QuaestioArticulus

Tertia Pars. Quaestio 42.
Over Christus' leer .

Prooemium

Deinde considerandum est de doctrina Christi. Et circa hoc quaeruntur quatuor. Primo, utrum Christus debuerit praedicare solum Iudaeis, vel etiam gentibus. Secundo, utrum in sua praedicatione debuerit turbationes Iudaeorum vitare. Tertio, utrum debuerit praedicare publice, vel occulte. Quarto, utrum solum debuerit docere verbo, vel etiam scripto. De tempore autem quo docere incoepit, supra dictum est, cum de Baptismo eius ageretur. (IIIa q. 42 pr.)

Vervolgens moeten we handelen over de leer van Christus. En hieromtrent stellen we ons vier vragen: 1. Had Christus alleen voor de Joden, of ook voor de heidenen moeten preken? 2. Had Christus het in zijn prediking moeten vermijden verwarring onder de Joden te stichten? 3. Had Christus in het openbaar, of in het verborgen moeten prediken? 4. Had Christus alleen in woord of ook in geschrift moeten leeraren? Over de tijd, waarin Hij begon te leeraren, is boven al gesproken, toen zijn doopsel behandeld werd (39' Kw., 3° Art.).

Articulus 1.
Had Christus, niet alleen voor de Joden, maar ook voor de heidenen moeten prediken?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod Christus non solum Iudaeis, sed etiam gentibus debuerit praedicare. Dicitur enim Isaiae XLIX, parum est ut sis mihi servus ad suscitandas tribus Israel et faeces Iacob convertendas, dedi te in lucem gentium, ut sis salus mea usque ad extrema terrae. Sed lumen et salutem Christus praebuit per suam doctrinam. Ergo videtur parum fuisse si solum Iudaeis, et non gentibus praedicavit. (IIIa q. 42 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus niet alleen voor de Joden, maar ook voor de heidenen had moeten prediken. Bij Isaïas staat immers (49, 6): « Te gering is het, dat gij mij tot dienstknecht zijt, om de geslachten van Jacob op te wekken, en het uitwerpsel van Israël te bekeren. Zie, ik heb U gesteld tot een licht voor de heidenen, om mijn heil te zijn tot aan het uiteinde der aarde ». Maar Christus verschafte licht en heil door zijn leer. Dus schijnt het wel onvoldoende geweest te zijn, indien Hij alleen aan de Joden en niet aan de heidenen gepredikt heeft.

Praeterea, sicut dicitur Matth. VII, erat docens eos sicut potestatem habens. Sed maior potestas doctrinae ostenditur in instructione illorum qui penitus nihil audierunt, quales erant gentiles, unde apostolus dicit, Rom. XV, sic praedicavi Evangelium, non ubi nominatus est Christus, ne super alienum fundamentum aedificarem. Ergo multo magis Christus praedicare debuit gentilibus quam Iudaeis. (IIIa q. 42 a. 1 arg. 2)

2 — Er staat bij Mattheus (7, 29): « Hij leerde hen als een die gezag heeft ». Maar het gezag van een leer, komt veel meer tot uiting bij het onderricht van hen, die nog in het geheel niets gehoord hebben, wat de heidenen waren: vandaar zegt de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (15, 20): « Maar evenzeer was het mij een erezaak, nergens het Evangelie te preken, waar de naam van Christus reeds werd genoemd; om niet op de grondslagen van anderen te bouwen ». Dus moest zeker Christus veeleer voor de heidenen preken dan voor de Joden.

Praeterea, utilior est instructio multorum quam unius. Sed Christus aliquos gentilium instruxit, sicut mulierem Samaritanam, Ioan. IV, et Chananaeam, Matth. XV. Ergo videtur quod, multo fortius, Christus debuerit multitudini gentium praedicare. (IIIa q. 42 a. 1 arg. 3)

3 — Onderricht, dat aan velen gegeven wordt, is nuttiger dan wanneer het aan een persoon gegeven wordt. Maar Christus heeft enkele heidenen onderricht gegeven: zoals b.v. de Samaritaanse vrouw (Joannes, 4, 7 en vlg.), en de Chananeese (Matth., 15, 22 en vlg.). Dus schijnt het wel, dat Christus in veel sterkere mate, aan een menigte van heidenen had moeten preken.

Sed contra est quod dominus dicit, Matth. XV, non sum missus nisi ad oves quae perierunt domus Israel. Sed Rom. X dicitur, quomodo praedicabunt nisi mittantur? Ergo Christus non debuit praedicare gentibus. (IIIa q. 42 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de Heer bij Mattheus zegt (15, 24): « Alleen tot de verloren schapen van het huis van Israël ben Ik gezonden ». Maar in de Brief aan de Romeinen wordt gezegd (10, 15): « En hoe zal men preken, als men niet gezonden is? » Dus behoorde Christus niet tot de heidenen te preken.

