QuaestioArticulus

Tertia Pars. Quaestio 72.
Over het Vormsel .

Prooemium

Consequenter considerandum est de sacramento confirmationis. Et circa hoc quaeruntur duodecim. Primo, utrum confirmatio sit sacramentum. Secundo, de materia eius. Tertio, utrum sit de necessitate sacramenti quod chrisma fuerit prius per episcopum consecratum. Quarto, de forma ipsius. Quinto, utrum imprimat characterem. Sexto, utrum character confirmationis praesupponat characterem baptismalem. Septimo, utrum conferat gratiam. Octavo, cui competat recipere hoc sacramentum. Nono, in qua parte. Decimo, utrum requiratur aliquis qui teneat confirmandum. Undecimo, utrum hoc sacramentum per solos episcopos detur. Duodecimo, de ritu eius. (IIIa q. 72 pr.)

Verder moeten we ook het Sacrament van het vormsel nader onderzoeken. Dienaangaande komen twaalf verschillende zaken ter sprake. 1. Is het vormsel een Sacrament? 2. Over de stof van het vormsel. 3. Is het voor de geldigheid van dit Sacrament noodig dat het chrisma eerst door de bisschop zou gewijd worden? 4. Over de vorm van het vormsel. 5. Of het vormsel een merkteken inprint? 6. Of het merkteken van het vormsel dit van het doopsel onderstelt? 7. Of het vormsel genade verleent? 8. Wie moet het Sacrament van het vormsel ontvangen? 9. Waar moet het Sacrament van het vormsel toegediend worden? 10. Moet iemand de vormeling vasthouden? 11. Wordt dit Sacrament enkel door de bisschoppen gegeven? 12. Over de ritus van dit Sacrament.

Articulus 1.
Is het vormsel een Sacrament?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod confirmatio non sit sacramentum. Sacramenta enim ex divina institutione efficaciam habent, sicut supra dictum est. Sed confirmatio non legitur a Christo instituta. Ergo non est sacramentum. (IIIa q. 72 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert dat het vormsel niet een sacrament is. De sacramenten betreffen zoals hierboven bewezen werd, hun macht van de goddelijke instelling. Welnu nergens lezen we in de Heilige Schrift dat Christus het vormsel zou ingesteld hebben. Zo is dus het vormsel niet een sacrament.

Praeterea, sacramenta novae legis in veteri praefigurata fuerunt, ut apostolus dicit, I Cor. X, quod omnes in Moyse baptizati sunt in nube et in mari, et omnes eandem spiritualem escam manducaverunt, et omnes eundem potum spiritualem biberunt. Sed confirmatio non fuit praefigurata in veteri testamento. Ergo non est sacramentum. (IIIa q. 72 a. 1 arg. 2)

2 — De sacramenten der nieuwe wet werden in het oude testament voorafgebeeld. Derhalve zegt de Apostel in zijn *Ie Brief aan de Korinthiërs* (10, 2): « Allen werden in de wolk en in de zee in Mozes gedoopt: en allen hebben dezelfde geestelijke spijs gegeten en dezelfde geestelijke drank gedronken. » Welnu, het vormsel werd niet in het oude testament voorafgebeeld. Zo is dus het vormsel niet een sacrament.

Praeterea, sacramenta ordinantur ad hominum salutem. Sed sine confirmatione potest esse salus, nam pueri baptizati sine confirmatione decedentes salvantur. Ergo confirmatio non est sacramentum. (IIIa q. 72 a. 1 arg. 3)

3 — De sacramenten zijn tot zaligheid van de mensen ingesteld. Welnu, de mensen kunnen zonder het vormsel zalig worden, kinderen immers die gedoopt zijn en zonder vormsel sterven worden gered. Zo is dus het vormsel geen sacrament.

Praeterea, per omnia sacramenta Ecclesiae homo Christo conformatur, qui est sacramentorum auctor. Sed per confirmationem homo Christo conformari non potest, qui non legitur esse confirmatus. (IIIa q. 72 a. 1 arg. 4)

4 — Door alle Sacramenten der Heilige Kerk worden de mensen gelijkvormig aan Christus die er de insteller van is. Welnu, door het vormsel wordt de mens niet gelijkvormig aan Christus die immers niet gevormd werd. Zo is dus het vormsel niet een sacrament.

Sed contra est quod Melchiades Papa scribit Hispaniarum episcopis, de his super quibus rogastis nos vos informari, idest, utrum maius sit sacramentum manus impositio episcoporum an Baptismus, scitote utrumque magnum esse sacramentum. (IIIa q. 72 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter wat paus Melchiades aan de bisschoppen van Spanje schreef: « Ge hebt me gevraagd welk het grootste sacrament is: de handenoplegging van de bisschop of het vormsel? — die twee sacramenten zijn grote sacramenten. »

Respondeo dicendum quod sacramenta novae legis ordinantur ad speciales gratiae effectus, et ideo, ubi occurrit aliquis specialis effectus gratiae, ibi ordinatur speciale sacramentum. Quia vero sensibilia et corporalia gerunt spiritualium et intelligibilium similitudinem, ex his quae in vita corporali aguntur, percipere possumus quid in spirituali vita speciale existat. Manifestum est autem quod in vita corporali specialis quaedam perfectio est quod homo ad perfectam aetatem perveniat, et perfectas actiones hominis agere possit, unde et apostolus dicit, I Cor. XIII, cum autem factus sum vir, evacuavi quae erant parvuli. Et inde etiam est quod, praeter motum generationis, quo aliquis accipit vitam corporalem, est motus augmenti, quo aliquis perducitur ad perfectam aetatem. Sic igitur et vitam spiritualem homo accipit per Baptismum, qui est spiritualis regeneratio. In confirmatione autem homo accipit quasi quandam aetatem perfectam spiritualis vitae. Unde Melchiades Papa dicit, spiritus sanctus, qui super aquas Baptismi salutifero descendit lapsu, in fonte plenitudinem tribuit ad innocentiam, in confirmatione augmentum praestat ad gratiam. In Baptismo regeneramur ad vitam, post Baptismum roboramur. Et ideo manifestum est quod confirmatio est speciale sacramentum. (IIIa q. 72 a. 1 co.)

De sacramenten der nieuwe wet zijn op speciale uitwerkingen van de genade berekend, en daarom werd voor iedere bijzondere uitwerking van de genade een afzonderlijk sacrament ingesteld. Daar nu zintuigelijke en lichamelijke zaken met geestelijke en verstandszaken gelijkenis bieden, zo kunnen we ertoe komen te weten wanneer een bijzondere genade nodig is, uit hetgeen we bij het lichamelijke leven gewaar werden. Welnu, duidelijk is het dat wanneer de mens lichamelijk tot volmaakt mensentype uitgroeit en als mens volmaakte menselijke handelingen weet te stellen dit voor hem een volmaaktheid is. Daarom zegt de Apostel in zijn 1ste Brief aan de Korinthiërs (13, 11): « Toen ik man werd, legde ik het kinderlijke af. » En zo, bestaat dan behalve de geboorte waardoor we het lichamelijke leven ontvangen, ook nog de lichaamsgroei waardoor iemand tot volkomen lichaamsvolmaaktheid uitgroeit. Op de zelfde wijze nu, hoewel in geestelijke zin, erlangt de mens door het doopsel het geestelijke leven, en dit is een geestelijke wedergeboorte; bij het vormsel daarentegen ontvangt hij als een volmaakte ouderdom in het geestelijke leven. Daarom zegt Paus Melchiades dat « de Heilige Geest, die door een zaligende nederdaling, over de wateren van het doopsel nederdaalde, aan dit water de kracht gegeven heeft om ons helemaal te zuiveren; bij het vormsel daarentegen laat de Heilige Geest ons in genade toenemen. In het doopsel worden we terug tot het leven geboren, na het doopsel worden we tot de strijd uitgerust; in het doopsel worden we gezuiverd, na het doopsel worden we versterkt ». Zo is het dus duidelijk dat het vormsel een bijzonder sacrament is.

Ad primum ergo dicendum quod circa institutionem huius sacramenti est triplex opinio. Quidam enim dixerunt quod hoc sacramentum non fuit institutum nec a Christo nec ab apostolis, sed postea processu temporis in quodam Concilio. Alii vero dixerunt quod fuit institutum ab apostolis. Sed hoc non potest esse, quia instituere novum sacramentum pertinet ad potestatem excellentiae, quae competit soli Christo. Et ideo dicendum quod Christus instituit hoc sacramentum, non exhibendo, sed promittendo, secundum illud Ioan. XVI, nisi ego abiero, Paraclitus non veniet ad vos, si autem abiero, mittam eum ad vos. Et hoc ideo quia in hoc sacramento datur plenitudo spiritus sancti, quae non erat danda ante Christi resurrectionem et ascensionem, secundum illud Ioan. VII, nondum erat spiritus datus, quia Iesus nondum erat glorificatus. (IIIa q. 72 a. 1 ad 1)

1 — Aangaande de instelling van dit sacrament bestaan er twee verschillende meningen. Sommigen zeiden dat dit sacrament noch door Christus noch door de Apostelen, maar later in de loop der tijden op een kerkvergadering werd ingesteld. Anderen beweren dat de Apostelen het vormsel hebben ingesteld. — Dit kan echter niet, een nieuw sacrament in te stellen komt immers enkel en alleen aan de waardigheidsmacht die alleen Christus bezit toe. Daarom moet dan gezegd worden dat Christus dit sacrament met het te beloven, maar niet door het feitelijk te hebben aangeleerd of overgeleverd, heeft ingesteld. Zo staat er toch in het Evangelie van Joannes (16, 7) : « Want als ik niet heen ging zou de Helper niet tot U komen; doch als ik ga zal ik Hem tot U zenden. » — Gebeurde nu dit alles op zo een manier, dan is zulks omdat dit sacrament de volheid van de Heilige Geest, die niet vóór de verrijzenis en de hemelvaart van Christus kon gegeven worden, verleende. De Heilige Joannes (7, 39) zegt overigens : « Want de Geest was er nog niet omdat Jezus nog niet verheerlijkt was. »

Ad secundum dicendum quod confirmatio est sacramentum plenitudinis gratiae, et ideo non potuit habere aliquid respondens in veteri lege, quia nihil ad perfectum adduxit lex, ut dicitur Heb. VII. (IIIa q. 72 a. 1 ad 2)

2 — Omdat het vormsel het sacrament is van de volkomenheid der genade, daarom is er in het oude testament niets dat aan dit sacrament beantwoord; de oude wet heeft immers, zoals in de Brief aan de Hebreërs (7, 19) staat, niets tot volmaaktheid gebracht.

Ad tertium dicendum quod, sicut supra dictum est, omnia sacramenta sunt aliqualiter necessaria ad salutem, sed quaedam sine quibus non est salus, quaedam vero sicut quae operantur ad perfectionem salutis. Et hoc modo confirmatio est de necessitate salutis, quamvis sine ea possit esse salus, dummodo non praetermittatur ex contemptu sacramenti. (IIIa q. 72 a. 1 ad 3)

3 — Hierboven hebben we in het 4e Artikel der 65e Kwestie bewezen dat alle sacramenten enigermate voor de zaligheid onontbeerlijk zijn; sommige sacramenten zijn nl. volstrekt onontbeerlijk, zodat men zonder die niet kan zalig worden, andere helpen ons om beter onze zaligheid te erlangen, en op die wijze is het vormsel, alhoewel men ook, behalve als men dit sacrament uit misprijzen verwaarloost, zonder vormsel kan zalig worden, voor de zaligheid onontbeerlijk.

Ad quartum dicendum quod illi qui confirmationem accipiunt, quae est sacramentum plenitudinis gratiae, Christo conformantur inquantum ipse a primo instanti suae conceptionis fuit plenus gratiae et veritatis, ut dicitur Ioan. I. Quae quidem plenitudo declarata est in Baptismo, quando spiritus sanctus descendit corporali specie super eum. Unde et Luc. IV dicitur quod Iesus plenus spiritu sancto regressus est a Iordane. Non autem conveniebat dignitati Christi, qui est sacramentorum auctor, ut a sacramento plenitudinem gratiae acciperet. (IIIa q. 72 a. 1 ad 4)

4 — Degenen die het vormsel, sacrament van genadevolkomenheid, ontvangen, worden gelijkvormig gemaakt aan Christus; vanaf het eerste ogenblik van zijn ontvangst was Hij immers, zoals Joannes zegt (1, 14) vol van genade en waarheid. Die volkomenheid van genade nu werd bij het doopsel van Christus, wanneer de Heilige Geest onder een stoffelijke vorm over hem nederdaalde, aan de mensen bekend gemaakt. Daarom zegt Sint Lucas (4, 1): « Jezus vol van de Heilige Geest kwam terug van de Jordaan. » Het strookte immers niet met zijn waardigheid dat Hij die de insteller was van de genade, de volkomenheid van die genade door dit sacrament zou ontvangen.

