QuaestioArticulus

Tertia Pars. Quaestio 35.
Over Christus’ geboorte .

Prooemium

Consequenter, post Christi conceptionem, agendum est de eius nativitate. Et primo, quantum ad ipsam nativitatem; secundo, quantum ad nati manifestationem. Circa primum quaeruntur octo. Primo, utrum nativitas sit naturae, vel personae. Secundo, utrum Christo sit attribuenda alia nativitas praeter aeternam. Tertio, utrum secundum nativitatem temporalem beata virgo sit mater eius. Quarto, utrum debeat dici mater Dei. Quinto, utrum Christus secundum duas filiationes sit filius Dei patris et virginis matris. Sexto, de modo nativitatis. Septimo, de loco. Octavo, de tempore nativitatis. (IIIa q. 35 pr.)

Consequent moeten we na Christus’ ontvangenis handelen over zijn geboorte. Eerstens over de geboorte zelf; vervolgens over de bekendmaking van de geborene. Aangaande het eerste worden acht vragen gesteld. 1. Komt het geboren worden aan de natuur toe of aan het persoon? 2. Moet aan Christus behalve zijn eeuwige geboorte nog een andere geboorte worden toegekend? 3. Is de H. Maagd zijn Moeder krachtens zijn geboorte in de tijd? 4. Moet zij Moeder Gods worden genoemd? 5. Is Christus krachtens twee zoonschappen Zoon van God de Vader en Zoon der Moedermaagd? 6. Over de wijze der geboorte. 7. Over de plaats. 8. Over de tijd der geboorte.

Articulus 1.
Komt het geboren worden meer aan de natuur toe dan aan de persoon?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod nativitas naturae conveniat magis quam personae. Dicit enim Augustinus, in libro de fide ad Petrum, natura aeterna atque divina non posset concipi et nasci ex humana natura, nisi secundum veritatem humanae naturae. Sic igitur naturae divinae convenit concipi et nasci ratione humanae naturae. Multo magis igitur convenit humanae naturae. (IIIa q. 35 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het geboren worden meer aan de natuur dan aan de persoon toekomt. Augustinus toch zegt in zijn werk *Over het Geloof, aan Petrus*: « De eeuwige en Goddelijke natuur zou niet ontvangen en geboren kunnen worden in de menselijke natuur tenzij volgens de ware menselijke natuur ». Zo dus komt het krachtens de menselijke natuur aan de Goddelijke natuur toe ontvangen en geboren te worden. Nog veel meer komt het dus aan de menselijke natuur toe ontvangen en geboren te worden.

Praeterea, secundum philosophum in V Metaphys., nomen naturae a nascendo sumptum est. Sed denominationes fiunt secundum similitudinis convenientiam. Ergo videtur quod nativitas magis pertineat ad naturam quam ad personam. (IIIa q. 35 a. 1 arg. 2)

2 — Volgens de Wijsgeer in het 5e boek van zijn *Metaphysica is het woord* « natuur » afgeleid van « nasci », (d. i. geboren worden). Maar het namen geven steunt op een overeenkomst van gelijkenis. Derhalve, zo beweert men, behoort de geboorte meer bij de natuur dan bij de persoon.

Praeterea, illud proprie nascitur quod per nativitatem incipit esse. Sed per nativitatem Christi non incoepit esse persona Christi, sed eius natura humana. Ergo videtur quod nativitas proprie pertineat ad naturam, non ad personam. (IIIa q. 35 a. 1 arg. 3)

3 — In eigenlijke zin wordt datgene geboren, wat door de geboorte begint te bestaan. Maar door de geboorte van Christus begon niet Christus’ Persoon te bestaan, doch zijn menselijke natuur. Bijgevolg, zo beweert men, behoort eigenlijk de geboorte tot de natuur, en niet tot de persoon.

Sed contra est quod dicit Damascenus, in III libro, nativitas hypostasis est, non naturae. (IIIa q. 35 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter hetgeen Damascenus schrijft in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof: « De geboorte geldt de persoon, niet de natuur ».

Respondeo dicendum quod nativitas potest attribui alicui dupliciter, uno modo, sicut subiecto; alio modo, sicut termino. Sicut subiecto quidem attribuitur ei quod nascitur. Hoc autem proprie est hypostasis, non natura. Cum enim nasci sit quoddam generari, sicut generatur aliquid ad hoc quod sit, ita nascitur aliquid ad hoc quod sit. Esse autem proprie rei subsistentis est, nam forma quae non subsistit, dicitur esse solum quia ea aliquid est. Persona autem, vel hypostasis, significatur per modum subsistentis, natura autem significatur per modum formae in qua aliquid subsistit. Et ideo nativitas, tanquam subiecto proprie nascendi, attribuitur personae vel hypostasi, non naturae. Sed sicut termino, attribuitur nativitas naturae. Terminus enim generationis, et cuiuslibet nativitatis, est forma. Natura autem per modum formae significatur. Unde nativitas dicitur via in naturam, ut patet per philosophum, II Physic., terminatur enim naturae intentio ad formam, seu naturam speciei. (IIIa q. 35 a. 1 co.)

De geboorte kan aan iets op tweevoudige wijze worden toegeschreven: eerstens als zijnde het subject, (dat het geboren worden ondergaat); op de tweede plaats als zijnde het doel der geboorte. Als zijnde het subject wordt de geboorte toegeschreven aan datgene, wat geboren wordt. Dit nu is eigenlijk de persoon, niet de natuur. Want, daar geboren worden een voortgebracht worden is, daarom, gelijk iets wordt voortgebracht, om te zijn, zo ook wordt iets geboren, om te zijn. Het zijn nu is eigenlijk iets van het op zichzelf staande ding; want van een niet op zichzelf staanden vorm zegt men alleen, dat hij is, omdat door hem iets is. Persoon nu of hypostase wordt aangeduid als iets, dat op zichzelf staat; de natuur echter wordt aangeduid bij wijze van een vorm, waardoor iets op zichzelf bestaat. En derhalve, wanneer het gaat over het subject van het geboren worden, wordt de geboorte eigenlijk aan de persoon toegeschreven, niet aan de natuur. Maar gaat het over het doel, dan wordt de geboorte aan de natuur toegeschreven. Het doel immers der voortbrenging of van welke geboorte ook, is de vorm. De natuur echter van een ding wordt bij wijze van een vorm aangeduid. Vandaar heet de geboorte de weg naar de natuur van het ding, zoals blijkt bij de Wijsgeer in het 2e boek van zijn Natuurleer; de streving toch der natuur beperkt zich tot de vorm, m. a. w. tot de natuur of het wezen der soort.

Ad primum ergo dicendum quod, propter identitatem quae in divinis est inter naturam et hypostasim, quandoque natura ponitur pro persona vel hypostasi. Et secundum hoc dicit Augustinus naturam divinam esse conceptam et natam, quia scilicet persona filii est concepta et nata secundum humanam naturam. (IIIa q. 35 a. 1 ad 1)

1 — Omdat in God Persoon en Natuur een en hetzelfde zijn, spreekt men soms van natuur in plaats van persoon. En in die zin zegt Augustinus, dat de Goddelijke natuur ontvangen en geboren werd, omdat namelijk de Persoon des Zoons ontvangen en geboren werd naar de menselijke natuur.

Ad secundum dicendum quod nullus motus seu mutatio denominatur a subiecto quod movetur, sed a termino motus, a quo speciem habet. Et propter hoc nativitas non denominatur a persona quae nascitur, sed a natura ad quam nativitas terminatur. (IIIa q. 35 a. 1 ad 2)

2 — Geen enkele beweging of verandering wordt benoemd naar het subject, dat die beweging of verandering ondergaat, maar naar het doel of eindpunt der beweging, waaraan zij ook haar eigen aard ontleent. Daarom juist wordt de geboorte niet genoemd naar de persoon (die geboren wordt), doch naar de natuur (die het doel of eindpunt der geboorte is).

Ad tertium dicendum quod natura, proprie loquendo, non incipit esse sed magis persona incipit esse in aliqua natura. Quia, sicut dictum est, natura significatur ut quo aliquid est, persona vero significatur ut quae habet esse subsistens. (IIIa q. 35 a. 1 ad 3)

3 — In eigenlijke zin begint de natuur niet te bestaan, maar veel eerder begint een persoon te bestaan in deze of gene natuur, omdat, gelijk boven (zie Leerstelling) gezegd is, de natuur wordt aangeduid als een « waardoor » iets is; de persoon echter wordt aangeduid als datgene, wat een op zichzelf staand zijn heeft.

Articulus 2.
Moet aan Christus een geboorte in de tijd worden toegeschreven?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod Christo non sit attribuenda aliqua nativitas temporalis. Nasci enim est sicut quidam motus rei non existentis antequam nascatur, id agens beneficio nativitatis, ut sit. Sed Christus ab aeterno fuit. Ergo non potuit temporaliter nasci. (IIIa q. 35 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat aan Christus geen geboorte in de tijd moet worden toegeschreven. Geboren worden toch is als het ware het veranderd worden van een ding, dat voor zijn geboorte niet bestaat, maar door de weldaad der geboorte bereikt, dat het bestaat. Maar Christus bestond van eeuwigheid. Derhalve kon Hij niet in de tijd geboren worden.

Praeterea, illud quod est in se perfectum, nativitate non indiget. Sed persona filii Dei ab aeterno fuit perfecta. Ergo non indiget temporali nativitate. Et ita videtur quod non sit temporaliter natus. (IIIa q. 35 a. 2 arg. 2)

2 — Wat in zichzelf volmaakt is, heeft geen geboorte nodig. Welnu, de Persoon van de Zoon Gods is van eeuwigheid af volmaakt. Derhalve heeft Hij geen geboorte in de tijd nodig. En dus, beweert men, is Hij niet in de tijd geboren.

Praeterea, nativitas proprie personae convenit. Sed in Christo tantum est una persona. Ergo in Christo tantum est una nativitas. (IIIa q. 35 a. 2 arg. 3)

3 — De geboorte komt eigenlijk aan de persoon toe. Welnu in Christus is slechts één Persoon. Derhalve is in Christus ook slechts één geboorte.

