QuaestioArticulus

Tertia pars. Quaestio 60.
Over de Sacramenten .

Articulus 1.
Zijn alle heilige tekens Sacramenten?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod sacramentum non sit in genere signi. Videtur enim sacramentum dici a sacrando, sicut medicamentum a medicando. Sed hoc magis videtur pertinere ad rationem causae quam ad rationem signi. Ergo sacramentum magis est in genere causae quam in genere signi. (IIIª q. 60 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het sacrament geen teken is. Het woord sacrament immers moet afgeleid worden van het woord sacreren, zoals geneesmiddel van genezen. Welnu, dat komt eerder toe aan een oorzaak dan aan een teken, en bijgevolg is een sacrament eerder een oorzaak dan een teken.

Praeterea, sacramentum videtur occultum aliquid significare, secundum illud Tob. XII, sacramentum regis abscondere bonum est; et Ephes. III, quae sit dispensatio sacramenti absconditi a saeculis in Deo. Sed id quod est absconditum, videtur esse contra rationem signi, nam signum est quod, praeter speciem quam sensibus ingerit, facit aliquid aliud in cognitionem venire, ut patet per Augustinum, in II de Doct. Christ. Ergo videtur quod sacramentum non sit in genere signi. (IIIª q. 60 a. 1 arg. 2)

2 — Het woord sacrament betekent iets geheimzinnigs, volgens de woorden uit het Boek Tobias (12, 7): « Het Sacrament van een koning verborgen houden is goed », en uit de Brief aan de Efeziërs (3, 9): « En het bestel te doen zien van het heilsgeheim, dat van eeuwigheid verborgen was in God. » Welnu wat verborgen is, is strijdig met het wezen van het teken, want een teken is iets, wat buiten het beeld, dat het in onze zinnen voortbrengt, ook tot de kennis doet komen van iets anders, zoals blijkt uit hetgeen Augustinus schrijft in zijn Boek « Over de christelijke leer » (2e B., 1e H.). Een sacrament is dus geen teken.

Praeterea, iuramentum quandoque sacramentum nominatur, dicitur enim in decretis, XXII Caus., qu. V, parvuli qui sine aetate rationabili sunt, non cogantur iurare, et qui semel periuratus fuerit, nec testis sit post hoc, nec ad sacramentum, idest ad iuramentum, accedat. Sed iuramentum non pertinet ad rationem signi. Ergo videtur quod sacramentum non sit in genere signi. (IIIª q. 60 a. 1 arg. 3)

3 — Soms noemt men een eed ook sacrament. In de Decretalen toch (22, Kw. 3, 14e H.) lezen we: « De kinderen, die de jaren van verstand nog niet bereikt hebben, mogen niet gedwongen worden tot eedaflegging, en hij die eenmaal meinedig was, mag geen getuige meer zijn noch opgeroepen Worden tot het sacrament d. i. tot de eedaflegging. Welnu een eed is geen teken. Dus is een sacrament geen teken.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in X de Civ. Dei, sacrificium visibile invisibilis sacrificii sacramentum, idest sacrum signum, est. (IIIª q. 60 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in zijn Boek De Stad Gods (10e B., 5e H.): « Het zichtbaar offer is het Sacrament, dit is het heilig teken van het onzichtbaar offer. »

Respondeo dicendum quod omnia quae habent ordinem ad unum aliquid, licet diversimode, ab illo denominari possunt, sicut a sanitate quae est in animali, denominatur sanum non solum animal, quod est sanitatis subiectum, sed dicitur medicina sana inquantum est sanitatis effectiva, diaeta vero inquantum est conservativa eiusdem, et urina inquantum est significativa ipsius. Sic igitur sacramentum potest aliquid dici vel quia in se habet aliquam sanctitatem occultam, et secundum hoc sacramentum idem est quod sacrum secretum, vel quia habet aliquem ordinem ad hanc sanctitatem, vel causae vel signi vel secundum quamcumque aliam habitudinem. Specialiter autem nunc loquimur de sacramentis secundum quod important habitudinem signi. Et secundum hoc sacramentum ponitur in genere signi. (IIIª q. 60 a. 1 co.)

Alles wat met iets anders in betrekking staat, hetzij dan ook op verschillende wijze, kan naar dat andere genoemd worden. Zo noemt men niet alleen een dier gezond met het oog op de gezondheid van het dier, het subject van de gezondheid, maar ook het geneesmiddel, in zover het de gezondheid voortbrengt; het dieet, in zover het de gezondheid bewaart, de urine, in zover zij er een teken van is. Zo ook wordt iets sacrament genoemd omdat het in zich een verborgen heiligheid bevat (en volgens die betekenis is een sacrament hetzelfde als een heilig geheim) ofwel omdat het zich tot die heiligheid verhoudt als een oorzaak of een teken, of hoe dan ook. We spreken hier echter voornamelijk over de sacramenten in zover ze zich tot iets anders verhouden als tekenen, en op die wijze heeft het sacrament het karakter van een teken.

Ad primum ergo dicendum quod, quia medicina se habet ut causa effectiva sanitatis, inde est quod omnia denominata a medicina dicuntur per ordinem ad unum primum agens, et per hoc, medicamentum importat causalitatem quandam. Sed sanctitas, a qua denominatur sacramentum, non significatur per modum causae efficientis, sed magis per modum causae formalis vel finalis. Et ideo non oportet quod sacramentum semper importet causalitatem. (IIIª q. 60 a. 1 ad 1)

1 — De geneesmiddelen zijn de bewerkende oorzaak van de gezondheid, en daarom wordt alles wat naar de geneesmiddelen genoemd wordt, gezegd met betrekking tot een eerste werkende oorzaak; waarom dan ook een geneesmiddel een zeker oorzakelijkheidsverband insluit. De heiligheid echter, naar welke een sacrament benoemd wordt, wordt niet opgevat als een werkende oorzaak, doch eerder als een vormoorzaak of een eindoorzaak en daarom is het niet vereist, dat een sacrament altijd een oorzakelijkheidsverband aanduidt.

Ad secundum dicendum quod ratio illa procedit secundum quod sacramentum idem est quod sacrum secretum. Dicitur autem non solum Dei secretum, sed etiam regis, esse sacrum et sacramentum. Quia secundum antiquos sancta vel sacrosancta dicebantur quaecumque violari non licebat, sicut etiam muri civitatis, et personae in dignitatibus constitutae. Et ideo illa secreta, sive divina sive humana, quae non licet violari quibuslibet publicando, dicuntur sacra vel sacramenta. (IIIª q. 60 a. 1 ad 2)

2 — Die bedenking gaat op, voor zover een sacrament hetzelfde is als een heilig geheim, want er wordt niet alleen gezegd, dat het geheim van God, maar ook van een koning iets heiligs en een sacrament is. Alles immers wat niet mocht geschonden worden, werd door de Ouden heilig en hoog heilig genoemd, zoals de versterkingen van een stad en de hoogwaardigheidsbekleders. En daarom worden goddelijke en menselijke geheimen, die niet mogen geschonden worden door ze aan eenieder te openbaren, heilige zaken of sacramenten genoemd.

Ad tertium dicendum quod etiam iuramentum habet quandam habitudinem ad res sacras, inquantum scilicet est quaedam contestatio facta per aliquod sacrum. Et secundum hoc dicitur esse sacramentum, non eadem ratione qua nunc loquimur de sacramentis; non tamen aequivoce sumpto nomine sacramenti, sed analogice, scilicet secundum diversam habitudinem ad aliquid unum, quod est res sacra. (IIIª q. 60 a. 1 ad 3)

3 — Ook de eed staat in betrekking met heilige zaken omdat hij iets heiligs tot getuige neemt. Overeenkomstig daarmee, zegt men, dat de eed een sacrament is, niet echter in dezelfde zin als hier over de sacramenten gesproken wordt. Ook niet in een dubbelzinnige betekenis, maar in een deels gelijke betekenis, dit is naar de verschillende verhoudingen naar één en hetzelfde, nl. tot een heilige zaak.

Articulus 2.
Betekent een Sacrament maar één enkele zaak?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod non omne signum rei sacrae sit sacramentum. Omnes enim creaturae sensibiles sunt signa rerum sacrarum, secundum illud Rom. I, invisibilia Dei per ea quae facta sunt intellecta conspiciuntur. Nec tamen omnes res sensibiles possunt dici sacramenta. Non ergo omne signum rei sacrae est sacramentum. (IIIª q. 60 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat niet alle heilige tekens sacramenten zijn. Alle stoffelijke schepselen immers zijn tekenen van iets heiligs, want er staat geschreven in de Brief aan de Romeinen (1, 20): « Want zijn (Gods) onzichtbaar Wezen is bij enig nadenken uit het geschapene duidelijk te kennen. » Welnu men kan niet beweren, dat alle stoffelijke dingen sacramenten zijn. Dus zijn niet alle heilige tekens sacramenten.

