Tertia Pars. Quaestio 68. Over degenen die het doopsel ontvangen .
Prooemium
Deinde considerandum est de suscipientibus Baptismum. Et circa hoc quaeruntur duodecim.
Primo, utrum omnes teneantur ad suscipiendum Baptismum. Secundo, utrum aliquis possit
salvari sine Baptismo. Tertio, utrum Baptismus sit differendus. Quarto, utrum peccatores
sint baptizandi. Quinto, utrum peccatoribus baptizatis sint imponenda opera satisfactoria.
Sexto, utrum requiratur confessio peccatorum. Septimo, utrum requiratur intentio ex
parte baptizati. Octavo, utrum requiratur fides. Nono, utrum pueri sint baptizandi.
Decimo, utrum pueri Iudaeorum sint baptizandi invitis parentibus. Undecimo, utrum
aliqui sint baptizandi in maternis uteris existentes. Duodecimo, utrum furiosi et
amentes sint baptizandi. (IIIa q. 68 pr.)
Verder moeten we ook spreken over diegenen die het doopsel ontvangen en dienaangaande
vallen twaalf verschillende vragen te onderzoeken. 1) Ten eerste: Zijn alle mensen
verplicht het doopsel te ontvangen? 2) Ten tweede: Kan iemand zonder het doopsel zalig
worden? 3) Ten derde: Moet het doopsel soms niet worden uitgesteld? 4) Ten vierde:
Moeten de zondaars gedoopt worden? 5) Ten vijfde: Moeten aan gedoopte zondaars werken
van genoegdoening opgelegd worden? 6) Ten zesde: Wordt de belijdenis der zonden voor
de geldigheid van het doopsel vereist? 7) Ten zevende: Moet de dopeling het opzet
hebben zich te laten dopen? 8) Ten achtste: Wordt ook vanwege het doopsel geloof vereist?
9) Ten negende: Moeten kleine kinderen gedoopt worden? 10) Ten tiende: Moeten Joodse
kinderen tegen de wil van hun ouders in gedoopt worden? 11) Ten elfde: Moeten sommige
kinderen niet in de moederschoot zelf gedoopt worden? 12) Ten twaalfde: Moeten razende
en krankzinnige mensen gedoopt worden?
Articulus 1. Zijn alle mensen verplicht het doopsel te ontvangen?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod non teneantur omnes ad susceptionem Baptismi.
Per Christum enim non est hominibus arctata via salutis. Sed ante Christi adventum
poterant homines salvari sine Baptismo. Ergo etiam post Christi adventum. (IIIa q. 68 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert dat niet alle mensen verplicht zijn het doopsel te ontvangen. De weg ter
zaligheid werd door Christus niet enger gemaakt. Welnu, voor de komst van Christus
konden de mensen zonder doopsel zalig worden. Dus ook nog na de komst van Christus.
Praeterea, Baptismus maxime videtur esse institutus in remedium peccati originalis.
Sed ille qui est baptizatus, cum non habeat originale peccatum, non videtur quod possit
transfundere in prolem. Ergo filii baptizatorum non videntur esse baptizandi. (IIIa q. 68 a. 1 arg. 2)
2 — Het doopsel werd vooral als geneesmiddel tegen de erfzonde ingesteld. Welnu iemand
die gedoopt werd, heeft de erfzonde niet meer en kan haar dus niet aan zijn kinderen
overmaken. Zo dienen dus de kinderen van gedoopten niet zelf gedoopt te worden.
Praeterea, Baptismus datur ad hoc quod aliquis per gratiam a peccato mundetur. Sed
hoc consequuntur illi qui sunt sanctificati in utero, sine Baptismo. Ergo non tenentur
ad suscipiendum Baptismum. (IIIa q. 68 a. 1 arg. 3)
3 — Het doopsel wordt toegediend opdat we door de genade van de zonden zouden bevrijd
worden. Welnu, zij die zonder doopsel van in de schoot hunner moeder geheiligd werden,
verkregen ook vergiffenis van hun zonden. Zij zijn dus niet verplicht het doopsel
te ontvangen.
Sed contra est quod dicitur Ioan. III, nisi quis renatus fuerit ex aqua et spiritu
sancto, non potest introire in regnum Dei. Et in libro de ecclesiasticis dogmatibus
dicitur, baptizatis tantum iter salutis esse credimus. (IIIa q. 68 a. 1 s. c.)
Daartegenover staat echter hetgeen bij Joannes (3, 5) gezegd wordt: « Indien iemand
niet uit het water en de heilige Geest wordt wedergeboren kan hij het rijk Gods niet
ingaan. » en in het boek der kerkelijke dogmata (k. 74) staat het volgende: « Wij
geloven dat de weg ter zaligheid enkel voor degenen die gedoopt zijn openstaat. »
Respondeo dicendum quod ad illud homines tenentur sine quo salutem consequi non possunt.
Manifestum est autem quod nullus salutem potest consequi nisi per Christum, unde et
apostolus dicit, Rom. V, sicut per unius delictum in omnes homines in condemnationem,
sic et per unius iustitiam in omnes homines in iustificationem vitae. Ad hoc autem
datur Baptismus ut aliquis, per ipsum regeneratus, incorporetur Christo, factus membrum
ipsius, unde dicitur Gal. III, quicumque in Christo baptizati estis, Christum induistis.
Unde manifestum est quod omnes ad Baptismum tenentur; et sine eo non potest esse salus
hominibus. (IIIa q. 68 a. 1 co.)
De mensen zijn zeker verplicht tot datgene zonder hetwelk zij niet kunnen de zaligheid
verwerven. Welnu, het is klaarblijkelijk dat niemand dit buiten Christus om aan kan.
Daarom schrijft de apostel Paulus in zijn Brief aan de Romeinen (5, 18): « Zoals de
veroordeling aller mensen gekomen is door het schelmstuk van één mens alleen, zo ook
werd dankzij de gerechtigheid van één mens de levensrechtvaardiging voor allen bekomen.
» — Daartoe nu wordt het doopsel gegeven opdat iemand in het doopsel wedergeboren
als lidmaat van Christus bij Hem zou worden ingelijfd. Daarom zegt de Brief aan de
Galaten (3, 27): « Zoovelen in Christus gedoopt worden, hebben ook Christus aangedaan.
» Zo is het bijgevolg duidelijk dat allen tot het doopsel verplicht zijn en dat zonder
doopsel voor de mensen geen zaligheid mogelijk is.
Ad primum ergo dicendum quod nunquam homines potuerunt salvari, etiam ante Christi
adventum, nisi fierent membra Christi, quia, ut dicitur Act. IV, non est aliud nomen
datum hominibus in quo oporteat nos salvos fieri. Sed ante adventum Christi, homines
Christo incorporabantur per fidem futuri adventus, cuius fidei signaculum erat circumcisio,
ut apostolus dicit, Rom. IV. Ante vero quam circumcisio institueretur, sola fide,
ut Gregorius dicit, cum sacrificiorum oblatione, quibus suam fidem antiqui patres
profitebantur, homines Christo incorporabantur. Post adventum etiam Christi, homines
per fidem Christo incorporantur, secundum illud Ephes. III habitare Christum per fidem
in cordibus vestris. Sed alio signo manifestatur fides rei iam praesentis quam demonstrabatur
quando erat futura, sicut aliis verbis significatur praesens, praeteritum et futurum.
Et ideo, licet ipsum sacramentum Baptismi non semper fuerit necessarium ad salutem,
fides tamen, cuius Baptismus sacramentum est, semper necessaria fuit. (IIIa q. 68 a. 1 ad 1)
1 — Nooit is iemand zelfs vóór de komst van Christus, zonder lidmaat te worden van zijn
mystisch lichaam, zalig geworden, « daar is immers geen andere naam op aarde waardoor
de mens kan zalig worden », zo staat namelijk in de Handelingen der Apostelen (4,
12). — Welnu, vóór de komst van Christus werden de mensen door het geloof aan zijn
aanstaande komst bij Hem ingelijfd en het teken van hun geloof was op dit ogenblik
de besnijdenis. Dat zegt overigens de apostel in zijn Brief aan de Romeinen (4). Vooraleer
echter de besnijdenis werd ingesteld werden de mensen naar het getuigenis van St.
Gregorius (Moral. 4, 3) door het geloof alleen bij Christus ingelijfd; dit geschiedde
dan bij de opdracht van offers waardoor de oudvaders hun geloof beleden. Ja zelfs,
na de komst van Christus werden de mensen door het geloof bij Christus ingelijfd.
In de Brief aan de Ephesiërs (3, 17) staat immers geschreven dat « Christus door het
geloof in onze harten woont ». Doch de mens geeft op een andere manier uiting aan
het geloof aan iets dat reeds is, dan aan het geloof aan iets dat nog in de toekomst
moet plaats grijpen; zo geeft men overigens ook door andere woorden het heden, het
verleden en de toekomst te kennen. Is het sacrament van het doopsel dus niet altijd
voor de zaligheid onontbeerlijk geweest, dan bleef toch immer het geloof onontbeerlijk.
Het doopsel nu is het sacrament van het geloof.
Ad secundum dicendum quod, sicut in secunda parte dictum est, illi qui baptizantur,
renovantur per Baptismum secundum spiritum, corpus tamen remanet subiectum vetustati
peccati, secundum illud Rom. VIII, corpus quidem mortuum est propter peccatum, spiritus
vero vivit propter iustificationem. Unde Augustinus probat, in libro contra Iulianum,
quod non baptizatur in homine quidquid in eo est. Manifestum est autem quod homo non
generat generatione carnali secundum spiritum, sed secundum carnem. Et ideo filii
baptizatorum cum peccato originali nascuntur. Unde indigent baptizari. (IIIa q. 68 a. 1 ad 2)
2 — Zoals in het tweede deel (I-II, 8e Kw. 3e art., antw. op de 2e bedenking) gezegd werd,
worden degenen die gedoopt worden, door het doopsel naar de geest vernieuwd, het lichaam
daarentegen blijft aan de oude zonden onderworpen. Daarom zegt de Brief aan de Romeinen
(8, 10): « Het lichaam is dood aan de zonde, de geest leeft dank zij de gerechtigheid.
» Daardoor komt het dat St. Augustinus in zijn Boek « Tegen Julianus » (4, 17) bewijst
dat « niet alles gedoopt werd wat in de mens is. » — Welnu, het is duidelijk dat bij
de lichamelijke voortplanting de mens zich niet naar de geest maar wel naar het vlees
in het nageslacht voortzet. Daarom dan worden zijn kinderen met de erfzonde geboren
en hebben ze het doopsel van node.
Ad tertium dicendum quod illi qui sunt sanctificati in utero, consequuntur quidem
gratiam emundantem a peccato originali, non tamen ex hoc ipso consequuntur characterem,
quo Christo configurentur. Et propter hoc, si aliqui nunc sanctificarentur in utero,
necesse esset eos baptizari, ut per susceptionem characteris aliis membris Christi
conformarentur. (IIIa q. 68 a. 1 ad 3)
3 — De mensen die van in de moederschoot geheiligd werden kunnen de genade die van de
erfzonde vrijmaakt, verwerven; daardoor krijgen zij echter nog niet het merkteken
waardoor ze aan Christus gelijkvormig worden. Moet het dus nog gebeuren dat mensen
van de moederschoot af geheiligd werden, dan ware het toch nog nodig hen, opdat ze
door het ontvangen van het merkteken aan de andere leden van Christus zouden gelijkvormig
worden, te dopen.
Articulus 2. Kan iemand zonder doopsel zalig worden?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod sine Baptismo nullus possit salvari. Dicit
enim dominus, Ioan. III, nisi quis renatus fuerit ex aqua et spiritu sancto, non potest
introire in regnum Dei. Sed illi soli salvantur qui regnum Dei intrant. Ergo nullus
potest salvari sine Baptismo, quo aliquis regeneratur ex aqua et spiritu sancto. (IIIa q. 68 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert dat zonder doopsel niemand kan zalig worden. De Heer zegt bij Joannes
(3, 5) : « Indien ge niet uit het water en de heilige Geest wordt wedergeboren, kunt
ge het hemelrijk niet binnengaan. » Welnu, zij alleen worden zalig die het rijk Gods
ingaan. Zo kan dus niemand zonder het doopsel, waardoor hij in het water en de heilige
Geest wordt wedergeboren, zalig worden.
Praeterea, in libro de ecclesiasticis dogmatibus dicitur, nullum catechumenum, quamvis
in bonis operibus defunctum, aeternam vitam habere credimus, excepto martyrio, ubi
tota sacramenta Baptismi complentur. Sed si aliquis sine Baptismo possit salvari,
maxime hoc haberet locum in catechumenis bona opera habentibus, qui videntur habere
fidem per dilectionem operantem. Videtur ergo quod sine Baptismo nullus possit salvari. (IIIa q. 68 a. 2 arg. 2)
2 — In het boek van de kerkelijke Dogmata (c. 74) vinden we het volgende: « Geen catechumeen
kan, ook al sterft hij in goede werken, wanneer hij niet de marteldood sterft waardoor
het sacrament van het doopsel voltrokken wordt, het eeuwige leven erlangen. » Welnu,
als iemand zonder doopsel zalig kan worden dan doet het ongetwijfeld vooral een catechumeen
die goede werken volbrengt en die het geloof dat zich in werkdadige liefde openbaart,
bezit. Zo kan dus zonder doopsel niemand zalig worden.
Praeterea, sicut supra dictum est, Baptismi sacramentum est de necessitate salutis.
Necessarium autem est sine quo non potest aliquid esse, ut dicitur in V Metaphys.
Ergo videtur quod sine Baptismo nullus possit consequi salutem. (IIIa q. 68 a. 2 arg. 3)
3 — Zoals hierboven werd aangetoond (63° Kw. 3° en 4° art.) is het sacrament van het doopsel
voor de zaligheid onontbeerlijk. Iets zonder hetwelke iets anders niet kan zijn is
immers zoals Aristoteles ergens in zijn Metaphysica zegt (6) onontbeerlijk. Zo kan
dus zonder doopsel niemand de zaligheid ingaan.
Sed contra est quod Augustinus dicit, super Levit., invisibilem sanctificationem quibusdam
affuisse et profuisse sine visibilibus sacramentis, visibilem vero sanctificationem,
quae fit sacramento visibili, sine invisibili posse adesse, sed non prodesse. Cum
ergo sacramentum Baptismi ad visibilem sanctificationem pertineat, videtur quod sine
sacramento Baptismi aliquis possit salutem consequi per invisibilem sanctificationem. (IIIa q. 68 a. 2 s. c.)
Daartegenover staat echter wat Sint Augustinus op het Boek Leviticus (84° Kw.) zegt:
« De onzichtbare heiligmaking heeft bij sommigen werkelijk plaatsgegrepen en is hun
zonder zichtbare sacramenten ten goede gekomen. De zichtbare heiligmaking daarentegen
die door zichtbare sacramenten gegeven wordt kan zonder de onzichtbare heiligmaking
plaats grijpen, maar dan is ze ook vergeefs. » Aangezien nu het sacrament des doopsel
op de zichtbare heiligmaking is aangewezen, is het duidelijk dat iemand door de onzichtbare
heiligmaking de zaligheid kan erlangen zonder het sacrament van het doopsel.
