Tertia Pars. Quaestio 69. Over de uitwerkselen van het doopsel .
Prooemium
Deinde considerandum est de effectibus Baptismi. Et circa hoc quaeruntur decem. Primo,
utrum per Baptismum auferantur omnia peccata. Secundo, utrum per Baptismum liberetur
homo ab omni poena. Tertio, utrum Baptismus auferat poenalitatem huius vitae. Quarto,
utrum per Baptismum conferantur homini gratiae et virtutes quinto, de effectibus virtutum
qui per Baptismum conferuntur. Sexto, utrum etiam parvuli in Baptismo gratias et virtutes
accipiant. Septimo, utrum per Baptismum aperiatur baptizatis ianua regni caelestis.
Octavo, utrum Baptismus aequalem effectum habeat in omnibus baptizatis. Nono, utrum
fictio impediat effectum Baptismi. Decimo, utrum, recedente fictione, Baptismus obtineat
suum effectum. (IIIa q. 69 pr.)
Thans zullen we de uitwerkselen van het doopsel bespreken. Desaangaande zouden we
tien verschillende vragen moeten beantwoorden. Ten eerste: worden alle zonden door
het doopsel weggenomen? Ten tweede: wordt de mens door het doopsel alle straf kwijtgescholden?
Ten derde: neemt het doopsel de kwellingen die de mensen door de erfzonde opliepen
weg? Ten vierde: worden de mensen door het doopsel met de heiligmakende genade en
met de deugden begiftigd? Ten vijfde: welke zijn de uitwerkselen van de deugden ons
door het doopsel geschonken? Ten zesde: erlangen ook kleine kinderen bij het doopsel
genade en deugden? Ten zevende: wordt de deur des hemels door het doopsel voor de
gedoopten opengezet? Ten achtste: heeft het doopsel in alle gedoopten hetzelfde uitwerksel?
Ten negende: staat geveinsdheid de uitwerkselen van het doopsel in de weg? Ten tiende:
erlangt het doopsel wanneer eens geveinsdheid voor oprechtheid opbreekt, zijn uitwerksel?
Articulus 1. Worden alle zonden door het doopsel weggenomen?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod per Baptismum non tollantur omnia peccata.
Baptismus enim est quaedam spiritualis regeneratio, quae contraponitur generationi
carnali. Sed per generationem carnalem homo contrahit solum originale peccatum. Ergo
per Baptismum solvitur solum originale peccatum. (IIIa q. 69 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert dat niet alle zonden door het doopsel worden weggenomen. Het doopsel is
een geestelijke wedergeboorte die aan de lichamelijke geboorte beantwoordt. Door de
lichamelijke geboorte nu wordt de mens enkel met de erfzonde belast. Zo zal dus door
het doopsel enkel de erfzonde worden weggenomen.
Praeterea, poenitentia est sufficiens causa remissionis actualium peccatorum. Sed
ante Baptismum in adultis requiritur poenitentia, secundum illud Act. II, poenitentiam
agite, et baptizetur unusquisque vestrum. Ergo Baptismus nihil operatur circa remissionem
peccatorum actualium. (IIIa q. 69 a. 1 arg. 2)
2 — Boetvaardigheid volstaat om vergiffenis van dadelijke zonde te erlangen. Welnu, voor
het doopsel moeten de volwassenen boetewerken verrichten; er staat immers in de Handelingen
der Apostelen (2, 38): « Doet boetvaardigheid en ontvang het heilig doopsel. » Zo
heeft dus het doopsel zelf geen invloed op de vergiffenis der zonde.
Praeterea, diversorum morborum diversae sunt medicinae, quia, sicut Hieronymus dicit,
non sanat oculum quod sanat calcaneum. Sed peccatum originale, quod per Baptismum
tollitur, est aliud genus peccati a peccato actuali. Ergo non omnia peccata remittuntur
per Baptismum. (IIIa q. 69 a. 1 arg. 3)
3 — Voor uiteenlopende ziekten zijn uiteenlopende geneesmiddelen geeigend; wat de voeten
geneest, geneest daarom nog niet de ogen, zoals de H. Hieronimus zegt. Welnu de erfzonde
die door het doopsel wordt weggenomen behoort tot een ander soort van zonden dan de
dadelijke zonden. Zo neemt dus het doopsel niet alle zonden weg.
Sed contra est quod dicitur Ezech. XXXVI, effundam super vos aquam mundam, et mundabimini
ab omnibus inquinamentis vestris. (IIIa q. 69 a. 1 s. c.)
Daartegenover echter staat wat profeet Ezechiël zegt: « Ik zal over u rein water storten
en jij zult van al jouw ongerechtigheden gereinigd worden. »
Respondeo dicendum quod, sicut apostolus dicit, Rom. VI, quicumque baptizati sumus
in Christo Iesu, in morte ipsius baptizati sumus. Et postea concludit, ita et vos
existimate mortuos quidem esse peccato, viventes autem Deo in Christo Iesu domino
nostro. Ex quo patet quod per Baptismum homo moritur vetustati peccati, et incipit
vivere novitati gratiae. Omne autem peccatum pertinet ad pristinam vetustatem. Unde
consequens est quod omne peccatum per Baptismum tollatur. (IIIa q. 69 a. 1 co.)
De apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (6, 3): « Wij allen die gedoopt werden
in Jezus-Christus werden in zijn dood gedoopt. » En hij voegt er aan toe: « Eveneens
moet ook gij bedenken dat gij voor de zonde dood zijt, maar in God leeft, en Christus
Jezus. » — Daaruit volgt dat de mens door het doopsel voor het oude leven van zonde
sterft en een nieuw leven van genade begint te leven. Welnu, elke zonde gaat op het
oude leven terug. Zo besluiten we dus dat alle zonden door het doopsel worden weggenomen.
Ad primum ergo dicendum quod, sicut apostolus dicit, Rom. V, peccatum Adae non tantum
potest quantum donum Christi, quod in Baptismo percipitur, nam iudicium ex uno in
condemnationem, gratia autem ex multis delictis in iustificationem. Unde et Augustinus
dicit, in libro de Baptismo parvulorum, quod, generante carne, tantummodo trahitur
peccatum originale, regenerante autem spiritu, non solum originalis, sed etiam voluntariorum
fit remissio peccatorum. (IIIa q. 69 a. 1 ad 1)
1 — De apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (5, 15) dat de kracht van Adams zonde
niet zoveel uitwerkt als de kracht van de gaven van Jezus-Christus, die wij in het
doopsel ontvangen: « Want om wille van zonde werden we veroordeeld maar na veel overtredingen
worden we door de genade rechtvaardig gemaakt. » Derhalve schrijft St. Augustinus
in zijn Boek: « Het doopsel der kleine kinderen » (1, 15, 7): « Door de lichamelijke
geboorte worden we enkel met de erfzonde belast, maar als de geest ons doet wedergeboren
worden, dan krijgen we niet alleen vergiffenis van de erfzonde maar ook van alle andere
vrijwillige zonden. »
Ad secundum dicendum quod nullius peccati remissio fieri potest nisi per virtutem
passionis Christi, unde et apostolus dicit, Heb. IX, quod sine sanguinis effusione
non fit remissio. Unde motus voluntatis humanae non sufficeret ad remissionem culpae,
nisi adesset fides passionis Christi et propositum participandi ipsam, vel suscipiendo
Baptismum, vel subiiciendo se clavibus Ecclesiae. Et ideo, quando aliquis adultus
poenitens ad Baptismum accedit, consequitur quidem remissionem omnium peccatorum ex
proposito Baptismi, perfectius autem ex reali susceptione Baptismi. (IIIa q. 69 a. 1 ad 2)
2 — Behalve door de kracht van het lijden van Christus gaat het niet aan vergiffenis van
zonden te bekomen; daarom zegt de apostel in de Brief aan de Hebreërs (9, 12): « Zonder
bloedstorting wordt geen vergiffenis geschonken. » Daaruit volgt dat, zonder geloof
in het lijden van Christus en zonder het opzet er door het doopsel of door zich aan
de sleutelmacht der Kerk te onderwerpen, aan deelachtig te worden, boetvaardigheid
om vergiffenis te erlangen, niet volstaat.
Ad tertium dicendum quod ratio illa procedit de particularibus medicinis. Baptismus
autem operatur in virtute passionis Christi, quae est universalis medicina omnium
peccatorum, et per Baptismum omnia peccata solvuntur. (IIIa q. 69 a. 1 ad 3)
3 — Het voorgelegde bezwaar kan wel van bijzondere geneesmiddelen gelden, maar het doopsel
werkt uit kracht van het lijden van Christus dat een voor alle zonden geldend geneesmiddel
is. Zo worden dus door het doopsel alle zonden vergeven.
Articulus 2. Wordt de mens door het doopsel van alle straf ontslagen?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod per Baptismum non liberetur homo ab omni
reatu peccati. Dicit enim apostolus, Rom. XIII, quae a Deo sunt, ordinata sunt. Sed
culpa non ordinatur nisi per poenam, ut Augustinus dicit. Ergo per Baptismum non tollitur
reatus poenae praecedentium peccatorum. (IIIa q. 69 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert dat door het doopsel de mens niet van alle straf ontslagen wordt. De apostel
zegt in de Brief aan de Romeinen (13, 1) : « Wat van God komt geschiedt met orde ».
Welnu de heilige Augustinus zegt in zijn Boek « De vrije wil » (3, 18) dat « de orde
door de zonde gestoord enkel door de straf hersteld wordt ». Zo wordt dus door het
doopsel de straf voor voorgaande zonden niet weggenomen.
Praeterea, effectus sacramenti aliquam similitudinem habet cum ipso sacramento, quia
sacramenta novae legis efficiunt quod figurant, ut supra dictum est. Sed ablutio baptismalis
habet quidem aliquam similitudinem cum ablutione maculae, nullam autem similitudinem
habere videtur cum subtractione reatus poenae. Non ergo per Baptismum tollitur reatus
poenae. (IIIa q. 69 a. 2 arg. 2)
2 — De uitwerkselen van een sacrament hebben een zekere gelijkenis met het sacrament zelf;
er werd immers hierboven (62e Kw. 1e art., antw. op de 1e Bedenk.) beweerd dat de
sacramenten wat ze te kennen geven teweegbrengen. Welnu de wassing die bij het doopsel
geschiedt biedt wel enige gelijkenis met het wegnemen van een vlek, maar zeker niet
met het wegnemen van de zondestraffen. Zo wordt dus de zondestraffen door het doopsel
niet weggenomen.
Praeterea, sublato reatu poenae, aliquis non remanet dignus poena, et ita iniustum
esset eum puniri. Si igitur per Baptismum tollitur reatus poenae, iniustum esset post
Baptismum suspendere latronem, qui antea homicidium commisit. Et ita per Baptismum
tolleretur rigor humanae disciplinae, quod est inconveniens. Non ergo per Baptismum
tollitur reatus poenae. (IIIa q. 69 a. 2 arg. 3)
3 — Als iemand van straf wordt vrijgesteld, dan is hij verder niets meer schuldig, en
het zou onrechtvaardig zijn hem nog te straffen. Welnu, indien het doopsel van straf
ontsloeg, dan zou het onrechtvaardig zijn een rover die even het doopsel ontvangen
heeft, zelfs als hij te voren een moordaanslag begaan had op te knopen, en aldus zou
door het doopsel de strengheid der menselijke tucht ontzenuwd worden. Dit nu zou ten
zeerste ongepast zijn en zo wordt dus de straf voor de zonde door het doopsel niet
weggenomen.
