QuaestioArticulus

Tertia Pars. Quaestio 52.
Over Christus’ nederdaling ter helle .

Prooemium

Deinde considerandum est de descensu Christi ad Inferos. Et circa hoc quaeruntur octo. Primo, utrum conveniens fuerit Christum ad Inferos descendere. Secundo, in quem Infernum descenderit. Tertio, utrum totus fuerit in Inferno. Quarto, utrum aliquam moram ibi contraxerit. Quinto, utrum sanctos patres ab Inferno liberaverit. Sexto, utrum ab Inferno liberaverit damnatos. Septimo, utrum liberaverit pueros in peccato originali defunctos. Octavo, utrum liberaverit homines de Purgatorio. (IIIa q. 52 pr.)

Vervolgens moeten wij handelen over de nederdaling van Christus ter helle. En hierover stellen wij acht vragen: 1. Was het passend, dat Christus nederdaalde ter helle? 2. Naar welke hel daalde Hij af? 3. Was Hij geheel in de hel? 4. Heeft Hij zich daar enigen tijd opgehouden? 5. Heeft Hij de heilige vaders uit de hel verlost? 6. Heeft Hij de verdoemden uit de hel verlost? 7. Heeft Hij de kinderen verlost, die belast waren met de erfzonde? 8. Heeft Hij de mensen uit het vagevuur verlost?

Articulus 1.
Was het passend, dat Christus nederdaalde ter helle?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod non fuerit conveniens Christum ad Infernum descendere. Dicit enim Augustinus, in epistola ad Evodium, nec ipsos quidem Inferos uspiam Scripturarum in bono appellatos potui reperire. Sed anima Christi non descendit ad aliquod malum, quia nec animae iustorum ad aliquod malum descendunt. Ergo videtur quod non fuerit conveniens Christum ad Inferos descendere. (IIIa q. 52 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het niet passend was, dat Christus nederdaalde ter helle. Augustinus toch zegt: « Ik heb zelfs niet kunnen vinden, dat de hel ergens in de Schrift als goed vernoemd wordt. » De ziel van Christus toch daalde niet af tot iets kwaads, aangezien ook de zielen der rechtvaardigen niet tot iets kwaads afdalen. Dus was het niet passend, dat Christus ter helle nederdaalde.

Praeterea, descendere ad Inferos non potest Christo convenire secundum divinam naturam, quae est omnino immobilis, sed solum convenire potest ei secundum naturam assumptam. Ea vero quae Christus fecit vel passus est in natura assumpta, ordinantur ad humanam salutem. Ad quam non videtur necessarium fuisse quod Christus descenderit ad Inferos, quia per passionem suam, quam in hoc mundo sustinuit, nos liberavit a culpa et poena, ut supra dictum est. Non igitur fuit conveniens quod Christus ad Infernum descenderet. (IIIa q. 52 a. 1 arg. 2)

2 — Het afdalen ter helle kan Christus niet toekomen naar zijn goddelijke natuur, die totaal onverplaatsbaar is, maar het kan Hem alleen toekomen naar zijn aangenomen natuur. Wat Christus echter deed of leed in zijn aangenomen natuur, is op ons heil gericht. Hiervoor scheen het echter niet nodig dat Christus nederdaalde ter helle, daar Hij door zijn lijden, dat Hij op deze wereld onderging, ons bevrijd heeft van de schuld en van de straf, zoals boven gezegd is (49° Kw. 1° en 3° Art.). Het was dus niet passend dat Christus nederdaalde ter helle.

Praeterea, per mortem Christi separata est anima a corpore eius, quod quidem positum fuerat in sepulcro, ut supra habitum est. Non videtur autem quod secundum animam solam ad Infernum descenderit, quia anima, cum sit incorporea, non videtur quod localiter possit moveri; hoc enim est corporum, ut probatur in VI Physic.; descensus autem motum corporalem importat. Non ergo fuit conveniens quod Christus ad Infernum descenderet. (IIIa q. 52 a. 1 arg. 3)

3 — Door de dood van Christus werd zijn ziel gescheiden van zijn lichaam, dat in een graf werd gelegd, zoals boven is gezegd (in de vorige Kw.). Hij schijnt echter niet met zijn ziel alleen afgedaald te zijn naar de hel, daar zijn ziel, die immers niet lichamelijk is, niet plaatselijk kan bewogen worden: dit immers is het eigene van lichamen, zoals bewezen wordt in het 6° Boek der Physica; afdalen nu sluit een lichamelijke beweging in. Dus was het niet passend, dat Christus nederdaalde ter helle.

Sed contra est quod dicitur in symbolo, descendit ad Inferos. Et apostolus dicit, Ephes. IV, quod autem ascendit, quid est nisi quia descendit primum ad inferiores partes terrae? Glossa, idest ad Inferos. (IIIa q. 52 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat in de geloofsbelijdenis gezegd wordt: « Hij daalde neder ter helle; » en de Apostel zegt in de Brief aan de Ephesiërs (4. 9): « Dat Hij opsteeg, wat wil dat anders zeggen, dan dat Hij eerst ook afdaalde naar de lagere delen der aarde? » De Glossa voegt toe: « d. i. ter helle. »

Respondeo dicendum quod conveniens fuit Christum ad Infernum descendere. Primo quidem, quia ipse venerat poenam nostram portare, ut nos a poena eriperet, secundum illud Isaiae LIII, vere languores nostros ipse tulit, et dolores nostros ipse portavit. Ex peccato autem homo incurrerat non solum mortem corporis, sed etiam descensum ad Inferos. Et ideo, sicut fuit conveniens eum mori ut nos liberaret a morte, ita conveniens fuit eum descendere ad Inferos ut nos a descensu ad Inferos liberaret. Unde dicitur Osee XIII, ero mors tua, o mors. Ero morsus tuus, Inferne. Secundo, quia conveniens erat ut, victo Diabolo per passionem, vinctos eius eriperet, qui detinebantur in Inferno, secundum illud Zach. IX, tu quoque in sanguine testamenti tui vinctos tuos emisisti de lacu. Et Coloss. II dicitur, exspolians principatus et potestates, traduxit confidenter. Tertio ut, sicut potestatem suam ostendit in terra vivendo et moriendo, ita etiam potestatem suam ostenderet in Inferno, ipsum visitando et illuminando; unde dicitur in Psalmo, attollite portas, principes, vestras, Glossa, idest, principes Inferni, auferte potestatem vestram, qua usque nunc homines in Inferno detinebatis; et sic in nomine Iesu omne genu flectatur, non solum caelestium, sed etiam Infernorum, ut dicitur Philipp. II. (IIIa q. 52 a. 1 co.)

Het was passend, dat Christus nederdaalde ter helle. Vooreerst, omdat Hij onze straf kwam dragen, om ons van de straf te bevrijden, naar het woord van Isaïas (53. 4): « Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op zich genomen en onze smarten gedragen. » Vanwege de zonde was de mens niet alleen de dood schuldig, maar tot het afdalen in de hel. En zoals het dus passend was, dat Hij stierf, om ons van de dood te verlossen; zo was het ook passend dat Hij nederdaalde ter helle, om ons van het afdalen in de hel te bevrijden. Daarom wordt gezegd bij Osee (13. 14): « Ik zal uw dood zijn, o dood! Ik zal uw doodsteek zijn, onderwereld! » — Ten tweede, omdat het passend was, dat Hij, na de duivel door zijn lijden overwonnen te hebben, diens gevangenen verloste, die in de onderwereld werden vastgehouden, naar het woord van Zacharias (9. 11): « Ook Gij hebt om het bloed van Uw verbond Uw gevangenen vrijgelaten uit de kuil. » En in de Brief aan de Colossensen (2. 15) wordt gezegd: « Hij heeft de heerschappijen en machten beroofd van hun buit en deze veilig overgebracht. » — Ten derde, om evenals Hij zijn macht op aarde toonde, bij zijn leven en sterven, zo ook zijn macht te tonen in de onderwereld, door deze te bezoeken en te verlichten; daarom wordt gezegd in het Boek der Psalmen (23. 7, 9): « Zet uw poorten open, o vorsten, » en de Glossa zegt: « d. i. vorsten van de onderwereld, gaat heen met uw macht, waarmede gij tot nu toe de mensen in de onderwereld gebonden hieldt »; en zo moet « in de naam van Jesus alle knie zich buigen, » niet alleen « van de hemelingen, » maar ook « van die in de onderwereld zijn, » zoals gezegd wordt in de Brief aan de Philippensen (2. 10).

Ad primum ergo dicendum quod nomen Infernorum sonat in malum poenae, non autem in malum culpae. Unde decuit Christum in Infernum descendere, non tanquam ipse esset debitor poena, sed ut eos qui erant poenae obnoxii, liberaret. (IIIa q. 52 a. 1 ad 1)

1 — Het woord hel heeft de klank van straf-kwaad, niet van schuld-kwaad. Daarom was het passend, dat Christus in de hel afdaalde, niet alsof Hij zelf straf-schuldig was, maar om hen te verlossen, die aan de straf onderworpen waren.

Ad secundum dicendum quod passio Christi fuit quaedam causa universalis humanae salutis, tam vivorum quam mortuorum. Causa autem universalis applicatur ad singulares effectus per aliquid speciale. Unde, sicut virtus passionis Christi applicatur viventibus per sacramenta configurantia nos passioni Christi, ita etiam applicata est mortuis per descensum Christi ad Inferos. Propter quod signanter dicitur Zach. IX, quod eduxit vinctos de lacu in sanguine testamenti sui, idest per virtutem passionis suae. (IIIa q. 52 a. 1 ad 2)

2 — Het lijden van Christus was als een algemene oorzaak van menselijk heil, zowel voor levenden, als voor doden. Een algemene oorzaak wordt echter door iets speciaals toegepast tot afzonderlijke effecten. En zoals daarom de kracht van Christus’ lijden op de levenden wordt toegepast door middel der sacramenten, die ons gelijkvormig maken aan Christus’ lijden, zo is zij eveneens op de gestorvenen toegepast, door het afdalen van Christus ter helle. Daarom wordt zo tekenend bij Zacharias (9. 11) gezegd, dat « Hij door het bloed van zijn verbond de gevangenen uit de kuil heeft gevoerd, » d. i. door de kracht van zijn lijden.