Praeterea, quod duabus nativitatibus nascitur, bis nascitur. Sed haec videtur esse falsa, Christus est bis natus. Quia nativitas eius qua de patre est natus, interruptionem non patitur, cum sit aeterna. Quod tamen requiritur ad hoc adverbium bis, ille enim dicitur bis currere qui cum interruptione currit. Ergo videtur quod in Christo non sit ponenda duplex nativitas. (IIIa q. 35 a. 2 arg. 4)

4 — Wat door twee geboorten geboren wordt, wordt tweemaal geboren. Nu lijkt het echter onjuist te beweren: Christus is tweemaal geboren. Want zijn geboorte, waardoor Hij van de Vader geboren wordt, duldt geen onderbreking, omdat zij eeuwig is. Toch wordt dit vereist, anders kan men niet spreken van tweemaal; van degene toch, die zijn loop onderbreekt, zegt men, dat hij tweemaal loopt. Derhalve, zo beweert men, moet men in Christus geen dubbele geboorte aannemen.

Sed contra est quod Damascenus dicit, in III libro, confitemur Christi duas nativitates, unam quae est ex patre, aeternam; et unam quae est in ultimis temporibus propter nos. (IIIa q. 35 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter hetgeen Damascenus schrijft in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof: « Wij belijden twee geboorten van Christus: een eeuwige, en deze is de geboorte uit de Vader, en een, die in de laatste tijden om ons geschiedde ».

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, natura comparatur ad nativitatem sicut terminus ad motum vel mutationem. Motus autem diversificatur secundum diversitatem terminorum, ut patet per philosophum, in V Physic. In Christo autem est duplex natura, quarum unam accepit ab aeterno a patre, alteram autem accepit temporaliter a matre. Et ideo necesse est attribuere Christo duas nativitates, unam qua aeternaliter natus est a patre, aliam qua temporaliter natus est a matre. (IIIa q. 35 a. 2 co.)

Gelijk boven gezegd is (vorig Art.) verhoudt de natuur zich tot de geboorte, gelijk het doel of eindpunt zich verhoudt tot de beweging of verandering. De beweging nu is verschillend naar het verschil der eindpunten; zoals blijkt bij de Wijsgeer in het 5e boek van zijn Natuurleer. In Christus nu is een tweevoudige natuur; de ene dezer ontving Hij van eeuwigheid af van de Vader, de andere ontving Hij in de tijd van de moeder. En derhalve is het noodzakelijk, aan Christus twee geboorten toe te kennen; ene, waardoor Hij eeuwig geboren is van de Vader, de andere, waardoor Hij in de tijd geboren is van de moeder.

Ad primum ergo dicendum quod haec fuit obiectio cuiusdam Feliciani haeretici, quam Augustinus, in libro contra Felicianum, sic solvit. Fingamus, inquit, sicut plerique volunt, esse in mundo animam generalem, quae sic ineffabili motu semina cuncta vivificet ut non sit concreta cum genitis, sed vitam praestet ipsa gignendis. Nempe cum haec in uterum, passibilem materiam ad usus suos formatura, pervenerit, unam facit secum esse personam eius rei, quam non eandem constat habere substantiam, et fit, operante anima et patiente materia, ex duabus substantiis unus homo. Sicque animam nasci fatemur ex utero, non quia, antequam nasceretur, quantum ad se attinet, ipsa penitus non fuisset. Sic ergo, immo sublimius, natus est filius Dei secundum hominem, eo pacto quo cum corpore nasci docetur et animus, non quia utriusque sit una substantia, sed quia ex utraque fit una persona. Non tamen ab hoc incoepisse initio dicimus Dei filium, ne temporalem credat aliquis divinitatem. Non ab aeterno filii Dei novimus carnem, ne non veritatem humani corporis, sed quandam eum suscepisse putemus imaginem. (IIIa q. 35 a. 2 ad 1)

1 — Dit is een moeilijkheid van een zekere Feliciaan, een ketter; Augustinus lost haar aldus op in zijn werk Tegen Feliciaan: « Laten we eens veronderstellen, gelijk de meesten willen, dat er in de wereld een allesomvattende ziel is, die door een onuitsprekelijke werking alle zaden zo levend maakt, dat zij toch niet is samengegroeid met al wat is voortgebracht, maar dat zij zelf het leven geeft aan al wat voortgebracht moet worden. Want wanneer zij in de moederschoot is ingetreden, om de ontvankelijke materie om te vormen tot datgene, waartoe zij haar wil gebruiken, dan maakt zij, dat de persoon van dit ding met haar één is; toch is het duidelijk, dat deze persoon niet hetzelfde wezen heeft; en door de inwerking der ziel en door het ondergaan der materie wordt uit beide wezens (ziel en materie) de ene mens. En zo erkennen we, dat de ziel wordt geboren uit de moederschoot: niet in die zin alsof zij, voor wat haar zelf betreft, in het geheel niet bestond, eer zij geboren werd. Zo derhalve, en zelfs in nog veel verhevener zin, is de Zoon Gods als mens geboren op die wijze, waarop men ook aangaande de menselijke ziel leert, dat zij met het menselijk lichaam geboren wordt, niet dat beiden één wezen vormen, maar dat uit beiden één persoon wordt. Wij leren echter niet, dat Gods Zoon hiermede in de beginne begonnen is, opdat toch maar niemand zou denken, dat zijn Godheid in de tijd ontstond. We weten wel, dat het vlees (het mens-zijn) van de Zoon Gods niet van eeuwigheid is, opdat we niet zouden denken, dat Hij geen waarachtig menselijk lichaam, doch slechts een schijnlichaam heeft aangenomen ».

Ad secundum dicendum quod haec fuit ratio Nestorii, quam solvit Cyrillus, in quadam epistola, dicens, non dicimus quod filius Dei indiguerit necessario propter se secunda nativitate, post eam quae ex patre est, est enim fatuum et indoctum existentem ante omnia saecula, et consempiternum patri, indigere dicere initio ut sit secundo. Quoniam autem, propter nos, et propter nostram salutem, uniens sibi secundum subsistentiam quod est humanum, processit ex muliere, ob hoc dicitur nasci carnaliter. (IIIa q. 35 a. 2 ad 2)

2 — Dit was de moeilijkheid van Nestorius, die Cyrillus in een brief aldus oplost: « Wij zeggen niet, dat Gods Zoon omwille van zichzelf een tweede geboorte noodzakelijk nodig had, na de geboorte uit de Vader. Want het is dwaas en dom, te beweren dat Hij, die vóór alle eeuwen bestaat en mede-eeuwig is met de Vader, nog een begin nodig had, om ten tweeden male te zijn. Daar Hij echter om onzentwil en om ons heil is voortgekomen uit de vrouw, naar zijn Persoon met zich verenigend wat des mensen is, daarom zeggen we, dat Hij geboren is naar het vlees ».

Ad tertium dicendum quod nativitas est personae ut subiecti, naturae autem ut termini. Possibile est autem uni subiecto plures transmutationes inesse, quas tamen necesse est secundum terminos variari. Quod tamen non dicimus quasi aeterna nativitas sit transmutatio aut motus, sed quia significatur per modum mutationis aut motus. (IIIa q. 35 a. 2 ad 3)

3 — De geboorte is van de persoon als van het subject, doch van de natuur als van het eindpunt. Nu is het mogelijk, dat in één subject meerdere veranderingen zijn; doch deze moeten dan noodzakelijk naar haar eindpunten verschillen. Dit echter bedoelen we niet in die zin, alsof de eeuwige geboorte een verandering of beweging zou zijn, maar omdat zij wordt aangeduid (voorgesteld) bij wijze van een verandering of beweging.

Ad quartum dicendum quod Christus potest dici bis natus, secundum duas nativitates. Sicut enim dicitur bis currere qui currit duobus temporibus, ita potest dici bis nasci qui semel nascitur in aeternitate, et semel in tempore, quia aeternitas et tempus multo magis differunt quam duo tempora, cum tamen utrumque designet mensuram durationis. (IIIa q. 35 a. 2 ad 4)

4 — Men kan zeggen, dat Christus krachtens de twee geboorten tweemaal geboren is. Want zoals men zegt, dat iemand, die op twee verschillende tijdstippen loopt, tweemaal loopt, zo kan men ook zeggen, dat hij, die eenmaal in de eeuwigheid en eenmaal in de tijd geboren is, tweemaal is geboren, daar eeuwigheid en tijd veel meer van elkaar verschillen dan twee tijdstippen, hoewel toch elk van beide een maat van duur aangeeft.

Articulus 3.
Kan de H. Maagd op grond van Christus’ geboorte in de tijd Moeder Gods genoemd worden?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod secundum temporalem nativitatem Christi beata virgo non possit dici mater eius. Ut enim supra dictum est, beata virgo Maria nihil active in generatione Christi operata est, sed solam materiam ministravit. Sed hoc non videtur sufficere ad rationem matris, alioquin, lignum diceretur mater lecti aut scamni. Ergo videtur quod beata virgo non possit dici mater Christi. (IIIa q. 35 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de H. Maagd op grond van Christus' geboorte in de tijd geen Moeder Gods kan worden genoemd. Want gelijk boven (32° Kw., 4° Art.) werd uiteengezet, heeft de H. Maagd bij de geboorte van Christus niet actief medegewerkt, maar alleen de materie geleverd. Maar dit lijkt niet voldoende om moeder te heten; anders toch zou men het hout ook wel de moeder van het bed of van een bank noemen. Derhalve, zo beweert men, kan de H. Maagd niet de moeder van Christus heten.

Praeterea, Christus ex beata virgine miraculose natus est. Sed miraculosa generatio non sufficit ad rationem maternitatis vel filiationis, non enim dicimus Hevam fuisse filiam Adae. Ergo videtur quod nec Christus debeat dici filius beatae virginis. (IIIa q. 35 a. 3 arg. 2)

2 — Christus is op wonderdadige wijze uit de H. Maagd geboren. Maar een wonderdadige voortkomst volstaat niet, om moeder of zoon te heten; Eva toch noemen we niet de dochter van Adam. Derhalve moet ook Christus niet de zoon van de H. Maagd genoemd worden.