Respondeo dicendum quod conveniens fuit praedicationem Christi, tam per ipsum quam per apostolos, a principio solis Iudaeis exhiberi. Primo quidem, ut ostenderet per suum adventum impleri promissiones antiquitus factas Iudaeis, non autem gentilibus. Unde apostolus dicit, Rom. XV, dico Christum ministrum fuisse circumcisionis, idest apostolum et praedicatorem Iudaeorum, propter veritatem Dei, ad confirmandas promissiones patrum. Secundo, ut eius adventus ostenderetur esse a Deo. Quae enim a Deo sunt, ordinata sunt, ut dicitur Rom. XIII. Hoc autem debitus ordo exigebat, ut Iudaeis, qui Deo erant propinquiores per fidem et cultum unius Dei, prius quidem doctrina Christi proponeretur, et per eos transmitteretur ad gentes, sicut etiam et in caelesti hierarchia per superiores Angelos ad inferiores divinae illuminationes deveniunt. Unde super illud Matth. XV, non sum missus nisi ad oves quae perierunt domus Israel, dicit Hieronymus, non hoc dicit quin ad gentes missus sit, sed quod primum ad Israel missus est. Unde et Isaiae ult. dicitur, mittam ex eis qui salvati fuerint, scilicet ex Iudaeis, ad gentes, et annuntiabunt gloriam meam gentibus. Tertio, ut Iudaeis auferret calumniandi materiam. Unde super illud Matth. X, in viam gentium ne abieritis, dicit Hieronymus, oportebat primum adventum Christi nuntiari Iudaeis, ne iustam haberent excusationem, dicentes ideo se dominum reiecisse, quia ad gentes et Samaritanos apostolos miserit. Quarto, quia Christus per crucis victoriam meruit potestatem et dominium super gentes. Unde dicitur Apoc. II, qui vicerit, dabo ei potestatem super gentes, sicut et ego accepi a patre meo. Et Philipp. II, quod, quia factus est obediens usque ad mortem crucis, Deus exaltavit illum, ut in nomine Iesu omne genu flectatur, et omnis lingua ei confiteatur. Et ideo ante passionem suam noluit gentibus praedicari suam doctrinam, sed post passionem suam dixit discipulis, Matth. ult., euntes, docete omnes gentes. Propter quod, ut legitur Ioan. XII, cum, imminente passione, quidam gentiles vellent videre Iesum, respondit, nisi granum frumenti cadens in terram mortuum fuerit, ipsum solum manet, si autem mortuum fuerit, multum fructum affert. Et, sicut Augustinus dicit ibidem, se dicebat granum mortificandum in infidelitate Iudaeorum, multiplicandum in fide populorum. (IIIa q. 42 a. 1 co.)

Het was passend, dat de leer van Christus, zowel door Hem zelf, als ook door de Apostelen, in het begin alleen aan de Joden voorgesteld werd. En wel ten eerste, om aan te tonen dat door zijn komst de beloften vervuld werden, welke oudtijds aan de Joden gegeven waren, en niet aan de heidenen. Vandaar zegt de Apostel, in zijn Brief aan de Romeinen (15, 8): « Ik bedoel, dat Christus de Bedienaar der besnijdenis is geworden », d. i. Apostel en verkondiger der Joden, « opdat Gods getrouwheid zou blijken, en de beloften aan de Vaders zouden worden vervuld ». Ten tweede, om aan te tonen, dat zijn komst van God was. Want « wat van God komt, geschiedt met orde », zoals in de Brief aan de Romeinen gezegd wordt (13, 1). De goede orde nu vorderde, dat de leer van Christus het eerst zou worden voorgesteld aan de Joden, die God het meest nabij stonden door hun geloof in en vereering van de ene God, en dat ze door hen overgedragen zou worden aan de heidenen: zoals ook in het hemelrijk door de hogere engelen aan de lagere de goddelijke verlichtingen toekomen. Vandaar zegt Hieronymus op de tekst van Mattheus (15, 24): « Alleen tot de verloren schapen van het huis van Israël ben Ik gezonden ». — « Hij wil daar niet mee zeggen, dat Hij niet tot de heidenen gezonden is, maar dat Hij eerst tot Israël gezonden is ». Vandaar zegt dan ook Isaïas (66, 19): « Uit de verlosten, d. i. uit de Joden, zal Ik er zenden naar de heidenen, en zij zullen Mijn glorie de volkeren verkondigen ». Ten derde, om aan de Joden stof tot laster te ontnemen. Vandaar zegt Hieronymus op de tekst van Mattheus (10, 5): « Slaat niet de weg naar de heidenen in ». — « Christus' komst moest eerst verkondigd worden aan de Joden, opdat ze geen rechtmatige verontschuldiging zouden hebben, zeggende dat God hen daarom verworpen had, omdat Hij de Apostelen naar de heidenen en Samaritanen gezonden had ». Ten vierde, omdat Christus door de overwinning des kruises de macht en het gezag over de heidenen verdiend heeft. Vandaar staat er in het Boek der Openbaring (2, 26, 28): « Wie overwint, hem zal Ik macht over de heidenen geven: zoals Ik dit ook van mijn Vader ontving ». En in de Brief aan de Philippenzen (2, 8 vlg.): staat geschreven, dat omdat Hij gehoorzaam is geworden tot aan de dood des kruises, God Hem daarom heeft verheven, opdat in de naam van Jesus iedere knie zich zou buigen, en iedere tong Hem zou belijden. En daarom wilde Hij vóór zijn lijden niet preeken tot de heidenen: maar na zijn lijden zeide Hij tot de leerlingen (Mattheus, 28, 19): « Gaat en onderwijst alle volkeren ». Daarom ook gaf Christus, toen, zoals bij Joannes te lezen staat (12, 20, vlg.) enkele heidenen Hem vlak voor zijn lijden wilden zien, ten antwoord: « Zo de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft ze alleen; maar zo ze sterft, brengt ze rijke vruchten voort ». En, zoals Augustinus zegt (51e Traktaat op het Evangelie van Joannes) noemde Hij zich zelf een graankorrel, die sterven moest door de ongetrouwheid der Joden, en zich zou vermenigvuldigen door het geloof der volkeren.

Ad primum ergo dicendum quod Christus fuit in lumen et salutem gentium per discipulos suos, quos ad praedicandum gentibus misit. (IIIa q. 42 a. 1 ad 1)

1 — Christus was tot een licht en tot heil voor de heidenen door zijn leerlingen, die Hij uitgezonden heeft, om te preken aan de heidenen.