Ad tertium dicendum quod anima Christi non descenderit ad Inferos eo genere motus quo corpora moventur, sed eo genere motus quo Angeli moventur, sicut in prima parte habitum est. (IIIa q. 52 a. 1 ad 3)

3 — De ziel van Christus daalde in de hel af niet met dat soort van beweging, waarmee de lichamen bewogen worden, maar met dat soort waarmee de engelen zich bewegen, zoals in het Eerste Deel gezegd is (53° Kw. 1° Art.).

Articulus 2.
Is Christus afgedaald naar de hel der verdoemden?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod Christus descenderit etiam ad Infernum damnatorum. Dicitur enim ex ore divinae sapientiae, Eccli. XXIV, penetrabo omnes inferiores partes terrae. Sed inter partes inferiores terrae computatur etiam Infernus damnatorum, secundum illud Psalmi, introibunt in inferiora terrae. Ergo Christus, qui est Dei sapientia, etiam usque ad Infernum damnatorum descendit. (IIIa q. 52 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus ook afgedaald is naar de hel der verdoemden. Uit de mond der goddelijke Wijsheid immers wordt in het Boek Ecclesiasticus (24.45) gezegd: « Ik zal al de lagere delen der aarde doordringen. » Maar onder de lagere delen der aarde wordt ook de hel der verdoemden gerekend naar het woord in het Boek der Psalmen (62.10): « Zij zullen binnengaan in de lagere delen der aarde. » Dus is Christus, die de Wijsheid Gods is, ook afgedaald tot de hel der verdoemden.

Praeterea, Act. II dicit Petrus quod Deus Christum suscitavit, solutis doloribus Inferni, iuxta quod impossibile erat teneri illum ab eo. Sed dolores non sunt in Inferno patrum, neque etiam in Inferno puerorum, qui non puniuntur poena sensus propter peccatum actuale, sed solum poena damni propter peccatum originale. Ergo Christus descendit in Infernum damnatorum, vel etiam in Purgatorium, ubi homines puniuntur poena sensus pro peccatis actualibus. (IIIa q. 52 a. 2 arg. 2)

2 — Petrus zegt in de Handelingen der Apostelen (2.24), dat « God Christus heeft opgewekt en de smarten der hel heeft verbroken, daar het niet mogelijk was, dat deze Hem vasthield. » Smarten zijn er echter niet in de hel der vaders, ook niet in de hel der kinderen, die niet om een daadwerkelijke zonde met een zintuigelijk waarneembare straf gestraft worden, maar enkel met de straf van het gemis om de erfzonde. Dus daalde Christus af naar de hel der verdoemden, of naar het vagevuur, waar de mensen met een zintuigelijke straf gestraft worden voor hun daadwerkelijke zonden.

Praeterea, I Pet. III dicitur quod Christus his qui in carcere conclusi erant, spiritu veniens praedicavit, qui increduli fuerant aliquando, quod, sicut Athanasius dicit, in epistola ad Epictetum, intelligitur de descensu Christi ad Inferos. Dicit enim quod corpus Christi fuit in sepulcro positum, quando ipse perrexit praedicare his qui in custodia erant spiritibus, sicut dixit Petrus. Constat autem quod increduli erant in Inferno damnatorum. Ergo Christus ad Infernum damnatorum descendit. (IIIa q. 52 a. 2 arg. 3)

3 — In de Eerste Brief van Petrus (3. 19, 20) wordt gezegd dat « Christus, komende in de geest, is gaan preken aan hen, die in de kerker opgesloten waren, en die eens ongelovig waren. » Dit moet, zoals Athanasius zegt, verstaan worden van het afdalen in de onderwereld. Want hij zegt, « dat het lichaam van Christus in het graf gelegd werd, toen Hij zelf verder ging om te gaan preken aan de geesten, die in de gevangenis waren, zoals Petrus gezegd heeft. » Het is echter duidelijk, dat de ongelovigen in de hel der verdoemden waren. Dus is Christus afgedaald in de hel der verdoemden.

Praeterea, Augustinus dicit, in epistola ad Evodium, si in illum Abrahae sinum Christum mortuum venisse sacra Scriptura dixisset non nominato Inferno eiusque doloribus, miror si quisquam eum ad Inferos descendisse asserere auderet. Sed quia evidentia testimonia et Infernum commemorant et dolores, nulla causa occurrit cur illo credatur venisse salvator, nisi ut ab eisdem doloribus salvos faceret. Sed locus dolorum est Infernus damnatorum. Ergo Christus in Infernum damnatorum descendit. (IIIa q. 52 a. 2 arg. 4)

4 — Augustinus zegt: « Indien de H. Schrift gezegd had, dat Christus kwam naar de Schoot van Abraham, zonder dat de hel en haar smarten genoemd werden, dan zou, meen ik, niemand durven zeggen, dat Hij naar de hel was afgedaald. Maar aangezien met overtuigende woorden zowel de hel als de smarten genoemd worden, is er geen reden aan te geven, waarom de Verlosser — zoals wij geloven, — daar kwam, tenzij om van diezelfde smarten te bevrijden. » De plaats van smarten echter is de hel der verdoemden. Dus is Christus in de hel der verdoemden afgedaald.

Praeterea, sicut Augustinus dicit, in quodam sermone de passione, Christus ad Infernum descendens omnes iustos qui originali peccato adstricti tenebantur, absolvit. Sed inter illos erat etiam Iob, qui de seipso dicit, Iob XVII, in profundissima Inferni descendent omnia mea. Ergo Christus etiam usque ad profundissimum Inferni descendit. (IIIa q. 52 a. 2 arg. 5)

5 — Zoals Augustinus zegt, is Christus afgedaald in de hel en « heeft Hij alle rechtvaardigen, die gebonden werden gehouden door de erfzonde, verlost. » Onder hen echter was ook Job, die van zichzelf zegt in het Boek Job (17. 16): « Al het mijne zal nederdalen in de diepste hel. » Dus is Christus ook tot de diepste hel afgedaald.

Sed contra est quod de Inferno damnatorum dicitur, Iob X, antequam vadam, et non revertar, ad terram tenebrosam et opertam mortis caligine, et cetera. Nulla autem est conventio lucis ad tenebras, ut dicitur II Cor. VI. Ergo Christus, qui est lux, ad illum Infernum damnatorum non descendit. (IIIa q. 52 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat in het Boek Job (10, 21) van de hel der verdoemden gezegd wordt: « Voordat Ik heenga, om niet terug te keren, naar het duistere en met donkerheid des doods bedekte land, waar geen orde is, maar eeuwige verschrikking woont. » « Het licht » echter « heeft niets met de duisternis uit te staan, » zoals gezegd wordt in de Tweede Brief aan de Corinthiërs (6. 14). Dus Christus, die het licht is, is niet afgedaald naar de hel der verdoemden.

Respondeo dicendum quod dupliciter dicitur aliquid alicubi esse. Uno modo, per suum effectum. Et hoc modo Christus in quemlibet Infernum descendit, aliter tamen et aliter. Nam in Infernum damnatorum habuit hunc effectum quod, descendens ad Inferos, eos de sua incredulitate et malitia confutavit. Illis vero qui detinebantur in Purgatorio, spem gloriae consequendae dedit. Sanctis autem patribus, qui pro solo peccato originali detinebantur in Inferno, lumen aeternae gloriae infudit. Alio modo dicitur aliquid esse alicubi per suam essentiam. Et hoc modo anima Christi descendit solum ad locum Inferni in quo iusti detinebantur, ut quos ipse per gratiam interius visitabat secundum divinitatem, eos etiam secundum animam visitaret et loco. Sic autem in una parte Inferni existens, effectum suum aliqualiter ad omnes Inferni partes derivavit, sicut, in uno loco terrae passus, totum mundum sua passione liberavit. (IIIa q. 52 a. 2 co.)

Men kan op twee manieren zeggen, dat iets ergens is. — Vooreerst door iets uit te werken: en zo is Christus in iedere hel afgedaald, doch op verschillende wijze. Want in de hel der verdoemden had Hij deze uitwerking, dat Hij hen, die in de hel waren, door zijn afdalen deed beschaamd staan over hun ongeloof en hun boosheid. Aan hen echter, die in het vagevuur waren gaf Hij hoop op het bereiken der glorie. De heilige vaders echter, die alleen om de erfzonde in de hel werden vastgehouden, stortte Hij het glorielicht in. — Vervolgens zegt men, dat iets ergens is door zijn wezenheid. En op die manier daalde de ziel van Christus alleen af naar de hel, waarin de rechtvaardigen werden vastgehouden, om hen, die Hijzelf naar zijn Godheid inwendig bezocht door de genade, ook naar de ziel en plaatselijk te bezoeken. Zo heeft Hij ook, terwijl Hij tegenwoordig was in een deel der hel, in zekere zin zijn uitwerking doen doordringen tot alle delen der hel, zoals Hij ook door op één plaats der aarde te lijden, de gehele wereld door zijn lijden verlost heeft.