Sed contra est quod Ambrosius dicit, super illud Rom. XI, sine poenitentia sunt dona
Dei et vocatio, gratia, inquit, Dei in Baptismo omnia gratis condonat. (IIIa q. 69 a. 2 s. c.)
Daartegenover staat echter wat Sint Ambrosius over de woorden van Sint Paulus in de
Brief aan de Romeinen (11, 29) : « Want nooit heeft God over zijn genadegaven en zijn
roeping berouw » zei dat namelijk. « bij het doopsel de genade van God alles vergeeft
».
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, per Baptismum aliquis incorporatur
passioni et morti Christi, secundum illud Rom. VI, si mortui sumus cum Christo, credimus
quia etiam simul vivemus cum Christo. Ex quo patet quod omni baptizato communicatur
passio Christi ad remedium ac si ipse passus et mortuus esset. Passio autem Christi,
sicut supra dictum est, est sufficiens satisfactio pro omnibus peccatis omnium hominum.
Et ideo ille qui baptizatur liberatur a reatu omnis poenae sibi debitae pro peccatis,
ac si ipse sufficienter satisfecisset pro omnibus peccatis suis. (IIIa q. 69 a. 2 co.)
Zoals hierboven werd aangeduid (68e Kw. 5e art.) wordt door het doopsel iemand bij
het lijden en de dood van Christus ingelijfd; in de Brief aan de Romeinen (6, 8) staat
immers : « Indien we met Christus gestorven zijn, dan geloven we dat we eens samen
met hem zullen leven. » — Daaruit volgt echter dat het lijden van Christus aan de
gedoopte als geneesmiddel, alsof hij namelijk zelf geleden had en gestorven was, wordt
medegedeeld. Welnu zoals we hierboven (68e Kw., art. 5) aantoonden, kan het lijden
van Christus als genoegdoening voor alle zonden van alle mensen volstaan. Zo wordt
dus de gedoopte, net alsof hijzelf voor de verdienende straffen voldoende genoegdoening
geschonken had, van alle straffen die hij door zijn zonden opliep ontslagen.
Ad primum ergo dicendum quod, quia poena passionis Christi communicatur baptizato,
inquantum fit membrum Christi, ac si ipse poenam illam sustinuisset, eius peccata
remanent ordinata per poenam passionis Christi. (IIIa q. 69 a. 2 ad 1)
1 — Daar de gedoopte als lidmaat van Christus, net alsof hij zelf die kwelling had onderstaan,
deelgenoot wordt aan de kwelling van Christus’ lijden, zo wordt bijgevolg de gestoorde
orde door de kwelling van Christus’ lijden hersteld.
Ad secundum dicendum quod aqua non solum abluit, sed etiam refrigerat. Et ita suo
refrigerio significat subtractionem reatus poenae, sicut sua ablutione significat
emundationem a culpa. (IIIa q. 69 a. 2 ad 2)
2 — Het water wast niet alleen maar verfrist ook op; welnu net zoals de wassing het wegnemen
van de schuld te kennen geeft, bewuste verfrissing kwijtschelding van straf te kennen.
Ad tertium dicendum quod in poenis quae iudicio humano inferuntur, non solum attenditur
qua poena sit homo dignus quoad Deum, sed etiam in quo sit obligatus quoad homines,
qui sunt laesi et scandalizati per peccatum alicuius. Et ideo, licet homicida per
Baptismum liberetur a reatu poenae quoad Deum, remanet tamen adhuc obligatus quoad
homines, quos iustum est aedificari de poena, sicut sunt scandalizati de culpa. Pie
tamen talibus princeps posset poenam indulgere. (IIIa q. 69 a. 2 ad 3)
3 — Bij straffen die door een menselijk vonnis bepaald worden, wordt niet alleen nagegaan
in hoever een bepaald mens ten aanzien van God strafwaardig is, maar ook wat hij zoal
aan de mensen die door zijn vergrijp verongelijkt en geërgerd werden, schuldig is.
Daarom dan wordt een moordenaar ook wanneer hij door het doopsel van alle straf tegenover
God ontslagen wordt, in verhouding tot de mensen nog schuldig geacht. Het is immers
billijk dat hij hen die aan zijn vergrijp geërgerd werden thans door zijn straf zou
stichten. Niettemin mag echter de prins uit vroomheid aan zulken de straf kwijtschelden.
Articulus 3. Neemt het doopsel de kwellingen die we om de erfzonde in het huidige leven moeten
dragen weg?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod per Baptismum debeant auferri poenalitates
praesentis vitae. Ut enim apostolus dicit, Rom. V, donum Christi potentius est quam
peccatum Adae. Sed per peccatum Adae, ut ibidem apostolus dicit, mors in hunc mundum
intravit, et per consequens omnes aliae poenalitates praesentis vitae. Ergo multo
magis per donum Christi, quod in Baptismo percipitur, homo a poenalitatibus praesentis
vitae debet liberari. (IIIa q. 69 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert dat dankzij het doopsel de straffen die ons in het tegenwoordige leven
te wachten stonden dienen weg te vallen. In zijn *Brief aan de Romeinen* (5, 15) zegt
de apostel dat: « de gave van Christus vermag meer dan de zonde van Adam ». Welnu,
door de zonde van Adam kwam zoals de apostel op dezelfde plaats zegt de dood en alle
andere kwalen die we op deze wereld onderstaan in de wereld. Zo moest dus door toedoen
van de gave van Christus die we bij het doopsel ontvangen de mens nog veel eerder
van al die straffen worden vrijgesteld.
Praeterea, Baptismus aufert et culpam originalem et actualem, sicut supra dictum est.
Sic autem aufert actualem culpam quod liberat ab omni reatu poenae consequentis actualem
culpam. Ergo etiam liberat a poenalitatibus praesentis vitae, quae sunt poena originalis
peccati. (IIIa q. 69 a. 3 arg. 2)
2 — Het doopsel neemt zoals hierboven werd aangeduid (1° art.) de erfzonde en de dadelijke
zonden weg; ja het bevrijdt ons van dadelijke schuld en dientengevolge ook van de
straf die erop volgt. Zo verlost het doopsel ons dus ook van alle kwalen die tot straf
voor de erfzonde moeten dienen.
Praeterea, remota causa, removetur effectus. Sed causa harum poenalitatum est peccatum
originale, quod tollitur per Baptismum. Ergo non debent huiusmodi poenalitates remanere. (IIIa q. 69 a. 3 arg. 3)
3 — Wanneer eens een oorzaak weggenomen werd, blijven ook haar uitwerkingen achterwege.
Welnu, de oorzaak van al de kwalen is de erfzonde die door het doopsel vergeven wordt,
en zo dienen dan ook al die kwellingen niet te blijven.
Sed contra est quod, super illud Rom. VI, destruatur corpus peccati, dicit Glossa,
per Baptismum id agitur ut vetus homo crucifigatur et corpus peccati destruatur, non
ita ut in ipsa vivente carne concupiscentia respersa et innata repente absumatur et
non sit, sed ne obsit mortuo quae inerat nato. Ergo pari ratione nec aliae poenalitates
per Baptismum tolluntur. (IIIa q. 69 a. 3 s. c.)
Daartegenover staat echter wat de Glossa zegt op de woorden van de apostel (Rom. 6,
6): « Onze oude mens werd met Christus gebruikelijk opdat het lichaam der zonde zou
vernietigd worden; niet echter op zulke wijze dat de begeerlijkheid van het vlees
die in het lichaam woont en in de mens geboren wordt dadelijk wordt weggenomen en
verder niet meer bestaat, maar zo dat wat naar aanleiding van de geboorte aanwezig
is na de geestelijke dood geen schade meer kan berokkenen. » Om dezelfde reden dan
worden evenmin andere kwellingen door het doopsel weggenomen.
Respondeo dicendum quod Baptismus habet virtutem auferendi poenalitates praesentis
vitae, non tamen eas aufert in praesenti vita, sed eius virtute auferentur a iustis
in resurrectione, quando mortale hoc induet immortalitatem, ut dicitur I Cor. XV.
Et hoc rationabiliter. Primo quidem, quia per Baptismum homo incorporatur Christo
et efficitur membrum eius, ut supra dictum est. Et ideo conveniens est ut id agatur
in membro incorporato quod est actum in capite. Christus autem a principio suae conceptionis
fuit plenus gratia et veritate, habuit tamen corpus passibile, quod per passionem
et mortem est ad vitam gloriosam resuscitatum. Unde et Christianus in Baptismo gratiam
consequitur quantum ad animam, habet tamen corpus passibile, in quo pro Christo possit
pati; sed tandem resuscitabitur ad impassibilem vitam. Unde apostolus dicit, Rom.
VIII, qui suscitavit Iesum Christum a mortuis, vivificabit et mortalia corpora nostra,
propter inhabitantem spiritum eius in nobis. Et infra eodem, heredes quidem Dei, coheredes
autem Christi, si tamen compatimur, ut et simul glorificemur. Secundo, hoc est conveniens
propter spirituale exercitium, ut videlicet contra concupiscentiam et alias passibilitates
pugnans homo victoriae coronam acciperet. Unde super illud Rom. VI, ut destruatur
corpus peccati, dicit Glossa, si post Baptismum vixerit homo in carne, habet concupiscentiam
cum qua pugnet, eamque, adiuvante Deo, superet. In cuius figura dicitur Iudic. III,
hae sunt gentes quas dominus dereliquit ut erudiret in eis Israelem, et postea discerent
filii eorum certare cum hostibus, et habere consuetudinem praeliandi. Tertio, hoc
fuit conveniens ne homines ad Baptismum accederent propter impassibilitatem praesentis
vitae, et non propter gloriam vitae aeternae. Unde et apostolus dicit, I Cor. XV,
si in hac vita tantum sperantes sumus in Christo, miserabiliores sumus omnibus hominibus. (IIIa q. 69 a. 3 co.)
