Tertia Pars. Quaestio 78. Over de vorm van dit Sacrament .
Prooemium
Deinde considerandum est de forma huius sacramenti. Et circa hoc quaeruntur sex. Primo,
quae sit forma huius sacramenti. Secundo, utrum sit conveniens forma consecrationis
panis. Tertio, utrum sit conveniens forma consecrationis sanguinis. Quarto, de virtute
utriusque formae. Quinto, de veritate locutionis. Sexto, de comparatione unius formae
ad aliam. (IIIa q. 78 pr.)
Vervolgens dient de vorm van dit Sacrament te worden beschouwd. Hieromtrent stellen
wij zes vragen. 1. Wat is de vorm van dit Sacrament? 2. Is de vorm van de consecratie
van het brood geschikt? 3. Is de vorm van de consecratie van het Bloed geschikt? 4.
Over de kracht van de twee vormen. 5. Over de waarheid van het erin gezegde. 6. Over
de vergelijking van de ene vorm met de andere.
Articulus 1. Is de vorm van dit Sacrament: Dit is Mijn Lichaam, en: Dit is de kelk van Mijn Bloed?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod haec non sit forma huius sacramenti, hoc est
corpus meum, et, hic est calix sanguinis mei. Illa enim verba videntur pertinere ad
formam sacramenti quibus Christus corpus suum et sanguinem consecravit. Sed Christus
ante benedixit panem acceptum, et postea dixit, accipite et comedite, hoc est corpus
meum, ut habetur Matth. XXVI; et similiter fecit de calice. Ergo praedicta verba non
sunt forma huius sacramenti. (IIIa q. 78 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de vorm van dit Sacrament niet is: « Dit is Mijn Lichaam », en: «
Dit is de kelk van Mijn Bloed ». Immers schijnen tot de vorm van het Sacrament die
woorden te behoren, waardoor Christus Zijn Lichaam en Bloed heeft geconsacreerd. Welnu,
Christus heeft eerst het brood genomen en het gezegend en daarna pas gezegd: « Neemt
en eet: Dit is Mijn Lichaam », zoals men vindt bij Mattheus (26. 26); en hetzelfde
heeft Hij met de kelk gedaan. Dus zijn genoemde woorden niet de vorm van dit Sacrament.
Praeterea, Eusebius Emesenus dicit quod invisibilis sacerdos visibiles creaturas in
suum corpus convertit, dicens, accipite et comedite, hoc est corpus meum. Ergo totum
hoc videtur pertinere ad formam sacramenti. Et eadem ratio est de verbis pertinentibus
ad sanguinem. (IIIa q. 78 a. 1 arg. 2)
2 — Eusebius Emesenus zegt, dat « de onzichtbare Priester zichtbare dingen van deze wereld
in Zijn Lichaam verandert, zeggende: Neemt en eet, Dit is Mijn Lichaam ». Dus schijnt
dit hele gezegde tot de vorm van het Sacrament te behoren. En hetzelfde geldt van
de woorden, die het Bloed betreffen.
Praeterea, in forma Baptismi exprimitur persona ministri et actus eius, cum dicitur,
ego te baptizo. Sed in praemissis verbis nulla fit mentio de persona ministri, nec
de actu eius. Ergo non est conveniens forma sacramenti. (IIIa q. 78 a. 1 arg. 3)
3 — In de vorm van het doopsel wordt de persoon en de handeling van de bedienaar uitgedrukt
met de woorden: « Ik doop in ». Nu wordt er in de aangegeven woorden volstrekt geen
melding gemaakt van de persoon van de bedienaar noch van zijn handeling. Dus is dat
geen geschikte vorm van het sacrament.
Praeterea, forma sacramenti sufficit ad perfectionem sacramenti, unde sacramentum
Baptismi quandoque perfici potest solis verbis formae prolatis, et omnibus aliis praetermissis.
Si ergo praedicta verba sunt forma huius sacramenti, videtur quod aliquando possit
hoc sacramentum perfici his solis verbis prolatis, et omnibus aliis praetermissis
quae in Missa dicuntur. Quod tamen videtur esse falsum, quia, ubi verba alia praetermitterentur,
praedicta verba acciperentur ex persona sacerdotis proferentis, in cuius corpus et
sanguinem panis et vinum non convertuntur. Non ergo praedicta verba sunt forma huius
sacramenti. (IIIa q. 78 a. 1 arg. 4)
4 — De vorm van een sacrament volstaat voor het tot stand komen van het sacrament: daarom
is het mogelijk, dat het sacrament van het doopsel weleens wordt voltrokken door de
woorden van de vorm alleen, met weglating van alle andere. Indien dus genoemde woorden
de vorm van dit Sacrament zijn, schijnt het mogelijk, dat dit Sacrament weleens wordt
voltrokken door deze woorden alleen, met weglating van alle andere, die in de Mis
gezegd worden. Dit echter schijnt vals te zijn: immers bij weglating van de andere
woorden zouden genoemde woorden verstaan worden volgens de persoon van de priester,
die ze uitspreekt — in wiens lichaam en bloed het brood en de wijn niet veranderd
worden. Dus zijn genoemde woorden niet de vorm van dit Sacrament.
Sed contra est quod Ambrosius dicit, in libro de sacramentis, consecratio fit verbis
et sermonibus domini Iesu. Nam per reliqua omnia quae dicuntur, laus Deo defertur,
oratione petitur pro populo, pro regibus, pro ceteris. Ubi autem sacramentum conficitur,
iam non suis sermonibus sacerdos utitur, sed utitur sermonibus Christi. Ergo sermo
Christi hoc conficit sacramentum. (IIIa q. 78 a. 1 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat Ambrosius zegt: « De consecratie gebeurt door de woorden
en uitdrukkingen van de Heer Jesus. Want in al de andere woorden, die gesproken worden,
wordt aan God lof gebracht en wordt met smeekgebed gevraagd voor het volk, voor de
koningen, voor allen. Maar als het Sacrament wordt voltrokken, dan gebruikt de priester
niet meer zijn eigen woorden, maar gebruikt hij de woorden van Christus. Dus is het
het woord van Christus, dat het Sacrament voltrekt ».
Respondeo dicendum quod hoc sacramentum ab aliis sacramentis differt in duobus. Primo
quidem quantum ad hoc, quod hoc sacramentum perficitur in consecratione materiae,
alia vero sacramenta perficiuntur in usu materiae consecratae. Secundo, quia in aliis
sacramentis consecratio materiae consistit solum in quadam benedictione, ex qua materia
consecrata accipit instrumentaliter quandam spiritualem virtutem, quae per ministrum,
qui est instrumentum animatum, potest ad instrumenta inanimata procedere. Sed in hoc
sacramento consecratio materiae consistit in quadam miraculosa conversione substantiae,
quae a solo Deo perfici potest. Unde minister in hoc sacramento perficiendo non habet
alium actum nisi prolationem verborum. Et quia forma debet esse conveniens rei, ideo
forma huius sacramenti differt a formis aliorum sacramentorum in duobus. Primo quidem,
quia formae aliorum sacramentorum important usum materiae, puta baptizationem vel
consignationem, sed forma huius sacramenti importat solam consecrationem materiae,
quae in transubstantiatione consistit; puta cum dicitur, hoc est corpus meum, vel,
hic est calix sanguinis mei. Secundo, quia formae aliorum sacramentorum proferuntur
ex persona ministri, sive per modum exercentis actum, sicut cum dicitur, ego te baptizo,
vel, ego te confirmo; sive per modum imperantis, sicut in sacramento ordinis dicitur,
accipe potestatem, etc.; sive per modum deprecantis, sicut cum in sacramento extremae
unctionis dicitur, per istam unctionem et nostram intercessionem, et cetera. Sed forma
huius sacramenti profertur ex persona ipsius Christi loquentis, ut detur intelligi
quod minister in perfectione huius sacramenti nihil agit nisi quod profert verba Christi. (IIIa q. 78 a. 1 co.)
Dit Sacrament verschilt van de andere sacramenten in twee opzichten. Vooreerst voorzover
dit Sacrament voltrokken wordt bij de consecratie van de stof, terwijl de andere sacramenten
voltrokken worden bij het gebruik van de geconsecreerde stof. — Ten tweede voorzover
de consecratie van de stof bij de andere sacramenten alleen maar bestaat in een zekere
zegening, waardoor de geconsecreerde stof een soort geestelijke werktuigelijke kracht
ontvangt, die door de bedienaar, het bezielde werktuig, naar de onbezielde werktuigen
kan toevloeien. Maar bij dit Sacrament bestaat de consecratie van de stof in een wonderbare
verandering van de zelfstandigheid, die alleen door God tot stand gebracht kan worden.
Daarom heeft de bedienaar bij het tot stand brengen van dit Sacrament geen andere
handeling dan het uitspreken van de woorden. En omdat nu de vorm moet passen bij het
ding, daarom verschilt de vorm van dit Sacrament in twee opzichten van de vormen der
andere sacramenten. Vooreerst voorzover de vormen van de andere sacramenten het gebruik
van de stof aangeven b.v. het dopen of het tekenen, terwijl de vorm van dit Sacrament
alleen maar de consecratie van de stof, die een zelfstandigheidsverandering is, aangeeft,
met de woorden: « Dit is Mijn Lichaam » of « Dit is de kelk van Mijn Bloed ». — Ten
tweede voorzover de vormen van de andere sacramenten worden uitgesproken in de persoon
van de bedienaar, hetzij als handelend b.v. bij de woorden: « Ik doop u » of « Ik
vorm u », hetzij als bevelend, zoals bij het sacrament van het priesterschap wordt
gezegd: « Ontvang de macht » enz., hetzij als smeekend, zoals wanneer bij het sacrament
van het laatste oliesel wordt gezegd: « Door deze zalfving en onze tusschenkomst »
enz. Maar de vorm van dit Sacrament wordt gebezigd in de persoon van Christus Zelf,
die spreekt, opdat zo te verstaan gegeven worde, dat de bedienaar bij het tot stand
brengen van dit Sacrament niets doet dan alleen maar de woorden van Christus bezigen.
Ad primum ergo dicendum quod circa hoc est multiplex opinio. Quidam enim dixerunt
quod Christus, qui habebat potestatem excellentiae in sacramentis, absque omni forma
verborum hoc sacramentum perfecit; et postea verba protulit sub quibus alii postea
consecrarent. Quod videntur sonare verba Innocentii III dicentis, sane dici potest
quod Christus virtute divina confecit, et postea formam expressit sub qua posteri
benedicerent. Sed contra hoc expresse sunt verba Evangelii, in quibus dicitur quod
Christus benedixit, quae quidem benedictio aliquibus verbis facta est. Unde praedicta
verba Innocentii sunt opinative magis dicta quam determinative. Quidam autem dixerunt
quod benedictio illa facta est quibusdam aliis verbis nobis ignotis. Sed nec hoc stare
potest. Quia benedictio consecrationis nunc perficitur per recitationem eorum quae
tunc acta sunt. Unde, si tunc per haec verba non est facta consecratio, nec modo fieret.
Et ideo alii dixerunt quod illa benedictio eisdem etiam verbis facta est quibus modo
fit, sed Christus ea bis protulit, primo quidem secreto, ad consecrandum; secundo
manifeste, ad instruendum. Sed nec hoc stare potest. Quia sacerdos consecrat proferens
haec verba, non ut a Christo in occulta benedictione dicta, sed ut publice prolata.