Ad primum ergo dicendum quod Christus, qui est Dei sapientia, penetravit omnes inferiores partes terrae, non localiter, secundum animam omnes circumeundo; sed effectum suae potentiae aliqualiter ad omnes extendendo. Ita tamen quod solos iustos illuminavit, sequitur enim, et illuminabo omnes sperantes in domino. (IIIa q. 52 a. 2 ad 1)

1 — Christus, die de Wijsheid Gods is, « drong door alle lagere delen der aarde, » niet plaatselijk, door met zijn ziel overal te komen; maar door de uitwerking van zijn macht enigszins tot alle uit te breiden. Zo echter, dat Hij alleen de rechtvaardigen verlichtte; want er volgt op: « En ik zal allen, die op de Heer hopen, verlichten. »

Ad secundum dicendum quod duplex est dolor. Unus de passione poenae, quam patiuntur homines pro peccato actuali, secundum illud Psalmi, dolores Inferni circumdederunt me. Alius autem dolor est de dilatione speratae gloriae, secundum illud Proverb. XIII, spes quae differtur, affligit animam. Quem quidem dolorem etiam patiebantur sancti patres in Inferno. Ad quod significandum Augustinus, in sermone de passione, dicit quod lacrymabili obsecratione Christum orabant. Utrosque autem dolores Christus solvit ad Infernum descendens, aliter tamen et aliter. Nam dolores poenarum solvit praeservando ab eis, sicut medicus dicitur solvere morbum a quo praeservat per medicinam. Dolores autem causatos ex dilatione gloriae actualiter solvit, gloriam praebendo. (IIIa q. 52 a. 2 ad 2)

2 — Er bestaat een dubbele smart. Een, die voortkomt uit het ondergaan van lijdenstraf, en deze smart lijden de mensen om een daadwerkelijke zonde, naar het woord in het Boek der Psalmen (17. 6): « Hellepijnen omringden mij. » — De andere smart komt voort uit het uitstel der verhoopte glorie, naar het woord in het Boek der Spreuken (13. 12): « De hoop, die uitgesteld wordt, maakt de ziel neerslachtig ». En deze smart leden de heilige vaders in de hel. En hierop duidend, zegt Augustinus, dat « zij onder tranen en smeeken tot Christus baden. » Beide smarten heeft Christus echter door zijn afdalen naar de hel weggenomen, echter de een anders dan de andere. Want de smarten, die de straf meebrengt, heeft Hij weggenomen, door er tegen te bewaren, zoals men zegt, dat een dokter een ziekte wegneemt, door met medicijn er tegen te wapenen. De smarten echter, die veroorzaakt worden door het uitstel der glorie, heeft Hij dadelijk opgeheven, door de glorie te schenken.

Ad tertium dicendum quod illud quod ibi dicit Petrus, a quibusdam refertur ad descensum Christi ad Inferos, sic exponentes verbum illud, his qui in carcere conclusi erant, idest in Inferno, spiritu, idest secundum animam, Christus veniens praedicavit, qui increduli fuerant aliquando. Unde et Damascenus dicit, in III libro, quod, sicut his qui in terra sunt evangelizavit, ita et his qui in Inferno, non quidem ut incredulos ad fidem converteret, sed ut eorum infidelitatem confutaret. Quia et ipsa praedicatio nihil aliud intelligi potest quam manifestatio divinitatis eius, quae manifestata est infernalibus per virtuosum descensum Christi ad Inferos. Augustinus tamen melius exponit, in epistola ad Evodium, ut referatur, non ad descensum Christi ad Inferos, sed ad operationem divinitatis eius, quam exercuit a principio mundi. Ut sit sensus quod his qui in carcere conclusi erant, viventes scilicet in corpore mortali, quod est quasi quidam carcer animae, spiritu suae divinitatis veniens praedicavit, per internas inspirationes, et etiam exteriores admonitiones per ora iustorum, his, inquam, praedicavit qui increduli fuerant aliquando, Noe scilicet praedicanti, quando expectabant Dei patientiam, per quam differebatur poena diluvii. Unde subdit, in diebus Noe, cum fabricaretur arca. (IIIa q. 52 a. 2 ad 3)

3 — Wat Petrus daar zegt, laten sommigen slaan op Christus’ afdalen naar de hel door dat woord aldus te verklaren: « Aan hen, die in de kerker opgesloten waren, » d. i. in de hel, « die eerst ongelovig waren, heeft Christus gepreekt, komende in de geest, » d. i. met zijn ziel. Daarom zegt ook Damascenus, dat « evenals Hij aan hen gepreekt heeft, die op aarde zijn; zo ook aan hen, die in de hel waren; » echter niet om de ongelovigen tot het geloof te bekeren, maar « om hun ongeloof te beschamen. » Want met die prediking kan niets anders bedoeld zijn, dan de openbaring van zijn Godheid, die aan hen, die in de hel zijn, getoond werd door het krachtdadig afdalen van Christus in de hel. Augustinus legt het echter beter uit door het niet te laten slaan op het afdalen van Christus in de hel, maar op de werking van zijn Godheid, die Hij van het begin der wereld af heeft uitgeoefend. Zo is de betekenis, dat Hij « aan hen, die in de kerker opgesloten zaten, » nl. zij, die leefden in een sterfelijk lichaam, dat is als een kerker voor de ziel, « gepreekt heeft, komende in de geest » van zijn Godheid, door innerlijke influisteringen, en ook door uitwendige aansporingen bij monde der rechtvaardigen: in zover « Hij predikte aan hen, die eens ongelovig waren, » nl. door de prediking van Noë, « toen zij hoopten op Gods geduld, » waardoor de straf van de zondvloed werd uitgesteld. Daarom voegt hij eraan toe: « In de dagen van Noë, toen deze de ark bouwde. »

Ad quartum dicendum quod sinus Abrahae potest secundum duo considerari. Uno modo, secundum quietem quae ibi erat a poena sensibili. Et quantum ad hoc non competit ei nec nomen Inferni, nec sunt ibi aliqui dolores. Alio modo potest considerari quantum ad privationem gloriae speratae. Et secundum hoc habet rationem Inferni et doloris. Et ideo nunc dicitur sinus Abrahae illa requies beatorum, non tamen dicitur Infernus, nec dicuntur nunc in sinu Abrahae esse dolores. (IIIa q. 52 a. 2 ad 4)

4 — De « Schoot van Abraham » kan men in een dubbel opzicht beschouwen. Op de eerste plaats, in zover men daar van zintuiglijk-waarneembare straf bevrijd was, en in dit opzicht kan men het geen hel noemen, en zijn daar ook geen smarten. Op de tweede plaats kan men hem beschouwen in zover daar de verhoopte glorie gemist wordt. En in dit opzicht sluit hij de begrippen hel en smart in. En daarom wordt nu de rust der zaligen de schoot van Abraham genoemd, maar zij wordt niet hel genoemd, en ook zeggen wij niet, dat nu in de schoot van Abraham smarten zijn.

Ad quintum dicendum quod, sicut Gregorius ibidem dicit, ipsa superiora loca Inferni profundissimum Infernum vocat. Si enim, quantum ad celsitudinem caeli, aer iste caliginosus Infernus est; quantum ad eiusdem aeris altitudinem, terra, quae inferius iacet, et Infernus intelligi, et profundum potest. Quantum vero ad eiusdem terrae altitudinem, illa loca Inferni quae superiora sunt aliis receptaculis Inferni, hoc modo Inferni profundissimi appellatione significantur. (IIIa q. 52 a. 2 ad 5)

5 — Zoals Gregorius zegt, « noemt hij de hogere plaatsen der hel de diepste hel. Want als met het oog op de hoogte van de hemel deze lucht een duistere hel genoemd wordt, dan kan met het oog op de hoogte van de lucht, de aarde, die lager ligt, hel genoemd worden en diep. Met het oog echter op de hoogte der aarde kunnen ook die plaatsen der hel, die hoger gelegen zijn dan de andere verblijven der hel, op die manier met de benaming van de diepste hel bestempeld worden. »

Articulus 3.
Was Christus geheel in de hel?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod Christus non fuit totus in Inferno. Corpus enim Christi est aliqua pars eius. Sed corpus Christi non fuit in Inferno. Ergo totus Christus non fuit in Inferno. (IIIa q. 52 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert dat Christus niet geheel in de hel was. Christus’ lichaam immers is een deel van Hem. Het lichaam van Christus nu was niet in de hel. Dus was niet de gehele Christus in de hel.

Praeterea, nihil cuius partes ab invicem separatae sunt, potest dici totum. Sed corpus et anima, quae sunt partes humanae naturae, fuerunt ab invicem separata post mortem, ut supra dictum est. Descendit autem ad Infernum mortuus existens. Non ergo potuit esse totus in Inferno. (IIIa q. 52 a. 3 arg. 2)

2 — Geen ding kan men geheel noemen, als zijn delen onderling gescheiden zijn. Het lichaam en de ziel echter, die delen zijn van de menselijke natuur, waren na de dood onderling gescheiden, zoals boven gezegd is (50° Kw. 3° en 4° Art.). Naar de hel daalde Hij echter af, toen Hij dood was. Dus kon Hij niet geheel in de hel zijn.

Praeterea, illud totum dicitur esse in loco cuius nihil est extra locum illum. Sed aliquid Christi erat extra Infernum, quia et corpus erat in sepulcro, et divinitas ubique. Ergo Christus non fuit totus in Inferno. (IIIa q. 52 a. 3 arg. 3)

3 — Wij zeggen, dat iets geheel in een plaats is, als niets daarvan buiten die plaats is. Iets van Christus echter was buiten de hel, daar zijn lichaam in het graf was en zijn Godheid overal. Dus was Christus niet geheel in de hel.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in libro de symbolo, totus filius apud patrem, totus in caelo, totus in terra, totus in utero virginis, totus in cruce, totus in Inferno, totus in Paradiso quo latronem introduxit. (IIIa q. 52 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: « De Zoon was geheel bij de Vader, en geheel in de hemel, geheel op aarde, geheel in de schoot der Maagd, geheel op het kruis, geheel in de hel, en geheel in het paradijs, waar Hij de rover binnenvoerde. »

Respondeo dicendum quod, sicut patet ex his quae in prima parte dicta sunt, masculinum genus refertur ad hypostasim vel personam, neutrum autem genus pertinet ad naturam. In morte autem Christi, licet anima fuerit separata a corpore, neutrum tamen fuit separatum a persona filii Dei, ut supra dictum est. Et ideo, in illo triduo mortis Christi, dicendum est quod totus Christus fuit in sepulcro, quia tota persona fuit ibi per corpus sibi unitum; et similiter totus fuit in Inferno, quia tota persona Christi fuit ibi ratione animae sibi unitae; totus etiam Christus tunc erat ubique, ratione divinae naturae. (IIIa q. 52 a. 3 co.)