Respondeo dicendum quod sacramentum Baptismi dupliciter potest alicui deesse. Uno
modo, et re et voto, quod contingit in illis qui nec baptizantur nec baptizari volunt.
Quod manifeste ad contemptum sacramenti pertinet, quantum ad illos qui habent usum
liberi arbitrii. Et ideo hi quibus hoc modo deest Baptismus, salutem consequi non
possunt, quia nec sacramentaliter nec mentaliter Christo incorporantur, per quem solum
est salus. Alio modo potest sacramentum Baptismi alicui deesse re, sed non voto, sicut
cum aliquis baptizari desiderat, sed aliquo casu praevenitur morte antequam Baptismum
suscipiat. Talis autem sine Baptismo actuali salutem consequi potest, propter desiderium
Baptismi, quod procedit ex fide per dilectionem operante, per quam Deus interius hominem
sanctificat, cuius potentia sacramentis visibilibus non alligatur. Unde Ambrosius
dicit de Valentiniano, qui catechumenus mortuus fuit, quem regeneraturus eram, amisi,
veruntamen ille gratiam quam poposcit, non amisit. (IIIa q. 68 a. 2 co.)
Het sacrament van het doopsel kan op twee manieren ontbreken, vooreerst zo wat de
werkelijke toediening als wat het verlangen betreft; dit gebeurt namelijk bij diegenen
die niet gedoopt zijn en het ook niet willen worden; en dit behelst klaarblijkelijk
bij degenen die over hun vrije wil beschikken misprijzen voor het doopsel. Ook kan,
indien iemand op die manier het doopsel ontbreekt, deze de zaligheid niet erlangen;
hij werd toch nog sacramenteel noch op geestelijke manier bij Christus, die alleen
zaligheid verleent, ingelijfd. Verder kan het doopsel nog op een andere manier ontbreken,
wanneer namelijk iemand wel de werkelijkheid, maar niet het verlangen ontbreekt; zo
bij voorbeeld wanneer iemand verlangt gedoopt te worden doch toevallig, vooraleer
het doopsel ontvangen te hebben, door de dood verrast wordt. Een dergelijk mens nu
kan omdat hij het doopsel begeert, zonder werkelijk het doopsel ontvangen te hebben,
de zaligheid erlangen. Die begeerte komt immers voort van het geloof dat door de liefde
handelt en waardoor God de mens innerlijk heiligt. Gods macht nu ligt niet aan de
band der zichtbare sacramenten. De heilige Ambrosius zegt overigens in zijn Boek «
De dood van Valentinus » als hij over Valentinus spreekt die als catechumeen gestorven
is: « Ik verloor degene die ik door het doopsel wilde wedergeboren doen worden; hij
echter heeft de genade waarnaar hij verlangt niet verloren. »
Ad primum ergo dicendum quod, sicut dicitur I Reg. XVI, homines vident ea quae parent,
dominus autem intuetur cor. Ille autem qui desiderat per Baptismum regenerari ex aqua
et spiritu sancto, corde quidem regeneratus est, licet non corpore, sicut et apostolus
dicit, Rom. II, quod circumcisio cordis est in spiritu, non in littera; cuius laus
non ex hominibus, sed ex Deo est. (IIIa q. 68 a. 2 ad 1)
1 — In het eerste Boek der Koningen (16, 7) wordt gezegd: « De mens ziet enkel het uiterlijke,
maar God doorgrondt het hart van de mens. » Hij die verlangt door het water van het
doopsel en de H. Geest te worden wedergeboren is in zijn hart, alhoewel nog niet naar
het lichaam, wedergeboren; de Apostel zegt immers in de Brief aan de Romeinen (2,
29) « De besnijdenis van het hart bestaat door geest, niet door letter, bij hem die
zijn lof niet uit mensen maar uit God haalt. »
Ad secundum dicendum quod nullus pervenit ad vitam aeternam nisi absolutus ab omni
culpa et reatu poenae. Quae quidem universalis absolutio fit in perceptione Baptismi,
et in martyrio, propter quod dicitur quod in martyrio omnia sacramenta Baptismi complentur,
scilicet quantum ad plenam liberationem a culpa et poena. Si quis ergo catechumenus
sit habens desiderium Baptismi (quia aliter in bonis operibus non moreretur, quae
non possunt esse sine fide per dilectionem operante), talis decedens non statim pervenit
ad vitam aeternam, sed patietur poenam pro peccatis praeteritis, ipse tamen salvus
erit sic quasi per ignem, ut dicitur I Cor. III. (IIIa q. 68 a. 2 ad 2)
2 — Niemand kan behalve wanneer hij van alle straf en van alle schuld bevrijd is, het
eeuwige leven binnengaan; die algemene kwijtschelding nu gebeurt enkel bij het doopsel
en bij de marteldood. Daarom zegt men dat aan de marteldood alle uitwerkingsselen
van het doopsel voltrokken worden, dat men aldus van alle straf en van alle schuld
bevrijd wordt. Als nu een catechumeen verlangt gedoopt te worden, en sterft zonder
de gelegenheid gehad te hebben om zich te laten dopen, anders toch zou hij, daar zonder
het geloof dat door de liefde handelt de werken tot niets strekken, in de beoefening
van goede werken niet kunnen sterven, dan erlangt hij niet seffens de zaligheid des
hemels, maar zal tot uitboeting van zijn vroegere zonden een en ander te verduren
hebben. « Hij zal nl. als door het vuur zalig worden. » zoals de Apostel in zijn eerste
Brief aan de Korinthiërs (3, 15) zegt.
Ad tertium dicendum quod pro tanto dicitur sacramentum Baptismi esse de necessitate
salutis, quia non potest esse hominis salus nisi saltem in voluntate habeatur, quae
apud Deum reputatur pro facto. (IIIa q. 68 a. 2 ad 3)
3 — Die onontbeerlijkheid moet aldus verstaan worden dat er voor de mens geen mogelijkheid
is om zonder ten minste in zijn wil, het verlangen naar het doopsel te hebben zalig
te worden. Dit beschouwt God dan als een werkelijk sacrament.
Articulus 3. Behoort het doopsel soms te worden uitgesteld?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod Baptismus sit differendus. Dicit enim Leo
Papa, duo tempora, idest Pascha et Pentecoste, ad baptizandum a Romano pontifice legitima
praefixa sunt. Unde dilectionem vestram monemus ut nullos alios dies huic observationi
misceatis. Videtur ergo quod oporteat non statim aliquos baptizari, sed usque ad praedicta
tempora Baptismum differri. (IIIa q. 68 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert dat het doopsel behoort te worden uitgesteld. Paus Leo (IV epist. 5° k.)
zegt: « dat door de Paus twee tijdstippen, Pasen en Pinksteren nl., terecht Kw, 68,
A. 3. voor het doopsel werden aangewezen. Wij vermanen u dus, geliefden, dat ge het
doopsel op geen andere dagen zouden ontvangen. » — Zo moet dus het doopsel niet onmiddellijk
worden toegediend, maar tot die aangewezen tijdstippen worden uitgesteld.
Praeterea, in Concilio Agathensi legitur, Iudaei, quorum perfidia frequenter ad vomitum
redit, si ad leges Catholicas venire voluerint, octo menses inter catechumenos Ecclesiae
limen introeant, et, si pura fide venire noscantur, tunc demum Baptismi gratiam mereantur.
Non ergo statim sunt homines baptizandi, sed usque ad certum tempus est differendum
Baptisma. (IIIa q. 68 a. 3 arg. 2)
2 — In de akten van de kerkvergadering van Agde (35 can.) lezen we het volgende: « Indien
Joden die weleens om hun boosheid tot hun braaksel terugkeren tot de katholieke wetten
willen overkomen, moeten ze acht maanden lang als catechumeen aan het portaal van
de kerk staan en indien men er dan van overtuigd is dat het bij hen meent is, mogen
ze eindelijk de genade van het doopsel ontvangen. »
Praeterea, sicut dicitur Isaiae XXVII, iste est omnis fructus, ut auferatur peccatum.
Sed magis videtur auferri peccatum, vel etiam diminui, si Baptismus differatur. Primo
quidem, quia peccantes post Baptismum gravius peccant, secundum illud Heb. X, quanto
magis putatis deteriora mereri supplicia qui sanguinem testamenti pollutum duxerit,
in quo sanctificatus est, scilicet per Baptismum? Secundo, quia Baptismus tollit peccata
praeterita, non autem futura, unde, quanto Baptismus magis differtur, tanto plura
peccata tollet. Videtur ergo quod Baptismus debeat diu differri. (IIIa q. 68 a. 3 arg. 3)
3 — « Heel de vrucht ervan komt, zoals Isaïas zegt (27, 9) hierop neer dat het van de
zonden verlost. » — Wanneer het doopsel lang wordt uitgesteld, kan men van meer zonden
gereinigd worden, ja zelfs worden dan de zonden kleiner. Degene die na het doopsel
zondigen, bedrijven immers volgens de Brief aan de Hebreërs (10, 29) zwaardere zonden:
« Hoeveel ergere straf meent gij dat iemand verdient die het bloed van het verbond,
waardoor hij geheiligd werd (dit bij het doopsel) vertrapt heeft? » Verder wist het
doopsel wel de vroegere, maar niet de toekomende zonden af. Hoe langer dus het doopsel
wordt uitgesteld, zo meer zonden worden er door vergeven. Zo dient dus het doopsel
lang te worden uitgesteld.
Sed contra est quod dicitur Eccli. V, ne tardes converti ad dominum, et ne differas
de die in diem. Sed perfecta conversio ad Deum est eorum qui regenerantur in Christo
per Baptismum. Non ergo Baptismus debet differri de die in diem. (IIIa q. 68 a. 3 s. c.)
Daartegenover staat echter wat in Eccl. 5, 8 gezegd wordt: « Stel niet uit om tot
God te wenden en verdaag het niet voortdurend. » Welnu, de volmaakte bekeering tot
God geschiedt aan diegenen die door het doopsel in Christus worden wedergeboren. Zo
behoort dus het doopsel niet voortdurend te worden uitgesteld.
Respondeo dicendum quod circa hoc distinguendum est utrum sint baptizandi pueri vel
adulti. Si enim pueri sint baptizandi, non est differendum Baptisma. Primo quidem,
quia non expectatur in eis maior instructio, aut etiam plenior conversio. Secundo,
propter periculum mortis, quia non potest alio remedio subveniri nisi per sacramentum
Baptismi. Adultis vero subveniri potest per solum Baptismi desiderium, ut supra dictum
est. Et ideo adultis non statim cum convertuntur, est sacramentum Baptismi conferendum,
sed oportet differre usque ad aliquod certum tempus. Primo quidem, propter cautelam
Ecclesiae, ne decipiatur, ficte accedentibus conferens, secundum illud I Ioan. IV,
nolite omni spiritui credere, sed probate spiritus si ex Deo sunt. Quae quidem probatio
sumitur de accedentibus ad Baptismum, quando per aliquod spatium eorum fides et mores
examinantur. Secundo, hoc est necessarium ad utilitatem eorum qui baptizantur, quia
aliquo temporis spatio indigent ad hoc quod plene instruantur de fide, et exercitentur
in his quae pertinent ad vitam Christianam. Tertio, hoc est necessarium ad quandam
reverentiam sacramenti, dum in solemnitatibus praecipuis, scilicet Paschae et Pentecostes,
homines ad Baptismum admittuntur, et ita devotius sacramentum suscipiunt. Haec tamen
dilatio est praetermittenda duplici ratione. Primo quidem, quando illi qui sunt baptizandi,
apparent perfecte instructi in fide et ad Baptismum idonei, sicut Philippus statim
baptizavit eunuchum, ut habetur Act. VIII; et Petrus Cornelium et eos qui cum ipso
erant, ut habetur Act. X. Secundo, propter infirmitatem, aut aliquod periculum mortis.
Unde Leo Papa dicit, hi qui necessitate mortis, aegritudinis, obsidionis et persecutionis
et naufragii, urgentur, omni tempore debent baptizari. Si tamen aliquis praeveniatur
morte, articulo necessitatis sacramentum excludente, dum expectat tempus ab Ecclesia
institutum, salvatur, licet per ignem, ut supra dictum est. Peccat autem si ultra
tempus ab Ecclesia statutum differret accipere Baptismum, nisi ex causa necessaria
et licentia praelatorum Ecclesiae. Sed tamen et hoc peccatum cum aliis deleri potest
per succedentem contritionem, quae supplet vicem Baptismi, ut supra dictum est. (IIIa q. 68 a. 3 co.)
Wat dit betreft dient vooreerst onderscheid gemaakt tussen kinderen en volwassenen.
Moeten ook kinderen gedoopt worden, dan behoort het doopsel niet uitgesteld. Bij hen
valt immers ten eerste, niet een diepere godsdienstkennis noch ook een volmaaktere
bekeering te verwachten; ten tweede is er altijd gevaar en er ligt geen ander middel
dan het sacrament des doopsel in hun bereik. Gaat het daarentegen om volwassenen,
deze kunnen zoals werd aangetoond in het vorig artikel, ook door het doopsel van begeerte
geholpen worden. Daarom dan dient het sacrament van het doopsel aan de volwassenen
niet aanstonds na hun bekeering te worden toegediend, maar het moet tot een bepaalde
tijd worden uitgesteld. Dit vooreerst als voorbehoudsmiddel voor de heilige Kerk opdat
ze namelijk door degenen die veinzend tot het sacrament van het doopsel naderen niet
zou worden om de tuin geleid; in de eerste Brief van Joannes (4, 1) staat immers:
« Geloof niet aan elken geest, maar keur die geesten of zij uit God zijn. » — Welnu,
degenen die tot het doopsel naderen beproeft men met enigen tijd hun geloof en zeden
gade te slaan. Ten tweede, is dit uitstel voor het welzijn van de doopling van noode;
er zal namelijk enige tijd verlopen vooraleer hij volledig aangaande het geloof ingelicht
en in het christelijke leven geoefend is. Eindelijk, is dit uitstel ten derde nog
nodig om eerbied voor het Sacrament in te boezemen; wanneer ze immers bij de grootste
plechtigheden, Pasen namelijk en Pinksteren, tot het doopsel aangenomen worden, zullen
ze met des te meer godsvrucht het doopsel ontvangen. Twee gevallen zijn er niettemin
waar het doopsel niet mag worden uitgesteld. Vooreerst wanneer degenen die moeten
gedoopt worden volmaakt in het geloof onderwezen zijn, en geschikt om het doopsel
te ontvangen; zo doopte Philippus aanstonds de kamerling, Hand. der Apostelen (8)
en doopte Petrus Cornelius en degenen die met hem samen waren, Hand. der Apostelen
(10). — Ten tweede bij ziekte of in stervensgevaar. Daar vandaan dat Paus Leo (IV
epist. 5° k.) zegt : « Zij die in stervensgevaar zijn of ziek of belegerd worden of
vervolgd of een schipbreuk onderstaan hebben dienen wanneer het ook zij dadelijk gedoopt
te worden. » Indien echter iemand door de dood verrast wordt en, omdat hij de tijd
opwacht door de H. Kerk bepaald, het doopsel niet kan ontvangen, dan zal hij toch
hoewel, zoals in het vorig artikel gezegd werd « als door het vuur » verlost worden.