Unde, cum non habeant vim huiusmodi verba nisi ex Christi prolatione, videtur quod
etiam Christus manifeste ea proferens consecraverit. Et ideo alii dixerunt quod Evangelistae
non semper eundem ordinem in recitando servaverunt quo res sunt gestae, ut patet per
Augustinum, in libro de consensu Evangelistarum. Unde intelligendum est ordinem rei
gestae sic exprimi posse, accipiens panem, benedixit dicens, hoc est corpus meum,
et deinde fregit et dedit discipulis suis. Sed idem sensus potest esse in verbis Evangelii
non mutatis. Nam hoc participium dicens concomitantiam quandam importat verborum prolatorum
ad ea quae praecedunt. Non autem oportet quod haec concomitantia intelligatur solum
respectu verbi ultimi prolati, quasi Christus tunc ista verba protulerit quando dedit
discipulis suis, sed potest intelligi concomitantia respectu totius praecedentis,
ut sit sensus, dum benediceret et frangeret et daret discipulis suis, haec verba dixit,
accipite et cetera. (IIIa q. 78 a. 1 ad 1)
1 — Hierover zijn vele meningen. Sommigen immers hebben beweerd, dat Christus, die een
voorrang van bediening in zake de sacramenten bezat, zonder een enkel woord als vorm
dit Sacrament heeft voltrokken en dat Hij daarna de woorden heeft gezegd, waarmee
anderen later zouden consecreren. Dat schijnt de bedoeling te zijn van de woorden
van Innocentius III, die zegt: « Zonder twijfel kan men beweren, dat Christus door
goddelijke kracht de Eucharistie heeft voltrokken en dat Hij daarna de vorm heeft
uitgesproken, die het nageslacht zou dienen tot zegenspreuk ». Maar hiertegen zijn
heel duidelijk de woorden van het Evangelie, in welke gezegd wordt, dat Christus zegende,
wat met woorden moet zijn gebeurd. Voornoemde woorden van Innocentius zijn daarom
méér bij wijze van gissing dan als beslissende uitspraak naar voren gebracht. — Sommigen
hebben dan beweerd, dat die zegening gebeurd is met enige andere, ons onbekende, woorden.
Maar ook dat kan geen stand houden, omdat de zegening van de consecratie nu voltrokken
wordt door het verhaal van wat toen is geschied; gesteld dus dat door deze woorden
de consecratie toen niet heeft plaats gehad, dan ook nu niet. — Daarom hebben anderen
gezegd, dat die zegening heeft plaats gehad met juist dezelfde woorden als nu, maar
dat Christus ze tweemaal heeft gesproken, eerst zacht om te consecreren, daarna luidop
om ons te leren. Doch ook dat kan geen stand houden, want de priester consecreert
door deze woorden uit te spreken, niet als door Christus bij een geheime zegening
gebezigd, maar als openlijk gezegd. Gegeven dus dat deze woorden geen kracht hebben
dan alleen maar uit het gebruik ervan door Christus, schijnt ook Christus geconsecreerd
te hebben door het luidop uitspreken van deze woorden. — Anderen dan ook hebben gezegd,
dat de evangelisten bij het verhalen niet altijd dezelfde orde in acht hebben genomen,
als waarin de dingen gebeurd zijn, zoals blijkt bij Augustinus. Men kan zich daarom
de orde der gebeurtenissen aldus uitgedrukt denken: «Het brood nemende zegende Hij
het, zeggende: «Dit is Mijn Lichaam», en daarna brak Hij het en gaf Hij het aan Zijn
leerlingen». Men kan evenwel dezelfde zin krijgen, óók zonder verandering van de woorden
van het Evangelie. Want dit deelwoord «zeggende» geeft een zekere gelijktijdigheid
aan van de gesproken woorden met datgene wat voorafgaat. Nu is het niet nodig deze
gelijktijdigheid alleen maar te verstaan ten opzichte van het laatst uitgesproken
woord, alsof Christus die woorden heeft gesproken, toen Hij ronddeelde: men kan de
gelijktijdigheid ook verstaan ten opzichte van alles wat voorafging, zodat de zin
wordt: Terwijl Hij zegende, brak en aan Zijn leerlingen gaf, zeide Hij deze woorden:
«Neemt» enz.
Ad secundum dicendum quod in his verbis, accipite et comedite, intelligitur usus materiae
consecratae, qui non est de necessitate huius sacramenti, ut supra habitum est. Et
ideo nec haec verba sunt de substantia formae. Quia tamen ad quandam perfectionem
sacramenti pertinet materiae consecratae usus, sicut operatio non est prima, sed secunda
perfectio rei; ideo per omnia haec verba exprimitur tota perfectio huius sacramenti.
Et hoc modo Eusebius intellexit his verbis confici sacramentum, quantum ad primam
et secundam perfectionem ipsius. (IIIa q. 78 a. 1 ad 2)
2 — Deze woorden «Neemt en eet» geven het gebruik aan van de geconsacreerde stof, dat
niet tot het wezen van dit Sacrament behoort, zoals boven is uiteengezet (74° Kw.
7° Art.). Daarom behoren deze woorden ook niet tot het wezen van de vorm. Omdat echter
het gebruik van de geconsacreerde stof een zekere volkomenheid van het Sacrament inhoudt,
zoals de werking van een ding niet zijn eerste maar zijn tweede volkomenheid is, daarom
wordt door al die woorden tezamen heel de volkomenheid van dit Sacrament uitgedrukt:
en op die manier heeft Eusebius bedoeld, dat door deze woorden het Sacrament voltrokken
wordt wat betreft zijn eerste én tweede volkomenheid.
Ad tertium dicendum quod in sacramento Baptismi minister aliquem actum exercet circa
usum materiae, qui est de essentia sacramenti, quod non est in hoc sacramento. Et
ideo non est similis ratio. (IIIa q. 78 a. 1 ad 3)
3 — Bij het sacrament des doopsels verricht de bedienaar een handeling met betrekking
tot het gebruik van de stof, dat tot het wezen van het sacrament behoort. Dit laatste
is echter niet het geval in dit sacrament en dus gaat de vergelijking niet op.
Ad quartum dicendum quod quidam dixerunt hoc sacramentum perfici non posse praedictis
verbis prolatis et aliis praetermissis, praecipue quae sunt in canone Missae. Sed
hoc patet esse falsum. Tum ex verbis Ambrosii supra inductis. Tum etiam quia canon
Missae non est idem apud omnes, nec secundum omnia tempora, sed diversa sunt a diversis
apposita. Unde dicendum est quod, si sacerdos sola verba praedicta proferret cum intentione
conficiendi hoc sacramentum, perficeretur hoc sacramentum, quia intentio faceret ut
haec verba intelligerentur quasi ex persona Christi prolata, etiam si verbis praecedentibus
hoc non recitaretur. Graviter tamen peccaret sacerdos sic conficiens hoc sacramentum,
utpote ritum Ecclesiae non servans. Nec est simile de Baptismo, quod est sacramentum
necessitatis, defectum autem huius sacramenti potest supplere spiritualis manducatio,
ut Augustinus dicit. (IIIa q. 78 a. 1 ad 4)
4 — Sommigen hebben beweerd, dat dit sacrament niet kan voltrokken worden door het uitspreken
van de genoemde woorden met weglating van de andere, vooral van die, welke in de canon
van de Mis staan. Maar dit blijkt onjuist te zijn, zowel uit de boven aangehaalde
woorden van Ambrosius (in de Tegenbed.), alsook omdat de canon van de Mis niet bij
allen en in alle tijden dezelfde is, maar er door verschillende mensen verschillende
toevoegingen zijn gedaan. Derhalve moet men zeggen, dat wanneer de priester alleen
maar de genoemde woorden zou uitspreken met de bedoeling dit sacrament te voltrekken,
dit sacrament zou voltrokken worden, omdat de bedoeling zou maken, dat deze woorden
de zin zouden hebben van gezegd te worden in de persoon van Christus, ook al zou dit
niet aangegeven worden door de voorafgaande woorden; maar de priester, die zo dit
sacrament voltrok, zou zwaar zondigen wegens niet onderhouden van de ritus van de
Kerk. De vergelijking met het doopsel gaat niet op, omdat het doopsel een noodzakelijk
sacrament is, terwijl in de afwezigheid van dit sacrament het geestelijk eten kan
voorzien, zoals Augustinus zegt.
Articulus 2. Is dit een geschikte vorm van de consecratie van het brood: Dit is Mijn Lichaam?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod haec non sit conveniens forma consecrationis
panis, hoc est corpus meum. Per formam enim sacramenti debet exprimi sacramenti effectus.
Sed effectus qui fit in consecratione panis, est conversio substantiae panis in corpus
Christi, quae magis exprimitur per hoc verbum fit, quam per hoc verbum est. Ergo in
forma consecrationis deberet dici, hoc fit corpus meum. (IIIa q. 78 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat dit niet een geschikte vorm van de consecratie van het brood is:
« Dit is Mijn Lichaam ». Door de vorm van een sacrament moet immers het uitwerksel
van het sacrament worden uitgedrukt. Nu is het uitwerksel, dat bij de consecratie
van het brood tot stand komt, de verandering van de zelfstandigheid van het brood
in het Lichaam van Christus, welke verandering beter uitgedrukt wordt door het woord
« wordt » dan door het woord « is ». Dus moest in de vorm van de consecratie gezegd
worden: « Dit wordt Mijn Lichaam ».
Praeterea, Ambrosius dicit, in libro de sacramentis, sermo Christi hoc conficit sacramentum.
Quis sermo Christi? Hic quo facta sunt omnia, jussit dominus et facta sunt caeli et
terra. Ergo et forma huius sacramenti convenientior esset per verbum imperativum,
ut diceretur, hoc sit corpus meum. (IIIa q. 78 a. 2 arg. 2)
2 — Ambrosius zegt: « Het woord van Christus voltrekt dit Sacrament. Welk woord van Christus?
Datgene waardoor alle dingen gemaakt zijn. De Heer beval en de hemelen en de aarde
zijn gemaakt ». Dus zou het ook voor de vorm van dit Sacrament geschikter zijn, als
de bevelende wijs werd gebruikt b.v. als er gezegd werd: « Dit zij Mijn Lichaam ».
Praeterea, per subiectum huius locutionis importatur illud quod convertitur, sicut
per praedicatum importatur conversionis terminus. Sed, sicut est determinatum id in
quod fit conversio, non enim fit conversio nisi in corpus Christi; ita est determinatum
id quod convertitur, non enim convertitur in corpus Christi nisi panis. Ergo, sicut
ex parte praedicati ponitur nomen, ita ex parte subiecti debet poni nomen, ut dicatur,
hic panis est corpus meum. (IIIa q. 78 a. 2 arg. 3)
3 — Het onderwerp van deze zin houdt het veranderende ding in, terwijl het gezegde het
eindpunt van de verandering inhoudt. Zoals nu datgene bepaald is, waarop de verandering
uitloopt (de verandering immers loopt alleen maar uit op het Lichaam van Christus),
zo is ook het veranderde ding bepaald (immers alleen het brood verandert in het Lichaam
van Christus). Zoals derhalve in het gezegde een naamwoord wordt gebruikt, zo moest
ook bij het onderwerp een naamwoord gebruikt worden door b.v. te zeggen: « Dit brood
is Mijn Lichaam ».