Praeterea, ad matrem pertinere videtur decisio seminis. Sed, sicut Damascenus dicit, in III libro, corpus Christi non seminaliter, sed conditive a spiritu sancto formatum est. Ergo videtur quod beata virgo non debeat dici mater Christi. (IIIa q. 35 a. 3 arg. 3)

3 — Naar men beweert, wordt voor het moeder worden een zaadafscheiding vereist. Maar, zoals Damascenus in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof schrijft, werd Christus’ lichaam niet door middel van zaad maar door de inwerking des H. Geestes gevormd. Bijgevolg, zo beweert men, moet de H. Maagd niet de moeder van Christus genoemd worden.

Sed contra est quod dicitur Matth. I, Christi generatio sic erat. Cum esset desponsata mater Iesu Maria Ioseph, et cetera. (IIIa q. 35 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter hetgeen we lezen bij Mattheus (1, 18): « De geboorte van Christus geschiedde aldus. Toen Maria, Jezus’ moeder, verloofd was met Joseph enz. ».

Respondeo dicendum quod beata virgo Maria est vera et naturalis mater Christi. Sicut enim supra dictum est, corpus Christi non est de caelo allatum, sicut Valentinus haereticus posuit, sed de virgine matre sumptum, et ex purissimis sanguinibus eius formatum. Et hoc solum requiritur ad rationem matris, ut ex supra dictis patet. Unde beata virgo vere est mater Christi. (IIIa q. 35 a. 3 co.)

De H. Maagd Maria is de waarachtige en natuurlijke moeder van Christus. Want zoals we boven (5° Kw., 2° Art.; 31° Kw., 5° Art.) hebben aangetoond, is Christus’ lichaam niet van uit de hemel op aarde gebracht, gelijk de ketter Valentinus beweerde, doch werd genomen uit de Moedermaagd en werd uit haar zuiverste bloed gevormd. En dit alleen wordt vereist om moeder te zijn, zoals uit het boven behandelde (31° Kw., 5° Art.; 32° Kw., 4° Art.) blijkt. Derhalve is de H. Maagd waarlijk de moeder van Christus.

Ad primum ergo dicendum quod, sicut supra dictum est, paternitas seu maternitas et filiatio non competunt in quacumque generatione sed in sola generatione viventium. Et ideo, si aliqua inanimata ex aliqua materia fiant, non propter hoc consequitur in eis relatio maternitatis et filiationis, sed solum in generatione viventium, quae proprie nativitas dicitur. (IIIa q. 35 a. 3 ad 1)

1 — Gelijk boven (32° Kw., 3° Art.) werd aangetoond, komen vaderschap of moederschap en zoonschap niet aan elke voortbrenging toe, maar alleen aan de voortbrenging van levende wezens. En derhalve, ook al worden sommige levenloze dingen uit een of andere materie voortgebracht, toch volgt daaruit nog niet de verhouding van moeder en zoon; maar dit geschiedt uitsluitend bij het voortbrengen van levende wezens; hetgeen dan ook in eigenlijke zin een geboorte wordt genoemd.

Ad secundum dicendum quod, sicut Damascenus dicit, in III libro, nativitas temporalis, qua Christus est natus propter nostram salutem, est quodammodo secundum nos, quoniam natus est homo ex muliere, et tempore conceptionis debito, super nos autem, quoniam non ex semine, sed ex sancto spiritu et sancta virgine, super legem conceptionis. Sic igitur ex parte matris nativitas illa fuit naturalis, sed ex parte operationis spiritus sancti fuit miraculosa. Unde beata virgo est vera et naturalis mater Christi. (IIIa q. 35 a. 3 ad 2)

2 — Zoals Damascenus schrijft in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof is de geboorte in de tijd, waardoor Christus omwille van ons heil geboren werd, in zekere zin overeenkomstig onze geboorte, omdat Hij als mens geboren is uit een vrouw en wel op de gewone tijd der ontvangenis; de zijne echter overtreft de onze, omdat Hij, boven de algemene wet der ontvangenis uit, geboren werd uit de H. Geest en de H. Maagd. Zo derhalve was zijn geboorte van de kant der moeder natuurlijk; maar van de kant der inwerking des H. Geestes was zij wonderbaar. En de H. Maagd is dan ook de werkelijke en natuurlijke moeder van Christus.

Ad tertium dicendum quod, sicut supra dictum est, resolutio seminis feminae non pertinet ad necessitatem conceptus. Et ideo resolutio seminis non ex necessitate requiritur ad matrem. (IIIa q. 35 a. 3 ad 3)

3 — Zoals boven (31° Kw., 5° Art., Antw. op de 3° Bedenk.; 32° Kw., 4° Art.) gezegd is, behoort de afscheiding van het zaad der vrouw niet noodzakelijk tot de ontvangenis. En derhalve wordt de zaadafscheiding niet noodzakelijk vereist tot het moeder-zijn.

Articulus 4.
Moet de H. Maagd Moeder Gods worden genoemd?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod beata virgo non debeat dici mater Dei. Non enim est dicendum circa divina mysteria nisi quod ex sacra Scriptura habetur. Sed nunquam in sacra Scriptura legitur quod sit mater aut genitrix Dei, sed quod sit mater Christi, aut mater pueri, ut patet Matth. I. Ergo non est dicendum quod beata virgo sit mater Dei. (IIIa q. 35 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat men de H. Maagd niet moet noemen: Moeder Gods. Want aangaande de goddelijke mysteries moet men niets beweren, tenzij datgene, wat er in de H. Schrift staat. Maar we lezen nergens in de H. Schrift, dat zij de moeder of voortbrengster is van God; doch alleen, dat zij « moeder is van Christus », of « moeder van het kind », zoals blijkt uit Mattheus (1, 18; 2, 13, 20, 21). Bijgevolg moet men niet zeggen, dat de H. Maagd moeder Gods is.

Praeterea, Christus dicitur Deus secundum divinam naturam. Sed divina natura non accepit initium essendi ex virgine. Ergo beata virgo non est dicenda mater Dei. (IIIa q. 35 a. 4 arg. 2)

2 — Christus heet God naar zijn goddelijke natuur. Maar de goddelijke Natuur dankt het begin van haar zijn niet aan de H. Maagd. Derhalve moet men de H. Maagd geen moeder Gods noemen.

Praeterea, hoc nomen Deus communiter praedicatur de patre et filio et spiritu sancto. Si ergo beata virgo est mater Dei, videtur sequi quod beata virgo sit mater patris et filii et spiritus sancti, quod est inconveniens. Non ergo beata virgo debet dici mater Dei. (IIIa q. 35 a. 4 arg. 3)

3 — De naam God wordt algemeen gezegd zowel van de Vader als van de Zoon, als van de H. Geest. Indien men de H. Maagd dus moeder Gods noemt, dan schijnt daaruit te volgen, dat zij moeder is zowel van de Vader als van de Zoon als van de H. Geest; maar dit is onjuist. Derhalve moet men de H. Maagd geen moeder Gods noemen.

Sed contra est quod in capitulis Cyrilli, approbatis in Ephesina synodo, legitur, si quis non confitetur Deum esse secundum veritatem Emmanuel, et propter hoc Dei genitricem sanctam virginem, genuit enim carnaliter carnem factam ex Deo verbum, anathema sit. (IIIa q. 35 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter hetgeen we lezen in de hoofdstukken van Cyrillus (Athanasius), die op de kerkvergadering van Ephese zijn goedgekeurd: « Indien iemand niet erkent, dat God in waarheid de Emmanuel is (d. w. z. de God met ons), en daarom (niet erkent) dat de H. Maagd moeder Gods is (zij toch baarde naar het vlees het vlees geworden Woord Gods) : hij zij vervloekt ».

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, omne nomen significans in concreto naturam aliquam, potest supponere pro qualibet hypostasi illius naturae. Cum autem unio incarnationis sit facta in hypostasi, sicut supra dictum est, manifestum est quod hoc nomen Deus potest supponere pro hypostasi habente humanam naturam et divinam. Et ideo quidquid convenit divinae naturae et humanae, potest attribui illi personae, sive secundum quod pro ea supponit nomen significans divinam naturam; sive secundum quod pro ea supponit nomen significans humanam naturam. Concipi autem et nasci personae attribuitur et hypostasi secundum naturam illam in qua concipitur et nascitur. Cum igitur in ipso principio conceptionis fuerit humana natura assumpta a divina persona, sicut praedictum est, consequens est quod vere posset dici Deum esse conceptum et natum de virgine. Ex hoc autem dicitur aliqua mulier alicuius mater, quod eum concepit et genuit. Unde consequens est quod beata virgo vere dicatur mater Dei. Solum enim sic negari posset beatam virginem esse matrem Dei, si vel humanitas prius fuisset subiecta conceptioni et nativitati quam homo ille fuisset filius Dei, sicut Photinus posuit, vel humanitas non fuisset assumpta in unitatem personae vel hypostasis verbi Dei, sicut posuit Nestorius. Utrumque autem horum est erroneum. Unde haereticum est negare beatam virginem esse matrem Dei. (IIIa q. 35 a. 4 co.)