Articulus 2.
Is chrisma voor het vormsel de geschikte stof?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod chrisma non sit conveniens materia huius sacramenti. Hoc enim sacramentum, ut dictum est, institutum est a Christo promittente discipulis spiritum sanctum. Sed ipse misit eis spiritum sanctum absque chrismatis unctione. Ipsi etiam apostoli hoc sacramentum conferebant per solam manus impositionem, absque chrismate, dicitur enim Act. VIII quod apostoli imponebant manus super baptizatos, et accipiebant spiritum sanctum. Ergo chrisma non est materia huius sacramenti, quia materia est de necessitate sacramenti. (IIIa q. 72 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert dat voor het vormsel het chrisma niet de geschikte stof is. In het vorige Artikel werd gezegd dat Christus wanneer Hij de Heilige Geest aan zijn leerlingen beloofde dit sacrament heeft ingesteld. Welnu de Heilige Geest heeft Hij gezonden zonder iemand met chrisma te zalven. Ja zelfs de Apostelen dienden dit sacrament zonder chrisma alleen door handenoplegging toe. Er staat immers in de Hand. der Apostelen (8, 17) geschreven: « Toen legden zij hun de handen op en ze ontvingen de Heilige Geest. » — Zo is dus, daar voor de geldigheid van het sacrament de stof onontbeerlijk is, niet het chrisma de stof van het vormsel.

Praeterea, confirmatio quodammodo perficit sacramentum Baptismi, sicut supra dictum est, et ita debet ei conformari sicut perfectio perfectibili. Sed in Baptismo est materia simplex elementum, scilicet aqua. Ergo huius sacramenti non est conveniens materia chrisma, quod conficitur ex oleo et balsamo. (IIIa q. 72 a. 2 arg. 2)

2 — Zoals hierboven in het 4° artikel der 65° kwestie gezegd werd, wordt het doopsel in zekere zin door het vormsel vervolmaakt, en zo moet er, daar toch het volmaakte op hetgeen vervolmaakt gelijkt, tussen beide gelijkenis bestaan. Welnu, voor het doopsel is de stof water, een eenvoudige zaak dus, en zo is het chrisma uit olie en balsem vervaardigd, voor het vormsel niet een geschikte stof.

Praeterea, oleum assumitur in materia huius sacramenti ad inungendum. Sed quolibet oleo potest fieri inunctio, puta oleo quod fit ex nucibus, et ex quibuscumque aliis rebus. Non ergo solum oleum olivarum debet assumi ad huiusmodi sacramentum. (IIIa q. 72 a. 2 arg. 3)

3 — Olie wordt om te zalven als stof van het vormsel gebruikt. Nu kunnen echter verschillende oliën gebruikt worden, zo bijvoorbeeld die uit noten of ook nog uit andere zaken getrokken en zo mag men nog andere olie dan olijfolie gebruiken.

Praeterea, supra dictum est quod aqua assumitur ut materia ad baptizandum quia ubique de facili invenitur. Sed oleum olivarum non ubique invenitur, et multo minus balsamum. Non ergo chrisma, quod ex his conficitur, est conveniens materia huius sacramenti. (IIIa q. 72 a. 2 arg. 4)

4 — In het 3° Artikel der 66° Kwestie werd gezegd dat water, dat overal zo gemakkelijk te vinden is, de stof is van het doopsel. Olijfolie integendeel valt niet zo gemakkelijk overal te vinden en balsem nog veel minder. Zo is dus het chrisma dat uit die stoffen bestaat voor het vormsel geen geschikte stof.

Sed contra est quod Gregorius dicit, in registro, presbyteri baptizatos infantes signare in frontibus sacro chrismate non praesumant. Ergo chrisma est materia huius sacramenti. (IIIa q. 72 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter wat de Heilige Gregorius zegt: « Priesters mogen de gedoopte kinderen niet met het Heilig chrisma op het voorhoofd vormen. » Zo is dus het chrisma wel degelijk de stof van dit sacrament.

Respondeo dicendum quod chrisma est conveniens materia huius sacramenti. Sicut enim dictum est, in hoc sacramento datur plenitudo spiritus sancti ad robur spirituale, quod competit perfectae aetati. Homo autem, cum ad perfectam aetatem pervenerit, incipit iam communicare actiones suas ad alios, antea vero quasi singulariter sibi ipsi vivit. Gratia vero spiritus sancti in oleo designatur, unde Christus dicitur esse, unctus oleo laetitiae, propter plenitudinem spiritus sancti quam habuit. Et ideo oleum competit materiae huius sacramenti. Admiscetur autem balsamum propter fragrantiam odoris, quae redundat ad alios, unde et apostolus dicit, II Cor. II, Christi bonus odor sumus, et cetera. Et licet multa alia sint odorifera, tamen praecipue accipitur balsamum, propter hoc quod habet praecipuum odorem, et quia etiam incorruptionem praestat, unde Eccli. XXIV dicitur, quasi balsamum non mixtum odor meus. (IIIa q. 72 a. 2 co.)

Het chrisma is voor dit sacrament een geschikte stof. Zoals we immers in het vorig Artikel zeiden, wordt in dit sacrament de volkomenheid van de Heilige Geest tot geestelijke kracht, die van de volmaakte wasdom deel uitmaakt, gegeven. Wanneer toch de mens tot zijn volmaakte wasdom gekomen is begint hij, terwijl hij vroeger afzonderlijk en als voor zichzelf leefde, met andere mensen in betrekking te treden. Welnu de genade van de Heilige Geest wordt door de olie verzinnebeeld; daarvandaan dat men zegt dat Christus om reden van de volkomenheid van de Heilige Geest die Hij bezat met vreugdeolie bestreken was. Zo is dus olie voor dit sacrament een geschikte stof; alleen wordt er om de goede geur die de andere mensen dan ruiken balsem mee vermengd. Daarom zegt de Apostel in de IIe Brief aan de Korinthiërs (2, 15) : « Wij zijn voor God de goede geur van Christus », en alhoewel veel andere zaken welriekend zijn, toch wordt, omdat deze een allerbeste geur heeft en omdat hij het bederf tegengaat, balsem gebruikt. Zo zegt dan ook Eccli. (24, 21) : « Mijn geur is onvermengde balsem. »

Ad primum ergo dicendum quod Christus ex potestate quam habet in sacramentis, contulit apostolis rem huius sacramenti, idest plenitudinem spiritus sancti, sine sacramento, eo quod ipsi primitias spiritus sancti acceperunt, sicut dicitur Rom. VIII. Nihilominus tamen aliquid conforme materiae huius sacramenti exhibitum fuit apostolis sensibiliter in collatione spiritus sancti. Quod enim spiritus sanctus sensibiliter super eos descendit in specie ignis, ad eandem significationem refertur ad quam refertur oleum, nisi quod ignis habet vim activam, oleum autem vim passivam, inquantum est materia et fomentum ignis. Et hoc satis competebat, nam per apostolos gratia spiritus sancti erat ad alios derivanda. Super apostolos etiam spiritus sanctus descendit in figura linguae. Quod ad idem refertur significandum quod significat balsamum, nisi quod lingua per locutionem est communicativa ad alterum, balsamum vero per odorem; quia scilicet apostoli replebantur spiritu sancto ut fidei doctores, alii vero fideles ut operatores eorum quae pertinent ad aedificationem fidelium. Similiter etiam ad impositionem manus apostolorum, et etiam ad eorum praedicationem, descendebat plenitudo spiritus sancti super fideles sub visibilibus signis, sicut a principio descenderat super apostolos, unde Petrus dicit, Act. XI, cum coepissem loqui, cecidit spiritus sanctus super eos, sicut et in nos in initio. Et ideo non erat necessaria sensibilis materia sacramentalis, ubi sensibilia signa miraculose exhibebantur divinitus. Utebantur tamen apostoli communiter chrismate in exhibitione sacramenti, quando huiusmodi visibilia signa non exhibebantur. Dicit enim Dionysius, IV cap. Eccl. Hier., est quaedam perfectiva operatio, quam duces nostri, idest apostoli, chrismatis hostiam nominant. (IIIa q. 72 a. 2 ad 1)

1 — Door de waardigheidsmacht die Christus over de sacramenten bezit heeft hij aan zijn Apostelen zonder sacrament de zaak van het sacrament, de volheid van de Heilige Geest namelijk, gegeven; zij bezitten immers naar het woord van Sint Paulus (Rom. 8, 23): « De eerstelingen van de Geest ». Nochtans werd ook aan de Apostelen wanneer ze de Heilige Geest ontvingen iets zintuigelijk-waarneembaars, dat met de stof van dit sacrament gelijkenis bood, gegeven. Wanneer namelijk de Heilige Geest in de vorm van vuur boven hen verscheen, gaf zulks, alhoewel het vuur meer bedrijvig optreedt dan olie die, omdat ze stof is en voedsel voor het vuur, lijdzaam blijft, hetzelfde als olie te kennen. Dit hoorde overigens ook zo want het waren de Apostelen die de genade van de Heilige Geest aan de andere mensen moesten meedelen. — De vorm van een tong waaronder de Heilige Geest op de Apostelen nederdaalde gaf verder hetzelfde als balsem te kennen; de tong stelt ons immers door de spraak, balsem integendeel door zijn geur met andere mensen in betrekking. Welnu, als geloofsleeraren waren de Apostelen vol van de Heilige Geest, de gelovigen integendeel als degenen die door hun goede werken anderen zouden stichten. — De volheid van de Heilige Geest daalde ook op de gelovigen zoals bij de handenoplegging of onder de prediking der Apostelen, juist op dezelfde wijze als bij het begin met de Apostelen gebeurd was, onder waarneembare tekenen neder. Daarom zegt de Heilige Petrus in de Handelingen (11, 15): « Toen ik begon te spreken viel de Heilige Geest over hen evenals ook over ons in het begin », en daarom was er daar, waar de goddelijke kracht op mirakuleuze wijze zintuigelijk-waarneembare dingen bewerkte, geen zintuigelijk-waarneembare stof nodig. Niettemin gebruikten echter de Apostelen over het algemeen wanneer ze dit sacrament wilden toedienen, en die zichtbare tekenen niet door God werden veroorzaakt, chrisma. Dyonisius zegt ons immers in zijn « Kerkelijke Hierarchie » (4): « Er bestaat een handeling die ons volkomenheid geeft; onze leiders, de Apostelen namelijk, noemen haar mysterie van het Chrisma. »

Ad secundum dicendum quod Baptismus datur ad spiritualem vitam simpliciter consequendam, et ideo competit illi sacramento materia simplex. Sed hoc sacramentum datur ad plenitudinem consequendam spiritus sancti, cuius est multiformis operatio, secundum illud Sap. VII, est autem in illa spiritus sanctus, unicus, multiplex, et I Cor. XII dicitur, divisiones gratiarum sunt, idem autem spiritus. Et ideo convenienter huius sacramenti est materia composita. (IIIa q. 72 a. 2 ad 2)

2 — Het doopsel is er op berekend zonder meer het geestelijke leven te schenken, en daarom wordt daartoe een enkelvoudige stof gebruikt. Het vormsel daarentegen schenkt ons de volheid van de Heilige Geest, wiens werking naar de woorden uit het Boek der Wijsheid (7, 22) veelzijdig is: « In de Wijsheid is een geest van verstand, heilig, enig en veelzijdig. » En Sint Paulus schrijft in zijn Eerste Brief aan de Korinthiërs (12, 4): Verscheidene gaven zijn er, doch er is maar één en dezelfde geest. Zo moet dus ook de stof van dit sacrament uit verschillende zaken samengesteld zijn.

Ad tertium dicendum quod proprietates olei quibus significatur spiritus sanctus, magis inveniuntur in oleo olivarum quam in quocumque alio oleo. Unde et ipsa oliva, semper frondibus virens, virorem et misericordiam spiritus sancti significat. Hoc etiam oleum proprie dicitur oleum, et maxime habetur in usu ubi haberi potest. Quilibet autem alius liquor ex similitudine huius oleum nominatur, nec est in usu communi, nisi in supplementum apud eos quibus deest oleum olivarum. Et ideo hoc oleum solum assumitur in usum huius et quorundam aliorum sacramentorum. (IIIa q. 72 a. 2 ad 3)

3 — De eigenschappen van de olie waardoor men de Heilige Geest wil te kennen geven vinden we beter in olijfolie dan in andere oliën terug. De olijfboom met zijn groene bladeren verzinnebeeldt nl. de kracht en de barmhartigheid van de Heilige Geest. Daarbij wordt als men van olie spreekt, gewoonlijk olijfolie bedoeld, en daar waar ze te vinden is wordt meestal ook olijfolie gebruikt. Andere vloeistoffen integendeel noemt men alleen olie in de mate waarin ze op olijfolie gelijken, en worden enkel daar gebruikt waar olijfolie ontbreekt. Daarom dan wordt bij het vormsel zoals tevens ook bij de andere sacramenten alleen olijfolie gebruikt.

Ad quartum dicendum quod Baptismus est sacramentum absolutae necessitatis, et ideo eius materia debet ubique inveniri. Sufficit autem quod materia huius sacramenti, quod non est tantae necessitatis, possit de facili ad omnia loca terrarum deferri. (IIIa q. 72 a. 2 ad 4)

4 — Het doopsel is voor de zaligheid volstrekt onontbeerlijk en daarom dient de stof van het doopsel overal te vinden te zijn. Voor het vormsel daarentegen was het, daar het sacrament niet even onontbeerlijk is, voldoende dat de stof naar alle werelddelen kan worden overgevoerd.