Praeterea, sicut id in quod terminatur conversio est determinatae naturae, quia est
corpus; ita etiam est determinatae personae. Ergo, ad determinandam personam, debet
dici, hoc est corpus Christi. (IIIa q. 78 a. 2 arg. 4)
4 — Datgene, waarin de verandering eindigt, heeft een bepaalde natuur (het is immers een
Lichaam), maar het behoort ook tot een bepaalde Persoon. Zoals er derhalve « Lichaam
» gezegd wordt om de natuur aan te geven, zo moest er ook om de Persoon aan te geven
gezegd worden: « Dit is het Lichaam van Christus ».
Praeterea, in verbis formae non debet poni aliquid quod non sit de substantia eius.
Inconvenienter ergo additur in quibusdam libris haec coniunctio enim, quae non est
de substantia formae. (IIIa q. 78 a. 2 arg. 5)
5 — In de woorden van de vorm moet niet iets gezegd worden, wat niet tot het wezen ervan
behoort. Dus is het verkeerd, dat in sommige boeken de toevoeging « want » gedaan
wordt, welke niet tot het wezen van de vorm behoort.
Sed contra est quod dominus hac forma in consecrando est usus, ut patet Matth. XXVI. (IIIa q. 78 a. 2 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat de Heer bij het consacreren deze vorm heeft gebruikt,
zoals blijkt bij Mattheus (26. 26).
Respondeo dicendum quod haec est conveniens forma consecrationis panis. Dictum est
enim quod haec consecratio consistit in conversione substantiae panis in corpus Christi.
Oportet autem formam sacramenti significare id quod in sacramento efficitur. Unde
et forma consecrationis panis debet significare ipsam conversionem panis in corpus
Christi. In qua tria considerantur, scilicet ipsa conversio, et terminus a quo, et
terminus ad quem. Conversio autem potest considerari dupliciter, uno modo, ut in fieri;
alio modo, ut in facto esse. Non autem debuit significari conversio in hac forma ut
in fieri, sed ut in facto esse. Primo quidem, quia haec conversio non est successiva,
ut supra habitum est, sed instantanea, in huiusmodi autem mutationibus fieri non est
nisi factum esse. Secundo, quia ita se habent formae sacramentales ad significandum
effectum sacramenti, sicut se habent formae artificiales ad repraesentandum effectum
artis. Forma autem artificialis est similitudo ultimi effectus in quem fertur intentio
artificis, sicut forma artis in mente aedificatoris est forma domus aedificatae principaliter,
aedificationis autem per consequens. Unde et in hac forma debet exprimi conversio
ut in facto esse, ad quod fertur intentio. Et quia ipsa conversio exprimitur in hac
forma ut in facto esse, necesse est quod extrema conversionis significentur ut se
habent in facto esse conversionis. Tunc autem terminus in quem habet propriam naturam
suae substantiae, sed terminus a quo non manet secundum suam substantiam, sed solum
secundum accidentia, quibus sensui subiacet, et ad sensum determinari potest. Unde
convenienter terminus conversionis a quo exprimitur per pronomen demonstrativum relatum
ad accidentia sensibilia, quae manent. Terminus autem ad quem exprimitur per nomen
significans naturam eius in quod fit conversio, quod quidem est totum corpus Christi,
et non sola caro eius, ut dictum est. Unde haec forma est convenientissima, hoc est
corpus meum. (IIIa q. 78 a. 2 co.)
Dit is een geschikte vorm van de consecratie van het brood. Er is immers gezegd (vorig
Art.), dat deze consecratie bestaat in de verandering van de zelfstandigheid van het
brood in het Lichaam van Christus. Nu moet de vorm van een sacrament betekenen datgene,
wat in het sacrament wordt uitgewerkt. Daarom moet ook de vorm van de consecratie
van het brood juist de verandering betekenen van het brood in het Lichaam van Christus,
bij welke verandering men op drie zaken moet letten t.w. op de verandering zelf, het
eindpunt en het uitgangspunt. De verandering kan op twee manieren beschouwd worden:
vooreerst als in wording, vervolgens als in geworden zijn. Nu moest in dezen vorm
de verandering niet worden betekend als in wording maar als in geworden zijn: op de
eerste plaats, omdat deze verandering niet geleidelijk geschiedt zoals boven is gezegd
(75° Kw. 7° Art.), maar ineens; en bij zulke veranderingen is worden niets anders
dan geworden zijn. Ten tweede omdat de sacramenteele vormen op dezelfde wijze het
uitwerksel van het sacrament uitbeelden als kunstvormen het werkstuk van de kunst
uitbeelden. Nu is de kunstvorm de gelijkenis van het uiteindelijk werkstuk, waarop
zich de bedoeling van de kunstenaar richt, zoals b.v. de kunstvorm in het verstand
van de bouwer voornamelijk de vorm is van het afgebouwde huis en slechts gevolgelijk
van de aanbouw. Daarom moet ook in de onderhavige vorm de verandering worden aangegeven
als in geworden zijn, want daarop richt zich de bedoeling. — En omdat de verandering
zelf in dezen vorm wordt aangegeven als in geworden zijn, moeten de uitersten van
de verandering zóó betekend worden, als zij zich bevinden bij het geworden zijn van
de verandering. Dan echter heeft het eindpunt zijn eigen zelfstandige natuur, het
uitgangspunt evenwel blijft niet volgens zijn eigen zelfstandigheid maar slechts volgens
de bijkomstigheden, waardoor het zintuigelijk waarneembaar is, en naar zintuigelijke
indruk kan bepaald worden. Derhalve wordt het uitgangspunt van de verandering terecht
aangegeven met het aanwijzend voornaamwoord, dat zich betrekt op de blijvende zintuigelijk
waarneembare bijkomstigheden, terwijl het eindpunt wordt aangegeven met een naam,
die de natuur betekent van datgene, waarin de verandering plaats heeft t.w. het gehele
Lichaam van Christus, niet alleen Zijn Vlees, zoals gezegd is (76° Kw. 1° Art. 2°
Antw.). Dus is deze vorm zeer geschikt: « Dit is Mijn Lichaam ».
Ad primum ergo dicendum quod fieri non est ultimus effectus huius consecrationis,
sed factum esse ut dictum est. Et ideo hoc potius exprimi debet in forma. (IIIa q. 78 a. 2 ad 1)
1 — Worden is niet het laatste uitwerksel van deze consecratie; dat is geworden zijn,
zoals gezegd is (in de Leerst.) en daarom moet veeleer dat in de vorm uitgedrukt worden.
Ad secundum dicendum quod sermo Dei operatus est in creatione rerum, qui etiam operatur
in hac consecratione, aliter tamen et aliter. Nam hic operatur sacramentaliter, idest
secundum vim significationis. Et ideo oportet in hoc sermone significari ultimum effectum
consecrationis per verbum substantivum indicativi modi et praesentis temporis. Sed
in creatione rerum operatus est solum effective, quae quidem efficientia est per imperium
suae sapientiae. Et ideo in creatione rerum exprimitur sermo dominicus per verbum
imperativi modi, secundum illud Gen. I, fiat lux, et facta est lux. (IIIa q. 78 a. 2 ad 2)
2 — Het woord van God heeft gewerkt bij de schepping der dingen en werkt ook in deze consecratie,
maar niet op gelijke wijze; want hier werkt het als een uitwerkende oorzaak en tevens
sacramenteel, d.w.z. volgens de draagkracht van de betekenis, en daarom moet in dit
woord het laatste uitwerksel van de consecratie betekend worden door een zelfstandig
naamwoord, de aangevende wijs en de tegenwoordige tijd. Bij de schepping der dingen
echter heeft het alleen als een uitwerkende oorzaak gewerkt, wat gebeurt door het
bevel Zijner Wijsheid; en daarom wordt bij de schepping der dingen het goddelijk woord
uitgedrukt in de bevelende wijs, zoals in het Boek der Schepping (1. 3): « Het worde
licht; en het licht is geworden ».
Ad tertium dicendum quod terminus a quo in ipso facto esse conversionis non retinet
naturam suae substantiae, sicut terminus ad quem. Et ideo non est simile. (IIIa q. 78 a. 2 ad 3)
3 — Het uitgangspunt behoudt bij het geworden zijn van de verandering zijn eigen zelfstandige
natuur niet, zoals dit wel het geval is met het eindpunt. En dus gaat de vergelijking
niet op.
Ad quartum dicendum quod per hoc pronomen meum, quod includit demonstrationem primae
personae, quae est persona loquentis, sufficienter exprimitur persona Christi, ex
cuius persona haec proferuntur, ut dictum est. (IIIa q. 78 a. 2 ad 4)
4 — Door dat voornaamwoord: « Mijn », dat de eerste persoon aanwijst, d.w.z. de persoon
van de spreker, wordt voldoende uitgedrukt de Persoon van Christus, waarin deze woorden
worden gesproken, zoals gezegd is (vorig Art.).
Ad quintum dicendum quod haec coniunctio enim apponitur in hac forma secundum consuetudinem
Romanae Ecclesiae a beato Petro apostolo derivatam. Et hoc propter continuationem
ad verba praecedentia. Et ideo non est de forma, sicut nec praecedentia formam. (IIIa q. 78 a. 2 ad 5)
5 — Dit voegwoord « want » wordt er in deze vorm bij gezegd volgens het gebruik van de
Romeinse Kerk, dat afkomstig is van de H. Apostel Petrus; de opzet is om het verband
uit te drukken met de voorafgaande woorden; daarom hoort het ook niet bij de vorm
evenmin als de woorden, die aan de vorm voorafgaan.
Articulus 3. Is dit een geschikte vorm van de consecratie van den wijn: Dit is de Kelk van Mijn
Bloed?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod haec non sit conveniens forma consecrationis
vini, hic est calix sanguinis mei, novi et aeterni testamenti, mysterium fidei, qui
pro vobis et pro multis effundetur in remissionem peccatorum. Sicut enim panis convertitur
in corpus Christi ex vi consecrationis, ita et vinum in sanguinem Christi, sicut ex
praedictis patet. Sed in forma consecrationis panis ponitur in recto corpus Christi,
nec aliquid aliud additur. Inconvenienter ergo in hac forma ponitur sanguis Christi
in obliquo, et additur calix in recto, cum dicitur, hic est calix sanguinis mei. (IIIa q. 78 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat dit niet een geschikte vorm is van de consecratie van de wijn: «
Dat is de kelk van Mijn Bloed, van het Nieuw en eeuwig Testament, het geheim des geloofs,
dat voor u en voor velen zal vergoten worden tot vergiffenis van de zonden ». Want
zoals het brood verandert in het Lichaam van Christus uit kracht van de consecratie,
zo ook de wijn in het Bloed van Christus, gelijk uit het bovenstaande blijkt (76e
Kw. 1e, 2e Art.). Nu wordt in de vorm van de consecratie van het brood rechtstreeks
gesproken van het Lichaam van Christus en zonder bijvoeging van iets anders. Dus wordt
in deze vorm ten onrechte onrechtstreeks gesproken van het Bloed van Christus en wordt
er in rechtstreekse vorm iets bijgezet van de kelk, aldus: « Dit is de kelk van Mijn
Bloed ».