Ad secundum dicendum quod non est minoris potestatis, sed maioris, facere aliquid per alios, quam per seipsum. Et ideo in hoc maxime potestas divina in Christo monstrata est, quod discipulis suis tantam virtutem contulit in docendo, ut gentes, quae nihil de Christo audierant, converterent ad ipsum. Potestas autem Christi in docendo attenditur et quantum ad miracula, per quae doctrinam suam confirmabat; et quantum ad efficaciam persuadendi; et quantum ad auctoritatem loquentis, quia loquebatur quasi dominium habens super legem, cum diceret, ego autem dico vobis; et etiam quantum ad virtutem rectitudinis quam in sua conversatione monstrabat, sine peccato vivendo. (IIIa q. 42 a. 1 ad 2)

2 — Iets door anderen doen en niet door zichzelf, dat is geen teken van kleinere maar van grootere macht. En dus blijkt hieruit het sterkst de goddelijke macht in Christus, dat Hij aan het onderricht zijner leerlingen zulk een kracht geschonken heeft, dat de heidenen, die niets over Christus gehoord hadden, zich tot Hem bekeerden. Het leergezag van Christus blijkt echter uit de volgende kenmerken: zijn wonderen, waarmee Hij zijn leer bevestigde; de overredingskracht; de autoriteit waarmee Hij sprak, omdat Hij sprak als iemand die boven de wet staat, met te zeggen: « Maar Ik zeg u » (Mattheus, 5, 22, 28, enz.); en ook nog uit de deugd van rechtschapenheid, welke Hij in zijn levenswijze ten toon spreidde, door zonder zonden te leven.

Ad tertium dicendum quod, sicut Christus non debuit a principio indifferenter gentilibus suam doctrinam communicare, ut Iudaeis tanquam primogenito populo deditus observaretur; ita etiam non debuit gentiles omnino repellere, ne spes salutis eis praecluderetur. Et propter hoc aliqui gentilium particulariter sunt admissi, propter excellentiam fidei et devotionis eorum. (IIIa q. 42 a. 1 ad 3)

3 — Evenmin als Christus in het begin zonder onderscheid te maken, ook aan de heidenen zijn leer moest mededelen, opdat het zou kunnen blijken dat Hij zich bijzonder aan de Joden, als aan het eerstgeboren volk, toegewijd had; zo behoorde Hij evenmin ook de heidenen geheel van zich af te stoten, opdat de hoop op behoud hun niet afgesneden zou worden. En daarom zijn enkele heidenen in het bijzonder toegelaten, om de verhevenheid van hun geloof en toewijding.

Articulus 2.
Had Christus voor de Joden moeten preken, zonder hen aanstoot te geven?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod Christus debuerit Iudaeis sine eorum offensione praedicare. Quia, ut Augustinus dicit, in libro de agone Christiano, in homine Iesu Christo se nobis ad exemplum vitae praebuit filius Dei. Sed nos debemus vitare offensionem, non solum fidelium, sed etiam infidelium, secundum illud I Cor. X, sine offensione estote Iudaeis et gentibus et Ecclesiae Dei. Ergo videtur quod etiam Christus in sua doctrina offensionem Iudaeorum vitare debuerit. (IIIa q. 42 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus voor de Joden had moeten preken zonder hen aanstoot te geven. Augustinus zegt immers, in zijn Werk *Over de Strijd van de Christen* (11e H.): « In de mens Jezus Christus heeft de Zoon Gods zich ons ten voorbeeld gesteld ». Maar wij moeten het vermijden iemand aanstoot te geven, niet alleen de gelovigen, maar ook de ongelovigen, volgens het woord uit de *Eerste Brief aan de Korinthiërs* (10, 32): « Geeft geen aanstoot aan Joden of heidenen, noch aan de Kerk van God ». Het schijnt dus wel, dat ook Christus in zijn leer had moeten vermijden, de Joden aanstoot te geven.

Praeterea, nullus sapiens debet facere unde effectum sui operis impediat. Sed per hoc quod sua doctrina Christus Iudaeos turbavit, impediebatur effectus doctrinae eius, dicitur enim Luc. XI, quod, cum dominus Pharisaeos et Scribas reprehenderet, coeperunt graviter insistere, et os eius opprimere de multis, insidiantes ei et quaerentes aliquid capere ex ore eius ut accusarent eum. Non ergo videtur conveniens fuisse quod eos in sua doctrina offenderet. (IIIa q. 42 a. 2 arg. 2)

2 — Geen wijs mens moet iets doen, wat het gevolg van zijn werk zou kunnen verhinderen. Maar doordat Christus met zijn leer de Joden in opschudding gebracht heeft, werd het resultaat van zijn leer belemmerd: want bij Lucas (11, 53, 54) staat, dat toen de Heer de Farizeën en schriftgeleerden terecht wees, « zij Hem heftig begonnen aan te vallen, en Hem allerlei strikvragen te stellen; ze loerden er op, uit zijn mond iets op te vangen, om Hem te beschuldigen ». Het schijnt dus niet passend geweest te zijn, dat Hij hen met zijn leer beleedigde.

Praeterea, apostolus dicit, I Tim. V, seniorem ne increpaveris, sed obsecra ut patrem. Sed sacerdotes et principes Iudaeorum erant illius populi seniores. Ergo videtur quod non fuerint duris increpationibus arguendi. (IIIa q. 42 a. 2 arg. 3)

3 — De Apostel zegt, in zijn Eerste Brief aan Timotheüs (5, 1): « Ge moet niet hard optreden tegen een bejaarde man, maar hem vermanen als een vader ». Maar de priesters en oversten der Joden waren de oudsten van dat volk. Dus hadden ze niet met harde smaadwoorden moeten aangeklaagd worden.

Sed contra est quod Isaiae VIII fuerat prophetatum quod Christus esset in lapidem offensionis et petram scandali duabus dominus Israel. (IIIa q. 42 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat aan Isaïas voorzegd was (8, 14), dat Christus tot een steen des aanstoots zou zijn, en tot een rots van ergernis voor de twee huizen van Israël.