Zoals we boven (16e Kw., 1e Art.) hebben uiteengezet, kan iedere naam, die een of andere natuur in concreto aangeeft, staan voor elke persoon dier natuur. Daar nu de vereniging der menswording geschied is in de persoon, gelijk boven (2e Kw., 3e Art.) werd aangetoond, kan deze benaming « God » staan voor de persoon, die de menselijke en goddelijke natuur heeft. En daarom kan al wat aan de goddelijke en menselijke natuur toekomt, aan die persoon worden toegeschreven: hetzij dat in plaats van die persoon een naam staat die op zijn goddelijke natuur wijst; hetzij dat er in plaats van die persoon een benaming staat, die op zijn menselijke natuur wijst. Nu wordt het ontvangen en geboren worden toegeschreven aan de persoon naar die natuur, waarin Hij ontvangen en geboren wordt. Daar dus, zoals we boven gezien hebben (33e Kw., 3e Art.), de menselijke natuur reeds in het allereerste begin der ontvangenis werd aangenomen door de Goddelijke Persoon, kan men bijgevolg zeggen, dat God ontvangen en geboren is van de H. Maagd. Nu wordt juist hierom een vrouw moeder van iemand genoemd, omdat zij hem ontving en baarde. Bijgevolg wordt de H. Maagd naar waarheid moeder Gods genoemd. Want alleen dan zou men kunnen ontkennen, dat de H. Maagd moeder Gods is, indien ofwel de mensheid was ontvangen en geboren, eer deze mens Zoon van God was, gelijk Photinus hield, ofwel indien de mensheid niet in de eenheid van de persoon van het Woord Gods was aangenomen, zoals Nestorius hield. Elk dezer beide meningen echter is een dwaalleer. Het is dan ook ketters te ontkennen, dat de H. Maagd moeder Gods is.

Ad primum ergo dicendum quod haec fuit obiectio Nestorii. Quae quidem solvitur ex hoc quod, licet non inveniatur expresse in Scriptura dictum quod beata virgo sit mater Dei, invenitur tamen expresse in Scriptura quod Iesus Christus est verus Deus, ut patet I Ioan. ult.; et quod beata virgo est mater Iesu Christi, ut patet Matth. I. Unde sequitur ex necessitate ex verbis Scripturae quod sit mater Dei. Dicitur etiam Rom. IX, quod ex Iudaeis est secundum carnem Christus, qui est super omnia Deus benedictus in saecula. Non autem est ex Iudaeis nisi mediante beata virgine. Unde ille qui est super omnia Deus benedictus in saecula, est vere natus ex beata virgine sicut ex sua matre. (IIIa q. 35 a. 4 ad 1)

1 — Dit was de opwerping van Nestorius. Deze wordt daardoor opgelost, dat, hoewel in de H. Schrift niet uitdrukkelijk geschreven staat, dat de H. Maagd moeder Gods is er toch wel uitdrukkelijk in de H. Schrift staat, dat Jesus Christus waarlijk God is, zoals blijkt uit de Eerste Brief van Joannes (5, 20), en dat de H. Maagd de moeder is van Jesus Christus, blijkens Mattheus (1, 18). Uit de woorden der H. Schrift volgt dan ook noodzakelijk, dat zij moeder Gods is. Ook in de Brief aan de Romeinen (9, 5) wordt gezegd, dat Christus, Hij die God is, boven alles gezegend in eeuwigheid, naar het vlees afstamt van de Joden. Maar Hij komt niet uit de Joden voort tenzij door de H. Maagd. Bijgevolg werd Hij, die de boven alles in eeuwigheid gezegende God is, waarlijk uit de H. Maagd als uit zijn moeder geboren.

Ad secundum dicendum quod illa est obiectio Nestorii. Sed Cyrillus, in quadam epistola contra Nestorium, eam solvit sic dicens, sicut hominis anima cum proprio corpore nascitur, et tanquam unum reputatur; et si voluerit dicere quispiam quia est genitrix carnis, non tamen et animae genitrix, nimis superflue loquitur, tale aliquid gestum percipimus in generatione Christi. Natum est enim ex Dei patris substantia Dei verbum, quia vero carnem assumpsit, necesse est confiteri quia natum est secundum carnem ex muliere. Dicendum est ergo quod beata virgo dicitur mater Dei, non quia sit mater divinitatis, sed quia personae habentis divinitatem et humanitatem est mater secundum humanitatem. (IIIa q. 35 a. 4 ad 2)

2 — Dit is de opwerking van Nestorius. Maar Cyrillus lost haar in een Brief tegen Nestorius aldus op: « Zoals 's mensen ziel tegelijk met zijn eigen lichaam wordt geboren, en als één geheel wordt geacht (en zo iemand zou willen zeggen, dat zij de moeder is naar het vlees en niet naar de ziel, dan zegt hij te veel) zo is naar wij weten, iets dergelijks gebeurd bij de geboorte van Christus. Want het Woord Gods is geboren uit de zelfstandigheid van God de Vader, doch wil dit Woord het vlees hebben aangenomen, moeten we belijden, dat het naar het vlees geboren is uit de vrouw ». We moeten dus zeggen, dat de H. Maagd moeder Gods wordt genoemd, niet omdat zij moeder der Godheid is, maar omdat zij naar diens menselijke natuur moeder is van een persoon, die de goddelijke en menselijke natuur heeft.

Ad tertium dicendum quod hoc nomen Deus, quamvis sit commune tribus personis, tamen quandoque supponit pro sola persona patris, quandoque pro sola persona filii vel spiritus sancti, ut supra habitum est. Et ita, cum dicitur, beata virgo est mater Dei hoc nomen Deus supponit pro sola persona filii incarnata. (IIIa q. 35 a. 4 ad 3)

3 — Hoewel deze naam « God » gemeenschappelijk is aan de drie personen, toch staat die naam soms alleen voor de Persoon des Vaders, soms alleen voor de Persoon van de Zoon of van de H. Geest, zoals boven (16° Kw., 1° Art.; I° Deel, 39° Kw., 4° Art.) werd uiteengezet. En zo staat de naam « God », wanneer we zeggen: de H. Maagd is moeder Gods uitsluitend voor de mens geworden Persoon des Zoons.

Articulus 5.
Zijn er in Christus twee zoonschappen?

Ad quintum sic proceditur. Videtur quod in Christo sint duae filiationes. Nativitas enim est causa filiationis. Sed in Christo sunt duae nativitates. Ergo etiam in Christo sunt duae filiationes. (IIIa q. 35 a. 5 arg. 1)

1 — Men beweert, dat er in Christus twee zoonschappen zijn. De geboorte is de oorzaak van het zoonschap. Welnu, in Christus zijn er twee geboorten. Bijgevolg zijn er in Christus ook twee zoonschappen.

Praeterea, filiatio, qua quis dicitur filius alicuius ut matris vel patris, dependet aliqualiter ab ipso, quia esse relationis est ad aliud aliqualiter se habere; unde et, interempto uno relativorum, interimitur aliud. Sed filiatio aeterna, qua Christus est filius Dei patris, non dependet a matre, quia nullum aeternum dependet a temporali. Ergo Christus non est filius matris filiatione aeterna. Aut ergo nullo modo est filius eius, quod est contra praedicta, aut oportet quod sit filius eius quadam alia filiatione temporali. Sunt ergo in Christo duae filiationes. (IIIa q. 35 a. 5 arg. 2)

2 — Het zoonschap, waardoor iemand de zoon wordt genoemd van een ander, hetzij van een vader of moeder, hangt enigszins af van deze andere, daar het wezen van een verhouding inhoudt: enigszins tot een ander in betrekking te staan; vandaar dan ook, dat, zo een der beide termen van een verhouding wordt weggenomen, tevens de andere term vervalt. Maar het eeuwige zoonschap, waardoor Christus de Zoon is van God de Vader, hangt niet af van de moeder; daar niets eeuwigs afhangt van datgene wat in de tijd is. Derhalve is Christus niet door zijn eeuwig zoonschap de zoon der moeder. Derhalve is Hij ofwel op geen enkele manier haar zoon, wat in strijd is met het boven (Art. 3, 4) behandelde, ofwel, Hij moet haar zoon zijn door een tweede zoonschap, in de tijd. Bijgevolg zijn er in Christus twee zoonschappen.

Praeterea, unum relativorum ponitur in definitione alterius, ex quo patet quod unum relativorum specificatur ex alio. Sed unum et idem non potest esse in diversis speciebus. Ergo impossibile videtur quod una et eadem relatio terminetur ad extrema omnino diversa. Sed Christus dicitur filius patris aeterni, et matris temporalis, qui sunt termini omnino diversi. Ergo videtur quod non possit eadem relatione Christus dici filius patris et matris. Sunt ergo in Christo duae filiationes. (IIIa q. 35 a. 5 arg. 3)

3 — Wil men de ene term van een wederzijdse verhouding definiëren, dan moet men in deze begripsbepaling de andere term opnemen; daaruit blijkt, dat de ene term soortelijk wordt bepaald door de anderen term. Maar een en hetzelfde ding kan niet tot verschillende soorten tegelijk behoren. Het is dus onmogelijk, beweert men, dat een en dezelfde verhouding haar eindpunten zou hebben in geheel verschillende termen. Welnu Christus is de Zoon van de eeuwige Vader en van een moeder in de tijd. Derhalve, zo beweert men, kan Christus niet door één en dezelfde verhouding de Zoon des Vaders en de Zoon der moeder worden genoemd. Bijgevolge zijn er in Christus twee zoonschappen.

Sed contra est quod, sicut Damascenus dicit, in III libro, ea quae sunt naturae, multiplicantur in Christo, non autem ea quae sunt personae. Sed filiatio maxime pertinet ad personam, est enim proprietas personalis, ut patet ex his quae in prima parte dicta sunt. Ergo in Christo est una tantum filiatio. (IIIa q. 35 a. 5 s. c.)

Daartegenover staat echter hetgeen Damascenus zegt in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof: « Datgene wat van de natuur is, vormt in Christus wel een veelheid, datgene echter wat aan de persoon toekomt, vormt geen veelheid ». Welnu, heel in het bijzonder komt het zoon-zijn aan de persoon toe, want dit is een persoonlijke eigenschap, zoals blijkt uit hetgeen in het Ier Deel (32e Kw., 3e Art.; 40e Kw., 2e Art.) werd aangetoond. Derhalve is er in Christus slechts één zoonschap.

