Tertia Pars. Quaestio 47. Over de uitwerkende oorzaak van Christus’ lijden .
Prooemium
Deinde considerandum est de causa efficiente passionis Christi. Et circa hoc quaeruntur
sex. Primo, utrum Christus fuerit ab aliis occisus, vel a seipso. Secundo, ex quo
motivo seipsum passioni tradiderit. Tertio, utrum pater tradiderit eum ad patiendum.
Quarto, utrum fuerit conveniens ut per manus gentium pateretur, vel potius a Iudaeis.
Quinto, utrum occisores eius eum cognoverint. Sexto, de peccato eorum qui Christum
occiderunt. (IIIa q. 47 pr.)
Hierna moet gehandeld worden over de uitwerkende oorzaak van Christus’ lijden, en
over dit punt stellen we zes vragen: 1. Werd Christus door anderen gedood of door
zichzelf? 2. Uit welk motief gaf Hij zich aan het lijden over? 3. Heeft de Vader Hem
overgeleverd om te lijden? 4. Was het passend dat Hij leed door toedoen van de heidenen
of meer door de Joden? 5. Hebben zij, die Hem doodden, Hem gekend? 6. Over de zonde
van hen die Christus gedood hebben.
Articulus 1. Werd Christus door anderen gedood of door zichzelf?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod Christus non fuerit ab alio occisus, sed a
seipso. Dicit enim ipse, Ioan. X, nemo a me tollit animam meam, sed ego pono eam.
Ille autem dicitur aliquem occidere qui animam eius tollit. Non est ergo Christus
ab aliis occisus, sed a seipso. (IIIa q. 47 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat Christus niet door anderen gedood werd, maar door zichzelf. Bij Joannes
(10. 18) immers zegt Hij zelf: « Niemand neemt het leven van Mij weg, maar Ik leg
het zelf af. » Wij nu zeggen, dat hij die iemands leven wegneemt, hem doodt. Dus is
Christus niet door anderen gedood, maar door zichzelf.
Praeterea, illi qui ab aliis occiduntur, paulatim, debilitata natura, deficiunt. Et
maxime hoc apparet in crucifixis, ut enim dicit Augustinus, in IV de Trin., longa
morte cruciabantur ligno suspensi. In Christo autem non hoc accidit, nam clamans voce
magna emisit spiritum, ut dicitur Matth. XXVII. Non ergo Christus est ab aliis occisus,
sed a seipso. (IIIa q. 47 a. 1 arg. 2)
2 — Zij, die door anderen gedood worden, begeven het langzamerhand, doordat de natuur
zwakker wordt; en dit blijkt het meest bij de gekruisigden; zoals immers Augustinus
zegt « wordt de aan het kruis geslagene, door een langzame dood gekweld. » Dit gebeurde
niet bij Christus, want « met luider stemme roepende, gaf Hij de geest, » zoals gezegd
wordt bij Mattheus (27. 50). Dus werd Christus niet door anderen gedood, maar door
zichzelf.
Praeterea, illi qui ab aliis occiduntur, per violentiam moriuntur, et ita non voluntarie,
quia violentum opponitur voluntario. Sed Augustinus dicit, in IV de Trin., quod spiritus
Christi non deseruit carnem invitus, sed quia voluit, quando voluit, et quomodo voluit.
Non ergo Christus est ab aliis occisus, sed a seipso. (IIIa q. 47 a. 1 arg. 3)
3 — Zij, die door anderen worden gedood, sterven een gewelddadige dood, en dus niet vrijwillig,
daar het gewelddadige in strijd is met vrijwillig. Augustinus zegt echter, dat « Christus’
geest het vlees niet onvrijwillig verliet, maar omdat Hij het zelf wilde, toen Hij
het wilde, en zoals Hij het wilde. » Dus werd Christus niet door anderen de dood aangedaan,
maar door zichzelf.
Sed contra est quod dicitur Luc. XVIII, postquam flagellaverint, occident eum. (IIIa q. 47 a. 1 s. c.)
Daartegenover staat echter, wat Lucas (18. 33) zegt: « Na Hem gegeeseld te hebben
zullen zij Hem doden. »
Respondeo dicendum quod aliquid potest esse causa alicuius effectus dupliciter. Uno
modo, directe ad illud agendo. Et hoc modo persecutores Christi eum occiderunt, quia
sufficientem causam mortis ei intulerunt, cum intentione occidendi ipsum et effectu
subsequente; quia scilicet ex illa causa est mors subsecuta. Alio modo dicitur aliquis
causa alicuius indirecte, scilicet quia non impedit, cum impedire possit, sicut si
dicatur aliquis alium perfundere quia non claudit fenestram, per quam imber ingreditur.