Respondeo dicendum quod salus multitudinis est praeferenda paci quorumcumque singularium hominum. Et ideo, quando aliqui sua perversitate multitudinis salutem impediunt, non est timenda eorum offensio a praedicatore vel doctore, ad hoc quod multitudinis saluti provideat. Scribae autem et Pharisaei et principes Iudaeorum sui malitia plurimum impediebant populi salutem, tum quia repugnabant Christi doctrinae, per quam solam poterat esse salus; tum etiam quia pravis suis moribus vitam populi corrumpebant. Et ideo dominus, non obstante offensione eorum, publice veritatem docebat, quam illi odiebant, et eorum vitia arguebat. Et ideo dicitur, Matth. XV, quod, discipulis domino dicentibus, scis quia Iudaei, audito hoc verbo, scandalizati sunt? Respondit, sinite illos. Caeci sunt duces caecorum. Si caecus caeco ducatum praestet, ambo in foveam cadunt. (IIIa q. 42 a. 2 co.)

Aan het heil ener gemeenschap moet de voorkeur gegeven boven de vrede van sommige particuliere personen. Wanneer dus sommigen door hun slechtheid een beletsel vormen voor het welzijn ener gemeenschap, dan mogen de predikant en de leeraar niet bang zijn hen aanstoot te geven, ten einde voor het welzijn van de gemeenschap te kunnen zorgen. De Schriftgeleerden en Farizeën echter, en de oversten der Joden waren door hun slechtheid een groot beletsel voor het welzijn van het volk; te meer, daar zij door hun slecht gedrag het volksleven bedierven. En daarom leerde de Heer, niettegenstaande zij er aanstoot aan namen, openlijk de waarheid, die ze haatten, en laakte Hij hun ondeugden. En daarom staat er bij Mattheus (15, 12, 14), dat, toen de leerlingen aan de Heer zeiden: « Weet Gij, dat de Farizeën bij het horen van dit woord zich hebben geërgerd? », Hij ten antwoord gaf: « Laat hen begaan; ze zijn blinde leiders van blinden; maar als de ene blinde de andere leidt, vallen ze allebei in de kuil ».

Ad primum ergo dicendum quod homo sic debet esse sine offensione omnibus ut nulli det suo facto vel dicto minus recto occasionem ruinae. Si tamen de veritate scandalum oritur, magis est sustinendum scandalum quam veritas relinquatur, ut Gregorius dicit. (IIIa q. 42 a. 2 ad 1)

1 — Dat geen mens iemand aanstoot mag geven, moet zo verstaan worden dat hij voor niemand door een minder rechtzinnige daad of een minder rechtzinnig woord, een aanleiding mag worden voor zijn ondergang. « Indien echter ergernis een gevolg is van de waarheid, dan moet veeleer de ergernis verdragen worden, dan dat de waarheid vermeden wordt », zegt Gregorius (7e Homelie op Ezechiel).

Ad secundum dicendum quod per hoc quod Christus publice Scribas et Pharisaeos arguebat, non impedivit, sed magis promovit effectum suae doctrinae. Quia cum eorum vitia populo innotescebant, minus avertebatur a Christo propter verba Scribarum et Pharisaeorum, qui semper doctrinae Christi obsistebant. (IIIa q. 42 a. 2 ad 2)

2 — Doordat Christus in het openbaar de schriftgeleerden en Farizeeën laakte, verhinderde Hij de uitwerking van zijn leer niet, maar bevorderde ze veeleer. Want daar hun ondeugden aan het volk bekend werden, werd het minder om de woorden der schriftgeleerden en Farizeeën, die zich steeds tegen Christus’ leer verzetten, van Christus afgekeerd.

Ad tertium dicendum quod illud verbum apostoli est intelligendum de illis senioribus qui non solum aetate vel auctoritate, sed etiam honestate sunt senes, secundum illud Num. XI, congrega mihi septuaginta viros de senioribus Israel, quos tu nosti quod senes populi sint. Si autem auctoritatem senectutis in instrumentum malitiae vertant publice peccando, sunt manifeste et acriter arguendi, sicut et Daniel dixit, Dan. XIII, inveterate dierum malorum, et cetera. (IIIa q. 42 a. 2 ad 3)

3 — Dit woord des Apostels moet verstaan worden van die oude lieden die niet alleen oud zijn in leeftijd of gezag, maar ook in deugd, volgens de woorden uit het Boek der Getallen (11, 16): « Verzamel Mij zeventig mannen uit de ouden van Israël, van wie gij weet, dat het oudsten des volks zijn ». Als ze echter het gezag, dat de ouderdom hun geeft, maken tot een instrument van slechtheid, door in het openbaar te zondigen, dan moet er openlijk en streng tegen hen opgetreden worden: zoals ook Daniël zei (Daniël, 13, 52): « Gij oude booswicht! enz. ».

Articulus 3.
Had Christus alles in het openbaar moeten leren?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod Christus non omnia publice docere debuit. Legitur enim multa seorsum discipulis dixisse, sicut patet in sermone caenae. Unde et Matth. X dixit, quod in aure audistis in cubilibus, praedicabitur in tectis. Non ergo omnia publice docuit. (IIIa q. 42 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus niet alles in het openbaar had moeten leren. Er staat immers te lezen, dat Hij veel aan zijn leerlingen apart gezegd heeft, zoals blijkt uit de Avondmaalrede. Vandaar zegt ook Mattheus (10, 27): « Wat ge in de binnenkamer gehoord hebt, zal op de daken verkondigd worden ». Hij heeft dus niet alles in het openbaar geleerd.

Praeterea, profunda sapientiae non sunt nisi perfectis exponenda, secundum illud I Cor. II, sapientiam loquimur inter perfectos. Sed doctrina Christi continebat profundissimam sapientiam. Non ergo erat imperfectae multitudini communicanda. (IIIa q. 42 a. 3 arg. 2)

2 — De diepten der wijsheid moeten alleen aan volmaakten uitgelegd worden, volgens de woorden uit de Eerste Brief aan de Korinthiërs (2, 6): « Wij preeken wijsheid onder de volmaakten ». Maar Christus’ leer behelsde de diepste wijsheid. Dus behoorde ze niet medegedeeld te worden aan de onvolmaakte menigte.