Praeterea, omnia quae in veteri lege fiebant, Christum figurabant, qui est sanctus sanctorum, secundum illud I Cor. X, omnia in figura contingebant illis, et Coloss. II, quae sunt umbra futurorum, corpus autem Christi. Nec tamen omnia gesta patrum veteris testamenti, vel etiam omnes caeremoniae legis, sunt sacramenta, sed quaedam specialiter, sicut in secunda parte habitum est. Ergo videtur quod non omne signum sacrae rei sit sacramentum. (IIIª q. 60 a. 2 arg. 2)

2 — Alles wat in de oude wet geschiedde, was een voorafbeelding van Christus, die de Heilige van de Heiligen is. In de Ie Brief aan de Korintiërs lezen we immers (10, 11): « Dit alles nu overkwam hun als een voorafbeelding », en in de Brief aan de Colossenzen (2, 17): « Deze dingen zijn slechts een schaduwbeeld van het toekomstige, maar de werkelijkheid is van Christus.» en toch waren niet al de daden van de Oudvaders uit het oude verbond, noch alle ceremoniën van de Wet sacramenten, maar enkel enige in het bijzonder, zoals bewezen werd in het IIe Deel (Kw. 101, Art. 4). Dus zijn niet alle heilige tekenen sacramenten.

Praeterea, etiam in novo testamento multa geruntur in signum alicuius rei sacrae, quae tamen non dicuntur sacramenta, sicut aspersio aquae benedictae, consecratio altaris, et consimilia. Non ergo omne signum rei sacrae est sacramentum. (IIIª q. 60 a. 2 arg. 3)

3 — Ook in het nieuw Verbond worden veel zaken aangegeven als tekenen van iets heiligs, en toch zijn het geen sacramenten, zoals het besproeien met wijwater, de wijding van een altaar, en van de gelijke. Dus zijn niet alle tekenen van iets heiligs sacramenten.

Sed contra est quod definitio convertitur cum definito. Sed quidam definiunt sacramentum per hoc quod est sacrae rei signum, et hoc etiam videtur ex auctoritate Augustini supra inducta. Ergo videtur quod omne signum rei sacrae sit sacramentum. (IIIª q. 60 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat een bepaling omkeerbaar is met het bepaalde. Welnu sommigen bepalen het sacrament als een teken van een heilige zaak, en dit wordt bevestigd door de woorden van Augustinus, die vroeger werden aangehaald (vorig Artikel) Dus is ieder teken van iets heiligs een sacrament.

Respondeo dicendum quod signa dantur hominibus, quorum est per nota ad ignota pervenire. Et ideo proprie dicitur sacramentum quod est signum alicuius rei sacrae ad homines pertinentis, ut scilicet proprie dicatur sacramentum, secundum quod nunc de sacramentis loquimur, quod est signum rei sacrae inquantum est sanctificans homines. (IIIª q. 60 a. 2 co.)

Tekenen worden eigenlijk door de mensen gebruikt, die immers door gekende zaken tot de kennis komen van onbekende. Het woord sacrament wordt dus in eigenlijke zin gebruikt om een teken aan te duiden van een heilige zaak, die de mens aanbelangt. Zoals we hier spreken over sacramenten, is een sacrament in eigenlijke zin een teken van een heilige zaak, in zover deze de mensen heiligt.

Ad primum ergo dicendum quod creaturae sensibiles significant aliquid sacrum, scilicet sapientiam et bonitatem divinam, inquantum sunt in seipsis sacra, non autem inquantum nos per ea sanctificamur. Et ideo non possunt dici sacramenta secundum quod nunc loquimur de sacramentis. (IIIª q. 60 a. 2 ad 1)

1 — De stoffelijke schepselen duiden iets heiligs aan, nl. de wijsheid en de goedheid van God, in zover ze in zichzelf heilig zijn, en niet in zover ze ons heiligen. Daarom kunnen ze geen sacramenten genoemd worden zoals we hier over sacramenten spreken.

Ad secundum dicendum quod quaedam ad vetus testamentum pertinentia significabant sanctitatem Christi secundum quod in se sanctus est. Quaedam vero significabant sanctitatem eius inquantum per eam nos sanctificamur, sicut immolatio agni paschalis significabat immolationem Christi, qua sanctificati sumus. Et talia dicuntur proprie veteris legis sacramenta. (IIIª q. 60 a. 2 ad 2)

2 — Sommige dingen uit het Oude Verbond duiden de heiligheid van Christus aan, in zover Hij in zichzelf heilig is. Andere echter duiden Zijn heiligheid aan in zover wij erdoor geheiligd worden, zoals het slachten van het Paaslam de dood van Christus aanduidde, waardoor wij geheiligd worden. En zulke dingen worden eigenlijk sacramenten van de Oude Wet genoemd.

Ad tertium dicendum quod res denominantur a fine et complemento. Dispositio autem non est finis, sed perfectio. Et ideo ea quae significant dispositionem ad sanctitatem, non dicuntur sacramenta, de quibus procedit obiectio; sed solum ea quae significant perfectionem sanctitatis humanae. (IIIª q. 60 a. 2 ad 3)

3 — De dingen worden genoemd naar hun einddoel en voleinding. Een geschiktheid is echter geen einddoel, maar een vervolmaking. En daarom zijn de dingen, die een geschiktheid tot de heiligheid aanduiden, geen sacramenten, waarover in de bedenking gesproken wordt, maar alleen die dingen, welke de voleinding aanduiden van de heiligheid van de mens.

Articulus 3.
Is een Sacrament altijd iets stoffelijks?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod sacramentum non sit signum nisi unius rei. Id enim quo multa significantur, est signum ambiguum, et per consequens fallendi occasio, sicut patet de nominibus aequivocis. Sed omnis fallacia debet removeri a Christiana religione, secundum illud Coloss. II, videte ne quis vos seducat per philosophiam et inanem fallaciam. Ergo videtur quod sacramentum non sit signum plurium rerum. (IIIª q. 60 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert dat een sacrament maar één enkele zaak betekent. Een teken immers, dat verschillende zaken betekent, is een dubbelzinnig teken, dat aanleiding geeft tot dwaling, zoals duidelijk is voor de dubbelzinnige woorden. Welnu deze dwaling moet uit de Christelijken godsdienst geweerd worden, volgens het gezegde uit de Brief aan de Colossenzen (2,8): « Past op dat niemand U meesleept door de wijsbegeerte of ijdele drogredenen. » Een sacrament betekent dus niet verschillende zaken.

Praeterea, sicut dictum est, sacramentum significat rem sacram inquantum est humanae sanctificationis causa. Sed una sola est causa sanctificationis humanae, scilicet sanguis Christi, secundum illud Heb. ult., Iesus, ut sanctificaret per suum sanguinem populum, extra portam passus est. Ergo videtur quod sacramentum non significet plura. (IIIª q. 60 a. 3 arg. 2)

2 — Zoals in het vorig artikel gezegd werd, betekent een sacrament iets heiligs, als een oorzaak van de heiligmaking van de mensen, nl. het bloed van Christus, volgens de Brief aan de Hebreeën (13, 12): « Daarom heeft ook Jezus buiten de poort geleden, om het volk te heiligen door Zijn bloed. » Bijgevolg is een sacrament geen teken van verschillende zaken.

Praeterea, dictum est quod sacramentum proprie significat ipsum finem sanctificationis. Sed finis sanctificationis est vita aeterna, secundum illud Rom. VI, habetis fructum vestrum in sanctificatione, finem vero vitam aeternam. Ergo videtur quod sacramenta non significent nisi unam rem, scilicet vitam aeternam. (IIIª q. 60 a. 3 arg. 3)

3 — Hierboven (vorig Artikel, Antwoord op de 3e Bedenking) werd gezegd, dat een sacrament eigenlijk het doel zelf van de heilig making betekent. Welnu het doel van onze heiligmaking is het eeuwig leven, volgens de Brief aan de Romeinen (6, 22): « Gij plukt thans als vrucht de heiliging, het einde ervan is het eeuwig leven. » Een sacrament betekent dus maar één enkele zaak, nl. het eeuwig leven.

Sed contra est quod in sacramento altaris est duplex res significata, scilicet corpus Christi verum et mysticum, ut Augustinus dicit, in libro sententiarum prosperi. (IIIª q. 60 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat het sacrament van de Altaars twee zaken betekent, nl. het werkelijk Lichaam van Christus, en Zijn mystiek Lichaam. Dit is ook de mening van Augustinus in zijn Boek over de Sententiën van Prosper.

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, sacramentum proprie dicitur quod ordinatur ad significandam nostram sanctificationem. In qua tria possunt considerari, videlicet ipsa causa sanctificationis nostrae, quae est passio Christi; et forma nostrae sanctificationis, quae consistit in gratia et virtutibus; et ultimus finis nostrae sanctificationis, qui est vita aeterna. Et haec omnia per sacramenta significantur. Unde sacramentum est et signum rememorativum eius quod praecessit, scilicet passionis Christi; et demonstrativum eius quod in nobis efficitur per Christi passionem, scilicet gratiae; et prognosticum, idest praenuntiativum, futurae gloriae. (IIIª q. 60 a. 3 co.)

Zoals (in het vorig Artikel) gezegd is, is een sacrament eigenlijk iets wat onze heiligmaking betekent. Welnu in onze heiligmaking kunnen we drie verschillende zaken onderscheiden, nl. de oorzaak zelf van onze heiligmaking, het lijden van Christus; de vorm van onze heiligmaking, de genade en de deugden ; en het einddoel van onze heiligmaking, het eeuwig leven. Dit alles nu wordt door de sacramenten betekend. Bijgevolg is een sacrament zowel een herinneringsteken aan iets wat voorbij is, nl. het lijden van Christus, als een teken dat aantoont wat in ons door dit lijden volbracht wordt, nl. de genade, en een voorteken van de toekomende heerlijkheid.