Articulus 3.
Is het voor de geldigheid van dit Sacrament nodig dat het chrisma eerst door de bisschop zou gewijd worden?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod non sit de necessitate huius sacramenti quod chrisma, quod est materia huius sacramenti, fuerit prius per episcopum consecratum. Baptismus enim, in quo fit plena remissio peccatorum, non est minoris efficaciae quam hoc sacramentum. Sed, licet quaedam sanctificatio adhibeatur aquae baptismali ante Baptismum, non tamen est de necessitate sacramenti, quia in articulo necessitatis praeteriri potest. Ergo nec est de necessitate huius sacramenti quod chrisma fuerit per episcopum consecratum. (IIIa q. 72 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert dat tot de geldigheid van dit sacrament niet vereischt wordt dat het Chrisma eerst door de bisschop zou gewijd worden. Het doopsel dat ons volledige vergiffenis van zonden schenkt, is niet minder krachtig dan het vormsel. Welnu, alhoewel het water vóór het vormsel gewijd wordt, wordt zulks voor de geldigheid niet vereischt, in nood toch mag die wijding worden overgeslagen. Zo wordt dus evenmin hier tot de geldigheid vereischt dat het Chrisma eerst door de bisschop zou worden gewijd.

Praeterea, idem non debet bis consecrari. Sed materia sacramenti sanctificatur in ipsa collatione sacramenti per formam verborum qua confertur sacramentum, unde et Augustinus dicit, super Ioan., accedit verbum ad elementum et fit sacramentum. Non ergo debet prius chrisma consecrari quam hoc sacramentum tradatur. (IIIa q. 72 a. 3 arg. 2)

2 — Hetzelfde moet niet tweemaal gewijd worden. Welnu, de stof van het sacrament wordt bij de toediening zelf, door de vorm der woorden waardoor de mensen de sacramenten ont- vangen, geheiligd. Daarvandaan dat de Heilige Augustinus zegt (80e Traktaat op Joannes) : « Het woord wordt met het element verenigd, en het sacrament ontstaat. » Zo moet dus het chrisma niet vooraleer men het sacrament toedient gewijd worden.

Praeterea, omnis consecratio quae fit in sacramentis, ad consecutionem gratiae ordinatur. Sed materia sensibilis confecta ex oleo et balsamo non est capax gratiae. Ergo non debet ei aliqua consecratio adhiberi. (IIIa q. 72 a. 3 arg. 3)

3 — De wijdingen die omtrent de sacramenten geschieden zijn er op berekend genade te verlenen. Welnu, zintuigelijk-waarneembare stof uit olie en balsem kan geen genade ontvangen. Zo behoort dus die stof niet gewijd te worden.

Sed contra est quod Innocentius Papa dicit, presbyteris, cum baptizant, ungere baptizatos chrismate liceat, quod ab episcopo fuerat consecratum, non tamen frontem ex eodem oleo signare, quod solis debetur episcopis, cum tradunt Paraclitum; quod quidem fit in hoc sacramento. Ergo ad hoc sacramentum requiritur quod materia huius sacramenti prius per episcopum consecretur. (IIIa q. 72 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter dat paus Innocentius het volgende zegt (De Consecr. Dist. IV, Cap. 119, Presbyteris) : « Het is de priesters toegelaten, wanneer ze dopen, de dopelingen met het chrisma dat door de bisschop gewijd werd te zalven. Alleen mogen ze niet op het voorhoofd balsemen, dit blijft immers de bisschoppen wanneer ze de Heilige Geest geven voorbehouden. » Dit nu geschiedt bij het vormsel en zo dient dus bij dit sacrament chrisma dat door de bisschop gewijd werd gebruikt te worden.

Respondeo dicendum quod tota sacramentorum sanctificatio a Christo derivatur, ut supra dictum est. Est autem considerandum quod quibusdam sacramentis habentibus materiam corpoream Christus est usus, scilicet Baptismo et etiam Eucharistia. Et ideo ex ipso usu Christi materiae horum sacramentorum aptitudinem acceperunt ad perfectionem sacramenti. Unde Chrysostomus dicit quod nunquam aquae Baptismi purgare peccata credentium possent, nisi tactu dominici corporis sanctificatae fuissent. Et ipse similiter dominus, accipiens panem, benedixit, similiter autem et calicem, ut habetur Matth. XXVI et Luc. XXII. Et propter hoc non est de necessitate horum sacramentorum quod materia prius benedicatur, quia sufficit benedictio Christi. Si qua vero benedictio adhibeatur, pertinet ad solemnitatem sacramenti, non autem ad necessitatem. Unctionibus autem visibilibus Christus non est usus, ne fieret iniuria invisibili unctioni qua est unctus prae consortibus suis. Et ideo tam chrisma quam oleum sanctum et oleum infirmorum prius benedicuntur quam adhibeantur ad usum sacramenti. (IIIa q. 72 a. 3 co.)

De heiligmaking die door de sacramenten geschiedt, heeft, zoals we in het 3e Artikel der 64e Kwestie zeiden, haar oorsprong in Christus. Nochtans er moet op gewezen worden dat Christus sommige sacramenten, die een zintuigelijk-waarneembare stof hadden het doopsel namelijk en de Eucharistie, heeft toegediend, en zo heeft die stof door het gebruik dat Christus er van maakte de noodige geschiktheid gekregen om bij de sacramenten als stof te dienen. Daarom zegt Chrysostomus in zijn Commentaar op Mt. (3) : « De wateren zouden bij het doopsel nooit de kracht gehad hebben de gelovigen van hun zonden te reinigen waren ze niet door de aanraking van Christus’ lichaam geheiligd geworden. » Evenzo heeft Christus, wanneer Hij het brood nam en ook wanneer Hij de kelk nam, zoals bij Mattheus (26) en Lucas (22) staat, zelf gezegend. Daarom dan wordt niet tot de geldigheid vereist dat de elementen zouden gezegend worden, de zegen van Christus zelf is hier immers voldoende. Als dit alles niettemin gezegend wordt, dan is het niet omdat het nodig is, maar wel om alles meer plechtigheid bij te zetten. Jezus-Christus echter heeft om geen afbreuk te doen aan de onzichtbare wijding, waardoor Hij boven al zijn gezellen (Ps. 44-10) gezegend was, voor zichzelf nooit zichtbare wijdingen willen gebruiken, en daarom moet het Chrisma evenals ook de olie voor de zieken vooraleer men ze gebruikt, gezegend worden.

Ad primum ergo patet responsio ex dictis. (IIIa q. 72 a. 3 ad 1)

1 — De eerste tegenwerping werd reeds door de leerstelling weerlegd.

Ad secundum dicendum quod utraque consecratio chrismatis non refertur ad idem. Sicut enim instrumentum virtutem instrumentalem acquirit dupliciter, scilicet quando accipit formam instrumenti, et quando movetur a principali agente ita etiam materia sacramenti duplici sanctificatione indiget, per quarum unam fit propria materia sacramenti, per aliam vero applicatur ad effectum. (IIIa q. 72 a. 3 ad 2)

2 — Die twee wijdingen van het chrisma zijn niet op hetzelfde aangewezen; zoals immers een werktuig op dubbele wijze werktuigelijke kracht ontvangt, wanneer het namelijk eigenlijk werktuig wordt en wanneer het door de hoofdoorzaak tot zijn uitwerksel bewogen wordt, zo ook heeft de stof van het sacrament een dubbele wijding van doen, een waardoor ze de eigenlijke stof van het sacrament wordt, een andere waardoor ze in werking treedt.

Ad tertium dicendum quod materia corporalis non est capax gratiae quasi gratiae subiectum, sed solum sicut gratiae instrumentum, ut supra dictum est. Et ad hoc materia sacramenti consecratur, vel ab ipso Christo, vel ab episcopo, qui gerit in Ecclesia personam Christi. (IIIa q. 72 a. 3 ad 3)

3 — Een stoffelijk lichaam kan niet als subject der genade, maar wel, zoals we hierboven in het 1° en 3° artikel der 62° kwestie zeiden, als werktuig der genade genade ontvangen, en daarom wordt de stof van de sacramenten door Christus of door de bisschop, die in de plaats van Christus optreedt, gezegend.

Articulus 4.
Zijn de woorden : « Ik teken u met het teken van het kruis enz » voor het vormsel wel een geschikte vorm?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod haec non sit conveniens forma huius sacramenti, consigno te signo crucis, confirmo te chrismate salutis, in nomine patris et filii et spiritus sancti, amen. Usus enim sacramentorum a Christo et ab apostolis derivatur. Sed neque Christus hanc formam instituit, nec apostoli ea usi leguntur. Ergo haec non est conveniens forma huius sacramenti. (IIIa q. 72 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert dat de woorden « Ik teken u met het teken van het kruis en ik vorm u met het chrisma der zaligheid in de naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes », voor het vormsel niet een geschikte vorm zijn. Het gebruik van de sacramenten is van Christus en de Apostelen tot ons gekomen. Welnu Christus heeft die vorm niet ingesteld, en de Apostelen hebben hem niet gebruikt. Zo past een dergelijke vorm dus niet voor het vormsel.

Praeterea, sicut sacramentum est idem apud omnes, ita et forma debet esse eadem, quia quaelibet res habet unitatem, sicut et esse, a sua forma. Sed hac forma non omnes utuntur, quidam enim dicunt, confirmo te chrismate sanctificationis. Ergo haec non est conveniens forma huius sacramenti. (IIIa q. 72 a. 4 arg. 2)

2 — Indien dit sacrament voor allen hetzelfde is, dan moet het ook voor allen dezelfde vorm hebben. Alles betrekt immers zijn eenheid en zijn wezenheid van zijn vorm. Welnu de vorm van het vormsel is niet overal dezelfde; sommigen immers zeggen: « Ik vorm u met het chrisma der heiligmaking » en zo is bewuste vorm voor het vormsel dus niet geschikt.

Praeterea, sacramentum hoc debet conformari Baptismo sicut perfectio perfectibili, ut supra dictum est. Sed in forma Baptismi non fit mentio de consignatione characteris; nec etiam de cruce Christi, cum tamen per Baptismum homo Christo commoriatur, ut apostolus dicit, Rom. VI; nec etiam fit mentio de effectu salutis, cum tamen Baptismus sit de necessitate salutis. In forma etiam Baptismi ponitur unus actus tantum; et exprimitur persona baptizantis, cum dicitur, ego te baptizo; cuius contrarium apparet in forma praedicta. Non ergo est conveniens forma huius sacramenti. (IIIa q. 72 a. 4 arg. 3)

3 — In het 2e Artikel werd gezegd dat net als er tussen de volmaaktheid en hetgeen er te vervolmaken valt gelijkenis bestaat, het vormsel met het doopsel moet gelijkenis vertonen. Welnu in de vorm van het doopsel wordt noch van het merkteken noch, alhoewel de mens door het doopsel, zoals de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen 6 schrijft, samen met Christus sterft, van het kruis van Christus, noch van de zaligheid, melding gemaakt, en toch is het doopsel voor de zaligheid onontbeerlijk. In de vorm van het doopsel wordt immers van de persoon die doopt gesproken. Men zegt namelijk « Ik doop u »; welnu in de vorm van het vormsel wordt het tegendeel uitgedrukt, en zo is dus bewuste vorm niet passend.

Sed contra est auctoritas Ecclesiae, quae hac forma communiter utitur. (IIIa q. 72 a. 4 s. c.)

Daartegen echter staat het gezag der Heilige Kerk die deze vorm heeft goedgekeurd.

Respondeo dicendum quod praedicta forma est conveniens huic sacramento. Sicut enim forma rei naturalis dat ei speciem, ita forma sacramenti continere debet quidquid pertinet ad speciem sacramenti. Sicut autem ex supra dictis patet, in hoc sacramento datur spiritus sanctus ad robur spiritualis pugnae. Et ideo in hoc sacramento tria sunt necessaria, quae continentur in forma praedicta. Quorum primum est causa conferens plenitudinem roboris spiritualis, quae est sancta Trinitas. Quae exprimitur cum dicitur, in nomine patris et cetera. Secundum est ipsum robur spirituale, quod homini confertur per sacramentum materiae visibilis ad salutem. Quod quidem tangitur cum dicitur, confirmo te chrismate salutis. Tertium est signum quod pugnatori datur, sicut et in pugna corporali, sicut milites signis ducum insigniuntur. Et quantum ad hoc dicitur, consigno te signo crucis, in quo scilicet rex noster triumphavit, ut dicitur Coloss. II. (IIIa q. 72 a. 4 co.)

Bewuste vorm past volkomen bij dit sacrament. Zoals immers de vorm der dingen uit de natuurlijke orde elk van deze zijn eigen aard schenkt, zo ook moet de vorm der sacramenten alles wat in de natuur van een bepaald sacrament ligt te kennen geven. Zoals nu uit het voorgaande, uit het 1e Artikel namelijk blijkt, wordt in dit sacrament om de mens voor de geestelijke strijd uit te rusten, de Heilige Geest geschonken. Daarom dan dienen voor dit sacrament drie bestanddelen in de vorm te worden te kennen gegeven. Het eerste is de oorzaak die ons de volheid der geestelijke sterkte geeft, de Heilige Geest namelijk, en deze wordt wanneer we zeggen: « In de naam des Vaders des Zoons en des Heiligen Geestes » vermeld; het tweede is de geestelijke kracht die de mens met behulp van die zintuigelijk-waarneembare stof tot zijn zaligheid gegeven wordt, en deze wordt vermeld wanneer gezegd wordt: « Ik vorm u met het chrisma der zaligheid ». Het derde eindelijk is het teken dat, zoals bij lichamelijke strijd soldaten met het teken van hun oversten getekend worden, aan de strijder gegeven wordt. Daarom dan wordt gezegd: « Ik teken u met het teken van het kruis », waardoor namelijk, zoals in de Brief aan de Colossenzen (2, 14) geschreven staat, onze koning overwonnen heeft.