Eindelijk zou iemand, behalve wanneer het niet anders kan en hij daartoe van de kerkelijke
overheid verlof verkregen heeft, met nog langer uit te stellen dan de Kerk bepaald
heeft, zondigen. Die zonde kan overigens door het berouw dat in sommige omstandigheden,
zoals werd aangetoond (in de leerstelling van het vorig artikel) het doopsel vervangt,
samen met andere zonden worden uitgewischt.
Ad primum ergo dicendum quod illud mandatum Leonis Papae de observandis duobus temporibus
in Baptismo, intelligendum est, excepto tamen periculo mortis (quod semper in pueris
est timendum), ut dictum est. (IIIa q. 68 a. 3 ad 1)
1 — Wat Paus Leo de Grote aangaande die twee tijdstippen bevolen heeft, moet, behalve
wanneer er doodsgevaar, dat bij kinderen steeds voorhanden is (zie de leerstelling),
van de volwassenen verstaan worden.
Ad secundum dicendum quod illud de Iudaeis est statutum ad Ecclesiae cautelam, ne
simplicium fidem corrumpant, si non fuerint plene conversi. Et tamen, ut ibidem subditur,
si infra tempus praescriptum aliquod periculum infirmitatis incurrerint, debent baptizari. (IIIa q. 68 a. 3 ad 2)
2 — Dit is een waarborg die de H. Kerk, opdat zij het geloof van de eenvoudige lieden,
wanneer zij het niet oprecht menen niet zouden bederven, van Joodse bekeerlingen eist.
De kerkvergadering voegt er echter aan toe: « Als er binnen die bepaalde tijd gevaar
is van ziekte, moeten ze gauw gedoopt worden. »
Ad tertium dicendum quod Baptismus per gratiam quam confert non solum removet peccata
praeterita, sed etiam impedit peccata futura ne fiant. Hoc autem considerandum est,
ut homines non peccent, secundarium est ut levius peccent, vel etiam ut eorum peccata
mundentur; secundum illud I Ioan. II, filioli mei, haec scribo vobis ut non peccetis.
Sed et si quis peccaverit, advocatum habemus apud patrem Iesum Christum iustum, et
ipse est propitiatio pro peccatis nostris. (IIIa q. 68 a. 3 ad 3)
3 — Door de genade neemt het doopsel niet alleen reeds bedreven zonden weg, maar het belet
ook dat in de toekomst meerdere zonden zouden geschieden. Welnu men moet er vooral
op bedacht zijn dat de mensen geen zonden zouden bedrijven, of dat ze minder zwaar
zouden zondigen of van hun zonden zouden gereinigd worden. Daarom schrijft Joannes
in zijn eerste Brief (2, 1): « Mijn kinderkens, dit schrijf ik u opdat ge niet zou
zondigen. En zelfs als iemand gezondigd heeft, dan heeft hij een voorspreker bij de
Vader, Jezus-Christus namelijk en Deze is verzoening voor onze zonden. »
Articulus 4. Behoren zondaars gedoopt te worden?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod peccatores sint baptizandi. Dicitur enim Zach.
XIII, in die illa erit fons patens domui David et habitantibus Ierusalem in ablutionem
peccatoris et menstruatae, quod quidem intelligitur de fonte baptismali. Ergo videtur
quod sacramentum Baptismi sit etiam peccatoribus exhibendum. (IIIa q. 68 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert dat zondaars behoren gedoopt te worden. — Bij Zacharias (13, 1) staat
er: « Op dezen dag zal er een bron ontspringen in het huis van David voor degenen
die Jeruzalem bewonen, tot reiniging voor de zondaars en voor de vrouwen die om de
maandstonden onrein werden. » Dit nu wordt van het sacrament van het doopsel verstaan
en zo moet het sacrament van het doopsel dus ook aan de zondaars worden toegediend.
Praeterea, dominus dicit, Matth. IX, non est opus valentibus medicus, sed male habentibus.
Male autem habentes sunt peccatores. Cum igitur spiritualis medici, scilicet Christi,
medicina sit Baptismus, videtur quod peccatoribus sacramentum Baptismi sit exhibendum. (IIIa q. 68 a. 4 arg. 2)
2 — De Heer zegt bij Mt. (9, 12): « De gezonden hebben geen geneesheer nodig, maar wel
de zieken. » Welnu de zieken, dat zijn de zondaars, en aangezien het doopsel het geneesmiddel
is dat door Christus, die toch een geestelijk geneesheer is, wordt aangewend, moet
dus het doopsel ook aan de zondaars worden toegediend.
Praeterea, nullum subsidium peccatoribus debet subtrahi. Sed peccatores baptizati
ex ipso charactere baptismali spiritualiter adiuvantur, cum sit quaedam dispositio
ad gratiam. Ergo videtur quod sacramentum Baptismi sit peccatoribus exhibendum. (IIIa q. 68 a. 4 arg. 3)
3 — Geen enkel hulpmiddel mag de zondaars onthouden worden. Welnu, door het merkteken
dat na het doopsel in de ziel wordt achtergelaten, en dat een voorbereiding blijft
tot de genade, worden de zondaars op geestelijke wijze geholpen. Zo moet dus het sacrament
van het doopsel ook aan de zondaars worden toegediend.
Sed contra est quod Augustinus dicit, qui creavit te sine te, non iustificabit te
sine te. Sed peccator, cum habeat voluntatem non dispositam, non cooperatur Deo. Ergo
frustra adhibetur sibi Baptismus ad iustificationem. (IIIa q. 68 a. 4 s. c.)
Daartegenover staat echter hetgeen St. Augustinus zegt in zijn Boek: « De apostolische
woorden » (15, 11): « Hij die u zonder uw toedoen geschapen heeft zal u niet zonder
uw toedoen rechtvaardig maken. » Wanneer toch een zondaar niet in de geschikte gesteltenis
verkeert, kan hij Gods werking niet in de hand werken maar staat haar eerder in de
weg. Zo zou dus het doopsel indien de mens die moet gedoopt worden niet in de vereiste
gesteltenis was, niet tot de rechtvaardigmaking kunnen bijdragen.
Respondeo dicendum quod aliquis potest dici peccator dupliciter. Uno modo, propter
maculam et reatum praeteritum. Et sic peccatoribus est sacramentum Baptismi conferendum,
quia est ad hoc specialiter institutum ut per ipsum peccatorum sordes mundentur, secundum
illud Ephes. V, mundans eam, scilicet Ecclesiam, lavacro aquae in verbo vitae. Alio
modo potest dici aliquis peccator ex voluntate peccandi et proposito persistendi in
peccato. Et sic peccatoribus non est sacramentum Baptismi conferendum. Primo quidem,
quia per Baptismum homines Christo incorporantur, secundum illud Galat. III, quicumque
in Christo baptizati estis, Christum induistis. Quandiu autem aliquis habet voluntatem
peccandi, non potest esse Christo coniunctus, secundum illud II Cor. VI, quae participatio
iustitiae cum iniquitate? Unde et Augustinus dicit, in libro de poenitentia, quod
nullus suae voluntatis arbiter constitutus potest novam vitam inchoare, nisi eum veteris
vitae poeniteat. Secundo, quia in operibus Christi et Ecclesiae nihil debet fieri
frustra. Frustra autem est quod non pertingit ad finem ad quem est ordinatum. Nullus
autem habens voluntatem peccandi simul potest a peccato mundari, ad quod ordinatur
Baptismus, quia hoc esset ponere contradictoria esse simul. Tertio, quia in sacramentalibus
signis non debet esse aliqua falsitas. Est autem signum falsum cui res significata
non respondet. Ex hoc autem quod aliquis lavandum se praebet per Baptismum, significatur
quod se disponat ad interiorem ablutionem. Quod non contingit de eo qui habet propositum
persistendi in peccato. Unde manifestum est quod talibus sacramentum Baptismi non
est conferendum. (IIIa q. 68 a. 4 co.)
Iemand kan op twee verschillende manieren zondaar zijn: ten eerste om de vlek en schuld
van vorige zonden; aan zulke zondaars nu mag het doopsel worden toegediend; het doopsel
werd immers vooral ingesteld opdat overeenkomstig de woorden uit de Brief aan de Ephesiërs
(5, 26): « haar in het woord des levens als in een waterbad reinigende », de smet
door de zonde veroorzaakt zou worden weggenomen. Ten tweede kan iemand nog zondaar
genoemd worden omdat hij wil zondigen en het voornemen heeft in de zonden te volharden.
Aan zulke zondaars mag integendeel het doopsel niet worden toegediend; dit ten eerste
omdat de mens door het doopsel een lidmaat wordt van Christus. De Brief aan de Galaten
(3, 27) zegt namelijk: « en allen die in Christus gedoopt zijn hebt gij Christus aangedaan.
» — Zoolang echter iemand wil voortgaan met zondigen kan hij niet met Christus verenigd
worden; en ten tweede in de Tweede Brief aan de Korinthiërs (6, 14) staat immers geschreven:
« Wat kunnen gerechtigheid en ongerechtigheid wel gemeen hebben. » St. Augustinus
zegt overigens in zijn Boek: « De Boetvaardigheid » (50, 2): « Niemand die over zijn
vrije wil beschikt kan zonder over het verleden berouw te hebben een nieuw leven beginnen.
» Ten tweede, omdat onder de werken van God en van de H. Kerk niets mag tevergeefs
geschieden. Welnu iets blijft vruchteloos wanneer het doel waartoe het werd ingesteld
niet bereikt wordt. Zo kan dan ook niemand die bij zijn voornemen te zondigen blijft,
tegelijkertijd van zijn zonden gereinigd worden, want daartoe werd juist het doopsel
ingesteld. Ten derde, omdat de sacramentale tekenen niet mogen om de tuin leiden;
een teken leidt immers om de tuin wanneer het niet te kennen geeft wat het voorstelt.
Wanneer nu iemand zich aanbiedt om in het doopsel gereinigd te worden, wordt een innerlijke
geschiktheid om gereinigd te worden voorgesteld, en daar zulks zeker niet aan iemand
die voornemens blijft in de zonde te volharden plaats grijpt, zo is het klaarblijkelijk
dat aan zulke mensen het sacrament van het doopsel niet behoort te worden toegediend.
Ad primum ergo dicendum quod illud verbum est intelligendum de peccatoribus qui habent
voluntatem recedendi a peccato. (IIIa q. 68 a. 4 ad 1)
1 — Deze woorden moeten van zondaars die het voornemen hebben uit de zonde op te staan
verstaan worden.
Ad secundum dicendum quod spiritualis medicus, scilicet Christus, dupliciter operatur.
Uno modo, interius per seipsum, et sic praeparat voluntatem hominis ut bonum velit
et malum odiat. Alio modo operatur per ministros, exterius adhibendo sacramenta, et
sic operatur perficiendo id quod est exterius inchoatum. Et ideo sacramentum Baptismi
non est exhibendum nisi ei in quo interioris conversionis aliquod signum apparet,
sicut nec medicina corporalis adhibetur infirmo nisi in eo aliquis motus vitalis appareat. (IIIa q. 68 a. 4 ad 2)
2 — De geestelijke geneesheer, Christus, is op twee verschillende manieren werkzaam. Vooreerst
innerlijk door Zichzelf, wanneer Hij namelijk de wil van de mens voorbereidt om het
goede te doen en het kwade te vluchten; verder door zijn bedienaars, wanneer Hij namelijk
uiterlijk de sacramenten toedient en aldus uiterlijk voltrekt wat reeds innerlijk
begonnen was. Daarom behoort het doopsel niet, behalve aan die zondaars die enig teken
van innerlijke bekeering geven, te worden toegediend; zo wordt immers ook een stoffelijk
geneesmiddel enkel voorgeschreven wanneer men vaststelt dat een zieke enig teken van
leven geeft.
Ad tertium dicendum quod Baptismus est fidei sacramentum. Fides autem informis non
sufficit ad salutem, nec ipsa est fundamentum, sed sola fides formata, quae per dilectionem
operatur, ut Augustinus dicit, in libro de fide et operibus. Unde nec sacramentum
Baptismi salutem conferre potest cum voluntate peccandi, quae fidei formam excludit.
Non autem est per impressionem characteris baptismalis aliquis disponendus ad gratiam,
quandiu apparet in eo voluntas peccandi, quia, Deus neminem ad virtutem compellit,
sicut Damascenus dicit. (IIIa q. 68 a. 4 ad 3)
3 — Het doopsel is het sacrament van het geloof. Alleen is een dood geloof voor de zaligheid
onvoldoende en kan er ook de grondslag niet van zijn; dit is enkel het levend geloof,
dat zoals Augustinus in zijn Boek: « Het geloof en de werken » (16) zegt: « daar de
liefde werkt, zo kan dan het sacrament van het doopsel, wanneer het met de wil te
zondigen samengaat, geen zaligheid verwekken; dit maakt immers het levend geloof ongelijk;
met het inprenten van het merkteken toch is iemand nog niet op de genade voorbereid
zolang in hem de wil om te zondigen blijft voortbestaan. » Naar het woord van St.
Joannes Damascenus in « Het rechtzinnig geloof » (2, 30) « dwingt God immers niemand
om deugdzaam te leven ».
Articulus 5. Moet men aan de zondaars die het doopsel ontvingen werken van genoegdoening opleggen?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod peccatoribus baptizatis sint opera satisfactoria
imponenda. Hoc enim ad iustitiam Dei pertinere videtur, ut pro quolibet peccato aliquis
puniatur, secundum illud Eccle. ult., cuncta quae fiunt adducet Deus in iudicium.
Sed opera satisfactoria imponuntur peccatoribus in poenam praeteritorum peccatorum.
Ergo videtur quod peccatoribus baptizatis sint opera satisfactoria imponenda. (IIIa q. 68 a. 5 arg. 1)
1 — De gedoopte zondaars moeten werken van genoegdoening opgelegd worden. Het strookt
met Gods rechtvaardigheid dat iemand voor iedere zonde die hij bedreven heeft gestraft
wordt. De Prediker (12, 14) zegt immers : « God zal alles wat gebeurd is ten oordeel
brengen. » Welnu, de zondaars worden tot uitboeting van hun vroegere zonden werken
van genoegdoening opgelegd. Zo moeten dus ook aan pas gedoopte zondaars werken van
genoegdoening worden opgelegd.
Praeterea, per opera satisfactoria exercitantur peccatores de novo conversi ad iustitiam,
et subtrahuntur occasiones peccandi, nam satisfacere est peccatorum causas excidere
et peccatis aditum non indulgere. Sed hoc maxime necessarium est nuper baptizatis.