Praeterea, idem est veritatem aliquam occultare silentio, et obscuritate verborum. Sed Christus veritatem quam praedicabat, occultabat turbis obscuritate verborum, quia sine parabolis non loquebatur ad eos, ut dicitur Matth. XIII. Ergo pari ratione poterat occultari silentio. (IIIa q. 42 a. 3 arg. 3)

3 — Een waarheid met stilzwijgendheid omhullen is hetzelfde als ze omhullen met duistere woorden. Maar Christus verborg de waarheid, welke Hij preekte, in duistere woorden, daar “Hij hen niet zonder gelijkenissen toesprak”, zoals Mattheus zegt (13, 34). Dus had zij om dezelfde reden verborgen kunnen worden in stilzwijgen.

Sed contra est quod ipse dicit, Ioan. XVIII, in occulto locutus sum nihil. (IIIa q. 42 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter, wat Hij zelf zegt (Joannes, 18, 20): « Nooit heb Ik iets in het geheim gezegd ».

Respondeo dicendum quod doctrina alicuius potest esse in occulto tripliciter. Uno modo, quantum ad intentionem docentis, qui intendit suam doctrinam non manifestare multis, sed magis occultare. Quod quidem contingit dupliciter. Quandoque ex invidia docentis, qui vult per suam scientiam excellere, et ideo scientiam suam non vult aliis communicare. Quod in Christo locum non habuit, ex cuius persona dicitur, Sap. VII, quam sine fictione didici, et sine invidia communico, et honestatem illius non abscondo. Quandoque vero hoc contingit propter inhonestatem eorum quae docentur, sicut Augustinus dicit, super Ioan., quod quaedam sunt mala quae portare non potest qualiscumque pudor humanus. Unde de doctrina haereticorum dicitur, Prov. IX, aquae furtivae dulciores sunt. Doctrina autem Christi non est neque de errore neque de immunditia. Et ideo dominus dicit, Marci IV, nunquid venit lucerna, idest vera et honesta doctrina, ut sub modio ponatur? Alio modo aliqua doctrina est in occulto, quia paucis proponitur. Et sic etiam Christus nihil docuit in occulto, quia omnem doctrinam suam vel turbae toti proposuit, vel omnibus suis discipulis in communi. Unde Augustinus dicit, super Ioan., quis in occulto loquitur, cum coram tot hominibus loquitur? Praesertim si hoc loquitur paucis, quod per eos velit innotescere multis? Tertio modo aliqua doctrina est in occulto, quantum ad modum docendi. Et sic Christus quaedam turbis loquebatur in occulto, parabolis utens ad annuntianda spiritualia mysteria, ad quae capienda non erant idonei vel digni. Et tamen melius erat eis vel sic, sub tegumento parabolarum, spiritualium doctrinam audire, quam omnino ea privari. Harum tamen parabolarum apertam et nudam veritatem dominus discipulis exponebat, per quos deveniret ad alios, qui essent idonei, secundum illud II Tim. II, quae audisti a me per multos testes, haec commenda fidelibus hominibus, qui idonei erunt et alios docere. Et hoc significatum est Num. IV, ubi mandatur quod filii Aaron involverent vasa sanctuarii, quae Levitae involuta portarent. (IIIa q. 42 a. 3 co.)

Op drie manieren kan iemands leer verborgen zijn. Eerstens wat de bedoeling van de leeraar betreft, wanneer hij niet de bedoeling heeft, zijn leer niet aan velen openbaar te maken, maar veeleer te verbergen. Wat op twee manieren kan geschieden. Soms uit afgunst van de leeraar, die door zijn wetenschap wil uitblinken, en daarom zijn wetenschap niet aan anderen wil meedelen. Wat niet het geval is geweest bij Christus, over wiens persoon in het Boek der Wijsheid (7, 13) geschreven staat: « Met oprechtheid leerde ik haar kennen en met mildheid deel ik haar mede; ik verberg haar rijkdom niet ». — Soms echter gebeurt zo iets, om de slechtheid van wat geleerd wordt, zoals Augustinus zegt in zijn 96e Verhandeling over Joannes, dat sommige dingen zo slecht zijn, dat het eergevoel van geen mens het verdragen kan. Vandaar wordt er van de leer der ketters gezegd in het Boek der Spreuken (9, 17): « Gestolen wateren zijn de zoetste ». Christus' leer echter heeft niets te maken met dwaling noch met onzuivere bedoeling. (Ie Brief aan de Thess., 2, 3). Vandaar zegt de Heer bij Marcus (4, 21): « Haalt men soms de lamp d. i. de ware en zuivere leer, om ze onder de korenmaat te zetten? » Een andere manier, waarop een leer in het verborgen kan zijn, is, omdat ze aan weinigen wordt voorgesteld. En ook zo heeft Christus niets in het verborgen geleerd, omdat Hij al zijn leer, ofwel aan het hele volk voorstelde, ofwel aan al zijn leerlingen samen. Vandaar zegt Augustinus in zijn 113° Verhandeling over Joannes: « Spreekt er soms iemand in het verborgen wanneer hij in het bijzijn van zoveel mensen spreekt? Vooral wanneer hij aan weinigen zegt, wat hij door hen aan velen wil doen bekend maken? Op de derde manier kan een leer om de wijze van leren in het verborgen zijn. En zo opgevat sprak Christus sommige dingen in het verborgen tot het volk, wanneer Hij namelijk parabels gebruikte om geestelijke geheimen aan te kondigen, daar ze nog niet geschikt of waardig waren om het te begrijpen. En toch was het voor hen beter, dat ze die geestelijke leer zo, verborgen in parabels, hoorden, dan dat ze er geheel van verstoken bleven. Aan zijn leerlingen legde de Heer echter de waarheid van die parabels open en bloot, en door hen zou ze dan tot de anderen komen, die er geschikt voor waren, volgens het woord uit de Tweede Brief aan Timotheus (2, 2): « Wat ge van mij onder vele getuigen gehoord hebt, draagt dat aan betrouwbare mannen over, die geschikt zijn ook anderen te onderrichten ». En dit werd voorbeduid in het Boek der Getallen, waar het bevel gegeven wordt dat de zonen van Aaron de vaten van het heiligdom moeten bedekken, welke de Levieten bedekt moeten dragen.