Het doopsel vermag wel alle kwalen van het tegenwoordige leven weg te nemen, maar
niettemin doet het zulks niet in dit leven; eerst bij de opstanding, wanneer namelijk
« het sterfelijke lichaam onsterfelijkheid zal aandoen » (I Cor., 15, 53) zullen die
uit kracht van het doopsel van de rechtvaardigen weggenomen worden. Dit is ook zeer
redelijk; vooreerst wordt immers door het doopsel de mens bij Christus ingelijfd en
lidmaat van Christus, zoals hierboven bewezen wordt (68° Kw. 5° art., antwoord op
de 1° Bed.). Daarom is het passend dat wat aan het hoofd gebeurt ook aan de ingelijfde
ledematen zou geschieden. Welnu, Christus was van het begin van zijn ontvangenis af
vol van genade en waarheid, maar had niettemin een lijdelijk lichaam dat na zijn lijden
en dood tot een verheerlijkt bestaan verheven is. Daarvandaan dat een christen mens
bij het doopsel voor zijn ziel genade erlangt, en een lijdelijk lichaam behoudt, om
voor Jezus Christus te kunnen lijden; zo zal hij dan ook eenmaal tot een onlijdelijk
bestaan verrijzen en daarom zegt de apostel in zijn Brief aan de Romeinen (8, 11)
: « hij die Jezus Christus van uit de doden opwekte zal ook uw stervend lichaam door
zijn geest die in u woont levend maken » en verder zegt hij nog : « erfgenamen van
God, mede-erfgenamen van Christus, althans indien we lijden met hem om ook met hem
verheerlijkt te worden. » — Ten tweede hoort dat ook zo omwille van de geestelijke
strijd, opdat namelijk de mens bij zijn strijd tegen begeerlijkheid en driften de
zegekroon zou behalen. Daarom zegt de Glossa op de woorden uit de Brief aan de Romeinen
(6, 6) : « Opdat het lichaam van de zonde vernietigd worde ». Indien de mens na het
doopsel in leven blijft zal hij tegen begeerlijkheid moeten strijden en met de hulp
van God zal hij haar beheersen. Zinnebeeldig wordt daarover in het Boek der Rechters
(3, 1) gesproken : « Deze volkeren heeft de Heer om Israël naar de strijd te brengen
en opdat hun zonen ook nog daarna zouden leren met hun vijanden strijden en zich de
krijgskunst eigen maken, achtergelaten. » — Ten derde was dit nog passend opdat de
mens niet zou, om van de kwellingen van het tegenwoordige leven verlost te worden
maar wel om de heerlijkheid van het eeuwige leven, tot het doopsel naderen. Daarvandaan
dat de apostel in de eerste Brief aan de Korinthiërs (15, 19) zegt : « Indien wij
enkel in dit leven in Christus hopen, dan zijn we de ellendigste onder de mensen.
»
Ad primum ergo dicendum quod, sicut Glossa dicit, Rom. VI, super illud, ut ultra non
serviamus peccato, sicut aliquis capiens hostem atrocissimum non statim interficit
eum, sed patitur eum cum dedecore et dolore aliquantulum vivere; ita et Christus prius
poenam alligavit, in futuro autem perimet. (IIIa q. 69 a. 3 ad 1)
1 — De glossa op de woorden uit de Brief aan de Romeinen (6, 6) « opdat we voortaan aan
de zonde niet meer zouden onderworpen zijn » zegt dat evenals iemand, wanneer hij
een allerwreedste vijand gevangen neemt, deze niet aanstonds doodt maar hem enigen
tijd in schande en lijden laat leven, evenzo Christus vooralsnog de kwelling om ze
later helemaal te vernietigen, in boeien geklonken houdt.
Ad secundum dicendum quod, sicut ibidem dicit Glossa, duplex est poena peccati, gehennalis
et temporalis. Gehennalem prorsus delevit Christus, ut eam non sentiant baptizati
et vere poenitentes. Temporalem vero nondum penitus tulit, manet enim fames sitis
et mors. Sed regnum et dominium eius deiecit, ut scilicet haec homo non timeat, et
tandem in novissimo eam penitus exterminabit. (IIIa q. 69 a. 3 ad 2)
2 — Op dezelfde plaats zegt de Glossa dat « er twee verschillende straffen van zonde bestaan,
de hellestraf, namelijk, en de tijdelijke straf. De hellestraf heeft Christus te niet
gedaan, zodat gedoopten en boetvaardige zielen voor haar niet meer moeten vrezen.
De tijdelijke straf heeft hij niet volkomen weggenomen, maar honger en dorst, de dood
en dergelijke straffen meer, blijven voortbestaan. Alleen heeft Christus hun rijk
en hun heerschappij omvergeworpen, zodat de mens ze niet meer dient te vrezen en bij
het eind der tijden zal Christus ze volkomen uitroeien ».
Ad tertium dicendum quod, sicut in secunda parte dictum est, peccatum originale hoc
modo processit quod primo persona infecit naturam, postmodum vero natura infecit personam.
Christus vero converso ordine prius reparat id quod personae est, postmodum simul
in omnibus reparabit id quod naturae est. Et ideo culpam originalis peccati, et etiam
poenam carentiae visionis divinae, quae respiciunt personam, statim per Baptismum
tollit ab homine. Sed poenalitates praesentis vitae, sicut mors, fames, sitis et alia
huiusmodi, respiciunt naturam, ex cuius principiis causantur, prout est destituta
originali iustitia. Et ideo isti defectus non tollentur nisi in ultima reparatione
naturae per resurrectionem gloriosam. (IIIa q. 69 a. 3 ad 3)
3 — In het tweede deel (I-II, 81e Kw. 1e art.) werd aangetoond dat de erfzonde op de volgende
manier wordt voortgezet; eerst heeft de mens de natuur bezoedeld, daarna heeft de
natuur de mensen bezoedeld. Christus daarentegen is andersom te werk gegaan; eerst
heeft hij nl. de personen of beter de mensen hersteld, later zal hij de natuur herstellen.
Daarom neemt hij én de schuld weg van de erfzonde én de straf van de godsbeschouwing
nl. te moeten verstoken blijven, met andere woorden alles wat op de persoon aangewezen
is aanstonds na het doopsel van de mens weg. De kwelling uit het tegenwoordige leven
integendeel zoals honger, dorst en dergelijke gaan op de natuur terug en worden, doordien
de oorspronkelijke rechtvaardigheid ontbreekt, door de natuurbeginselen zelf veroorzaakt.
Daarom dan zullen, tot bij het eind de natuur zelf door een heerlijke opstanding zal
hersteld worden, dergelijke ongeregeldheden blijven voortbestaan.
Articulus 4. Worden de mensen bij het doopsel met genade en deugden toegerust?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod per Baptismum non conferantur homini gratia
et virtutes. Quia, sicut supra dictum est, sacramenta novae legis efficiunt quod figurant.
Sed per ablutionem Baptismi significatur emundatio animae a culpa, non autem informatio
animae per gratiam et virtutes. Videtur igitur quod per Baptismum non conferantur
homini gratia et virtutes. (IIIa q. 69 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert dat bij het doopsel de mens niet met genade en deugden wordt toegerust.
Zoals hierboven gezegd werd (62e Kw. 1e art., antwoord op de 1e bedenking) brengen
de sacramenten teweeg wat ze te kennen geven. Welnu, de wassing die bij het doopsel
geschiedt geeft wel de reiniging van de ziel van alle zonden, maar niet de instorting
van genade en deugden te kennen. Zo blijken bij het doopsel noch genade noch deugden
te worden ingestort.
Praeterea, illud quod iam aliquis adeptus est, non indiget iterum suscipere. Sed aliqui
accedunt ad Baptismum iam habentes gratiam et virtutes; sicut Act. X legitur, vir
quidam erat in Caesarea, nomine Cornelius, centurio cohortis quae dicitur Italica,
religiosus et timens Deum; qui tamen postea a Petro baptizatus est. Non ergo per Baptismum
conferuntur gratia et virtutes. (IIIa q. 69 a. 4 arg. 2)
2 — Wat iemand reeds bezit dient hij niet meer te ontvangen. Welnu, sommige mensen naderen
tot het doopsel wanneer ze reeds deugden bezitten en genade ontvingen. We lezen immers
in de Hand. der Apostelen (10, 1) : « Er was te Cesarea een man Cornelius geheten,
een honderdman uit de zogenaamde Stelischè krijgsbende, vroom en godvrezend ». Die
nu werd naderhand niettemin door Petrus gedoopt. Zo geeft dus het doopsel noch genade
noch deugden.
Praeterea, virtus est habitus, ad cuius rationem pertinet quod sit qualitas difficile
mobilis, per quam aliquis faciliter et delectabiliter operetur. Sed post Baptismum
remanet in hominibus pronitas ad malum, per quod tollitur virtus; et consequitur difficultatem
quis ad bonum, quod est actus virtutis. Ergo per Baptismum non consequitur homo gratiam
et virtutes. (IIIa q. 69 a. 4 arg. 3)
3 — De deugd is een hebbelijkheid, een hoedanigheid dus, die niet licht wegvalt en waardoor
de mens in staat is gemakkelijk en met welgevallen te handelen. Welnu, na het doopsel
blijft in de mens een geneigdheid naar het kwaad voortbestaan waardoor de deugd wordt
te niet gedaan en het bezwaarlijk aangaat het goede waarin ten slotte de deugd gelegen
is te verrichten. Zo erlangt dus de mens bij het doopsel noch genade noch deugden.
Sed contra est quod, ad Tit. III, dicit apostolus, salvos nos fecit per lavacrum regenerationis,
idest per Baptismum, et renovationis spiritus sancti, quem effudit in nos abunde,
idest ad remissionem peccatorum et copiam virtutum, ut Glossa ibidem exponit. Sic
ergo in Baptismo datur gratia spiritus sancti et copia virtutum. (IIIa q. 69 a. 4 s. c.)
Daartegenover staat echter wat de apostel in de Brief aan Titus zegt (3, 5): « Door
een bad van wedergeboorte (d. i. door het doopsel) en door vernieuwing van de Heilige
Geest die hij overvloedig over ons heeft uitgestort, heeft hij ons gered » d. i. zoals
hier de Glossa zegt, tot vergiffenis van onze zonden en tot overvloed van onze deugden.
Zo worden de genaden van de Heilige Geest en overvloedige deugden dus wel degelijk
bij het doopsel geschonken.
Respondeo dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in libro de Baptismo parvulorum,
ad hoc Baptismus valet, ut baptizati Christo incorporentur ut membra eius. A capite
autem Christo in omnia membra eius gratiae et virtutis plenitudo derivatur, secundum
illud Ioan. I, de plenitudine eius nos omnes accepimus. Unde manifestum est quod per
Baptismum aliquis consequitur gratiam et virtutes. (IIIa q. 69 a. 4 co.)
Sint Augustinus zegt in zijn Boek over « het doopsel der kinderen » (1, 26) dat het
doopsel de mensen als ledematen bij Christus inlijft. Welnu, zoals Sint Jan zegt (1,
16) : « uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen », vloeien uit het hoofd dat Christus
is in alle ledematen genaden en volmaaktheid van deugd over. Zo is het dus duidelijk
dat door het doopsel de mens genade en deugden erlangt.
Ad primum ergo dicendum quod, sicut aqua Baptismi per suam ablutionem significat emundationem
culpae, et per suum refrigerium significat liberationem a poena, ita per naturalem
claritatem significat splendorem gratiae et virtutum. (IIIa q. 69 a. 4 ad 1)
1 — Zoals het water dat bij het doopsel gebruikt wordt door de wassing het wegnemen van
schuld, en door zijn verfrissende invloed bevrijding van straf te kennen geeft, zo
ook verbeeldt dit water door zijn klaarheid de heerlijkheid van de genade en van de
deugden.