Et hoc modo ipse Christus fuit causa passionis et mortis. Poterat enim suam passionem
et mortem impedire. Primo quidem, adversarios reprimendo, ut eum aut non vellent,
aut non possent interficere. Secundo, quia spiritus eius habebat potestatem conservandi
naturam carnis suae, ne a quocumque laesivo inflicto opprimeretur. Quod quidem habuit
anima Christi quia erat verbo Dei coniuncta in unitate personae, ut Augustinus dicit,
in IV de Trin. Quia ergo anima Christi non repulit a proprio corpore nocumentum illatum,
sed voluit quod natura corporalis illi nocumento succumberet, dicitur suam animam
posuisse, vel voluntarie mortuus esse. (IIIa q. 47 a. 1 co.)
Iets kan op dubbele wijze een effect veroorzaken. — Vooreerst door het direct uit
te werken. En zo hebben Christus’ vervolgers Hem gedood, daar zij Hem een afdoende
doodsoorzaak aandeden, met de bedoeling om Hem te doden, en wel met goed gevolg, wijl
namelijk deze oorzaak de dood tengevolge had. — Vervolgens wordt iemand de oorzaak
van iets genoemd op indirecte wijze, namelijk omdat hij iets niet verhindert, ofschoon
hij het kan: gelijk wanneer men zegt, dat iemand nat gemaakt wordt door hem, die het
venster niet sluit, waar de regen door binnenkomt. En op deze wijze was Christus zelf
oorzaak van zijn lijden en dood. Hij kon immers zijn lijden en dood verhinderen. En
wel vooreerst door zijn tegenstanders tegen te houden, zodat zij Hem niet wilden of
konden doden. Tweedens, omdat zijn geest de macht had, de natuur van zijn vlees te
bewaren, zodat het door geen aangedaan letsel werd overweldigd. Wat de ziel van Christus
doen kon, omdat zij met het Woord Gods was verenigd in één persoon, zoals Augustinus
zegt. Omdat dus de ziel van Christus niet het aangedane letsel van het eigen lichaam
afweerde, maar wilde, dat de lichamelijke natuur aan dat letsel zou te gronde gaan,
zeggen wij, dat Hij zijn ziel heeft afgelegd of vrijwillig gestorven is.
Ad primum ergo dicendum quod, cum dicitur, nemo tollit animam meam a me, intelligitur,
me invito. Quod enim aliquis ab invito aufert, qui resistere non potest, id proprie
dicitur tolli. (IIIa q. 47 a. 1 ad 1)
1 — Als gezegd wordt: « Niemand neemt mijn leven weg, » moet daarbij verstaan worden «
tegen mijn wil. » Wat men immers van iemand, die geen weerstand kan bieden tegen zijn
wil afneemt, dat wordt in eigenlijke zin « weggenomen. »
Ad secundum dicendum quod, ut Christus ostenderet quod passio illata per violentiam
eius animam non eripiebat, naturam corporalem in eius fortitudine conservavit, ut
etiam in extremis positus voce magna clamaret. Quod inter alia miracula mortis eius
computatur. Unde dicitur Marci XV, videns autem centurio qui ex adverso stabat, quia
sic clamans exspirasset, ait, vere homo hic filius Dei erat. Fuit etiam et mirabile
in Christi morte quod velocius mortuus fuit aliis qui simili poena afficiebantur.
Unde dicitur Ioan. XIX, quod eorum qui cum Christo erant fregerunt crura, ut cito
morerentur, ad Iesum autem cum venissent, invenerunt eum mortuum, unde non fregerunt
eius crura. Et Marci XV dicitur quod Pilatus mirabatur si iam obiisset. Sicut enim
eius voluntate natura corporalis conservata est in suo vigore usque ad extremum, sic
etiam, quando voluit, subito cessit nocumento illato. (IIIa q. 47 a. 1 ad 2)
2 — Christus heeft zijn lichamelijke natuur krachtig gehouden, om aan te tonen, dat het
gewelddadig aangedane lijden zijn leven niet wegnam, zodat Hij op zijn uiterste nog
met luide stem riep, wat dan ook gerekend wordt bij de andere wonderen, die zijn dood
begeleidden. Daarom wordt gezegd bij Marcus (15. 39): « Toen de honderdman, die tegenover
Hem post had gevat, zag, dat Hij zo roepende, gestorven was, sprak hij: Waarlijk,
deze man was Gods Zoon. » Het was ook wonderbaar in Christus' dood, dat Hij vlugger
stierf, dan de anderen, die dezelfde straf ondergingen. Daarom wordt gezegd in Joannes
(19. 32, 33) dat « zij » van hen, die met Christus gekruisigd waren, « de beenderen
braken, » opdat zij vlugger zouden sterven; « bij Jezus gekomen braken zij Hem de
beenderen niet, toen zij zagen, dat Hij reeds gestorven was. » En bij Marcus (15.