Ergo videtur quod opera satisfactoria sint baptizatis iniungenda. (IIIa q. 68 a. 5 arg. 2)
2 — De zondaars die pas tot werken van gerechtigheid bekeerd werden, worden door de hun
opgelegde werken van genoegdoening in de deugd geoefend, en zo worden de gelegenheden
tot zonde van hen verwijderd. Voor de zonde voldoening schenken is immers zo goed
als de oorzaak der zonde vernietigen en de zonde allen toegang ontzeggen. Welnu, dit
is bij mensen die even gedoopt werden vooral noodig, en zo moeten dus aan de zondaars
werken van genoegdoening worden opgelegd.
Praeterea, non minus debitum est ut homo Deo satisfaciat quam proximo. Sed nuper baptizatis
iniungendum est quod satisfaciant proximis, si eos laeserunt. Ergo etiam est eis iniungendum
ut Deo satisfaciant per opera poenitentiae. (IIIa q. 68 a. 5 arg. 3)
3 — Men moet evenzeer aan God als aan de evenmens zijn schuld uitkeren. Welnu wanneer
iemand even gedoopt werd, dient hem te worden aangeplicht de schade, die hij wellicht
zijn naaste berokkend heeft, te herstellen. Zo moet hem dus eveneens worden aangeplicht
door werken van genoegdoening zijn schuld tegenover God te vereffenen.
Sed contra est quod Ambrosius, super Rom. XI, sine poenitentia sunt dona Dei et vocatio,
dicit, gratia Dei in Baptismo non requirit gemitum neque planctum, vel etiam opus
aliquod, sed solam fidem, et omnia gratis condonat. (IIIa q. 68 a. 5 s. c.)
Daartegenover staat echter wat St. Ambrosius op de woorden uit de Brief aan de Romeinen
(11, 29) zegt: « Nooit heeft God berouw over zijn genadegaven en zijn roeping », zegt:
« God geeft bij het doopsel de genade zonder tranen noch weeklaag en zonder een of
ander werk te vorderen; alleen geloof vraagt Hij en alles scheldt Hij om niets kwijt.
»
Respondeo dicendum quod, sicut apostolus dicit, Rom. VI, quicumque baptizati sumus
in Christo Iesu, in morte ipsius baptizati sumus, consepulti enim sumus ei per Baptismum
in mortem, ita scilicet quod homo per Baptismum incorporatur ipsi morti Christi. Manifestum
est autem ex supra dictis quod mors Christi satisfactoria fuit sufficienter pro peccatis,
non solum nostris, sed etiam totius mundi, ut dicitur I Ioan. II. Et ideo ei qui baptizatur
pro quibuscumque peccatis non est aliqua satisfactio iniungenda, hoc autem esset iniuriam
facere passioni et morti Christi, quasi ipsa non esset sufficiens ad plenariam satisfactionem
pro peccatis baptizandorum. (IIIa q. 68 a. 5 co.)
De apostel Paulus zegt in de Brief aan de Romeinen (6, 3) het volgende: « Allen die
in Christus Jezus gedoopt zijn, zijn in zijn dood gedoopt. Door het doopsel toch zijn
we met Hem in zijn dood begraven. » en dit op zulke wijze dat de mens door het doopsel
aan de dood van Christus deelachtig wordt. Uit hetgeen hierboven gezegd werd (49°
Kw. en 48° Kw.) blijkt immers duidelijk dat de dood van Christus wat de zonde, en
niet alleen de onze, maar die van de hele wereld betreft, zoals overigens in de eerste
Brief van Johannes (2, 2) staat, genoegdoeningskracht te over had. Daarom dan moet
men aan de nieuw-gedoopten geen werken van genoegdoening opleggen; dit ware immers
alsof deze niet tot volledige genoegdoening voor de zonden van alle gedoopten bestand
waren, voor het lijden en de dood van Christus een beleediging.
Ad primum ergo dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in libro de Baptismo parvulorum,
ad hoc Baptismus valet ut baptizati Christo incorporentur ut membra eius. Unde ipsa
poena Christi fuit satisfactoria pro peccatis baptizandorum, sicut et poena unius
membri potest esse satisfactoria pro peccato alterius membri. Unde Isaiae LIII dicitur,
vere languores nostros ipse tulit, et dolores nostros ipse portavit. (IIIa q. 68 a. 5 ad 1)
1 — In zijn Boek: « Het doopsel der kinderen » (26, 7) zegt St. Augustinus het volgende:
« Het doopsel vermag de gedoopten bij Christus als zijn ledematen in te lijven. »
Het doopsel van Christus nu had voldoende genoegdoeningskracht voor de zonden der
gedoopten, zoals wat één lidmaat onderstaat voor de zonde van een ander lidmaat kan
genoegdoening schenken. Daarom zegt Isaias (53, 4) : « Hij heeft waarlijk onze kwalen
op zich genomen en onze smarten heeft Hij gedragen. »
Ad secundum dicendum quod nuper baptizati exercitandi sunt ad iustitiam, non per opera
poenalia, sed per opera facilia, ut quasi quodam lacte facilis exercitii promoveantur
ad perfectiora, ut Glossa dicit, super illud Psalmi, sicut ablactatus super matre
sua. Unde et dominus discipulos suos de novo conversos a ieiunio excusavit, ut patet
Matth. IX. Et hoc est quod dicitur I Pet. II, sicut modo geniti infantes lac concupiscite,
ut in eo crescatis in salutem. (IIIa q. 68 a. 5 ad 2)
2 — Degenen die pas gedoopt werden behoren niet door lastig, maar door gemakkelijk werk
in de rechtvaardigheid geoefend te worden; « aldus zullen ze dankzij de melk van gemakkelijke
oefeningen tot volmaaktheid opgeleid worden », dat zegt namelijk de Glossa op de woorden
van de Psalm (130, 4) : « Gelijk een gespeend kind bij zijn moeder is. » — Zo komt
het dan dat de Heer zijn nieuwbekeerde leerlingen overeenkomstig wat Mt. (9) geschreven
heeft, van de vasten ontsloeg. Daarbij zegt Petrus in zijn eerste Brief (2, 2) : «
Verlangt als pasgeboren kindertjes naar melk opdat ge daardoor tot zaligheid moogt
opgroeien. »
Ad tertium dicendum quod restituere male ablata proximis, et satisfacere de iniuriis
illatis, est cessare a peccando, quia hoc ipsum quod est detinere aliena et proximum
non placare, est peccatum. Et ideo peccatoribus baptizatis iniungendum est quod satisfaciant
proximis, sicut et quod desistant a peccato. Non est autem eis iniungendum quod pro
peccatis praeteritis aliquam poenam patiantur. (IIIa q. 68 a. 5 ad 3)
3 — De evenmens terug te geven wat men van hem ontvreemd heeft en voor gedane beleedigingen
voldoening te schenken, is alleen ophouden met zondigen; dit juist, iemands goed te
behouden of een verongelijkte geen bevrediging te schenken is immers zonde. Daarom
moet dan ook aan gedoopte zondaars evenzeer worden opgelegd hun evennaaste voldoening
te schenken als niet meer te zondigen; een of ander werk tot uitboeting van bedreven
zonden te verrichten moet hun echter niet worden opgelegd.
Articulus 6. Zijn de zondaars verplicht wanneer ze willen het doopsel ontvangen hun zonden te belijden?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod peccatores ad Baptismum accedentes teneantur
sua peccata confiteri. Dicitur enim Matth. III quod baptizabantur multi a Ioanne in
Iordane, confitentes peccata sua. Sed Baptismus Christi est perfectior quam Baptismus
Ioannis. Ergo videtur quod multo magis illi qui sunt baptizandi Baptismo Christo,
debeant sua peccata confiteri. (IIIa q. 68 a. 6 arg. 1)
1 — Men beweert dat zondaars die willen het doopsel ontvangen hun zonden moeten belijden.
In het Evangelie van Mt. (3, 6) wordt verhaald dat velen door Joannes in de Jordaan
gedoopt werden en hun zonden beleden. Welnu, het doopsel van Christus is volmaakter
dan het doopsel van Joannes. Zo moeten dus degenen die met het doopsel van Christus
gedoopt worden nog veel eerder hun zonden belijden.
Praeterea, Prov. XXVIII dicitur, qui abscondit scelera sua, non dirigetur, qui autem
confessus fuerit et reliquerit ea, misericordiam consequetur. Sed ad hoc aliqui baptizantur
ut de peccatis suis misericordiam consequantur. Ergo baptizandi debent sua peccata
confiteri. (IIIa q. 68 a. 6 arg. 2)
2 — Het Boek der Spreuken (28, 13) zegt het volgende: « Hij die zijn zonden verborgen
houdt kan niet rechtvaardig gemaakt worden; hij integendeel die zijn zonden belijdt
en ze verlaat zal barmhartigheid verwerven. » — Welnu, men wordt gedoopt om voor zijn
zonden barmhartigheid te verkrijgen en zo moet hij die wil gedoopt worden zijn zonden
belijden.
Praeterea, poenitentia requiritur ante Baptismum, secundum illud Act. II, agite poenitentiam,
et baptizetur unusquisque vestrum. Sed confessio est pars poenitentiae. Ergo videtur
quod confessio peccatorum requiratur ante Baptismum. (IIIa q. 68 a. 6 arg. 3)
3 — Vóór het doopsel moet men boetvaardigheid doen. De Handel der Apostelen (2, 38) zeggen
immers: « Laat iedereen van u boete doen en het doopsel ontvangen. » Welnu, de belijdenis
der zonden is een deel der boetvaardigheid. Zo wordt dus vóór het doopsel de belijdenis
der zonden vereist.
Sed contra est quod confessio peccatorum debet esse cum fletu, ut dicit Augustinus,
in libro de poenitentia, omnis ista varietas consideranda est et deflenda. Sed, sicut
Ambrosius dicit, gratia Dei in Baptismo non requirit gemitum neque planctum. Ergo
a baptizandis non est requirenda confessio peccatorum. (IIIa q. 68 a. 6 s. c.)
Daartegenover staat echter dat de belijdenis der zonden al wenend moet geschieden.
St. Augustinus zegt immers in zijn Boek: « Echte en valse boetvaardigheid » (14):
« Al die verschillende zonden moeten beleden en beweend worden. » — Welnu, de H. Ambrosius
zegt dat « de genade Gods in het doopsel zonder tranen en zonder klachten verleend
wordt. » Zo moet men dus van de nieuwgedoopten geen zondenbelijdenis vorderen.
Respondeo dicendum quod duplex est peccatorum confessio. Una quidem interior, quae
fit Deo. Et talis confessio peccatorum requiritur ante Baptismum, ut scilicet homo,
peccata sua recogitans, de eis doleat, non enim potest inchoare novam vitam, nisi
poeniteat eum veteris vitae, ut Augustinus dicit, in libro de poenitentia. Alia vero
est confessio peccatorum exterior, quae fit sacerdoti. Et talis confessio non requiritur
ante Baptismum. Primo quidem, quia talis confessio, cum respiciat personam ministri,
pertinet ad poenitentiae sacramentum, quod non requiritur ante Baptismum, qui est
ianua omnium sacramentorum. Secundo, quia confessio exterior, quae fit sacerdoti,
ordinatur ad hoc quod sacerdos confitentem absolvat a peccatis, et liget ad opera
satisfactoria, quae baptizatis non sunt imponenda, ut supra dictum est. Nec etiam
baptizati indigent remissione peccatorum per claves Ecclesiae, quibus omnia remittuntur
per Baptismum. Tertio, quia ipsa particularis confessio homini facta est poenosa,
propter verecundiam confitentis. Baptizato autem nulla exterior poena imponitur. Et
ideo a baptizatis non requiritur specialis confessio peccatorum, sed sufficit generalis,
quam faciunt cum, secundum ritum Ecclesiae, abrenuntiant Satanae et omnibus operibus
eius. Et hoc modo dicit quaedam Glossa Matth. III, quod in Baptismo Ioannis exemplum
datur baptizandis confitendi peccata et promittendi meliora. Si qui tamen baptizandi
ex devotione sua peccata confiteri vellent, esset eorum confessio audienda, non ad
hoc quod satisfactio eis imponeretur; sed ad hoc quod contra peccata consueta eis
spiritualis vitae informatio tradatur. (IIIa q. 68 a. 6 co.)
De belijdenis der zonden kan op tweeërlei wijze geschieden: ofwel als innerlijke belijdenis
die aan God alleen gedaan wordt, en zulk een belijdenis wordt, opdat de mens aan zijn
zonden zou denken en er over bedroefd is, vóór het doopsel geeist. Naar hetgeen St.
Augustinus zelf zegt in zijn Boek: « De boetvaardigheid » (50, 2) gaat het immers
niet aan een nieuw leven te beginnen zolang men over het verleden geen spijt heeft;
— ofwel kan ze als uiterlijke belijdenis van zonden die voor een priester gedaan wordt
geschieden. Welnu een dergelijke belijdenis wordt vóór het doopsel niet vereist. Een
dergelijke belijdenis is immers ten eerste, daar ze ten overstaan van de persoon van
de bedienaar geschiedt op het sacrament der biecht, dat niet vereist wordt vóór het
doopsel, aangewezen; het doopsel toch is de poort die tot alle andere sacramenten
toegang verleent. Ten tweede dient de uiterlijke belijdenis, die voor de priester
gedaan wordt, tot ontslaging van zonden door de priester die dan als een genoegdoeningswerk
oplegt. Dit nu moet, zoals we hierboven, in het vorig artikel nl., bewezen hebben,
aan nieuwgedoopten niet worden opgelegd; ja zelfs hebben de nieuwgedoopten de vergiffenis
van zonden door de sleutelmacht niet vandoen; alles toch wordt hun door het doopsel
kwijtgescholden. Ten derde valt die nauwgezette belijdenis aan een mens het schaamtegevoel
van de biechteling zwaar. Welnu aan nieuwgedoopten mag geen enkele uiterlijke straf
worden opgelegd, en daarom wordt bij het doopsel geen bijzondere zondenbelijdenis
vereist. Een algemene belijdenis integendeel kan ruim volstaan, en deze geschiedt
wanneer de doopling overeenkomstig de ritus der Kerk aan de duivel en aan al zijn
praalvertoon verzaakt. Aldus zegt overigens een Glosse op Mtt. (3) : « Aan het doopsel
van Joannes werd de gedoopten om hun zonden te belijden en een beter leven te beloven
een voorbeeld voorgehouden. » Wil nu een doopling uit godsvrucht toch zijn zonden
belijden, dan moet men, niet om hem werken van genoegdoening te kunnen opleggen, maar
om hem, wat de zonden betreft die hij gewoonlijk bedrijft, een levensregel voor te
houden, zijn belijdenis aanhoren.
Ad primum ergo dicendum quod in Baptismo Ioannis non remittebantur peccata, sed erat
Baptismus poenitentiae. Et ideo accedentes ad illud Baptisma convenienter confitebantur
peccata, ut secundum qualitatem peccatorum eis poenitentia determinaretur. Sed Baptismus
Christi est sine exteriori poenitentia, ut Ambrosius dicit. Unde non est similis ratio. (IIIa q. 68 a. 6 ad 1)
1 — Bij het doopsel van Joannes werden de zonden niet vergeven, dit was immers een doopsel
van boetvaardigheid. Zo was het dan passend dat zij die het doopsel wilden ontvangen,
hun zonden zouden belijden, en overeenstemmig de aard der zonde, kregen ze werken
van boetvaardigheid. Zo geldt bewuste reden dus niet voor dit geval.