Ad primum ergo dicendum quod, sicut supra dictum est, per ministerium apostolorum quandoque dabatur effectus huius sacramenti, scilicet plenitudo spiritus sancti, quibusdam visibilibus signis miraculose a Deo confectis, qui potest effectum sacramenti sine sacramento conferre. Et tunc non erat necessaria nec materia nec forma huius sacramenti. Quandoque autem tanquam ministri sacramentorum hoc sacramentum praebebant. Et tunc, sicut materia, ita et forma ex mandato Christi utebantur. Multa enim servabant apostoli in sacramentorum collatione quae in Scripturis communiter propositis non sunt tradita. Unde Dionysius dicit, in fine Eccl. Hier., consummativas invocationes, idest verba quibus perficiuntur sacramenta, non est iustum Scripturas interpretantibus, neque mysticum earum, aut in ipsis operatas ex Deo virtutes, ex occulto ad commune adducere, sed nostra sacra traditio sine pompa, idest occulte, edocet eas. Unde et apostolus dicit, loquens de celebratione Eucharistiae, I Cor. XI, cetera cum venero disponam. (IIIa q. 72 a. 4 ad 1)

1 — Zoals hierboven in het 2e Artikel dezer kwestie (Antw. op de eerste bedenking) werd voorgehouden, werd soms door de apostelen de volheid van de Heilige Geest met wonderbare tekenen van God, die de genade van het sacrament zonder sacrament kan schenken, uitgereikt. In dergelijke gevallen was noch de gewone vorm noch de gewone stof voor dit sacrament onontbeerlijk. Het gebeurde echter ook dat de apostelen als bedienaars het sacrament toedienden, en dan gebruikten ze de stof en de vorm die Christus had ingesteld; de apostelen namen immers bij de bediening van de sacramenten veel in acht dat meestal niet in de Heilige Schrift staat opgetekend. Daarvandaan dat Dionysius bij het einde van zijn kerkelijke hiërarchie het volgende zegt: « Het is de Schriftuurverklaarders niet toegelaten de heiligmakende aanroepingen waardoor de sacramenten tot stand komen openbaar te maken, dit zo wat haar mystieke kracht als wat haar uitwerkselen, die Gods kracht er door verwerkt, betreft; integendeel moeten onze overleveringen in het geheim en zonder praalvertoon onderwezen worden. Daarvan zegt de apostel in de 1ste brief aan de Korinthiërs (11, 34) : « De overige zaken zal ik regelen als ik kom. »

Ad secundum dicendum quod sanctitas est salutis causa. Et ideo in idem redit quod dicitur chrismate salutis, et sanctificationis. (IIIa q. 72 a. 4 ad 2)

2 — Heiligheid is de oorzaak onzer zaligheid en daarom komt te zeggen « chrisma der zaligheid » op hetzelfde neer als te zeggen « chrisma der heiligmaking ».

Ad tertium dicendum quod Baptismus est regeneratio in spiritualem vitam, qua homo vivit in seipso. Et ideo non ponitur in forma Baptismi nisi ipse actus ad ipsum hominem pertinens sanctificandum. Sed hoc sacramentum non solum ordinatur ad hoc quod homo sanctificetur in seipso, sed exponitur cuidam pugnae exteriori. Et ideo non solum fit mentio de interiori sanctificatione, cum dicitur, confirmo te chrismate salutis, sed etiam consignatur homo exterius, quasi vexillo crucis, ad pugnam exteriorem spiritualem, quod significatur cum dicitur, consigno te signo crucis. In ipso autem verbo baptizandi, quod ablutionem significat, potest intelligi et materia, quae est aqua abluens, et effectus salutis. Quae non intelliguntur in verbo confirmandi, et ideo oportuit haec ponere. Dictum est autem supra quod hoc quod dicitur, ego, non est de necessitate formae baptismalis, quia intelligitur in verbo primae personae. Apponitur tamen ad exprimendam intentionem. Quod non est ita necessarium in confirmatione, quae non exhibetur nisi ab excellenti ministro, ut infra dicetur. (IIIa q. 72 a. 4 ad 3)

3 — Het doopsel is de wedergeboorte tot het geestelijke leven waardoor de mens in zichzelf leeft, en daarom spreekt men in de vorm van het doopsel slechts van een enkele daad die met de heiligmaking van de mens betrekking heeft. Het vormsel integendeel is er niet alleen op berekend de mens in zichzelf te heiligen, maar ook en vooral hem tot de uitwendige strijd die hij zal moeten doorstaan uit te rusten. Daarom dan wordt niet alleen van de innerlijke heiligmaking gesproken zoals geschiedt bij de woorden: « Ik vorm u met het chrisma der zaligheid », maar ook van het teken des kruises, waardoor de mens uitwendig wordt uitgerust tot de geestelijke strijd. Dit nu wordt uitgedrukt, wanneer men zegt: « Ik teken u met het teken van het kruis ». Verder kunnen in het woord: « dopen » dat wassing betekent, de stof die het wassende water is, en het uitwerksel begrepen worden nl. de zaligheid. In het woord « Ik vorm u » integendeel liggen stof en uitwerksel niet besloten, en daarom dienen ze nog te worden te kennen gegeven. Hierboven zeiden we ook dat het voor de geldigheid van het doopsel niet vereist wordt, het ligt immers in het Latijn reeds in de eerste persoon van het werkwoord besloten, en wordt dan ook alleen om het opzet duidelijk te kennen te geven eraan toegevoegd, bij het vormsel daarentegen is zulks daar, zoals we in het 11e Artikel zullen aantonen, het vormsel alleen door hoogstaande bedienaars wordt toegediend, niet zo noodzakelijk.

Articulus 5.
Prent het Sacrament van het vormsel de ziel een merkteken in?

Ad quintum sic proceditur. Videtur quod sacramentum confirmationis non imprimat characterem. Character enim importat quoddam signum distinctivum. Sed per sacramentum confirmationis non distinguitur homo ab infidelibus, hoc enim fit per Baptismum, nec etiam ab aliis fidelibus, quia hoc sacramentum ordinatur ad pugnam spiritualem, quae omnibus fidelibus indicitur. Non ergo in hoc sacramento imprimitur aliquis character. (IIIa q. 72 a. 5 arg. 1)

1 — Men beweert dat het sacrament van het vormsel de ziel geen merkteken inprint. Een merkteken is een onderscheidingsteken. Welnu, het vormsel onderscheidt een gevormde niet van de ongelovigen, dit toch geschiedt door het doopsel. Evenmin onderscheidt het een gevormde van andere gelovigen; dit sacrament immers rust de mens uit tot de geestelijke strijd, die alle gelovigen aangaat. Zo wordt dus door dit sacrament geen merkteken ingeprent.

Praeterea, supra dictum est quod character est quaedam potentia spiritualis. Potentia autem non est nisi activa vel passiva. Potentia autem activa in sacramentis confertur per sacramentum ordinis, potentia autem passiva, sive receptiva, per sacramentum Baptismi. Ergo per sacramentum confirmationis nullus character imprimitur. (IIIa q. 72 a. 5 arg. 2)

2 — Hierboven werd gezegd dat het merkteken een geestelijk vermogen is (in het 2° Artikel der 63° Kwestie). Een vermogen nu is van bedrijvenden of van lijdenden aard. Een bedrijvig vermogen wordt de mens door het sacrament van het priesterschap geschonken. Een lijdend of ontvangend vermogen daarentegen door het sacrament van het doopsel. Zo kan dus het sacrament van het vormsel niet meer een tweede merkteken inprinten.

Praeterea, in circumcisione, quae est character corporalis, non imprimitur aliquis spiritualis character. Sed in hoc sacramento imprimitur quidam character corporalis, dum scilicet homo chrismate signatur signo crucis in fronte. Non ergo imprimitur in hoc sacramento character spiritualis. (IIIa q. 72 a. 5 arg. 3)

3 — Bij de besnijdenis die een lichamelijk merkteken is, wordt geen geestelijk merkteken ingeprent. Welnu, bij het vormsel wordt, wanneer de mens op het voorhoofd door het teken van het heilig Kruis getekend wordt, een lichamelijk merkteken ingeprent. Zo wordt dus door dit sacrament geen geestelijk merkteken ingeprent.

Sed contra, in omni sacramento quod non iteratur, imprimitur character. Sed hoc sacramentum non iteratur, dicit enim Gregorius, de homine qui a pontifice confirmatus fuerit denuo, talis iteratio prohibenda est. Ergo in confirmatione imprimitur character. (IIIa q. 72 a. 5 s. c.)

Daartegenover staat echter dat elk sacrament dat niet mag worden hernieuwd een merkteken inprint. Welnu het vormsel wordt niet hernieuwd. Paus Gregorius zegt (III, 4. Briev. aan Bonifacius) immers dat « de mens die door de bisschop gevormd wordt niet andermaal mag gevormd worden ». Zo print dus het vormsel een merkteken in.

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, character est quaedam spiritualis potestas ad aliquas sacras actiones ordinata. Dictum est autem supra quod, sicut Baptismus est quaedam spiritualis generatio in vitam Christianam, ita etiam confirmatio est quoddam spirituale augmentum promovens hominem in spiritualem aetatem perfectam. Manifestum est autem ex similitudine corporalis vitae quod alia est actio hominis statim nati, et alia actio competit ei cum ad perfectam aetatem pervenerit. Et ideo per sacramentum confirmationis datur homini potestas spiritualis ad quasdam actiones alias sacras, praeter illas ad quas datur ei potestas in Baptismo. Nam in Baptismo accipit potestatem ad ea agenda quae ad propriam pertinent salutem, prout secundum seipsum vivit, sed in confirmatione accipit potestatem ad agendum ea quae pertinent ad pugnam spiritualem contra hostes fidei. Sicut patet exemplo apostolorum, qui, antequam plenitudinem spiritus sancti acciperent, erant in cenaculo perseverantes in oratione; postmodum autem egressi non verebantur fidem publice fateri, etiam coram inimicis fidei Christianae. Et ideo manifestum est quod in sacramento confirmationis imprimitur character. (IIIa q. 72 a. 5 co.)

Zoals we hierboven in de 63e Kwestie, 1e Artikel gezegd hebben is het merkteken een geestelijk vermogen dat ons in staat stelt vrome daden te stellen. Hierboven zeiden we reeds in het eerste Artikel dezer kwestie dat, evenals in het christelijk leven het doopsel een geestelijke wedergeboorte is, evenzo het vormsel op een geestelijke wasdom, waardoor de mens tot de volkomenheid van het geestelijk leven uitgroeit, neerkomt. Bij vergelijking met het lichamelijke leven blijkt immers al dadelijk dat een mens wanneer hij even geboren werd anders te werk gaat dan wanneer hij reeds de mannenjaren heeft bereikt. Daarom dan wordt door het sacrament van het vormsel aan de mens een geestelijke macht geschonken om sommige daden te stellen die hij, alleen met de krachten die hem bij het doopsel gegeven werden, niet had kunnen stellen. Bij het doopsel toch krijgt de mens macht om hetgeen, in zover hij aan zich beschouwd wordt, voor zijn zaligheid noodig is, te kunnen doen; bij het vormsel daarentegen krijgt hij macht om tegen de vijanden van het geloof te strijden. Dit blijkt overigens uit het leven van de Apostelen, die vóór de komst van de Heilige Geest in het Cenakel met bidden volhielden, en naderhand buiten kwamen en niet meer vreesden in het openbaar, ja zelfs tegenover de vijanden van het christelijk geloof, dit geloof te belijden. Zo is het dan zeker dat door dit sacrament van het vormsel een merkteken wordt ingeprent.

Ad primum ergo dicendum quod pugna spiritualis contra hostes invisibiles omnibus competit. Sed contra hostes visibiles, idest contra persecutores fidei pugnare, nomen Christi confitendo, est confirmatorum, qui iam sunt perducti spiritualiter ad virilem aetatem, secundum quod dicitur I Ioan. II, scribo vobis, iuvenes, quoniam fortes estis, et verbum Dei in vobis manet, et vicistis malignum. Et ideo character confirmationis est signum distinctivum, non infidelium a fidelibus, sed spiritualiter provectorum ab his quibus dicitur, sicut modo geniti infantes. (IIIa q. 72 a. 5 ad 1)

1 — De geestelijke strijd tegen onzichtbare vijanden moet door iedereen gestreden worden, maar de strijd tegen zichtbare vijanden, tegen de vervolgers der Heilige Kerk, met namelijk openlijk de naam van Christus te belijden, is voor gevormde christenen, die geestelijker wijze reeds tot de rijpheid der mannenjaren gekomen zijn, weggelegd. Sint Joannes zegt immers in zijn *I^{en} Brief* (2, 14) : « Ik heb u geschreven, jongelingen, omdat ge sterk zijt en het woord Gods in u blijft en gij de boze overwonnen hebt. » Zo is dus het merkteken van het vormsel een teken niet om gelovigen uit ongelovigen te onderkennen, maar om degenen die in geestelijk opzicht reeds volwassen zijn uit degenen tot wie het woord uit de *I^{en} Brief* van Sint Petrus (2, 2) : « als pasgeboren kinderkens » gericht werd, te onderkennen.

Ad secundum dicendum quod omnia sacramenta sunt quaedam fidei protestationes. Sicut igitur baptizatus accipit potestatem spiritualem ad protestandum fidem per susceptionem aliorum sacramentorum; ita confirmatus accipit potestatem publice fidem Christi verbis profitendi, quasi ex officio. (IIIa q. 72 a. 5 ad 2)

2 — Iedere sacrament is een geloofsbelijdenis. Zoals nu een gedoopte geestelijke macht ontvangt om zijn geloof door het ontvangen van de andere sacramenten te belijden, zo ontvangt de gevormde macht om het geloof van Christus door zijn woorden openlijk en van ambtswege te belijden.

