vorm van een lichaam werd, wat strijdt met de
goddelijke eenvoudigheid en zuiverheid; want dat zou een lichaam aannemen zijn in
de eenheid van natuur, wat onmogelijk is, zoals uit het boven gezegde blijkt (2e Kw.,
1e Art.). Maar met behoud van het onderscheid in natuur, nam Hij het aan in de eenheid
in persoon.
Ad tertium dicendum quod figura respondere debet quantum ad similitudinem, non quantum
ad rei veritatem, si enim per omnia esset similitudo, iam non esset signum, sed ipsa
res, ut Damascenus dicit, in III libro. Conveniens igitur fuit ut apparitiones veteris
testamenti essent secundum apparentiam tantum, quasi figurae, apparitio autem filii
Dei in mundo esset secundum corporis veritatem, quasi res figurata sive signata per
illas figuras. Unde apostolus, Coloss. II, quae sunt umbra futurorum, corpus autem
Christi. (IIIa q. 5 a. 1 ad 3)
3 — Het beeld moet aan het ding beantwoorden wat de gelijkheid, niet wat de werkelijkheid
ervan betreft, « want als er een gelijkheid in alle opzichten was, zou er geen beeld,
maar het ding zelf zijn », zoals Damascenus in het 3e boek zegt. Het paste daarom,
dat de verschijningen van het Oude Verbond er alleen naar de uiterlijke schijn waren
als beelden; maar de verschijning van Gods Zoon in de wereld met een echt lichaam,
als wat afgebeeld en betekend werd door die beelden. Daarom zegt de Apostel in de
Brief aan de Colossensen (2e Br. 2, 17): « Zij zijn de schaduw van de komende dingen,
maar het lichaam is Christus ».
Articulus 2. Had Christus een vleselijk of aards lichaam?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod Christus non habuerit corpus carnale, sive
terrestre, sed caeleste. Dicit enim apostolus, I Cor. XV, primus homo de terra, terrenus,
secundus homo de caelo, caelestis. Sed primus homo, scilicet Adam, fuit de terra quantum
ad corpus, ut patet Gen. II. Ergo etiam secundus homo, scilicet Christus, fuit de
caelo quantum ad corpus. (IIIa q. 5 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat Christus geen vleeselijk of aards, maar een hemels lichaam had. Want
de Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (15, 47): « De eerste mens was
uit de aarde en aards, de tweede mens uit de hemel en hemels ». Nu was de eerste mens,
namelijk Adam, naar zijn lichaam uit de aarde, zoals uit het boek der Schepping blijkt
(2, 7). Dus was ook de tweede mens, namelijk Christus naar zijn lichaam uit de hemel.
Praeterea, I Cor. XV dicitur, caro et sanguis regnum Dei non possidebunt. Sed regnum
Dei principaliter est in Christo. Ergo in ipso non est caro et sanguis, sed magis
corpus caeleste. (IIIa q. 5 a. 2 arg. 2)
2 — In de Eerste Brief aan de Korinthiërs wordt gezegd (15, 50): « Vlees en bloed zullen
Gods rijk niet bezitten ». Maar Gods Rijk is vooral in Christus. Dus was in Hem geen
vlees en bloed, maar eerder een hemels lichaam.
Praeterea, omne quod est optimum est Deo attribuendum. Sed inter omnia corpora corpus
nobilissimum est caeleste. Ergo tale corpus debuit Christus assumere. (IIIa q. 5 a. 2 arg. 3)
3 — Men moet aan God toekennen wat het volmaakste is. Maar onder alle lichamen is een
hemels het volmaakste. Dus moest Christus zo’n lichaam aannemen.
Sed contra est quod dominus dicit Luc. ult., spiritus carnem et ossa non habet, sicut
me videtis habere. Caro autem et ossa non sunt ex materia caelestis corporis, sed
ex inferioribus elementis. Ergo corpus Christi non fuit corpus caeleste, sed carneum
et terrenum. (IIIa q. 5 a. 2 s. c.)
Maar daartegenover staat wat de Heer zegt bij Lucas (Laatste H., 39): « Een geest
heeft geen vlees en beenderen, zoals jij ziet, dat Ik heb ». Nu zijn vlees en beenderen
niet gemaakt van de stof van een hemellichaam, maar uit lagere bestanddelen. Dus Christus’
lichaam geen hemels, maar een aards en vleeselijk lichaam.