Zoals blijkt uit het gezegde in het Eerste Deel (31° Kw. 2° Art. 4° Antw.) wijst het mannelijk geslacht terug op de hypostase of de persoon, het onzijdig geslacht echter op de natuur. Ofschoon nu bij de dood van Christus de ziel van het lichaam werd gescheiden, werd toch geen van beiden afgescheiden van de persoon van de Zoon Gods, zoals boven gezegd is (50° Kw. 2° en 3° Art.). En daarom moeten wij zeggen, dat in de drie dagen van Christus’ dood, de gehele Christus in het graf was, wijl de gehele persoon daar was door het lichaam, dat met Hem verenigd was; en evenzo was Hij ook geheel in de hel, wijl de gehele persoon van Christus daar was om reden van de ziel, die met Hem verenigd was; en ook was de gehele Christus toen overal van wege de goddelijke natuur.

Ad primum ergo dicendum quod corpus quod tunc erat in sepulcro, non est pars personae increatae, sed naturae assumptae. Et ideo per hoc quod corpus Christi non fuit in Inferno, non excluditur quin totus Christus fuerit, sed ostenditur quod non fuit ibi totum quod pertinet ad humanam naturam. (IIIa q. 52 a. 3 ad 1)

1 — Het lichaam, dat toen in het graf verbleef, was geen deel van de ongeschapen persoon, maar van de aangenomen natuur. En daarom wordt door het feit, dat het lichaam van Christus niet in de hel was, niet uitgesloten, dat de gehele Christus daar was; maar daaruit blijkt, dat datgene niet geheel daar was, wat tot de menselijke natuur behoort.

Ad secundum dicendum quod ex anima et corpore unitis constituitur totalitas humanae naturae, non autem totalitas divinae personae. Et ideo, soluta unione animae et corporis per mortem, remansit totus Christus, sed non remansit humana natura in sua totalitate. (IIIa q. 52 a. 3 ad 2)

2 — Uit de vereniging van ziel en lichaam wordt het geheel van de menselijke natuur samengesteld, niet echter het geheel van de goddelijke persoon. En daarom bleef na de opheffing der vereniging van ziel en lichaam door de dood de gehele Christus; maar de menselijke natuur bleef niet in haar geheel.

Ad tertium dicendum quod persona Christi est tota in quolibet loco, sed non totaliter, quia nullo loco circumscribitur. Sed nec omnia loca simul accepta eius immensitatem comprehendere possunt. Quinimmo ipse sua immensitate omnia comprehendit. Hoc autem locum habet in his quae corporaliter et circumscriptive sunt in loco, quod, si totum sit alicubi, nihil eius sit extra. Sed hoc in Deo locum non habet. Unde Augustinus dicit, in sermone de symbolo, non per diversa tempora vel loca dicimus ubique Christum esse totum, ut modo ibi totus sit, et alio tempore alibi totus, sed ut semper ubique sit totus. (IIIa q. 52 a. 3 ad 3)

3 — De gehele persoon van Christus is in iedere plaats, maar niet totaal, daar hij door geen enkele plaats omschreven wordt. En zelfs kunnen alle plaatsen tezamen genomen niet zijn onmetelijkheid omvatten. Integendeel, Hijzelf omvat alles in zijn onmetelijkheid. Bij die dingen echter, die lichamelijk en omschreven in een plaats zijn, gebeurt het, dat wanneer zij ergens geheel zijn, niets daarvan daarbuiten is. Dit heeft echter niet plaats bij God. En daarom zegt Augustinus: « Wij zeggen niet, dat Christus overal geheel is, genomen op verschillende tijden en plaatsen, als zou Hij nu geheel hier zijn, en op een andere tijd weer ergens anders geheel, maar doordat Hij altijd overal geheel is. »

Articulus 4.
Heeft Christus zich enige tijd opgehouden in de hel?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod Christus nullam moram contraxit in Inferno. Christus enim ad hoc in Infernum descendit ut ex eo homines liberaret. Sed hoc statim ab eo factum est in ipso suo descensu, facile enim est in conspectu Dei subito honestare pauperem, ut dicitur Eccli. XI. Ergo videtur quod nullam moram in Inferno contraxit. (IIIa q. 52 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus zich niet enigen tijd in de hel heeft opgehouden. Christus daalde immers af in de hel met het doel, de mensen daaruit te bevrijden. Dit deed Hij echter terstond toen Hij afdaalde: « Het is immers voor God gemakkelijk een arme ineens in eer te brengen, » zoals gezegd wordt in het Boek Ecclesiasticus (11. 23). Dus heeft Hij zich geen ogenblik in de hel opgehouden.

Praeterea, Augustinus dicit, in sermone de passione, quod sine aliqua mora, ad imperium domini ac salvatoris, omnes ferrei confracti sunt vectes. Unde ex persona Angelorum concomitantium Christum dicitur, tollite portas, principes, vestras. Ad hoc autem Christus illuc descendit ut vectes Inferni confringeret. Ergo Christus in Inferno nullam moram contraxit. (IIIa q. 52 a. 4 arg. 2)

2 — Augustinus zegt, dat « zonder enig verwijl alle ijzeren grendels verbroken zijn op het bevel van de Heer en Zaligmaker. » Daarom wordt uit naam van de engelen, die Christus begeleidden, gezegd: « Neemt uw poorten weg, o vorsten » (Ps. 23. 7). Christus nu daalde daarheen juist af, om de ijzeren grendels te verbreken. Dus heeft Christus geen enkel oponthoud gehad in de hel.

Praeterea, Luc. XXIII dicitur quod dominus, in cruce pendens, dixit latroni, hodie mecum eris in Paradiso, ex quo patet quod eadem die Christus fuit in Paradiso. Non autem secundum corpus, quod positum fuit in sepulcro. Ergo secundum animam, quae ad Infernum descenderat. Et ita videtur quod non contraxit moram in Inferno. (IIIa q. 52 a. 4 arg. 3)

3 — Bij Lucas (23. 43) wordt gezegd, dat de Heer, hangende aan het kruis, tot de rover zeide: « Heden zult gij met Mij zijn in het paradijs: » waaruit blijkt, dat Christus diezelfde dag in het paradijs was. Echter niet wat betreft zijn lichaam, dat in het graf gelegd was. Dus met zijn ziel, welke nedergedaald was ter helle. En dus heeft Hij zich niet in de hel opgehouden.

Sed contra est quod Petrus dicit, Act. II, quem Deus suscitavit, solutis doloribus Inferni, iuxta quod impossibile erat teneri illum ab eo. Ergo videtur quod usque ad horam resurrectionis mansit in Inferno. (IIIa q. 52 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Petrus zegt in de Handelingen der Apostelen (2, 24): « En Hem heeft God opgewekt, na de smarten der hel te hebben weggenomen, daar Hij onmogelijk door haar kon worden vastgehouden. » Dus bleef Hij tot aan het uur der verrijzenis in de hel.

Respondeo dicendum quod sicut Christus, ut nostras poenas in se susciperet, voluit corpus suum in sepulcro poni, ita etiam voluit animam suam ad Infernum descendere. Corpus autem eius mansit in sepulcro per diem integrum et duas noctes ad comprobandum veritatem mortis suae. Unde etiam tantundem credendum est animam eius fuisse in Inferno, ut simul anima eius educeretur de Inferno, et corpus de sepulcro. (IIIa q. 52 a. 4 co.)

Evenals Christus wilde, dat zijn lichaam in het graf gelegd zou worden, om onze straffen op zich te nemen: evenzo wilde Hij ook, dat zijn ziel naar de hel afdaalde. Zijn lichaam nu verbleef een gehele dag en twee nachten lang in de hel, om de echtheid van zijn dood te bewijzen. En daarom moeten wij ook houden, dat zijn ziel evenzo lang in de hel bleef, opdat tegelijk zijn ziel uit de hel gevoerd werd en zijn lichaam uit het graf.

Ad primum ergo dicendum quod Christus, ad Infernum descendens, sanctos ibi existentes liberavit, non quidem statim educendo eos de loco Inferni, sed in ipso Inferno eos luce gloriae illustrando. Et tamen conveniens fuit ut tandiu anima eius remaneret in Inferno quandiu corpus manebat in sepulcro. (IIIa q. 52 a. 4 ad 1)

1 — Christus heeft toen Hij in de hel afdaalde, de heiligen verlost, die daar verbleven, echter niet door hen terstond uit de helleplaats weg te voeren, maar door hen in de hel zelf met het licht de glorie te bestralen. En het was ook passend, dat zijn ziel evenlang in de hel bleef als zijn lichaam in het graf.

Ad secundum dicendum quod vectes Inferni dicuntur impedimenta quibus sancti patres de Inferno exire prohibebantur, reatu culpae primi parentis. Quos Christus statim descendens ad Inferos, virtute suae passionis et mortis confregit. Et tamen voluit in Inferno aliquandiu remanere, propter rationem praedictam. (IIIa q. 52 a. 4 ad 2)

2 — Met « de grendels der hel » worden de hinderpalen bedoeld, die de heilige vaders beletten uit de hel te komen door de zondeschuld van de stamvader. Deze heeft Christus door de kracht van zijn lijden en dood verbroken, terstond toen Hij in de hel afdaalde. En toch wilde Hij enigen tijd in de hel verblijven om de reden, die in de leerstelling werd aangegeven.