Ad secundum dicendum quod baptizatis sufficit confessio interior Deo facta, et etiam
exterior generalis, ad hoc quod dirigantur et misericordiam consequantur, nec requiritur
confessio specialis exterior, ut dictum est. (IIIa q. 68 a. 6 ad 2)
2 — Voor dopelingen kunnen de innerlijke belijdenis die aan God gedaan wordt, en de algemene
uiterlijke belijdenis, opdat ze de rechten weg zouden uitgaan en barmhartigheid verwerven,
volstaan. Een bijzondere uiterlijke belijdenis wordt, zoals we in de leerstelling
zeiden, niet vereist.
Ad tertium dicendum quod confessio est pars poenitentiae sacramentalis, quae non requiritur
ante Baptismum, ut dictum est, sed requiritur interioris poenitentiae virtus. (IIIa q. 68 a. 6 ad 3)
3 — De Belijdenis is een deel van het Sacrament der Biecht, dat, zoals in de leerstelling
staat, vóór het doopsel niet vereist wordt. De beoefening van de innerlijke deugd
van boetvaardigheid is echter bij het doopsel wel vandoen.
Articulus 7. Moet de dopeling het opzet hebben het doopsel te ontvangen?
Ad septimum sic proceditur. Videtur quod ex parte baptizati non requiratur intentio
suscipiendi sacramentum Baptismi. Baptizatus enim se habet sicut patiens in sacramento.
Intentio autem non requiritur ex parte patientis, sed ex parte agentis. Ergo videtur
quod ex parte baptizati non requiratur intentio suscipiendi Baptismum. (IIIa q. 68 a. 7 arg. 1)
1 — Men beweert dat tot de geldigheid van het doopsel niet vereischt wordt dat de dopeling
zou het opzet hebben het sacrament van het doopsel te ontvangen. De dopeling blijft
wanneer hij het doopsel ontvangt, lijdzaam. Welnu het opzet te hebben een of ander
te verrichten of te ontvangen, gaat eerder op iemand terug die werkend optreedt, dan
wel op iemand die lijdzaam blijft toezien en laat gebeuren. Zo wordt dus tot de geldigheid
niet vereischt dat de dopeling zou het opzet hebben het doopsel te ontvangen.
Praeterea, si praetermittatur id quod requiritur ad Baptismum, homo est denuo baptizandus,
sicut cum praetermittitur invocatio Trinitatis, sicut supra dictum est. Sed ex hoc
non videtur aliquis denuo baptizandus quod intentionem non habebat suscipiendi Baptismum,
alioquin, cum de intentione baptizati non constet, quilibet posset petere se denuo
baptizari propter intentionis defectum. Non videtur ergo quod intentio requiratur
ex parte baptizati ut suscipiat sacramentum. (IIIa q. 68 a. 7 arg. 2)
2 — Wanneer iets dat tot de geldigheid vereischt wordt werd overgeslagen, moet men herdopen,
zo bijvoorbeeld wanneer vergeten werd de H. Drievuldigheid aan te roepen; dit toch
hebben we hierboven aangetoond (66° Kw., 6° art.). Welnu, iemand moet, wanneer hij
niet het opzet had zich te laten dopen, niet herdoopt worden; anders toch zou eenieder,
daar het niet immer vaststaat dat iemand wel degelijk dit opzet gehad heeft, kunnen
aanvragen om wegens gebrek aan opzet andermaal gedoopt te worden. Zo wordt dus om
het sacrament te ontvangen niet vereist dat men het opzet hebben zich te laten dopen.
Praeterea, Baptismus contra peccatum originale datur. Sed originale peccatum contrahitur
sine intentione nascentis. Ergo Baptismus, ut videtur, intentionem non requirit ex
parte baptizati. (IIIa q. 68 a. 7 arg. 3)
3 — Het doopsel is een geneesmiddel tegen de erfzonde. Welnu, als men geboren wordt loopt
men zonder het te willen die zonde op. Zo vordert dus het doopsel tot de geldigheid
geen opzet van wege de doopling.
Sed contra est quod, secundum ritum Ecclesiae, baptizandi profitentur se petere ab
Ecclesia Baptismum. Per quod profitentur suam intentionem de susceptione sacramenti. (IIIa q. 68 a. 7 s. c.)
Daartegenover staat echter dat volgens de ritus der H. Kerk de dopelingen moeten getuigen
dat ze de H. Kerk om het doopsel vragen, en aldus hun opzet te willen gedoopt worden
bekend maken.
Respondeo dicendum quod per Baptismum aliquis moritur veteri vitae peccati, et incipit
quandam vitae novitatem, secundum illud Rom. VI, consepulti sumus Christo per Baptismum
in mortem, ut, quomodo Christus resurrexit a mortuis, ita et nos in novitate vitae
ambulemus. Et ideo, sicut ad hoc quod homo moriatur veteri vitae, requiritur, secundum
Augustinum, in habente usum liberi arbitrii, voluntas qua eum veteris vitae poeniteat;
ita requiritur voluntas qua intendat vitae novitatem, cuius principium est ipsa susceptio
sacramenti. Et ideo ex parte baptizati requiritur voluntas, sive intentio, suscipiendi
sacramentum. (IIIa q. 68 a. 7 co.)
Door het doopsel sterft de mens voor het oude leven der zonde en begint een nieuw
leven te leven; aldus zegt nl. de Brief aan de Romeinen (6, 4): « Wij zijn dan door
het doopsel met Christus in zijn dood begraven, opdat wij zoals Christus door de glorie
van de Vader uit de doden werd opgewekt, evenzo ook wij in een nieuw leven zouden
wandelen. » Volgens St. Augustinus nu, wordt er, opdat een mens voor het oude leven
zou sterven, vereist dat hij, indien hij althans het gebruik heeft van zijn vrije
wil, juist zoals hij over zijn verleden dient berouw te hebben, evenzo voornemens
is een nieuw leven te beginnen. Welnu dit begin komt op het ontvangen van dit sacrament
neer, en zo wordt dus van de kant van de gedoopte vereist dat hij wil het doopsel
ontvangen of het opzet vormt het te ontvangen.
Ad primum ergo dicendum quod in iustificatione, quae fit per Baptismum, non est passio
coacta, sed voluntaria. Et ideo requiritur intentio recipiendi id quod ei datur. (IIIa q. 68 a. 7 ad 1)
1 — Bij de rechtvaardiging door het doopsel is er geen gedwongen maar wel een vrijwillige
lijdzaamheid. Zo wordt dan het opzet om wat toegediend wordt te ontvangen vereist.
Ad secundum dicendum quod, si in adulto deesset intentio suscipiendi sacramentum,
esset rebaptizandus. Si tamen hoc non constaret, esset dicendum, si non es baptizatus,
ego te baptizo. (IIIa q. 68 a. 7 ad 2)
2 — Indien een volwassen mens niet het opzet had gedoopt te worden, dan zou hij moeten
herdoopt worden. Wanneer dit echter niet met zekerheid kan worden uitgemaakt, moet
men bij het doopsel zeggen: « Indien je niet gedoopt zijt, dan doop ik u. »
Ad tertium dicendum quod Baptismus ordinatur non solum contra originale peccatum,
sed etiam contra actualia, quae per voluntatem et intentionem causantur. (IIIa q. 68 a. 7 ad 3)
3 — Het doopsel wordt niet alleen tegen de erfzonde doch ook tegen de dadelijke zonden
aangewend. Deze nu worden door toedoen van de wil en het opzet bedreven.
Articulus 8. Wordt tot de geldigheid van het doopsel vereist dat de dopeling zou geloven?
Ad octavum sic proceditur. Videtur quod fides requiratur ex parte baptizati. Sacramentum
enim Baptismi a Christo est institutum. Sed Christus, formam Baptismi tradens, fidem
Baptismo praemittit, dicens, Marc. ult., qui crediderit et baptizatus fuerit, salvus
erit. Ergo videtur quod, nisi sit fides, non possit esse sacramentum Baptismi. (IIIa q. 68 a. 8 arg. 1)
1 — Men beweert dat de dopeling om geldig het doopsel te ontvangen, moet geloven. Het
sacrament van het doopsel werd door Christus ingesteld. Welnu, wanneer Christus de
vorm van het doopsel overmaakte, sprak Hij eerst van het geloof, daarna van het doopsel.
Hij zei nl. (Mc. 16, 16): « Wie gelooft en gedoopt is zal zalig worden. » — Wanneer
iemand dus geen geloof heeft kan hij het sacrament van het doopsel niet ontvangen.
Praeterea, nihil frustra in sacramentis Ecclesiae agitur. Sed secundum ritum Ecclesiae,
qui accedit ad Baptismum de fide interrogatur, cum dicitur, credis in Deum patrem
omnipotentem? Ergo videtur quod fides ad Baptismum requiratur. (IIIa q. 68 a. 8 arg. 2)
2 — Bij het toedienen van de heilige sacramenten doet de H. Kerk niets tevergeefs. Welnu,
overeenkomstig de ritus der H. Kerk wordt hij die ten doop komt, over zijn geloof
ondervraagd. Er wordt hem immers gevraagd: « Gelooft gij in God de Va- der, enz...
» — Zo is dus het geloof een vereiste tot de geldigheid van het doopsel.
Praeterea, ad Baptismum requiritur intentio suscipiendi sacramentum. Sed hoc non potest
esse sine recta fide, cum Baptismus sit rectae fidei sacramentum, per eum enim incorporantur
homines Christo, ut Augustinus dicit, in libro de Baptismo parvulorum; hoc autem esse
non potest sine recta fide, secundum illud Ephes. III, habitare Christum per fidem
in cordibus vestris. Ergo videtur quod ille qui non habet rectam fidem, non possit
suscipere sacramentum Baptismi. (IIIa q. 68 a. 8 arg. 3)
3 — Om het doopsel te ontvangen moet men ook het opzet hebben het doopsel te ontvangen.
Welnu, dit kan niet zonder het ware geloof; het doopsel toch is het sacrament van
het ware geloof, want door het doopsel worden de mensen, zoals St. Augustinus in zijn
boek: «Over het doopsel der kleinen» (c. 26) zegt, bij Christus ingelijfd. Dit laatste
nu gaat zonder het geloof niet aan; in de Brief aan de Ephesiërs (3, 17) staat immers
geschreven: «Christus woont in uw hart door het geloof». Zo kan dus hij die het ware
geloof niet heeft het sacrament van het doopsel niet ontvangen.
Praeterea, infidelitas est gravissimum peccatum, ut in secunda parte habitum est.
Sed permanentes in peccato non sunt baptizandi. Ergo nec etiam permanentes in infidelitate. (IIIa q. 68 a. 8 arg. 4)
4 — Het ongeloof is, zoals in het tweede deel (2-2 KW. 10, 3e art.) staat, de zwaarste
zonde. Welnu, zij die in hun zonden volharden, mogen niet gedoopt worden en zij die
in het ongeloof volharden dus evenmin.
Sed contra est quod Gregorius, scribens Quirico episcopo, dicit, ab antiqua patrum
institutione didicimus ut qui apud haeresim in Trinitatis nomine baptizantur, cum
ad sanctam Ecclesiam redeunt, aut unctione chrismatis, aut impositione manus, aut
sola professione fidei, ad sinum matris Ecclesiae revocentur. Hoc autem non esset,
si fides ex necessitate requireretur ad susceptionem Baptismi. (IIIa q. 68 a. 8 s. c.)
Daartegenover staat echter wat paus Gregorius aan bisschop Quirinus schreef (Register.
9, 61): « De oude overlevering der vaderen heeft ons geleerd dat als diegenen die
bij de ketters in de naam der H. Drievuldigheid gedoopt worden naar de H. Kerk terugkeren,
deze na een inbalsing met chrisma of na een handenoplegging, ook alleen na een geloofsbelijdenis,
in de schoot der heilige kerk ontvangen worden. » Indien nu het ware geloof voor de
geldigheid van het doopsel nodig was, zou zulks niet kunnen. Zo wordt dan het ware
geloof niet tot de geldigheid van het doopsel vereist.
Respondeo dicendum quod, sicut ex dictis patet, duo efficiuntur in anima per Baptismum,
scilicet character et gratia. Dupliciter ergo aliquid ex necessitate requiritur ad
Baptismum. Uno modo, sine quo gratia haberi non potest, quae est ultimus effectus
sacramenti. Et hoc modo recta fides ex necessitate requiritur ad Baptismum, quia,
sicut dicitur Rom. III, iustitia Dei est per fidem Iesu Christi. Alio modo requiritur
aliquid ex necessitate ad Baptismum, sine quo character Baptismi imprimi non potest.
Et sic recta fides baptizati non requiritur ex necessitate ad Baptismum, sicut nec
recta fides baptizantis, dummodo adsint cetera quae sunt de necessitate sacramenti.
Non enim sacramentum perficitur per iustitiam hominis dantis vel suscipientis Baptismum,
sed per virtutem Dei. (IIIa q. 68 a. 8 co.)
Zoals we hierboven hebben aangetoond (63° Kw. 6° art. en 69° Kw. 4° en 6° art.) verwekt
het doopsel in de ziel een dubbel uitwerksel, het merkteken namelijk en de genade.
Zo kan iets dus op een dubbele manier voor het doopsel vandoen zijn; vooreerst op
zulke manier dat men anders de genade die het laatste uitwerksel van dit sacrament
is, niet kan ontvangen, en dit gebeurt wanneer men niet het ware geloof bezit. De
Brief aan de Romeinen (3, 22) zegt immers: « Door het geloof in Jezus-Christus is
het dat we rechtvaardig gemaakt worden. » — verder zódanig dat anders het merkteken
niet in de ziel geprent wordt. Daartoe wordt echter, zolang het overige dat voor de
geldigheid nodig is maar voltrokken wordt, het ware geloof noch in de doopling noch
zelfs in de doper vereist. Het sacrament van het doopsel wordt immers niet door de
rechtvaardigheid van de mens die het doopsel toedient of van hem die het ontvangt,
maar door toedoen van de kracht van God, voltrokken.