Respondeo dicendum quod eisdem rationibus apparet quare corpus Christi non debuit
esse caeleste, quibus ostensum est quod non debuit esse phantasticum. Primo enim,
sicut non salvaretur veritas humanae naturae in Christo si corpus eius esset phantasticum,
ut posuit Manichaeus; ita etiam non salvaretur si poneretur caeleste, sicut posuit
Valentinus. Cum enim forma hominis sit quaedam res naturalis, requirit determinatam
materiam, scilicet carnes et ossa, quae in hominis definitione poni oportet, ut patet
per philosophum, in VII Metaphys. Secundo, quia hoc etiam derogaret veritati eorum
quae Christus in corpore gessit. Cum enim corpus caeleste sit impassibile et incorruptibile,
ut probatur in I de caelo, si filius Dei corpus caeleste assumpsisset, non vere esuriisset
nec sitiisset, nec etiam passionem et mortem sustinuisset. Tertio, etiam hoc derogat
veritati divinae. Cum enim filius Dei se ostenderet hominibus quasi corpus carneum
et terrenum habens, fuisset falsa demonstratio si corpus caeleste habuisset. Et ideo
in libro de ecclesiasticis dogmatibus dicitur, natus est filius Dei carnem ex virginis
corpore trahens, et non de caelo secum afferens. (IIIa q. 5 a. 2 co.)
Uit dezelfde redenen, waarmee is aangetoond (in 't vorige Artikel), dat Christus geen
schijnlichaam moest hebben, blijkt, dat het niet hemels moest zijn. Want ten eerste
wordt, zoals de ware menselijke natuur niet in Christus bewaard blijft, als Hij een
schijnlichaam heeft, zoals Manichaeus beweerde, ze evenmin bewaard als men een hemels
lichaam aanneemt als Valentinus. Want omdat de menselijke vorm een natuurding is,
heeft zij een bepaalde stof nodig, namelijk vlees en beenderen, die in de definitie
van mens moeten worden opgenomen, zoals de Filosoof bewijst in het 7e boek der Metaphysica.
Ten tweede zou dat ook te kort doen aan de waarheid van wat Christus in dat lichaam
deed. Want omdat een hemels lichaam niet kan lijden en vergaan, zoals in het 1e boek
Over de Hemel (8e Hoofdstuk, n. 4 en 5) wordt bewezen, zou Gods Zoon, als Hij een
hemels lichaam had aangenomen, niet werkelijk honger en dorst hebben gehad, noch lijden
en dood ondergaan. Ten derde doet dit ook aan de goddelijke waarachtigheid te kort.
Want toen Gods Zoon zich aan de mensen vertoonde alsof Hij een vleeselijk en aardsch
lichaam had, zou dit een valse vertoon zijn geweest, als Hij een hemels had gehad.
En daarom wordt in het boek Over de Leerstukken der Kerk (2e Hoofdstuk) gezegd: «
Toen Gods Zoon werd geboren, nam Hij het vlees uit het lichaam der Maagd, en bracht
het niet uit de hemel mee ».
Ad primum ergo dicendum quod Christus dicitur dupliciter de caelo descendisse. Uno
modo, ratione divinae naturae, non ita quod divina natura esse in caelo defecerit;
sed quia in infimis novo modo esse coepit, scilicet secundum naturam assumptam; secundum
illud Ioan. III, nemo ascendit in caelum nisi qui descendit de caelo, filius hominis,
qui est in caelo. Alio modo, ratione corporis, non quia ipsum corpus Christi secundum
suam substantiam de caelo descenderit; sed quia virtute caelesti, idest spiritus sancti,
est eius corpus formatum. Unde Augustinus dicit, ad Orosium, exponens auctoritatem
inductam, caelestem dico Christum, quia non ex humano conceptus est semine. Et hoc
etiam modo Hilarius exponit, in libro de Trinitate. (IIIa q. 5 a. 2 ad 1)
1 — In dubbele zin zegt men, dat Christus uit de hemel nederdaalde. Ten eerste om de goddelijke
natuur; niet zo dat de goddelijke natuur in de hemel niet meer was, maar omdat Zij
omlaag op nieuwe wijze begon te bestaan, nl. naar de aangenomen natuur volgens het
woord van Johannes (3, 13): « Niemand stijgt op ten hemel tenzij Die van de hemel
is neergedaald, de mensenzoon, die in de hemel is ». Ten tweede om het lichaam; niet
omdat het lichaam van Christus zelf naar zijn zelfstandigheid van de hemel is neergedaald,
maar omdat het door goddelijke kracht, nl. van de H. Geest is gevormd. Daarom zegt
Augustinus, als hij Orosius de aangehaalde tekst uitlegt: « Ik noem Christus hemels,
omdat Hij niet uit menselijk zaad is ontvangen ». Zo ook legt Hilarius het uit in
het boek Over de Drievuldigheid.