Ad tertium dicendum quod illud verbum domini est intelligendum, non de Paradiso terrestri corporeo, sed de Paradiso spirituali, in quo esse dicuntur quicumque divina gloria perfruuntur. Unde latro loco quidem cum Christo ad Infernum descendit, ut cum Christo esset, quia dictum est ei, mecum eris in Paradiso, sed praemio in Paradiso fuit, quia ibi divinitate Christi fruebatur, sicut et alii sancti. (IIIa q. 52 a. 4 ad 3)

3 — Men moet dat woord van de Heer verstaan van het stoffelijk, aards paradijs, maar van het geestelijk paradijs, waarin, zoals wij zeggen, zij zijn, die Gods heerlijkheid genieten. Daarom daalde de rover plaatselijk wel met Christus af naar de hel, om met Christus te zijn, daar hem gezegd werd: « Gij zult met Mij zijn in het paradijs, » maar naar de beloning was hij in het paradijs, wijl hij daar van de Godheid van Christus genoot, zoals de andere heiligen.

Articulus 5.
Heeft Christus door zijn afdalen naar de hel de heilige vaders daaruit verlost?

Ad quintum sic proceditur. Videtur quod Christus, descendens ad Inferos, sanctos patres inde non liberaverit. Dicit enim Augustinus, in epistola ad Evodium, illis iustis qui in sinu erant Abrahae cum Christus in Inferna descenderet, nondum quid contulisset inveni, a quibus eum, secundum beatificam praesentiam suae divinitatis, nunquam video recessisse. Multum autem eis contulisset si eos ab Inferis liberasset. Non ergo videtur quod Christus sanctos patres ab Inferis liberaverit. (IIIa q. 52 a. 5 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus door zijn afdalen naar de hel, de heilige vaders niet daaruit heeft verlost. Augustinus toch zegt: « Ik heb nog niet achterhaald, wat Christus bij zijn afdalen in de hel, aan die rechtvaardigen gebracht heeft, die in de schoot van Abraham waren, daar ik zie, dat Hij hen nooit met de zaligende tegenwoordigheid van zijn Godheid verlaten had. » Indien Hij hen echter uit de hel bevrijd had, dan had Hij hen veel gebracht. Dus heeft Hij de heilige vaders niet uit de hel bevrijd.

Praeterea, nullus in Inferno detinetur nisi propter peccatum. Sed sancti patres, dum adhuc viverent, per fidem Christi iustificati fuerant a peccato. Ergo non indigebant liberari ab Inferno, ad Inferos Christo descendente. (IIIa q. 52 a. 5 arg. 2)

2 — Niemand wordt in de hel vastgehouden, tenzij om een zonde. De heilige vaders echter waren tijdens hun leven door het geloof in Christus van de zonde gerechtvaardigd. Dus hadden zij niet nodig dat Christus hen verloste, door in de hel af te dalen.

Praeterea, remota causa, removetur effectus. Sed causa descendendi ad Inferos est peccatum, quod fuit remotum per passionem Christi, ut supra dictum est. Non ergo per descensum Christi ad Inferos sancti patres sunt de Inferno educti. (IIIa q. 52 a. 5 arg. 3)

3 — Wanneer de oorzaak wordt weggenomen, wordt ook het effect opgeheven. De oorzaak nu van het afdalen in de hel is de zonde, die weggenomen werd door het lijden van Christus, zoals boven gezegd is (49° Kw. 1° Art.). Dus zijn de heilige vaders niet door Christus’ afdalen in de onderwereld uit de hel verlost.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in sermone de passione, quod Christus, quando ad Inferna descendit, portam Inferni et vectes ferreos confregit, et omnes iustos, qui originali peccato adstricti tenebantur, absolvit. (IIIa q. 52 a. 5 s. c.)

Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt, dat toen Christus in de hel nederdaalde, « Hij de poorten van de hel en de ijzeren kluisters verbrak en al de rechtvaardigen verloste, die wegens de smet van de erfzonde werden vastgehouden. »

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, Christus, descendens ad Inferos, operatus est in virtute suae passionis. Per passionem autem Christi liberatum est genus humanum, non solum a peccato, sed etiam a reatu poenae, ut supra dictum est. Dupliciter autem homines reatu poenae erant adstricti. Uno modo, pro peccato actuali, quod quilibet in sua persona commiserat. Alio modo, pro peccato totius humanae naturae, quod a primo parente in omnes originaliter devenit, ut dicitur Rom. V. Cuius quidem peccati poena est mors corporalis et exclusio a vita gloriae, ut patet ex his quae dicuntur Gen. II et III, nam Deus hominem de Paradiso post peccatum eiecit, cui ante peccatum mortem fuerat comminatus si peccaret. Et ideo Christus, descendens ad Inferos, virtute suae passionis ab hoc reatu sanctos absolvit, quo erant a vita gloriae exclusi, ut non possent Deum per essentiam videre, in quo consistit perfecta hominis beatitudo, ut in secunda parte dictum est. Per hoc autem sancti patres detinebantur in Inferno, quod eis ad vitam gloriae, propter peccatum primi parentis, aditus non patebat. Et sic Christus, descendens ad Inferos, sanctos patres ab Inferis liberavit. Et hoc est quod dicitur Zach. IX, tu vero in sanguine testamenti tui eduxisti vinctos de lacu in quo non erat aqua. Et Coloss. II dicitur quod, exspolians principatus et potestates, scilicet infernales, auferendo Isaac et Iacob et ceteros iustos, traduxit eos, idest, longe ab hoc regno tenebrarum ad caelum duxit, ut Glossa ibidem dicit. (IIIa q. 52 a. 5 co.)

Zoals boven gezegd werd (in het vorige Art. 2° Antw.), heeft Christus bij zijn afdalen naar de hel gewerkt uit kracht van zijn lijden. Door het lijden van Christus nu werd het menselijk geslacht niet alleen van de zonde bevrijd, maar ook van de strafschuldigheid, zoals boven gezegd werd (49° Kw. 1° en 3° Art.). Nu waren de mensen op dubbele wijze beladen met strafschuldigheid. — Vooreerst om hun daadwerkelijke zonde, welke ieder persoonlijk bedreef. — Vervolgens om de zonde van geheel de menselijke natuur, welke door voortkomst uit de stamvader op allen overgaat, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (5. 12 vlg.). De straf van deze zonde nu is de lichamelijke dood, en de uitsluiting van het leven der glorie, zoals uit hetgeen gezegd wordt in het Boek der Schepping (hfdst. 2, 3) blijkt; God verdreef immers na de zonde de mens uit het paradijs, nadat Hij hem vóór de zonde met de dood bedreigd had, voor het geval hij zondigde. En aldus heeft Christus door zijn nederdalen in de hel uit kracht van zijn lijden de heiligen verlost van deze strafschuldigheid, waardoor zij van het leven der glorie waren uitgesloten, zodat zij God in zijn wezen konden aanschouwen, waarin de volmaakte gelukzaligheid voor de mens gelegen is, zoals in het Tweede Deel gezegd is (I. II. 3° Kw. 8° Art.). De heilige vaders nu werden in de hel vastgehouden in die zin, dat voor hen om de zonde van de stamvader de toegang tot het leven der glorie niet openstond. En zo heeft Christus door in de hel af te dalen de heilige vaders uit de hel verlost. En dit wordt bedoeld met hetgeen in Zacharias (9. 11) gezegd wordt: « Gij hebt met het bloed van Uw verbond de gevangenen verlost uit de kuil, waarin geen water was. » En in de Brief aan de Colossensen (2. 15) wordt gezegd, dat « Hij door de vorsten en machten te beroven » nl. « de helsche, hetgeen geschiedde door Abraham, Isaac en Jacob en de overige rechtvaardigen weg te voeren, hen overbracht, d. i. hen ver van dit rijk der duisternis naar de hemel voerde, » zoals de Glossa zegt.

Ad primum ergo dicendum quod Augustinus ibi loquitur contra quosdam qui aestimabant antiquos iustos, ante adventum Christi, in Inferno doloribus poenarum fuisse subiectos. Unde, parum ante verba inducta, praemittit dicens, addunt quidam hoc beneficium antiquis etiam sanctis fuisse concessum, ut, dominus cum in Infernum venisset, ab illis doloribus solverentur. Sed quonam modo intelligatur Abraham, in cuius sinum pius etiam pauper ille susceptus est, in illis fuisse doloribus, ego quidem non video. Et ideo, cum postea subdit se nondum invenisse quid descensus Christi ad Inferos antiquis iustis contulerit, intelligendum est quantum ad absolutionem a doloribus poenarum. Contulit tamen eis quantum ad adeptionem gloriae, et per consequens solvit eorum dolorem quem patiebantur ex dilatione gloriae. Ex cuius tamen spe magnum gaudium habebant, secundum illud Ioan. VIII, Abraham, pater vester, exultavit ut videret diem meum. Et ideo subdit, a quibus eum, secundum beatificam praesentiam suae divinitatis, nunquam video recessisse, inquantum scilicet, etiam ante adventum Christi, erant beati in spe, licet nondum essent perfecte beati in re. (IIIa q. 52 a. 5 ad 1)

1 — Augustinus spreekt daar tegen sommigen, die hielden, dat de oude rechtvaardigen vóór Christus' komst in de hel aan smartelijke straffen onderhevig waren. Daarom laat hij kort voor de aangehaalde woorden voorafgaan: « Sommigen voegen er aan toe, dat aan de oude heiligen ook deze weldaad geschonken werd, dat de Heer hen van hun smarten bevrijdde, toen Hij in de hel afdaalde. Maar ik zie niet in, hoe zij het verstaan, dat Abraham, in wiens schoot ook die arme werd opgenomen, in die smarten was ondergedompeld. » En als hij daarom later laat volgen, « dat hij nog niet achterhaald heeft, wat het afdalen van Christus in de hel bracht aan de oude rechtvaardigen, » dan moet dit verstaan worden met het oog op de verlossing der smartelijke straffen. Hij bracht hen echter iets met betrekking tot het verkrijgen der glorie, en bijgevolg nam hij hun smart weg, die zij leden tengevolge van het uitstel der glorie. Om de hoop hierop hadden zij echter een grote vreugde naar het woord in Joannes (8. 56): « Abraham, uw vader verheugde zich er op, dat hij Mijn dag zou zien. » En derhalve voegt hij er aan toe: « Ik zie in, dat Hij hen nooit met de zaligende tegenwoordigheid van zijn Godheid verlaten heeft, » in zoverre zij vóór de komst van Christus zalig waren door de hoop, ofschoon zij nooit niet in werkelijkheid volkomen zalig waren.