Ad primum ergo dicendum quod tunc est signum ambiguum, praebens occasionem fallendi, quando significat multa quorum unum non ordinatur ad aliud. Sed quando significat multa secundum quod ex eis quodam ordine efficitur unum, tunc non est signum ambiguum, sed certum, sicut hoc nomen homo significat animam et corpus prout ex eis constituitur humana natura. Et hoc modo sacramentum significat tria praedicta secundum quod quodam ordine sunt unum. (IIIª q. 60 a. 3 ad 1)

1 — Een teken is dubbelzinnig en geeft aanleiding tot dwaling, wanneer het verschillende dingen betekent, die met tot elkander geordend zijn. Wanneer echter een teken verschillende dingen betekent, die door hun onderlinge orde tot een eenheid herleid kunnen worden, dan is het geen dubbelzinnig teken, maar een duidelijk teken, zoals het woord mens de ziel en het lichaam betekent in zover ze beide de menselijke natuur samenstellen. Op dezelfde manier betekent een sacrament de drie genoemde dingen, voor zover ze door hun onderlinge orde iets ééns zijn.

Ad secundum dicendum quod sacramentum, in hoc quod significat rem sanctificantem, oportet quod significet effectum, qui intelligitur in ipsa causa sanctificante prout est causa sanctificans. (IIIª q. 60 a. 3 ad 2)

2 — Voor zover een sacrament iets betekent, dat heilig maakt, moet het het uitwerksel aanduiden dat besloten ligt in de heiligmaking als zodanig.

Ad tertium dicendum quod sufficit ad rationem sacramenti quod significet perfectionem quae est forma, nec oportet quod solum significet perfectionem quae est finis. (IIIª q. 60 a. 3 ad 3)

3 — Tot het wezen van een sacrament volstaat het, dat het de volmaaktheid van de vorm betekent; het is niet vereist dat het enkel de volmaaktheid van het doel zou aanduiden.

Articulus 4.
Worden er bepaalde stoffelijke dingen vereist tot de Sacramenten?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod sacramentum non semper sit aliqua res sensibilis. Quia secundum philosophum, in libro priorum, omnis effectus suae causae signum est. Sed sicut sunt quidam effectus sensibiles, ita etiam sunt quidam effectus intelligibiles, sicut scientia est effectus demonstrationis. Ergo non omne signum est sensibile. Sufficit autem ad rationem sacramenti quod sit signum alicuius rei sacrae inquantum homo per eam sanctificatur, ut supra dictum est. Non ergo requiritur ad sacramentum quod sit aliqua res sensibilis. (IIIª q. 60 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert dat een sacrament niet altijd iets stoffelijks is. De Wijsgeer immers zegt in het eerste Boek van zijn Eerste werk over de Redenering (29e H., nr 1) , dat ieder uitwerksel een teken is van zijn oorzaak. Welnu zoals er stoffelijke uitwerkselen zijn, zo ook zijn er zuiver verstandelijke uitwerkselen, zoals de wetenschap een uitwerksel is van de bewijsvoering. Bijgevolg is niet ieder teken stoffelijk. Het volstaat echter om het begrip sacrament te verwezenlijken, dat het een teken is van iets heiligs, voor zover de mens daardoor geheiligd wordt, zoals vroeger werd aangetoond (2e Artikel). Het is dus niet vereist dat een sacrament een stoffelijk teken zijn zou.

Praeterea, sacramenta pertinent ad regnum Dei et cultum Dei. Sed res sensibiles non videntur pertinere ad cultum Dei, dicitur enim Ioan. IV, spiritus est Deus, et eos qui adorant eum, in spiritu et veritate adorare oportet; et Rom. XIV, non est regnum Dei esca et potus. Ergo res sensibiles non requiruntur ad sacramenta. (IIIª q. 60 a. 4 arg. 2)

2 — De sacramenten behoren tot de eredienst of tot het rijk van God. Welnu stoffelijke zaken behoren niet tot de eredienst. Er wordt immers gezegd bij Johannes (4, 24): « God is een geest en wie Hem aanbidden, moeten in geest en Waarheid aanbidden », en in de Brief aan de Romeinen (14, 17): « Het koninkrijk Gods bestaat niet in spijs en drank » Bijgevolg worden er geen stoffelijke zaken vereist voor de sacramenten.

Praeterea, Augustinus dicit, in libro de Lib. Arbit., quod res sensibiles sunt minima bona, sine quibus homo recte vivere potest. Sed sacramenta sunt de necessitate salutis humanae, ut infra patebit, et ita sine eis homo recte vivere non potest. Non ergo res sensibiles requiruntur ad sacramenta. (IIIª q. 60 a. 4 arg. 3)

3 — Augustinus verklaart in zijn Boek over de vrijen Wil (19e H.), dat de stoffelijke zaken de minste waarde hebben en dat de mens kan leven zoals het behoort zonder ze te bezitten. Welnu de sacramenten zijn vereist tot de zaligheid van de mensen, zoals verder wordt bewezen (Kw. 61) en zonder hen kan de mens niet leven zoals het behoort. De stoffelijke zaken zijn dus niet vereist tot de sacramenten.

Sed contra est quod Augustinus dicit, super Ioan., accedit verbum ad elementum, et fit sacramentum. Et loquitur ibi de elemento sensibili, quod est aqua. Ergo res sensibiles requiruntur ad sacramenta. (IIIª q. 60 a. 4 s. c.)

Daartegen echter staat wat Augustinus schrijft in zijn Verklaring van Johannes (80e Verhandeling): « Het Woord wordt bij het element gevoegd, en het Sacrament ontstaat. » En hij spreekt van een stoffelijk element, nl. van water. Bijgevolg zijn er stoffelijke zaken vereist tot de sacramenten.

Respondeo dicendum quod divina sapientia unicuique rei providet secundum suum modum, et propter hoc dicitur, Sap. VIII, quod suaviter disponit omnia. Unde et Matth. XXV dicitur quod dividit unicuique secundum propriam virtutem. Est autem homini connaturale ut per sensibilia perveniat in cognitionem intelligibilium. Signum autem est per quod aliquis devenit in cognitionem alterius. Unde, cum res sacrae quae per sacramenta significantur, sint quaedam spiritualia et intelligibilia bona quibus homo sanctificatur, consequens est ut per aliquas res sensibiles significatio sacramenti impleatur, sicut etiam per similitudinem sensibilium rerum in divina Scriptura res spirituales nobis describuntur. Et inde est quod ad sacramenta requiruntur res sensibiles, ut etiam Dionysius probat, in I cap. caelestis hierarchiae. (IIIª q. 60 a. 4 co.)

De goddelijke Wijsheid voorziet in alle zaken volgens hun eigen manier van zijn. Daarom zegt het Boek van de Wijsheid (8,1), dat Hij alles bestuurt met zachtheid. En Mattheus zegt ook (25, 15), dat Hij aan eenieder gaf volgens zijn bekwaamheid. Welnu, het ligt in de natuur van de mens door het stoffelijke te komen tot de kennis van het verstandelijke, en een teken is juist iets, waardoor men komt tot de kennis van iets anders; daar nu de heilige zaken, die door de sacramenten worden aangeduid, geestelijke en verstandelijke goederen zijn, waardoor de mens geheiligd wordt, daarom moet datgene wat het sacrament betekent, door stoffelijke zaken worden uitgewerkt. Zo ook worden in de Heilige Schrift de geestelijke dingen beschreven door gelijkenissen uit de zintuiglijkwaarneembare wereld. Bijgevolg worden de stoffelijke zaken vereist tot de sacramenten, zoals Dyonisius bewijst in het eerste Hoofdstuk van zijn Boek over de Hemelse Hiërarchie.

Ad primum ergo dicendum quod unumquodque praecipue denominatur et definitur secundum illud quod convenit ei primo et per se, non autem per id quod convenit ei per aliud. Effectus autem sensibilis per se habet quod ducat in cognitionem alterius, quasi primo et per se homini innotescens, quia omnis nostra cognitio a sensu initium habet. Effectus autem intelligibiles non habent quod possint ducere in cognitionem alterius nisi inquantum sunt per aliud manifestati, idest per aliqua sensibilia. Et inde est quod primo et principaliter dicuntur signa quae sensibus offeruntur, sicut Augustinus dicit, in II de Doct. Christ., quod signum est quod, praeter speciem quam ingerit sensibus, facit aliquid aliud in cognitionem venire. Effectus autem intelligibiles non habent rationem signi nisi secundum quod sunt manifestati per aliqua signa. Et per hunc etiam modum quaedam quae non sunt sensibilia, dicuntur quodammodo sacramenta, inquantum sunt significata per aliqua sensibilia, de quibus infra agetur. (IIIª q. 60 a. 4 ad 1)

1 — Ieder wezen wordt voornamelijk genoemd en bepaald volgens wat er onmiddenllijk en uiteraard aan toekomt en niet volgens wat eraan toekomt door zijn betrekking met iets anders. Welnu, het komt aan een zintuiglijk waarneembaar uitwerksel uiteraard toe, op te voeren tot de kennis van iets anders, voor zover het uiteraard en onmiddenllijk kenbaar is, want al onze kennis heeft haar oorsprong in de zinnen. Het komt echter aan de verstandelijke uitwerkselen niet toe, ons op te voeren tot de kennis van iets anders, dan in zover ze door iets anders worden geopenbaard, dit is door zintuigelijk waarneembare dingen. Daarom worden op de eerste en voornaamste plaats die dingen tekenen genoemd, die onder de zinnen vallen, zoals Augustinus zegt in zijn Boek Over de Christelijke Leer (2e B., 1e H.), dat nl. een teken, buiten datgene, waardoor het onze zinnen aandoet, nog iets anders doet kennen. De verstandelijke uitwerkselen echter zijn geen tekenen, dan in zover ze door sommige tekenen geopenbaard worden. En op die manier worden sommige zaken, die niet zintuigelijk waarneembaar zijn, sacramenten genoemd, voor zover ze door sommige zintuigelijk waarneembare dingen worden aangeduid. Daarover zullen we later spreken (Kw. 63, Art. 1).