Respondeo dicendum quod circa hoc sunt diversae opiniones. Quidam enim, attendentes ad causam filiationis, quae est nativitas, ponunt in Christo duas filiationes, sicut et duas nativitates. Alii vero, attendentes ad subiectum filiationis, quod est persona vel hypostasis, ponunt in Christo tantum unam filiationem, sicut et unam hypostasim vel personam. Unitas enim relationis vel eius pluralitas non attenditur secundum terminos, sed secundum causam vel subiectum. Si enim secundum terminos attenditur, oporteret quod quilibet homo in se duas filiationes haberet, unam qua refertur ad patrem, et aliam qua refertur ad matrem. Sed recte consideranti apparet eadem relatione referri unumquemque ad suum patrem et matrem, propter unitatem causae. Eadem enim nativitate homo nascitur ex patre et matre, unde eadem relatione ad utrumque refertur. Et eadem ratio est de magistro qui docet multos discipulos eadem doctrina; et de domino qui gubernat diversos subiectos eadem potestate. Si vero sint diversae causae specie differentes, ex consequenti videntur relationes specie differre. Unde nihil prohibet plures tales relationes eidem inesse. Sicut, si aliquis est aliquorum magister in grammatica et aliorum in logica, alia est ratio magisterii utriusque, et ideo diversis relationibus unus et idem homo potest esse magister vel diversorum vel eorundem secundum diversas doctrinas. Contingit autem quandoque quod aliquis habet relationem ad plures secundum diversas causas, eiusdem tamen speciei, sicut cum aliquis est pater diversorum filiorum secundum diversos generationis actus. Unde paternitas non potest specie differre, cum actus generationum sint iidem specie. Et quia plures formae eiusdem speciei non possunt simul inesse eidem subiecto, non est possibile quod sint plures paternitates in eo qui est pater plurium filiorum generatione naturali. Secus autem esset si esset pater unius generatione naturali, et alterius per adoptionem. Manifestum est autem quod non una et eadem nativitate Christus est natus ex patre ab aeterno, et ex matre ex tempore. Nec nativitas est unius speciei. Unde, quantum ad hoc, oporteret dicere in Christo esse diversas filiationes, unam temporalem et aliam aeternam. Sed quia subiectum filiationis non est natura aut pars naturae, sed solum persona vel hypostasis; in Christo autem non est hypostasis vel persona nisi aeterna, non potest in Christo esse aliqua filiatio nisi quae sit in hypostasi aeterna. Omnis autem relatio quae ex tempore de Deo dicitur, non ponit in ipso Deo aeterno aliquid secundum rem, sed secundum rationem tantum, sicut in prima parte habitum est. Et ideo filiatio qua Christus refertur ad matrem, non potest esse realis relatio, sed solum secundum rationem. Et sic quantum ad aliquid utraque opinio verum dicit. Nam si attendamus ad perfectas rationes filiationis, oportet dicere duas filiationes, secundum dualitatem nativitatum. Si autem attendamus ad subiectum filiationis, quod non potest esse nisi suppositum aeternum, non potest in Christo esse realiter nisi filiatio aeterna. Dicitur tamen relative filius ad matrem relatione quae cointelligitur relationi maternitatis ad Christum. Sicut Deus dicitur dominus relatione quae cointelligitur reali relationi qua creatura subiicitur Deo. Et quamvis relatio dominii non sit realis in Deo, tamen realiter est dominus, ex reali subiectione creaturae ad ipsum. Et similiter Christus dicitur realiter filius virginis matris ex relatione reali maternitatis ad Christum. (IIIa q. 35 a. 5 co.)

Hieromtrent bestaan verschillende meningen. Sommigen leggen toch de nadruk op de oorzaak van het zoonschap, d. i. op de geboorte, en stellen dan twee zoonschappen in Christus, zoals zij ook twee geboorten in Hem aannemen. — Anderen letten echter op het subject van het zoonschap, d. i. op de persoon of de drager, en nemen in Christus slechts één zoonschap aan, zoals ook maar één drager of één persoon. De eenheid toch of veelheid der verhoudingen moet men niet zoeken in de termen; maar ofwel in haar oorzaak ofwel in haar subject. Want zo men het in de termen der verhouding zoekt, dan moest ieder mens in zich twee zoonschappen hebben: een, waardoor hij een verhouding zegt tot zijn vader, en een, waardoor hij een verhouding zegt tot zijn moeder. Doch bij nader toezien blijkt, dat iedereen door één en dezelfde verhouding een betrekking zowel tot zijn vader als tot zijn moeder zegt krachtens de eenheid van oorzaak dier verhouding. Door de éne geboorte toch wordt de mens uit vader en moeder geboren; daarom zegt hij door éénzelfde verhouding een betrekking tot beiden. Ditzelfde geldt ook voor de leeraar die eenzelfde leer aan vele leerlingen onderwijst, of voor een heer, die verscheidene onderdanen met eenzelfde macht bestuurt. — Indien er nu echter verscheidene, soortelijk verschillende oorzaken zijn, dan schijnen ook de daarop steunende verhoudingen soortelijk te verschillen. Vandaar schijnt er dan ook niets op tegen te zijn, dat er meerdere dergelijke verhoudingen in eenzelfde persoon zijn. Zo b. v. wanneer iemand leeraar is van sommigen in de taalkunde en van anderen in de redeneerkunst, dan is het eigene in beide leeraarschappen iets anders; en zo kan een en dezelfde persoon door onderscheidene verhoudingen leeraar zijn van verschillende personen of van dezelfde personen betreffende verschillende vakken. — Soms komt het echter voor, dat iemand een verhouding zegt tot meerderen op grond van onderscheidene oorzaken, welke echter gelijksoortig zijn; zoals wanneer iemand vader is van verschillende kinderen, maar op grond van onderscheidene voortbrengingsdaden. En derhalve kan het vaderschap niet soortelijk verschillen, daar de voortbrengingsdaden gelijksoortig zijn. En wijl meerdere gelijksoortige vormen niet tegelijk in éénzelfde subject kunnen zijn, is het onmogelijk, dat er meerdere vaderschappen zouden wezen in iemand, die door natuurlijke voortbrenging vader is van meerdere kinderen. Iets anders zou het echter wezen, indien hij vader was van het ene kind door natuurlijke voortbrenging, en van het andere door aanneming. Het spreekt echter vanzelf, dat Christus niet door een en dezelfde geboorte van eeuwigheid uit de Vader geboren is en uit de moeder in de tijd. Evenmin is het een gelijksoortige geboorte. Van die kant zou men dan ook moeten zeggen, dat er in Christus verschillende zoonschappen zijn: de ene in de tijd, de andere eeuwig. Maar, omdat het subject, de drager van het zoonschap niet de natuur is noch een deel van de natuur, doch alleen de persoon, en omdat er in Christus geen drager of persoon is tenzij de eeuwige persoon, daarom kan er in Christus geen zoonschap zijn behalve dat, hetwelk gedragen wordt in de eeuwige persoon. Geen enkele verhouding echter, die in de tijd van God wordt gezegd, stelt in de eeuwige God zelf iets werkelijks maar uitsluitend iets volgens onze wijze van begrijpen, gelijk in het Ie Deel (13e Kw., 7e Art.) is uiteengezet. En derhalve kan de verhouding, waardoor Christus een betrekking tot zijn moeder zegt, geen werkelijke verhouding zijn, doch slechts een begripmatige. En zodoende hebben beide voornoemde meningen onder bepaald opzicht gelijk. Want, leggen we de nadruk op het volledige begrip van zoon-zijn, dan moet men in Christus twee zoonschappen aannemen op grond van zijn tweevoudige geboorte. Beschouwen we echter het subject van het zoonschap, hetwelk niets anders wezen kan dan de eeuwige persoon, dan kan er in Christus geen werkelijk zoonschap zijn behalve zijn eeuwig zoon-zijn. Toch wordt Hij ook met betrekking tot de moeder zoon genoemd krachtens de verhouding, die in de verhouding van haar moederschap tot Christus mede wordt inbegrepen. Zoals ook God de Heer wordt genoemd door de verhouding, welke mede wordt inbegrepen in de werkelijke verhouding, waardoor het schepsel aan God onderdanig is. En hoewel de betrekking, welke zijn heerschappij zegt, niet werkelijk in God is, toch is Hij werkelijk de Heer krachtens de werkelijke onderworpenheid van al het geschapene aan Hem. Eveneens wordt Christus werkelijk de Zoon der Moedermaagd genoemd op grond van de werkelijke verhouding, die haar moederschap tot Hem zegt.

Ad primum ergo dicendum quod nativitas temporalis causaret in Christo temporalem filiationem realem, si esset ibi subiectum huiusmodi filiationis capax. Quod quidem esse non potest, ipsum enim suppositum aeternum non potest esse susceptivum relationis temporalis, ut dictum est. Nec etiam potest dici quod sit susceptivum filiationis temporalis ratione humanae naturae, sicut etiam et temporalis nativitatis, quia oporteret naturam humanam aliqualiter esse subiectam filiationi, sicut est aliqualiter subiecta nativitati; cum enim Aethiops dicitur albus ratione dentis, oportet quod dens Aethiopis sit albedinis subiectum. Natura autem humana nullo modo potest esse subiectum filiationis, quia haec relatio directe respicit personam. (IIIa q. 35 a. 5 ad 1)

1 — De geboorte in de tijd zou in Christus een werkelijk zoonschap in de tijd hebben veroorzaakt, indien daar een subject was, dat voor een dergelijk zoonschap ontvankelijk is. Dit nu is onmogelijk; de goddelijke Persoon toch is niet ontvankelijk voor een verhouding, die in de tijd ontstaat, gelijk werd aangegeven (zie Leerstelling). — Evenmin kan men zeggen, dat Hij op grond van zijn menselijke natuur ontvankelijk was voor een zoonschap in de tijd, evenzo als voor een geboorte in de tijd; want dan moest de menselijke natuur op een of andere manier subject zijn van het zoonschap, zoals zij dat ook in bepaald opzicht is van de geboorte; want wanneer men een Ethiopiër wit noemt om zijn tanden, dan moeten de tanden van een Ethiopiër de drager wezen van het wit-zijn. De menselijke natuur echter kan op geen enkele manier subject of draagster zijn van het zoonschap, daar deze verhouding onmiddellijk betrekking heeft op de persoon.