Ad secundum dicendum quod caro et sanguis non accipiuntur ibi pro substantia carnis
et sanguinis, sed pro corruptione carnis et sanguinis. Quae quidem in Christo non
fuit quantum ad culpam. Fuit tamen ad tempus quantum ad poenam, ut opus nostrae redemptionis
expleret. (IIIa q. 5 a. 2 ad 2)
2 — Vlees en bloed moet men hier niet opvatten als de zelfstandigheid van vlees en bloed,
maar als hun bedorvenheid. En die was in Christus niet wat de schuld betreft. Tijdelijk
was zij er wat de straf betreft, opdat Hij het werk van onze verlossing zou voltooien.
Ad tertium dicendum quod hoc ipsum ad maximam Dei gloriam pertinet quod corpus infirmum
et terrenum ad tantam sublimitatem provehit. Unde in synodo Ephesina legitur verbum
sancti Theophili dicentis, qualiter artificum optimi non pretiosis tantum materiebus
artem ostendentes in admiratione sunt, sed, vilissimum lutum et terram dissolutam
plerumque assumentes, suae disciplinae demonstrantes virtutem, multo magis laudantur;
ita omnium optimus artifex, Dei verbum, non aliquam pretiosam materiam corporis caelestis
apprehendens ad nos venit, sed in luto magnitudinem suae artis ostendit. (IIIa q. 5 a. 2 ad 3)
3 — Het strekt juist tot Gods grootste eer, dat Hij een zwak en aards lichaam tot zo’n
heerlijkheid verheft. Daarom lezen wij in het Concilie van Ephese wat de H. Theophilus
zegt: « Zoals de beste kunstenaars niet alleen bewonderd worden, als zij hun kunst
tonen in kostbare stoffen, maar veel meer geprezen worden als zij het vermogen van
hun vaardigheid tonen, bij het gebruik van het minste slijk en losse aarde, zo nam
de hoogste van alle kunstenaars, Gods Woord, niet de kostbare stof van een hemels
lichaam aan bij zijn komst tot ons, maar toonde de grootheid van zijn kunst in het
slijk ».
Articulus 3. Nam Gods Zoon een ziel aan?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod filius Dei animam non assumpserit. Ioannes
enim, incarnationis mysterium tradens, dixit, verbum caro factum est, nulla facta
de anima mentione. Non autem dicitur caro factum eo quod sit in carnem conversum,
sed quia carnem assumpsit. Non ergo videtur assumpsisse animam. (IIIa q. 5 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat Gods Zoon geen ziel aannam. Want als Johannes het geheim van de menswording
meedeelt, zegt hij (1, 14): « Het Woord is vlees geworden », zonder melding te maken
van de ziel. Maar men spreekt niet van vlees worden, omdat Hij in vlees veranderd
is, maar omdat Hij vlees heeft aangenomen. Daarom schijnt Hij geen ziel aangenomen
te hebben.
Praeterea, anima necessaria est corpori ad hoc quod per eam vivificetur. Sed ad hoc
non fuit necessaria corpori Christi, ut videtur, quia ipsum Dei verbum est, de quo
in Psalmo, domine, apud te est fons vitae. Superfluum igitur fuisset animam adesse,
verbo praesente. Deus autem et natura nihil frustra faciunt, ut etiam philosophus
dicit, in I de caelo. Ergo videtur quod filius Dei animam non assumpsit. (IIIa q. 5 a. 3 arg. 2)
2 — De ziel is nodig voor het lichaam om het levend te maken. Maar het schijnt, dat zij
hiervoor bij Christus’ lichaam niet nodig was, want Hij is Gods Woord, waarvan in
de Psalm (35, 10) wordt gezegd: « Heer, bij U is de bron van het leven ». Het schijnt
dus overbodig, dat de ziel is, waar het Woord aanwezig is. Nu « doen God noch de natuur
iets overbodigs », zoals de filosoof zegt in het 1e boek Over de Hemel. Daarom schijnt
Gods Zoon geen ziel aangenomen te hebben.
Praeterea, ex unione animae ad corpus constituitur natura communis, quae est species
humana. In domino autem Iesu Christo non est communem speciem accipere, ut Damascenus
dicit, in III libro. Non igitur assumpsit animam. (IIIa q. 5 a. 3 arg. 3)
3 — Uit de vereniging van de ziel met het lichaam wordt de gemeenschappelijke natuur,
die de menselijke soort is, gevormd. Maar, zoals Damascenus in het 3e boek (Over het
Ware Geloof, 3e H.) zegt, « moeten wij in Christus geen gemeenschappelijke natuur
aannemen ». Dus heeft Hij geen ziel aangenomen.
