QuaestioArticulus

Tertia Pars. Quaestio 26.
Over het feit, dat Christus Middelaar tussen God en de mensen wordt genoemd .

Prooemium

Deinde considerandum est de hoc quod Christus dicitur mediator Dei et hominum. Et circa hoc quaeruntur duo. Primo, utrum esse mediatorem Dei et hominum sit proprium Christo. Secundo, utrum hoc conveniat ei secundum humanam naturam. (IIIa q. 26 pr.)

Vervolgens moet wij het feit bespreken, dat Christus bemiddelaar tussen God en de mensen wordt genoemd. En hierover stellen wij ons twee vragen: 1. Is het uitsluitend aan Christus eigen bemiddelaar tussen God en de mensen te zijn? 2. Komt Hem dat toe naar de menselijke natuur?

Articulus 1.
Is het eigen aan Christus Middelaar tussen God en de mensen te zijn?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod esse mediatorem Dei et hominum non sit proprium Christo. Sacerdos enim et propheta videtur esse mediator inter Deum et homines, secundum illud Deut. V, ego illo tempore sequester et medius fui inter vos et Deum. Sed esse prophetam et sacerdotem non est proprium Christo. Ergo nec etiam esse mediatorem. (IIIa q. 26 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het niet aan Christus eigen is bemiddelaar tussen God en de mensen te zijn. Want een priester en een profeet schijnen bemiddelaars tussen God en de mensen te zijn, omdat in *Deuteronomium* (5, 5) wordt gezegd: « In die tijd was ik tussenpersoon en bemiddelaar tussen U en God ». Nu is het priester en profeet zijn niet uitsluitend aan Christus eigen. Dus het bemiddelaar zijn evenmin.

Praeterea, illud quod convenit Angelis bonis et malis, non potest dici esse proprium Christo. Sed esse medium inter Deum et homines convenit Angelis bonis, ut dicit Dionysius, IV cap. de Div. Nom. Convenit etiam Angelis malis, idest Daemonibus, habent enim quaedam communia cum Deo, scilicet immortalitatem; quaedam autem habent communia cum hominibus, scilicet quod sunt animo passivi, et per consequens miseri; ut patet per Augustinum, in Lib. IX de Civ. Dei. Ergo esse mediatorem Dei et hominum non est proprium Christo. (IIIa q. 26 a. 1 arg. 2)

2 — Wat goede en kwade Engelen toekomt, kan men niet eigen aan Christus noemen. Nu komt het aan de goede Engelen toe tussen God en de mensen in te staan, zoals Dionysius zegt in *Over de Namen van God* (4° H.). Het komt ook aan de kwade Engelen of duivels toe, omdat zij iets met God gemeen hebben, namelijk de onsterfelijkheid, en met de mensen delen zij iets, dat zij namelijk naar de ziel kunnen lijden en dus ellendig zijn, zoals Augustinus in De Stad Gods (9° B., 13° en 15° H.) bewijst. Dus is het middelbaar zijn tussen God en de mensen niet eigen aan Christus.

Praeterea, ad officium mediatoris pertinet interpellare ad unum eorum inter quos est mediator, pro altero. Sed spiritus sanctus, sicut dicitur Rom. VIII, interpellat pro nobis ad Deum gemitibus inenarrabilibus. Ergo spiritus sanctus est mediator inter Deum et homines. Ergo non est proprium Christo. (IIIa q. 26 a. 1 arg. 3)

3 — Tot de taak van de middelaar behoort het bij een van hen, tussen wie hij middelaar is, de belangen van de ander te bepleiten. Nu « smeekt de Heilige Geest », zoals in de Romeinenbrief (8, 26) wordt gezegd, « voor ons bij God met onuitsprekelijke verzuchtingen ». Dus is ook de Heilige Geest middelaar tussen God en de mensen en is dit niet eigen aan Christus.

Sed contra est quod dicitur I Tim. II, unus est mediator Dei et hominum, homo Christus Iesus. (IIIa q. 26 a. 1 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat in de Eerste Brief aan Timotheus (2, 5) wordt gezegd: « Er is een middelaar tussen God en de mensen, de mens Jezus Christus ».

Respondeo dicendum quod mediatoris officium proprie est coniungere eos inter quos est mediator, nam extrema uniuntur in medio. Unire autem homines Deo perfective quidem convenit Christo, per quem homines reconciliantur Deo, secundum illud II Cor. V, Deus erat in Christo mundum reconcilians sibi. Et ideo solus Christus est perfectus Dei et hominum mediator, inquantum per suam mortem humanum genus Deo reconciliavit. Unde, cum apostolus dixisset, mediator Dei et hominum homo Christus Iesus, subiunxit, qui dedit semetipsum redemptionem pro omnibus. Nihil tamen prohibet aliquos alios secundum quid dici mediatores inter Deum et hominem, prout scilicet cooperantur ad unionem hominum cum Deo dispositive vel ministerialiter. (IIIa q. 26 a. 1 co.)