Ad secundum dicendum, quod res sensibiles, prout in sua natura considerantur, non pertinent ad cultum vel regnum Dei, sed solum secundum quod sunt signa spiritualium rerum, in quibus regnum Dei consistit. (IIIª q. 60 a. 4 ad 2)

2 — De stoffelijke dingen behoren naar hun natuur noch tot de eredienst, noch tot het rijk van God; ze behoren er enkel toe in zover ze tekenen zijn van de geestelijke zaken, waarin het Godsrijk bestaat.

Ad tertium dicendum quod Augustinus ibi loquitur de rebus sensibilibus secundum quod in sua natura considerantur, non autem secundum quod assumuntur ad significandum spiritualia, quae sunt maxima bona. (IIIª q. 60 a. 4 ad 3)

3 — Augustinus spreekt daar van de stoffelijke dingen naar hun eigen wezen, en niet in zover ze gebruikt worden om geestelijke dingen aan te duiden, die de grootste waarde hebben.

Articulus 5.
Worden er woorden vereist om het teken der Sacramenten te verklaren?

Ad quintum sic proceditur. Videtur quod non requirantur determinatae res ad sacramenta. Res enim sensibiles requiruntur in sacramentis ad significandum, ut dictum est. Sed nihil prohibet diversis rebus sensibilibus idem significari, sicut in sacra Scriptura Deus aliquando metaphorice significatur per lapidem, quandoque per leonem, quandoque per solem, aut aliquid huiusmodi. Ergo videtur quod diversae res possint congruere eidem sacramento. Non ergo determinatae res in sacramentis requiruntur. (IIIª q. 60 a. 5 arg. 1)

1 — Men beweert, dat er geen bepaalde zaken vereist worden tot de sacramenten. Die stoffelijke dingen immers zijn in de sacramenten vereist om iets aan te duiden, zoals hierboven is aangetoond (3e Artikel). Welnu er is niets op tegen, dat éénzelfde ding wordt aangeduid door verschillende stoffelijke tekenen, zoals in de Heilige Schrift God soms figuurlijk wordt aangeduid door steen of door leeuw, door zon of iets van de gelijks. Het kan dus gebeuren, dat verschillende zaken geschikt zijn voor één en hetzelfde sacrament, en bijgevolg zijn er geen bepaalde zaken vereist tot de sacramenten.

Praeterea, magis necessaria est salus animae quam salus corporis. Sed in medicinis corporalibus, quae ad salutem corporis ordinantur, potest una res pro alia poni in eius defectu. Ergo multo magis in sacramentis, quae sunt medicinae spirituales ad salutem animae ordinatae, poterit una res assumi pro alia quando illa defuerit. (IIIª q. 60 a. 5 arg. 2)

2 — De zaligheid van de ziel is meer nodig dan de gezondheid van het lichaam. Welnu om het lichaam te genezen, mag men het ene geneesmiddenl gebruiken in plaats van het ander, als het ene ontbreekt. Dus mag men voor de sacramenten, die de geestelijke geneesmiddenlen zijn en voorgeschreven werden voor de zaligheid van de ziel, zoveel te meer de ene zaak gebruiken in plaats van een ander, wanneer de eerste ontbreekt.

Praeterea, non est conveniens ut hominum salus arctetur per legem divinam, et praecipue per legem Christi, qui venit omnes salvare. Sed in statu legis naturae non requirebantur in sacramentis aliquae res determinatae, sed ex voto assumebantur, ut patet Gen. XXVIII, ubi se Iacob vovit Deo decimas et hostias pacificas oblaturum. Ergo videtur quod non debuit arctari homo, et praecipue in nova lege, ad alicuius rei determinatae usum in sacramentis. (IIIª q. 60 a. 5 arg. 3)

3 — Het past niet, dat het heil van de mens zou beperkt worden door de goddelijke wet, en vooral niet door de wet van Christus, die allen kwam zalig maken. Welnu in de staat van de natuurwet waren er geen bepaalde zaken vereist in de sacramenten, maar bepaalde eenieder ze zelf door een belofte, zoals blijkt uit de Genesis (28, 20 vv.), waar Jacob belooft tiende en zoenoffers aan God op te dragen. De vrijheid van de mens moet dus in de sacramenten niet beperkt worden tot het gebruik van één bepaalde zaak, vooral met in de Nieuwe Wet.

Sed contra est quod dominus dicit, Ioan. III, nisi quis renatus fuerit ex aqua et spiritu sancto, non potest introire in regnum Dei. (IIIª q. 60 a. 5 s. c.)

Daartegenover echter staat wat de Heer zegt bij Johannes (3, 3): « zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, kan hij niet ingaan in het Koninkrijk Gods. »

Respondeo dicendum quod in usu sacramentorum duo possunt considerari, scilicet cultus divinus, et sanctificatio hominis, quorum primum pertinet ad hominem per comparationem ad Deum, secundum autem e converso pertinet ad Deum per comparationem ad hominem. Non autem pertinet ad aliquem determinare quod est in potestate alterius, sed solum illud quod est in sua potestate. Quia igitur sanctificatio hominis est in potestate Dei sanctificantis, non pertinet ad hominem suo iudicio assumere res quibus sanctificetur, sed hoc debet esse ex divina institutione determinatum. Et ideo in sacramentis novae legis, quibus homines sanctificantur, secundum illud I Cor. VI, abluti estis, sanctificati estis, oportet uti rebus ex divina institutione determinatis. (IIIª q. 60 a. 5 co.)

In het gebruik van de sacramenten kunnen we twee zaken beschouwen, nl., de eredienst van God en de heiligmaking van de mens. Het eerste komt toe aan de mens met betrekking tot God, het tweede komt aan God toe met betrekking tot de mens. Welnu het komt niet aan iemand toe, datgene te bepalen wat in de macht ligt van een ander, maar alleen wat in zijn eigen macht ligt. En daar nu de heiligmaking van de mens in de macht ligt van de heiligmakende God, komt het aan de mens niet toe naar eigen oordeel te bepalen, welke zaken moeten gebruikt worden tot zijn heiligmaking, maar moet dit door goddelijke instelling bepaald worden. Daarom moet men voor de sacramenten van de Nieuwe Wet, waardoor de mens geheiligd wordt, volgens de woorden uit de In Brief aan de Korintiërs (6, 11): « Ge zijt rein gewassen, ge zijl geheiligd », die zaken gebruiken die door goddelijke instelling bepaald zijn.

Ad primum ergo dicendum quod, si idem possit per diversa signa significari, determinare tamen quo signo sit utendum ad significandum, pertinet ad significantem. Deus autem est qui nobis significat spiritualia per res sensibiles in sacramentis, et per verba similitudinaria in Scripturis. Et ideo, sicut iudicio spiritus sancti determinatum est quibus similitudinibus in certis Scripturae locis res spirituales significentur, ita etiam debet esse divina institutione determinatum quae res ad significandum assumantur in hoc vel in illo sacramento. (IIIª q. 60 a. 5 ad 1)

1 — Hoewel eenzelfde zaak door verschillende tekenen kan worden aangeduid, toch komt het aan degene toe, die iets wil aanduiden, te bepalen welk teken hij daartoe zal gebruiken. Welnu, God is het die de geestelijke zaken wil aanduiden, te bepalen welk teken Hij daartoe zal gebruiken. Welnu, God is het die de geestelijke zaken wil aanduiden door stoffelijke dingen in de sacramenten, en door figuurlijke uitdrukkingen in de Heilige Schrift. En daarom zoals door het oordeel van de Heiligen Geest bepaald is, door welke figuren de geestelijke dingen op zekere plaatsen van de Heilige Schrift worden aangeduid, zo ook moet het door goddelijke instelling worden bepaald, welke stoffelijke dingen als tekenen moeten worden aangewend in een bepaald sacrament.

Ad secundum dicendum quod res sensibiles habent naturaliter sibi inditas virtutes conferentes ad corporalem salutem, et ideo non refert, si duae earum eandem virtutem habeant, qua quis utatur. Sed ad sanctificationem non ordinantur ex aliqua virtute naturaliter indita, sed solum ex institutione divina. Et ideo oportuit divinitus determinari quibus rebus sensibilibus sit in sacramentis utendum. (IIIª q. 60 a. 5 ad 2)

2 — De stoffelijke dingen hebben van nature de kracht om de gezondheid van het lichaam te bewerken, en daarom is het van geen belang, wat men juist uitkiest, wanneer twee dingen dezelfde kracht hebben. Maar de stoffelijke zaken zijn niet geordend tot de zaligmaking, door een kracht die zij van nature zouden hebben, maar alleen door goddelijke instelling. En bijgevolg moest het door God bepaald worden, welke stoffelijke zaken men moest gebruiken in de sacramenten.