Ad primum ergo dicendum quod, sicut Hilarius dicit, super Matth., exponens illud verbum inductum, non legimus dominum solitum fuisse noctibus sermocinari, et doctrinam in tenebris tradidisse, sed hoc dicit, quia omnis sermo eius carnalibus tenebrae sunt, et verbum eius infidelibus nox est. Itaque quod ab eo dictum est, inter infideles cum libertate fidei et confessionis est loquendum. Vel, secundum Hieronymum, comparative loquitur, quia videlicet erudiebat eos in parvo Iudaeae loco, respectu totius mundi, in quo erat per apostolorum praedicationem doctrina Christi publicanda. (IIIa q. 42 a. 3 ad 1)

1 — Hierop is te antwoorden, met de woorden uit de commentaar welke Hilarius geeft op de woorden, welke in de bedenking aangevoerd worden: « Wij lezen niet, dat de Heer de gewoonte had ’s nachts redevoeringen uit te spreken, noch dat Hij zijn leer in de duisternis verkondigd heeft: maar Hij drukt zich zo uit, omdat al zijn redevoeringen voor vleselijke mensen als duisternis zijn, en zijn woord voor ongelovigen als nacht. Wat derhalve door Hem gezegd is, moet onder de ongelovigen gesproken worden met de vrijheid van het geloof en de belijdenis ». Of men zou kunnen zeggen, zoals Hieronymus doet, dat Hij hier vergelijkenderwijs spreekt, omdat Hij hen namelijk onderrichtte in een kleine plaats van Judea, klein in vergelijking met de gehele wereld, waarin de leer van Christus door de prediking der apostelen openlijk moest bekendgemaakt worden.

Ad secundum dicendum quod dominus non omnia profunda suae sapientiae sua doctrina manifestavit, non solum turbis, sed nec etiam discipulis, quibus dixit, Ioan. XVI, adhuc habeo vobis multa dicere, quae non potestis portare modo. Sed tamen quaecumque dignum duxit aliis tradere de sua sapientia, non in occulto, sed palam proposuit, licet non ab omnibus intelligeretur. Unde Augustinus dicit, super Ioan., intelligendum est ita dixisse dominum, palam locutus sum mundo, ac si dixisset, multi me audierunt. Et rursus non erat palam, quia non intelligebant. (IIIa q. 42 a. 3 ad 2)

2 — De Heer heeft niet al de diepten van zijn wijsheid door zijn leer bekend gemaakt, niet alleen niet aan de scharen, maar zelfs niet aan de Apostelen, tot wie Hij zei (Joannes, 16, 12): « Nog veel meer heb Ik u te zeggen, doch ge kunt het thans niet dragen ». Wat Hij echter van zijn wijsheid aan anderen waardig achtte mede te delen, dat heeft Hij hen niet in het verborgen, maar in het openbaar voorgesteld: ook al werd het dan niet door allen begrepen. Vandaar zegt Augustinus in zijn 113e Verhandeling over Joannes: « Wat Christus gezegd heeft « Openlijk heb Ik tot de wereld gesproken », moet verstaan worden alsof Hij gezegd had « Velen hebben Mij gehoord ». En van de andere kant was het weer niet in het openbaar, omdat ze het niet begrepen hadden ».

Ad tertium dicendum quod turbis dominus in parabolis loquebatur, sicut dictum est, quia non erant digni nec idonei nudam veritatem accipere, quam discipulis exponebat. Quod autem dicitur quod sine parabolis non loquebatur eis, secundum Chrysostomum intelligendum est quantum ad illum sermonem, quamvis alias et sine parabolis multa turbis locutus fuerit. Vel, secundum Augustinum, in libro de quaest. Evang., hoc dicitur, non quia nihil proprie locutus est, sed quia nullum fere sermonem explicavit ubi non per parabolam aliquid significaverit, quamvis in eo aliqua proprie dixerit. (IIIa q. 42 a. 3 ad 3)

3 — De Heer sprak tot de scharen in parabels, omdat zoals gezegd is in de Leerstelling, ze noch waardig noch in staat waren de onverbloemde waarheid te ontvangen, welke Hij aan de leerlingen uiteenzette. Wat er echter gezegd wordt, dat Hij zonder gelijkenissen niet tot hen sprak, dat slaat volgens Chrysostomus op die ene rede: want op andere plaatsen heeft Hij ook veel zonder parabels tot de scharen gezegd. — Men kan het ook uitleggen zoals Augustinus het doet in zijn werk Vraagstukken aangaande het Evangelie (volgens Mattheus, 17e B., 15e Vr.): « (dit wordt op die manier uitgedrukt) niet omdat Hij niets in eigen woorden gezegd heeft, maar omdat Hij bijna geen rede ontwikkelde, zonder er iets door een parabel in aan te duiden, ofschoon Hij er sommige dingen op de gewone manier in zei ».

Articulus 4.
Had Christus zijn leer op schrift moeten stellen?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod Christus doctrinam suam debuerit scripto tradere. Scriptura enim inventa est ad hoc quod doctrina commendetur memoriae in futurum. Sed doctrina Christi duratura erat in aeternum, secundum illud Luc. XXI, caelum et terra transibunt, verba autem mea non transibunt. Ergo videtur quod Christus doctrinam suam debuerit scripto mandare. (IIIa q. 42 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus zijn leer op schrift had moeten stellen. Het schrift is immers uitgevonden, opdat wat geleerd wordt voortdurend in herinnering zou kunnen blijven. Maar Christus’ leer moest tot in de eeuwigheid voortduren, volgens het woord van *Lucas* (21, 33): « Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan ». Dus schijnt het wel, dat Christus zijn leer op schrift had moeten stellen.