Ad tertium dicendum quod sacramenta veteris legis dicuntur iustitia carnis, ut patet Heb. IX, quia scilicet interius nihil efficiebant. Et ideo in circumcisione imprimebatur character solum in corpore, non autem in anima. Sed in confirmatione cum charactere corporali imprimitur simul character spiritualis, eo quod est sacramentum novae legis. (IIIa q. 72 a. 5 ad 3)

3 — De sacramenten der Oude Wet noemde men, omdat ze in de ziel niets teweegbrachten, sacramenten van vleselijke rechtvaardigheid (Hebreërs, 9, 10). En daarom werd bij de besnijdenis in het vlees en niet in de ziel een merkteken ingeprent. Bij het vormsel daarentegen wordt, omdat het een sacrament der Nieuwe Wet is, samen met het vleselijke merkteken ook een geestelijk ingeprent.

Articulus 6.
Veronderstelt het merkteken van het vormsel ook het merkteken van het doopsel?

Ad sextum sic proceditur. Videtur quod character confirmationis non praesupponat ex necessitate characterem baptismalem. Sacramentum enim confirmationis ordinatur ad confitendum publice fidem Christi. Sed multi etiam ante Baptismum sunt fidem Christi publice confessi, sanguinem fundentes pro fide. Ergo character confirmationis non praesupponit characterem baptismalem. (IIIa q. 72 a. 6 arg. 1)

1 — Men beweert dat het merkteken van het vormsel niet noodzakelijk het merkteken van het doopsel veronderstelt. Het sacrament van het vormsel is er op berekend het geloof in Christus openlijk te doen belijden. Velen echter hebben vóór het doopsel, wanneer ze voor het geloof hun bloed vergoten, hun geloof openlijk beleden. Zo veronderstelt het merkteken van het vormsel dus niet noodzakelijk het merkteken van het doopsel.

Praeterea, de apostolis non legitur quod fuerint baptizati, praesertim cum dicatur, Ioan. IV, quod ipse Christus non baptizabat, sed discipuli eius. Et tamen postea fuerunt confirmati per adventum spiritus sancti. Ergo similiter alii possunt confirmari antequam baptizentur. (IIIa q. 72 a. 6 arg. 2)

2 — Te meer daar we in het Evangelie van Sint Jan (4, 2) lezen dat Christus niet zelf doopte, maar wel zijn leerlingen, staat nergens geschreven dat de Apostelen gedoopt werden. In weerwil daarvan werden ze naderhand bij de komst van de Heiligen Geest gevormd en zo mogen dus ook andere mensen vooraleer ze gedoopt worden gevormd.

Praeterea, Act. X dicitur quod, adhuc loquente Petro, cecidit spiritus sanctus super omnes qui audiebant verbum, et audiebant eos loquentes linguis, et postea iussit eos baptizari. Ergo pari ratione possunt alii prius confirmari quam baptizentur. (IIIa q. 72 a. 6 arg. 3)

3 — In de Hand. (10, 44) staat geschreven dat « Sint Petrus nog aan het spreken was wanneer de Heilige Geest nederdaalde op degenen die naar zijn woord luisterden... en ze hoorden hen talen spreken. » — Sint Petrus nu wilde dat men die mensen zou dopen. Zo kan dan ook dezelfde reden gelden om andere mensen eerst te vormen en naderhand te dopen.

Sed contra est quod Rabanus dicit, de Institut. Cleric., novissime a summo sacerdote per impositionem manus Paraclitus traditur baptizato, ut roboretur per spiritum sanctum ad praedicandum. (IIIa q. 72 a. 6 s. c.)

Daartegenover staat echter wat Rabanus Maurus in zijn « Boek over de vorming der geestelijken » (1, 31) zegt: « De bisschop geeft dan eindelijk aan de gedoopte de Heilige Geest door handenoplegging opdat hij door de Heilige Geest zou gesterkt worden om zijn geloof te belijden. »

Respondeo dicendum quod character confirmationis ex necessitate praesupponit characterem baptismalem, ita scilicet quod, si aliquis non baptizatus confirmaretur, nihil reciperet, sed oporteret ipsum iterato confirmari post Baptismum. Cuius ratio est quia sic se habet confirmatio ad Baptismum sicut augmentum ad generationem, ut ex supra dictis patet. Manifestum est autem quod nullus potest promoveri in aetatem perfectam nisi primo fuerit natus. Et similiter, nisi aliquis primo fuerit baptizatus, non potest sacramentum confirmationis accipere. (IIIa q. 72 a. 6 co.)

Het merkteken van het vormsel onderstelt noodzakelijk het merkteken van het doopsel, zodat degene die, zonder vooraf het doopsel ontvangen te hebben, zou gevormd worden, niets zou ontvangen, maar na het doopsel andermaal zou moeten gevormd worden. De reden daarvan is dat, zoals uit het 1e artikel dezer kwestie blijkt, het vormsel tot het doopsel in dezelfde verhouding staat als wasdom tot geboorte. Het ligt immers voor de hand dat niemand vooraleer geboren te zijn tot rijpheid zou uitgroeien. Welnu, evenzo kan niemand zonder eerst gedoopt te zijn het sacrament van het vormsel ontvangen.

Ad primum ergo dicendum quod virtus divina non est alligata sacramentis. Unde potest conferri homini spirituale robur ad confitendum publice fidem Christi absque sacramento confirmationis, sicut etiam potest consequi remissionem peccatorum sine Baptismo. Tamen, sicut nullus consequitur effectum Baptismi sine voto Baptismi, ita nullus consequitur effectum confirmationis sine voto ipsius. Quod potest haberi etiam ante susceptionem Baptismi. (IIIa q. 72 a. 6 ad 1)

1 — De goddelijke almacht ligt niet aan de band van – noch is beperkt door de sacramentale werking; net zoals God immers zonder het sacrament van het doopsel zonden kan vergeven, kan Hij ook zonder het sacrament van het vormsel die geestelijke kracht, die bestand maakt om in het openbaar het geloof van Christus te belijden, schenken. Alleen kan niemand, evenmin als het aangaat zonder verlangen naar het doopsel, het uitwerksel van het doopsel verkrijgen, zonder de begeerte het vormsel te ontvangen, het uitwerksel van het vormsel erlangen, en die begeerte kan ongetwijfeld vooraleer gedoopt te zijn aanwezig zijn.

Ad secundum dicendum quod, sicut Augustinus dicit, ex hoc quod dominus dicit, Ioan. XIII, qui lotus est, non indiget nisi ut pedes lavet, intelligimus Petrum et alios Christi discipulos fuisse baptizatos, sive Baptismo Ioannis, sicut nonnulli arbitrantur; sive, quod magis credibile est, Baptismo Christi. Neque enim renuit ministerium baptizandi, ut haberet servos per quos ceteros baptizaret. (IIIa q. 72 a. 6 ad 2)

2 — Sint Augustinus zegt aan Seleucianus in zijn 108° Brief op woorden van Sint Jan (13, 10): « Wie een bad genomen heeft moet enkel zijn voeten wassen », dat « we daardoor weten dat Petrus en de andere leerlingen door Christus gedoopt werden of door het doopsel van Joannes, zoals sommigen beweren of wat meer aannemelijk is door het doopsel van Christus; om het doopsel te kunnen toedienen had Hij immers gedoopte bedienaars nodig.»

Ad tertium dicendum quod audientes praedicationem Petri acceperunt effectum confirmationis miraculose, non tamen sacramentum confirmationis. Dictum est autem quod effectus confirmationis potest alicui conferri ante Baptismum, non autem sacramentum confirmationis. Sicut enim effectus confirmationis, qui est robur spirituale, praesupponit effectum Baptismi, qui est iustificatio, ita sacramentum confirmationis praesupponit sacramentum Baptismi. (IIIa q. 72 a. 6 ad 3)

3 — Degenen die de prediking van Sint Petrus bijwoonden verkregen wel op wonderbare wijze de uitwerkselen van het vormsel, maar zeker niet het sacrament van het vormsel. Het uitwerksel van het vormsel kan immers wel zoals we in het 2e en 4e Artikel dezer Kwestie (Antw. op de 1e Bedenking) zeiden vóór het doopsel aan iemand verleend worden, maar niet het sacrament van het vormsel zelf. Zoals immers het uitwerksel van het vormsel dat geestelijke kracht is het uitwerksel van het doopsel, de rechtvaardiging namelijk onderstelt, zo ook onderstelt het sacrament van het vormsel het sacrament van het doopsel.

Articulus 7.
Wordt door het vormsel de heiligmakende genade geschonken?

Ad septimum sic proceditur. Videtur quod per hoc sacramentum gratia gratum faciens non conferatur. Gratia enim gratum faciens ordinatur contra culpam. Sed hoc sacramentum, sicut dictum est, non exhibetur nisi baptizatis, qui sunt a culpa mundati. Ergo per hoc sacramentum gratia gratum faciens non confertur. (IIIa q. 72 a. 7 arg. 1)

1 — Men beweert dat door dit sacrament de heiligmakende genade niet geschonken wordt. De heiligmakende genade is een geneesmiddel tegen de zonde. Welnu, in het vorige Artikel werd er gezegd dat het vormsel enkel aan degenen die gedoopt en dus van alle schuld gereinigd zijn wordt toe gediend. Zo verleent dus dit sacrament niet de heiligmakende genade.

Praeterea, peccatores maxime indigent gratia gratum faciente, per quam solam iustificari possunt. Si ergo per hoc sacramentum gratia gratum faciens confertur, videtur quod deberet dari hominibus in peccato existentibus. Quod tamen non est verum. (IIIa q. 72 a. 7 arg. 2)

2 — De zondaars hebben om rechtvaardig gemaakt te worden vooral de heiligmakende genade nodig. Welnu, moest dit sacrament de heiligmakende genade schenken, dan zou het aan de zondaars dienen te worden uitgereikt. Dit nu is niet het geval.

Praeterea, gratia gratum faciens specie non differt, cum ad unum effectum ordinetur. Sed duae formae eiusdem speciei non possunt esse in eodem subiecto. Cum ergo gratia gratum faciens conferatur homini per Baptismum, videtur quod per sacramentum confirmationis, quod non exhibetur nisi baptizato, gratia gratum faciens non conferatur. (IIIa q. 72 a. 7 arg. 3)

3 — Daar de heiligmakende genade immers op hetzelfde uitwerkingssel berekend is, zo is er ook maar één soort van heiligmakende genade. Welnu, twee vormen van éénzelfde soort kunnen niet bij éénzelfde subject thuis behoren en zo kan, daar de heiligmakende genade door het doopsel gegeven wordt, deze niet meer door het vormsel, dat alleen aan gedoopten wordt toegediend, geschonken worden.

Sed contra est quod Melchiades Papa dicit, spiritus sanctus in fonte Baptismi plenitudinem tribuit ad innocentiam, in confirmatione augmentum praestat ad gratiam. (IIIa q. 72 a. 7 s. c.)

Daartegenover staat echter wat Paus Melchiades in zijn Brief aan de Spaanse bisschoppen schrijft: « Bij het doopsel geeft de Heilige Geest volkomenheid om rein te kunnen leven, maar bij het vormsel geeft Hij na de heiligmakende genade wasdom. »

Respondeo dicendum quod in hoc sacramento, sicut dictum est, datur baptizato spiritus sanctus ad robur, sicut apostolis datus est in die Pentecostes, ut legitur Act. II; et sicut dabatur baptizatis per impositionem manus apostolorum, ut dicitur Act. VIII. Ostensum est autem in prima parte quod missio seu datio spiritus sancti non est nisi cum gratia gratum faciente. Unde manifestum est quod gratia gratum faciens confertur in hoc sacramento. (IIIa q. 72 a. 7 co.)

Zoals in het eerste, tweede en derde Artikel dezer kwestie gezegd wordt, wordt de Heilige Geest evenals Hij op Pinksterdag aan de apostelen tot geestelijke kracht gegeven werd (Hand. 2) aan de gedoopte geschonken. Ja, ook de apostelen schonken de Heilige Geest door handenoplegging. Welnu, in het 1e deel der 63e kwestie, 3e artikel, toonden we reeds aan dat de zending of schenking van de Heilige Geest niet zonder heiligmakende genade geschiedt. Zo is het dus duidelijk dat door dit sacrament heiligmakende genade gegeven wordt.

Ad primum ergo dicendum quod gratiae gratum facientis est remissio culpae, habet tamen et alios effectus, quia sufficit ad hoc quod promoveat hominem per omnes gradus usque in vitam aeternam. Unde et Paulo dictum est, II Cor. XII, sufficit tibi gratia mea, et ipse de se dicit, I Cor. XV, gratia Dei sum id quod sum. Et ideo gratia gratum faciens non solum datur ad remissionem culpae, sed etiam ad augmentum et firmitatem iustitiae. Et sic confertur in hoc sacramento. (IIIa q. 72 a. 7 ad 1)

1 — Het eerste uitwerksel der heiligmakende genade is het wegnemen van zondeschuld. Maar ze heeft ook nog andere uitwerkselen. Ze is er immers op berekend om overeenkomstig de woorden van de Apostel in de Brief aan de Romeinen (6, 23) : « De genade van God is het eeuwig leven », de mens langs alle graden tot het eeuwig leven te brengen. Daarom werd volgens de IIe Brief aan de Korinthiërs (12, 9) ook aan Sint Paulus gezegd : « Mijn genade zij u genoeg » en van zichzelf getuigt Sint Paulus in de Ie Brief aan de Korinthiërs (15, 60) : « Door de genade Gods ben ik wat ik ben ». Zo wordt dan de heiligmakende genade niet alleen tot vergiffenis van schuld, maar ook om in rechtvaardiging toe te nemen en te versterken, verleend en op die wijze is het dat de heiligmakende genade door dit sacrament gegeven wordt.