44) wordt gezegd, dat « Pilatus er over verwonderd was, dat Hij reeds dood zou zijn.
» Gelijk immers door zijn wil de lichamelijke natuur tot 't laatste bij krachten was
gehouden, zo ook begaf zij het, ten gevolge van het aangedane letsel, toen Hij het
wilde.
Ad tertium dicendum quod Christus simul et violentiam passus est, ut moreretur, et
tamen voluntarie mortuus fuit, quia violentia corpori eius illata est, quae tamen
tantum corpori eius praevaluit quantum ipse voluit. (IIIa q. 47 a. 1 ad 3)
3 — Christus heeft wel geweld geleden, om te sterven, en is tevens toch vrijwillig gestorven,
daar dit zijn lichaam aangedane geweld in zoverre op zijn lichaam de overhand kreeg,
als Hij het zelf wilde.
Articulus 2. Is Christus uit gehoorzaamheid gestorven?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod Christus non fuerit ex obedientia mortuus.
Obedientia enim respicit praeceptum. Sed non legitur Christo fuisse praeceptum quod
ipse pateretur. Non ergo ex obedientia passus fuit. (IIIa q. 47 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert dat Christus niet uit gehoorzaamheid is gestorven. Gehoorzaamheid ziet
immers terug op een gebod. Nergens lezen we echter van een gebod, dat Christus lijden
moest. Dus leed Hij niet uit gehoorzaamheid.
Praeterea, illud dicitur ex obedientia aliquis facere quod facit ex necessitate praecepti.
Christus autem non ex necessitate, sed voluntarie passus fuit. Non ergo passus est
ex obedientia. (IIIa q. 47 a. 2 arg. 2)
2 — Iemand doet iets uit gehoorzaamheid, als hij het doet, genoodzaakt door een gebod.
Christus leed echter niet uit noodzaak, maar vrijwillig. Dus leed Hij niet uit gehoorzaamheid.
Praeterea, caritas est excellentior virtus quam obedientia. Sed Christus legitur ex
caritate passus, secundum illud Ephes. V, ambulate in dilectione, sicut et Christus
dilexit nos, et tradidit semetipsum pro nobis. Ergo passio Christi magis debet attribui
caritati quam obedientiae. (IIIa q. 47 a. 2 arg. 3)
3 — De liefde is een hogere deugd dan de gehoorzaamheid. Van Christus lezen we echter,
dat Hij uit liefde stierf, volgens het woord in de Brief aan de Ephesiërs (5. 2):
« Wandelt in de liefde, zoals ook Christus ons heeft liefgehad en zichzelf voor ons
heeft overgeleverd. » Dus moet het lijden van Christus meer toegeschreven worden aan
zijn liefde, dan aan zijn gehoorzaamheid.
Sed contra est quod dicitur Philipp. II, factus est obediens patri usque ad mortem. (IIIa q. 47 a. 2 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in de Brief aan de Philippensen (2. 8):
« Aan de Vader is Hij gehoorzaam geworden tot de dood. »
Respondeo dicendum quod convenientissimum fuit quod Christus ex obedientia pateretur.
Primo quidem, quia hoc conveniebat iustificationi humanae, ut, sicut per unius hominis
inobedientiam peccatores constituti sunt multi, ita per unius hominis obedientiam
iusti constituantur multi, ut dicitur Rom. V. Secundo, hoc fuit conveniens reconciliationi
Dei ad homines, secundum illud Rom. V, reconciliati sumus Deo per mortem filii eius,
inquantum scilicet ipsa mors Christi fuit quoddam sacrificium acceptissimum Deo, secundum
illud Ephes., tradidit semetipsum pro nobis oblationem et hostiam Deo in odorem suavitatis.
Obedientia vero omnibus sacrificiis antefertur, secundum illud I Reg. XV, melior est
obedientia quam victimae. Et ideo conveniens fuit ut sacrificium passionis et mortis
Christi ex obedientia procederet. Tertio, hoc conveniens fuit eius victoriae, qua
de morte et auctore mortis triumphavit. Non enim miles vincere potest nisi duci obediat.
Et ita homo Christus victoriam obtinuit per hoc quod Deo fuit obediens, secundum illud
Proverb. XXI, vir obediens loquitur victorias. (IIIa q. 47 a. 2 co.)