Praeterea, non sunt maioris efficaciae verba quae proferuntur in consecratione panis
quam ea quae proferuntur in consecratione vini, cum utraque sint verba Christi. Sed
statim dicto, hoc est corpus meum, est perfecta consecratio panis. Ergo statim cum
dictum est, hic est calix sanguinis mei, est perfecta consecratio sanguinis. Et ita
ea quae consequuntur non videntur esse de substantia formae, praesertim cum pertineant
ad proprietates huius sacramenti. (IIIa q. 78 a. 3 arg. 2)
2 — De woorden bij de consecratie van het brood gesproken hebben geen grotere kracht dan
die welke worden gesproken bij de consecratie van de wijn, daar ze alle twee woorden
van Christus zijn. Nu is de consecratie van het brood af, zoodra er gezegd is: « Dit
is Mijn Lichaam ». Dus is ook de consecratie van het Bloed af, zoodra er gezegd is:
« Dit is de kelk van Mijn Bloed »; en derhalve schijnen de nog volgende woorden niet
tot het wezen van de vorm te behoren, temeer omdat zij zich betrekken op de eigenschappen
van dit sacrament.
Praeterea, testamentum novum pertinere videtur ad internam inspirationem, ut patet
ex hoc quod apostolus, ad Heb. VIII, introducit verba quae habentur in Ierem. XXXI,
consummabo super domum Israel testamentum novum, dando leges meas in mentibus eorum.
Sacramentum autem exterius visibiliter agitur. Inconvenienter ergo in forma sacramenti
dicitur, novi testamenti. (IIIa q. 78 a. 3 arg. 3)
3 — Het Nieuw Testament schijnt iets te zijn van innerlijke inspraken, zoals hieruit blijkt
dat de Apostel (Hebr. 8, 8, 10) de woorden van Jeremias (31, 31, 33) aanhaalt: « Ik
zal over het huis van Israël een Nieuw Testament voltrekken... doordat Ik Mijn wetten
in hun harten geef ». Een sacrament wordt daarentegen uitwendig zichtbaar voltrokken.
Dus wordt verkeerdelijk in de vorm van dit Sacrament gezegd: « van het Nieuw Testament
».
Praeterea, novum dicitur aliquid ex eo quod est prope principium sui esse. Aeternum
autem non habet principium sui esse. Ergo inconvenienter dicitur novi et aeterni,
quia videtur contradictionem implicare. (IIIa q. 78 a. 3 arg. 4)
4 — Iets wordt nieuw genoemd, omdat het dicht bij het begin van zijn bestaan is. Maar
het eeuwige heeft geen begin van zijn bestaan. Dus wordt verkeerdelijk gezegd: « van
het Nieuw en eeuwig », hetgeen een tegenspraak schijnt in te houden.
Praeterea, occasiones erroris sunt hominibus subtrahendae, secundum illud Isaiae LVII,
auferte offendicula de via populi mei. Sed quidam erraverunt aestimantes mystice solum
esse corpus et sanguinem Christi in hoc sacramento. Ergo in hac forma inconvenienter
ponitur mysterium fidei. (IIIa q. 78 a. 3 arg. 5)
5 — Men moet de aanleidingen tot dwaling van de mensen wegnemen, volgens Isaïas (57, 14):
« Verwijderd de stenen des aanstoot van de weg van Mijn volk». Nu hebben sommigen
gedwaald door te denken, dat het Lichaam en Bloed van Christus alleen maar op mystieke
wijze in dit Sacrament tegenwoordig is. Dus wordt in dezen vorm verkeerdelijk gezegd:
« het geheim des geloofs ».
Praeterea, supra dictum est quod, sicut Baptismus est sacramentum fidei, ita Eucharistia
est sacramentum caritatis. Ergo in hac forma magis debuit poni caritas quam fides. (IIIa q. 78 a. 3 arg. 6)
6 — Zoals boven gezegd is (73° Kw. 3° Art. 3° Antw.; 74° Kw. 4° Art. 3° Antw.), is de
Eucharistie het « Sacrament van de liefde », gelijk het doopsel « het sacrament van
het geloof » is. Dus moet in deze vorm eerder gesproken worden van de liefde dan van
het geloof.
Praeterea, totum hoc sacramentum, et quantum ad corpus et quantum ad sanguinem, est
memoriale dominicae passionis, secundum illud I Cor. XI, quotiescumque manducabitis
panem hunc et calicem bibetis, mortem domini annuntiabitis. Non ergo magis debuit
in forma consecrationis sanguinis fieri mentio de passione Christi et de eius fructu,
quam in forma consecrationis corporis, praesertim cum, Luc. XXII, dominus dixerit,
hoc est corpus meum, quod pro vobis tradetur. (IIIa q. 78 a. 3 arg. 7)
7 — Dit Sacrament is in zijn geheel, zowel wat het Lichaam als wat het Bloed betreft,
een herinnering aan het lijden des Heren, volgens de Eerste Brief aan de Corinthiërs
(11.26): « Zo dikwijls gij dit brood zult eten en de leek zult drinken, zult gij de
dood des Heren verkondigen ». Dus had in de vorm van de consecratie van het Bloed
niet méér melding gemaakt moeten worden van het lijden des Heren en de vruchten ervan
dan in de consecratie van het Lichaam, temeer daar de Heer gezegd heeft (Luc. 22.19):
« Dit is Mijn Lichaam, dat voor u zal worden overgeleverd ».
Praeterea, passio Christi, ut supra habitum est, ad sufficientiam profuit omnibus,
quantum vero ad efficaciam profuit multis. Debuit ergo dici quod effundetur pro omnibus,
aut pro multis, sine hoc quod adderetur pro vobis. (IIIa q. 78 a. 3 arg. 8)
8 — Het lijden van Christus was, zoals boven is uiteengezet (48° Kw. 2° Art.; 49° Kw.
3° Art.), op zich voldoende om allen ten voordeel te strekken en het was feitelijk
voldoende voor velen. Dus had moeten gezegd worden: « dat vergoten zal worden voor
allen » of « voor velen », zonder de toevoeging: « voor u ».
Praeterea, verba quibus hoc sacramentum conficitur, efficaciam habent ex institutione
Christi. Sed nullus Evangelista recitat Christum haec omnia verba dixisse. Ergo non
est conveniens forma consecrationis vini. (IIIa q. 78 a. 3 arg. 9)
9 — De woorden, waarmee dit Sacrament wordt voltrokken, ontlenen hun kracht aan de instelling
door Christus. Nu verhaalt geen enkele evangelist, dat Christus al deze woorden heeft
gezegd. Dus is dit niet een geschikte vorm van de consecratie van de wijn.
Sed contra est quod Ecclesia, ab apostolis instructa, utitur hac forma in consecratione
vini. (IIIa q. 78 a. 3 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat de Kerk, door de Apostelen onderwezen, deze vorm gebruikt
bij de consecratie van de wijn.
Respondeo dicendum quod circa hanc formam est duplex opinio. Quidam enim dixerunt
quod de substantia formae huius est hoc solum quod dicitur, hic est calix sanguinis
mei, non autem ea quae sequuntur. Sed hoc videtur inconveniens, quia ea quae sequuntur,
sunt quaedam determinationes praedicati, idest sanguinis Christi; unde pertinent ad
integritatem locutionis. Et propter hoc sunt alii qui melius dicunt quod omnia sequentia
sunt de substantia formae, usque ad hoc quod postea sequitur, hoc quotiescumque feceritis,
quae pertinent ad usum huius sacramenti, unde non sunt de substantia formae. Et inde
est quod sacerdos eodem ritu et modo, scilicet tenendo calicem in manibus, omnia haec
verba profert. Lucae etiam XXII interponuntur verba sequentia verbis primis, cum dicitur,
hic calix novum testamentum est in sanguine meo. Dicendum est ergo quod omnia praedicta
verba sunt de substantia formae, sed per prima verba, hic est calix sanguinis mei,
significatur ipsa conversio vini in sanguinem, eo modo quo dictum est in forma consecrationis
panis; per verba autem sequentia designatur virtus sanguinis effusi in passione, quae
operatur in hoc sacramento. Quae quidem ad tria ordinatur. Primo quidem, et principaliter,
ad adipiscendam aeternam hereditatem, secundum illud Heb. X, habemus fiduciam in introitu
sanctorum per sanguinem eius. Et ad hoc designandum dicitur, novi testamenti et aeterni.
Secundo, ad iustitiam gratiae, quae est per fidem, secundum illud Rom. III, quem proposuit
Deus propitiatorem per fidem in sanguine eius, ut sit ipse iustus, et iustificans
eum qui ex fide est Iesu Christi. Et quantum ad hoc subditur, mysterium fidei. Tertio
autem, ad removendum impedimenta utriusque praedictorum, scilicet peccata, secundum
illud Heb. IX, sanguis Christi emundabit conscientias nostras ab operibus mortuis,
idest a peccatis. Et quantum ad hoc subditur, qui pro vobis et pro multis aliis effundetur
in remissionem peccatorum. (IIIa q. 78 a. 3 co.)
Met betrekking tot dezen vorm zijn er twee meningen. Sommigen immers hebben beweerd,
dat tot het wezen van dezen vorm alleen maar de woorden behoren: « Dit is de kelk
van Mijn Bloed », niet echter de volgende. Maar dit schijnt onjuist, want de volgende
woorden zijn een nadere bepaling van het gezegde d. i. van het Bloed van Christus;
dus behoren zij tot de volledigheid van het gesprokene. Daarom wordt door anderen
juister gezegd, dat al wat volgt tot het wezen van de vorm behoort, tot aan de later
komende woorden: « Zoo-dikwijls gij dit doen zult », wat op het gebruik van dit Sacrament
slaat en daarom niet tot het wezen van de vorm behoort. Vandaar dat de priester al
deze woorden uitspreekt onder denzelfden ritus en dezelfde handeling d.w.z. terwijl
hij de kelk vasthoudt. Bij Lucas (22. 20) worden ook de latere woorden vermengd met
de voorafgaande, als er gezegd wordt: « Deze kelk is het Nieuwe Verbond in Mijn Bloed
». Men moet dus zeggen dat al de genoemde woorden tot het wezen van de vorm behoren,
maar dat door de eerste woorden nl.: « Dit is de kelk van Mijn Bloed » de verandering
zelf van de wijn in het Bloed wordt betekend, zoals gezegd is (vorig Art.) van de
vorm van de consecratie van het brood, terwijl door de volgende woorden de kracht
wordt aangegeven van het Bloed, dat vergoten werd bij het lijden, hetwelk in dit Sacrament
werkt en op drie doeleinden is gericht. En wel vooreerst en voornamelijk op het verwerven
van de eeuwige erfenis, volgens het woord van de Brief aan de Hebreën (10.19): « Vertrouwend
tot het Heilige te zullen binnengaan door het Bloed van Christus »; en om dit aan
te geven wordt er gezegd: « van het Nieuw en eeuwig Testament ». Ten tweede op de
gerechtigheid van de genade, die is door het geloof, volgens het woord van de Brief
aan de Romeinen (3. 25, 26): « Dien God gesteld heeft tot Verzoener door het geloof
in Zijn Bloed; opdat Hijzelf rechtvaardig zij en hem rechtvaardige, die uit het geloof
is in Jesus Christus »; en met betrekking tot dit wordt er bijgevoegd: « het geheim
des geloofs ». Ten derde op het wegnemen van de beletselen voor de beide voorgaande
doeleinden d. w. z. de zonden, volgens het woord van de Brief aan de Hebreën (9. 14):
« Het Bloed van Christus ... zal ons geweten reinigen van de dode werken » d. i. van
de zonden; en met betrekking tot dit wordt er bijgevoegd: « Dat voor u en voor velen
zal vergoten worden tot vergiffenis van de zonden ».