Sed contra est quod Augustinus dicit, in libro de agone Christiano non eos audiamus
qui solum corpus humanum dicunt esse susceptum a verbo Dei; et sic audiunt quod dictum
est, verbum caro factum est, ut negent illum hominem vel animam, vel aliquid hominis
habuisse nisi carnem solam. (IIIa q. 5 a. 3 s. c.)
Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt in het boek Over de Strijd van de
Christen (21e H.): « Laten wij niet naar hen luisteren, die zeggen, dat alleen een
menselijk lichaam door het Woord Gods is aangenomen, en die wat gezegd is: « Het Woord
is vleesgeworden », zo verstaan, dat zij ontkennen, dat die mens een ziel of iets
anders menselijks had dan alleen het vlees ».
Respondeo dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in libro de haeresibus, opinio primo
fuit Arii, et postea Apollinaris, quod filius Dei solam carnem assumpserit, absque
anima, ponentes quod verbum fuerit carni loco animae. Ex quo sequebatur quod in Christo
non fuerunt duae naturae, sed una tantum, ex anima enim et carne una natura humana
constituitur. Sed haec positio stare non potest, propter tria. Primo quidem, quia
repugnat auctoritati Scripturae, in qua dominus de sua anima facit mentionem, Matth.
XXVI, tristis est anima mea usque ad mortem; et Ioan. X, potestatem habeo ponendi
animam meam. Sed ad hoc respondebat Apollinaris quod in his verbis anima metaphorice
sumitur, per quem modum in veteri testamento Dei anima commemoratur, Isaiae I, Calendas
vestras et solemnitates odivit anima mea. Sed, sicut dicit Augustinus, in libro octogintatrium
quaest., Evangelistae in evangelica narratione narrant quod miratus est Iesus, et
iratus, et contristatus, et quod esuriit. Quae quidem ita demonstrant eum veram animam
habuisse, sicut ex hoc quod comedit et dormivit et fatigatus est, demonstratur habuisse
verum corpus humanum. Alioquin, si et haec ad metaphoram referantur, cum similia legantur
in veteri testamento de Deo, peribit fides evangelicae narrationis. Aliud est enim
quod prophetice nuntiatur in figuris, aliud quod secundum rerum proprietatem ab Evangelistis
historice scribitur. Secundo, derogat praedictus error utilitati incarnationis, quae
est liberatio hominis. Ut enim argumentatur Augustinus, in libro contra Felicianum,
si, accepta carne, filius Dei animam omisit, aut, innoxiam sciens, medicinae indigentem
non credidit; aut, a se alienam putans, redemptionis beneficio non donavit; aut, ex
toto insanabilem iudicans, curare nequivit; aut ut vilem, et quae nullis usibus apta
videretur, abiecit. Horum duo blasphemiam important in Deum. Quomodo enim dicetur
omnipotens, si curare non potuit desperatam? Aut quomodo omnium Deus, si non ipse
fecit animam nostram? Duobus vero aliis, in uno animae causa nescitur, in altero meritum
non tenetur. Aut intelligere causam putandus est animae qui eam, ad accipiendum legem
habitu insitae rationis instructam, a peccato voluntariae transgressionis nititur
separare? Aut quomodo eius generositatem novit qui ignobilitatis vitio dicit despectam?
Si originem attendas, pretiosior est animae substantia, si transgressionis culpam,
propter intelligentiam peior est causa. Ego autem Christum et perfectam sapientiam
scio, et piissimam esse non dubito, quorum primo, meliorem et prudentiae capacem non
despexit; secundo, eam quae magis fuerat vulnerata, suscepit. Tertio vero, haec positio
est contra ipsam incarnationis veritatem. Caro enim et ceterae partes hominis per
animam speciem sortiuntur. Unde, recedente anima, non est os aut caro nisi aequivoce,
ut patet per philosophum, II de anima et VII Metaphys. (IIIa q. 5 a. 3 co.)