Ad tertium dicendum quod, sicut Augustinus dicit, XIX contra Faust., diversa sacramenta diversis temporibus congruunt, sicut etiam diversis verbis significantur diversa tempora, scilicet praesens, praeteritum et futurum. Et ideo, sicut in statu legis naturae homines, nulla lege exterius data, solo interiori instinctu movebantur ad Deum colendum, ita etiam ex interiori instinctu determinabatur eis quibus rebus sensibilibus ad Dei cultum uterentur. Postmodum vero necesse fuit etiam exterius legem dari, tum propter obscurationem legis naturae ex peccatis hominum; tum etiam ad expressiorem significationem gratiae Christi, per quam humanum genus sanctificatur. Et ideo etiam necesse fuit res determinari quibus homines uterentur in sacramentis. Nec propter hoc arctatur via salutis, quia res quarum usus est necessarius in sacramentis, vel communiter habentur, vel parvo studio adhibito haberi possunt. (IIIª q. 60 a. 5 ad 3)

3 — Zoals Augustinus zegt in zijn Boek Tegen Faustus (19e B., 16e en 17e H.), komen de verschillende sacramenten overeen met de verschillende tijdvakken; zo ook worden door verschillende woorden verschillende tijde aangeduid, nl. het heden, het verleden en de toekomst. Zoals in de staat van de natuurwet de mensen alleen door innerlijke neiging er toe bewogen werden om God te dienen, en niet door een van buiten uit opgelegde wet, zo ook werd toen door een innerlijke beweging bepaald, welke stoffelijke zaken ze moesten gebruiken voor de eredienst van God. Later echter werd het nodig, ook een uiterlijke wet uit te vaardigen, zowel omdat de natuurwet verduisterd was door de zonde van de mensen, als om duidelijker te doen blijken de genade van Christus, waardoor het menselijk geslacht geheiligd wordt. En daarom moest ook bepaald worden, welke zaken moeten gebruikt worden voor de sacramenten; daardoor wordt echter de weg van de zaligheid niet nauwer gemaakt, omdat men de zaken, die moeten gebruikt worden voor de sacramenten, gewoonlijk bij de hand heeft, of met weinig moeite kan vinden.

Articulus 6.
Worden in de Sacramenten bepaalde woorden vereist?

Ad sextum sic proceditur. Videtur quod in significatione sacramentorum non requirantur verba. Dicit enim Augustinus, contra Faustum, libro XIX, quid sunt aliud quaeque corporalia sacramenta nisi quasi quaedam verba visibilia? Et sic videtur quod addere verba rebus sensibilibus in sacramentis sit addere verba verbis. Sed hoc est superfluum. Non ergo requiruntur verba cum rebus sensibilibus in sacramentis. (IIIª q. 60 a. 6 arg. 1)

1 — Men beweert, dat er geen woorden vereist worden om het teken van de sacramenten te verklaren. Augustinus immers zegt in zijn werk Tegen Faustus (19e B., 16e H.): « Wat zijn alle stoffelijke Sacramenten anders dan zichtbare Woorden? » Daaruit blijkt, dat men, door in de sacramenten woorden toe te voegen aan de stoffelijke dingen, woorden zou toevoegen aan woorden. Welnu, dit is nutteloos, en bijgevolg worden er in de sacramenten naast de stoffelijke dingen geen woorden vereist.

Praeterea, sacramentum est aliquid unum. Ex his autem quae sunt diversorum generum, non videtur posse aliquid unum fieri. Cum igitur res sensibiles et verba sint diversorum generum, quia res sensibiles sunt a natura, verba autem a ratione; videtur quod in sacramentis non requirantur verba cum rebus sensibilibus. (IIIª q. 60 a. 6 arg. 2)

2 — Een sacrament is iets ééns. Welnu het is onmogelijk om met dingen, die tot verschillende soorten behoren, iets ééns te maken. Daar nu stoffelijke zaken en woorden tot verschillende soorten behoren, — stoffelijke zaken worden immers voortgebracht door de natuur, woorden daarentegen door de rede, daarom zijn er voor de sacramenten geen woorden vereist naast de stoffelijke tekenen.

Praeterea, sacramenta novae legis succedunt sacramentis veteris legis, quia, illis ablatis, ista sunt instituta, ut Augustinus dicit, XIX contra Faustum. Sed in sacramentis veteris legis non requirebatur aliqua forma verborum. Ergo nec in sacramentis novae legis. (IIIª q. 60 a. 6 arg. 3)

3 — De sacramenten van de Nieuwe Wet hebben de plaats ingenomen van die van de Oude Wet, want ze zijn ingesteld, nadat de andere waren afgeschaft, zoals Augustinus zegt in zijn Boek Tegen Faustus (19e B., 13e H.). Welnu voor de sacramenten van de Oude Wet werden er geen bepaalde woorden, vereist. Bijgevolg is het ook niet vereist voor de sacramenten van de Nieuwe Wet.

Sed contra est quod apostolus dicit, Ephes. V, Christus dilexit Ecclesiam, et tradidit semetipsum pro ea, ut illam sanctificaret, mundans eam lavacro aquae in verbo vitae. Et Augustinus dicit, super Ioan., accedit verbum ad elementum, et fit sacramentum. (IIIª q. 60 a. 6 s. c.)

Daartegenover echter staat wat de Apostel zegt in de Brief aan de Efeziërs (5, 25, 26): « Christus heeft de Kerk bemind. Hij heeft Zich voor haar overgeleverd, om haar te heiligen en te reinigen door het Waterbad, vergezeld van het woord. » En Augustinus zegt in zijn Verhandeling op Johannes (80e Verhand.): « Het woord wordt toegevoegd aan het element, en het sacrament ontstaat. »

Respondeo dicendum quod sacramenta, sicut dictum est, adhibentur ad hominum sanctificationem sicut quaedam signa. Tripliciter ergo considerari possunt, et quolibet modo congruit eis quod verba rebus sensibilibus adiungantur. Primo enim possunt considerari ex parte causae sanctificantis, quae est verbum incarnatum, cui sacramentum quodammodo conformatur in hoc quod rei sensibili verbum adhibetur, sicut in mysterio incarnationis carni sensibili est verbum Dei unitum. Secundo possunt considerari sacramenta ex parte hominis qui sanctificatur, qui componitur ex anima et corpore, cui proportionatur sacramentalis medicina, quae per rem visibilem corpus tangit, et per verbum ab anima creditur. Unde Augustinus dicit, super illud Ioan. XV, iam vos mundi estis propter sermonem etc., unde ista est tanta virtus aquae ut corpus tangat et cor abluat, nisi faciente verbo, non quia dicitur, sed quia creditur? Tertio potest considerari ex parte ipsius significationis sacramentalis. Dicit autem Augustinus, in II de Doct. Christ., quod verba inter homines obtinuerunt principatum significandi, quia verba diversimode formari possunt ad significandos diversos conceptus mentis, et propter hoc per verba magis distincte possumus exprimere quod mente concipimus. Et ideo ad perfectionem significationis sacramentalis necesse fuit ut significatio rerum sensibilium per aliqua verba determinaretur. Aqua enim significare potest et ablutionem propter, suam humiditatem, et refrigerium propter suam frigiditatem, sed cum dicitur, ego te baptizo, manifestatur quod aqua utimur in Baptismo ad significandam emundationem spiritualem. (IIIª q. 60 a. 6 co.)

Zoals gezegd werd (in het 3e Artikel), worden de sacramenten gebruikt als tekenen tot heiligmaking van de mensen. Ze kunnen dus op drie wijzen beschouwd worden, en in elk van die drie opzichten is het passend, dat er woorden worden toegevoegd aan de stoffelijke tekenen. Men kan de sacramenten ten eerste beschouwen van de kant van de oorzaak van onze heiligmaking, het mensgeworden Woord, waarmede de sacramenten enigszins gelijkvormig zijn, omdat de woorden worden toegevoegd aan een stoffelijke zaak, zoals in het mysterie van de menswording, het Woord Gods verenigd werd met het stoffelijk vlees. De sacramenten kunnen ten tweede beschouwd worden van de kant van de mens, die geheiligd wordt, en bestaat uit ziel en lichaam. De sacramentele medicijn staat daartoe in verhouding, want door de zichtbare zaak raakt zij het lichaam aan, en door de woorden ontstaat het geloof in de ziel. Daarom zegt Augustinus in de verklaring van de woorden van Johannes (13, 13): « Reeds zijt ge rein door het woord, dat ik tot u gesproken heb », het volgende « Waarvandaan komt die grote kracht van het water, Waardoor het het lichaam aanraakt en het hart reinigt, dan van de woorden, niet omdat ze uitgesproken Worden, maar omdat ze geloofd worden? ». Ten van de de kan men ook de sacramenten beschouwen van de kant van de sacramentele betekenis. Welnu Augustinus zegt in zijn Boek Over de Christelijke Leer (2e B., 3e H.), dat de woorden de voornaamste tekenen zijn, die door de mensen gebruikt worden, want de woorden kunnen op verschillende wijze gebruikt worden om verschillende begrippen aan te duiden. Daarom kunnen wij met woorden het best uitdrukken wat we in de geest hebben opgenomen. Het was tot de volmaaktheid van de sacramentele betekenis vereist, dat de betekenis van de stoffelijke dingen door woorden zou bepaald worden. Het water immers kan zowel de reiniging aanduiden doordat het nat is, als de verfrissing doordat het koud is. Doch wanneer men zegt: « Ik doop u », dan wordt het duidelijk dat het water in het Doopsel gebruikt wordt om een geestelijke reiniging aan te duiden.