Ad primum ergo dicendum quod, cum dicitur, hic est calix sanguinis mei, est locutio
figurativa, et potest dupliciter intelligi. Uno modo, secundum metonymiam, quia ponitur
continens pro contento, ut sit sensus, hic est sanguis meus contentus in calice. De
quo fit hic mentio, quia sanguis Christi in hoc sacramento consecratur inquantum est
potus fidelium, quod non importatur in ratione sanguinis, et ideo oportuit hic designari
per vas huic usui accommodatum. Alio modo potest intelligi secundum metaphoram, prout
per calicem similitudinarie intelligitur passio Christi, quae ad similitudinem calicis
inebriat, secundum illud Thren. III, replevit me amaritudinibus, inebriavit me absynthio,
unde et ipse dominus passionem suam calicem nominat, Matth. XXVI, dicens, transeat
a me calix iste; ut sit sensus, hic est calix passionis meae. De qua fit mentio in
sanguine seorsum a corpore consecrato, quia separatio sanguinis a corpore fuit per
passionem. (IIIa q. 78 a. 3 ad 1)
1 — Het gezegde: « Dit is de kelk van Mijn Bloed » is een oneigenlijke uitdrukking en
kan tweevoudig verstaan worden. Vooreerst als een naamsverwisseling, waardoor datgene,
wat iets inhoudt, gezet wordt in plaats van de inhoud, zodat de zin is: « Dit is Mijn
Bloed vervat in de kelk », waarvan hier melding wordt gemaakt, omdat in dit Sacrament
het Bloed van Christus geconsacreerd wordt als drank van de gelovigen, hetgeen niet
gegeven is met het begrip « Bloed », weshalve dit moest worden aangeduid door een
voor dergelijk gebruik bestemd vaatwerk. Ten tweede kan het verstaan worden in overdrachtelijke
zin, inzover namelijk door de kelk vergelijkenderwijs verstaan wordt het lijden van
Christus, dat gelijk een kelk dronken maakt, volgens het woord van de Klaagliederen
(3. 15): « Hij heeft mij vervuld met droefenissen, dronken gemaakt met alsem »; waarom
ook de Heer Zelf Zijn lijden een kelk noemt zeggende (Matth. 26. 39): « Laat deze
kelk aan Mij voorbijgaan »; zodat de zin is: « Dit is de kelk van Mijn lijden », waarvan
melding wordt gemaakt bij het afzonderlijk naast het Lichaam geconsacreerde Bloed,
omdat de scheiding, welke het Bloed scheidde van het Lichaam, plaats vond door het
lijden.
Ad secundum dicendum quod quia, ut dictum est, sanguis seorsum consecratus expresse
passionem Christi repraesentat, ideo potius in consecratione sanguinis fit mentio
de effectu passionis quam in consecratione corporis, quod est passionis subiectum.
Quod etiam designatur in hoc quod dominus dicit, quod pro vobis tradetur, quasi dicat,
quod pro vobis passioni subiicietur. (IIIa q. 78 a. 3 ad 2)
2 — Omdat, zoals gezegd is (in het vorig Antwoord; 76' Kw. 2° Art. 1° Antwoord), het afzonderlijk
geconsacreerde Bloed uitdrukkelijk het lijden van Christus verbeeldt, daarom wordt
bij de consecratie van het Bloed melding gemaakt van het uitwerksel van het lijden
en gebeurt dit niet bij de consecratie van het Lichaam, dat het onderwerp is van het
lijden, hetgeen ook door 's Heren woord wordt aangegeven: « Dat voor u zal worden
overgeleverd », als Hij zei: « Dat voor u aan het lijden zal worden onderworpen ».
Ad tertium dicendum quod testamentum est dispositio hereditatis. Hereditatem autem
caelestem Deus disposuit hominibus dandam per virtutem sanguinis Iesu Christi, quia,
ut dicitur Heb. IX, ubi est testamentum, mors necesse est intercedat testatoris. Sanguis
autem Christi dupliciter est hominibus exhibitus. Primo quidem, in figura, quod pertinet
ad vetus testamentum. Et ideo apostolus ibidem concludit, unde nec primum testamentum
sine sanguine dedicatum est, quod patet ex hoc quod, sicut dicitur Exod. XXIV, lecto
omni mandato legis a Moyse, omnem populum aspersit, dicens, hic est sanguis testamenti
quod mandavit ad vos Deus. Secundo autem est exhibitus in rei veritate, quod pertinet
ad novum testamentum. Et hoc est quod apostolus ibidem praemittit, dicens, ideo novi
testamenti mediator est Christus, ut, morte intercedente, repromissionem accipiant
qui vocati sunt aeternae hereditatis. Dicitur ergo hic sanguis novi testamenti, quia
iam non in figura, sed in veritate exhibetur. Unde subditur, qui pro vobis effundetur.
Interna autem inspiratio ex sanguinis virtute procedit secundum quod passione Christi
iustificamur. (IIIa q. 78 a. 3 ad 3)
3 — Een testament is de beschikking over een erfenis. Nu heeft God beschikt de hemelse
erfenis aan de mensen te geven door de kracht van het Bloed van Jezus Christus, want,
zoals gezegd wordt in de Brief aan de Hebreën (9. 16): « Waar een testament is, daar
moet de dood van de erflater tussen beide treden ». Het Bloed van Christus is echter
op twee manieren aan de mensen gegeven. Vooreerst in voorafbeelding, wat behoort tot
het Oude Testament; en daarom besluit de Apostel op die plaats aldus: « Daarom is
ook het eerste Testament niet zonder bloed ingewijd », hetgeen hieruit blijkt, dat
in het Boek van de Uittocht (24. 7, 8) gezegd wordt: « Nadat Mozes al de geboden van
de Wet had voorgelezen, besprenkelde hij het gehele volk zeggende: Dit is het Bloed
van het Testament, dat God u heeft nagelaten ». Vervolgens is het in werkelijkheid
gegeven, wat behoort tot het Nieuwe Testament; en dat laat de Apostel op die plaats
voorafgaan, als hij zegt: « Daarom is (Christus) de Middelaar van een Nieuw Testament,
opdat, door tussenkomst van zijn dood, zij die geroepen zijn de belofte ontvangen
van een eeuwige erfenis ». Er wordt derhalve gezegd: « Dit is het Bloed van het Nieuw
Testament », omdat het niet meer in voorafbeelding maar in werkelijkheid wordt gegeven;
vandaar dat er bijgevoegd wordt: « Dat voor u zal worden vergoten ». — De inwendige
inspraken dan komen voort uit de kracht van dit Bloed, aangezien wij door het lijden
van Christus gerechtvaardigd worden.
Ad quartum dicendum quod hoc testamentum est novum ratione exhibitionis. Dicitur autem
aeternum, tam ratione aeternae Dei praeordinationis; quam etiam ratione aeternae hereditatis,
quae per hoc testamentum disponitur. Ipsa etiam persona Christi, cuius sanguine testamentum
disponitur, est aeterna. (IIIa q. 78 a. 3 ad 4)
4 — Dit Testament is « Nieuw » wat betreft het feitelijk gegeven worden; het heet echter
« eeuwig » om reden van de eeuwige verordening Gods en ook om reden van de eeuwige
erfenis, waarover door dit Testament wordt beschikt: ook de Persoon zelf van Christus,
door wiens Bloed het Testament wordt beschikt, is eeuwig.
Ad quintum dicendum quod mysterium hic ponitur, non quidem ad excludendum rei veritatem,
sed ad ostendendum occultationem. Quia et ipse sanguis Christi occulto modo est in
hoc sacramento; et ipsa passio Christi occulte fuit figurata in veteri testamento. (IIIa q. 78 a. 3 ad 5)
5 — Hier wordt gesproken van « geheim », niet om de werkelijkheid uit te sluiten, maar
om de verborgenheid aan te geven; het Bloed van Christus is immers op een verborgen
wijze in dit Sacrament tegenwoordig en het lijden van Christus was op een verborgen
wijze in het Oude Testament voorafgebeeld.
Ad sextum dicendum quod dicitur sacramentum fidei, quasi fidei obiectum, quia quod
sanguis Christi secundum rei veritatem sit in hoc sacramento, sola fide tenetur. Ipsa
etiam passio Christi per fidem iustificat. Baptismus autem dicitur sacramentum fidei
quia est quaedam fidei protestatio. Hoc autem est sacramentum caritatis quasi figurativum
et effectivum. (IIIa q. 78 a. 3 ad 6)
6 — Er wordt gezegd « geheim des geloofs » d.i. zoveel als voorwerp van geloof, want alleen
door het geloof wordt gehouden, dat het Bloed van Christus in werkelijkheid in dit
Sacrament tegenwoordig is. Het lijden van Christus rechtvaardigt ook door het geloof.
— Het doopsel echter wordt het « sacrament des geloofs » genoemd als een belijdenis
van geloof. Dit daarentegen is het « Sacrament der liefde » als uitbeelding en bewerker
daarvan.
Ad septimum dicendum quod, sicut dictum est, sanguis seorsum consecratus a corpore
expressius repraesentat passionem Christi. Et ideo in consecratione sanguinis fit
mentio de passione Christi et fructu ipsius, potius quam in consecratione corporis. (IIIa q. 78 a. 3 ad 7)
7 — Zoals gezegd is (2e Antw.), is het afzonderlijk naast het Lichaam geconsacreerde Bloed
een uitdrukkelijke afbeelding van het lijden van Christus en daarom wordt bij de consecratie
van het Bloed melding gemaakt van het lijden van Christus en de vruchten ervan en
gebeurt dit niet bij de consecratie van het Lichaam.
Ad octavum dicendum quod sanguis passionis Christi non solum habet efficaciam in Iudaeis
electis, quibus exhibitus est sanguis veteris testamenti, sed etiam in gentilibus;
nec solum in sacerdotibus, qui hoc efficiunt sacramentum, vel aliis qui sumunt, sed
etiam in illis pro quibus offertur. Et ideo signanter dicit, pro vobis Iudaeis, et
pro multis, scilicet gentilibus, vel, pro vobis manducantibus, et pro multis pro quibus
offertur. (IIIa q. 78 a. 3 ad 8)
8 — Het Bloed van het lijden van Christus is niet alleen werkdadig onder de uitverkoren
Joden, aan wie het bloed van het Oud Testament is gegeven, maar ook onder de heidenen;
en niet alleen onder de dit Sacrament voltrekkende priesters en de andere ontvangers,
maar ook onder degenen, voor wie het wordt opgedragen. En daarom zegt Hij bepaaldelijk
« voor u » Joden, en « voor velen » d. i. de heidenen; of « voor u », die ervan eten,
en « voor velen », voor wie het wordt opgedragen.