Ad secundum dicendum quod, sicut ex ipso nomine apparet, hoc sacramentum datur ad confirmandum quod prius invenerit. Et ideo non debet dari his qui non habent gratiam. Et propter hoc, sicut non datur non baptizatis, ita non debet dari adultis peccatoribus, nisi per poenitentiam reparatis. Unde dicitur in Aurelianensi Concilio, ut ieiuni ad confirmationem veniant, ut moneantur confessionem facere prius, ut mundi donum spiritus sancti valeant accipere. Et tunc per hoc sacramentum perficitur poenitentiae effectus, sicut et Baptismi, quia per gratiam collatam in hoc sacramento consequetur poenitens pleniorem remissionem peccati. Et si aliquis adultus in peccato existens cuius conscientiam non habet, vel si etiam non perfecte contritus accedat, per gratiam collatam in hoc sacramento consequetur remissionem peccatorum. (IIIa q. 72 a. 7 ad 2)

2 — Zoals de naam zelf van dit sacrament te kennen geeft, wordt dit sacrament gegeven om hetgeen reeds vroeger bestond verder te vormen, en daarom mag het enkel gegeven worden aan mensen die reeds de genade bezitten. Zo mag het aan degenen die niet gedoopt zijn evenmin als aan zondaars die volwassen zijn, wanneer ze niet door boetvaardigheid gezuiverd werden, gegeven worden, en daarom zegt de kerkvergadering van Orléans (De Cons. Dist. 5. Cap. 5. Ut Jejuni): « Degenen die het sacrament van het vormsel willen ontvangen moeten nuchter zijn, men moet ze ervan verwittigen dat ze eerst moeten biechten om met een zuiver gemoed de gaven van de H. Geest te ontvangen. » Door dit sacrament worden dan de uitwerkselen van de biecht en van het doopsel vervolmaakt; door de genade van dit sacrament ontvangt immers een mens die berouw heeft volledige vergiffenis van zijn zonden, en wanneer een volwassen mens zich van zijn zondigen staat niet bewust is, of wanneer hij hoewel zonder te veinzen zonder voldoende berouw tot dit sacrament nadert, ontvangt hij vergiffenis van zijn zonden.

Ad tertium dicendum quod, sicut dictum est, gratia sacramentalis addit super gratiam gratum facientem communiter sumptam aliquid effectivum specialis effectus, ad quod ordinatur sacramentum. Si ergo consideretur gratia in hoc sacramento collata quantum ad id quod est commune, sic per hoc sacramentum non confertur aliqua alia gratia quam per Baptismum, sed quae prius inerat, augetur. Si autem consideretur quantum ad illud speciale quod superadditur, sic non est eiusdem speciei cum ipsa. (IIIa q. 72 a. 7 ad 3)

3 — Zoals hierboven in het 2e artikel der 62e Kw. gezegd werd, voegt de sacramentale genade aan de heiligmakende genade iets toe dat bestand is de bijzondere uitwerkselen waartoe het sacrament werd ingesteld teweeg te brengen. Als we nu de heiligmakende genade naar haar gewone betekenis beschouwen, dan geeft het vormsel niet een andere genade dan het doopsel, maar wel doet het de heiligmakende genade die reeds vroeger bestond toenemen; beschouwen we echter de bijzondere genade die door het vormsel gegeven wordt, dan mogen we zeggen dat hier wel degelijk een bijzondere genade gegeven wordt.

Articulus 8.
Dient dit Sacrament aan alle mensen te worden gegeven?

Ad octavum sic proceditur. Videtur quod hoc sacramentum non sit omnibus exhibendum. Hoc enim sacramentum ad quandam excellentiam datur, ut dictum est. Sed id quod ad excellentiam pertinet, non competit omnibus. Ergo hoc sacramentum non debet omnibus dari. (IIIa q. 72 a. 8 arg. 1)

1 — Men beweert dat dit sacrament niet aan alle mensen dient gegeven te worden. Zoals in het eerste en vierde artikel gezegd werd geeft dit sacrament een zekere voorrang. Welnu, die voorrang kan niet van alle mensen het aandeel zijn en zo dient dus dit sacrament niet aan alle mensen gegeven te worden.

Praeterea, per hoc sacramentum augetur aliquis spiritualiter in perfectam aetatem. Sed perfecta aetas repugnat aetati puerili. Ergo ad minus pueris dari non debet. (IIIa q. 72 a. 8 arg. 2)

2 — Door dit sacrament groeit iemand geestelijkerwijze tot mannenrijpheid uit. Welnu, die mannenrijpheid kan niet aan kinderen toekomen en zo mogen dus zeker niet kinderen gevormd worden.

Praeterea, sicut Melchiades Papa dicit, post Baptismum confirmamur ad pugnam. Sed pugnare non competit mulieribus, propter fragilitatem sexus. Ergo nec mulieribus hoc sacramentum debet dari. (IIIa q. 72 a. 8 arg. 3)

3 — Paus Melchiades zegt in dienzelfde Brief: « Na het doopsel worden we tot de strijd gevormd ». Welnu, vrouwen mogen niet oorlogvoeren; uit hoofde van haar kunne zijn ze immers te zwak. Zo dient dus dit sacrament evenmin aan vrouwen gegeven te worden.

Praeterea, Melchiades Papa dicit, quamvis continuo transituris sufficiant regenerationis beneficia, victuris tamen confirmationis beneficia necessaria sunt. Confirmatio armat et instruit ad agones mundi huius et praelia reservandos. Qui autem post Baptismum cum acquisita innocentia immaculatus pervenerit ad mortem, confirmatur morte, quia iam non potest peccare post mortem. Ergo statim morituris non debet hoc sacramentum conferri. Et sic non debet omnibus dari. (IIIa q. 72 a. 8 arg. 4)

4 — Paus Melchiades zegt immers op diezelfde plaats: « Alhoewel het voor degenen die sterven voldoende is de weldaden der wedergeboorte te ontvangen, toch is het voor diegenen die voort blijven leven noodzakelijk de hulpmiddelen welke het vormsel bergt te verkrijgen; het vormsel rust immers de mens toe en leidt hem op om met de wereld slaags te worden. Hij integendeel die na het doopsel, na de onschuld verworven te hebben in zuiverheid naar het andere leven overgaat, die wordt, daar hij na de dood niet meer kan zondigen door de dood gevormd. » Degenen die in gevaar zijn van sterven moeten dus niet gevormd worden. En zo dient dus het vormsel niet aan alle mensen toegediend te worden.

Sed contra est quod dicitur Act. II, quod spiritus sanctus veniens replevit totam domum, per quam significatur Ecclesia, et postea subditur quod repleti sunt omnes spiritu sancto. Sed ad illam plenitudinem consequendam hoc sacramentum datur. Ergo est omnibus qui sunt in Ecclesia exhibendum. (IIIa q. 72 a. 8 s. c.)

Daartegenover staat echter wat gezegd wordt in de Hand. der Apost. (2, 2) dat « de heilige Geest wanneer Hij kwam heel het huis vervulde »; door dit huis nu wordt de heilige Kerk verzinnebeeld en naderhand wordt gezegd dat « allen vervuld werden met de H. Geest ». — Welnu, het doel van het vormsel is allen met de H. Geest te vervullen. En zo moet dus het vormsel aan alle gloovigen die van de heilige Kerk deel uitmaken gegeven worden.

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, per hoc sacramentum promovetur homo spiritualiter in aetatem perfectam. Hoc autem est de intentione naturae, ut omnis qui corporaliter nascitur, ad perfectam aetatem perveniat, sed hoc quandoque impeditur propter corruptibilitatem corporis, quod morte praevenitur. Multo autem magis de intentione Dei est omnia ad perfectionem perducere, ex cuius imitatione hoc natura participat, unde et Deut. XXXII dicitur, Dei perfecta sunt opera. Anima autem, ad quam pertinet spiritualis nativitas et spiritualis aetatis perfectio, immortalis est, et potest, sicut tempore senectutis spiritualem nativitatem consequi, ita tempore iuventutis et pueritiae consequi perfectam aetatem; quia huiusmodi corporales aetates animae non praeiudicant. Et ideo hoc sacramentum debet omnibus exhiberi. (IIIa q. 72 a. 8 co.)

Door dit sacrament wordt de mens geestelijkerwijze tot volmaakte wasdom gebracht. Welnu, de bedoeling van de natuur is dat allen die naar het lichaam geboren worden, tot lichamelijke volkomenheid zouden uitgroeien, alleen wordt zulks omdat het lichaam vergankelijk is en door de dood kan verrast worden, weleens verhinderd. Veel meer echter is het Gods verlangen dat allen zouden tot volmaaktheid komen, de natuur toch heeft die neiging alleen omdat God ze haar meedeelt. Daarom zegt het Boek Deuteronomius (32, 4) : « Al Gods werken zijn volmaakt ». De ziel nu die geestelijkerwijze geboren wordt en ook op geestelijke wijze kan tot volmaaktheid uitgroeien is onsterfelijk, en evenzeer als ze bij een grijsaard kan geestelijk geboren worden, kan ze in de kinderen op jongelingsjaren de volmaakten wasdom bereiken. De leeftijden van het lichaam immers staan het zieleleven niet in de weg, en daarom dient bewust sacrament aan alle mensen te worden toegediend.

Ad primum ergo dicendum quod hoc sacramentum datur ad quandam excellentiam, non quidem unius hominis ad alium, sicut sacramentum ordinis, sed hominis ad seipsum, sicut idem, perfectus vir existens, habet excellentiam ad se puerum. (IIIa q. 72 a. 8 ad 1)

1 — Dit sacrament geeft ons niet in zover een mens met andere mensen in betrekking komt maar in zover de mens zelf er waardiger door wordt, een zekere waardigheid; een man is immers meer waard dan een kind.

Ad secundum dicendum quod, sicut dictum est, corporalis aetas non praeiudicat animae. Unde etiam in puerili aetate homo potest consequi perfectionem spiritualis aetatis, de qua dicitur Sap. IV, senectus venerabilis est non diuturna, neque numero annorum computata. Et inde est quod multi in puerili aetate, propter robur spiritus sancti perceptum, usque ad sanguinem fortiter certaverunt pro Christo. (IIIa q. 72 a. 8 ad 2)

2 — In de leerstelling zeiden we dat de leeftijd van het lichaam de ziel niet kan hinderen. Zo kan dan een mens ook als hij nog een kind is de volheid van zijn geestelijke wasdom bereiken. Daarvandaan dat er in het Boek der Wijsheid (4, 8) staat: « Een eerbiedwaardige ouderdom wordt niet naar de levensduur en het aantal jaren geschat. » En zo komt het dat veel mensen reeds toen ze nog kinderen waren door de kracht van de H. Geest met sterkte voor Christus gestreden hebben en zelfs hun bloed voor hem hebben vergoten.

Ad tertium dicendum quod, sicut Chrysostomus dicit, in homilia de Machabaeis, in mundanis agonibus aetatis et formae generisque dignitas requiritur, et ideo servis ac mulieribus, senibus ac pueris, ad eos aditus denegatur. In caelestibus autem omni personae et aetati et sexui indiscreta facultate stadium patet. Et in homilia de militia spirituali dicit, apud Deum femineus etiam militat sexus, multae namque feminae animo virili spiritualem militiam gesserunt. Quaedam enim interioris hominis virtute viros aequaverunt in agonibus martyrum, quaedam etiam fortiores viris exstiterunt. Et ideo mulieribus hoc sacramentum conferendum est. (IIIa q. 72 a. 8 ad 3)

3 — De heilige Joannes Chrysostomus zegt in zijn Homelie op de Machabeërs dat « er voor wereldse gevechten een zekere leeftijd, schoonheid en voortreffelijkheid nodig zijn, en dat daarom aan slaven, vrouwen, kinderen en ouderlingen verboden wordt wapens te dragen. Bij hemelse gevechten daarentegen is het strijdperk voor iedereen, voor elke leeftijd, en voor elke kunne toegankelijk ». In zijn Homelie over de geestelijke strijd zegt verder dezelfde kerkvader: « dat in de ogen van God ook de vrouwelijke kunne strijdt. Vele vrouwen immers hebben met mannelijke kracht de geestelijke strijd gestreden; sommige onder haar hebben nl. evenals de mannen door die innerlijke kracht het martelaarschap ondergaan en anderen hebben zelfs de mannen in heldhaftigheid overtroffen. » Daarom dan moet dit sacrament ook aan de vrouwen worden toegediend.