Zoals Augustinus in het boek Over de Ketterijen zegt, was het eerst de mening van
Arius en later van Apollinaris, dat Gods Zoon alleen het vlees aannam zonder de ziel,
omdat zij beweerden, dat het Woord in de plaats van de ziel kwam. Hieruit volgde,
dat er in Christus geen twee naturen waren, maar slechts een; want uit ziel en lichaam
wordt een menselijke natuur gevormd. Deze bewering houdt echter om drie redenen geen
stand. Vooreerst omdat zij strijdt met het gezag van de Schrift, waarin de Heer van
zijn ziel melding maakt: « Mijn ziel is bedroefd tot de dood toe », Matth. (26, 38)
en Joh. (10, 18): « Ik heb macht om mijn ziel af te leggen ». Hierop antwoordde Apollinaris
echter, dat bij die woorden de ziel zinnebeeldig werd opgevat, zoals in het Oude Verbond
Gods ziel wordt vermeld, Isaïas (1, 14): « Uw maandfeesten en plechtigheden haat mijn
ziel ». De Evangelisten echter vermelden, zoals Augustinus zegt in het boek Over de
83 Vraagstukken, in het evangelieverhaal, dat Jesus zich verwonderde en vertoornd
en bedroefd werd en honger had. En deze dingen maken op die manier duidelijk, dat
Hij een ziel had, zoals men bewijst, dat Hij een echt menselijk lichaam had uit het
feit, dat Hij at en sliep en vermoeid was. Anders gaat, als men ook dit tot beeldspraak
terug brengt, omdat in het Oude Verbond dergelijke dingen van God worden gezegd, de
oprechtheid van het Evangelieverhaal verloren. Want het is iets anders of iets profetisch
wordt aangekondigd, of naar de werkelijkheid door de Evangelisten als geschied wordt
vermeld. Ten tweede doet de genoemde dwaling te kort aan het nut der menswording,
nl. de bevrijding van de mens. Want zoals Augustinus in het boek Tegen Felicianus
(13e H.) redeneert, « als Gods Zoon het vlees aannam en de ziel heeft weggelaten,
was het ofwel omdat Hij haar onschuldig achtte en dus meende, dat zij geen geneesmiddel
nodig had, of omdat Hij haar als iets vreemds beschouwde en dus de weldaad der verlossing
niet schonk, of haar niet te redden oordeelde en haar niet kon genezen, of haar verwierp
als minderwaardig en voor geen enkel doel geschikt. In twee van deze veronderstellingen
ligt een vloek tegen God opgesloten. Hoe zou Hij almachtig worden genoemd als Hij
aan de ziel wanhoopte en haar niet kon redden? Of hoe zou Hij de God van alles zijn,
als Hij niet zelf onze ziel had gemaakt? Wat de twee anderen betreft, in de ene weet
men niet, hoe het met de ziel was gesteld, en in de andere houdt men geen rekening
met haar waarde. Of zou men menen, dat hij van de toestand op de hoogte was, die de
ziel wil losmaken van de zonde der vrijwillige overtreding, terwijl in haar een verstand
is gelegd, dat de wet kan ontvangen? Of hoe zou hij haar waarde kennen, die zegt dat
zij veracht is om de smet van haar gemeenheid? Let men op haar oorsprong, dan is de
zelfstandigheid der ziel zoveel te kostbaarder; let men op de schuld van haar overtreding,
dan is haar zaak erger om haar verstand. Maar ik weet, dat Christus de volmaakte wijsheid
is, en twijfel niet, dat Hij de meest liefdevolle is; en om de eerste reden heeft
Hij de ziel, die beter en tot rede in staat is, niet veracht, en om de tweede heeft
Hij haar, die meer gewond was, aangenomen ». Ten derde is deze bewering tegen de waarheid
der menswording zelf. Want het vlees en de andere delen van de mens behoren door de
ziel tot een bepaald soort. Als dus de ziel verdwijnt, zijn er alleen in oneigenlijke
zin beenderen en vlees, zoals de Filosoof bewijst in het 2e boek Over de Ziel en het
7e Over de Metaphysiek.
Ad primum ergo dicendum quod cum dicitur, verbum caro factum est, caro ponitur pro
toto homine, ac si diceret, verbum homo factum est, sicut Isaiae XL dicitur, videbit
omnis caro salutare Dei nostri. Ideo autem totus homo per carnem significatur, quia,
ut dicitur in auctoritate inducta, quia per carnem filius Dei visibilis apparuit,
unde subditur et vidimus gloriam eius. Vel ideo quia, ut Augustinus dicit, in libro
octogintatrium quaest. in tota illa unitate susceptionis principale verbum est, extrema
autem atque ultima caro. Volens itaque Evangelista commendare pro nobis dilectionem
humilitatis Dei, verbum et carnem nominavit, omittens animam, quae est verbo inferior,
carne praestantior. Rationabile etiam fuit ut nominaret carnem, quae, propter hoc
quod magis distat a verbo, minus assumptibilis videbatur. (IIIa q. 5 a. 3 ad 1)
1 — Als men zegt, « het Woord is vlees geworden », staat « vlees » daar voor de hele mens;
alsof er gezegd werd « het Woord is mens geworden », zoals bij Isaïas (40, 5) wordt
gezegd: « Alle vlees zal het heil van onze God zien ». En nu wordt de hele mens door
het vlees aangeduid, omdat, zoals in de aangehaalde tekst wordt gezegd, Gods Zoon
door het vlees zichtbaar verscheen, zodat er op volgt « En wij hebben zijn heerlijkheid
gezien ». Ofwel omdat, zoals Augustinus in het boek Over de 83 Vraagstukken (80e Vr.)
zegt, « Gods Woord bij heel die vereniging door aanheming het voornaamste is, maar
het uiterste en laagste het vlees. Omdat de Evangelist ons nu een idee wilde geven
van de liefde en vernedering van God, noemde Hij het Woord en het vlees en sloeg de
ziel, die lager dan het Woord en hoger dan het vlees is, over ». Ook was het redelijk,
dat hij het vlees noemde, dat naar het scheen minder goed kon worden aangenomen, omdat
het verder van het Woord af staat.