Ad primum ergo dicendum quod dominus loquitur ibi de Baptismo secundum quod perducit
homines ad salutem secundum gratiam iustificantem, quod quidem sine recta fide esse
non potest. Et ideo signanter dicit, qui crediderit et baptizatus fuerit, salvus erit. (IIIa q. 68 a. 8 ad 1)
1 — De Heer spreekt hier van het doopsel, voorzover het de mens met hulp van de heiligmakende
genade ter zaligheid brengt. Dit nu gaat zonder het ware geloof niet aan, en daarom
zegt de Heer uitdrukkelijk: « Hij die gelooft en gedoopt wordt zal zalig worden. »
Ad secundum dicendum quod Ecclesia intendit homines baptizare ut emundentur a peccato,
secundum illud Isaiae XXVII, hic est omnis fructus, ut auferatur peccatum. Et ideo,
quantum est de se, non intendit dare Baptismum nisi habentibus rectam fidem, sine
qua non est remissio peccatorum. Et propter hoc interrogat ad Baptismum accedentes,
an credant. Si tamen sine recta fide aliquis Baptismum suscipiat extra Ecclesiam,
non percipit illud ad suam salutem. Unde Augustinus dicit, Ecclesia Paradiso comparata
indicat nobis posse quidem Baptismum eius homines etiam foris accipere, sed salutem
beatitudinis extra eam neminem percipere vel tenere. (IIIa q. 68 a. 8 ad 2)
2 — Blijkens de woorden van Isaias (27, 9): « Heel de vrucht ervan komt neer op een reiniging
van zonden », wil de heilige Kerk de mensen dopen om hen van hun zonden te zuiveren.
Daarom tracht ze van haar kant het doopsel enkel aan hen die het ware geloof hebben
toe te dienen, anders toch is er geen vergiffenis van zonden mogelijk en daarom vraagt
ze de dopelingen of ze wel degelijk geloven. Wanneer immers iemand zonder het ware
geloof buiten de heilige Kerk het doopsel ontvangt, dan ontvangt hij het niet tot
eigen zaligheid. Sint Augustinus zegt derhalve: (Van het doopsel; tegen de Donatisten,
4, 1) « De heilige Kerk die bij een paradijs mag vergeleken worden, maakt ons duidelijk
dat men wel buiten haar schoot om het doopsel kan ontvangen, maar dat zonder haar
toedoen niemand kan tot de gelukzaligheid komen en deze bezitten.
Ad tertium dicendum quod etiam non habens rectam fidem circa alios articulos, potest
habere rectam fidem circa sacramentum Baptismi, et ita non impeditur quin possit habere
intentionem suscipiendi sacramentum Baptismi. Si tamen etiam circa hoc sacramentum
non recte sentiat, sufficit ad perceptionem sacramenti generalis intentio qua intendit
suscipere Baptismum sicut Christus instituit, et sicut Ecclesia tradit. (IIIa q. 68 a. 8 ad 3)
3 — Iemand kan wat andere geloofswaarheden betreft dwalen en toch wat het doopsel betreft
een rechtzinnig geloof bezitten. Zo kan het dan wel eens gebeuren dat hij het opzet
heeft het sacrament van het doopsel te ontvangen. Moet hij er echter aangaande het
doopsel verkeerde begrippen op na houden, dan zou het om het sacrament te kunnen ontvangen
volstaan als hij het algemene opzet had het doopsel, zoals Christus het instelde en
de kerk het toedient, te ontvangen.
Ad quartum dicendum quod, sicut sacramentum Baptismi non est conferendum ei qui non
vult ab aliis peccatis recedere, ita nec etiam ei qui non vult infidelitatem deserere.
Uterque tamen suscipit sacramentum si ei conferatur, licet non ad salutem. (IIIa q. 68 a. 8 ad 4)
4 — Men mag het doopsel evenmin aan degenen die in de zonde volharden als aan degenen
die hun ongeloof niet willen vaarwel zeggen toedienen. Niettemin ontvangen zij echter,
wanneer het hun toegediend wordt, het doopsel op geldige wijze; alleen komt het dan
hun zaligheid niet ten goede.
Articulus 9. Behoren kinderen gedoopt te worden?
Ad nonum sic proceditur. Videtur quod pueri non sint baptizandi. In eo enim qui baptizatur
requiritur intentio suscipiendi sacramentum, ut supra dictum est. Huiusmodi autem
intentionem non possunt pueri habere, cum non habeant usum liberi arbitrii. Ergo videtur
quod non possint suscipere sacramentum Baptismi. (IIIa q. 68 a. 9 arg. 1)
1 — Men beweert dat kinderen niet behoren gedoopt te worden. Hij die wil gedoopt worden
moet zoals hierboven (in het 7e artikel) werd aangetoond het opzet hebben het doopsel
te ontvangen. Welnu, kleine kinderen kunnen, daar ze het gebruik van hun vrije wil
niet hebben, zo een opzet niet vormen. Zo kunnen ze dus ook het sacrament van het
doopsel niet ontvangen.
Praeterea, Baptismus est fidei sacramentum, ut supra dictum est. Sed pueri non habent
fidem, quae consistit in credentium voluntate, ut Augustinus dicit, super Ioan. Nec
etiam potest dici quod salventur in fide parentum, quia quandoque parentes sunt infideles,
et sic magis per eorum infidelitatem damnarentur. Ergo videtur quod pueri non possint
baptizari. (IIIa q. 68 a. 9 arg. 2)
2 — Het doopsel is, zoals in de 85e Kw. 1e art. gezegd wordt, het sacrament van het geloof.
Welnu, kinderen hebben geen geloof; naar wat St. Augustinus in zijn 26e *Traktaat
op Johannes* en in het « Boek der Voorbeschikking » C. 5 zegt, hangt immers het geloof
van de vrije wilsbeschikking der gelovigen af. Het gaat evenmin aan te zeggen dat
ze door het geloof der ouders verlost worden; meermalen toch zijn de ouders ongelovig
zodat om dit ongeloof de kinderen nog meer zouden verworpen worden. Zo mogen dan kinderen
niet gedoopt worden.
Praeterea, I Pet. III dicitur quod homines salvos facit Baptisma, non carnis depositio
sordium, sed conscientiae bonae interrogatio in Deum. Sed pueri neque conscientiam
habent bonam vel malam, cum non habeant usum rationis, neque etiam convenienter ipsi
interrogantur cum non intelligant. Ergo non debent pueri baptizari. (IIIa q. 68 a. 9 arg. 3)
3 — St. Petrus zegt in zijn Eerste Brief (3, 21): « Het doopsel, niet het wassen van de
onreinheid van het vlees maar wel de bede tot God om een goed geweten, redt de mensen.
» Kinderen nu hebben noch een goed noch een slecht geweten, ze hebben immers niet
het gebruik van het verstand, en, daar ze niet verstaan, zo gaat het ook niet aan
ze te ondervragen. Zo moeten kinderen dus niet gedoopt worden.
Sed contra est quod Dionysius dicit, ult. cap. Eccl. Hier., divini nostri duces, scilicet
apostoli, probaverunt infantes recipi ad Baptismum. (IIIa q. 68 a. 9 s. c.)
Daartegenover staat echter dat Dionysius in zijn kerkelijke Hiërarchie (C. 7) zegt:
Onze goddelijke leiders, de apostelen, namelijk hebben goedgekeurd dat kinderen zouden
ten doop gedragen worden.
Respondeo dicendum quod, sicut apostolus dicit, Rom. V, si unius delicto mors regnavit
per unum, scilicet per Adam, multo magis abundantiam gratiae et donationis et iustitiae
accipientes in vita regnabunt per unum, Iesum Christum. Pueri autem ex peccato Adae
peccatum originale contrahunt, quod patet ex hoc quod sunt mortalitati subiecti, quae
per peccatum primi hominis in omnes pertransiit, ut ibidem apostolus dicit. Unde multo
magis pueri possunt per Christum gratiam suscipere, ut regnent in vita aeterna. Ipse
autem dominus dicit, Ioan. III, nisi quis renatus fuerit ex aqua et spiritu sancto,
non potest introire in regnum Dei. Unde necessarium fuit pueros baptizare, ut, sicut
per Adam damnationem incurrerunt nascendo, ita per Christum salutem consequantur renascendo.
Fuit etiam conveniens pueros baptizari ut a pueritia nutriti in his quae sunt Christianae
vitae, firmius in ea perseverent, iuxta illud Prov. XXII, adolescens iuxta viam suam,
etiam cum senuerit, non recedet ab ea. Et hanc rationem assignat Dionysius, ult. cap.
Eccl. Hier. (IIIa q. 68 a. 9 co.)
St. Paulus zegt in zijn Brief aan de Romeinen (5, 17): « Indien immers door de schuld
van éénen de dood om die ene, t. t. z. om Adam geheerst heeft, dan zullen veel meer
zij die de overvloedige genade en gave der gerechtigheid gekregen hebben, door de
éénen Jezus-Christus in het leven heerschen. » Kinderen betrekken nu van de zonde
van Adam, de erfzonde; dit blijkt toch uit het feit dat ze aan de dood die, zoals
de apostel op dezelfde plaats zegt, door de zonde van de eerste mens over alle mensen
gekomen is, onderworpen zijn. Zo kunnen kinderen dus nog veel meer door Christus de
genade erlangen om in het eeuwige leven te heerschen. Jezus-Christus immers zelf zegt
bij Joannes (3, 5) : « Indien iemand niet uit water en de H. Geest wordt wedergeboren
dan kan hij het rijk Gods niet binnengaan. » Daarom is het wel nodig kinderen te dopen,
opdat ze zoals ze door de schuld van Adam wanneer ze geboren werden, een veroordeling
opliepen, evenzo door Christus, wanneer ze worden wedergeboren, de zaligheid zouden
erlangen. Verder is het nog goed hun het doopsel toe te dienen opdat ze, in hun kinderjaren
in het christelijke leven opgevoed, overeenkomstig die woorden uit het Boek der Spreuken
(22, 6) « De jongeling volgt zijn eigen weg en zelfs als hij oud wordt, laat hij zich
niet afleiden », later te beter zouden volharden. Die reden laat Dionysius ook in
zijn Kerkelijke Hierarchie (7 c.) gelden.
Ad primum ergo dicendum quod regeneratio spiritualis, quae fit per Baptismum, quodammodo
similis est nativitati carnali, quantum ad hoc quod, sicut pueri in maternis uteris
constituti non per seipsos nutrimentum accipiunt, sed ex nutrimento matris sustentantur,
ita etiam pueri non habentes usum rationis, quasi in utero matris Ecclesiae constituti,
non per seipsos, sed per actum Ecclesiae salutem suscipiunt. Unde Augustinus dicit,
in libro de peccatorum meritis et Remiss., mater Ecclesia os maternum parvulis praebet,
ut sacris mysteriis imbuantur, quia nondum possunt corde proprio credere ad iustitiam,
nec ore proprio confiteri ad salutem. Si autem propterea recte fideles vocantur quoniam
fidem per verba gestantium quodammodo profitentur, cur etiam non poenitentes habeantur,
cum per eorundem verba gestantium Diabolo et huic saeculo abrenuntiare monstrentur?
Et eadem ratione possunt dici intendentes, non per actum propriae intentionis, cum
ipsi quandoque contranitantur et plorent, sed per actum eorum a quibus offeruntur. (IIIa q. 68 a. 9 ad 1)
1 — De geestelijke wedergeboorte door het doopsel valt in een zekere zin bij de geboorte
naar het vlees te vergelijken; zoals immers kinderen die in de baarmoeder verblijven
door zichzelf geen voedsel kunnen innemen maar door het voedsel van de moeder in het
leven behouden worden, zo ook worden kinderen die nog geen gebruik kunnen maken van
hun verstandelijke vermogens, in de baarmoeder der heilige Kerk opgenomen en erlangen
de zaligheid niet door zichzelf, maar door een daad van de heilige Kerk. Daarover
zegt St. Augustinus in zijn Boek : « De vergiffenis der zondaars en hun verdienste
» (1, 25) het volgende : « Onze Moeder de heilige Kerk geeft aan de kleine kinderen
haar moederlijke mond om ze met de heilige geheimen vertrouwd te maken; met hun eigen
hart kunnen ze immers nog niet tot hun rechtvaardiging geloven, noch met hun eigen
mond hun geloof tot hun zaligheid belijden. » — Indien ze dus terecht gelovigen genoemd
worden omdat ze door de mensen die ze dragen enigszins het geloof belijden, waarom
zouden ze dan niet evenzeer mogen, wanneer degenen die ze dragen getuigen dat ze aan
Satan en de wereld verzaken, als berouwhebbend aanzien worden? Om dezelfde reden dan
mag men zeggen dat ze, niet door een daad van hun eigen vrije wil — ze spartelen immers
wel eens tegen en schreeuwen — maar door de daad van die mensen die ze ten doopsel
dragen, het opzet hebben het doopsel te ontvangen.
Ad secundum dicendum quod, sicut Augustinus, scribens Bonifacio, dicit, in Ecclesia
salvatoris parvuli per alios credunt, sicut ex aliis quae in Baptismo remittuntur
peccata traxerunt. Nec impeditur eorum salus si parentes sint infideles, quia, sicut
Augustinus dicit, eidem Bonifacio scribens, offeruntur parvuli ad percipiendam spiritualem
gratiam, non tam ab eis quorum gestantur manibus (quamvis et ab ipsis, si et ipsi
boni fideles sunt), quam ab universa societate sanctorum atque fidelium. Ab omnibus
namque offerri recte intelliguntur, quibus placet quod offeruntur, et quorum caritate
ad communionem sancti spiritus adiunguntur. Infidelitas autem propriorum parentum,
etiam si eos post Baptismum Daemoniorum sacrificiis imbuere conentur, pueris non nocet.
Quia, ut ibidem Augustinus dicit, puer semel generatus per aliorum voluntatem, deinceps
non potest vinculo alienae iniquitatis obstringi, ubi nulla sua voluntate consentit,
secundum illud, Ezech. XVIII, sicut anima patris mea est, et anima filii, anima quae
peccaverit, ipsa morietur. Sed ideo ex Adam traxit quod sacramenti illius gratia solveretur,
quia nondum erat anima separata vivens. Fides autem unius, immo totius Ecclesiae,
parvulo prodest per operationem spiritus sancti, qui unit Ecclesiam et bona unius
alteri communicat. (IIIa q. 68 a. 9 ad 2)
2 — St. Augustinus schrijft aan bisschop Bonifacius (Tegen twee brieven van Pelagius,
1, 22) : « In de kerk van de Verlosser geloven de kinderen door anderen, zoals hun
ook zonden vergeven worden die door anderen over hen werden gebracht. » Zijn nu hun
ouders ongelovig, dan staat zulks hun zaligheid niet in de weg: zoals immers Augustinus
in dezelfde Brief zegt: « De kinderen worden om de geestelijke genade te ontvangen,
niet zozeer door diegenen die ze in hun handen dragen, aangeboden, — hoewel ook dezen
het wanneer ze gelovig zijn, doen, — als wel door de hele gemeenschap van de heiligen
en gelovigen. » — Men mag immers zeggen dat ze waarlijk door al degenen die er mede
instemmen en die door hun liefde aan de mededeling van de heilige Geest deel hebben
worden aangeboden. Het ongeloof der eigen ouders integendeel kan, zelfs indien ze
na het doopsel het kind trachten te doen deel hebben aan de offergave der duivelen,
aan het kind geen schade berokkenen; immers Augustinus zegt hier nog eens: « Kan het
kind wanneer het eens door de wil van anderen werd wedergeboren, niet naderhand zolang
het niet door eigen wil daarmee instemt, door de handen van andermans zonden gebonden
worden?» Daarom zegt dan ook Ezechiel (18, 4): « Zoals de ziel van de vader me toebehoort,
zo ook de ziel van de zoon, maar de ziel die zal gezondigd hebben zal sterven. » —
Wat bijgevolg het kind van Adam heeft overgeërfd wordt, omdat het kind nog geen afzonderlijk
levende ziel was, door de genade van dit sacrament weggewassen. In tegendeel komt
het geloof van één enkele en nog veel meer het geloof van de hele Kerk door de werking
van de heilige Geest die de ledematen van de Kerk onderling verbindt en de goederen
van de ene aan de andere mededeelt, hier het kleine kind ten goede.