Ad secundum dicendum quod filiatio aeterna non dependet a matre temporali, sed huic filiationi aeternae cointelligitur quidam respectus temporalis dependens a matre, secundum quem Christus dicitur filius matris. (IIIa q. 35 a. 5 ad 2)

2 — Christus’ eeuwig zoonschap is niet afhankelijk van zijn moeder in de tijd; maar in dit eeuwig zoonschap wordt een tijdelijke verhouding mede inbegrepen, en deze is wèl afhankelijk van de moeder. En om deze verhouding wordt Christus zoon der moeder genoemd.

Ad tertium dicendum quod unum et ens se consequuntur, ut dicitur in IV Metaphys. Et ideo, sicut contingit quod in uno extremorum relatio sit quoddam ens, in alio autem non sit ens, sed ratio tantum, sicut de scibili et scientia philosophus dicit, in V Metaphys., ita etiam contingit quod ex parte unius extremi est una relatio, ex parte autem alterius extremi sunt multae relationes. Sicut in hominibus ex parte parentum invenitur duplex relatio, una paternitatis et alia maternitatis, quae sunt specie differentes, propter hoc quod alia ratione pater, et alia mater est generationis principium (si vero essent plures eadem ratione principium unius actionis, puta cum multi simul trahunt navem, in omnibus esset una et eadem relatio), ex parte autem prolis est una sola filiatio secundum rem, sed duplex secundum rationem, inquantum correspondet utrique relationi parentum secundum duos respectus intellectus. Et sic etiam quantum ad aliquid in Christo est tantum una filiatio realis, quae respicit patrem aeternum, est tamen ibi alius respectus temporalis, qui respicit matrem temporalem. (IIIa q. 35 a. 5 ad 3)

3 — Eén en zijnde zijn omkeerbaar, gelijk in het 4e boek der Metaphysica geleerd wordt. Bijgevolg, zoals het voorkomt, dat in een der termen de verhouding een werkelijk iets is, in de andere term echter geen werkelijk iets, doch alleen maar iets gedachts, zoals de Wijsgeer in het 5e boek van zijn Metaphysica zegt aangaande het weetbare en de wetenschap, zo komt het ook voor, dat er van de kant van de ene term slechts één verhouding is, van de kant van de andere term echter meer verhoudingen. Zo b. v. vindt men bij de mensen van de kant der ouders een tweevoudige verhouding, de ene van het vaderschap, de andere van het moederschap, die soortelijk verschillen, omdat de vader onder een ander opzicht voortbrengend beginsel is dan de moeder; (wanneer echter meerderen tegelijk onder hetzelfde opzicht principe zijn van één en dezelfde werking, b. v. wanneer meerderen tegelijk een schip voorttrekken, dan is in hen allen één en dezelfde verhouding); van de kant van het kind echter is er slechts één werkelijk kindschap, doch een tweevoudig gedacht kindschap, in zover dit nl. met twee verhoudingen aan de dubbele verhouding der ouders zal gedacht worden te beantwoorden. Zo ook is er in bepaald opzicht slechts een werkelijk zoonschap in Christus en dit zoonschap zegt een betrekking tot de eeuwige Vader; toch is er in Hem nog een andere en wel een tijdelijke betrekking, die een verhouding zegt tot de moeder in de tijd.

Articulus 6.
Werd Christus zonder barensweeën geboren?

Ad sextum sic proceditur. Videtur quod Christus non fuerit natus sine dolore matris. Sicut enim mors hominum subsecuta est ex peccato primorum parentum, secundum illud Gen. II, quacumque die comederitis, morte moriemini; ita etiam dolor partus, secundum illud Gen. III, in dolore paries filios. Sed Christus mortem subire voluit. Ergo videtur quod pari ratione eius partus esse debuerit cum dolore. (IIIa q. 35 a. 6 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus niet zonder barensweeën geboren werd. Want, gelijk de dood een gevolg is van de zonde der eerste ouders, blijkens het Boek der Schepping (2, 17): « Op de dag, dat gij daarvan zult eten, zult gij de dood sterven », zo ook de barensweeën blijkens het Boek der Schepping (3, 16): « In smart zult gij kinderen baren ». Maar Christus heeft de dood willen ondergaan. Derhalve moest, naar men beweert, om dezelfde reden ook zijn geboorte in smart geschieden.

Praeterea, finis proportionatur principio. Sed finis vitae Christi fuit cum dolore, secundum illud Isaiae LIII, vere dolores nostros ipse tulit. Ergo videtur quod etiam in sua nativitate fuerit dolor partus. (IIIa q. 35 a. 6 arg. 2)

2 — Het einde is evenredig aan het begin. Welnu het einde van Christus’ leven verliep in smart blijkens Isaïas (53, 4): « In waarheid heeft Hij onze smarten gedragen ». Derhalve ging ook zijn geboorte vergezeld van de weeën der baring.

Praeterea, in libro de ortu salvatoris narratur quod ad Christi nativitatem obstetrices occurrerunt, quae videntur necessariae parienti propter dolorem. Ergo videtur quod beata virgo peperit cum dolore. (IIIa q. 35 a. 6 arg. 3)

3 — In het werk Over de Geboorte des Zaligmakers wordt verhaald, dat er bij Christus' geboorte vroedvrouwen behulpzaam waren; dezen nu heeft de barende nodig, naar het schijnt, om wille van haar pijnen. Derhalve, zo beweert men, heeft de H. Maagd in smarten gebaard.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in sermone de nativitate, alloquens virginem matrem, nec in conceptione, inquit, inventa es sine pudore, nec in partu inventa es cum dolore. (IIIa q. 35 a. 6 s. c.)

Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus in zijn Kerstpreek zegt, waar hij de Moedermaagd aldus aanspreekt: « Bij zijn ontvangenis werd gij niet zonder schroomvalligheid bevonden, noch bij zijn geboorte bevonden met smart ».

Respondeo dicendum quod dolor parientis causatur ex apertione meatuum per quos proles egreditur. Dictum est autem supra quod Christus est egressus ex clauso utero matris, et sic nulla apertio meatuum ibi fuit. Et propter hoc in illo partu nullus fuit dolor, sicut nec aliqua corruptio, sed fuit ibi maxima iucunditas, ex hoc quod homo Deus natus est in mundum, secundum illud Isaiae XXXV, germinans germinabit sicut lilium, et exultabit laetabunda et laudans. (IIIa q. 35 a. 6 co.)

De barensweeën worden veroorzaakt door het zich openen van de baarmoedermond, waardoor het kind naar buiten treedt. Boven echter (28° Kw., 2° Art.) hebben we behandeld, dat Christus geboren werd, terwijl de baarmoeder zijner moeder gesloten bleef : en zodoende werd de moedermond daar niet geopend. Daarom ging deze baring niet vergezeld van pijn noch van enige ontbinding, doch van de grootste aangenaamheid, omdat de Godmens in de wereld geboren was (vgl. Joannes, 16, 21) volgens het woord van Isaïas (35, 1, 2) : « Heerlijk zal zij openbloeien als een lelie, en juichen in blijheid en lofzang ».

Ad primum ergo dicendum quod dolor partus consequitur in muliere commixtionem virilem. Unde Gen. III, postquam dictum est, in dolore paries, subditur, et sub viri potestate eris. Sed, sicut dicit Augustinus, in sermone de assumptione beatae virginis, ab hac sententia excipitur virgo mater Dei, quae, quia sine peccati colluvione et sine virilis admixtionis detrimento Christum suscepit, sine dolore genuit, sine integritatis violatione, pudore virginitatis integra permansit. Christus autem mortem suscepit spontanea voluntate, ut pro nobis satisfaceret, non quasi ex necessitate illius sententiae, quia ipse mortis debitor non erat. (IIIa q. 35 a. 6 ad 1)

1 — De barensweeën der vrouw volgen op haar lichamelijke vereniging met de man. Vandaar dan ook, dat het Boek der Schepping (3, 16), na gezegd te hebben : « In pijn zult gij baren », er onmiddellijk aan toevoegt : « en gij zult staan onder de macht van de man ». Maar, zoals Augustinus schrijft in zijn preek op de ten Hemel-Opneming der H. Maagd, werd de maagdelijke moeder Gods van dit vonnis uitgezonderd: « omdat zij zonder besmetting der zonde en zonder enig nadeel wegens vereniging met een man, de Christus ontving, baarde zij zonder pijn, zonder schending van haar ongereptheid, en bleef zij ongedeerd in de eerwaardigheid van haar maagdschap ». De dood echter nam Christus geheel vrijwillig op zich, om voor ons te voldoen, maar niet krachtens de algemeenheid van dat vonnis, daar Hij geen schuldenaar des doods was.

Ad secundum dicendum quod, sicut Christus moriendo destruxit mortem nostram, ita suo dolore nos a doloribus liberavit, et ita mori voluit cum dolore. Sed dolor parientis matris non pertinebat ad Christum, qui pro peccatis nostris satisfacere veniebat. Et ideo non oportuit quod mater eius pareret cum dolore. (IIIa q. 35 a. 6 ad 2)

2 — Zoals Christus door zijn sterven onze dood vernietigde, zo ook bevrijdde Hij door zijn smart ons van smarten, en daarom wilde Hij sterven met smart. Maar de smart der barende moeder paste niet bij Christus, die kwam voldoen voor onze zonden. En daarom was het niet nodig, dat zijn moeder in smart zou baren.