Ad primum ergo dicendum quod res visibiles sacramentorum dicuntur verba per similitudinem quandam, inquantum scilicet participant quandam vim significandi, quae principaliter est in ipsis verbis, ut dictum est. Et ideo non est superflua ingeminatio verborum cum in sacramentis rebus visibilibus verba adduntur, quia unum eorum determinatur per aliud, ut dictum est. (IIIª q. 60 a. 6 ad 1)

1 — De zichtbare dingen, die in de sacramenten gebruikt worden, noemt men Woorden in figuurlijke zin, in zover ze nl. deelhebben aan de betekende kracht die op de voornaamste plaats toekomt aan de woorden, zoals (in de Leerstelling) gezegd werd. En daarom is het geen nutteloze herhaling van dezelfde woorden, wanneer in de sacramenten woorden toegevoegd worden aan de zichtbare zaken, want het ene wordt bepaald door het andere, zoals (in de Leerstelling) werd aangetoond.

Ad secundum dicendum quod, quamvis verba et aliae res sensibiles sint in diverso genere quantum pertinet ad naturam rei, conveniunt tamen ratione significandi. Quae perfectius est in verbis quam in aliis rebus. Et ideo ex verbis et rebus fit quodammodo unum in sacramentis sicut ex forma et materia, inquantum scilicet per verba perficitur significatio rerum, ut dictum est. Sub rebus autem comprehenduntur etiam ipsi actus sensibiles, puta ablutio et unctio et alia huiusmodi, quia in his est eadem ratio significandi et in rebus. (IIIª q. 60 a. 6 ad 2)

2 — Hoewel woorden en de andere stoffelijke dingen niet tot dezelfde soort behoren, wat hun natuur betreft, toch komen ze met elkander overeen in zover zij tekenen zijn, wat eerder toekomt aan de woorden dan aan de andere dingen. Op die manier worden de woorden en de dingen in de sacramenten in zekere zin iets ééns, omdat de betekenis van de dingen vervolledigd wordt door de woorden, zo (in de Leerstelling) gezegd werd.

Ad tertium dicendum quod, sicut Augustinus dicit, contra Faustum, alia debent esse sacramenta rei praesentis, et alia rei futurae. Sacramenta autem veteris legis praenuntia erant Christi venturi. Et ideo non ita expresse significabant Christum sicut sacramenta novae legis, quae ab ipso Christo effluunt, et quandam similitudinem ipsius in se habent, ut dictum est. Utebantur tamen in veteri lege aliquibus verbis in his quae ad cultum Dei pertinent, tam sacerdotes, qui erant sacramentorum illorum ministri, secundum illud Num. VI, sic benedicetis filiis Israel, et dicetis eis, benedicat tibi dominus, etc.; quam etiam illi qui illis sacramentis utebantur, secundum illud Deut. XXVI, profiteor hodie coram domino Deo tuo, et cetera. (IIIª q. 60 a. 6 ad 3)

3 — Zoals Augustinus zegt in zijn Boek Tegen Faustus, moeten de sacramenten die iets aanduiden wat tegenwoordig is, verschillen van die, welke iets toekomstig aanduiden. Welnu de sacramenten van de oude wet waren een voorafbeelding van Christus, die komen zou, en daarom duidde ze niet zo duidelijk Christus aan als de sacramenten van de nieuwe wet, die uit Christus voortvloeien, en een zekere gelijkenis vertonen met Hem, zoals (in de Leerstelling) gezegd werd. En toch werden er in de eredienst van de oude wet woorden gebruikt, zowel door de priesters, die de bedienaarswaren van de sacramenten, volgens het Boek van de Getallen (6, 23-24): « Zó zult gij de zonen van Israël zegenen, en gij zult tot hen zeggen: De Heer zegene u, enz.» als door degenen die gebruik maken van de sacramenten volgens Deuteronomium (26, 3): « Ik betuig heden vóór de Heer, uw God, » enz.

Articulus 7.
Mag men aan die woorden, die de vorm zijn der Sacramenten, iets toevoegen?

Ad septimum sic proceditur. Videtur quod non requirantur determinata verba in sacramentis. Ut enim philosophus dicit, voces non sunt eaedem apud omnes. Sed salus, quae per sacramentum quaeritur, est eadem apud omnes. Ergo non requiruntur aliqua determinata verba in sacramentis. (IIIª q. 60 a. 7 arg. 1)

1 — Men beweert dat er in de sacramenten geen bepaalde woorden vereist worden. Zoals immers de Wijsgeer zegt in het 1e Boek van zijn werk Over het Oordeel (1e H., nr. 3) , zijn de woorden niet dezelfde in alle talen. Welnu de zaligheid die men in de sacramenten zoekt, is dezelfde voor alle mensen. Bijgevolg worden er in de sacramenten geen bepaalde woorden vereist.

Praeterea, verba requiruntur in sacramentis inquantum sunt principaliter significativa, sicut supra dictum est. Sed contingit per diversa verba idem significari. Ergo non requiruntur determinata verba in sacramentis. (IIIª q. 60 a. 7 arg. 2)

2 — De woorden worden in de sacramenten vereist omdat het op de eerste plaats aan de woorden toekomt, iets anders te betekenen zoals (in het vorig Artikel) gezegd werd. Welnu de verschillende woorden kunnen dezelfde betekenis hebben. Bijgevolg worden er in de sacramenten geen bepaalde woorden vereist.

Praeterea, corruptio cuiuslibet rei variat eius speciem. Sed quidam corrupte verba proferunt, nec tamen propter hoc impediri creditur sacramentorum effectus, alioquin illiterati et balbi qui sacramenta conferunt, frequenter defectum in sacramentis inducerent. Ergo videtur quod non requirantur in sacramentis determinata verba. (IIIª q. 60 a. 7 arg. 3)

3 — Wanneer iets veranderd wordt, dan komt het terecht in een andere soort. Welnu sommigen veranderen de woorden, zonder dat de uitwerking van de sacramenten daardoor verhinderd wordt; anders zouden de ongeletterde en de stotteraars, welke de sacramenten toedienen, dikwijls de uitwerking van de sacramenten verhinderen. Bijgevolg worden er in de sacramenten geen bepaalde woorden vereist.

Sed contra est quod dominus determinata verba protulit in consecratione sacramenti Eucharistiae, dicens, Matth. XXVI, hoc est corpus meum. Similiter etiam mandavit discipulis ut sub determinata forma verborum baptizarent, dicens, Matth. ult., euntes, docete omnes gentes, baptizantes eos in nomine patris et filii et spiritus sancti. (IIIª q. 60 a. 7 s. c.)

Daartegenover staat echter dat de Heer bepaalde woorden gebruikt heeft in de consecratie van het Eucharistisch sacrament, zeggende: « Dit is mijn lichaam » (Mattheus, 26, 26). Ook heeft Hij aan zijn leerlingen bevolen, te dopen door bepaalde woorden te gebruiken, zeggende: « Gaat heen dan, onderwijst alle volken, en doopt ze in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest. » (Mattheus, 28, 19)

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, in sacramentis verba se habent per modum formae, res autem sensibiles per modum materiae. In omnibus autem compositis ex materia et forma principium determinationis est ex parte formae, quae est quodammodo finis et terminus materiae. Et ideo principalius requiritur ad esse rei determinata forma quam determinata materia, materia enim determinata quaeritur ut sit proportionata determinatae formae. Cum igitur in sacramentis requirantur determinatae res sensibiles, quae se habent in sacramentis sicut materia, multo magis requiritur in eis determinata forma verborum. (IIIª q. 60 a. 7 co.)

Zoals hierboven gezegd is (vorig Artikel, Antw.), worden de woorden in de sacramenten gelijkgesteld met de vorm, de stoffelijke zaken daarentegen met de stof. Welnu in alle dingen, die samengesteld zijn uit stof en vorm, is het bepalende beginsel de vorm. De vorm immers is als het doel en de voleinding van de stof. Daarom is voor het zijn van een wezen méér een bepaalde vorm vereist dan een bepaalde stof. Een bepaalde stof toch wordt maar vereist opdat ze zou aangepast zijn bij een bepaalde vorm. Daar er nu in de Sacramenten bepaalde stoffelijke dingen vereist worden, die als de stof zijn in de sacramenten, is het nog veel méér vereist, bepaalde woorden te gebruiken.

Ad primum ergo dicendum quod, sicut Augustinus dicit, super Ioan., verbum operatur in sacramentis, non quia dicitur, idest, non secundum exteriorem sonum vocis, sed quia creditur, secundum sensum verborum qui fide tenetur. Et hic quidem sensus est idem apud omnes, licet non eaedem voces quantum ad sonum. Et ideo, cuiuscumque linguae verbis proferatur talis sensus, perficitur sacramentum. (IIIª q. 60 a. 7 ad 1)

1 — Zoals Augustinus zegt in zijn Verklaring van Johannes (80e Verh., Trakt. 80, Tom. 9), werken de woorden iets uit in de sacramenten, niet omdat ze worden uitgesproken, d. i. omdat de uiterlijke klank van de woorden weerklinkt, maar omdat men ze gelooft, d. i. omdat men door het geloof de betekenis van de woorden aanneemt. Die is dezelfde in alle talen, hoewel de woorden niet dezelfde klank hebben. In welke taal dan ook die betekenis wordt uitgedrukt, komen de sacramenten tot stand.