Ad secundum dicendum quod, sicut dictum est, remissionem peccatorum aliquis consequitur
ante Baptismum secundum quod habet Baptismum in voto, vel explicite vel implicite
et tamen, cum realiter suscipit Baptismum, fit plenior remissio, quantum ad liberationem
a tota poena. Ita etiam ante Baptismum Cornelius et alii similes consequuntur gratiam
et virtutes per fidem Christi et desiderium Baptismi, implicite vel explicite, postmodum
tamen in Baptismo maiorem copiam gratiae et virtutum consequuntur. Unde super illud
Psalmi, super aquam refectionis educavit me, dicit Glossa, per augmentum virtutis
et bonae operationis educavit in Baptismo. (IIIa q. 69 a. 4 ad 2)
2 — Hierboven (1° art., antwoord op de 2° bedenking) hebben wij er reeds op gewezen dat
iemand in zover hij uitdrukkelijk of impliciet verlangt het doopsel te ontvangen reeds
voor het doopsel vergeving van zijn zonden kan bekomen. Niettemin grijpt echter wanneer
hij eenmaal het doopsel ontvangt een volkomenere vergeving van zondestraf plaats.
Zo ontvingen Cornelius en andere die op hem gelijken door het geloof in Christus en
door uitdrukkelijk of impliciet het doopsel te ontvangen genade en deugden; wanneer
ze echter naderhand gedoopt werden ontvingen ze een grotere overvloed aan genade en
deugd. Daarom zegt de Glossa op die woorden van de Psalmist (22, 2): « Hij heeft mijn
ziel met water gedrenkt » dat Hij ons in het doopsel door een vermeerdering van deugd
en goede werken heeft opgevoed.
Ad tertium dicendum quod difficultas ad bonum et pronitas ad malum inveniuntur in
baptizatis, non propter defectum habitus virtutum, sed propter concupiscentiam, quae
non tollitur in Baptismo. Sicut tamen per Baptismum diminuitur concupiscentia, ut
non dominetur, ita etiam diminuitur utrumque istorum, ne homo ab his superetur. (IIIa q. 69 a. 4 ad 3)
3 — De tegenzin voor het goede en de geneigdheid tot het kwade vindt men bij gedoopten,
niet alsof zij geen deugden bezaten maar wel om reden van hun begeerlijkheid die door
het doopsel niet wordt weggenomen, terug. Zoals echter door het doopsel de begeerlijkheid
opdat ze de mens niet zou beheersen verminderd wordt, zo ook worden bij de bewuste
hinderpalen opdat ze de mens niet zouden de baas worden verzwakt.
Articulus 5. Worden aan het doopsel sommige daden toegeschreven?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod inconvenienter attribuantur Baptismo pro effectibus
quidam actus virtutum, scilicet, incorporatio ad Christum, illuminatio, fecundatio.
Non enim Baptismus datur adulto nisi fideli, secundum illud Marc. ult., qui crediderit
et baptizatus fuerit, salvus erit. Sed per fidem aliquis incorporatur Christo, secundum
illud Ephes. III, habitare Christum per fidem in cordibus vestris. Ergo nullus baptizatur
nisi iam Christo incorporatus. Non ergo est effectus Baptismi incorporari Christo. (IIIa q. 69 a. 5 arg. 1)
1 — Men beweert dat als uitwerkingen van het doopsel geen daden aan dit sacrament zoals
daar zijn de inlijving bij Christus, de verlichting en de bevruchting, dienen toegeschreven.
Het doopsel mag overeenkomstig de woorden uit Sint Marcus (16, 16) : « Wie zal geloofd
hebben en gedoopt zijn zal zalig worden » enkel indien ze geloven aan volwassenen
worden toegediend. Welnu door het geloof wordt de mens bij Christus ingelijfd; de
Brief aan de Ephesiërs zegt immers (3, 17) : « Laat Christus door het geloof in uw
hart wonen ». Zo wordt niemand zonder eerst bij Christus ingelijfd te zijn gedoopt
en zo is bij Christus in te lijven dus geen uitwerking van het doopsel.
Praeterea, illuminatio fit per doctrinam, secundum illud Ephes. III mihi omnium minimo
data est gratia haec, illuminare omnes, et cetera. Sed doctrina praecedit Baptismum
in catechismo. Non ergo est effectus Baptismi. (IIIa q. 69 a. 5 arg. 2)
2 — Geschiedt verlichting door het onderwijs, overeenkomstig de Brief aan de Ephesiërs
(3, 8) : « Aan mij, de allergeringste van alle heiligen is deze genade gegeven aan
allen het licht te doen zien, enz... » Welnu, in het geloof wordt men nog vooraleer
gedoopt te worden onderwezen. Zo is het dus geen uitwerksel van het doopsel.
Praeterea, fecunditas pertinet ad generationem activam. Sed per Baptismum aliquis
regeneratur spiritualiter. Ergo fecunditas non est effectus Baptismi. (IIIa q. 69 a. 5 arg. 3)
3 — Vruchtbaarheid is op degene die zelf voortbrengt aangewezen. Door het doopsel worden
wij integendeel geestelijk wijze voortgebracht en zo is dus vruchtbaarheid geen uitwerksel
van het doopsel.
Sed contra est quod Augustinus dicit, in libro de Baptismo parvulorum, quod ad hoc
valet Baptismus ut baptizati Christo incorporentur. Dionysius etiam, II cap. Eccl.
Hier., illuminationem attribuit Baptismo. Et super illud Psalmi, super aquam refectionis
educavit, dicit Glossa quod anima peccatorum, ariditate sterilis, fecundatur per Baptismum. (IIIa q. 69 a. 5 s. c.)
Daartegenover staat echter wat St. Augustinus in zijn Boek over « Het Doopsel der
Kinderen » (1, 26) zegt: « Daartoe bestaat het doopsel om de mensen bij Christus in
te lijven » en Dionysius zegt in zijn « Kerkelijke Hierarchie » (2): « Het doopsel
brengt verlichting mede », en de Glossa op de tweeëntwintigste psalm (2): « Langs
verfrisschend water heeft hij me heengeleid » zegt « dat de ziel om de dorheid der
zonde onvruchtbaar door het doopsel vruchtbaar gemaakt wordt ».
Respondeo dicendum quod per Baptismum aliquis regeneratur in spiritualem vitam, quae
est propria fidelium Christi, sicut apostolus dicit, Galat. II, quod autem nunc vivo
in carne, in fide vivo filii Dei. Vita autem non est nisi membrorum capiti unitorum,
a quo sensum et motum suscipiunt. Et ideo necesse est quod per Baptismum aliquis incorporetur
Christo quasi membrum ipsius. Sicut autem a capite naturali derivatur ad membra sensus
et motus, ita a capite spirituali, quod est Christus, derivatur ad membra eius sensus
spiritualis, qui consistit in cognitione veritatis, et motus spiritualis, qui est
per gratiae instinctum. Unde Ioan. I dicitur, vidimus eum plenum gratiae et veritatis,
et de plenitudine eius omnes accepimus. Et ideo consequens est quod baptizati illuminentur
a Christo circa cognitionem veritatis, et fecundentur ab eo fecunditate bonorum operum
per gratiae infusionem. (IIIa q. 69 a. 5 co.)
Het doopsel doet de mens tot het geestelijke leven wedergeboren worden, iets wat alleen
door toedoen van het gebed in Christus kan gebeuren. De apostel zegt immers in zijn
Brief aan de Galaten (2, 20) : « Ik die nu in het vlees leef, ik leef in het geloof
van de zoon van God. » — Welnu, alleen voor de ledematen die met het hoofd waarvan
ze gevoelen en beweging betrekken verenigd zijn is er leven, en daarom is het nodig
dat de mens door het doopsel als lidmaat bij Christus zou worden ingelijfd. Zoals
immers de ledematen van het natuurlijke hoofd gevoel en beweging betrekken, zo ook
komen van het geestelijke hoofd dat Christus is, het geestelijk gevoel dat in kennis
van de waarheid bestaat en de geestelijke beweging die onder invloed van de genade
geschiedt naar Christus' ledematen. Daarom zegt Sint Jan (1, 14) : « Wij hebben hem
gezien vol van genade en waarheid, en van zijn volheid hebben wij allen ontvangen.
» — Zo is het dan duidelijk dat door Christus de gedoopten in de kennis van de waarheid
verlicht en met hun genade in te storten door Hem aan goede werken worden vruchtbaar
gemaakt.
Ad primum ergo dicendum quod adulti prius credentes in Christum sunt ei incorporati
mentaliter. Sed postmodum, cum baptizantur, incorporantur ei quodammodo corporaliter,
scilicet per visibile sacramentum, sine cuius proposito nec mentaliter incorporari
potuissent. (IIIa q. 69 a. 5 ad 1)
1 — De volwassenen worden wanneer ze geloven eerst op geestelijke wijze bij Christus ingelijfd,
en eerst daarna worden ze bij het doopsel als lichamelijke wijze, d. i. door het zichtbare
sacrament waarnaar ze om geestelijk te kunnen worden ingelijfd reeds moesten verlangen,
bij Christus ingelijfd.
Ad secundum dicendum quod doctor illuminat exterius per ministerium catechizando,
sed Deus illuminat interius baptizatos, praeparans corda eorum ad recipiendam doctrinam
veritatis, secundum illud Ioan. VI, scriptum est in prophetis, erunt omnes docibiles
Dei. (IIIa q. 69 a. 5 ad 2)
2 — Een leeraar verlicht uiterlijk door middel van zijn onderwijs; God echter verlicht
innerlijk door het doopsel met hun hart te stemmen om de leer van waarheid aan te
nemen. Zo zegt dan ook Sint Jan (6, 45): « Bij de profeten staat geschreven: en alle
mensen zullen bij God ter school gaan. »
Ad tertium dicendum quod effectus Baptismi ponitur fecunditas qua aliquis producit
bona opera, non autem fecunditas qua aliquis generat alios in Christo, sicut apostolus
dicit, I Cor. IV, in Christo Iesu per Evangelium ego vos genui. (IIIa q. 69 a. 5 ad 3)
3 — Vruchtbaarheid waardoor iemand goede werken volbrengt, is een uitwerksel van het doopsel,
niet vruchtbaarheid waardoor iemand andere mensen in Christus voortbrengt; zo toch
zegt de apostel in zijn eerste Brief aan de Korinthiërs (4, 15): « Want in Christus
Jezus heb ik u door het evangelie geteeld. »
Articulus 6. Ontvangen ook kleine kinderen bij het doopsel genade en deugden?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod pueri in Baptismo non consequantur gratiam
et virtutes. Gratia enim et virtutes non habentur sine fide et caritate. Sed fides,
ut Augustinus dicit, consistit in credentium voluntate, et similiter etiam caritas
consistit in diligentium voluntate, cuius usum pueri non habent, et sic non habent
fidem et caritatem. Ergo pueri in Baptismo non recipiunt gratiam et virtutes. (IIIa q. 69 a. 6 arg. 1)
1 — Men beweert dat kleine kinderen bij het doopsel met genade en deugden niet begiftigd
worden. Genade en deugden gaan altijd met geloof en liefde gepaard. Welnu, zoals Sint
Augustinus in zijn 98° Brief zegt, komt het geloof neer op de wil van hen die geloven
en zo komt liefde neer op de wil van hen die beminnen. Kinderen nu hebben niet het
gebruik van hun vrije wil en hebben bijgevolg noch geloof noch liefde. Zo worden dus
de kinderen bij het doopsel niet met genade en deugden begiftigd.