Ad tertium dicendum quod, sicut puer, cum baptizatur, non per seipsum, sed per alios
credit; ita non per seipsum, sed per alios interrogatur, et interrogati confitentur
fidem Ecclesiae in persona pueri, qui huic fidei aggregatur per fidei sacramentum.
Conscientiam autem bonam consequitur puer etiam in seipso, non quidem actu, sed habitu,
per gratiam iustificantem. (IIIa q. 68 a. 9 ad 3)
3 — Zoals het kind, wanneer het gedoopt wordt, niet door zichzelf maar door anderen gelooft,
zo ook wordt het niet zelf ondervraagd, maar worden het anderen. Ondervraagd belijden
zij dan in de plaats van het kind, dat door het sacrament van het geloof aan dit geloof
deelachtig is, hun geloof in de Kerk. Wat nu een goed geweten betreft, dit ontvangt
het kind niet voor zich als een daad, maar wel dankzij de heiligmakende genade als
een hebbelijkheid.
Articulus 10. Behoren joodse kinderen en kinderen van andere ongelovigen tegen de wil van hun ouders
in gedoopt te worden?
Ad decimum sic proceditur. Videtur quod pueri Iudaeorum vel aliorum infidelium sint
baptizandi, etiam invitis parentibus. Magis enim debet homini subveniri contra periculum
mortis aeternae quam contra periculum mortis temporalis. Sed puero in periculo mortis
temporalis existenti est subveniendum, etiam si parentes per malitiam contraniterentur.
Ergo multo magis est subveniendum pueris infidelium filiis contra periculum mortis
aeternae, etiam invitis parentibus. (IIIa q. 68 a. 10 arg. 1)
1 — Kinderen van Joden en van andere ongelovigen ook tegen de wil van hun ouders in dienen
gedoopt te worden. Een mens dient meer tegen gevaar voor eeuwige dood dan wel tegen
gevaar voor lichamelijke dood te worden toegerust. Welnu kinderen die in gevaar verkeren
te sterven moet men zelfs dan als hun ouders tegenstribbelen ter hulp komen. Zo moet
men dus nog veel meer, om ze zelfs als hun ouders niet willen, uit het gevaar voor
eeuwige dood te redden, kinderen van ongelovigen door het doopsel ter hulp komen.
Praeterea, filii servorum sunt servi, et in potestate dominorum. Sed Iudaei sunt servi
regum et principum, et quicumque etiam alii infideles. Ergo absque omni iniuria possunt
principes Iudaeorum filios, vel aliorum servorum infidelium, facere baptizari. (IIIa q. 68 a. 10 arg. 2)
2 — Kinderen van slaven zijn insgelijks slaven en staan tot beschikking van hun meesters.
Welnu de Joden en alle andere ongelovigen zijn de slaven van koningen en prinsen.
Zo mogen dus prinsen zonder rechtsverkrachting de kinderen van Joden en andere ongelovigen
laten dopen.
Praeterea, quilibet homo est magis Dei, a quo habet animam, quam patris carnalis,
a quo habet corpus. Non est ergo iniustum si pueri infidelium filii parentibus carnalibus
auferantur, et Deo per Baptismum consecrentur. (IIIa q. 68 a. 10 arg. 3)
3 — God van Wien hij zijn ziel ontving behoort de mens meer toe dan wel zijn vader naar
het vlees van wien hij zijn lichaam ontving. Zo is het dus niet onrechtvaardig kinderen
van ongelovigen van hun ouders af te zonderen en God door het doopsel toe te wijden.
Sed contra est quod in decretis, dist. XLV, ex Concilio Toletano, sic dicitur, de
Iudaeis praecepit sancta synodus nemini deinceps ad credendum vim inferre, non enim
tales inviti salvandi sunt, sed volentes, ut integra sit forma iustitiae. (IIIa q. 68 a. 10 s. c.)
Daartegenover staat echter wat in de Decretaliën (45, 5) gezegd wordt en uit bepalingen
van de kerkvergadering van Toulouse (4, 57) genomen werd: « De Synode schrijft voor
voortaan niemand meer tot het geloof te dwingen; wanneer immers iemand niet wil, kan
hij ook niet zalig worden. Maar opdat hij volkomen rechtvaardig zou gemaakt worden,
is zijn toestemming van node.
Respondeo dicendum quod pueri infidelium filii aut habent usum rationis, aut non habent.
Si autem habent, iam, quantum ad ea quae sunt iuris divini vel naturalis, incipiunt
suae potestatis esse. Et ideo propria voluntate, invitis parentibus, possunt Baptismum
suscipere, sicut et matrimonium contrahere. Et ideo tales licite moneri possunt et
induci ad suscipiendum Baptismum. Si vero nondum habent usum liberi arbitrii, secundum
ius naturale sunt sub cura parentum, quandiu ipsi sibi providere non possunt. Unde
etiam et de pueris antiquorum dicitur quod salvabantur in fide parentum. Et ideo contra
iustitiam naturalem esset si tales pueri, invitis parentibus, baptizarentur, sicut
etiam si aliquis habens usum rationis baptizaretur invitus. Esset etiam periculosum
taliter filios infidelium baptizare, quia de facili ad infidelitatem redirent, propter
naturalem affectum ad parentes. Et ideo non habet hoc Ecclesiae consuetudo, quod filii
infidelium, invitis parentibus, baptizentur. (IIIa q. 68 a. 10 co.)
Ofwel hebben kinderen van ongelovigen het gebruik der rede, ofwel hebben zij het niet.
Hebben ze het gebruik van hun verstand, dan beginnen ze in alles wat het Goddelijke
Recht of het natuurrecht betreft hun eigen meester te zijn, en mogen dan ook indien
ze willen zelfs tegen de wil van hun ouders in, gedoopt worden zoals ze ten andere
ook een huwelijk mogen aangaan. Daarom is het geoorloofd zulke kinderen over het doopsel
te onderhouden en ze ertoe aan te zetten. — Hebben ze integendeel het gebruik van
hun vrije wil niet, dan blijven ze overeenkomstig het natuurrecht zolang ze voor zichzelf
niet kunnen instaan, onder de leiding van hun ouders, en daarom wordt gezegd dat onder
de oude wet de kinderen door het geloof van hun ouders zalig worden. Zo ware het dan
een vergrijp aan het natuurrecht, moesten zulke kinderen ook als hun ouders er zich
tegen verzetten gedoopt worden, net zoals het tegen het natuurrecht indruist iemand
die het gebruik van zijn verstand heeft hoewel hij niet wil te dopen. Het zou overigens
gevaarlijk zijn op dergelijke wijze de kinderen van ongelovigen te dopen; zo gemakkelijk
toch kunnen ze uit liefde tot hun ouders tot het ongeloof terugkeren. Het is dan ook
in de heilige Kerk niet de gewoonte, kinderen, wanneer hun ouders zulks niet willen,
te dopen.
Ad primum ergo dicendum quod a morte corporali non est aliquis eripiendus contra ordinem
iuris civilis, puta, si aliquis a suo iudice condemnetur ad mortem, nullus debet eum
violenter a morte eripere. Unde nec aliquis debet irrumpere ordinem iuris naturae,
quo filius est sub cura patris, ut eum liberet a periculo mortis aeternae. (IIIa q. 68 a. 10 ad 1)
1 — Voor de dood van het lichaam moet niemand tegen de burgerlijke wet in bevrijd worden;
zo bij voorbeeld moet niemand, wanneer een ander door de rechter ter dood veroordeeld
wordt, deze met geweld aan de dood zoeken te onttrekken. Om dezelfde reden nu moet
niemand om een kind, wanneer het nog onder de hoede van zijn vader staat, voor het
gevaar van de eeuwige dood te bevrijden, de orde van de natuurwet storen.
Ad secundum dicendum quod Iudaei sunt servi principum servitute civili, quae non excludit
ordinem iuris naturalis vel divini. (IIIa q. 68 a. 10 ad 2)
2 — De Joden zijn uit kracht van de burgerlijke wet de slaven van prinsen, maar deze sluit
het natuurrecht niet uit.
Ad tertium dicendum quod homo ordinatur ad Deum per rationem, per quam Deum cognoscere
potest. Unde puer, antequam usum rationis habeat, naturali ordine ordinatur in Deum
per rationem parentum, quorum curae naturaliter subiacet, et secundum eorum dispositionem
sunt circa ipsum divina agenda. (IIIa q. 68 a. 10 ad 3)
3 — De mens is door zijn verstand waardoor hij God kan kennen naar God gekeerd. Daarom
dan is het kind vooraleer het zijn verstand kan gebruiken, en dit uit kracht van de
natuurwet, door bemiddeling van zijn ouders naar God gekeerd; aan de zorg van zijn
ouders immers werd het toevertrouwd en naar zij bepalen dienen voor het kind alle
godsdienstige aangelegenheden geregeld.
Articulus 11. Behoren sommige kinderen niet wanneer ze nog in de baarmoeder zijn gedoopt te worden?
Ad undecimum sic proceditur. Videtur quod in maternis uteris existentes possint baptizari.
Efficacius est enim donum Christi ad salutem quam peccatum Adae ad damnationem, ut
apostolus dicit, Rom. V. Sed pueri in maternis uteris existentes damnantur propter
peccatum Adae. Ergo multo magis salvari possunt per donum Christi. Quod quidem fit
per Baptismum. Ergo pueri in maternis uteris existentes possunt baptizari. (IIIa q. 68 a. 11 arg. 1)
1 — Men beweert dat kinderen wanneer ze nog in de baarmoeder zijn mogen gedoopt worden.
De apostel zegt in de Brief aan de Romeinen (5, 15) : « De genadegift van Christus
heeft meer tot de zaligheid, dan de zonde van Adam tot de veroordeling bijgedragen.
» Welnu de kinderen worden, wanneer ze nog in de schoot van hun moeder verblijven,
om de zonde van Adam veroordeeld. Zo kunnen ze dus nog veel eerder door de genadegift
van Christus verlost worden, en dit geschiedt door het doopsel. De kinderen die nog
in de schoot van hun moeder verblijven mogen dus gedoopt worden.
Praeterea, puer in utero matris existens aliquid matris esse videtur. Sed, baptizata
matre, baptizatur quidquid est eius intra ipsam existens. Ergo videtur quod, baptizata
matre, baptizetur puer in utero eius existens. (IIIa q. 68 a. 11 arg. 2)
2 — Zolang een kind in de schoot van zijn moeder blijft, is het iets van zijn moeder.
Welnu, als de moeder gedoopt wordt, wordt ook alles wat in haar is gedoopt. Zo wordt
dus het kind dat in de schoot van zijn moeder verblijft, wanneer zijn moeder gedoopt
wordt, zelf insgelijks gedoopt.
Praeterea, mors aeterna peior est quam mors corporalis. Sed de duobus malis minus
malum eligendum est. Si ergo puer in utero matris existens baptizari non potest, melius
esset quod mater aperiretur et puer vi eductus baptizaretur, quam quod puer aeternaliter
damnaretur, absque Baptismo decedens. (IIIa q. 68 a. 11 arg. 3)
3 — De eeuwige dood is erger dan de dood van het lichaam. Welnu tussen twee kwalen dient
de minst erge gekozen. Indien dus het kind in de schoot van zijn moeder niet mocht
gedoopt worden, dan ware het beter de moeder open te snijden en het kind met geweld
uit de baarmoeder te halen en te dopen, dan het kind, omdat het zonder doopsel stierf,
voor eeuwig te laten verdoemen.
Praeterea, contingit quandoque quod aliqua pars pueri prius egreditur, sicut legitur
Gen. XXXVIII quod, pariente Thamar, in ipsa effusione infantium, unus protulit manum,
in qua obstetrix ligavit coccinum, dicens, iste egredietur prior. Illo vero manum
retrahente, egressus est alter. Quandoque autem in tali casu imminet periculum mortis.
Ergo videtur quod illa pars debeat baptizari, puero adhuc in materno utero existente. (IIIa q. 68 a. 11 arg. 4)
4 — Het gebeurt soms dat één deel van het kind eerst te voorschijn treedt; zo lezen we
in het Boek der Schepping (38, 27) : « Wanneer Thamar moest baren, dan kwamen de kinderen
te voorschijn, en de ene stak zijn hand uit waaraan de vroedvrouw een karmozijnen
draad bond, zeggende: Deze zal het eerst te voorschijn treden. Maar toen deze de hand
terugtrok kwam de andere te voorschijn. » — In zulke omstandigheden nu is er soms
gevaar van sterven en zo moet dan, zelfs wanneer het kind nog in de moederschoot verblijft,
het deel van het lichaam dat te voorschijn komt gedoopt worden.
Sed contra est quod Augustinus, in epistola ad Dardanum, dicit, nemo renascitur nisi
primo nascatur. Sed Baptismus est quaedam spiritualis regeneratio. Non ergo debet
aliquis baptizari priusquam ex utero nascatur. (IIIa q. 68 a. 11 s. c.)
Daartegenover staat echter wat St. Augustinus in een brief aan Dardanus zegt (287
epist.): « Niemand kan vooraleer hij geboren werd wedergeboren worden. » Het doopsel
nu is een geestelijke wedergeboorte. Zo mag dus niemand vooraleer hij uit de schoot
van zijn moeder tevoorschijn kwam gedoopt worden.
Respondeo dicendum quod de necessitate Baptismi est quod corpus baptizandi aliquo
modo aqua abluatur, cum Baptismus sit quaedam ablutio, ut supra dictum est. Corpus
autem infantis, antequam nascatur ex utero, non potest aliquo modo ablui aqua, nisi
forte dicatur quod ablutio baptismalis qua corpus matris lavatur, ad filium in ventre
existentem perveniat. Sed hoc non potest esse, tum quia anima pueri, ad cuius sanctificationem
ordinatur Baptismus, distincta est ab anima matris; tum quia corpus puerperii animati
iam est formatum, et per consequens a corpore matris distinctum. Et ideo Baptismus
quo mater baptizatur, non redundat in prolem in utero existentem. Unde Augustinus
dicit, contra Iulianum, si ad matris corpus id quod in ea concipitur pertinet, ita
ut eius pars imputetur, non baptizaretur infans cuius mater baptizata est, aliquo
mortis urgente periculo, cum gestaret in utero. Nunc vero, cum etiam ipse, scilicet
infans, baptizetur, non utique ad maternum corpus, cum esset in utero, pertinebat.
Et ita relinquitur quod nullo modo existentes in maternis uteris baptizari possunt. (IIIa q. 68 a. 11 co.)