Ad secundum dicendum quod verbum est fons vitae sicut prima causa vitae effectiva.
Sed anima est principium vitae corpori tanquam forma ipsius. Forma autem est effectus
agentis. Unde ex praesentia verbi magis concludi posset quod corpus esset animatum,
sicut ex praesentia ignis concludi potest quod corpus cui ignis adhaeret, sit calidum. (IIIa q. 5 a. 3 ad 2)
2 — Het Woord is de levensbron als eerste werkende oorzaak van het leven. Maar de ziel
is het levensbeginsel van het lichaam als zijn vorm. Nu is de vorm datgene wat de
werkende oorzaak maakt. Daarom zou men uit de tegenwoordigheid van het Woord eerder
kunnen besluiten, dat het lichaam bezield was, zoals men uit de tegenwoordigheid van
het vuur kan besluiten, dat het lichaam, waarin het vuur is, warm is.
Ad tertium dicendum quod non est inconveniens, immo necessarium dicere quod in Christo
fuit natura quae constituitur per animam corpori advenientem. Damascenus autem negat
in domino Iesu Christo esse communem speciem quasi aliquid tertium resultans ex unione
divinitatis et humanitatis. (IIIa q. 5 a. 3 ad 3)
3 — Het is niet ongepast en zelfs noodzakelijk te zeggen, dat er in Christus een natuur
was, die door de bij het lichaam komende ziel werd gevormd. Damascenus echter ontkent,
dat er in Christus een gemeenschappelijke natuur was als een derde ding, dat ontstond
uit de vereniging van Godheid en mensheid.
Articulus 4. Nam Gods Zoon een menselijke geest of verstand aan?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod filius Dei non assumpsit mentem humanam, sive
intellectum. Ubi enim est praesentia rei, non requiritur eius imago. Sed homo secundum
mentem est ad imaginem Dei, ut dicit Augustinus, in libro de Trinit. Cum ergo in Christo
fuerit praesentia ipsius divini verbi, non oportuit ibi esse mentem humanam. (IIIa q. 5 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat Gods Zoon geen menselijk geest of verstand aannem. Want waar een
ding zelf aanwezig is, is zijn beeld niet nodig. Maar de mens is naar zijn verstand
als een beeld van God, zoals Augustinus zegt in het 14e boek *Over de Drievuldigheid*
(3e en 8e H.). Omdat nu in Christus het goddelijk Woord zelf aanwezig was, behoefde
er geen menselijk verstand te zijn.
Praeterea, maior lux offuscat minorem. Sed verbum Dei, quod est lux illuminans omnem
hominem venientem in hunc mundum, ut dicitur Ioan. I, comparatur ad mentem sicut lux
maior ad minorem, quia et ipsa mens quaedam lux est, quasi lucerna illuminata a prima
luce, Proverb. X, lucerna domini spiraculum hominis. Ergo in Christo, qui est verbum
Dei, non fuit necessarium esse mentem humanam. (IIIa q. 5 a. 4 arg. 2)
2 — Een groter licht doet een kleiner verduisteren. Maar Gods Woord, dat « het licht is,
dat iedere mens, die in de wereld komt verlicht », zoals bij Johannes (1, 9) wordt
gezegd, wordt met de geest vergeleken als het grotere licht met het kleinere, want
ook de geest zelf is een licht, als een lamp die ontstoken is door het eerste licht:
« Een lamp des Heren is de geest van de mens », (boek der Spreuken, 10, 27). Daarom
was in Christus, die Gods Woord is, geen menselijke geest nodig.
Praeterea, assumptio humanae naturae a Dei verbo dicitur eius incarnatio. Sed intellectus,
sive mens humana, neque est caro neque est actus carnis, quia nullius corporis actus
est, ut probatur in III de anima. Ergo videtur quod filius Dei humanam mentem non
assumpserit. (IIIa q. 5 a. 4 arg. 3)
3 — Het aannemen van de menselijke natuur door Gods Woord wordt Zijn vleeswording genoemd.