Ad quartum dicendum quod, sicut dictum est, anima, ad quam pertinet spiritualis aetas, immortalis est. Et ideo morituris hoc sacramentum dandum est, ut in resurrectione perfecti appareant, secundum illud Ephes. IV, donec occurramus in virum perfectum, in mensuram aetatis plenitudinis Christi. Et ideo Hugo de sancto Victore dicit, omnino periculosum esset, si ab hac vita sine confirmatione migrare contingeret, non quia damnaretur, nisi forte per contemptum; sed quia detrimentum perfectionis pateretur. Unde etiam pueri confirmati decedentes maiorem gloriam consequuntur, sicut et hic maiorem obtinent gratiam. Auctoritas autem illa intelligitur quantum ad hoc, quod morituris non est necessarium hoc sacramentum propter periculum pugnae praesentis. (IIIa q. 72 a. 8 ad 4)

4 — Zoals in de leerstelling gezegd werd is de ziel waarop geestelijke wasdom is aangewezen onstoffelijk, en daarom moet, opdat ze bij de verrijzenis als volmaakte mensen zouden opstaan, ook aan stervenden dit sacrament worden toegediend. In de Brief aan de Ephesiërs (4, 13) staat immers: « Tot wij allen tot volwassen mannen uitgroeien, tot we namelijk de gestelde maat van de volkome Christus bereiken. » Daarvandaan dat Hugo van Sint Viktor in zijn Boek over de sacramenten zegt (2, 7, 3): « Het zou gevaarlijk zijn zonder gevormd te zijn uit dit leven naar het andere over te gaan »; dit niet alsof men, behalve indien men dit sacrament misprezen had daardoor zou verdoemd zijn maar omdat men aldus in zijn volmaaktheid zou schade lijden. Zo zullen dus kleine kinderen die sterven na gevormd te zijn daar ze hier ook groote genade krijgen hiernamaals groter glorie erlangen en zo moet dus de bedenking in die zin begrepen worden dat het vormsel, in zover zij tegen de moeilijkheden van het tegenwoordige leven niet meer te strijden hebben, voor stervenden niet onontbeerlijk is.

Articulus 9.
Moet dit Sacrament op het voorhoofd van de mens worden toegediend?

Ad nonum sic proceditur. Videtur quod hoc sacramentum non sit conferendum homini in fronte. Hoc enim sacramentum est perfectivum Baptismi, ut supra dictum est. Sed sacramentum Baptismi confertur homini in toto corpore. Ergo hoc sacramentum non debet conferri solum in fronte. (IIIa q. 72 a. 9 arg. 1)

1 — Men beweert dat dit sacrament niet op het voorhoofd moet worden toegediend. Dit sacrament moet zoals hierboven in het 4e artikel der 65e Kw. gezegd werd, het doopsel vervolmaken. Welnu, het doopsel wordt over het hele lichaam gegeven; zo moet dus het sacrament van het vormsel niet alleen op het voorhoofd gegeven worden.

Praeterea, hoc sacramentum datur ad robur spirituale, ut supra dictum est. Sed spirituale robur maxime consistit in corde. Ergo hoc sacramentum magis debet conferri supra cor quam in fronte. (IIIa q. 72 a. 9 arg. 2)

2 — Dit sacrament wordt, zoals in het 1e en 2e artikel gezegd werd, tot geestelijke kracht gegeven. Welnu, de geestelijke sterkte zetelt vooral in het hart. Zo moet dus dit sacrament eerder op het hart dan op het voorhoofd gegeven worden.

Praeterea, hoc sacramentum datur homini ad hoc quod libere fidem Christi confiteatur. Sed ore fit confessio ad salutem, ut dicitur Rom. X. Ergo hoc sacramentum magis debet conferri circa os quam in fronte. (IIIa q. 72 a. 9 arg. 3)

3 — Dit sacrament wordt opdat hij vrijuit het geloof van Christus zou belijden aan de mens gegeven. Welnu, door de mond is het dat we ter zaligheid ons geloof belijden, zo zegt toch Sint Paulus in zijn Brief aan de Romeinen (10, 10). — Zo zou dus dit sacrament eerder op de mond dan wel op het voorhoofd dienen gegeven te worden.

Sed contra est quod Rabanus dicit, in libro de Institut. Cleric., signatur baptizatus chrismate in summitate capitis per sacerdotem, per pontificem vero in fronte. (IIIa q. 72 a. 9 s. c.)

Daartegenover staat echter dat Rabanus Maurus in zijn Boek over de vorming des priesters (1, 30) zegt: « De priester balsemt de gedoopte met het heilig chrisma op het hoofd, maar de bisschop doet het op het voorhoofd. »

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, in hoc sacramento homo accipit spiritum sanctum ad robur spiritualis pugnae, ut fortiter etiam inter adversarios fidei fidem Christi confiteatur. Unde convenienter signatur chrismate signo crucis in fronte, propter duo. Primo quidem, quia insignitur signo crucis sicut miles signo ducis, quod quidem debet esse evidens et manifestum. Inter omnia autem loca corporis humani maxime manifestus est frons, qui quasi nunquam obtegitur. Et ideo linitur confirmatus chrismate in fronte, ut in manifesto demonstraret se esse Christianum, sicut et apostoli post receptum spiritum sanctum se manifestaverunt, qui prius in cenaculo latebant. Secundo, quia aliquis impeditur a libera confessione nominis Christi propter duo, scilicet propter timorem, et propter verecundiam. Utriusque autem horum signum maxime manifestatur in fronte, propter propinquitatem imaginationis, et propter hoc quod spiritus a corde directe ad frontem ascendunt, unde verecundati erubescunt, timentes autem pallescunt, ut dicitur in IV Ethic. Et ideo in fronte signatur chrismate, ut neque propter timorem neque propter erubescentiam nomen Christi confiteri praetermittat. (IIIa q. 72 a. 9 co.)

In het eerste, tweede en vierde art. dezer kwestie hebben we gezien dat, opdat hij zelfs midden zijn vijanden met kracht het geloof in Christus zou belijden, in dit sacrament de mens de H. Geest tot sterkte bij de geestelijke strijd ontvangt. Daarom is het goed de mens op het voorhoofd met behulp van chrisma met het teken van het heilige kruis te tekenen, en zulks om twee redenen. Vooreerst, omdat hij dan evenals een soldaat met het teken van zijn overste, met het teken van het heilige kruis getekend wordt. Daarbij moet dit teken zichtbaar en in het oog lopend zijn. Onder alle ledematen nu van het menselijk lichaam is het voorhoofd daar het zeer zelden gedekt wordt meest zichtbaar, en daarom wordt de gevormde opdat hij zoals de apostelen, zij die zich eerst in het cenakel verborgen hielden, na de H. Geest ontvangen te hebben deden, in het openbaar zou tonen dat hij christen is, op het voorhoofd met chrisma gebalsemd. Ten tweede, opdat iemand door vrees en schande kan worden weerhouden de naam van Christus te belijden. Welnu, die beide gevoelens worden omdat de verbeelding in het hoofd zetelt en ook omdat de levensgeesten uit het hart rechtstreeks naar het voorhoofd oprijzen, op het voorhoofd meest merkbaar. Daarvandaan dat schaamte ons doet blozen, en dat vrees ons, zoals Aristoteles in zijn Ethica (IV) zegt, doet verbleken. Zo wordt men dan, opdat men de naam van Christus zou belijden en noch uit vrees noch uit schaamte zou achteruitdeinzen, bij het vormsel op het voorhoofd gebalsemd.

Ad primum ergo dicendum quod per Baptismum regeneramur ad vitam spiritualem, quae ad totum hominem pertinet. Sed in confirmatione roboramur ad pugnam, cuius signum ferendum est in fronte, quasi in evidenti loco. (IIIa q. 72 a. 9 ad 1)

1 — Door het doopsel worden we tot het geestelijk leven wedergeboren en, dit gaat op de hele mens terug. Bij het vormsel daarentegen worden we door de strijd gesterkt, en het teken daarvan dragen we op een goed zichtbare plaats, op het voorhoofd.

Ad secundum dicendum quod principium fortitudinis est in corde, sed signum apparet in fronte, unde dicitur Ezech. III, ecce, dedi frontem tuam duriorem frontibus eorum. Et ideo sacramentum Eucharistiae, quo homo in seipso confirmatur, pertinet ad cor, secundum illud Psalmi, panis cor hominis confirmet. Sed sacramentum confirmationis requiritur in signum fortitudinis ad alios. Et ideo exhibetur in fronte. (IIIa q. 72 a. 9 ad 2)

2 — Het beginsel van de sterkte ligt in het hart, doch het teken der sterkte komt op het voorhoofd tot uiting. Zo zegt Ezechiël (3, 8): « Ik heb uw voorhoofd sterker gemaakt dan het hunne ». Daarom is het sacrament der Eucharistie omdat overeenkomstig die woorden uit de 103e psalm: « Het brood versterkt het hart van de mens », dit sacrament de mens in zichzelf versterkt, op het hart aangewezen. Bij het vormsel daarentegen moet een teken van sterkte tegenover andere mensen gegeven worden en daarom wordt het teken op het voorhoofd aangebracht.

Ad tertium dicendum quod hoc sacramentum datur ad libere confitendum, non autem ad confitendum simpliciter, quia hoc fit etiam in Baptismo. Et ideo non debet dari in ore, sed in fronte, ubi apparent signa passionum quibus libera confessio impeditur. (IIIa q. 72 a. 9 ad 3)

3 — Dit sacrament wordt niet alleen om het geloof te belijden, — dit gebeurt immers ook bij het doopsel, — maar om het met onversaagdheid te belijden gegeven, en daarom dient dat niet op de mond maar op het voorhoofd, waar de driften die een onversaagde geloofsbelijdenis in de weg staan tot uiting komen, gegeven te worden.

Articulus 10.
Moet degene die gevormd wordt door iemand worden vastgehouden?

Ad decimum sic proceditur. Videtur quod ille qui confirmatur non debet ab alio teneri ad confirmationem. Hoc enim sacramentum non solum pueris, sed etiam adultis exhibetur. Adulti autem per seipsos stare possunt. Ergo ridiculum est quod ab alio teneantur. (IIIa q. 72 a. 10 arg. 1)

1 — Men beweert dat niemand de vormeling dient vast te houden. Dit sacrament wordt niet alleen aan kinderen maar ook aan volwassenen gegeven. Welnu, volwassenen kunnen reeds op eigen benen staan en het zou belachelijk zijn, als ze door een ander werden vastgehouden.

Praeterea, ille qui iam est de Ecclesia, liberum habet accessum ad Ecclesiae principem, qui est episcopus. Sed hoc sacramentum, sicut dictum est, non exhibetur nisi baptizato, qui iam est membrum Ecclesiae. Ergo videtur quod non debeat per alium exhiberi episcopo ad hoc sacramentum recipiendum. (IIIa q. 72 a. 10 arg. 2)

2 — Hij die reeds tot de kerk behoort mag vrij naar het hoofd der kerk, naar de bisschop namelijk toegaan. Welnu, dit sacrament wordt enkel aan degenen die reeds lid zijn gegeven. Zo is het dus overbodig om dit sacrament te ontvangen door iemand anders aan de bisschop te worden voorgesteld.

Praeterea, hoc sacramentum datur ad robur spirituale. Quod magis viget in viris quam in mulieribus, secundum illud Prov. ult., mulierem fortem quis inveniet? Ergo ad minus mulier non debet tenere virum ad confirmationem. (IIIa q. 72 a. 10 arg. 3)

3 — Dit sacrament wordt tot geestelijke versterking gegeven. Welnu, volgens hetgeen in het Boek der Spreuken (31, 10) geschreven staat: « Wie zal een sterke vrouw vinden? » hebben over het algemeen mannen meer kracht dan vrouwen. Zo mag op zijn minst niet veroorloofd worden dat een vrouw een man bij het vormsel zou vasthouden.

Sed contra est quod Innocentius Papa dicit, et habetur in decretis, XXX, qu. IV, si quis ex coniugio filium aut filiam alterius de sacro fonte susceperit, aut ad chrisma tenuerit, et cetera. Ergo, sicut requiritur quod aliquis baptizatum de sacro fonte levet, ita debet aliquis teneri ad sacramentum confirmationis accipiendum. (IIIa q. 72 a. 10 s. c.)

Daartegenover staat echter wat paus Innocentius de Eerste in de Decr. XXX, 4. Si quis zei: « Indien één der gehuwden de zoon of de dochter van de andere bij de doopvont of het vormsel bijstaat, enz... » Zoals dus iemand bij het doopsel door een ander uit de doopvont wordt opgenomen, zo ook moet men bij het vormsel door een ander worden vastgehouden.

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, hoc sacramentum exhibetur homini ad robur pugnae spiritualis. Sicut autem aliquis de novo natus indiget instructore in his quae pertinent ad conversationem vitae, secundum illud Heb. XII, patres quidem carnis nostrae habuimus eruditores, et obtemperabamus eis; ita illi qui assumuntur ad pugnam, indigent eruditoribus a quibus instruantur de his quae pertinent ad modum certaminis; et ideo in bellis materialibus constituuntur duces et centuriones, per quos alii gubernentur. Et propter hoc etiam ille qui accipit hoc sacramentum, ab alio tenetur, quasi per alium in pugna erudiendus. Similiter etiam, quia per hoc sacramentum confertur homini perfectio spiritualis aetatis, sicut dictum est; ideo ille qui ad hoc sacramentum accedit, sustentatur, quasi adhuc spiritualiter imbecillis et puer. (IIIa q. 72 a. 10 co.)