Het was zeer passend, dat Christus leed uit gehoorzaamheid. — Vooreerst, omdat dit
strookte met de rechtvaardigmaking van de mens, opdat « zoals door de ongehoorzaamheid
van één mens velen tot zondaars zijn geworden, zo ook door de gehoorzaamheid van één
mens velen zouden gerechtvaardigd worden, » zoals staat in de Brief aan de Romeinen
(5. 19). — Ten tweede was dit aangepast aan de verzoening van God met de mensen. Daarom
wordt gezegd in de Brief aan de Romeinen (5. 10): « Wij zijn met God verzoend door
de dood van zijn Zoon, » in zover namelijk Christus’ dood zelf een God alleraangenaamst
offer was, volgens het woord in de Brief aan de Ephesiërs (5. 2): « Hij heeft zich
voor ons gegeven als gave en offer tot een lieflijken geur voor God. » Gehoorzaamheid
staat echter hoger dan alle offers, volgens het woord in het Eerste Boek der Koningen
(15. 22): « Gehoorzaamheid is beter dan offers. » En dus was het passend, dat het
offer van Christus’ lijden en dood voortkwam uit gehoorzaamheid. — Ten derde paste
dit bij zijn overwinning, waarmee Hij over de dood en over de maker van de dood zegevierde.
Een soldaat kan immers niet overwinnen, tenzij hij gehoorzaamt aan de veldheer. En
zo behaalde de mens Christus de overwinning, doordat Hij gehoorzaam was aan God, volgens
het woord in het Boek der Spreuken (21. 28): « De gehoorzame man kan van overwinningen
spreken. »
Ad primum ergo dicendum quod Christus mandatum accepit a patre ut pateretur, dicitur
enim Ioan. X, potestatem habeo ponendi animam meam, et potestatem habeo iterum sumendi
eam, et hoc mandatum accepi a patre meo, scilicet ponendi animam et sumendi. Ex quo,
ut Chrysostomus dicit, non est intelligendum quod prius expectaverit audire, et opus
fuerit ei discere, sed voluntarium monstravit processum, et contrarietatis ad patrem
suspicionem destruxit. Quia tamen in morte Christi lex vetus consummata est, secundum
illud quod ipse moriens dixit, Ioan. XIX, consummatum est; potest intelligi quod patiendo
omnia veteris legis praecepta implevit. Moralia quidem, quae in praeceptis caritatis
fundantur, implevit inquantum passus est et ex dilectione patris, secundum illud Ioan.
XIV, ut cognoscat mundus quia diligo patrem, et sicut mandatum dedit mihi pater sic
facio, surgite, eamus hinc, scilicet ad locum passionis, et etiam ex dilectione proximi,
secundum illud Galat. II dilexit me, et tradidit semetipsum pro me. Caeremonialia
vero praecepta legis, quae ad sacrificia et oblationes praecipue ordinantur, implevit
Christus sua passione inquantum omnia antiqua sacrificia figurae fuerunt illius veri
sacrificii quod Christus obtulit moriendo pro nobis. Unde dicitur Coloss. II, nemo
vos iudicet in cibo aut in potu, aut in parte diei festi aut Neomeniae, quae sunt
umbra futurorum, corpus autem Christi, eo scilicet quod Christus comparatur ad illa
sicut corpus ad umbram. Praecepta vero iudicialia legis, quae praecipue ordinantur
ad satisfaciendum iniuriam passis, implevit Christus sua passione, quoniam, ut in
Psalmo dicitur, quae non rapuit, tunc exsolvit, permittens se ligno affigi pro pomo
quod de ligno homo rapuerat contra Dei mandatum. (IIIa q. 47 a. 2 ad 1)
1 — Christus ontving van de Vader opdracht om te lijden. In Joannes (10. 18) immers wordt
gezegd: « Ik heb macht om mijn leven af te leggen en Ik heb macht om het weer op te
nemen, en dit bevel heb Ik van mijn Vader gekregen, » nl. om het leven af te leggen
en weer op te nemen. Hieruit moet men nu niet opmaken, zegt Chrysostomus, dat « Hij
eerst wachtte om te horen, en dat Hij nodig had iets te vernemen, maar Hij toonde,
dat de voortgang in overeenstemming was met zijn wil, en de gedachte aan onenigheid
» met de Vader « nam Hij weg. » Daar echter met de dood van Christus de Oude Wet in
vervulling ging, zoals Hij zelf stervende zeide, bij Joannes (19. 30): « Het is volbracht,
» kan men zien, dat Hij door te lijden, alle voorschriften van de Oude Wet heeft vervuld.