Ad secundum dicendum quod, licet in qualibet lingua contingat diversis vocibus idem significari, semper tamen aliqua illarum vocum est qua principalius et communius homines illius linguae utuntur ad hoc significandum. Et talis vox assumi debet in significatione sacramenti. Sicut etiam inter res sensibiles illa assumitur ad significationem sacramenti cuius usus est communior ad actum per quem sacramenti effectus significatur, sicut aqua communius utuntur homines ad ablutionem corporalem, per quam spiritualis ablutio significatur; et ideo aqua assumitur ut materia in Baptismo. (IIIª q. 60 a. 7 ad 2)

2 — Hoewel in ieder taal verschillende woorden dezelfde betekenis hebben, toch is er altijd een van die woorden, dat in een of andere taal op de voornaamste plaats en het meest gebruikt wordt om iets uit te drukken. Dit woord moet gebruikt worden om de betekenis van de sacramenten aan te duiden, zoals men onder de stoffelijke dingen datgene daartoe uitkiest, wat het meest gebruikt wordt voor de handeling, waardoor de uitwerking van het sacrament wordt aangeduid. Het water b. v. wordt het meest door de mensen gebruikt om het lichaam te reinigen, waardoor de geestelijke reiniging wordt aangeduid, en daarom wordt het water als stof gebruikt in het doopsel.

Ad tertium dicendum quod ille qui corrupte profert verba sacramentalia, si hoc ex industria facit, non videtur intendere facere quod facit Ecclesia, et ita non videtur perfici sacramentum. Si autem hoc faciat ex errore vel lapsu linguae, si sit tanta corruptio quae omnino auferat sensum locutionis, non videtur perfici sacramentum. Et hoc praecipue contingit quando fit corruptio ex parte principii dictionis, puta si, loco eius quod est in nomine patris, dicat, in nomine matris. Si vero non totaliter auferatur sensus locutionis per huiusmodi corruptelam, nihilominus perficitur sacramentum. Et hoc praecipue contingit quando fit corruptio ex parte finis, puta si aliquis dicat patrias et filias. Quamvis enim huiusmodi verba corrupte prolata nihil significent ex virtute impositionis, accipiuntur tamen ut significantia ex accommodatione usus. Et ideo, licet mutetur sonus sensibilis, remanet tamen idem sensus. Quod autem dictum est de differentia corruptionis circa principium vel finem dictionis, rationem habet quia apud nos variatio dictionis ex parte principii mutat significationem, variatio autem ex fine dictionis ut plurimum non mutat significationem. Quae tamen apud Graecos variatur etiam secundum principium dictionis in declinatione verborum. Magis tamen videtur attendenda quantitas corruptionis ex parte dictionis. Quia ex utraque parte potest esse tam parva quod non aufert sensum verborum, et tam magna, quod aufert. Sed unum horum facilius accidit ex parte principii, aliud ex parte finis. (IIIª q. 60 a. 7 ad 3)

3 — Wanneer iemand de sacramentele woorden moedwillig verminkt, dan heeft hij het inzicht niet om te doen wat de H. Kerk doet, en daarom zijn in dat geval de sacramenten ongeldig. Indien dat gebeurt bij vergissing of omdat men zich misspreekt, en de verminking Zó groot is, dat de betekenis van de woorden geheel verloren gaat, dan ook is er geen sacrament. Dit is meestal het geval wanneer men de wortel zelf van de woorden verandert, b. v. als men in de doopformule het woord mater (moeder) gebruikt in plaats van het woord pater (vader). Gaat door de verminking van de woorden de betekenis niet geheel verloren, dan is er een waar sacrament. En dit gebeurt meestal wanneer men het einde van de woorden verminkt, b. v. door te zeggen: « In nomine patrias et filias » (in plaats van: patris en: filii). Want ofschoon die verminkte woorden uit zichzelf geen betekenis hebben, toch hebben ze een betekenis verworven door het gebruik. En die betekenis blijft dezelfde, hoewel de klank van de woorden verandert. Het verschil tussen de verminking van de wortel of van het einde van de woorden komt hieruit voort, dat in het Latijn de verandering van de wortel de betekenis verandert; doch een verandering op het einde van de woorden verandert meestal het mede-betekende. In het Grieks echter verandert het mede-betekende ook wanneer men de wortel van de woorden verandert, nl. in de verbuigingen. Men moet er echter vooral op letten, in hoever de woorden verminkt worden want in beide gevallen kan die verminking zó gering zijn, dat ze de betekenis van de woorden niet wegneemt, of zó groot, dat ze het wel doet. Het ene geschiedt het meest door een verminking van de wortel van de woorden, het andere door een verminking op het einde van de woorden.

Articulus 8.
Is het Sacrament een teken?

Ad octavum sic proceditur. Videtur quod nihil liceat addere verbis in quibus consistit forma sacramentorum. Non enim minoris sunt necessitatis huiusmodi verba sacramentalia quam verba sacrae Scripturae. Sed verbis sacrae Scripturae nihil licet addere vel minuere, dicitur enim Deut. IV, non addetis ad verbum quod vobis loquor, nec auferetis ab eo; et Apoc. ult., contestor omni audienti verba prophetiae libri huius, si quis apposuerit ad haec, apponet super eum Deus plagas scriptas in libro isto; et si quis diminuerit, auferet Deus partem eius de libro vitae. Ergo videtur quod neque in formis sacramentorum liceat aliquid addere vel minuere. (IIIª q. 60 a. 8 arg. 1)

1 — Men beweert, dat men niets mag toevoegen aan de woorden, die de vorm zijn van de sacramenten. De sacramentele woorden immers zijn niet minder nodig dan de woorden van de Heilige Schrift. Welnu het is verboden aan de woorden van de Heilige Schrift iets toe te voegen of er iets van weg te laten. We lezen immers in Deuteronomium (4, 2): « Gij zult niets toevoegen aan Wat ik tot u gesproken heb, en gij zult er ook niets van weg laten ». En het Boek van de Openbaring zegt(22, 18-19): « Ik betuig aan ieder, die de woorden hoort van de profetie van dit boek: zo iemand er iets aan toevoegt, dan zal God hém toevoegen de plagen, die in dit boek beschreven Werden. En zo iemand iets afneemt van de woorden van dit boek van de profetie, dan zal God hém afnemen van zijn deel van de hoornen van de Levens. » Het is dus duidelijk, dat men ook aan de vorm van de sacramenten niets mag toevoegen of er niets van weg mag laten.

Praeterea, verba se habent in sacramentis per modum formae, ut dictum est. Sed in formis quaelibet additio vel subtractio variat speciem, sicut et in numeris, ut dicitur in VIII Metaphys. Ergo videtur quod, si aliquid addatur vel subtrahatur a forma sacramenti, non erit idem sacramentum. (IIIª q. 60 a. 8 arg. 2)

2 — De woorden zijn voor de sacramenten als de vorm er van, zoals (in het vorig Artikel) gezegd werd. Welnu wanneer men aan een vorm iets toevoegt of er iets van weg laat, dan verandert de soort, zoals het ook gebeurt voor de getallen, zoals gezegd wordt in het 8e Boek van de Metafysica (7e B., 3e H., ne 8). Wanneer men dus iets toevoegt aan de vorm van de sacramenten of er iets van weg laat, dan is het niet meer hetzelfde sacrament.

Praeterea, sicut ad formam sacramenti determinatus numerus dictionum requiritur, ita etiam requiritur determinatus ordo verborum, et etiam orationis continuitas. Si ergo additio vel subtractio non aufert sacramenti veritatem, videtur quod pari ratione nec transpositio verborum, aut etiam interpolatio pronuntiationis. (IIIª q. 60 a. 8 arg. 3)

3 — Zoals tot de vorm van de sacramenten een zeker getal uitspraken nodig is, zo ook is er een bepaalde volgorde vereist, alsook dat de woorden worden uitgesproken zonder onderbreking. Indien dus toevoeging of weglating de geldigheid van de sacramenten niet wegneemt, dan zal om dezelfde reden ook de verplaatsing van de woorden of het inschakelen van andere woorden die geldigheid niet wegnemen.

Sed contra est quod in formis sacramentorum quaedam apponuntur a quibusdam quae ab aliis non ponuntur, sicut Latini baptizant sub hac forma, ego te baptizo in nomine patris et filii et spiritus sancti; Graeci autem sub ista, baptizatur servus Christi n. in nomine patris, et cetera. Et tamen utrique verum conferunt sacramentum. Ergo in formis sacramentorum licet aliquid addere vel minuere. (IIIª q. 60 a. 8 s. c.)

Daartegenover echter staat, dat in de vorm van de sacramenten sommige woorden hier voorkomen, elders niet voorkomen. Zo doopt men in de Latijnse ritus door de woorden: « Ik doop u in de naam van de Vader, van de Zoon, en van de Heilige Geest. » In de Griekse ritus echter doopt men door de woorden: « De dienaar van Christus N... weze gedoopt in de naam van de Vader, enz. » en toch wordt het doopsel in beide gevallen op geldige wijze toegediend. Het is dus wel toegelaten iets aan de vorm van de sacramenten toe te voegen of er iets van weg te laten.