Ad nonum dicendum quod Evangelistae non intendebant tradere formas sacramentorum,
quas in primitiva Ecclesia oportebat esse occultas, ut dicit Dionysius, in fine ecclesiasticae
hierarchiae. Sed intenderunt historiam de Christo texere. Et tamen omnia haec verba
fere ex diversis Scripturae locis accipi possunt. Nam quod dicitur, hic est calix,
habetur Luc. XXII et I Cor. XI. Matthaei autem XXVI dicitur, hic est sanguis meus
novi testamenti, qui pro multis effundetur in remissionem peccatorum. Quod autem additur,
aeterni, et iterum, mysterium fidei, ex traditione domini habetur, quae ad Ecclesiam
per apostolos pervenit, secundum illud I Cor. XI, ego accepi a domino quod et tradidi
vobis. (IIIa q. 78 a. 3 ad 9)
9 — De evangelisten bedoelden niet de vormen van de sacramenten mee te delen (deze moesten
in de beginnende Kerk verborgen blijven, zoals Dionysius zegt), maar de geschiedenis
van Christus te verhalen. En toch kunnen bijna al de onderhavige woorden uit de verschillende
Schriftuurplaatsen gehaald worden. Want het gezegde: « Dit is de kelk » vindt men
in Lucas (22. 20) en in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (11. 25); bij Mattheus
(26. 28) wordt verder gezegd: « Dit is Mijn Bloed van het Nieuw Testament, dat voor
velen zal vergoten worden tot vergiffenis van de zonden ». De toevoeging « van het
eeuwig » en ook: « geheim des geloofs » heeft men uit de Overlevering des Heren, die
door de Apostelen tot de Kerk is gekomen, volgens het woord van de Eerste Brief aan
de Corinthiërs (11. 23): « Ik heb van de Heer ontvangen, wat ik u ook heb overgeleverd
».
Articulus 4. Is er in de genoemde woorden van de vormen een geschapen kracht, die de consecratie
bewerkt?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod praedictis verbis formarum non insit aliqua
vis creata effectiva consecrationis. Dicit enim Damascenus, in IV libro, sola virtute
spiritus sancti fit conversio panis in corpus Christi. Sed virtus spiritus sancti
est virtus increata. Ergo nulla virtute creata horum verborum conficitur sacramentum
hoc. (IIIa q. 78 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat er in de genoemde woorden van de vormen geen geschapen kracht is,
die de consecratie bewerkt. Damascenus zegt immers: « Alleen door de kracht van de
H. Geest geschiedt de verandering van het brood in het Lichaam van Christus ». Nu
is de kracht van de H. Geest een ongeschapen kracht. Dus komt dit Sacrament niet tot
stand door enige geschapen kracht van deze woorden.
Praeterea, opera miraculosa non fiunt aliqua virtute creata, sed sola virtute divina,
ut in prima parte habitum est. Sed conversio panis et vini in corpus et sanguinem
Christi est opus non minus miraculosum quam creatio rerum, vel etiam formatio corporis
Christi in utero virginali, quae quidem nulla virtute creata fieri potuerunt. Ergo
neque hoc sacramentum consecratur virtute creata aliqua dictorum verborum. (IIIa q. 78 a. 4 arg. 2)
2 — Wonderwerken geschieden niet door een of andere geschapen kracht, maar alleen door
de kracht Gods, gelijk in het Eerste Deel (110° Kw. 4° Art.) is uiteengezet. Welnu,
de verandering van het brood en de wijn in het Lichaam en Bloed van Christus is geen
minder wonderwerk dan de schepping der dingen of ook dan de vorming van het Lichaam
van Christus in de schoot van de Maagd, gebeurtenissen, die niet door een of andere
geschapen kracht hebben kunnen plaats vinden. Dus wordt ook dit Sacrament niet geconsacreerd
door een geschapen kracht van de genoemde woorden.
Praeterea, praedicta verba non sunt simplicia, sed ex multis composita; nec simul,
sed successive proferuntur. Conversio autem praedicta, ut supra dictum est, fit in
instanti, unde oportet quod fiat per simplicem virtutem. Non ergo fit per virtutem
horum verborum. (IIIa q. 78 a. 4 arg. 3)
3 — Genoemde woorden zijn niet enkelvoudig maar een samenstel van vele; ook worden zij
niet tegelijk maar na elkaar uitgesproken. Maar de genoemde verandering gebeurt, zoals
boven is gezegd (75° Kw. 7° Art.), in één ogenblik, waarom ze moet gebeuren door een
enkelvoudige kracht. Dus gebeurt ze niet door kracht van deze woorden.
Sed contra est quod Ambrosius dicit, in libro de sacramentis, si tanta est vis in
sermone domini Iesu ut inciperet esse quod non erat, quanto magis operativus est ut
sint quae erant, et in aliud commutentur? Et sic quod erat panis ante consecrationem,
iam corpus Christi est post consecrationem, quia sermo Christi creaturam mutat. (IIIa q. 78 a. 4 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat Ambrosius zegt: « Als er zulk een kracht is in de
woorden van de Heer Jesus, dat hetgeen niet was, begon te zijn, hoeveel te meer kunnen
zij dan bewerken, dat hetgeen was, is en verandert in iets anders? Zo dan is datgene,
wat vóór de consecratie brood was, na de consecratie het Lichaam van Christus, want
de woorden van Christus doen het geschapene veranderen ».
Respondeo dicendum quod quidam dixerunt nullam virtutem creatam esse nec in praedictis
verbis ad transubstantiationem faciendam, nec etiam in aliis sacramentorum formis,
vel etiam in ipsis sacramentis ad inducendos sacramentorum effectus. Quod, sicut supra
dictum est, et dictis sanctorum repugnat, et derogat dignitati sacramentorum novae
legis. Unde, cum hoc sacramentum sit prae ceteris dignius, sicut supra dictum est,
consequens est quod in verbis formalibus huius sacramenti sit quaedam virtus creata
ad conversionem huius sacramenti faciendam, instrumentalis tamen, sicut et in aliis
sacramentis, sicut supra dictum est. Cum enim haec verba ex persona Christi proferantur,
ex eius mandato consequuntur virtutem instrumentalem a Christo, sicut et cetera eius
facta vel dicta habent instrumentaliter salutiferam virtutem, ut supra habitum est. (IIIa q. 78 a. 4 co.)
Sommigen hebben gezegd, dat er geen enkele geschapen kracht is in de genoemde woorden
voor het bewerken van de zelfstandigheidsverandering, noch ook in de andere sacramentale
vormen of in de sacramenten zelf voor het tot stand brengen van de uitwerkselen der
sacramenten — een mening, die zoals boven is uiteengezet (62° Kw. 1° Art.), in strijd
is met de uitlatingen van de heiligen en bovendien te kort doet aan de waardigheid
van de sacramenten van de Nieuwe Wet. Aangezien derhalve dit sacrament nog waardiger
is dan de overige, zoals boven gezegd is (65° Kw. 3° Art.), is de gevolgtrekking te
maken, dat in de tot de vorm van dit sacrament behorende woorden een zekere geschapen
kracht is, die de verandering van dit sacrament bewerkt, wel te verstaan een werktuigelijke
kracht, zoals ook in de andere sacramenten, gelijk boven gezegd is (62° Kw. 3° en
4° Art.). Daar immers deze woorden in de persoon van Christus worden uitgesproken,
hebben zij, tengevolge van Zijn bevel, een van Christus komende werktuigelijke kracht,
zoals ook Zijn andere daden of woorden een werktuigelijke heilskracht bezitten, gelijk
boven gezegd is (68° Kw. 6° Art.; 56° Kw. 1° Art. 3° Antw.).
Ad primum ergo dicendum quod, cum dicitur sola virtute spiritus sancti panem in corpus
Christi converti, non excluditur virtus instrumentalis quae est in forma huius sacramenti,
sicut, cum dicitur quod solus faber facit cultellum, non excluditur virtus martelli. (IIIa q. 78 a. 4 ad 1)
1 — Wanneer er gezegd wordt, dat alleen door de kracht van de H. Geest het brood verandert
in het Lichaam van Christus, wordt niet uitgesloten de werktuigelijke kracht, die
in de vorm van dit Sacrament is, evenmin als, wanneer gezegd wordt: «Alleen de smid
maakt het mes», de kracht van de hamer wordt uitgesloten.
Ad secundum dicendum quod opera miraculosa nulla creatura potest facere quasi agens
principale, potest tamen ea facere instrumentaliter, sicut ipse tactus manus Christi
sanavit leprosum. Et per hunc modum verba eius convertunt panem in corpus Christi.
Quod quidem non potuit in conceptione corporis Christi, qua corpus Christi formabatur,
ut aliquid a corpore Christi procedens haberet instrumentalem virtutem ad ipsius corporis
formationem. In creatione etiam non fuit aliquod extremum in quod instrumentalis actio
creaturae posset terminari. Unde non est simile. (IIIa q. 78 a. 4 ad 2)
2 — Wonderwerken kan geen enkel schepsel tot stand brengen als hoofdoorzaak, maar wel
als werktuigelijke oorzaak, gelijk de aanraking van Christus’ hand de melaatse genas.
Op deze wijze dan veranderen de woorden van Christus het brood in het Lichaam van
Christus. Zo iets kon niet gebeuren bij de ontvangenis van Christus’ Lichaam, toen
Christus’ Lichaam gevormd werd, dat namelijk iets dat uit Christus’ Lichaam voortkwam,
een werktuigelijke kracht bezat met het oog op de vorming van dat zelfde Lichaam.
Bij de schepping was er verder geen uiterste term, waarop de werktuigelijke werking
van een schepsel kon uitgeoefend worden. En dus gaat de vergelijking niet op.
Ad tertium dicendum quod praedicta verba quibus fit consecratio, sacramentaliter operantur.
Unde vis conversiva quae est in formis horum sacramentorum, sequitur significationem,
quae in prolatione ultimae dictionis terminatur. Et ideo in ultimo instanti prolationis
verborum praedicta verba consequuntur hanc virtutem, in ordine tamen ad praecedentia.
Et haec virtus est simplex ratione significati, licet in ipsis verbis exterius prolatis
fit quaedam compositio. (IIIa q. 78 a. 4 ad 3)
3 — Genoemde woorden, waardoor de consecratie plaats heeft, werken sacramenteel; de verandering-uitwerkende
kracht, die in de vormen van deze Sacramenten is, volgt daarom de betekenis, welke
bij het uitspreken van het laatste woord haar eindterm bereikt. Daarom krijgen genoemde
woorden de bewuste kracht op het laatste ogenblik van het uitspreken der woorden,
evenwel in verband met wat voorafgaat; en deze kracht is enkelvoudig vanwege de enkelvoudigheid
van het betekende, al is er dan in de uitwendig gesproken woorden een zekere samenstelling.
Articulus 5. Zijn genoemde gezegdes waar?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod praedictae locutiones non sunt verae. Cum
enim dicitur, hoc est corpus meum, ly hoc est demonstrativum substantiae. Sed secundum
praedicta, quando profertur hoc pronomen hoc, adhuc est substantia panis, quia transubstantiatio
fit in ultimo prolationis verborum. Sed haec est falsa, panis est corpus Christi.
Ergo etiam haec est falsa, hoc est corpus meum. (IIIa q. 78 a. 5 arg. 1)
1 — Men beweert, dat genoemde gezegdes niet waar zijn. Wanneer er immers gezegd wordt:
« Dit is Mijn Lichaam », dan wijst het woordje « dit » op een zelfstandigheid. Maar
bij het uitspreken van het voornaamwoord « dit » is, volgens het voorgaande (1° Art.;
4° Art. 3° Antw.; 75° Kw. 2°, 7° Art.), de zelfstandigheid van het brood nog aanwezig,
daar de zelfstandigheidsverandering plaats heeft op het laatste ogenblik van het uitspreken
der woorden. Nu is deze zin vals: « Het brood is het Lichaam van Christus ». Dus is
ook deze zin vals: « Dit is Mijn Lichaam ».