De morele, die steunen op het gebod der liefde, heeft Hij vervuld, door te lijden,
zowel uit liefde voor de Vader, naar het woord van Joannes (14. 31): « Opdat de wereld
wete, dat Ik de Vader liefheb, en zoals de Vader het Mij bevolen heeft, zo doe Ik
het ook; staat op, laat ons gaan, » nl. naar de plaats van het lijden; als ook uit
liefde tot de naaste, naar het woord in de Brief aan de Galaten (2. 20): « Hij heeft
mij liefgehad, en zich voor mij overgeleverd. » De ceremonieel-voorschriften, welke
vooral op de sacrificies en offeranden betrekking hadden, heeft Christus vervuld door
zijn lijden, in zover alle oude sacrificies voorafbeeldingen waren van dat echte sacrificie,
dat Christus opdroeg door voor ons te sterven. Daarom wordt gezegd in de Brief aan
de Colossensen (2. 16, 17): « Niemand oordele u met betrekking tot spijs en drank
of feestdag, of nieuwe maan, welke dingen slechts een schaduwbeeld zijn van het toekomstige,
maar het lichaam is van Christus, » omdat Christus nl. daarbij wordt vergeleken als
een lichaam bij zijn schaduw. De rechtsvoorschriften echter der Wet, die vooral betrekking
hadden op de voldoening, te brengen aan hen, die onrecht leden, heeft Christus vervuld
door te lijden; daarom wordt in het Boek der Psalmen (68. 5) gezegd: « Wat Hij niet
heeft weggeroofd, heeft Hij betaald, » door zich aan het kruis te laten hechten om
een appel, welke de mens tegen het gebod van God in van de boom had weggeroofd.
Ad secundum dicendum quod obedientia, etsi importet necessitatem respectu eius quod
praecipitur, tamen importat voluntatem respectu impletionis praecepti. Et talis fuit
obedientia Christi. Nam ipsa passio et mors, secundum se considerata, naturali voluntati
repugnabat, volebat tamen Christus Dei voluntatem circa hoc implere, secundum illud
Psalmi, ut facerem voluntatem tuam, Deus meus, volui. Unde dicebat, Matth. XXVI, si
non potest transire a me calix iste nisi bibam illum, fiat voluntas tua. (IIIa q. 47 a. 2 ad 2)
2 — Ofschoon gehoorzaamheid noodzaak insluit met betrekking tot het bevolene, sluit zij
toch ook de vrije wil in, met betrekking tot de vervulling van het gebod. En zo was
het gesteld met de gehoorzaamheid van Christus. Want het lijden zelf en de dood, waren
op zich beschouwd in strijd met de natuurlijke wilsstreving; maar Christus wilde Gods
wilsbeschikking over dit punt volbrengen, naar het woord van het Boek der Psalmen
(39. 9): « Mijn God, Ik heb gewild uw wil te doen. » Daarom zegt Hij bij Mattheus
(26. 42): « Als deze kelk niet aan Mij kan voorbijgaan, tenzij ik hem drinke, uw wil
geschiede. »
Ad tertium dicendum quod eadem ratione Christus passus est ex caritate, et obedientia,
quia etiam praecepta caritatis nonnisi ex obedientia implevit; et obediens fuit ex
dilectione ad patrem praecipientem. (IIIa q. 47 a. 2 ad 3)
3 — Om dezelfde reden heeft Christus geleden, zowel uit liefde als uit gehoorzaamheid:
daar Hij het gebod der liefde louter uit gehoorzaamheid vervulde, en Hij gehoorzaam
was uit liefde tot de Vader, die Hem het bevel gaf.
Articulus 3. Leverde God de Vader Christus over aan het lijden?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod Deus pater non tradiderit Christum passioni.
Iniquum enim et crudele esse videtur quod innocens passioni et morti tradatur. Sed,
sicut dicitur Deut. XXXII Deus fidelis et absque ulla iniquitate. Ergo Christum innocentem
non tradidit passioni et morti. (IIIa q. 47 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert dat God de Vader Christus niet overleverde aan het lijden. Het is immers
onbillijk en wreed iemand onschuldig over te leveren aan lijden en dood. Maar, zo
wordt gezegd in het *Boek Deuteronomium* (32. 4): « God is getrouw en zonder enige
onbillijkheid. » Dus gaf Hij de onschuldige Christus niet over aan lijden en dood.