De eigenlijke taak van een middelaar is hen tussen wie hij middelaar is te verenigen, omdat de uitersten verenigd worden in wat tussen hen in staat. Nu komt het aan Christus toe de mensen volmaakt met God te verenigen, omdat zij door Hem met God worden verzoend volgens de Tweede Brief aan de Korinthiërs (5, 19): « Het was God, die de wereld in Christus met Zich verzoende ». Daarom is Christus alleen de volmaakte middelaar tussen God en de mensen, in zover Hij door Zijn dood het menselijk geslacht met God verzoende. Als daarom de Apostel zegt: « de middelaar tussen God en de mensen, de mens Christus Jesus », voegt hij eraan toe: « Die Zichzelf als verlossing voor allen gegeven heeft ». Maar er is niets tegen, dat anderen onder zeker opzicht middelaars tussen God en mens worden genoemd, in zover zij door voor te bereiden of als werktuig meewerken om de mensen met God te verenigen.

Ad primum ergo dicendum quod prophetae et sacerdotes veteris legis dicti sunt mediatores inter Deum et homines dispositive et ministerialiter, inquantum scilicet praenuntiabant et praefigurabant verum et perfectum Dei et hominum mediatorem. Sacerdotes vero novae legis possunt dici mediatores Dei et hominum inquantum sunt ministri veri mediatoris, vice ipsius salutaria sacramenta hominibus exhibentes. (IIIa q. 26 a. 1 ad 1)

1 — De profeten en priesters van het oude verbond worden als voorbereidende werktuigen middelaars tussen God en de mensen genoemd, omdat zij namelijk de waren en volmaakte middelaar tussen God en de mensen aankondigden en voorafbeelden. Men kan echter de priesters van het nieuwe verbond middelaars tussen God en mens noemen, in zover zij dienaars zijn van de waren middelaar, die in Zijn plaats de heilbrengende sacramenten aan de mensen toedienen.

Ad secundum dicendum quod Angeli boni, ut Augustinus dicit, in IX de Civ. Dei, non recte possunt dici mediatores inter Deum et homines. Cum enim utrumque habeant cum Deo, et beatitudinem et immortalitatem, nihil autem horum cum hominibus miseris et mortalibus, quomodo non potius remoti sunt ab hominibus, Deoque coniuncti, quam inter utrosque medii constituti? Dionysius tamen dicit eos esse medios, quia, secundum gradum naturae, sunt infra Deum et supra homines constituti. Et mediatoris officium exercent, non quidem principaliter et perfective, sed ministerialiter et dispositive, unde Matth. IV dicitur quod accesserunt Angeli et ministrabant ei, scilicet Christo. Daemones autem habent quidem cum Deo immortalitatem, cum hominibus vero miseriam. Ad hoc ergo se interponit medius Daemon immortalis et miser, ut ad immortalitatem beatam transire non sinat, sed perducat ad miseriam immortalem. Unde est sicut malus medius, qui separat amicos. Christus autem habuit cum Deo communem beatitudinem, cum hominibus autem mortalitatem. Et ideo ad hoc se interposuit medium ut, mortalitate transacta, ex mortuis faceret immortales, quod in se resurgendo monstravit; et ex miseris beatos efficeret, unde nunquam ipse discessit. Et ideo ipse est bonus mediator, qui reconciliat inimicos. (IIIa q. 26 a. 1 ad 2)

2 — Zoals Augustinus in De Stad Gods (9e B., 13e H.) zegt, kunnen de goede Engelen eigenlijk geen middelaars tussen God en mens worden genoemd. « Omdat zij nl. beide dingen met God gemeen hebben, de zaligheid en de onsterfelijkheid, en niets met de ongelukkige en sterfelijke mensen, hoe zouden zij dan niet veel meer ver van de mensen en verenigd met God dan midden tussen beiden in zijn? » Dionysius noemt hen echter het midden tussen beiden, omdat zij naar de rang in natuur beneden God en boven de mensen staan. En zij vervullen het ambt van middelaar niet op de voornaamste en volmaakte manier, maar als voorbereidende dienaars; en daarom wordt bij Matthaeus (4, 11) gezegd, dat « Engelen kwamen en Hem, nl. Christus, dienden ». De duivels hebben wel de onsterfelijkheid met God en de ellende met de mensen gemeen. « Daarom stelt de onsterfelijke en ongelukkige duivel zich in de weg om ons te beletten de gelukkige onsterfelijkheid te bereiken », maar ons te brengen tot de onsterfelijke ellende. Daarom is hij « een valse middelaar, die de vrienden scheidt » (H. Augustinus, t. a. pl., 15° H.). Christus echter had met God de zaligheid en met de mensen het kunnen sterven gemeen. « Daarom plaatste Hij zich tussen beiden in om als de dood overwonnen was de doden onsterfelijk te maken, wat Hij in Zijn eigen Verrijzenis aanduidde; en de ongelukkigen tot de zaligheid, die Hij nooit verloren had, te brengen». Daarom is Hij « de goede middelaar, die de vijanden verzoent » (t. a. pl.).