Maar het verstand of de menselijke geest, is noch vlees noch de daad van het vlees,
omdat de daad van geen enkel lichaam is, zoals in het 3e boek Over de Ziel (4e H.,
n. 4) bewezen wordt. Daarom schijnt Gods Zoon geen menselijke geest te hebben aangenomen.
Sed contra est quod Augustinus dicit, in libro de fide ad Petrum, firmissime tene,
et nullatenus dubites, Christum, filium Dei, habentem nostri generis carnem et animam
rationalem. Qui de carne sua dicit, palpate et videte, quia spiritus carnem et ossa
non habet, sicut me videtis habere, Luc. ult. Animam quoque se ostendit habere, dicens,
ego pono animam meam, et iterum sumo eam, Ioan. X. Intellectum quoque se ostendit
habere, dicens, discite a me, quia mitis sum et humilis corde, Matth. XI. Et de ipso
per prophetam dominus dicit, ecce intelliget puer meus, Isaiae LII. (IIIa q. 5 a. 4 s. c.)
Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in het boek Over het Geloof aan Petrus
(14e H.): « Wees er zo vast mogelijk van overtuigd, en twijfel er helemaal niet aan,
dat Christus, Gods Zoon, het vlees van onze soort heeft en een redelijke ziel. Want
Hij zegt van zijn Vlees: « Betast en ziet, want een geest heeft geen vlees en beenderen,
zoals gij ziet, dat Ik heb », (Lucas, het laatste hoofdstuk, 1, 39). En Hij toont
ook, dat Hij een ziel heeft als Hij zegt: « Ik leg mijn ziel af en Ik neem haar weer
aan », (Joannes, 10, 17). En Hij toont ook, dat Hij een verstand heeft, als Hij zegt:
« Leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart » (Matthaeus, 11, 29).
En van Hem zegt de Heer door de profeet: « Ziet, mijn dienaar zal het begrijpen »
(Isaias, 52, 13).
Respondeo dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in libro de haeresibus, Apollinaristae
de anima Christi a Catholica Ecclesia dissenserunt, dicentes, sicut Ariani, Christum
carnem solam sine anima suscepisse. In qua quaestione testimoniis evangelicis victi,
mentem defuisse animae Christi dixerunt, sed pro hac ipsum verbum in ea fuisse. Sed
haec positio eisdem rationibus convincitur sicut et praedicta. Primo enim, hoc adversatur
narrationi evangelicae, quae commemorat eum fuisse miratum, ut patet Matth. VIII.
Admiratio autem absque ratione esse non potest, quia importat collationem effectus
ad causam; dum scilicet aliquis videt effectum cuius causam ignorat, et quaerit, ut
dicitur in principio Metaphys. Secundo, repugnat utilitati incarnationis, quae est
iustificatio hominis a peccato. Anima enim humana non est capax peccati, nec gratiae
iustificantis, nisi per mentem. Unde praecipue oportuit mentem humanam assumi. Unde
Damascenus dicit, in III libro, quod Dei verbum assumpsit corpus et animam intellectualem
et rationalem, et postea subdit, totus toti unitus est, ut toti mihi salutem gratificet
idest, gratis faciat, quod enim inassumptibile est, incurabile est. Tertio, hoc repugnat
veritati incarnationis. Cum enim corpus proportionetur animae sicut materia propriae
formae, non est vera caro humana quae non est perfecta anima humana, scilicet rationali
et ideo, si Christus animam sine mente habuisset, non habuisset veram carnem humanam,
sed carnem bestialem, quia per solam mentem anima nostra differt ab anima bestiali.
Unde dicit Augustinus, in libro octogintatrium quaest., quod secundum hunc errorem
sequeretur quod filius Dei beluam quandam cum figura humani corporis suscepisset.
Quod iterum repugnat veritati divinae, quae nullam patitur fictionis falsitatem. (IIIa q. 5 a. 4 co.)
Zoals Augustinus zegt in het boek Over de Ketterijen, « wijken de volgelingen van
Apollinaris van de Katholieke Kerk af, wat de ziel van Christus betreft, omdat zij
als de Arianen zeggen, dat Christus alleen het vlees zonder een ziel heeft aangenomen.
En als zij in deze kwestie door de getuigenissen van het Evangelie weerlegd worden,
zeggen zij, dat Christus' ziel geen geest heeft gehad, maar dat in plaats daarvan
het Woord zelf in haar is geweest ». Maar deze stelling wordt met dezelfde redenen
weerlegd als de vorige. Want ten eerste strijdt dit met het Evangelieverhaal, dat
vermeldt, dat Hij zich verwonderd heeft, als blijkt uit Mattheus (8, 10). Maar zonder
verstand kan er geen verwondering zijn, omdat dit een vergelijking van oorzaak en
gevolg meebrengt, als iemand namelijk een gevolg ziet, waarvan hij de oorzaak niet
kent en zoekt, zoals in het begin van de boeken over de Metaphysiek wordt gezegd.