Praeterea, super illud Ioan. XIV, maiora horum faciet, dicit Augustinus quod ut ex
impio iustus fiat, in illo, sed non sine illo Christus operatur. Sed puer, cum non
habeat usum liberi arbitrii, non cooperatur Christo ad suam iustificationem, immo
quandoque pro posse renititur. Ergo non iustificatur per gratiam et virtutes. (IIIa q. 69 a. 6 arg. 2)
2 — Bij die woorden van Joannes (14, 12) « Degene die in Mij gelooft zal nog grotere werken
verrichten » zegt de heilige Augustinus (72° tract. op Joan.) « Om een onrechtvaardige
tot een rechtvaardige te maken moet Jezus Christus in die mens werken en hij ook moet
meewerken. » — Welnu, daar een kind niet het gebruik van zijn vrije wil heeft, kan
het niet met Christus aan zijne rechtvaardiging meewerken, ja zelfs biedt het wel
eens zoveel het kan weerstand. Zo wordt dus een kind niet door de genade en de deugden
rechtvaardig gemaakt.
Praeterea, Rom. IV dicitur, ei qui non operatur, credenti autem in eum qui iustificat
impium, reputabitur fides eius ad iustitiam, secundum propositum gratiae Dei. Sed
puer non est credens in eum qui iustificat impium. Ergo non consequitur gratiam iustificantem
neque virtutes. (IIIa q. 69 a. 6 arg. 3)
3 — In zijn Brief aan de Romeinen (4) zegt Sint Paulus het volgende: « Uit kracht van
Gods genadebesluit wordt het geloof aan hem die geen goede werken verricht, maar in
Hem die de goddeloze kan rechtvaardig maken gelooft, als gerechtigheid aangerekend.
» Welnu een klein kind gelooft niet in degene die de onrechtvaardige rechtvaardig
maakt en ontvangt dus ook noch de heiligmakende genade, noch de deugden.
Praeterea, quod ex carnali intentione agitur, non videtur habere spiritualem effectum.
Sed quandoque pueri ad Baptismum deferuntur carnali intentione, ut scilicet corporaliter
sanentur. Non ergo consequuntur spiritualem effectum gratiae et virtutum. (IIIa q. 69 a. 6 arg. 4)
4 — Wat met een vleselijk opzet gedaan wordt kan geen geestelijk uitwerksel erlangen.
Welnu, soms gebeurt het dat kinderen om een vleselijk opzet opdat ze namelijk zouden
lichamelijk gezond worden, ten doop gedragen worden. Zodus verkrijgen ze noch genade
noch deugden.
Sed contra est quod Augustinus dicit, in Enchirid., parvuli renascendo moriuntur illi
peccato quod nascendo contraxerunt, et per hoc ad illos etiam pertinet quod dicitur,
consepulti sumus cum illo per Baptismum in mortem, (subditur autem) ut, quomodo resurrexit
Christus a mortuis per gloriam patris ita et nos in novitate vitae ambulemus. Sed
novitas vitae est per gratiam et virtutes. Ergo pueri consequuntur in Baptismo gratiam
et virtutes. (IIIa q. 69 a. 6 s. c.)
Daartegenover staat echter wat Sint Augustinus in zijn « Enchiridion » (52° c.) schrijft:
« Wanneer de kinderen worden wedergeboren sterven ze voor de zonde die ze, toen ze
geboren werden hadden opgelopen », zo geldt dan van hen wat gezegd werd: « Door het
doopsel werden we met Jezus Christus in zijn dood begraven (en men voegt er aan toe)
: opdat, zoals Christus door de glorie van de Vader uit de doden is opgestaan, zo
ook wij in een nieuw leven zouden omwandelen. » — Welnu, nieuwheid van leven wordt
ons door de genade en door de deugden gegeven en zo erlangen dus kinderen bij het
doopsel degelijk de genade en de deugden.
Respondeo dicendum quod quidam antiqui posuerunt quod pueris in Baptismo non dantur
gratia et virtutes, sed imprimitur eis character Christi, cuius virtute, cum ad perfectam
aetatem venerint, consequuntur gratiam et virtutes. Sed hoc patet esse falsum dupliciter.
Primo quidem, quia pueri, sicut et adulti, in Baptismo efficiuntur membra Christi.
Unde necesse est quod a capite recipiant influxum gratiae et virtutis. Secundo, quia
secundum hoc pueri decedentes post Baptismum non pervenirent ad vitam aeternam, quia,
ut dicitur Rom. VI, gratia Dei est vita aeterna. Et ita nihil profuisset eis ad salutem
baptizatos fuisse. Causa autem erroris fuit quia nescierunt distinguere inter habitum
et actum. Et sic, videntes pueros inhabiles ad actus virtutum, crediderunt eos post
Baptismum nullatenus virtutem habere. Sed ista impotentia operandi non accidit pueris
ex defectu habituum, sed ex impedimento corporali, sicut etiam dormientes, quamvis
habeant habitus virtutum, impediuntur tamen ab actibus propter somnum. (IIIa q. 69 a. 6 co.)
Oudere godgeleerden hebben beweerd dat door het doopsel aan kinderen niet de genade
en de deugden, maar enkel het merkteken uit kracht waarvan ze, wanneer ze eens tot
de jaren van verstand gekomen zijn, genade en deugden erlangen, geschonken wordt.
Die stelling nu houdt geen stand en wel om twee redenen: vooreerst, omdat kinderen
evenzeer als volwassenen door het doopsel ledematen van Christus worden; zo moeten
hun dan van het hoofd genade en deugden toevloeien. Ten tweede, omdat volgens die
zienswijze kinderen die gauw na het doopsel sterven de eeuwige zaligheid niet zouden
erlangen, de apostel zegt immers in de Brief aan de Romeinen (6, 23): « De genade
van God is het eeuwige leven »; zo zou dan het doopsel hun zaligheid niet ten goede
komen. Die dwaling komt overigens hiervandaan dat zulken niet wisten de hebbelijkheid
en de daad uit elkaar te houden. Daar ze namelijk vaststelden dat na het doopsel kinderen
nog geen daden van deugd stellen, zo besloten ze dat na het doopsel kinderen nog niet
de deugd bezitten; die onbekwaamheid tot handelen komt echter niet bij gebrek aan
hebbelijkheden maar wel naar aanleiding van hinderpalen vanwege het lichaam; zo ook
worden slapenden hoewel ze deugdzame hebbelijkheden bezitten door de slaap weerhouden
daden te stellen.
Ad primum ergo dicendum quod fides et caritas consistunt in voluntate hominum, ita
tamen quod habitus harum et aliarum virtutum requirunt potentiam voluntatis, quae
est in pueris; sed actus virtutum requirunt actum voluntatis, qui non est in pueris.
Et hoc modo Augustinus dicit, in libro de Baptismo parvulorum, quod parvulum, etsi
nondum illa fides quae in credentium voluntate consistit, iam tamen ipsius fidei sacramentum,
quod scilicet causat habitum fidei, fidelem facit. (IIIa q. 69 a. 6 ad 1)
1 — I. Geloof en liefde zijn in de wil van de mens gelegen, zo nochtans dat de hebbelijkheid
van bewuste en andere deugden het vermogen van de wil dat bij kinderen voorkomt, noodig
heeft, terwijl de daad van die of gene deugd vanwege de wil een daad vergt, en deze
komt niet bij kinderen voor. Op die wijze dan mag Sint Augustinus in zijn 98° Brief
zeggen: « Alhoewel het kleine kind niet gelovig wordt door een geloof dat zou in de
wil bestaan, toch wordt het gelovig door het geloofssacrament dat de hebbelijkheid
te geloven teweegbrengt. »
Ad secundum dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in libro de caritate, nemo ex aqua
et spiritu sancto renascitur nisi volens. Quod non de parvulis, sed de adultis intelligendum
est. Et similiter de adultis intelligendum est quod homo a Christo sine ipso non iustificatur.
Quod autem parvuli baptizandi, prout viribus possunt, reluctantur, non eis imputatur,
quia in tantum nesciunt quid faciunt, ut nec facere videantur, ut Augustinus dicit,
in libro de praesentia Dei ad Dardanum. (IIIa q. 69 a. 6 ad 2)
2 — De woorden van Sint Augustinus in zijn Boek: De Liefde, III° tract. op de 1°ʳ Brief
van Joannes: « Niemand wordt door water en de Heilige Geest wedergeboren behalve wanneer
hij het zelf wil », moeten van volwassenen, niet van kinderen begrepen worden, en
dat de mens niet zonder mee te werken door Christus wordt rechtvaardig gemaakt, evenzo.
Dat eindelijk « kleine kinderen, wanneer ze moeten gedoopt worden, zo goed als ze
kunnen tegenspartelen, dat dient hun niet kwalijk genomen; ze weten immers zo weinig
wat ze doen dat het is alsof ze het niet deden » zoals Sint Augustinus in zijn Boek
« De Aanwezigheid Gods » en in zijn « Brief aan Dardanus » (287° Brief) zegt.
Ad tertium dicendum quod, sicut Augustinus dicit, parvulis mater Ecclesia aliorum
pedes accommodat ut veniant, aliorum cor ut credant, aliorum linguam ut fateantur.
Et ita pueri credunt, non per actum proprium, sed per fidem Ecclesiae, quae eis communicatur.
Et huius fidei virtute conferuntur eis gratia et virtutes. (IIIa q. 69 a. 6 ad 3)
3 — Volgens Sint Augustinus (De apostolische Waarheden) geeft de heilige Kerk aan kleine
kinderen de voeten van andere mensen om te gaan, het hart van andere mensen om te
geloven, en de tong van andere mensen om het geloof te belijden. Zo komt het dan dat
die kleine kinderen niet door een eigen daad, maar door het geloof van de Kerk dat
hun wordt medegedeeld geloven en dankzij de kracht van dit geloof erlangen ze genade
en deugden.
Ad quartum dicendum quod carnalis intentio deferentium pueros ad Baptismum nihil eis
nocet, sicut nec culpa unius nocet alteri, nisi consentiat. Unde Augustinus dicit,
in epistola ad Bonifacium, non illud te moveat quod quidam non ea fide ad Baptismum
percipiendum parvulos ferunt ut gratia spirituali ad vitam regenerentur aeternam,
sed hoc eos putant remedio corporalem retinere vel recipere sanitatem. Non enim propterea
illi non regenerantur, quia non ab istis hac intentione offeruntur. (IIIa q. 69 a. 6 ad 4)
4 — Het vleselijk opzet van de mensen die kinderen ten doop dragen doet niets ter zake;
de schuld van de ene kan immers de andere zolang hij niet toestemt niet hinderen.