Praeterea, non videtur quod aliquis a seipso, et ab alio morti tradatur. Sed Christus
tradidit semetipsum pro nobis, secundum quod dicitur Isaiae LIII, tradidit in mortem
animam suam. Non ergo videtur quod Deus pater eum tradiderit. (IIIa q. 47 a. 3 arg. 2)
2 — Iemand kan niet zichzelf aan de dood overleveren en tegelijk door een ander overgeleverd
worden. Christus heeft echter zichzelf voor ons overgeleverd, zoals staat in *Isaïas*
(53. 12): « Hij leverde zijn ziel over aan de dood. » Dus heeft God de Vader Hem niet
overgeleverd.
Praeterea, Iudas vituperatur ex eo quod tradidit Christum Iudaeis, secundum illud
Ioan. VI, unus ex vobis Diabolus est, quod dicebat propter Iudam, qui eum erat traditurus.
Similiter etiam vituperantur Iudaei, qui eum tradiderunt Pilato, secundum quod ipse
dicit, Ioan. XVIII, gens tua et pontifices tui tradiderunt te mihi. Pilatus autem
tradidit ipsum ut crucifigeretur, ut habetur Ioan. XIX, non est autem conventio iustitiae
cum iniquitate, ut dicitur II Cor. VI. Ergo videtur quod Deus pater Christum non tradiderit
passioni. (IIIa q. 47 a. 3 arg. 3)
3 — Judas wordt gelakt, omdat hij Christus aan de Joden overleverde, zoals staat in *Joannes*
(6. 71): « Een onder u is een duivel, » hetgeen Hij zei met het oog op Judas, die
Hem zou overleveren. Evenzo wordt het de Joden verweten, dat zij Hem overleverden
aan Pilatus, hetgeen deze zelf zegt bij Joannes (18. 35): « Uw volk en uw priesters
hebben U aan mij overgeleverd. » Ook Pilatus « gaf Hem over ter kruisiging, » zoals
gezegd wordt bij Joannes (19. 16). « De gerechtigheid heeft echter geen deel met de
ongerechtigheid, » zoals gezegd wordt in de Tweede Brief aan de Corinthiërs (6. 14).
Dus gaf God de Vader Christus niet aan het lijden over.
Sed contra est quod dicitur Rom. VIII, proprio filio suo non pepercit Deus, sed pro
nobis omnibus tradidit illum. (IIIa q. 47 a. 3 s. c.)
Daartegenover staat echter, wat gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (8. 32):
« God heeft zijn eigen Zoon niet gespaard, maar Hem voor ons allen overgeleverd. »
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, Christus passus est voluntarie ex obedientia
patris. Unde secundum tria Deus pater tradidit Christum passioni. Uno quidem modo,
secundum quod sua aeterna voluntate praeordinavit passionem Christi ad humani generis
liberationem, secundum illud quod dicitur Isaiae LIII, dominus posuit in eo iniquitatem
omnium nostrum; et iterum, dominus voluit conterere eum in infirmitate. Secundo, inquantum
inspiravit ei voluntatem patiendi pro nobis, infundendo ei caritatem. Unde ibidem
sequitur, oblatus est quia voluit. Tertio, non protegendo eum a passione, sed exponendo
persequentibus. Unde, ut legitur Matth. XXVII, pendens in cruce Christus dicebat,
Deus meus, ut quid dereliquisti me? Quia scilicet potestati persequentium eum exposuit,
ut Augustinus dicit. (IIIa q. 47 a. 3 co.)
Zoals in het vorige artikel gezegd is, heeft Christus vrijwillig geleden uit gehoorzaamheid
aan de Vader. Daarom heeft God de Vader Christus in drieërlei opzicht aan het lijden
overgeleverd. — Vooreerst, in zoverre Hij in zijn eeuwige wilsbeschikking verordend
had, dat Christus zou lijden tot verlossing van het menselijk geslacht, overeenkomstig
het gezegde bij Isaïas (53. 6): « De Heer legde op Hem de ongerechtigheid van ons
allen; » en wederom (v. 10): « De Heer wilde Hem door lijden verbrijzelen. » — Ten
tweede, in zo verre Hij Hem de wil ingaf, om voor ons te lijden, door Hem de liefde
in te storten. Vandaar dat de genoemde plaats voortgaat (v. 7): « Hij is geslachtofferd,
omdat Hij het zelf wilde. » — Ten derde, door Hem niet tegen het lijden te beschermen,
maar Hem prijs te geven aan zijn vervolgers. Daarom ook lezen wij bij Mattheus (27.
46), dat Christus, hangend aan het kruis, zei: « Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij
Mij verlaten? », daar Hij Hem namelijk prijs gaf aan de macht zijner vervolgers, zoals
Augustinus zegt.