Praeterea, lex vetus in figura Christi praecessit, secundum illud Heb. X, umbram habet lex futurorum bonorum. Sed lex vetus a Deo fuit descripta, secundum illud Exod. XXIV, dabo tibi duas tabulas lapideas, et legem ac mandata quae scripsi. Ergo videtur quod etiam Christus doctrinam suam scribere debuerit. (IIIa q. 42 a. 4 arg. 2)

2 — De oude wet was een voorafbeelding van Christus, volgens het woord uit de *Brief aan de Hebreeën* (10, 1): « De Wet bezit slechts de schaduw der toekomstige goederen ». Maar de oude Wet was door God opgeschreven, blijkens de woorden uit het *Boek van de Uittocht* (24, 12): « Ik zal U twee stenen tafelen geven, en de wet en de geboden welke Ik daarop geschreven heb ». Dus schijnt het wel, dat ook Christus zijn leer had moeten schrijven.

Praeterea, ad Christum, qui venerat illuminare his qui in tenebris et in umbra mortis sedent, ut dicitur Luc. I, pertinebat erroris occasionem excludere, et viam fidei aperire. Sed hoc fecisset doctrinam suam scribendo, dicit enim Augustinus, in I de Consens. Evang., quod solet nonnullos movere cur ipse dominus nihil scripserit, ut aliis de illo scribentibus necesse sit credere. Hoc enim illi vel maxime Pagani quaerunt qui Christum culpare aut blasphemare non audent, eique tribuunt excellentissimam sapientiam, sed tamen tanquam homini. Discipulos vero eius dicunt magistro suo amplius tribuisse quam erat, ut eum filium Dei dicerent, et verbum Dei, per quod facta sunt omnia. Et postea subdit, videntur parati fuisse hoc de illo credere quod de se ipse scripsisset, non quod alii de illo pro suo arbitrio praedicassent. Ergo videtur quod Christus ipse doctrinam suam scripto tradere debuerit. (IIIa q. 42 a. 4 arg. 3)

3 — Omdat Christus gekomen was om te verlichten, die in duisternis zijn, en in de schaduw van de dood zijn gezeten (Lucas, 1, 79) was het zijn taak iedere aanleiding tot dwalen weg te nemen, en de weg des geloofs open te stellen. Maar dit zou Hij gedaan hebben, als Hij zijn leer had opgeschreven. Want Augustinus zegt in het 1e boek Over de Overeenstemming der Evangelien (7e H.) dat het een nogal voorkomend verschijnsel is, dat sommigen verontrust worden door het feit, dat de Heer zelf niets geschreven heeft, zodat het nodig is geloof te slaan aan anderen, die over Hem schrijven. Want zo iets missen wel vooral die heidenen, die het niet wagen Christus te beschuldigen en te lasteren en Hem de verhevenste wijsheid toeschrijven, maar toch als aan een mens. Zij zeggen dan, dat de leerlingen Hem meer toeschrijven, dan Hij was: daar ze Hem namelijk Zoon van God noemen, en Woord Gods, waardoor alles gemaakt is ». En verderop voegt hij er aan toe: « Het schijnt wel, dat ze bereid zouden geweest zijn, datgene van Hem te geloven, wat Hij over zichzelf zou geschreven hebben, en niet wat anderen van Hem op eigen gelegenheid verkondigd hebben ». Het schijnt dus wel, dat Christus zelf zijn leer op schrift had moeten stellen.

Sed contra est quod nulli libri ab eo scripti habentur in canone Scripturae. (IIIa q. 42 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat er geen boeken voorkomen in de Canon der H. Schrift, die door Hem geschreven zijn.

Respondeo dicendum conveniens fuisse Christum doctrinam suam non scripsisse. Primo quidem, propter dignitatem ipsius. Excellentiori enim doctori excellentior modus doctrinae debetur. Et ideo Christo, tanquam excellentissimo doctori, hic modus competebat, ut doctrinam suam auditorum cordibus imprimeret. Propter quod dicitur Matth. VII, quod erat docens eos sicut potestatem habens. Unde etiam apud gentiles Pythagoras et Socrates, qui fuerunt excellentissimi doctores, nihil scribere voluerunt. Scripta enim ordinantur ad impressionem doctrinae in cordibus auditorum sicut ad finem. Secundo, propter excellentiam doctrinae Christi, quae litteris comprehendi non potest, secundum illud Ioan. ult., sunt et alia multa quae fecit Iesus, quae si scribantur per singula, nec ipsum arbitror mundum capere eos qui scribendi sunt libros. Quos, sicut Augustinus dicit, non spatio locorum credendum est mundum capere non posse, sed capacitate legentium comprehendi non posse. Si autem Christus scripto suam doctrinam mandasset, nihil altius de eius doctrina homines existimarent quam quod Scriptura contineret. Tertio, ut ordine quodam ab ipso doctrina ad omnes perveniret, dum ipse scilicet discipulos suos immediate docuit, qui postmodum alios verbo et scripto docuerunt. Si autem ipsemet scripsisset, eius doctrina immediate ad omnes pervenisset. Unde et de sapientia dicitur, Prov. IX, quod misit ancillas suas vocare ad arcem. Sciendum tamen est, sicut Augustinus dicit, in I de Consens. Evang., aliquos gentiles existimasse Christum quosdam libros scripsisse continentes quaedam magica, quibus miracula faciebat, quae disciplina Christiana condemnat. Et tamen illi qui Christi libros tales se legisse affirmant, nulla talia faciunt qualia illum de libris talibus fecisse mirantur. Divino etiam iudicio sic errant ut eosdem libros ad Petrum et Paulum dicant tanquam epistolari titulo praenotatos, eo quod in pluribus locis simul eos cum Christo pictos viderunt. Nec mirum si a pingentibus fingentes decepti sunt. Toto enim tempore quo Christus in carne mortali cum suis discipulis vixit, nondum erat Paulus discipulus eius. (IIIa q. 42 a. 4 co.)