Ad tertium dicendum quod spiritus sanctus, cum sit per omnia Deo aequalis, non potest dici medius vel mediator inter Deum et homines, sed solus Christus, qui, licet secundum divinitatem aequalis sit patri, tamen secundum humanitatem minor est patre, ut dictum est. Unde, super illud Galat. III, Christus est mediator, dicit Glossa, non pater vel spiritus sanctus. Dicitur autem spiritus sanctus interpellare pro nobis, quia ipse interpellare nos facit. (IIIa q. 26 a. 1 ad 3)

3 — Omdat de Heilige Geest in alles aan God gelijk is, kan Hij niet het midden of de bemiddelaar tussen God en de mensen worden genoemd, maar alleen Christus, die « al is Hij naar de godheid aan de Vader gelijk, toch naar Zijn mensheid minder dan de Vader is », zoals wij zeiden (20° Kw., 1° Art.). Daarom ook zegt de Glossa bij de tekst uit de Galatenbrief (3, 20): « Christus is de middelaar », « Niet de Vader of de Heilige Geest ». Men zegt echter van de H. Geest, dat « Hij voor ons bidt », omdat Hij ons doet bidden.

Articulus 2.
Was Christus als mens Middelaar tussen God en de mensen?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod Christus non sit mediator Dei et hominum secundum quod homo. Dicit enim Augustinus, in libro contra Felicianum, una est Christi persona, ne sit non unus Christus, non una substantia; ne, mediatoris dispensatione submota, aut Dei tantum aut hominis dicatur filius. Sed non est Dei et hominis filius secundum quod homo, sed simul secundum quod Deus et homo. Ergo neque dicendum est quod sit mediator Dei et hominum solum secundum quod homo. (IIIa q. 26 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus niet als mens middelaar tussen God en de mensen is. Want Augustinus zegt in het boek Tegen Felicianus (10e H.): « Er is maar een persoon van Christus, opdat er een Christus en een zelfstandigheid zou zijn, en opdat Hij niet met opheffing van Zijn werk als middelaar of alleen van God of alleen van een mens de Zoon zou worden genoemd ». Nu is Hij niet als mens Zoon van God en mens, maar in zover Hij tegelijk God en mens is. Maar dan moet men evenmin zeggen, dat Hij alleen in zover Hij mens is, middelaar is tussen God en de mensen.

Praeterea, sicut Christus, inquantum est Deus, convenit cum patre et spiritu sancto, ita, inquantum est homo, convenit cum hominibus. Sed propter hoc quod, inquantum est Deus, convenit cum patre et spiritu sancto, non potest dici mediator inquantum est Deus, quia super illud I Tim. II, mediator Dei et hominum, dicit Glossa, inquantum est verbum, non medius est, quia aequalis est Deo, et Deus apud Deum, et simul unus Deus. Ergo nec etiam inquantum homo, potest dici mediator, propter convenientiam quam cum hominibus habet. (IIIa q. 26 a. 2 arg. 2)

2 — Zoals Christus als God gelijk is aan de Vader en de Heilige Geest, is Hij als mens gelijk aan de mensen. Nu kan Hij niet, omdat Hij als God aan de Vader en de Heilige Geest gelijk is, middelaar worden genoemd precies als God, want bij het aangehaalde woord uit de Eerste Brief aan Timotheus, (2, 5): « Middelaar tussen God en de mensen », zegt de Glossa: « Niet als het Woord staat Hij middenin, want dan is Hij gelijk aan God en God bij God en tegelijk een God ». Dus kan Hij evenmin als mens middelaar worden genoemd, omdat Hij met de mensen overeenkomt.