Praeterea, hoc pronomen hoc facit demonstrationem ad sensum. Sed species sensibiles
quae sunt in hoc sacramento neque sunt ipsum corpus Christi, neque sunt accidentia
corporis Christi. Ergo haec locutio non potest esse vera, hoc est corpus meum. (IIIa q. 78 a. 5 arg. 2)
2 — Het voornaamwoord « dit » wijst op iets zintuigelijk waarneembaar. Maar de zintuigelijk
waarneembare gedaanten, die men in dit sacrament vindt, zijn noch het Lichaam van
Christus, noch de bijkomstigheden van het Lichaam van Christus. Dus kan dit gezegde
niet waar zijn: « Dit is Mijn Lichaam ».
Praeterea, haec verba, sicut supra dictum est, sua significatione efficiunt conversionem
panis in corpus Christi. Sed causa effectiva praeintelligitur effectui. Ergo significatio
horum verborum praeintelligitur conversioni panis in corpus Christi. Sed ante conversionem
haec est falsa, hoc est corpus meum. Ergo simpliciter est iudicandum quod sit falsa.
Et eadem ratio est de hac locutione, hic est calix sanguinis mei et cetera. (IIIa q. 78 a. 5 arg. 3)
3 — Zoals gezegd is (4e Art. 3e Antw.), bewerken deze woorden door hun betekenis de verandering
van het brood in het Lichaam van Christus. Nu moet men zich de bewerkende oorzaak
denken vóór het uitwerksel. Dus moet men zich de betekenis van deze woorden denken
vóór de verandering van het brood in het Lichaam van Christus. Maar vóór de verandering
is deze zin vals: « Dit is Mijn Lichaam ». Dus moet hij zonder meer als vals beschouwd
worden; en hetzelfde geldt van het gezegde: « Dit is de kelk van Mijn Bloed » enz.
Sed contra est quod haec verba proferuntur ex persona Christi, qui de se dicit, Ioan.
XIV, ego sum veritas. (IIIa q. 78 a. 5 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat deze woorden gesproken worden in de persoon van Christus,
die van zichzelf zegt: « Ik ben de Waarheid ».
Respondeo dicendum quod circa hoc multiplex fuit opinio. Quidam enim dixerunt quod
in hac locutione, hoc est corpus meum, haec dictio hoc importat demonstrationem ut
conceptam, non ut exercitam, quia tota ista locutio sumitur materialiter, cum recitative
proferatur; recitat enim sacerdos Christum dixisse, hoc est corpus meum. Sed hoc stare
non potest. Quia secundum hoc, verba non applicarentur ad materiam corporalem praesentem,
et ita non perficeretur sacramentum, dicit enim Augustinus, super Ioan., accedit verbum
ad elementum et fit sacramentum. Et ex hoc totaliter non evitatur difficultas huius
quaestionis, quia eaedem rationes manent circa primam prolationem qua Christus haec
verba protulit; quia manifestum est quod non materialiter, sed significative sumebantur.
Et ideo dicendum est quod etiam quando proferuntur a sacerdote, significative, et
non tantum materialiter accipiuntur. Nec obstat quod sacerdos etiam recitative profert
quasi a Christo dicta. Quia propter infinitam virtutem Christi, sicut ex contactu
carnis suae vis regenerativa pervenit non solum ad illas aquas quae Christum tetigerunt,
sed ad omnes ubique terrarum per omnia futura saecula; ita etiam ex prolatione ipsius
Christi haec verba virtutem consecrativam sunt consecuta a quocumque sacerdote dicantur,
ac si Christus ea praesentialiter proferret. Et ideo alii dixerunt quod haec dictio
hoc in hac locutione facit demonstrationem, non ad sensum, sed ad intellectum, ut
sit sensus, hoc est corpus meum, idest, significatum per hoc est corpus meum. Sed
nec hoc stare potest. Quia, cum in sacramentis hoc efficiatur quod significatur, non
fieret per hanc formam ut corpus Christi sit in hoc sacramento secundum veritatem,
sed solum sicut in signo. Quod est haereticum, ut supra dictum est. Et ideo alii dixerunt
quod haec dictio hoc facit demonstrationem ad sensum, sed intelligitur haec demonstratio
non pro illo instanti locutionis quo profertur haec dictio, sed pro ultimo instanti
locutionis, sicut, cum aliquis dicit, nunc taceo, hoc adverbium nunc facit demonstrationem
pro instanti immediate sequenti locutionem; est enim sensus, statim dictis his verbis,
taceo. Sed nec hoc stare potest. Quia secundum hoc, huius locutionis est sensus, corpus
meum est corpus meum. Quod praedicta locutio non facit, quia hoc fuit etiam ante prolationem
verborum. Unde neque hoc praedicta locutio significat. Et ideo aliter dicendum est
quod, sicut praedictum est, haec locutio habet virtutem factivam conversionis panis
in corpus Christi. Et ideo comparatur ad alias locutiones, quae habent solum vim significativam
et non factivam, sicut comparatur conceptio intellectus practici, quae est factiva
rei, conceptioni intellectus nostri speculativi, quae est accepta a rebus, nam voces
sunt signa intellectuum, secundum philosophum. Et ideo, sicut conceptio intellectus
practici non praesupponit rem conceptam, sed facit eam, ita veritas huius locutionis
non praesupponit rem significatam, sed facit eam, sic enim se habet verbum Dei ad
res factas per verbum. Haec autem conversio non fit successive, sed in instanti, sicut
dictum est. Et ideo oportet quidem intelligere praedictam locutionem secundum ultimum
instans prolationis verborum, non tamen ita quod praesupponatur ex parte subiecti
id quod est terminus conversionis, scilicet quod corpus Christi sit corpus Christi;
neque etiam illud quod fuit ante conversionem, scilicet panis; sed id quod communiter
se habet quantum ad utrumque, scilicet contentum in generali sub istis speciebus.
Non enim faciunt haec verba quod corpus Christi sit corpus Christi; neque quod panis
sit corpus Christi; sed quod contentum sub his speciebus, quod prius erat panis, sit
corpus Christi. Et ideo signanter non dicit dominus, hic panis est corpus meum, quod
esset secundum intellectum secundae opinionis; neque, hoc corpus meum est corpus meum,
quod esset secundum intellectum tertiae; sed in generali, hoc est corpus meum, nullo
nomine apposito ex parte subiecti, sed solo pronomine, quod significat substantiam
in communi sine qualitate, idest forma determinata. (IIIa q. 78 a. 5 co.)
Hieraangaande zijn er vele meningen geweest. Sommigen immers hebben beweerd, dat in
de zin: « Dit is Mijn Lichaam » het woordje « dit » een gedachte, geen werkelijke
aanwijzing inhoudt, aangezien heel deze zin als een eenvoudige weergave wordt gebezigd,
daar hij verhalenderwijs wordt gesproken: de priester verhaalt immers, dat Christus
gezegd heeft: « Dit is Mijn Lichaam ». Maar dit kan geen stand houden, want in deze
veronderstelling zouden bedoelde woorden zich niet betrekken op de aanwezige lichamelijke
stof en dus zou het Sacrament niet voltrokken worden. Augustinus toch zegt: « Het
woord komt bij de stof en het sacrament ontstaat ». Bovendien ontkomt men op deze
manier niet geheel en al aan de moeilijkheid van de gestelde vraag, omdat dezelfde
bedenkingen blijven bestaan met betrekking tot de eerste gebruikmaking van deze woorden
door Christus. Want toen werden ze heel duidelijk niet als een eenvoudige weergave
maar volgens hun betekenis gebezigd. Daarom moet men zeggen, dat zij, ook wanneer
zij door de priester worden uitgesproken, volgens hun betekenis worden gebezigd en
niet als een eenvoudige weergave. Het geeft niets, dat de priester ze verhalenderwijs
uitspreekt als gezegd door Christus: de oneindige kracht van Christus immers, die
door de aanraking met Zijn Vlees de herborenmakende kracht deed toekomen, niet alleen
aan het water, dat Christus beroerde, maar aan alle water van alle landen in alle
latere tijden, heeft ook door het spreken van Christus aan deze woorden een consecratie-ende
kracht gegeven, door welke priester ze ook mogen worden uitgesproken, juist alsof
Christus ze op het ogenblik uitbracht. — Anderen hebben daarom beweerd, dat het woordje
« dit » in genoemd gezegde niet iets zintuigelijk waarneembaars maar iets verstandelijk
waarneembaars aanwijst, zodat de betekenis wordt: « Dit is Mijn Lichaam » d.w.z. het
door dit betekende is Mijn Lichaam. Maar ook dat kan geen stand houden, want daar
bij de sacramenten datgene wordt uitgewerkt, wat betekend wordt, zou deze vorm niet
teweegbrengen, dat het Lichaam van Christus in dit Sacrament aanwezig is in werkelijkheid
maar alleen maar in teken, hetgeen kettersch is, zoals boven gezegd is (75° Kw. 1°
Art.). — Daarom hebben anderen beweerd, dat het woordje « dit » iets zintuigelijk
waarneembaars aanwijst, maar dat deze aanwijzing moet begrepen worden, niet voor het
ogenblik, waarop dit woordje wordt uitgesproken, maar voor het laatste ogenblik van
het hele gezegde, zoals wanneer iemand zegt « nu zwijg ik », dit bijwoord nu het ogenblik
aanwijst, dat onmiddellijk op het gezegde volgt; bedoeld wordt immers: « zoodra ik
deze woorden heb gezegd, zwijg ik ». Maar ook dit kan geen stand houden, want op deze
manier zou de betekenis van dit gezegde zijn: « Mijn Lichaam is Mijn Lichaam », hetgeen
niet teweeggebracht wordt door genoemd gezegde, want dit was ook vóór het uitspreken
van de woorden het geval; dus is ook dit niet de betekenis van genoemd gezegde. —
Derhalve moet men iets anders zeggen nl. dat, zoals reeds verklaard is (vorig Art.),
dit gezegde de kracht heeft om de verandering te bewerken van het brood in het Lichaam
van Christus. En dus verhoudt het zich tot andere gezegdes, die alleen iets kunnen
betekenen en niet iets kunnen bewerken, als de daad van het makend verstand, dat de
dingen bewerkt, zich verhoudt tot de daad van het beschouwend verstand, dat aan de
dingen ontleent; volgens de Wijsgeer immers zijn woorden tekens van wat in het verstand
is. En zoals daarom de daad van het makend verstand het begrepen ding niet veronderstelt,
maar maakt, zo veronderstelt de waarheid van het onderhavige gezegde niet de betekende
zaak, maar maakt zij die zaak; zóó toch verhoudt Zich ook het Woord Gods tot de dingen,
gemaakt door het Woord. Nu gebeurt deze verandering niet geleidelijk maar in één ogenblik,
zoals gezegd is (75° Kw. 7° Art.). Derhalve moet men ongetwijfeld het genoemde gezegde
verstaan met betrekking tot het laatste ogenblik van het uitspreken der woorden, echter
niet zóó, dat als subject wordt verondersteld, wat het eindpunt van de verandering
is nl. dat het Lichaam van Christus het Lichaam van Christus is, noch ook wat vóór
de verandering was nl. het brood, maar datgene, wat zich tot beide onbestemd verhoudt
nl. wat in het algemeen onder deze gedaanten is. Genoemde woorden maken immers niet,
dat het Lichaam van Christus het Lichaam van Christus is, maar dat het onder deze
gedaanten vervatte, dat eerst brood was, het Lichaam van Christus is. En daarom zegt
de Heer, heel betekenend, niet: « Dit brood is Mijn Lichaam », hetgeen volgens de
gedachtegang van de tweede mening zou zijn; noch: « Dit Mijn Lichaam is Mijn Lichaam
», hetgeen volgens de gedachtegang van de derde mening zou zijn; maar in het algemeen:
« Dit is Mijn Lichaam », geen enkel naamwoord gebruikend voor het subject, slechts
een voornaamwoord, dat een zelfstandigheid in het algemeen betekent, zonder hoedanigheid
d.w.z. bepaalde vorm.