Ten tweede strijdt dit met het nut van de menswording, namelijk de rechtvaardiging
van de mens uit de zonde. Want de ziel is niet in staat om te zondigen of de heiligmakende
genade te ontvangen tenzij door de geest. En daarom moet vooral de menselijke geest
worden aangenomen. Daarom ook zegt Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof,
6e H.), dat « Gods Woord een lichaam en een verstandelijke en redelijke ziel aannam
», en verderop voegt hij er bij « Geheel en al is Hij met het geheel verenigd, opdat
Hij aan mijn hele ik het heil zonder verdiensten zou geven, (dwz. mij aan God welgevallig
zou maken), want wat niet aangenomen kan worden, is ongeneeslijk ». Ten derde is dit
in strijd met de waarheid van de menswording. Want omdat het lichaam aan de ziel beantwoordt
als de stof aan haar eigen vorm, is er geen echt menselijk vlees als dit niet vervolmaakt
is door een menselijke, dwz. redelijke ziel. Had dus Christus een ziel zonder een
geest gehad, dan zou Hij geen echt menselijk vlees, maar het vlees van een dier hebben
gehad, want onze ziel verschilt alleen door de geest van een dierenziel. Daarom zegt
Augustinus in het boek Over de 83 Vraagstukken (80e Vr.), dat uit deze dwaling zou
volgen, « dat Gods Zoon een dier met de vorm van een menselijk lichaam had aangenomen
». En dat strijdt weer met de goddelijke waarachtigheid, die geen enkele onwaarheid
en bedrog toelaat.
Ad primum ergo dicendum quod, ubi est ipsa res per sui praesentiam non requiritur
eius imago ad hoc quod suppleat locum rei, sicut, ubi erat imperator, milites non
venerabantur eius imaginem. Sed tamen requiritur cum praesentia rei imago ipsius ut
perficiatur ex ipsa rei praesentia, sicut imago in cera perficitur per impressionem
sigilli, et imago hominis resultat in speculo per eius praesentiam. Unde, ad perficiendam
humanam mentem, necessarium fuit quod eam sibi verbum Dei univit. (IIIa q. 5 a. 4 ad 1)
1 — Waar een ding zelf aanwezig is door zijn tegenwoordigheid, is zijn beeld niet nodig
om de plaats van het ding in te nemen, zoals de soldaten, waar de keizer was, zijn
beeld niet vereerden. Maar bij de tegenwoordigheid van een ding wordt zijn beeld vereist,
om door de aanwezigheid van het ding zelf vervolmaakt te worden, zoals het beeld in
de was wordt gemaakt door het indrukken van het zegel, en het beeld van de mens in
een spiegel ontstaat door zijn aanwezigheid. Daarom was het voor de vervolmaking van
de menselijke geest nodig, dat het Woord hem met zich verenigde.
Ad secundum dicendum quod lux maior evacuat lucem minorem alterius corporis illuminantis,
non tamen evacuat, sed perficit lucem corporis illuminati. Ad praesentiam enim solis
stellarum lux obscuratur, sed aeris lumen perficitur. Intellectus autem seu mens hominis
est quasi lux illuminata a luce divini verbi. Et ideo per lucem divini verbi non evacuatur
mens hominis, sed magis perficitur. (IIIa q. 5 a. 4 ad 2)
2 — Een groter licht doet het kleinere licht van een ander verlichtend lichaam verdwijnen,
maar het licht van een verlicht lichaam wordt niet uitgedoofd, maar vervolmaakt. Want
als de zon er is, verduistert het licht van de sterren, maar het licht van het uitspansel
wordt vervolmaakt. Nu is de geest of het verstand van de mens als een licht, dat door
het licht van Gods Woord wordt verlicht, en dus wordt het licht van de menselijke
geest door Gods Woord niet verborgen, maar vervolmaakt.
Ad tertium dicendum quod, licet potentia intellectiva non sit alicuius corporis actus,
ipsa tamen essentia animae humanae, quae est forma corporis, requiritur quod sit nobilior,
ad hoc quod habeat potentiam intelligendi. Et ideo necesse est ut corpus melius dispositum
ei respondeat. (IIIa q. 5 a. 4 ad 3)
3 — Al is het verstandsvermogen geen act van een lichaam, toch is het nodig, dat de menselijke
geest, die de vorm van het lichaam is, om te kunnen begrijpen, edeler is. En daarom
is het nodig, dat een beter geordend lichaam eraan beantwoordt.