Ad primum ergo dicendum quod innocentem hominem passioni et morti tradere contra eius
voluntatem, est impium et crudele. Sic autem Deus pater Christum non tradidit, sed
inspirando ei voluntatem patiendi pro nobis. In quo ostenditur et Dei severitas, qui
peccatum sine poena dimittere noluit, quod significat apostolus dicens, proprio filio
suo non pepercit, et bonitas eius, in eo quod, cum homo sufficienter satisfacere non
posset per aliquam poenam quam pateretur, ei satisfactorem dedit, quod significavit
apostolus dicens, pro nobis omnibus tradidit illum. Et Rom. III dicit, quem, scilicet
Christum, per fidem propitiatorem proposuit Deus in sanguine ipsius. (IIIa q. 47 a. 3 ad 1)
1 — Het is goddeloos en wreed een onschuldig mens tegen zijn wil over te leveren aan lijden
en dood. Maar zo heeft God de Vader Christus niet overgeleverd, maar door Hem de wil
in te geven om voor ons te lijden. Hierin komt tot uiting zowel de strengheid van
God, die de zonde niet straffeloos wilde vergeven: wat de Apostel aanduidt als hij
zegt in de Brief aan de Romeinen (8. 32): « Zijn eigen Zoon heeft Hij niet gespaard;
» als ook zijn goedheid door het feit, dat Hij de mens, die door eigen lijden niet
genoeg voldoening zou kunnen geven, iemand gaf, die voor hem voldeed: wat de Apostel
aangeeft als hij zegt « Hij heeft Hem voor ons overgeleverd; » en in de Brief aan
de Romeinen (3. 25) zegt hij: « En Hem, » nl. Christus, « stelde God tot Verzoener
door het geloof in zijn bloed. »
Ad secundum dicendum quod Christus, secundum quod Deus, tradidit semetipsum in mortem
eadem voluntate et actione qua et pater tradidit eum. Sed inquantum homo, tradidit
semetipsum voluntate a patre inspirata. Unde non est contrarietas in hoc quod pater
tradidit Christum, et ipse tradidit semetipsum. (IIIa q. 47 a. 3 ad 2)
2 — Christus gaf zich in zoverre Hij God was aan de dood over met dezelfde wil en dezelfde
daad, waarmede ook de Vader Hem overgaf; maar als mens gaf Hij zichzelf over met dat
wilsverlangen, dat de Vader Hem had ingegeven. Daarom ligt er geen tegenspraak in,
dat de Vader Christus overleverde, en dat Hij zichzelf overgaf.
Ad tertium dicendum quod eadem actio diversimode iudicatur in bono vel in malo, secundum
quod ex diversa radice procedit. Pater enim tradidit Christum, et ipse seipsum, ex
caritate, et ideo laudantur. Iudas autem tradidit ipsum ex cupiditate, Iudaei ex invidia,
Pilatus ex timore mundano, quo timuit Caesarem, et ideo ipsi vituperantur. (IIIa q. 47 a. 3 ad 3)
3 — Dezelfde daad wordt verschillend beoordeeld ten goede of ten kwade, in zover zij uit
een verschillende grond voortkomt. Want de Vader leverde Christus over, en deze zichzelf,
uit liefde: en daarom zijn zij te prijzen. Judas echter leverde Hem over uit hebzucht,
de Joden uit afgunst, Pilatus uit de werelds vrees, waarmee hij de Caesar vreesde:
en daarom worden zij berispt.
Articulus 4. Was het passend, dat Christus leed door toedoen der heidenen?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod non fuerit conveniens Christum pati a gentilibus.
Quia enim per mortem Christi homines erant a peccato liberandi, conveniens videretur
ut paucissimi in morte eius peccarent. Peccaverunt autem in morte eius Iudaei, ex
quorum persona dicitur, Matth. XXI, hic est heres; venite, occidamus eum. Ergo videtur
conveniens fuisse quod in peccato occisionis Christi gentiles non implicarentur. (IIIa q. 47 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het niet passend was, dat Christus leed door toedoen van de heidenen.
Daar immers door Christus’ dood de mensen van de zonde moesten verlost worden, scheen
het passend, dat zo weinig mogelijk mensen in zijn dood zouden zondigen. Met zijn
dood nu zondigden de Joden, uit wier naam gezegd wordt bij Mattheus (21. 38): « Dit
is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden. » Derhalve was het passend, dat de heidenen
niet betrokken werden in de zonde van de moord op Christus.