Zoals in het vorige artikel gezegd werd, wordt dit sacrament de mens tot geestelijke kracht toegediend. Welnu, evenals een mens die even geboren is een opvoeder nodig heeft om in alles wat het behoud van het leven aangaat onderwezen te worden, — Sint Paulus zegt immers in de Brief aan de Hebreërs (12, 9): « Voorts hebben de vaders van ons vlees ons gekastijd en wij hebben hen ontzien, » — evenzo hebben zij die tot de strijd worden uitverkoren om in alles wat de strijd aanbelangt onderwezen te worden opleiders nodig, en daarom worden er in de legers om de andere soldaten te besturen aanvoerders en honderdmannen aangesteld. Op dezelfde wijze nu wordt ook degene die bewust een sacrament moet ontvangen, alsof hij door hem in alles wat de geestelijke strijd betreft moest worden onderricht, door een ander vastgehouden. Dit geschiedt echter ook omdat dit sacrament een mens, zoals in het 2°, 4° en 5° artikel dezer kwestie gezegd wordt, de volheid van zijn geestelijke wasdom geeft, zodat hij die tot dit sacrament nadert alsof hij geestelijkerwijze nog onbeholpen en klein was, daarbij ondersteund wordt.

Ad primum ergo dicendum quod, licet ille qui confirmatur sit adultus corporaliter, nondum tamen est adultus spiritualiter. (IIIa q. 72 a. 10 ad 1)

1 — Alhoewel degene die gevormd moet worden, kan wat het lichaam betreft een volwassen man zijn, is hij het in geestelijk opzicht in geen geval.

Ad secundum dicendum quod, licet baptizatus sit effectus membrum Ecclesiae, nondum tamen est adscriptus militiae Christianae. Et ideo episcopo, tanquam duci exercitus, per alium exhibetur iam militiae Christianae adscriptum. Non enim debet alium ad confirmationem tenere qui nondum est confirmatus. (IIIa q. 72 a. 10 ad 2)

2 — Degene die gedoopt is, is wel lid van de heilige Kerk, maar is nog niet in het christelijk leven opgenomen. Daarom wordt hij aan de bisschop, aanvoerder van het christelijk leger, door iemand die er reeds deel van uitmaakt voorgesteld. Niemand mag immers, zolang hij niet zelf gevormd is, een ander bij het vormsel vasthouden.

Ad tertium dicendum quod, sicut dicitur Coloss. III, in Christo Iesu non est masculus neque femina. Et ideo non differt utrum masculus vel femina teneat aliquem in confirmatione. (IIIa q. 72 a. 10 ad 3)

3 — De Brief aan de Galaten (3, 28) zegt dat: « in Christus Jezus noch mannen noch vrouwen bestaan » en daarom doet het er niet toe of een man dan wel een vrouw iemand bij het vormsel vasthoudt.

Articulus 11.
Mag alleen een bisschop het Sacrament van het vormsel toedienen?

Ad undecimum sic proceditur. Videtur quod non solus episcopus hoc sacramentum conferre possit. Gregorius enim, scribens Ianuario episcopo, dicit, pervenit ad nos quosdam scandalizatos fuisse quod presbyteros chrismate tangere eos qui baptizati sunt, prohibuimus. Et nos quidem secundum veterem usum nostrae Ecclesiae fecimus, sed si omnino hac de re aliqui contristantur, ubi episcopi desunt, ut presbyteri etiam in frontibus baptizatos chrismate tangere debeant, concedimus. Sed illud quod pertinet ad necessitatem sacramentorum, non est propter vitandum scandalum immutandum. Ergo videtur quod non sit de necessitate huius sacramenti quod ab episcopo conferatur. (IIIa q. 72 a. 11 arg. 1)

1 — Men beweert dat de bisschop niet de enige bedienaar is die het vormsel mag toedienen. Gregorius schrijft aan bisschop Januarius het volgende: «Wij hebben vernomen dat sommigen door het feit dat we aan priesters verboden hebben de gedoopten met chrisma te zalven geërgerd werden. Daarbij handelden wij nochtans overeenkomstig de oude gewoonten in de heilige Kerk. Indien nu die maatregel sommige mensen bedroefd dan laten we toe dat daar waar geen bisschop aanwezig is een priester de gedoopte zou met chrisma op het voorhoofd zalven.» Welnu, wat tot de geldigheid der sacramenten vereist wordt mag niet om ergernis te voorkomen worden achterwege gelaten. Zo is het dus niet nodig dat het sacrament door een bisschop zou worden toegediend.

Praeterea, sacramentum Baptismi videtur esse maioris efficaciae quam sacramentum confirmationis, quia per Baptismum fit plena remissio peccatorum et quantum ad culpam et quantum ad poenam, quod non fit in hoc sacramento. Sed simplex sacerdos ex suo officio potest tradere sacramentum Baptismi, et in necessitate quilibet, etiam non ordinatus, potest baptizare. Ergo non est de necessitate huius sacramenti quod ab episcopo conferatur. (IIIa q. 72 a. 11 arg. 2)

2 — Daar men door het doopsel zo wat de schuld als wat de straf betreft volkomen vergiffenis verkrijgt van alle zonden, — hetgeen bij het vormsel niet geschiedt, — zo is het doopsel van grotere kracht dan het vormsel. Welnu, van ambtswege mag iedere priester het doopsel toedienen, ja zelfs in geval van nood mag zelfs iemand die niet gewijd is het doopsel toedienen. Zo is het dus niet nodig dat dit sacrament door een bisschop zou worden toegediend.

Praeterea, summitas capitis, ubi secundum medicos est locus rationis (scilicet particularis, quae dicitur virtus cogitativa), est nobilior fronte, ubi est locus imaginativae virtutis. Sed simplex sacerdos potest baptizatos chrismate ungere in vertice. Ergo multo magis potest eos chrismate signare in fronte, quod pertinet ad hoc sacramentum. (IIIa q. 72 a. 11 arg. 3)

3 — De kruin van het hoofd, waar volgens de geneesheren de rede dit is de rede in enge zin of het denkvermogen zetelt, is een waardiger deel dan wel het voorhoofd waar de verbeelding zetelt. Welnu, op de kruin mag een gewone priester de gedoopten met het heilig chrisma zalven. Dit mag hij dus nog veel eerder, wat aan het sacrament van het vormsel eigen is, op het voorhoofd doen.

Sed contra est quod Eusebius Papa dicit, manus impositionis sacramentum magna veneratione tenendum est, quod ab aliis perfici non potest nisi a summis sacerdotibus. Nec tempore apostolorum ab aliis quam ab ipsis apostolis legitur aut scitur peractum esse, nec ab aliis quam qui eorum locum tenent, unquam perfici potest, aut fieri debet. Nam si aliter praesumptum fuerit, irritum habeatur et vacuum, nec inter ecclesiastica unquam reputabitur sacramenta. Est igitur de necessitate huius sacramenti, quod dicitur sacramentum manus impositionis, quod ab episcopo tradatur. (IIIa q. 72 a. 11 s. c.)

Daartegenover staat echter wat paus Eugenius in zijn 3° brief zegt: « Het sacrament der handopleging is eerbiedwaardiger, want het kan enkel door de bisschoppen worden toegediend; we lezen toch dat het ten tijde van de apostelen door niemand anders dan door de apostelen werd toegediend. Zo mag het dus ook door niemand anders dan door degenen die de apostelen vervangen worden toegediend. Wordt integendeel anders te werk gegaan, dan is het ongeldig en onvruchtbaar en zal nimmer onder de sacramenten der heilige Kerk gerekend worden. » Zo moet dus dit sacrament dat het sacrament der handopleging is door een bisschop worden toegediend.

Respondeo dicendum quod in quolibet opere ultima consummatio supremae arti aut virtuti reservatur, sicut praeparatio materiae pertinet ad inferiores artifices, superior autem dat formam, supremus autem est ad quem pertinet usus, qui est finis artificiatorum; et epistola quae a notario scribitur, a domino signatur. Fideles autem Christi sunt quoddam divinum opus, secundum illud I Cor. III, Dei aedificatio estis, sunt etiam quasi quaedam epistola spiritu Dei scripta, sicut dicitur II Cor. III. Hoc autem confirmationis sacramentum est quasi ultima consummatio sacramenti Baptismi, ita scilicet quod per Baptismum aedificatur homo in domum spiritualem, et conscribitur quasi quaedam spiritualis epistola; sed per sacramentum confirmationis, quasi domus aedificata, dedicatur in templum spiritus sancti; et quasi epistola conscripta, signatur signo crucis. Et ideo collatio huius sacramenti episcopis reservatur, qui obtinent summam potestatem in Ecclesia, sicut in primitiva Ecclesia per impositionem manus apostolorum, quorum vicem gerunt episcopi, plenitudo spiritus sancti dabatur, ut habetur Act. VIII. Unde Urbanus Papa dicit, omnes fideles per manus impositionem episcoporum spiritum sanctum post Baptismum accipere debent, ut pleni Christiani inveniantur. (IIIa q. 72 a. 11 co.)

De uiterste bekroning van een werk wordt immer een voortreffelijk en onderlegd deskundige voorbehouden; zoals immers de voorbereiding van het materiaal aan mindere werklieden wordt toegewezen, zo ook zal een hoger aangeschreven werkman de vorm uitwerken, maar de opperste werkman is diegene voor wie hetgeen vervaardigd wordt overeenkomstig zijn doel bestemd wordt. Zo bij voorbeeld worden brieven die door een notaris werden opgesteld door de heer onderschreven. Welnu, zij die in Jezus-Christus geloven zijn enigermate een goddelijk werk; in de eerste Brief aan de Korinthiërs (3, 9) staat toch geschreven: « Gij zijt Gods gebouw ». — « Ook zijn de gelovigen, zoals ten andere ook in de tweede Brief aan de Korinthiërs (3, 3) gezegd wordt, een brief die door de Geest Gods geschreven werd. » Welnu, dit sacrament van het vormsel is als de eindbekroning van het doopsel zodat de mens door het doopsel als een goddelijk gebouw opgetrokken en als een geestelijke brief geschreven wordt, maar door het vormsel wordt dit gebouw in een tempel van de Heilige Geest herschapen, en die brief met het teken van het heilig kruis onderschreven. Daarom dan wordt de bediening van dit sacrament aan de bisschoppen die in de heilige Kerk de hoogste plaatsen bekleeden voorbehouden. In de primitieve kerk werd immers dit sacrament, door de handenoplegging der apostelen toegediend, zoals in de Hand. 8, staat. Welnu de bisschoppen hebben de plaats van de apostelen ingenomen. Daarvandaan dat Paus Urbanus zegt: « Alle gelovigen moeten om volmaakte christenen te kunnen worden na het doopsel door de handenoplegging der bisschoppen de H. Geest ontvangen. »

Ad primum ergo dicendum quod Papa in Ecclesia habet plenitudinem potestatis, ex qua potest quaedam quae sunt superiorum ordinum, committere inferioribus quibusdam, sicut presbyteris concedit conferre minores ordines, quod pertinet ad potestatem episcopalem. Et ex hac plenitudine potestatis concessit beatus Gregorius Papa quod simplices sacerdotes conferrent hoc sacramentum, quandiu scandalum tolleretur. (IIIa q. 72 a. 11 ad 1)

1 — In de H. Kerk komt de volheid der macht aan de Paus toe en daarom mag hij wat feitelijk aan waardiger bedienaars toekomt aan mindere bedienaars opdragen. Zo heeft hij aan priesters de macht geschonken om, hoewel zulks aan de bisschoppen toekomt, de mindere orden toe te dienen. Zo ook heeft de H. Gregorius op grond van bewuste volmacht aan gewone priesters verlof gegeven om, tot er geen aanleiding tot ergernis meer zou zijn, het vormsel toe te dienen.

Ad secundum dicendum quod sacramentum Baptismi est efficacius quam hoc sacramentum quantum ad remotionem mali, eo quod est spiritualis generatio, quae est mutatio de non esse in esse. Hoc autem sacramentum est efficacius ad proficiendum in bono, quia est quoddam spirituale augmentum de esse imperfecto ad esse perfectum. Et ideo hoc sacramentum digniori ministro committitur. (IIIa q. 72 a. 11 ad 2)

2 — Wanneer het om de verdrijving van het kwaad gaat is het doopsel krachtiger dan het vormsel; het doopsel immers is een geestelijke wedergeboorte die een overgang van niet-zijn tot zijn teweeg brengt. Gaat het echter om vorderingen in het goede, dan vermag het vormsel meer; het betekent namelijk een geestelijke groei van onvolmaaktheid tot volmaaktheid en daarom moet dit sacrament aan de waardigste bedienaars voorbehouden blijven.

Ad tertium dicendum quod, sicut Rabanus dicit, in libro de Institut. Cleric., signatur baptizatus chrismate in summitate capitis per sacerdotem, per pontificem vero in fronte, ut priori unctione significetur super ipsum spiritus sancti descensio ad habitationem Deo consecrandam, in secunda quoque ut eiusdem spiritus sancti septiformis gratia, cum omni plenitudine sanctitatis et scientiae et virtutis, venire in hominem declaretur. Non ergo propter digniorem partem, sed propter potiorem effectum, haec unctio episcopis reservatur. (IIIa q. 72 a. 11 ad 3)

3 — In zijn Boek over de vorming der priesters (1, 31) zegt Rabanus Maurus het volgende: « De gedoopte wordt door de priester met chrisma op de kruin, en door de bisschop op het voorhoofd getekend. De eerste zalving geeft te kennen dat de H. Geest op hem nederdaalt om hem te wijden en dit huis van God in te zegenen; in het tweede geval integendeel betekent die zalving dat de zeven gaven van de H. Geest de mensen met volkomenheid van heiligheid, wetenschap en deugd gegeven worden. » Zo blijft dus dit sacrament, niet omdat het de zalving van een waardiger lichaamsdeel geldt, maar wel omdat het uitwerksel van dit sacrament voortreffelijker is, aan de bisschoppen voorbehouden.