Ad secundum dicendum quod sancti patres, dum adhuc viverent, liberati fuerunt per fidem Christi ab omni peccato tam originali quam actuali, et reatu poenae actualium peccatorum, non tamen a reatu poenae originalis peccati, per quem excludebantur a gloria, nondum soluto pretio redemptionis humanae. Sicut etiam nunc fideles Christi liberantur per Baptismum a reatu actualium peccatorum, et a reatu originalis quantum ad exclusionem a gloria, remanent tamen adhuc obligati reatu originalis peccati quantum ad necessitatem corporaliter moriendi; quia renovantur secundum spiritum, sed nondum secundum carnem, secundum illud Rom. VIII, corpus quidem mortuum est propter peccatum, spiritus vero vivit propter iustificationem. (IIIa q. 52 a. 5 ad 2)

2 — Terwijl de heilige vaders nog leefden, waren zij door hun geloof in Christus van elke zonde bevrijd, zowel van de erfzonde als van de daadwerkelijke, maar niet van de strafschuld van de erfzonde, waardoor zij van de glorie waren uitgesloten, omdat de prijs voor de menselijke verlossing nog niet betaald was. Zoals ook nu zij, die geloven in Christus, door het doopsel bevrijd worden van de schuld der daadwerkelijke zonden, en van de schuld der erfzonde, wat betreft de uitsluiting van de glorie, maar toch nog gebonden blijven door de schuld der erfzonde, wat de noodzakelijkheid betreft van lichamelijk te sterven; want zij worden wel hernieuwd naar de geest, maar nog niet naar het vlees, volgens het woord in de Brief aan de Romeinen (8. 10): « Het lichaam is wel gestorven van wege de zonde, maar de geest leeft om de rechtvaardiging. »

Ad tertium dicendum quod statim, Christo mortem patiente, anima eius ad Infernum descendit, et suae passionis fructum exhibuit sanctis in Inferno detentis, quamvis ex loco illo non exierint, Christo apud Inferos commorante, quia ipsa Christi praesentia pertinebat ad cumulum gloriae. (IIIa q. 52 a. 5 ad 3)

3 — Terstond toen Christus de dood stierf, is zijn ziel naar de hel afgedaald, en gaf Hij de vrucht van zijn lijden aan de heiligen, die in de hel werden vastgehouden; hoewel zij nog niet uit die plaats weggingen, zolang Christus in de onderwereld verbleef; daar de tegenwoordigheid van Christus zelf behoorde tot het hoogtepunt der glorie.

Articulus 6.
Heeft Christus enige verdoemden uit de hel bevrijd?

Ad sextum sic proceditur. Videtur quod Christus aliquos damnatos ab Inferno liberavit. Dicitur enim Isaiae XXIV, congregabuntur congregatione unius fascis in lacum, et claudentur in carcerem, et post multos dies visitabuntur. Loquitur autem ibi de damnatis, qui militiam caeli adoraverant. Ergo videtur quod etiam damnati, Christo descendente ad Inferos, sunt visitati. Quod ad eorum liberationem videtur pertinere. (IIIa q. 52 a. 6 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus enige verdoemden uit de hel bevrijd heeft. Bij *Isaïas* (24. 22) toch wordt gezegd: « Zij zullen samengebonden worden in de band van één bundel voor de kuil en zij zullen daar opgesloten worden in de kerker, en na vele dagen zullen zij bezocht worden. » Op die plaats nu wordt gesproken van de verdoemden, die het hemels heer aanbeden hebben. Dus schijnen ook de verdoemden bij het nederdalen van Christus in de hel bezocht te zijn. Dit nu behoort tot hun bevrijding.

Praeterea, super illud Zach. IX, tu autem in sanguine testamenti tui eduxisti vinctos de lacu in quo non erat aqua, dicit Glossa, tu eos liberasti qui tenebantur vincti carceribus, ubi nulla misericordia eos refrigerabat, quam dives ille petebat. Sed soli damnati includuntur carceribus absque misericordia. Ergo Christus liberavit aliquos de Inferno damnatorum. (IIIa q. 52 a. 6 arg. 2)

2 — Aangaande de woorden van *Zacharias* (9. 11): « Gij hebt in het bloed van Uw verbond de gevangenen uit de kuil gevoerd, waarin geen water was, » zegt de Glossa: « Gij hebt hen bevrijd, die geboeid lagen in de kerker, waar geen barmhartigheid hen verkwikte, waarom die rijke vroeg. » Alleen de verdoemden echter worden buiten alle barmhartigheid in de kerker opgesloten. Dus heeft Christus sommigen bevrijd uit de hel der verdoemden.

Praeterea, potentia Christi non fuit minor in Inferno quam in hoc mundo, utrobique enim operatus est per potentiam suae divinitatis. Sed in hoc mundo de quolibet statu aliquos liberavit. Ergo etiam in Inferno liberavit aliquos etiam de statu damnatorum. (IIIa q. 52 a. 6 arg. 3)

3 — De macht van Christus was in de hel niet kleiner dan hier op aarde: op beide plaatsen immers werkte Hij door de kracht van zijn Godheid. Op deze wereld nu heeft Hij uit elke staat enigen bevrijd. Dus heeft Hij ook in de hel sommigen verlost uit de staat der verdoemden.

Sed contra est quod dicitur Osee XIII, ero mors tua, o mors. Morsus tuus, Inferne. Glossa, electos educendo, reprobos vero ibidem relinquendo. Sed soli reprobi sunt in Inferno damnatorum. Ergo per descensum Christi ad Inferos non sunt aliqui de Inferno damnatorum liberati. (IIIa q. 52 a. 6 s. c.)

Daartegenover staat echter wat gezegd wordt bij Hosea (13. 14): « Ik zal uw dood zijn, o dood, uw doodsteek zal Ik zijn, onderwereld. » En de Glossa: « Door de uitverkorenen weg te voeren, en de verworpenen daar achter te laten. » Alleen de verworpenen echter zijn in de hel der verdoemden. Dus zijn niet enigen uit de hel der verdoemden bevrijd door het afdalen van Christus naar de onderwereld.

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, Christus, descendens ad Inferos, operatus est in virtute suae passionis. Et ideo eius descensus ad Inferos illis solis liberationis contulit fructum qui fuerunt passioni Christi coniuncti per fidem caritate formatam, per quam peccata tolluntur. Illi autem qui erant in Inferno damnatorum, aut penitus fidem passionis Christi non habuerant, sicut infideles, aut, si fidem habuerant, nullam conformitatem habebant ad caritatem Christi patientis. Unde nec a peccatis suis erant mundati. Et propter hoc descensus Christi ad Inferos non contulit eis liberationem a reatu poenae infernalis. (IIIa q. 52 a. 6 co.)

Zoals boven gezegd is (in het vorige Artikel), heeft Christus bij zijn afdalen in de hel gewerkt uit de kracht van zijn lijden. En daarom bracht zijn afdalen in de hel alleen aan hen de vrucht der verlossing, die met het lijden van Christus verbonden waren door het geloof, gevormd door de liefde, waardoor de zonden worden weggenomen. Zij echter, die in de hel der verdoemden waren, hadden ofwel helemaal geen geloof in het lijden van Christus gehad, zoals de ongelovigen; of als zij het geloof hadden gehad, dan hadden zij geen enkele gelijkvormigheid met de liefde van de lijdende Christus. En daarom waren zij ook niet van hun zonden gezuiverd. En daarom bracht het afdalen van Christus naar de hel voor hen geen verlossing van de hellestraf, die ze moesten ondergaan.

Ad primum ergo dicendum quod, Christo descendente ad Inferos, omnes qui erant in quacumque parte Inferni, sunt aliqualiter visitati, sed quidam ad suam consolationem et liberationem; quidam autem ad suam confutationem et confusionem, scilicet damnati. Unde ibidem subditur, et erubescet luna, et confundetur sol, et cetera. Potest etiam hoc referri ad visitationem qua visitabuntur in die iudicii, non ut liberentur, sed ut condemnentur amplius, secundum illud Sophon. I, visitabo super viros defixos in faecibus suis. (IIIa q. 52 a. 6 ad 1)

1 — Christus heeft bij zijn afdalen in de hel allen, in welk deel der hel zij ook waren, in zekeren zin bezocht; sommigen echter tot hun troost en hun verlossing, anderen echter tot hun beschaming en hun verbijstering, namelijk de verdoemden. Daarom wordt op die plaats eraan toegevoegd: « De maan zal beschamd worden en de zon in de war raken, » enz. (v. 23). Dit kan men ook laten slaan op het bezoek, waarmede Hij bezoeken zal op de oordeelsdag, niet om te bevrijden, maar om nog meer te veroordelen, naar het woord van Sophonias (1. 12): « Ik zal bezoeking brengen over de mannen, die vastzitten op hun droesem. »

Ad secundum dicendum quod, cum dicitur in Glossa, ubi nulla misericordia eos refrigerabat, intelligendum est quantum ad refrigerium perfectae liberationis. Quia sancti patres ab illis Inferni carceribus ante Christi adventum non poterant liberari. (IIIa q. 52 a. 6 ad 2)

2 — Als in de Glossa gezegd wordt: « Waar geen barmhartigheid hen verkwikte, » dan moet dat verstaan worden van de verkwikking der volmaakte bevrijding. Want de heilige vaders konden in die hellekerker vóór de komst van Christus niet bevrijd worden.