Het is passend geweest, dat Christus zijn leer niet opgeschreven heeft. En wel ten eerste, om zijn waardigheid. Bij de verhevenste leeraar behoort immers de verhevenste wijze van leeraren. En daarom paste bij Christus deze wijze van doen, dat Hij zijn leer in de harten van zijn toehoorders inprentte. Vandaar staat er bij Mattheus (7, 29), dat Hij leerde als een die gezag heeft. Vandaar dan ook, dat bij de heidenen Pythagoras en Socrates, die de uitstekendste leeraren waren, niets hebben willen schrijven. Het geschrevene heeft immers tot doel, een leer in de harten der toehoorders te prenten. Ten tweede, om de verhevenheid der leer van Christus, die door geen geschrift kan omvat worden: volgens het gezegde van Joannes (20, 25): « Er is nog veel meer wat Christus gedaan heeft: zo het stuk voor stuk werd beschreven dan zou zelfs de wereld dunkt me, de boeken niet kunnen bevatten, die er over te schrijven zijn ». Wat volgens Augustinus niet betekent, « dat de wereld ze niet in haar ruimte kan bevatten, maar het bevattingsvermogen der lezers ze niet kan omvatten ». Indien Christus echter zijn leer op schrift gesteld zou hebben, dan zouden de mensen gaan denken, dat zijn leer niet uitgaat boven wat er van opgeschreven zou staan. Ten derde, opdat in een bepaalde orde zijn leer van Hem tot allen zou komen: in zover Hij nl. zelf zijn leerlingen onmiddellijk onderrichtte, die naderhand weer anderen in woord en geschrift onderricht hebben. Indien Hij nu zelf geschreven had, dan zou zijn leer onmiddellijk tot allen gekomen zijn. Vandaar wordt er ook van de wijsheid gezegd in het Boek der Spreuken (9, 3): « dat zij hare dienstmaagden heeft uitgezonden naar de burg, om hare uitnoodiging te doen ». Men moet er echter wel bij in aanmerking nemen, dat, zoals Augustinus zegt, in het 1e boek van zijn werk Over de Overeenstemming der Evangelien (9e en 10e H.) sommige heidenen gemeend hebben, dat Christus enkele boeken geschreven heeft, waarin tooverformules voorkwamen, welke Hij gebruikte als Hij wonderen deed; maar dit wordt door de christelijke leer veroordeeld. « Maar zij, die beweren dergelijke boeken van Christus gelezen te hebben, doen toch zelf die dingen, waarvoor ze dan zo in bewondering staan, dat Hij ze met die boeken deed, niet. Onder Gods toelating gaat hun dwaling zelfs zóó ver, dat ze dezelfde boeken aan Petrus en Paulus toeschrijven, alsof het er buiten op stond. En ze komen daartoe omdat ze hen op vele plaatsen samen met Christus afgebeeld hebben zien staan. Het zou dan ook niet te verwonderen zijn, als ze in hun fantasie door schilders op een dwaalspoor gebracht zijn. Want al de tijd, dat Christus in sterfelijk vlees met zijn leerlingen geleefd heeft, was Paulus nog geen leerling van Hem ».

Ad primum ergo dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in eodem libro, omnibus discipulis suis tanquam membris sui corporis Christus caput est. Itaque, cum illi scripserunt quae ille ostendit et dixit, nequaquam dicendum est quod ipse non scripserit. Quandoquidem membra eius id operata sunt quod, dictante capite, cognoverunt. Quidquid enim ille de suis factis et dictis nos legere voluit, hoc scribendum illis tanquam suis manibus imperavit. (IIIa q. 42 a. 4 ad 1)

1 — Hierop is te antwoorden met de woorden van Augustinus uit hetzelfde werk, geciteerd in de leerstelling: « Christus is het hoofd van al zijn leerlingen, omdat ze ledematen zijn van zijn lichaam. Men mag dus niet zeggen, dat Hij zelf niet geschreven heeft, nu zij hebben opgeschreven wat Hij geopenbaard en gezegd heeft. Zijn ledematen hebben dan ook datgene tot uitvoering gebracht wat zij wisten door de bevelen van het hoofd. Want alles wat Hij wilde dat wij zouden lezen omtrent zijn daden en woorden, dat droeg Hij aan hen, als aan zijn handen, op om het op te schrijven ».

Ad secundum dicendum quod, quia lex vetus in sensibilibus figuris dabatur, ideo etiam convenienter sensibilibus signis scripta fuit. Sed doctrina Christi, quae est lex spiritus vitae, scribi debuit, non atramento, sed spiritu Dei vivi, non in tabulis lapideis, sed in tabulis cordis carnalibus, ut apostolus dicit, II Cor. III. (IIIa q. 42 a. 4 ad 2)

2 — Omdat de oude wet gegeven werd in zichtbare voorstellingen, daarom was het ook passend, dat ze in zichtbare tekenen werd neergeschreven. Maar Christus’ leer, die een wet is van de Geest, een wet van leven, behoorde niet met inkt geschreven te worden, maar met de Geest van de levende God; niet op stenen tafelen, maar op de vleeslijke tafelen van het hart, zoals de Apostel zegt in zijn Tweede Brief aan de Korinthiërs (3, 3).

Ad tertium dicendum quod illi qui Scripturae apostolorum de Christo credere nolunt, nec ipsi Christo scribenti credidissent, de quo opinabantur quod magicis artibus fecisset miracula. (IIIa q. 42 a. 4 ad 3)

3 — Zij, die geen geloof willen slaan aan de geschriften der apostelen over Christus, zouden ook aan Christus zelf geen geloof geslagen hebben, van wie ze dachten, dat Hij met duivelskunsten wonderen had gedaan.