Praeterea, Christus dicitur mediator inquantum reconciliavit nos Deo, quod quidem fecit auferendo peccatum, quod nos separabat a Deo. Sed auferre peccatum convenit Christo non inquantum est homo, sed inquantum est Deus. Ergo Christus, inquantum est homo, non est mediator, sed inquantum est Deus. (IIIa q. 26 a. 2 arg. 3)

3 — Christus wordt Middelaar genoemd, omdat Hij ons met God heeft verzoend; en dat deed Hij door de zonde, die ons van God scheidde, weg te nemen. Nu komt het wegnemen van zonde niet aan Christus als mens, maar als God toe. Dus is Christus niet als mens middelaar, maar als God.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in Lib. IX, de Civ. Dei, non ob hoc est mediator Christus, quia est verbum. Maxime quippe immortale et maxime beatum verbum longe a mortalibus miseris. Sed mediator est secundum quod homo. (IIIa q. 26 a. 2 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat Augustinus zegt in De Stad Gods (9° B., 15° H.): « Christus is niet middelaar, omdat Hij het Woord is. Want het in hoogste mate onsterfelijke en gelukkige woord is ver van de mensen. Maar Hij is middelaar als mens ».

Respondeo dicendum quod in mediatore duo possumus considerare, primo quidem, rationem medii; secundo, officium coniungendi. Est autem de ratione medii quod distet ab utroque extremorum, coniungit autem mediator per hoc quod ea quae unius sunt, defert ad alterum. Neutrum autem horum potest convenire Christo secundum quod Deus, sed solum secundum quod homo. Nam secundum quod Deus, non differt a patre et spiritu sancto in natura et potestate dominii, nec etiam pater et spiritus sanctus aliquid habent quod non sit filii, ut sic possit id quod est patris vel spiritus sancti, quasi quod est aliorum, ad alios deferre. Sed utrumque convenit ei inquantum est homo. Quia, secundum quod est homo, distat et a Deo in natura, et ab hominibus in dignitate et gratiae et gloriae. Inquantum etiam est homo, competit ei coniungere homines Deo, praecepta et dona hominibus exhibendo, et pro hominibus ad Deum satisfaciendo et interpellando. Et ideo verissime dicitur mediator secundum quod homo. (IIIa q. 26 a. 2 co.)

Twee dingen kunnen wij in een middelaar beschouwen: het staan tussen beiden in en ten tweede de taak om hen te verenigen. Tot het tussen beiden instaan nu behoort het op een afstand van beiden staan; en de middelaar verenigt door dat hij wat van de een is naar de ander brengt. Geen van deze beide dingen echter kan Christus in zover Hij God is toekomen, maar alleen in zover Hij mens is. Want als God verschilt Hij in natuur en heersersmacht niet van de Vader en de H. Geest, en dezen hebben niets wat ook niet van de Zoon is en dat Hij als andere toebehorend van de Vader en de H. Geest naar anderen zou kunnen brengen. Maar beide dingen komen Hem wel als mens toe. Als mens immers, staat Hij in natuur op een afstand van God en in waardigheid van genade en heerlijkheid van de mensen. In zover Hij mens is, komt het Hem ook toe de mensen met God te verenigen door hun de geboden en gaven te brengen en tegenover God voor hen te voldoen en hun voorspraak te zijn. En zo wordt Hij in meest ware zin als mens middelaar genoemd.

Ad primum ergo dicendum quod, si subtrahatur divina natura a Christo, subtrahitur per consequens ab eo singularis plenitudo gratiarum, quae convenit ei inquantum est unigenitus a patre, ut dicitur Ioan. I. Ex qua quidem plenitudine habet ut sit super omnes homines constitutus, et propinquius ad Deum accedens. (IIIa q. 26 a. 2 ad 1)

1 — Neemt men de goddelijke natuur van Christus weg, dan wordt Hem dientengevolge de bijzondere volheid van genade, die Hem als Eeniggeboren des Vaders, zoals Johannes (1, 14) Hem noemt, toekomt ook ontnomen. En juist door deze volheid van genade heeft Hij het boven de mensen staan en dichter tot God naderen.

Ad secundum dicendum quod Christus, secundum quod Deus, est per omnia aequalis patri. Sed etiam in humana natura excedit alios homines. Et ideo, secundum quod homo, potest esse mediator, non autem secundum quod Deus. (IIIa q. 26 a. 2 ad 2)

2 — Als God is Christus in alles aan de Vader gelijk. Maar de andere mensen overtreft Hij zelfs in de menselijke natuur. Daarom kan Hij als mens middelaar zijn, maar niet als God.

Ad tertium dicendum quod, licet auctoritative peccatum auferre conveniat Christo secundum quod est Deus, tamen satisfacere pro peccato humani generis convenit ei secundum quod homo. Et secundum hoc dicitur Dei et hominum mediator. (IIIa q. 26 a. 2 ad 3)

3 — Al komt het aan Christus in zover Hij God is toe met macht de zonden weg te nemen, toch komt het Hem als mens toe voor de zonden van het menselijk geslacht te voldoen. En juist krachtens dit laatste wordt Hij middelaar tussen God en de mensen genoemd.