Respondeo dicendum quod circa omnes istas mutationes quae possunt in formis sacramentorum contingere, duo videntur esse consideranda. Unum quidem ex parte eius qui profert verba, cuius intentio requiritur ad sacramentum, ut infra dicetur. Et ideo, si intendat per huiusmodi additionem vel diminutionem alium ritum inducere qui non sit ab Ecclesia receptus, non videtur perfici sacramentum, quia non videtur quod intendat facere id quod facit Ecclesia. Aliud autem est considerandum ex parte significationis verborum. Cum enim verba operentur in sacramentis quantum ad sensum quem faciunt, ut supra dictum est, oportet considerare utrum per talem mutationem tollatur debitus sensus verborum, quia sic manifestum est quod tollitur veritas sacramenti. Manifestum est autem quod, si diminuatur aliquid eorum quae sunt de substantia formae sacramentalis, tollitur debitus sensus verborum, et ideo non perficitur sacramentum. Unde Didymus dicit, in libro de spiritu sancto, si quis ita baptizare conetur ut unum de praedictis nominibus praetermittat, scilicet patris et filii et spiritus sancti, sine perfectione baptizabit. Si autem subtrahatur aliquid quod non sit de substantia formae, talis diminutio non tollit debitum sensum verborum, et per consequens nec sacramenti perfectionem. Sicut in forma Eucharistiae, quae est, hoc est enim corpus meum, ly enim sublatum non tollit debitum sensum verborum, et ideo non impedit perfectionem sacramenti, quamvis possit contingere quod ille qui praetermittit, peccet ex negligentia vel contemptu. Circa additionem etiam contingit aliquid apponi quod est corruptivum debiti sensus, puta si aliquis dicat, ego te baptizo in nomine patris maioris et filii minoris, sicut Ariani baptizabant. Et ideo talis additio tollit veritatem sacramenti. Si vero sit talis additio quae non auferat debitum sensum, non tollitur sacramenti veritas. Nec refert utrum talis additio fiat in principio, medio vel fine. Ut, si aliquis dicat, ego te baptizo in nomine Dei patris omnipotentis, et filii eius unigeniti, et spiritus sancti Paracleti, erit verum Baptisma. Et similiter, si quis dicat, ego te baptizo in nomine patris et filii et spiritus sancti, et beata virgo te adiuvet, erit verum Baptisma. Forte autem si diceret, ego te baptizo in nomine patris et filii et spiritus sancti et beatae virginis Mariae, non esset Baptismus, quia dicitur I Cor. I, nunquid Paulus pro vobis crucifixus est? Aut in nomine Pauli baptizati estis? Sed hoc verum est si sic intelligatur in nomine beatae virginis baptizari sicut in nomine Trinitatis, quo Baptismus consecratur, talis enim sensus esset contrarius verae fidei, et per consequens tolleret veritatem sacramenti. Si vero sic intelligatur quod additur, et in nomine beatae virginis, non quasi nomen beatae virginis aliquid operetur in Baptismo, sed ut eius intercessio prosit baptizato ad conservandam gratiam baptismalem, non tollitur perfectio sacramenti. (IIIª q. 60 a. 8 co.)

In al de veranderingen, die aan de vorm van de sacramenten kunnen worden aangebracht, moeten we twee dingen beschouwen. Het eerste heeft betrekking op hem, die de woorden uitspreekt, en wiens inzicht vereist wordt voor de geldigheid van de sacramenten, zoals later zal worden aangetoond (64e Kw., Art. 8). Is het zijn bedoeling om, door iets toe te voegen of weg te laten, een andere ritus in te voeren die niet door de H. Kerk erkend wordt, dan is het sacrament ongeldig, want in dat geval heeft de bedienaar de bedoeling niet, om te doen wat de Kerk doet. Het tweede wat men moet beschouwen, heeft betrekking op de betekenis van de woorden. In de sacramenten immers bewerken de woorden datgene wat ze betekenen, zoals vroeger gezegd werd (vorig Artikel: 1e Antw.). Men moet dus nagaan of de vereiste betekenis van de woorden door de aangebrachte verandering wordt weggenomen, want in dat geval is het duidelijk, dat het sacrament ongeldig is. Daarom zegt Didymus in zijn Boek Over de Heiligen Geest (2e B.; onder de werken, die aan Hieronymus worden toegeschreven): « Als iemand bij het dopen een van die namen moest weglaten (nl. van de Vader, de Zoon of de Heilige Geest) dan is het doopsel ongeldig ». Doch als men iets weglaat wat niet toebehoort tot de zelfstandigheid van de vorm, dan neemt die weglating de vereiste betekenis van de woorden niet weg, en verhindert dit niet de geldigheid van het sacrament. De Eucharistische vorm b. v. is: « Want dit is mijn lichaam », moest men het woordje « want » overslaan, dan neemt men de vereiste betekenis van de woorden niet weg en wordt bijgevolg de geldigheid van het sacrament niet verhinderd, alhoewel hij die de woorden overslaat, kan zondigen door zorgeloosheid of misprijzen. Gaat het over een toevoeging, dan kan het ook gebeuren, dat men de betekenis wegneemt, zoals wanneer iemand moest zeggen: « ik doop u in de naam van de grotere Vader, en van de kleinere Zoon » zoals de Arianen deden. Zulke toevoeging maakt het sacrament dan ook ongeldig. Wanneer echter de toevoeging de vereiste betekenis niet wegneemt, dan blijft het sacrament geldig. Het komt er ook niet op aan, of er iets toegevoegd wordt in het begin, in het middenn, of op het einde van de woorden. Moest b. v. iemand zeggen: « Ik doop u in de naam van God de Vader almachtig, van de eniggeboren Zoon, en van de Heilige Geest de trooster », dan zou het sacrament geldig zijn. En insgelijks wanneer iemand zegt: « Ik doop u in de naam van de Vader, en van de Zoon en van de Heilige Geest, en de gelukzalige Maagd helpe u dan is het een waarachtig doopsel. Moest echter iemand zeggen: « Ik doop u in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, en van de gelukzalige Maagd Maria », dan zou het doopsel waarschijnlijk ongeldig zijn, want er staat geschreven in de 1e Brief aan de Korintiërs (1, 13): « Is Paulus soms voor u gekruisigd, of zijt ge in zijn naam gedoopt? Die woorden zouden hier toepasselijk zijn, als men het zo begreep, dat het doopsel wordt toegediend in de naam van de Heilige Maagd, op dezelfde wijze als in de naam van de Heilige Drievuldigheid, waardoor het doopsel kracht verkrijgt, want die betekenis zou strijdig zijn met het ware geloof en zou bijgevolg de geldigheid van het sacrament verhinderen. Wanneer men die toevoeging echter zo verstaat, dat de naam van de Heilige Maagd niets uitwerkt in het doopsel, maar opdat hare voorspraak de gedoopte helpen zou om de genade van het doopsel te bewaren, dan zou het doopsel geldig voltrokken worden.

Ad primum ergo dicendum quod verbis sacrae Scripturae non licet aliquid apponere quantum ad sensum, sed quantum ad expositionem sacrae Scripturae, multa verba eis a doctoribus apponuntur. Non tamen licet etiam verba sacrae Scripturae apponere ita quod dicantur esse de integritate sacrae Scripturae, quia hoc esset vitium falsitatis. Et similiter si quis diceret aliquid esse de necessitate formae quod non est. (IIIª q. 60 a. 8 ad 1)

1 — Men mag aan de woorden van de Heilige Schrift niets toevoegen, wat de betekenis zou veranderen; doch om de Heilige Schrift te verklaren werd er door de leeraren veel aan toegevoegd. Ook mag men niet beweren, dat wat men aan de Heilige Schrift toevoegt, tot de Schrift zelf behoort, want, dan zou men ze vervalsen. Zo ook zou het een vervalsing zijn, wanneer men beweerde dat sommige woorden, die tot de vorm van de sacramenten niet behoren, er een noodzakelijk bestanddeel van zijn.

Ad secundum dicendum quod verba pertinent ad formam sacramenti ratione sensus significati. Et ideo, quaecumque fiat additio vel subtractio vocum quae non addat aliquid aut subtrahat debito sensui, non tollitur species sacramenti. (IIIª q. 60 a. 8 ad 2)

2 — De woorden behoren tot de vorm van de sacramenten in zover ze de betekenis verduidelijken. Wanneer men dus woordende weglaat of toevoegt, die de betekenis volstrekt niet veranderen, dan blijft de natuur van het sacrament ongeschonden.

Ad tertium dicendum quod, si sit tanta interruptio verborum quod intercipiatur intentio pronuntiantis, tollitur sensus sacramenti, et per consequens veritas eius. Non autem tollitur quando est parva interruptio proferentis, quae intentionem et intellectum non aufert. Et idem etiam dicendum est de transpositione verborum. Quia, si tollit sensum locutionis, non perficitur sacramentum, sicut patet de negatione praeposita vel postposita signo. Si autem sit talis transpositio quae sensum locutionis non variat, non tollitur veritas sacramenti, secundum quod philosophus dicit quod nomina et verba transposita idem significant. (IIIª q. 60 a. 8 ad 3)

3 — Wanneer de onderbreking het inzicht van de bedienaar doet verloren gaan, dan vervalt ook de geldigheid van het sacrament. niet echter wanneer de onderbreking noch het inzicht van de bedienaar, noch de betekenis van de woorden wegneemt. Hetzelfde mag gezegd worden van de plaatsing van de woorden; wordt de betekenis van de woorden er door weggenomen dan is het sacrament ongeldig zoals blijkt als men de sacramentele formule doet voorafgaan of doet volgen door een ontkenning. wordt door de verplaatsing de betekenis niet veranderd, dan blijft het sacrament geldig, omdat, zoals de wijsgeer zegt in het IIe Boek van zijn werk « Over het Oordeel » (10e H., nr 13), namen en woorden, die verplaatst worden, dezelfde betekenis behouden.