Ad tertium dicendum quod Luc. II dicitur quod beata virgo ipsamet puerum, quem pepererat, pannis involvit et posuit in praesepio. Et ex hoc ostenditur narratio huius libri, qui est apocryphus, esse falsa. Unde Hieronymus dicit, contra Helvidium, nulla ibi obstetrix, nulla muliercularum sedulitas intercessit. Et mater et obstetrix fuit. Pannis, inquit, involvit infantem, et posuit in praesepio. Quae sententia apocryphorum deliramenta convincit. (IIIa q. 35 a. 6 ad 3)

3 — Door Lucas (2, 7) wordt verhaald, dat de H. Maagd het kind, dat zij gebaard had, zelf in doeken wikkelde en neerlegde in een kribbe. Hieruit bewijst men, dat het verhaal van dit apocrief werk vals is. Daarom ook zegt Hieronymus in zijn geschrift Tegen Helvidius: « Daar was geen enkele vroedvrouw, noch dienstwaardige vrouwspersonen bij behulpzaam. Zij was zowel moeder als vroedvrouw tevens. « Zij wikkelde » zegt de Evangelist « het kind in doeken en legde het neder in een kribbe ». Deze woorden weerleggen overtuigend de dwaze verzinsels der apocriefen ».

Articulus 7.
Had Christus in Bethlehem moeten geboren worden?

Ad septimum sic proceditur. Videtur quod Christus non debuit in Bethlehem nasci. Dicitur enim Isaiae II, de Sion exibit lex, et verbum domini de Ierusalem. Sed Christus est vere verbum Dei. Ergo de Ierusalem debuit prodire in mundum. (IIIa q. 35 a. 7 arg. 1)

1 — Men beweert dat Christus niet had moeten geboren worden in Bethlehem. Want in Isaïas (2, 3) staat geschreven: « Van Sion zal de wet uitgaan en Gods woord van Jeruzalem ». Welnu, Christus is waarlijk Gods Woord. Derhalve had Hij vanuit Jeruzalem in de wereld te voorschijn moeten treden.

Praeterea, Matth. II dicitur scriptum esse de Christo quod Nazaraeus vocabitur, quod sumitur ex eo quod scribitur Isaiae XI, flos de radice eius ascendet; Nazareth enim flos interpretatur. Sed maxime aliquis denominatur a loco suae nativitatis. Ergo videtur quod in Nazareth nasci debuerit, ubi etiam fuit conceptus et nutritus. (IIIa q. 35 a. 7 arg. 2)

2 — In Mattheus (2, 23) wordt verhaald, dat over Christus geschreven was: « Een Nazareër zal Hij genoemd worden »; dit nu is hiervan afgeleid, dat bij Isaïas over Hem geschreven staat (11, 1): « een bloem zal opschieten uit zijn wortel »; « Nazareth » toch betekent « bloem ». Bij voorkeur nu wordt iemand genoemd naar zijn geboorteplaats. Derhalve had Christus geboren moeten worden te Nazareth, waar Hij trouwens ook ontvangen en opgevoed werd.

Praeterea, ad hoc dominus natus est in mundo ut veritatis fidem annuntiaret, secundum illud Ioan. XVIII, in hoc natus sum, et ad hoc veni in mundum, ut testimonium perhibeam veritati. Sed hoc facilius fieri potuisset si natus fuisset in civitate Romana, quae tunc dominatum orbis habebat, unde et Paulus, Romanis scribens, dicit, Rom. I, fides vestra annuntiatur universo mundo. Ergo videtur quod non debuit nasci in Bethlehem. (IIIa q. 35 a. 7 arg. 3)

3 — Daartoe is de Heer in de wereld geboren, om het geloof der waarheid te verkondigen, blijkens Joannes (18, 37): « Ik ben geboren en in de wereld gekomen, om getuigenis af te leggen voor de waarheid ». Maar dit had gemakkelijker bereikt kunnen worden, zo Hij in Rome geboren was, dat toentertijd de heerschappij voerde over de wereld; daarom ook zegt Paulus, wanneer hij aan de Romeinen schrijft (Brief aan de Romeinen, 1, 8): « In heel de wereld wordt uw geloof geroemd ». Bijgevolg had Christus niet in Bethlehem geboren moeten worden.

Sed contra est quod dicitur Mich. V, et tu, Bethlehem Ephrata, ex te mihi egredietur qui sit dominator in Israel. (IIIa q. 35 a. 7 s. c.)

Daartegenover staat echter hetgeen we lezen bij Micheas (5, 2): « En gij, Bethlehem Ephrata, uit u zal Mij voortkomen, die heerscher zal zijn in Israël ».

Respondeo dicendum quod Christus in Bethlehem nasci voluit duplici ratione. Primo quidem, quia factus est ex semine David secundum carnem, ut dicitur Rom. I, cui etiam fuerat facta repromissio specialis de Christo, secundum illud II Reg. XXIII, dixit vir cui constitutum de Christo Dei Iacob. Et ideo in Bethlehem, de qua natus fuit David, nasci voluit, ut ex ipso loco nativitatis promissio ei facta impleta ostenderetur. Et hoc designat Evangelista dicens, eo quod esset de domo et familia David. Secundo quia, ut Gregorius dicit, in homilia, Bethlehem domus panis interpretatur. Ipse Christus est qui ait, ego sum panis vivus, qui de caelo descendi. (IIIa q. 35 a. 7 co.)

Om een tweevoudige reden wilde Christus te Bethlehem geboren worden. — 1e, omdat Hij, zoals in de Brief aan de Romeinen (1, 3) gezegd wordt, naar het vlees gesproten is uit het zaad van David, aan wie ook een bijzondere belofte aangaande de Christus was gedaan, blijkens het 2e Boek der Koningen (23, 1): « Zo sprak de man, wien openbaring werd over de gezalfde (de Christus) van de God van Jacob ». Daarom wilde Hij te Bethlehem geboren worden, van waar ook David geboortig was, opdat ook krachtens de geboorteplaats zelf de aan David gedane belofte vervuld zou blijken. Dit geeft de Evangelist (Lucas, 2, 4) aan, waar hij schrijft: « Daar Hij uit het huis en het geslacht van David was ». 2e, omdat, gelijk Gregorius in zijn Homelie zegt: « Bethlehem « huis des broods » betekent. Christus zelf sprak: « Ik ben het levend brood, dat uit de hemel is nedergedaald ».

Ad primum ergo dicendum quod, sicut David in Bethlehem natus est, ita etiam Ierusalem elegit ut in ea sedem regni constitueret, et templum Dei ibi aedificaret, et sic Ierusalem esset civitas simul regalis et sacerdotalis. Sacerdotium autem Christi, et eius regnum, praecipue consummatum est in eius passione. Et ideo convenienter Bethlehem elegit nativitati, Ierusalem vero passioni. Simul etiam per hoc hominum gloriam confutavit, qui gloriantur de hoc quod ex civitatibus nobilibus originem ducunt, in quibus etiam praecipue volunt honorari. Christus autem e converso in civitate ignobili nasci voluit, et in civitate nobili pati opprobrium. (IIIa q. 35 a. 7 ad 1)

1 — Zoals David te Bethlehem geboren werd, zo ook koos hij Jeruzalem uit, om daar de zetel van zijn rijk te vestigen en daar de tempel Gods te bouwen, opdat Jeruzalem zodoende de koninklijke en priesterlijke stad zou zijn. Christus’ koningschap nu en zijn priesterschap werden vooral voltooid door zijn lijden. Terecht koos Hij dan ook Bethlehem voor geboorteplaats, en Jeruzalem, om er te lijden. Daarmee beschaamde Hij tegelijkertijd de eerzucht van mensen, die er groot op gaan, uit voorname steden afkomstig te zijn, en vooral ook om die reden willen geëerd worden. Christus daarentegen wil in een onaanzienlijk plaatsje geboren worden, en in een voorname stad zijn versmading ondergaan.

Ad secundum dicendum quod Christus florere voluit secundum virtuosam conversationem, non secundum carnis originem. Et ideo in civitate Nazareth educari voluit et nutriri. In Bethlehem autem voluit quasi peregre nasci, quia, ut Gregorius dicit, per humanitatem quam assumpserat, quasi in alieno nascebatur, non secundum potestatem, sed secundum naturam. Et, ut etiam Beda dicit, per hoc quod in diversorio loco eget, nobis multas mansiones in domo patris sui praepararet. (IIIa q. 35 a. 7 ad 2)

2 — Christus wilde bloeien naar zijn deugdzaam leven en niet naar zijn lichamelijke oorsprong. Daarom wilde Hij in Nazareth opgevoed en gevoed worden. In Bethlehem echter wilde Hij als vreemdeling geboren worden, omdat Hij, zoals Gregorius zegt, « naar zijn mensheid, die Hij had aangenomen, als het ware in de vreemde geboren werd, wel niet voor wat zijn macht betreft, maar betreffende zijn natuur ». En gelijk Beda schrijft, « doordat Hij een plaats nodig heeft in een herberg, bereidt Hij voor ons vele woningen in het huis zijns Vaders ».

Ad tertium dicendum quod, sicut dicitur in quodam sermone Ephesini Concilii, si maximam Romam elegisset civitatem, propter potentiam civium mutationem orbis terrarum putarent. Si filius fuisset imperatoris, potestati utilitatem adscriberent. Sed ut divinitas cognosceretur orbem transformasse terrarum, pauperculam elegit matrem, pauperiorem patriam. Elegit autem Deus infirma mundi ut confundat fortia, sicut dicitur I Cor. I. Et ideo, ut suam potestatem magis ostenderet, in ipsa Roma, quae caput orbis erat, statuit caput Ecclesiae suae, in signum perfectae victoriae, ut exinde fides derivaretur ad universum mundum, secundum illud Isaiae XXVI, civitatem sublimem humiliabit, et conculcabit eam pes pauperis, idest Christi, gressus egenorum, idest apostolorum Petri et Pauli. (IIIa q. 35 a. 7 ad 3)

3 — Op deze bedenking kunnen we antwoorden met wat in een toespraak op de Kerkvergadering van Ephese gezegd werd: « Indien Hij Rome, de grootste stad, had uitgekozen, zou men hebben gemeend, dat de macht harer burgers de wereld heeft omgevormd. Was Hij de zoon van de keizer geweest, dan zou men enig gewicht aan de macht hebben toegekend. Maar, opdat men zou erkennen, dat zijn Godheid het aanschijn der wereld deed veranderen, koos Hij zich een arme moeder en een nog armer vaderland ». « Het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, om het sterke te beschamen », gelijk in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (1, 27) geschreven staat. En om zijn macht nog meer te doen blijken, plaatste Hij juist daarom het opperhoofd zijner Kerk in Rome zelf, dat de hoofdstad der wereld was, ten teken zijner volledige overwinning, opdat vandaar het geloof over de gehele aarde zou uitgaan, overeenkomstig de voorspelling van Isaïas (26, 5-6): « Vernederen zal Hij de verheven stad, vertrappen zal haar de voet van de arme », d. i. van Christus, « de tred der behoeftigen », d. i. van de Apostelen Petrus en Paulus.