Waar vandaan dat de heilige Augustinus zegt (98° Brief aan Bonifacius) : « Maak u
niet bezorgd over het feit dat sommige mensen, niet omdat ze denken dat de geestelijke
genade ze zal doen tot het eeuwige leven wedergeboren worden, maar wel omdat ze denken
dat dit een geneesmiddel is om de gezondheid te bewaren of te verkrijgen hun kinderen
laten dopen. Dit staat toch, alhoewel ze niet met dit opzet door hun ouders worden
ten doop gedragen de wedergeboorte van die kinderen niet in de weg. »
Articulus 7. Wordt door het doopsel de deur van het hemelrijk voor de gedoopten opengesteld?
Ad septimum sic proceditur. Videtur quod effectus Baptismi non sit apertio ianuae
regni caelestis. Illud enim quod est apertum, non indiget apertione. Sed ianua regni
caelestis est aperta per passionem Christi, unde Apoc. IV dicitur, post haec vidi
ostium magnum apertum in caelo. Non est ergo effectus Baptismi apertio ianuae regni
caelestis. (IIIa q. 69 a. 7 arg. 1)
1 — Men beweert dat niet het openzetten van de deur des hemels voor gedoopten het uitwerksel
is van hun doopsel. Wat reeds open is dient niet meer te worden opengedaan. Welnu,
de deur van de hemel werd door het lijden van Christus opengezet; daarom wordt dan
ook in het Boek der Openbaring (4, 1) gezegd: « Daarna zag ik een grote deur in de
hemel openstaan ». Dat de deur des hemels openstaat is dus geen uitwerksel van het
doopsel.
Praeterea, Baptismus omni tempore ex quo institutus fuit, habet suum effectum. Sed
quidam baptizati sunt Baptismo Christi ante eius passionem, ut habetur Ioan. III,
quibus, si tunc decessissent, introitus regni caelestis non patebat, in quod nullus
ante Christum introivit, secundum illud Mich. II, ascendit pandens iter ante eos.
Non est ergo effectus Baptismi apertio ianuae regni caelestis. (IIIa q. 69 a. 7 arg. 2)
2 — Van de tijd van zijn instelling af heeft het doopsel immer zijn uitwerking bereikt.
Welnu, het doopsel werd reeds voor het lijden van Christus (Joann. 3) toegediend en,
moesten die mensen en op dit ogenblik gestorven zijn, dan zouden ze, daar Christus
overeenkomstig de woorden van de Profeet Micheas (2, 3): « Voor hen is hij opgeklommen
en de weg heeft hij voor hen gebaand », de eerste er binnen gegaan is, de deur des
hemels niet zijn binnengegaan. Zo is dus het openen van de deur des hemels niet een
uitwerking van het doopsel.
Praeterea, baptizati adhuc sunt obnoxii morti et aliis poenalitatibus vitae praesentis,
ut supra dictum est. Sed nulli est apertus aditus regni caelestis quandiu est obnoxius
poenae, sicut patet de illis qui sunt in Purgatorio. Non ergo est effectus Baptismi
apertio ianuae regni caelestis. (IIIa q. 69 a. 7 arg. 3)
3 — De gedoopten zijn evenzeer als andere mensen aan de dood en aan alle andere ellenden
van het tegenwoordige leven onderworpen; hierboven (3e art. dezer Kw.) werd het overigens
aangetoond. Welnu, voor iemand die nog aan straf onderworpen is staat de deur des
hemels niet open, dit blijkt volkomen uit het feit dat er zielen in het vagevuur verblijven.
Zo is dus het openen van de deur des hemels geen uitwerksel van het doopsel.
Sed contra est quod super illud Luc. III, apertum est caelum, dicit Glossa Bedae,
virtus hic Baptismatis ostenditur, de quo quisque cum egreditur, ei regni caelestis
ianua aperitur. (IIIa q. 69 a. 7 s. c.)
Daartegenover staat echter wat Beda bij L.c. (3, 21) « De hemel ging open » zegt:
« Hier wordt de kracht van het doopsel waardoor de deur des hemels voor iemand die
gedoopt is opengaat aangetoond. »
Respondeo dicendum quod aperire ianuam regni caelestis est amovere impedimentum quo
aliquis impeditur regnum caeleste intrare. Hoc autem impedimentum est culpa et reatus
poenae. Ostensum est autem supra quod per Baptismum totaliter omnis culpa et etiam
omnis reatus poenae tollitur. Unde consequens est quod effectus Baptismi sit apertio
regni caelestis. (IIIa q. 69 a. 7 co.)
De deur des hemels te openen komt neer op het wegnemen van de beletselen waardoor
iemand verhinderd wordt het hemelrijk binnen te gaan. Welnu, deze beletselen zijn
niets anders dan zondeschuld en zondestraf, en, aangezien het doopsel zoals wij hierboven
(1e en 2e art. dezer Kw.) hebben aangetoond, alle straf en alle schuld wegneemt, zo
dient besloten dat het hemelrijk open te zetten één onder de uitwerkselen van het
doopsel is.
Ad primum ergo dicendum quod Baptismus intantum aperit baptizato ianuam regni caelestis,
inquantum incorporat eum passioni Christi, virtutem eius homini applicando. (IIIa q. 69 a. 7 ad 1)
1 — Het doopsel opent de deur van het rijk des hemels in deze zin dat het de gedoopten
aan het lijden van Christus deelachtig maakt en de kracht van het lijden aan hen toepast.
Ad secundum dicendum quod, quando passio Christi nondum erat realiter perfecta sed
solum in fide credentium, Baptismus proportionaliter causabat ianuae apertionem, non
quidem in re, sed in spe. Baptizati enim tunc decedentes ex certa spe introitum regni
caelestis expectabant. (IIIa q. 69 a. 7 ad 2)
2 — Wanneer het lijden van Christus nog niet in werkelijkheid voltrokken was doch enkel
in het geloof van degenen die geloofden, bestond, werd door het doopsel overeenkomstig
bewust geloof het opengaan van de deur des hemels niet in werkelijkheid maar enkel
voor de toekomst bewerkstelligd; zo moesten dan de gedoopten die op dit ogenblik stierven,
wachten, doch ze hadden zekerheid dat ze eens de hemel zouden binnengaan.
Ad tertium dicendum quod baptizatus non est obnoxius morti et poenalitatibus vitae
praesentis propter reatum personae, sed propter statum naturae. Et ideo propter hoc
non impeditur ab introitu regni caelestis, quando anima separatur a corpore per mortem,
quasi iam persoluto eo quod naturae debebatur. (IIIa q. 69 a. 7 ad 3)
3 — De gedoopte is niet door persoonlijke schuld maar wel om de toestand waarin zijn natuur
verkeert aan de dood en aan de ellenden van het tegenwoordige leven onderworpen. Zo
is het dan voor hem geen beletsel om, wanneer zijn ziel door de dood van zijn lichaam
gescheiden wordt, de hemel binnen te gaan; dan is immers reeds alles wat aan de natuur
verschuldigd was uitbetaald.
Articulus 8. Heeft het doopsel bij alle mensen hetzelfde uitwerksel?
Ad octavum sic proceditur. Videtur quod Baptismus non habeat in omnibus aequalem effectum.
Effectus enim Baptismi est remotio culpae. Sed in quibusdam plura peccata tollit quam
in aliis, nam in pueris tollit solum peccatum originale; in adultis autem etiam actualia,
in quibusdam plura, in quibusdam vero pauciora. Non ergo aequalem effectum habet Baptismus
in omnibus. (IIIa q. 69 a. 8 arg. 1)
1 — Men beweert dat het doopsel niet bij alle mensen hetzelfde uitwerksel heeft. Het doopsel
heeft als uitwerksel zonde schuld weg te nemen; bij sommigen heeft het zwaarder schuld
kwijt te schelden dan bij anderen; bij kleine kinderen bijvoorbeeld wordt enkel de
erfzonde vergeven; bij volwassenen integendeel ook dadelijke zonden en zulks naar
elks geval in meerdere of mindere mate. Zo heeft dus het doopsel niet bij alle mensen
hetzelfde uitwerksel.
Praeterea, per Baptismum conferuntur homini gratia et virtutes. Sed quidam post Baptismum
videntur habere maiorem gratiam et perfectiorem virtutem quam alii baptizati. Non
ergo Baptismus habet aequalem effectum in omnibus. (IIIa q. 69 a. 8 arg. 2)
2 — Het doopsel schenkt aan de mensen genade en deugd. Welnu, na het doopsel, blijken
sommige mensen meer genade en meer deugdvolmaaktheid te hebben dan andere. Zo heeft
dus het doopsel niet bij alle mensen hetzelfde uitwerksel.
Praeterea, natura perficitur per gratiam sicut materia per formam. Sed forma recipitur
in materia secundum eius capacitatem. Cum ergo in quibusdam baptizatis, etiam pueris,
sit maior capacitas naturalium quam in aliis, videtur quod quidam maiorem gratiam
consequantur quam alii. (IIIa q. 69 a. 8 arg. 3)
3 — De natuur wordt zoals de stof door de vorm, door de genade vervolmaakt. Welnu, de
vorm wordt overeenkomstig haar gestalte door de stof opgenomen. Aangezien nu bij sommigen
ja ook onder kinderen de natuur een betere aanleg heeft dan bij anderen, zo moet ook
de ene meer genade ontvangen dan de andere.
Praeterea, quidam in Baptismo consequuntur non solum spiritualem salutem, sed etiam
corporalem, sicut patet de Constantino, qui in Baptismo mundatus est a lepra. Non
autem omnes infirmi corporalem salutem consequuntur in Baptismo. Ergo non habet aequalem
effectum in omnibus. (IIIa q. 69 a. 8 arg. 4)
4 — Sommige mensen erlangen bij het doopsel niet alleen geestelijke zaligheid, maar zoals
Constantijn die door het doopsel van zijn melaatsheid bevrijd werd, ook de gezondheid
van het lichaam. Welnu, niet alle zieken erlangen bij het doopsel de gezondheid van
het lichaam. Zo heeft dus het doopsel bij alle mensen niet hetzelfde uitwerksel.
Sed contra est quod dicitur Ephes. IV, una fides, unum Baptisma. Uniformis autem causae
est uniformis effectus. Ergo Baptismus habet aequalem effectum in omnibus. (IIIa q. 69 a. 8 s. c.)
Daartegenover staat echter wat Sint Paulus in zijn Brief aan de Ephesiërs (4, 5) schrijft:
« Eén geloof, één doopsel ». Een dezelfde oorzaak nu heeft dezelfde uitwerkselen.
Zo heeft dus het doopsel bij alle mensen dezelfde uitwerkingen.
Respondeo dicendum quod duplex est effectus Baptismi, unus per se, et alius per accidens.