Ad tertium dicendum quod non fuit propter Christi impotentiam quod non sunt aliqui liberati de quolibet statu infernalium, sicut de quolibet statu mundanorum, sed propter diversam utrorumque conditionem. Nam homines quandiu hic vivunt, possunt ad fidem et caritatem converti, quia in hac vita non sunt homines confirmati in bono vel in malo, sicut post exitum ab hac vita. (IIIa q. 52 a. 6 ad 3)

3 — Dat, zoals uit elke staat op de wereld, ook niet uit elke staat der hel enigen bevrijd werden, lag niet aan de onmacht van Christus; maar aan de verschillende toestand van beiden, want zolang de mensen leven, kunnen zij tot het geloof en de liefde bekeerd worden, terwijl in dit leven de mensen nog niet in het goede of kwade bevestigd zijn, zoals na het heengaan uit dit leven.

Articulus 7.
Zijn de kinderen, die met de erfzonde gestorven waren, door Christus bevrijd?

Ad septimum sic proceditur. Videtur quod pueri qui cum originali peccato decesserant, fuerint per descensum Christi liberati. Non enim tenebantur in Inferno nisi pro peccato originali, sicut et sancti patres. Sed sancti patres sunt ab Inferno liberati per Christum, ut supra dictum est. Ergo et pueri similiter per Christum sunt ab Inferno liberati. (IIIa q. 52 a. 7 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de kinderen, die met de erfzonde gestorven waren, door Christus’ afdaling uit de hel bevrijd zijn. Zij werden immers alleen maar in de hel vastgehouden om de erfzonde, evenals de heilige vaders. De heilige vaders nu werden door Christus uit de hel bevrijd, zoals boven gezegd werd (7e artikel van deze Kw.). Dus zijn op dezelfde wijze ook de kinderen door Christus uit de hel verlost.

Praeterea, apostolus dicit, Rom. V, si unius delicto multi mortui sunt, multo magis gratia Dei et donum, in gratia unius hominis Iesu Christi, in plures abundavit. Sed propter peccatum primi parentis pueri cum solo peccato originali decedentes in Inferno detinentur. Ergo multo magis per gratiam Christi sunt ab Inferno liberati. (IIIa q. 52 a. 7 arg. 2)

2 — In de Brief aan de Romeinen (5. 15) zegt de Apostel: « Al zijn door de val van één velen gestorven, veel overvloediger is de genade van God en de genadegift van de ene mens Jesus Christus over meerderen uitgestort. » Om de zonde echter van de stamvader werden de kinderen, die stierven, alleen beladen met de erfzonde, in de hel vastgehouden. Dus zijn zij nog veel meer door de genade van Christus van de hel bevrijd.

Praeterea, sicut Baptismus operatur in virtute passionis Christi, ita et descensus Christi ad Inferos, ut ex dictis patet. Sed pueri per Baptismum liberantur a peccato originali et ab Inferno. Ergo similiter liberati sunt per descensum Christi ad Inferos. (IIIa q. 52 a. 7 arg. 3)

3 — Zoals het doopsel werkt uit kracht van Christus’ lijden, zo werkt zijn nederdaling in de hel, zoals blijkt uit het gezegde (in het vorige artikel). De kinderen nu worden door het doopsel bevrijd van de erfzonde en van de hel. Dus zijn zij evenzo bevrijd door Christus’ nederdaling in de hel.

Sed contra est quod apostolus dicit, Rom. III, quod Deus proposuit Christum propitiatorem per fidem in sanguine eius. Sed pueri qui cum solo peccato originali decesserant, nullo modo fuerant participes fidei. Ergo non perceperunt fructum propitiationis Christi, ut per ipsum ab Inferno liberarentur. (IIIa q. 52 a. 7 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de Apostel in de Brief aan de Romeinen (3. 25) zegt, dat « God Christus heeft aangewezen als Verzoener door het geloof in zijn bloed. » De kinderen echter, die met de erfzonde beladen gestorven waren, waren op geen enkele wijze deelachtig aan het geloof in Christus. Dus ontvingen zij niet de vrucht van Christus’ verzoening, zodat zij door Hem uit de hel zouden bevrijd worden.

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, descensus Christi ad Inferos in illis solis effectum habuit qui per fidem et caritatem passioni Christi coniungebantur, in cuius virtute descensus Christi ad Inferos liberatorius erat. Pueri autem qui cum originali decesserant, nullo modo fuerant coniuncti passioni Christi per fidem et dilectionem, neque enim fidem propriam habere potuerant, quia non habuerant usum liberi arbitrii; neque per fidem parentum aut per aliquod fidei sacramentum fuerant a peccato originali mundati. Et ideo descensus Christi ad Inferos huiusmodi pueros non liberavit ab Inferno. Et praeterea per hoc sancti patres ab Inferno sunt liberati quia sunt ad gloriam divinae visionis admissi, ad quam nullus potest pervenire nisi per gratiam, secundum illud Rom. VI, gratia Dei vita aeterna. Cum igitur pueri cum originali decedentes gratiam non habuerint, non fuerunt ab Inferno liberati. (IIIa q. 52 a. 7 co.)

Zoals boven gezegd is (in het vorige Artikel), had de nederdaling van Christus in de hel alleen bij hen zijn bevrijdende uitwerking, die door het geloof en de liefde met Christus’ lijden verbonden waren, daar uit kracht hiervan het afdalen van Christus in de hel bevrijdend werkte. De kinderen nu, die met de erfzonde beladen, gestorven waren, waren op geen enkele wijze door geloof en liefde met het lijden van Christus verbonden: zij konden immers zelf geen geloof hebben, daar zij niet het gebruik van hun vrije wil bezaten, en ook waren zij niet door het geloof der ouders of door een of ander geloofssacrament van de erfzonde gereinigd. En derhalve heeft de nederdaling van Christus in de hel deze kinderen niet uit de hel bevrijd. En daarbij werden de heilige vaders uit de hel verlost, doordat zij tot de glorie der Godsschouwing werden toegelaten; hiertoe kan niemand geraken, tenzij door de genade, overeenkomstig het woord in de Brief aan de Romeinen (6.23): « De genade van God is het eeuwige leven ». Daar derhalve de kinderen, die stierven met de erfzonde beladen, niet de genade bezaten, zijn zij niet uit de hel bevrijd.

Ad primum ergo dicendum quod sancti patres, etsi adhuc tenerentur adstricti reatu originalis peccati inquantum respicit humanam naturam, tamen liberati erant per fidem Christi ab omni macula peccati, et ideo capaces erant illius liberationis quam Christus attulit descendens ad Inferos. Sed hoc de pueris dici non potest, ut ex supra dictis patet. (IIIa q. 52 a. 7 ad 1)

1 — Ofschoon de heilige vaders nog vastgehouden werden, beladen als zij waren met de schuldigheid der erfzonde, voor zover zij betrekking heeft op de menselijke natuur, waren zij toch door het geloof in Christus van elke zondesvlek gezuiverd: en daarom waren zij ontvankelijk voor de bevrijding, welke Christus bracht bij zijn afdalen in de hel. Dit kan echter niet gezegd worden van de kinderen, zoals blijkt uit het bovengezegde (in de Leerst.).

Ad secundum dicendum quod, cum apostolus dicit, gratia Dei in plures abundavit, ly plures non est accipiendum comparative, quasi plures numero sint salvati per gratiam Christi quam damnati per peccatum Adae, sed absolute, ac si diceret quod gratia unius Christi abundavit in multos, sicut et peccatum unius Adae pervenit ad multos. Sed sicut peccatum Adae ad eos tantum pervenit qui per seminalem rationem carnaliter ab eo descenderunt, ita gratia Christi ad illos tantum pervenit qui spirituali regeneratione eius membra sunt facti. Quod non competit pueris decedentibus cum originali peccato. (IIIa q. 52 a. 7 ad 2)

2 — Als de Apostel zegt, dat « de genade Gods overvloedig was over meerderen », dan moet men dat « meerderen » niet vergelijkender wijze nemen, alsof er numeriek meer door de genade van Christus bevrijd zijn, dan er verdoemd zijn door de zonde van Adam; maar men moet het absoluut nemen, alsof hij zei, dat de genade van de één Christus overvloedig was over velen, zoals ook de zonde van de één Adam overging op velen. Maar zoals de zonde van Adam slechts overgaat op hen, die vleselijk door telling van hem afstammen, zo dringt ook de genade van Christus slechts door tot hen, die door een geestelijke wedergeboorte zijn ledematen geworden zijn: en dit komt niet toe aan de kinderen, die in erfzonde sterven.

Ad tertium dicendum quod Baptismus adhibetur hominibus in hac vita, in qua homo potest transmutari de culpa in gratiam. Sed descensus Christi ad Inferos exhibitus fuit animabus post hanc vitam, ubi non sunt capaces transmutationis praedictae. Et ideo per Baptismum pueri liberantur a peccato originali et ab Inferno, non autem per descensum Christi ad Inferos. (IIIa q. 52 a. 7 ad 3)

3 — Het doopsel ontvangen de mensen in dit leven, waarin de mens van de schuld in de genade kan worden overgebracht. Maar de nederdaling van Christus ter helle had voor de zielen plaats na dit leven, waar zij niet meer vatbaar zijn voor de genoemde verandering. En daarom worden de kinderen door het doopsel bevrijd van de erfzonde en van de hel, maar niet door Christus’ nederdaling ter helle.

Articulus 8.
Heeft Christus door zijn afdalen de zielen uit het vagevuur verlost?