Articulus 8.
Werd Christus op de gepaste tijd geboren?

Ad octavum sic proceditur. Videtur quod Christus non fuerit congruo tempore natus. Ad hoc enim Christus venerat ut suos in libertatem revocaret. Natus est autem tempore servitutis, quo scilicet totus orbis praecepto Augusti describitur, quasi tributarius factus, ut habetur Luc. II. Ergo videtur quod non congruo tempore Christus fuerit natus. (IIIa q. 35 a. 8 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus niet op de gepaste tijd geboren werd. Christus was juist gekomen, om ons tot de vrijheid terug te roepen. Hij werd echter geboren in een tijd van onderworpenheid, waarin namelijk op bevel van Augustus over geheel de wereld een volkstelling moest gehouden worden, alsof geheel de wereld hem schatplichtig was, zoals geschreven staat in *Lucas* (2, 1 v. v.). Derhalve, zo beweert men, is Christus niet op de gepaste tijd geboren.

Praeterea, promissiones de Christo nascituro non gentilibus fuerant factae, secundum illud Rom. IX, quorum sunt promissa. Sed Christus natus est tempore quo rex alienigena dominabatur, sicut patet Matth. II, cum natus esset Iesus in diebus Herodis regis. Ergo videtur quod non fuerit congruo tempore natus. (IIIa q. 35 a. 8 arg. 2)

2 — Blijkens de Brief aan de Romeinen (9, 4): « Aan hen behoren de beloften », waren de beloften over de toekomstige Christus niet gedaan aan de heidenen. Welnu, Christus is geboren in een tijd, waarin een vreemdeling als koning regeerde, zoals blijkt uit *Mattheus* (2, 1): « Toen Jesus nu geboren was in de dagen van koning Herodes». Derhalve, zo beweert men, is Christus niet op de Hem passende tijd geboren.

Praeterea, tempus praesentiae Christi in mundo diei comparatur, propter id quod ipse est lux mundi, unde ipse dicit, Ioan. IX, me oportet operari opera eius qui misit me, donec dies est. Sed in aestate sunt dies longiores quam in hieme. Ergo, cum natus fuerit in profundo hiemis octo Kalendas Ianuarii, videtur quod non fuerit convenienti tempore natus. (IIIa q. 35 a. 8 arg. 3)

3 — De tijd van Christus’ aanwezigheid op aarde wordt bij een dag vergeleken, juist omdat Hij zelf het licht der wereld is (Joannes, 8, 12; 9, 5); daarom ook zegt Hij zelf (Joannes, 9, 4): «Zolang het dag is, moet Ik de werken verrichten van Hem, die Mij gezonden heeft». Maar ’s zomers zijn de dagen langer dan ’s winters. Bijgevolg, daar Hij in het hart van de winter geboren werd, acht dagen vóór de eerste januari, is Hij, naar men beweert, niet op de juiste tijd geboren.

Sed contra est quod dicitur Galat. IV, cum venit plenitudo temporis, misit Deus filium suum, factum ex muliere, factum sub lege. (IIIa q. 35 a. 8 s. c.)

Daartegenover staat echter hetgeen we lezen in de Brief aan de Galaten (4, 4): «Toen de volheid van de tijd gekomen was, heeft God zijn eigen Zoon gezonden, die uit een vrouw werd geboren en geboren onder de Wet».

Respondeo dicendum quod haec est differentia inter Christum et alios homines, quod alii homines nascuntur subiecti necessitati temporis, Christus autem, tanquam dominus et conditor omnium temporum, elegit sibi tempus in quo nasceretur, sicut et matrem et locum. Et quia quae a Deo sunt ordinata sunt, et convenienter disposita, consequens est quod convenientissimo tempore Christus nasceretur. (IIIa q. 35 a. 8 co.)

Dit is het verschil tussen Christus en de andere mensen, dat de andere mensen geboren worden in een noodzakelijke afhankelijkheid van hun tijd. Christus echter, de Heer en Grondvester aller tijden, koos zichzelf de tijd, waarop Hij zou geboren worden, zoals Hij zich ook een moeder en een geboorteplaats koos. En omdat al datgene, wat van God komt, geordend, en op behoorlijke wijze geregeld is, werd Christus bijgevolg op de meest-passende tijd geboren.

Ad primum ergo dicendum quod Christus venerat nos in statum libertatis reducere de statu servitutis. Et ideo, sicut mortalitatem nostram suscepit ut nos ad vitam reduceret, ita, ut Beda dicit, eo tempore dignatus est incarnari quo, mox natus, censu Caesaris adscriberetur atque, ob nostri liberationem, ipse servitio subderetur. Tempore etiam illo, quo totus orbis sub uno principe vivebat, maxime pax fuit in mundo. Et ideo decebat ut illo tempore Christus nasceretur, qui est pax nostra, faciens utraque unum, ut dicitur Ephes. II. Unde Hieronymus dicit, super Isaiam, veteres revolvamus historias, et inveniemus usque ad vigesimum octavum annum Caesaris Augusti in toto orbe terrarum fuisse discordiam, orto autem domino, omnia bella cessaverunt, secundum illud Isaiae II, non levabit gens contra gentem gladium. Congruebat etiam ut illo tempore quo unus princeps dominabatur in mundo, Christus nasceretur, qui venerat suos congregare in unum, ut esset unum ovile et unus pastor, ut dicitur Ioan. X. (IIIa q. 35 a. 8 ad 1)

1 — Christus was gekomen, om ons van de staat van slavernij terug te voeren tot de staat der vrijheid. En juist daarom, zoals Hij onze sterfelijkheid op zich had genomen, om ons tot het leven terug te brengen, zo ook, gelijk Beda zegt, gewaardeerd Hij zich mens te worden in die tijd, waarop Hij, zodra Hij geboren was, door de volkstelling van de Caesar zou worden opgeschreven, en waarop Hij zich omwille onzer bevrijding aan de dienstbaarheid zou onderwerpen. Juist vooral in de tijd, toen de gehele wereld onder één vorst leefde, heerste er vooral vrede op aarde. Daarom paste het, dat Christus in die tijd geboren werd, Hij, die onze vrede is, die beide groepen één heeft gemaakt, zoals in de Brief aan de Ephesiërs (2, 14) geschreven staat. Daarom ook zegt Hieronymus in zijn Uitleg op Isaïas (2, 4): « Slaan we de oude geschiedenis na, dan zullen we vinden, dat er tot in het acht en twintigste jaar van Caesar Augustus over de gehele wereld tweedracht heerste; zodra echter de Heer geboren was, eindigden alle oorlogen ». overeenkomstig het woord van Isaïas (2, 4): « Het ene volk zal het zwaard niet opheffen tegen het andere volk ». Tevens paste het, dat in de tijd, waarin één vorst over de wereld regeerde, de Christus geboren werd, Hij, die gekomen was, om de zijnen tot een eenheid samen te brengen (Joannes, 9, 52), opdat het één schaapstal zou zijn en één herder, zoals geschreven staat in Joannes (10, 16).

Ad secundum dicendum quod Christus regis alienigenae tempore nasci voluit, ut impleretur prophetia Iacob dicentis, Gen. penult., non auferetur sceptrum de Iuda, et dux de femore eius, donec veniat qui mittendus est. Quia, ut Chrysostomus dicit, super Matth., quandiu Iudaica gens sub Iudaicis regibus, quamvis peccatoribus, tenebatur, prophetae mittebantur ad remedium eius. Nunc autem, quando lex Dei sub potestate regis iniqui tenebatur, nascitur Christus, quia magna et desperabilis infirmitas medicum artificiosiorem quaerebat. (IIIa q. 35 a. 8 ad 2)

2 — Christus wilde geboren worden onder het koningschap van een buitenlandse vorst, opdat de voorspelling van Jacob vervuld zou worden, die zei (Boek der Schepping, 49, 10): « De schepter zal niet worden ontnomen aan Juda, noch de vorst uit zijn lendenen, totdat Hij komt, die gezonden zal worden. » Daarom ook schrijft Chrysostomus in zijn Uitleg op Mattheus: « Zoolang het Joodse volk onder Joodse koningen stond, ook al waren zij zondaars, werden er te zijner genezing profeten gezonden. Nu echter, nu de Wet Gods onder de macht van een onrechtvaardige koning stond, wordt de Christus geboren, omdat de zware en haast wanhopige ziekte een kundiger geneesheer nodig had ».

Ad tertium dicendum quod, sicut dicitur in libro de quaest. novi et Vet. Test., tunc Christus nasci voluit, quando lux diei crementum incipit accipere, ut ostenderetur quod ipse venerat ut homines crescerent in lucem divinam, secundum illud Luc. I, illuminare his qui in tenebris et umbra mortis sedent. Similiter etiam asperitatem hiemis elegit ad nativitatem, ut ex tunc carnis afflictionem pateretur pro nobis. (IIIa q. 35 a. 8 ad 3)

3 — Zoals we lezen in het boek Vraagstukken van het Oude en Nieuwe Verbond (53e Vr.) wilde Christus geboren worden, juist toen de dagen begonnen te lengen, om aan te tonen, dat Hij gekomen was, om de mensen te doen groeien in het Goddelijk licht, volgens het woord van Lucas (1, 79): « Om hen te verlichten, die in duisternis en in de schaduw des doods gezeten zijn ». Eveneens koos Hij voor zijn geboorte de strengheid van de winter, om van dan af voor ons verdrukking te lijden.