Per se quidem effectus Baptismi est id ad quod Baptismus est institutus, scilicet
ad generandum homines in spiritualem vitam. Unde, quia omnes pueri aequaliter se habent
ad Baptismum, quia non in fide propria, sed in fide Ecclesiae baptizantur, omnes aequalem
effectum percipiunt in Baptismo. Adulti vero, qui per propriam fidem ad Baptismum
accedunt, non aequaliter se habent ad Baptismum, quidam enim cum maiori, quidam cum
minori devotione ad Baptismum accedunt. Et ideo quidam plus, quidam minus de gratia
novitatis accipiunt, sicut etiam ab eodem igne accipit plus caloris qui plus ei appropinquat,
licet ignis, quantum est de se, aequaliter ad omnes suum calorem effundat. Effectus
autem Baptismi per accidens est ad quem Baptismus non est ordinatus, sed divina virtus
hoc in Baptismo miraculose operatur, sicut super illud Rom. VI, ut ultra non serviamus
peccato, dicit Glossa, non hoc praestatur in Baptismo, nisi forte miraculo ineffabili
creatoris, ut lex peccati, quae est in membris, prorsus extinguatur. Et tales effectus
non aequaliter suscipiuntur ab omnibus baptizatis, etiam si cum aequali devotione
accedant, sed dispensantur huiusmodi effectus secundum ordinem providentiae divinae. (IIIa q. 69 a. 8 co.)
Het doopsel heeft een dubbel uitwerksel, één dat uit de wezenheid van het doopsel
volgt en één dat alleen toevallig voorkomt. Het wezenlijke uitwerksel is dit waartoe
het doopsel werd ingesteld, om namelijk de mensen te doen tot het geestelijk leven
wedergeboren worden en dit uitwerksel is bij alle mensen die met éénzelfde gesteltenis
het doopsel ontvangen, hetzelfde. Aangezien nu kinderen allemaal met dezelfde gemoedsgesteltenis
tot het doopsel naderen, — ze worden immers in het geloof der Kerk en niet om hun
persoonlijk geloof gedoopt, — zo erlangen ze bij het doopsel allen hetzelfde uitwerksel.
Volwassenen daarentegen die met een persoonlijk geloof het doopsel ontvangen hebben
niet allen dezelfde gesteltenis, de enen toch ontvangen het sacrament met meer godsvrucht
dan de anderen, en daarom ontvangen ze ook meer of minder genade van hun wedergeboorte.
Zo ook zal iemand, hoewel het vuur aan zich beschouwd naar overal dezelfde warmte
uitzendt, naar gelang hij meer of minder dicht bij het vuur komt ook meer of minder
warmte ontvangen. Verder is het toevallig uitwerksel van het doopsel dat waartoe het
doopsel niet werd ingesteld maar dat door Gods macht op wondere wijze wordt uitgewerkt.
De Glossa op die woorden van Sint Paulus (Rom. 6, 6) « Opdat we geen slaven der zonde
meer zouden zijn » zegt immers: « dat de wet der zonde in onze ledematen zou uitgedoofd
worden, dit wordt, behalve misschien mits een onuitsprekelijk mirakel van de Schepper
bij het doopsel niet bekomen ». Ook worden dergelijke uitwerkselen, zelfs als zij
het doopsel met dezelfde godsvrucht ontvangen, door de gedoopten niet op dezelfde
wijze ontvangen maar de goddelijke Voorzienigheid reikt die overeenkomstig haar raadsbesluiten
uit.
Ad primum ergo dicendum quod minima gratia baptismalis sufficiens est ad delendum
cuncta peccata. Unde hoc non est propter maiorem efficaciam Baptismi quod in quibusdam
plura, in quibusdam pauciora peccata solvit, sed propter conditionem subiecti, quia
in quolibet solvit quodcumque invenerit. (IIIa q. 69 a. 8 ad 1)
1 — De kleinste genade van het doopsel is voldoende om alle zonden weg te nemen. Dat nu
bij de een meer en bij de ander minder zonden vergeven worden volgt niet uit een mindere
of meerdere kracht van het doopsel, maar uit de gesteltenis van het subject; bij elk
immers neemt het doopsel alle zonden die het aantreft weg.
Ad secundum dicendum quod hoc quod in baptizatis maior vel minor gratia apparet, potest
dupliciter contingere. Uno modo, quia unus in Baptismo percipit maiorem gratiam quam
alius propter maiorem devotionem, ut dictum est. Alio modo quia, etiam si aequalem
gratiam percipiant, non aequaliter ea utuntur, sed unus studiosius in ea proficit,
alius per negligentiam gratiae Dei deest. (IIIa q. 69 a. 8 ad 2)
2 — Dat onder gedoopten bij de enen meer genade blijkt voort te komen dan bij de anderen
kan twee oorzaken hebben. Vooreerst kan dit hieruit voortkomen dat de ene dank zij
zijn godsvrucht meer genade erlangt dan de andere; ten tweede kan het ook dat, zelfs
wanneer beiden dezelfde genade ontvingen, beiden bewuste genade niet op dezelfde wijze
te baat nemen, dat namelijk de ene met meer ijver tracht in de deugd vorderingen te
maken terwijl de andere door zijn nalatigheid aan bewuste genade te kort komt.
Ad tertium dicendum quod diversa capacitas in hominibus non est ex diversitate mentis,
quae per Baptismum renovatur, cum omnes homines, eiusdem speciei existentes, in forma
conveniant, sed ex diversa dispositione corporum. Secus autem est in Angelis, qui
differunt specie. Et ideo Angelis dantur dona gratuita secundum diversam capacitatem
naturalium, non autem hominibus. (IIIa q. 69 a. 8 ad 3)
3 — De verscheidenheid van natuur aanleg bij de mensen is geen uitvloeisel van verscheidenheid
wat hun ziel die bij het doopsel hernieuwd wordt betreft, — in soort en bijgevolg
ook in vorm komen immers alle mensen overeen, — maar dit verschil gaat op verscheidenheid
van lichaamsgesteldheid terug. Bij de engelen integendeel gaat het anders toe, en
daarom wordt bij de engelen de genade overeenkomstig hun natuurlijke aanleg uitgereikt;
van de mensen geldt dit echter niet.
Ad quartum dicendum quod sanitas corporalis non est per se effectus Baptismi, sed
est quoddam miraculosum opus providentiae divinae. (IIIa q. 69 a. 8 ad 4)
4 — Aan zich is lichamelijke gezondheid geen uitwerksel van het doopsel maar wel een middel
van de goddelijke Voorzienigheid.
Articulus 9. Staat geveinsdheid de uitwerkselen van het doopsel in de weg?
Ad nonum sic proceditur. Videtur quod fictio non impediat effectum Baptismi. Dicit
enim apostolus, Galat. III, quicumque in Christo baptizati estis, Christum induistis.
Sed omnes qui Baptismum Christi suscipiunt, baptizantur in Christo. Ergo omnes induunt
Christum. Quod est percipere Baptismi effectum. Et ita fictio non impedit Baptismi
effectum. (IIIa q. 69 a. 9 arg. 1)
1 — Men beweert dat de geveinsdheid de uitwerkselen van het doopsel niet in de weg staat.
De apostel zegt in zijn *Brief aan de Galaten* (3, 27): « Allen die in Christus gedoopt
zijn hebben Christus aangedaan. » Welnu, al degenen die het doopsel van Christus ontvangen,
worden door Christus gedoopt. Zo doen dus allen Christus aan, wat hetzelfde is als
het uitwerksel van het doopsel te ontvangen, en zo blijkt geveinsdheid de uitwerkselen
van het doopsel niet in de weg te staan.
Praeterea, in Baptismo operatur virtus divina, quae potest voluntatem hominis mutare
in bonum. Sed effectus causae agentis non potest impediri per id quod ab illa causa
potest auferri. Ergo fictio non potest impedire Baptismi effectum. (IIIa q. 69 a. 9 arg. 2)
2 — Bij het doopsel is 't de goddelijke kracht die de wil van de mens kan naar het goed
keren die werkzaam optreedt. Welnu, de uitwerkselen van een werkende oorzaak kunnen
niet door hetgeen door die oorzaak kan worden weggenomen verhinderd worden.
Praeterea, Baptismi effectus est gratia, cui peccatum opponitur. Sed multa sunt alia
peccata graviora quam fictio, de quibus non dicitur quod effectum Baptismi impediant.
Ergo neque fictio impedit effectum Baptismi. (IIIa q. 69 a. 9 arg. 3)
3 — Het uitwerksel van het doopsel is de genade waarmee de zonde in strijd is. Sommige
zonden nu zijn veel zwaarder dan geveinsdheid en niettemin wordt niet gezegd dat die
andere zonden het uitwerksel van het doopsel in de weg staan. Zo is dus evenmin geveinsdheid
voor de uitwerkselen van het doopsel een hinderpaal.
Sed contra est quod dicitur Sap. I, spiritus sanctus disciplinae effugiet fictum.
Sed effectus Baptismi est a spiritu sancto. Ergo fictio impedit effectum Baptismi. (IIIa q. 69 a. 9 s. c.)
Daartegenover staat echter wat het Boek der Wijsheid leert (1, 5): « De H. Geest die
tuchtigt vlucht geveinsdheid. » Welnu, juist de H. Geest is het uitwerksel van het
doopsel. Zo staat dus geveinsdheid het uitwerksel van het geloof in de weg.
Respondeo dicendum quod, sicut Damascenus dicit, Deus non cogit hominem ad iustitiam.
Et ideo ad hoc quod aliquis iustificetur per Baptismum, requiritur quod voluntas hominis
amplectatur et Baptismum et Baptismi effectum. Dicitur autem aliquis fictus per hoc
quod voluntas eius contradicit vel Baptismo, vel eius effectui. Nam secundum Augustinum,
quatuor modis dicitur aliquis fictus, uno modo, ille qui non credit, cum tamen Baptismus
sit fidei sacramentum; alio modo, per hoc quod contemnit ipsum sacramentum; tertio
modo, per hoc quod aliter celebrat sacramentum, non servans ritum Ecclesiae; quarto,
per hoc quod aliquis indevote accedit. Unde manifestum est quod fictio impedit effectum
Baptismi. (IIIa q. 69 a. 9 co.)
De heilige Joannes Damascenus zegt in zijn boek « Het waarachtig Geloof » (2, 30)
« God dwingt er niemand toe rechtvaardig te worden »; opdat dus iemand door het doopsel
zou worden rechtvaardig gemaakt, wordt er vereist dat hij de wil hebben het doopsel
alsmede zijn uitwerkingen te ontvangen. Er wordt immers gezegd dat iemand veinzt wanneer
zijn wil het doopsel of zijn uitwerkingen wederspreekt. Iemand kan nu zoals Sint Augustinus
in zijn boek « Het Doopsel en de Donatisten » (1, 4 en 7, 35) zegt, op vier verschillende
manieren veinzen: ten eerste als hij niet gelooft, het doopsel toch is het sacrament
des geloofs; ten tweede als hij het sacrament misprijst; ten derde wanneer het sacrament
niet op behoorlijke wijze gevierd wordt d. i. wanneer de ritus der kerk niet wordt
in acht genomen; ten vierde eindelijk wanneer iemand het sacrament zonder godsvrucht
ontvangt. Zo volgt daaruit dat geveinsdheid het uitwerking van het sacrament in de
weg staat.