Ad primum ergo dicendum quod haec dictio hoc demonstrat substantiam, sed absque determinatione
propriae naturae, sicut dictum est. (IIIa q. 78 a. 5 ad 1)
1 — Het woordje « dit » wijst een zelfstandigheid aan, maar zonder bepaling van de eigen
natuur, zoals gezegd is (in de Leerst.).
Ad secundum dicendum quod hoc pronomen hoc non demonstrat ipsa accidentia, sed substantiam
sub accidentibus contentam, quae primo fuit panis, et postea est corpus Christi, quod,
licet non informetur his accidentibus, tamen sub eis continetur. (IIIa q. 78 a. 5 ad 2)
2 — Het voornaamwoord « dit » wijst niet de bijkomstigheden aan, maar de onder de bijkomstigheden
vervatte zelfstandigheid, welke eerst het brood was, daarna het Lichaam van Christus
is, dat weliswaar deze bijkomstigheden niet als vormen ontvangt, maar er toch onder
vervat is.
Ad tertium dicendum quod significatio huius locutionis praeintelligitur rei significatae
ordine naturae, sicut causa naturaliter est prior effectu, non tamen ordine temporis,
quia haec causa simul habet secum suum effectum. Et hoc sufficit ad veritatem locutionis. (IIIa q. 78 a. 5 ad 3)
3 — De betekenis van dit gezegde moet men zich denken als voorafgaand aan het betekende
volgens de natuurorde, zoals de oorzaak in natuur voorafgaat aan het uitwerksel; niet
echter volgens de tijdsorde, daar deze oorzaak terstond haar uitwerksel met zich brengt:
dit nu volstaat voor het waar zijn van dit gezegde.
Articulus 6. Heeft de vorm, waardoor het brood geconsecreerd wordt, zijn uitwerking vóór het tot
stand komen van den vorm, waardoor de wijn geconsecreerd wordt?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod forma consecrationis panis non consequatur
effectum suum quousque perficiatur forma consecrationis vini. Sicut enim per consecrationem
panis incipit esse corpus Christi sub hoc sacramento, ita per consecrationem vini
incipit esse sanguis. Si ergo verba consecrationis panis haberent effectum suum ante
consecrationem vini, sequeretur quod in hoc sacramento inciperet esse corpus Christi
exsangue. Quod est inconveniens. (IIIa q. 78 a. 6 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de vorm, waardoor het brood geconsacreerd wordt, geen uitwerking
heeft, vooraleer de vorm, waardoor de wijn geconsacreerd wordt, beëindigd is. Gelijk
immers door de consecratie van het brood het Lichaam van Christus aanwezig begint
te zijn onder dit Sacrament, zo begint door de consecratie van de wijn het Bloed K:
78, A. 6. 217 aanwezig te zijn. Indien derhalve de woorden van de consecratie van
het brood hun uitwerking hadden vóór de consecratie van de wijn, zou volgen, dat in
dit Sacrament het Lichaam van Christus aanwezig begon te zijn zonder het Bloed, hetgeen
onmogelijk is.
Praeterea, unum sacramentum unum habet complementum, unde, licet in Baptismo sint
tres immersiones, non tamen prima immersio consequitur suum effectum quousque tertia
fuerit terminata. Sed totum hoc sacramentum est unum, ut supra dictum est. Ergo verba
quibus consecratur panis, non consequuntur suum effectum sine verbis sacramentalibus
quibus consecratur vinum. (IIIa q. 78 a. 6 arg. 2)
2 — Elk sacrament komt maar één keer tot uitwerking: hoewel er daarom bij het doopsel
drie onderdompelingen zijn, heeft toch de eerste onderdompeling geen uitwerking vóór
de derde is geëindigd. Nu is dit hele sacrament één, zoals boven gezegd is (73° Kw.
2° Art.). Dus hebben de woorden, waardoor het brood geconsacreerd wordt, geen uitwerking
zonder de sacramentale woorden, waardoor de wijn geconsacreerd wordt.
Praeterea, in ipsa forma consecrationis panis sunt plura verba, quorum prima non consequuntur
effectum nisi prolato ultimo, sicut dictum est. Ergo, pari ratione, nec verba quibus
consecratur corpus Christi habent effectum, nisi prolatis verbis quibus sanguis Christi
consecratur. (IIIa q. 78 a. 6 arg. 3)
3 — In de vorm van de consecratie van het brood zelf, zijn verscheidene woorden, waarvan
de eerste slechts hun uitwerksel hebben na het uitspreken van de laatste, zoals gezegd
is (4° Art. 3° Antw.; 5° Art. 1° Bed.; 75° Kw. 2° en 7° Art.). Om dezelfde reden hebben
dus de woorden, waardoor het Lichaam van Christus geconsacreerd wordt, slechts hun
uitwerksel, na het uitspreken van de woorden, waardoor het Bloed van Christus geconsacreerd
wordt.
Sed contra est quod, statim dictis verbis consecrationis panis, hostia consecrata
proponitur populo adoranda. Quod non fieret si non esset ibi corpus Christi, quia
hoc ad idololatriam pertineret. Ergo verba consecrationis suum effectum consequuntur
antequam proferantur verba consecrationis vini. (IIIa q. 78 a. 6 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat terstond na het uitspreken van de consecratiewoorden
van het brood de geconsacreerde hostie aan het volk ter aanbidding wordt voorgehouden,
wat niet zou gebeuren, als het Lichaam van Christus er niet onder aanwezig was, omdat
dit neer zou komen op afgoderij. Dus hebben de consecratiewoorden van het brood hun
uitwerking vóór het uitspreken van de consecratiewoorden van de wijn.
Respondeo dicendum quod quidam antiqui doctores dixerunt quod hae duae formae, scilicet
consecrationis panis et vini, se invicem expectant in agendo, ita scilicet quod prima
non perficit suum effectum antequam secunda proferatur. Sed hoc stare non potest.
Quia, sicut dictum est, ad veritatem huius locutionis, hoc est corpus meum, requiritur,
propter verbum praesentis temporis, quod res significata simul tempore sit cum ipsa
significatione locutionis, alioquin, si in futurum expectaretur res significata, apponeretur
verbum futuri temporis, non autem verbum praesentis; ita scilicet quod non diceretur,
hoc est corpus meum, sed, hoc erit corpus meum. Significatio autem huius locutionis
completur statim completa prolatione horum verborum. Et ideo oportet rem significatam
statim adesse, quae quidem est effectus huius sacramenti, alioquin locutio non esset
vera. Est etiam haec positio contra ritum Ecclesiae, quae statim post prolationem
verborum corpus Christi adorat. Unde dicendum est quod prima forma non expectat secundam
in agendo, sed statim habet suum effectum. (IIIa q. 78 a. 6 co.)
Sommige oude leeraars hebben beweerd, dat deze twee vormen, dus van de consecratie
van het brood en van de wijn, in hun werking op elkaar wachten, zodat de eerste zijn
uitwerking niet heeft vóór het uitspreken van de tweede. Maar dit is niet te handhaven,
omdat, zoals gezegd is (5e Art. 3e Antw.), voor de waarheid van het gezegde: « Dit
is Mijn Lichaam », vanwege de tegenwoordige tijd van het werkwoord, vereist is, dat
de betekende zaak gelijkijdig is met de betekenis van het gezegde; als daarentegen
de betekende zaak nog verwacht werd in de toekomst, zou men het werkwoord in de toekomstige
tijd, niet in de tegenwoordige tijd zetten, zodat men namelijk niet zou zeggen: «
Dit is Mijn Lichaam », maar: « Dit zal Mijn Lichaam zijn ». Nu is de betekenis van
dit gezegde volledig, zodra het uitspreken van deze woorden volledig af is. En dus
moet de betekende zaak, welke niets anders is dan het uitwerksel van dit Sacrament,
terstond aanwezig zijn; anders zou het gezegde niet waar zijn. — Die mening is ook
tegen de ritus van de Kerk, die onmiddellijk na het uitspreken van de woorden het
Lichaam van Christus aanbidt. Derhalve moet men zeggen, dat de eerste vorm in zijn
werking de tweede niet afwacht, maar terstond zijn uitwerking heeft.
Ad primum ergo dicendum quod ex hac ratione videntur fuisse decepti illi qui praedictam
positionem posuerunt. Unde intelligendum est quod, facta consecratione panis, est
quidem corpus Christi ibi ex vi sacramenti, et sanguis ex reali concomitantia; sed
postmodum, post consecrationem vini, fit ibi e converso sanguis Christi ex vi sacramenti,
corpus autem Christi ex reali concomitantia; ita quod totus Christus est sub utraque
specie, sicut supra dictum est. (IIIa q. 78 a. 6 ad 1)
1 — Door deze redenering hebben, naar het schijnt, de voorstanders van bovengenoemde mening
zich laten verleiden. Daarom moet men weten, dat na de consecratie van het brood het
Lichaam van Christus aanwezig is uit kracht van het Sacrament en het Bloed tengevolge
van de verbondenheid in de werkelijkheid; maar later komt daarentegen door de consecratie
van de wijn het Bloed van Christus tegenwoordig uit kracht van het Sacrament, het
Lichaam echter uit verbondenheid in de werkelijkheid, zodat de hele Christus onder
beide gedaanten is, gelijk boven gezegd is (76e Kw. 2e Art.).
Ad secundum dicendum quod hoc sacramentum est unum perfectione, sicut supra dictum
est, inquantum scilicet constituitur ex duobus, scilicet ex cibo et potu, quorum utrumque
per se habet suam perfectionem. Sed tres immersiones Baptismi ordinantur ad unum simplicem
effectum. Et ideo non est simile. (IIIa q. 78 a. 6 ad 2)
2 — Dit Sacrament is één naar volkomenheid, zoals boven gezegd is (73e Kw. 2e Art.), voorzover
het samengesteld is uit twee dingen t.w. spijs en drank, waarvan ieder op zich zijn
eigen volkomenheid bezit; de drie onderdompelingen van het doopsel zijn daarentegen
gericht op een enkelvoudig uitwerksel, en dus gaat de vergelijking niet op.
Ad tertium dicendum quod diversa verba quae sunt in forma consecrationis panis, constituunt
veritatem unius locutionis, non autem verba diversarum formarum. Et ideo non est simile. (IIIa q. 78 a. 6 ad 3)
3 — De onderscheidene woorden in de vorm van de consecratie van het brood maken te samen
de waarheid van één gezegde, wat niet geldt van de woorden der onderscheidene vormen,
en dus gaat de vergelijking niet op.