Tot de geldigheid van het doopsel wordt vereischt dat het lichaam van de doopling,
zoals hierboven bewezen werd (66° Kw. 1° art.), op een of andere manier met water
gewassen zou worden. Welnu het lichaam van een kind kan niet vooraleer het uit de
schoot van zijn moeder geboren werd met water gewassen worden. Daartoe zou men immers
moeten aannemen dat de doopwassing, waardoor het lichaam van de moeder gewassen wordt,
ook de zoon die in het lichaam van zijn moeder verblijft aanraakt. Dit is echter onmogelijk;
de ziel van het kind toch, op wiens zaligheid het doopsel berekend werd, is van de
ziel van de moeder onderscheiden, ja ook het lichaam van een levend kind is reeds
gevormd, en is bijgevolg insgelijks van het lichaam van de moeder onderscheiden. Daarom
dan kan het doopsel dat aan de moeder wordt toegediend niet op het kroost dat in haar
schoot verblijft overgaan. In zijn Boek « Tegen Julianus (6, 5) zegt Augustinus dan
ook: « Indien wat de moeder in haar schoot ontvangt tot haar eigen lichaam behoorde
en bijgevolg als een deel van haar eigen zelf beschouwd werd, dan zou het kind dat
ze in de schoot draagt wanneer zijzelf reeds gedoopt is bij voorkomend levensgevaar
niet gedoopt worden. Daar nu echter het kind wel gedoopt wordt, zo behoort het, ook
als het nog in de schoot der moeder is, niet tot de moeder. » Zo moet dus besloten
worden, dat kinderen die nog in de schoot der moeder verblijven in geen enkele deel
mogen gedoopt worden.
Ad primum ergo dicendum quod pueri in maternis uteris existentes nondum prodierunt
in lucem, ut cum aliis hominibus vitam ducant. Unde non possunt subiici actioni humanae,
ut per eorum ministerium sacramenta recipiant ad salutem. Possunt tamen subiici operationi
Dei, apud quem vivunt, ut quodam privilegio gratiae sanctificationem consequantur,
sicut patet de sanctificatis in utero. (IIIa q. 68 a. 11 ad 1)
1 — De kinderen die nog in de moederschoot verblijven zagen nog het levenslicht niet en
leefden nog niet met andere mensen mee. Zo kunnen ze dus de invloed van de mensen
niet dermate ondergaan dat ze dankzij deze bediening tot hun zaligheid sacramenten
zouden ontvangen. Gods werking die, omdat God overal aanwezig is, overal kan ingrijpen
kunnen ze integendeel wel ondergaan en, zoals uit het feit dat de mensen van de schoot
hunner moeder af geheiligd werden blijkt, kunnen ze door een bijzonder voorrecht de
heiligmakende genade erlangen.
Ad secundum dicendum quod membrum interius matris est aliquid eius per continuationem
et unionem materialis partis ad totum. Puer autem in utero matris existens est aliquid
eius per quandam colligationem corporum distinctorum. Unde non est similis ratio. (IIIa q. 68 a. 11 ad 2)
2 — Een innerlijk orgaan van de moeder is iets dat haar door samenhang en door natuurlijke
vereniging van een deel met het geheel toebehoort; een kind integendeel dat in de
schoot van de moeder verblijft behoort haar alleen toe zoals twee onderscheiden lichamen
wanneer ze aan elkaar gehecht worden elkaar toebehooren. Zo hebben we hier een ander
geval.
Ad tertium dicendum quod non sunt facienda mala ut veniant bona, ut dicitur Rom. III.
Et ideo non debet homo occidere matrem ut baptizet puerum. Si tamen mater mortua fuerit
vivente puero in utero, aperiri debet, ut puer baptizetur. (IIIa q. 68 a. 11 ad 3)
3 — Naar in de Brief aan de Romeinen (3, 8) staat, mag men het kwaad niet om goede gevolgen
die het kan hebben bedrijven; zo mag dus niemand om een kind te dopen de moeder doden.
Wanneer echter de moeder sterft en het kindje in haar schoot voortleeft dan moet men
om het kindje te dopen haar opensnijden.
Ad quartum dicendum quod expectanda est totalis egressio pueri ex utero ad Baptismum,
nisi mors immineat. Si tamen primo caput egrediatur, in quo fundatur sensus, debet
baptizari, periculo imminente, et non est postea rebaptizandus, si eum perfecte nasci
contigerit. Et videtur idem faciendum quaecumque alia pars egrediatur, periculo imminente.
Quia tamen in nulla partium exteriorum integritas ita consistit sicut in capite, videtur
quibusdam quod, propter dubium, quacumque alia parte corporis abluta, puer post perfectam
nativitatem sit baptizandus sub hac forma, si non es baptizatus, ego te baptizo, et
cetera. (IIIa q. 68 a. 11 ad 4)
4 — Vooraleer het doopsel toe te dienen moet men, behalve in gevaar van sterven, wachten
tot het kindje uit de moederschoot te voorschijn komt. Als nu het hoofd waar alle
zintuigen in zetelen het eerst te voorschijn komt, dan moet het wanneer er gevaar
dreigt gedoopt worden en dan dient het kind zelfs indien het daarna goed ter wereld
komt, niet herdoopt te worden. Omdat echter in geen enkel uiterlijk lichaamsdeel de
volkomenheid van het leven zo fel als in het hoofd aanwezig is, zijn sommigen om reden
van twijfel de mening toegedaan dat, wanneer een ander deel van het lichaam gewassen
werd, het kindje, indien het naderhand toch zonder ongevallen ter wereld komt, onder
dezen vorm: « Indien ge niet gedoopt zijt dan doop ik u », moet herdoopt worden.
Articulus 12. Dienen razende en krankzinnige mensen gedoopt te worden?
Ad duodecimum sic proceditur. Videtur quod furiosi et amentes non debeant baptizari.
Ad susceptionem enim Baptismi requiritur intentio in eo qui baptizatur, ut supra dictum
est. Sed furiosi et amentes, cum careant usu rationis, non possunt habere nisi inordinatam
intentionem. Ergo non debent baptizari. (IIIa q. 68 a. 12 arg. 1)
1 — Men beweert dat razende en krankzinnige mensen niet dienen gedoopt te worden. Om het
doopsel te ontvangen moet men, zoals hierboven gezegd werd (7e art.) het opzet hebben
zich te laten dopen. Razende en krankzinnige mensen nu kunnen, daar ze het gebruik
van hun verstand niet hebben, evenmin een behoorlijk opzet hebben. Zo moeten ze dus
niet gedoopt worden.
Praeterea, homo bruta animalia superexcedit in hoc quod habet rationem. Sed furiosi
et amentes non habent usum rationis, et quandoque etiam in eis non expectatur, sicut
expectatur in pueris. Ergo videtur quod, sicut bruta animalia non baptizantur, ita
etiam nec tales furiosi et amentes debeant baptizari. (IIIa q. 68 a. 12 arg. 2)
2 — De mens overtreft de dieren alleen in zover hij verstand heeft. Razenden en krankzinnigen
nu hebben niet het gebruik van hun verstand en vaak kan niet zoals bij kinderen verwacht
worden dat het nog zal komen. Zo dienen dus razende en krankzinnige mensen evenmin
als dieren gedoopt te worden.
Praeterea, magis ligatus est usus rationis in furiosis vel amentibus quam in dormientibus.
Sed Baptismus non consuevit dari dormientibus. Ergo non debet dari amentibus et furiosis. (IIIa q. 68 a. 12 arg. 3)
3 — Bij razenden en krankzinnigen wordt het gebruik der rede meer gedwarsboomd dan bij
slapenden, nochtans wordt over het algemeen het doopsel niet aan slapenden toegediend.
Zo behoort het dus evenmin aan razenden en krankzinnigen gegeven te worden.
Sed contra est quod Augustinus dicit, IV Confess., de amico suo, qui, cum desperaretur,
baptizatus est. Et tamen in ipso Baptismus efficaciam habuit. Unde et carentibus usu
rationis aliquando Baptismus dari debet. (IIIa q. 68 a. 12 s. c.)
Daartegenover staat echter wat St. Augustinus in zijn Belijdenissen zegt (4, 4): «
Een van mijn vrienden werd gedurende zijn ziekte, wanneer er geen hoop meer was dat
hij zou herstellen zonder dat hij het zelf wist, gedoopt en niettemin had dit doopsel
zijn uitwerking. » Soms mag dus het doopsel aan mensen die niet het gebruik der reden
hebben worden toegediend.
Respondeo dicendum quod circa amentes et furiosos est distinguendum. Quidam enim sunt
a nativitate tales, nulla habentes lucida intervalla, in quibus etiam nullus usus
rationis apparet. Et de talibus, quantum ad Baptismi susceptionem, videtur esse idem
iudicium et de pueris, qui baptizantur in fide Ecclesiae, ut supra dictum est. Alii
vero sunt amentes qui ex sana mente quam habuerunt prius, in amentiam inciderunt.
Et tales sunt iudicandi secundum voluntatem quam habuerunt dum sanae mentis existerent.
Et ideo, si tunc apparuit in eis voluntas suscipiendi Baptismum, debet exhiberi eis
in furia vel amentia constitutis, etiam si tunc contradicant. Alioquin, si nulla voluntas
suscipiendi Baptismum in eis apparuit dum sanae mentis essent, non sunt baptizandi.
Quidam vero sunt qui, etsi a nativitate fuerint furiosi et amentes, habent tamen aliqua
lucida intervalla, in quibus recta ratione uti possunt. Unde, si tunc baptizari voluerint,
baptizari possunt etiam in amentia constituti. Et debet eis sacramentum tunc conferri
si periculum timeatur, alioquin melius est ut tempus expectetur in quo sint sanae
mentis ad hoc quod devotius suscipiant sacramentum. Si autem tempore lucidi intervalli
non appareat in eis voluntas Baptismum suscipiendi, baptizari non debent in amentia
constituti. Quidam vero sunt qui, etsi non omnino sanae mentis existant, in tantum
tamen ratione utuntur quod possunt de sua salute cogitare, et intelligere sacramenti
virtutem. Et de talibus idem est iudicium sicut de his qui sanae mentis existunt,
qui baptizantur volentes, non inviti. (IIIa q. 68 a. 12 co.)
Onder razende en krankzinnige mensen dient te worden onderscheiden; daar zijn er immers
sommigen die van hun geboorte af altijd zo gemaakt geweest zijn, ja nooit heldere
ogenblikken hadden en dus bepaald blijken het gebruik van hun verstand niet te hebben.
Van het doopsel van dergelijken moet hetzelfde gedacht worden als van kinderen die
overeenkomstig wat hierboven in het 9e artikel gezegd werd in het geloof der heilige
Kerk gedoopt worden. Daar zijn andere zwakken van geest die tot krankzinnigheid vervallen
na eerst wat hun vermogens betreft gezond geweest te zijn en zulke mensen dienen overeenkomstig
het verlangen dat ze, wanneer ze nog het gebruik van hun verstand hadden gekoesterd
hebben, behandeld te worden. Wanneer het dus klaarblijkelijk is dat ze het opzet hadden
het doopsel te ontvangen, dan moet het hun ook als ze reeds in bedenkelijke toestand
verkeren, zelfs als ze tegenstribbelen worden toegediend. Degenen integendeel die
voor hun ziekte nooit door het minste teken hebben laten blijken dat ze wilden gedoopt
worden, behoren niet gedoopt te worden. Dan zijn er echter ook die, alhoewel ze van
hun geboorte af razend en krankzinnig zijn, af en toe heldere ogenblikken hebben waarin
ze gebruik kunnen maken van hun verstand. Zulken mogen, wanneer ze wenschen gedoopt
te worden, ook al hervallen ze later in hun krankzinnigheid, het doopsel ontvangen:
ja zelfs zou men hun, indien er gevaar dreigde, in die toestand het doopsel moeten
toedienen. Is dit niet het geval, dan is het geraadzaam, opdat ze het sacrament met
meer godsvrucht zouden kunnen ontvangen, te wachten tot ze weer eens helder van geest
zijn, maar als ze in heldere ogenblikken niet de wensch uitdrukken het doopsel te
ontvangen, dan behoren ze niet eens dat ze terug in hun verstomming gevallen zijn,
gedoopt te worden. Eindelijk zijn er nog anderen die, alhoewel ze niet volkomen over
hun verstand beschikken toch voldoende bewustzijn hebben om over hun zaligheid te
kunnen nadenken en de kracht van het sacrament te begrijpen. Over zulken dan moet
hetzelfde oordeel geveld worden als over degenen die wel bij hun verstand zijn en
wanneer ze het verlangen, niet echter tegen hun wil in mogen gedoopt worden.
Ad primum ergo dicendum quod amentes qui nunquam habuerunt nec habent usum rationis,
baptizantur ex intentione Ecclesiae, sicut ex ritu Ecclesiae credunt et poenitent,
sicut supra de pueris dictum est. Illi vero qui aliquo tempore habuerunt vel habent
usum rationis, secundum propriam intentionem baptizantur, quam habent vel habuerunt
tempore sanae mentis. (IIIa q. 68 a. 12 ad 1)
1 — ## ANTWOORD OP DE BEDENKINGEN. Krankzinnigen die nooit gebruik van hun reden hadden
en het ook nu niet hebben worden net zoals we hierboven voor de kinderen (9e art.)
aantoonden, die door een daad van de heilige Kerk geloven en berouw hebben, uit kracht
van het opzet van de Kerk gedoopt. Degenen integendeel die enige tijd het gebruik
van het verstand hadden of nog hebben, moeten overeenkomstig het opzet dat ze, wanneer
ze nog gezond waren, gehad hebben, gedoopt worden.
Ad secundum dicendum quod furiosi vel amentes carent usu rationis per accidens, scilicet
propter aliquod impedimentum organi corporalis, non autem propter defectum animae
rationalis, sicut bruta animalia. Unde non est de eis similis ratio. (IIIa q. 68 a. 12 ad 2)
2 — Razende en krankzinnige mensen hebben alleen bij toeval niet het gebruik van hun verstand,
omdat er namelijk in de lichamelijke organen enige stoornis voorhanden is, alsof ze
zoals de redeloze wezens geen ziel hadden. Hier hebben we dus een ander geval.
Ad tertium dicendum quod dormientes non sunt baptizandi nisi periculum mortis immineat.
In quo casu baptizari debent si prius voluntas apparuit in eis suscipiendi Baptismum,
sicut et de amentibus dictum est, sicut Augustinus narrat, in IV libro Confess., de
amico suo, qui baptizatus est nesciens, propter periculum mortis. (IIIa q. 68 a. 12 ad 3)
3 — Slapende mensen dienen, behalve wanneer er gevaar is, niet gedoopt te worden. Is dit
wel het geval dan moeten ze als ze vroeger de wensch het doopsel te ontvangen uitdrukten
zoals we voor de krankzinnigen in de leerstelling zeiden, wel gedoopt worden. Dit
nu was het geval van de vriend van St. Augustinus (Bel. 4, 4) die om doodsgevaar zonder
bewustzijn gedoopt werd.