Ad primum ergo dicendum quod baptizari in Christo potest intelligi dupliciter. Uno
modo, in Christo, idest, in Christi conformitate. Et sic quicumque baptizantur in
Christo conformati ei per fidem et caritatem, induunt Christum per gratiam. Alio modo
dicuntur aliqui baptizari in Christo, inquantum accipiunt Christi sacramentum. Et
sic omnes induunt Christum per configurationem characteris, non autem per conformitatem
gratiae. (IIIa q. 69 a. 9 ad 1)
1 — Gedoopt worden in Christus kan op tweeërlei wijze verstaan worden. Vooreerst kan men
in gelijkvormigheid aan Christus gedoopt worden. Zo worden de gelovigen door het geloof
en door de liefde aan Christus gelijkvormig en doen door de genade Christus aan. Ten
tweede wordt men nog in Christus gedoopt in zover men het sacrament van Christus ontvangt.
Op die wijze nu doen alle dooplingen door de gelijkheid die het merkteken inprent,
niet door de gelijkheid der genade, Christus aan.
Ad secundum dicendum quod, quando Deus voluntatem hominis de malo in bonum mutat,
tunc homo non accedit fictus. Sed non semper hoc Deus facit. Nec ad hoc sacramentum
ordinatur, ut de ficto fiat aliquis non fictus, sed ut non fictus aliquis accedens
iustificetur. (IIIa q. 69 a. 9 ad 2)
2 — Wanneer God de wil van een mens van het kwade ten goede keert, dan is er bij die mens
geen geveinsdheid meer. Dit doet God echter niet altijd; het sacrament werd immers
niet ingesteld opdat iemand die veinst weder zou oprecht worden, maar wel opdat oprechte
mensen door het doopsel zouden worden rechtvaardig gemaakt.
Ad tertium dicendum quod fictus dicitur aliquis ex eo quod demonstrat se aliquid velle
quod non vult. Quicumque autem accedit ad Baptismum, ex hoc ipso ostendit se rectam
fidem Christi habere, et hoc sacramentum venerari, et velle se Ecclesiae conformare,
et velle a peccato recedere. Unde cuicumque peccato vult homo inhaerere, si ad Baptismum
accedit, fictus accedit, quod est indevote accedere. Sed hoc intelligendum est de
peccato mortali, quod gratiae contrariatur, non autem de peccato veniali. Unde fictio
hic quodammodo includit omne peccatum. (IIIa q. 69 a. 9 ad 3)
3 — Iemand veinst wanneer hij doet of hij iets wil en het feitelijk niet wil. Elk nu die
tot het doopsel nadert betuigt daardoor dat hij werkelijk in Christus gelooft, dat
hij het sacrament vereert, dat hij aan Christus wil gelijkvormig worden en uit de
zonde wil opstaan. Wanneer echter een mens niettemin blijft aan een of andere zonde
hechten en aldus het doopsel ontvangt, dan veinzt hij en ontvangt het doopsel zonder
godsvrucht. Alleen dient zulks van een doodszonde die de genade uitsluit, niet van
een dagelijkse verstaan te worden, en zo sluit hier geveinsdheid enigszins alle zonden
in.
Articulus 10. Ontvangt het doopsel, wanneer de geveinsdheid voor oprechtheid opbreekt, zijn uitwerksel?
Ad decimum sic proceditur. Videtur quod, fictione recedente, Baptismus suum effectum
non consequatur. Opus enim mortuum, quod est sine caritate, non potest unquam vivificari.
Sed ille qui fictus accedit ad Baptismum, recipit sacramentum sine caritate. Ergo
nunquam potest vivificari hoc modo ut gratiam conferat. (IIIa q. 69 a. 10 arg. 1)
1 — Men beweert dat wanneer de geveinsdheid wegvalt het doopsel zijn uitwerking niet erlangt.
Een dood werk dat dan ook zonder liefde verricht werd, kan nimmer herleven. Welnu,
hij die al veinzend het doopsel ontvangt, ontvangt het zonder liefde en zo kan dus
dit sacrament nooit dermate herleven dat het zou genade verwekken.
Praeterea, fictio videtur esse fortior quam Baptismus, cum impediat eius effectum.
Sed fortius non tollitur a debiliori. Ergo peccatum fictionis non potest tolli per
Baptismum fictione impeditum. Et sic Baptismus non consequetur suum effectum, qui
est remissio omnium peccatorum. (IIIa q. 69 a. 10 arg. 2)
2 — Geveinsdheid haalt het, aangezien het het uitwerksel van het doopsel kan beletten
op het doopsel. Welnu, het sterkere wordt niet door het minder sterke overwonnen.
Zo kan dus de zonde van geveinsdheid niet door het doopsel dat juist om geveinsdheid
van zijn uitwerksel blijft verstoken worden weggenomen, en zo kan het doopsel zijn
uitwerksel, vergiffenis van alle zonden, niet teweeg brengen.
Praeterea, contingit quod aliquis ficte accedit ad Baptismum, et post Baptismum multa
peccata committit. Quae tamen per Baptismum non tollentur, quia Baptismus tollit peccata
praeterita, non futura. Ergo Baptismus talis nunquam consequetur suum effectum, qui
est remissio omnium peccatorum. (IIIa q. 69 a. 10 arg. 3)
3 — Het gebeurt dat iemand met geveinsdheid het doopsel ontvangt en naderhand nog vele
zonden bedrijft die niet door het doopsel worden weggenomen; het doopsel vergeeft
immers niet de zonden die we nog zullen bedrijven, maar alleen de reeds bedreven zonden.
Zulk een doopsel kan dus nooit zijn uitwerksel, vergiffenis van alle zonden, erlangen.
Sed contra est quod Augustinus dicit, in libro de Baptismo, tunc valere incipit ad
salutem Baptismus, cum illa fictio veraci confessione recesserit, quae, corde in malitia
vel sacrilegio perseverante, peccatorum ablutionem non sinebat fieri. (IIIa q. 69 a. 10 s. c.)
Daartegenover staat echter wat Sint Augustinus in zijn Boek « Het doopsel en de Donatisten
» (1, 12) schrijft: « het doopsel begint eerst tot de zaligheid bij te dragen wanneer
alle geveinsdheid die, zolang het hart van de mens in boosheid of heiligschennis bleef
volharden, de vergiffenis der zonden onmogelijk maakte, door een oprechte biecht wordt
weggenomen. »
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, Baptismus est quaedam spiritualis
regeneratio. Cum autem aliquid generatur, simul cum forma recipit effectum formae,
nisi sit aliquid impediens; quo remoto, forma rei generatae perficit suum effectum,
sicut simul cum corpus grave generatur, movetur deorsum, nisi sit aliquid prohibens;
quo remoto, statim incipit moveri deorsum. Et similiter quando aliquis baptizatur,
accipit characterem, quasi formam, et consequitur proprium effectum, qui est gratia
remittens omnia peccata. Impeditur autem quandoque per fictionem. Unde oportet quod,
ea remota per poenitentiam, Baptismus statim consequatur suum effectum. (IIIa q. 69 a. 10 co.)
Zoals hierboven werd aangeduid (66e Kw. 9e art.) is het doopsel een geestelijke wedergeboorte.
Wanneer nu een schepsel geboren wordt, krijgt het samen met de vorm ook het uitwerksel
van de vorm. Alleen gebeurt zulks niet wanneer er een beletsel is, maar zodra dit
wegvalt kan bewuste vorm van het voortgebrachte schepsel weer zijn uitwerksel bewerkstelligen.
Zo wordt een lichaam zodra het ontstaat, behalve wanneer er iets in de weg komt, door
de kracht van zijn zwaarte naar de grond getrokken. Valt dit beletsel weg, dan wordt
het lichaam weer aanstonds door de grond aangetrokken. Welnu, wanneer iemand gedoopt
wordt, krijgt hij het merkteken als vorm en ook het eigen uitwerksel van dit merkteken,
genade namelijk, waardoor alle zonden vergeven worden; alleen wordt dit uitwerksel
weleens door geveinsdheid verhinderd en zo is het dan nodig dat die hinderpaal, opdat
het doopsel zijn uitwerksel zou kunnen verwekken, door de biecht zou worden van kant
gezet.
Ad primum ergo dicendum quod sacramentum Baptismi est opus Dei, et non hominis. Et
ideo non est mortuum in ficto, qui sine caritate baptizatur. (IIIa q. 69 a. 10 ad 1)
1 — Het sacrament van het doopsel is het werk van God en niet van de mensen en daarom
kan het doopsel, zelfs bij iemand die het met geveinsdheid en zonder liefde ontvangt
inwerken.
Ad secundum dicendum quod fictio non removetur per Baptismum, sed per poenitentiam,
qua remota, Baptismus aufert omnem culpam et reatum omnium peccatorum praecedentium
Baptismum, et etiam simul existentium cum Baptismo. Unde Augustinus dicit, in libro
de Baptismo, solvitur hesternus dies, et quidquid superest solvitur, et ipsa hora
momentumque ante Baptismum et in Baptismo. Deinceps autem continuo reus esse incipit.
Et sic ad effectum Baptismi consequendum concurrit Baptismus et poenitentia, sed Baptismus
sicut causa per se agens; poenitentia sicut causa per accidens, idest removens prohibens. (IIIa q. 69 a. 10 ad 2)
2 — De geveinsdheid wordt niet door het doopsel maar wel door een volgende biecht weggenomen,
en zodra dit gebeurde neemt het doopsel de schuld en de straf voor alle zonden die
het doopsel voorafgingen en bij het toedienen van het doopsel nog bestonden, weg.
Derhalve zegt Sint Augustinus in zijn Boek « Het doopsel en de Donatisten » (1, 12)
: « Alles wat nog aan zonden overschoot verdwijnt, de dag van gisteren, het uur en
het ogenblik voor het doopsel, dit alles verdwijnt, doch daarna begint men de schuld
van nieuwe zonden te dragen. » — Zo werken dan het doopsel en de biecht samen opdat
het doopsel zijn uitwerksel erlangen, het doopsel als een oorzaak die door zichzelf
werkt, de biecht daarentegen als een toevallige oorzaak die met de hinderpalen weg
te nemen dit uitwerksel teweeg brengt.
Ad tertium dicendum quod effectus Baptismi non est tollere peccata futura, sed praesentia
vel praeterita. Et ideo, recedente fictione, peccata sequentia remittuntur quidem,
sed per poenitentiam, non per Baptismum. Unde non remittuntur quantum ad totum reatum,
sicut peccata praecedentia Baptismum. (IIIa q. 69 a. 10 ad 3)
3 — Het uitwerksel van het doopsel neemt niet de zonden die de mens nog zal bedrijven,
maar wel de reeds bedreven en tegenwoordige zonden weg. Wanneer dus de geveinsdheid
ophoudt, worden ook de zonden die later bedreven werden, hoewel niet door het doopsel
maar door de biecht vergeven. Alleen wordt de straf voor dergelijke zonden niet zoals
voor de zonden die het doopsel voorafgingen, volkomen weggenomen.