Ad octavum sic proceditur. Videtur quod Christus suo descensu ad Inferos liberaverit animas a Purgatorio. Dicit enim Augustinus, in epistola ad Evodium, quia evidentia testimonia et Infernum commemorant et dolores, nulla causa occurrit cur illo credatur venisse salvator, nisi ut ab eisdem doloribus salvos faceret. Sed utrum omnes quos in eis invenit, an quosdam, quos illo beneficio dignos iudicavit, adhuc requiro. Tamen venisse Christum apud Inferos, et in eorum doloribus constitutis hoc beneficium praestitisse, non dubito. Non autem praestitit beneficium liberationis damnatis, sicut supra dictum est. Praeter eos autem nulli sunt in doloribus poenalibus constituti nisi illi qui sunt in Purgatorio. Ergo Christus animas de Purgatorio liberavit. (IIIa q. 52 a. 8 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus door zijn afdaling de zielen uit het vagevuur verlost heeft. Augustinus zegt immers: « Daar met duidelijke woorden zowel de hel als de smarten vermeld worden, is er geen reden, waarom de Verlosser, — zoals wij geloven — daar kwam, tenzij om van diezelfde smarten te verlossen. Maar ik ben nog aan het onderzoeken of dat allen waren, die Hij daarin aantrof, of sommigen, welke Hij die weldaad waardig keurde. Ik twijfel er echter niet aan, dat Christus in de onderwereld is geweest en deze weldaad geschonken heeft aan hen, die in haar smarten ondergedompeld waren. » Hij schonk echter de weldaad der bevrijding niet aan de verdoemden, zoals boven gezegd is (6° Artikel van deze Kw.). Buiten dezen echter, zijn er geen anderen, die tot straf lijden, tenzij degenen die in het vagevuur zijn. Dus heeft Christus de zielen uit het vagevuur verlost.

Praeterea, ipsa animae Christi praesentia non minorem effectum habuit quam sacramenta ipsius. Sed per sacramenta Christi liberantur animae a Purgatorio, et praecipue per Eucharistiae sacramentum, ut infra dicetur. Ergo multo magis per praesentiam Christi ad Inferos descendentis sunt animae a Purgatorio liberatae. (IIIa q. 52 a. 8 arg. 2)

2 — De tegenwoordigheid van Christus zelf heeft geen geringere uitwerking gehad dan zijn sacramenten. Door de sacramenten echter van Christus worden de zielen uit het vagevuur bevrijd en vooral door het sacrament der Eucharistie, zoals later zal gezegd worden (Suppl. 71° Kw. 9° Art.). Dus zijn de zielen nog veel meer uit het vagevuur verlost door de tegenwoordigheid van Christus, die nederdaalde ter helle.

Praeterea, Christus quoscumque curavit in hac vita, totaliter curavit, ut Augustinus dicit, in libro de poenitentia. Et Ioan. VII dominus dicit, totum hominem salvum feci in sabbato. Sed Christus eos qui in Purgatorio erant, liberavit a reatu poenae damni, quo excludebantur a gloria. Ergo etiam liberavit eos a reatu poenae Purgatorii. (IIIa q. 52 a. 8 arg. 3)

3 — « Allen, die Christus in dit leven genas, heeft Hij geheel genezen » zoals Augustinus zegt. En bij Joannes (7. 23) zegt de Heer: « De gehele mens heb ik op de sabbat gezond gemaakt. » Christus heeft echter hen, die in het vagevuur waren, bevrijd van hun schuldig zijn tot de straf van het gemis, waardoor zij uitgesloten waren van de glorie. Dus heeft Hij hen ook verlost van hun schuldig zijn tot de straf van het vagevuur.

Sed contra est quod Gregorius dicit, XIII Moral., dum conditor ac redemptor noster, claustra Inferni penetrans, electorum exinde animas eduxit, nos illo ire non patitur, unde iam alios descendendo liberavit. Patitur autem nos ire ad Purgatorium. Ergo, descendens ad Inferos, animas a Purgatorio non liberavit. (IIIa q. 52 a. 8 s. c.)

Daartegenover staat echter wat Gregorius zegt: « Wijl onze Schepper en Zaligmaker, de afsluitingen der hel doordringend, de zielen der uitverkorenen daaruit wegvoerde, wil Hij niet, dat wij daarheen zouden gaan, waarvandaan Hij de anderen bij zijn nederdaling reeds bevrijdde. » Hij laat echter toe, dat wij naar het vagevuur gaan. Dus heeft Hij niet door zijn nederdalingen in de hel de zielen uit het vagevuur verlost.

Respondeo dicendum quod, sicut saepe dictum est, descensus Christi ad Inferos liberatorius fuit in virtute passionis ipsius. Passio autem eius non habuit temporalem virtutem et transitoriam sed sempiternam, secundum illud Heb. X, una oblatione consummavit sanctificatos in sempiternum. Et sic patet quod non habuit tunc maiorem efficaciam passio Christi quam habeat nunc. Et ideo illi qui fuerunt tales quales nunc sunt qui in Purgatorio detinentur, non fuerunt a Purgatorio liberati per descensum Christi ad Inferos. Si qui autem inventi sunt ibi tales quales etiam nunc virtute passionis Christi a Purgatorio liberantur, tales nihil prohibet per descensum Christi ad Inferos a Purgatorio esse liberatos. (IIIa q. 52 a. 8 co.)

Zoals reeds vaak gezegd werd (in het vorige Art.; 4° Art. van deze Kw. 2° Antw., en 5°, 6° Art. van deze Kw.), bezat de nederdaling van Christus een bevrijdende werking uit de kracht van zijn lijden. Zijn lijden had echter geen tijdelijke en voorbijgaande kracht, maar een eeuwige, volgens het woord in de Brief aan de Hebreën (10. 14): « Door één offerande heeft Hij de heiligen voor altijd tot volmaaktheid gebracht. » En aldus is het duidelijk, dat het lijden van Christus toen geen grotere uitwerking bezat, dan nu. En derhalve zijn zij, die in dezelfde conditie waren, waarin nu zij zijn, die in het vagevuur worden vastgehouden, niet door de nederdaling van Christus ter helle uit het vagevuur verlost. — Als er echter van dat soort waren, welke ook nu door de kracht van Christus’ lijden uit het vagevuur verlost worden, dan is er niets op tegen, dat zoodanigen door de nederdaling van Christus ter helle uit het vagevuur verlost zijn.

Ad primum ergo dicendum quod ex illa auctoritate Augustini non potest concludi quod omnes illi qui in Purgatorio erant, fuerint a Purgatorio liberati, sed quod aliquibus eorum fuerit hoc beneficium collatum, illis scilicet qui iam sufficienter purgati erant; vel etiam qui, dum adhuc viverent, meruerunt per fidem et dilectionem, et devotionem ad mortem Christi, ut, eo descendente, liberarentur a temporali Purgatorii poena. (IIIa q. 52 a. 8 ad 1)

1 — Uit dat getuigenis van Augustinus kan men niet besluiten, dat allen, die in het vagevuur waren, uit het vagevuur bevrijd zijn, maar dat deze weldaad aan sommigen van hen geschonken werd, namelijk aan hen, die reeds voldoende gezuiverd waren of ook aan diegenen, die tijdens hun leven door hun geloof en hun toewijding met betrekking tot Christus’ dood, verdienden, door zijn nederdaling van de tijdelijke straf van het vagevuur verlost te worden.

Ad secundum dicendum quod virtus Christi operatur in sacramentis per modum sanationis et expiationis cuiusdam. Unde sacramentum Eucharistiae liberat homines a Purgatorio inquantum est quoddam sacrificium satisfactorium pro peccato. Descensus autem Christi ad Inferos non fuit satisfactorius. Operabatur tamen in virtute passionis, quae fuit satisfactoria, ut supra habitum est, sed erat satisfactoria in generali, cuius virtutem oportebat applicari ad unumquemque per aliquid specialiter ad ipsum pertinens. Et ideo non oportet quod per descensum Christi ad Inferos omnes fuerint a Purgatorio liberati. (IIIa q. 52 a. 8 ad 2)

2 — De kracht van Christus werkt in de sacramenten bij wijze van een zekere genezing en verzoening. En daarom verlost het sacrament der Eucharistie de mens uit het vagevuur, in zover het een zeker verzoenend sacrificie is voor de zonde. De nederdaling van Christus ter helle was echter niet voldoening gevend. Toch werkte zij uit kracht van het lijden, dat voldoening gevend was, zoals boven gezegd is (48° Kw. 2° Art.); maar het was voldoening brengend in het algemeen, zodat zijn kracht op ieder afzonderlijk moest worden toegepast door iets, wat speciaal op hem betrekking had. En dus is het niet nodig, dat door Christus' nederdaling ter helle allen uit het vagevuur bevrijd werden.

Ad tertium dicendum quod illi defectus a quibus Christus simul in hoc mundo homines liberabat, erant personales, proprie ad unumquemque pertinentes. Sed exclusio a gloria Dei erat quidam defectus generalis pertinens ad totam humanam naturam. Et ideo nihil prohibet eos qui erant in Purgatorio, per Christum esse liberatos ab exclusione a gloria, non autem a reatu poenae Purgatorii, qui pertinet ad proprium defectum. Sicut e converso sancti patres, ante Christi adventum, liberati sunt a propriis defectibus, non autem a defectu communi, sicut supra dictum est. (IIIa q. 52 a. 8 ad 3)

3 — De gebreken, waarvan Christus de mensen in deze wereld ineens bevrijdde, waren iets persoonlijks en eigen aan iedere afzonderlijk. Derlijk. Maar de uitsluiting van Gods glorie was een zeker algemeen gemis, dat eigen was aan geheel de menselijke natuur. En dus is er geen bezwaar, dat zij, die in het vagevuur waren, door Christus werden bevrijd van hun uitsluiting van de glorie, echter niet van de straf in het vagevuur, die zij verdienden, en welke teruggebracht moet worden tot een gemis van de persoon. Zo zijn omgekeerd de heilige vaders vóór Christus’ komst bevrijd van het eigen tekort, echter niet van het tekort, dat algemeen was, zoals boven gezegd is (49° Kw. 5° Art. 1° Antw.).