Praeterea, veritas debet respondere figurae. Sed figuralia sacrificia veteris legis
non gentiles, sed Iudaei offerebant. Ergo neque passio Christi, quae fuit verum sacrificium,
impleri debuit per manus gentilium. (IIIa q. 47 a. 4 arg. 2)
2 — De werkelijkheid moet beantwoorden aan de voorafbeelding. De voorafbeeldende offers
nu van de Oude Wet droegen de Joden op, en niet de heidenen. Dus moest ook het lijden
van Christus, dat het waarachtige offer was, niet door de handen van mensen voltrokken
worden.
Praeterea, sicut dicitur Ioan. V, Iudaei quaerebant Christum interficere, non solum
quia solvebat sabbatum, sed etiam quia patrem suum dicebat Deum, aequalem se Deo faciens.
Sed haec videbantur esse solum contra legem Iudaeorum, unde et ipsi dicunt, Ioan.
XIX, secundum legem debet mori, quia filium Dei se fecit. Videtur ergo conveniens
fuisse quod Christus non a gentilibus, sed a Iudaeis pateretur, et falsum esse quod
dixerunt, nobis non licet interficere quemquam, cum multa peccata secundum legem morte
puniantur, ut patet Levit. XX. (IIIa q. 47 a. 4 arg. 3)
3 — Zoals gezegd wordt bij Joannes (5. 18) « zochten de Joden Christus te doden, niet
alleen, omdat Hij de sabbat schond, maar ook, omdat Hij God zijn Vader noemde, zichzelf
gelijkstellend met God. » Dit echter was alleen in strijd met de Wet der Joden. Daarom
ook zeggen zij zelf bij Joannes (19. 7): « Volgens de Wet moet Hij sterven, omdat
Hij zich tot Zoon van God heeft verklaard. » Het schijnt dus behoorlijk geweest te
zijn, dat Christus niet door de heidenen, maar door toedoen der Joden leed, en het
schijnt dan een valsheid, dat zij zeiden: « Ons is het niet geoorloofd, iemand te
doden » (Joan. 18. 31), daar vele zonden volgens de Wet met de dood werden gestraft,
zoals blijkt uit het Boek Leviticus (20).
Sed contra est quod ipse dominus dicit, Matth. XX, tradent eum gentibus ad illudendum
et flagellandum et crucifigendum. (IIIa q. 47 a. 4 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat de Heer zelf bij Mattheus (20. 19) zegt: « Zij zullen
Hem overleveren aan de heidenen, om bespot en gegeeseld en gekruisigd te worden. »
Respondeo dicendum quod in ipso modo passionis Christi praefiguratus est effectus
ipsius. Primo enim passio Christi effectum salutis habuit in Iudaeis, quorum plurimi
in morte Christi baptizati sunt, ut patet Act. II et IV. Secundo vero, Iudaeis praedicantibus,
effectus passionis Christi transivit ad gentes. Et ideo conveniens fuit ut Christus
a Iudaeis pati inciperet, et postea, Iudaeis tradentibus, per manus gentilium eius
passio finiretur. (IIIa q. 47 a. 4 co.)
In de wijze van Christus’ lijden komt zijn uitwerking vooraf tot uiting. — Want vooreerst
had het lijden van Christus een heilzaam gevolg voor de Joden, waarvan de meesten
in Christus’ dood gedoopt zijn, zoals blijkt uit de Handelingen der Apostelen (2.
41; 3. 4). — Vervolgens strekte zich het gevolg van Christus’ lijden ook tot de heidenen
uit, door de prediking der Joden. En derhalve was het passend, dat Christus’ lijden
begon door toedoen van de Joden, en dat vervolgens, toen de Joden Hem overleverden,
zijn lijden voltooid werd door de handen van de heidenen.
Ad primum ergo dicendum quod, quia Christus, ad ostendendam abundantiam caritatis
suae, ex qua patiebatur, in cruce positus veniam persecutoribus postulavit; ut huius
petitionis fructus ad Iudaeos et gentiles perveniret, voluit Christus ab utrisque
pati. (IIIa q. 47 a. 4 ad 1)
1 — Om de overvloed zijner liefde te tonen, waaruit zijn lijden voortkwam, heeft Christus
op het kruis vergeving gevraagd voor zijn vervolgens; en daarom wilde Hij, door toedoen
van beiden, lijden, opdat de vrucht van deze smeeking zou toekomen zowel aan Joden
als aan heidenen.
Ad secundum dicendum quod passio Christi fuit sacrificii oblatio inquantum Christus
propria voluntate mortem sustinuit ex caritate. Inquantum autem a persecutoribus est
passus, non fuit sacrificium, sed peccatum gravissimum. (IIIa q. 47 a. 4 ad 2)
2 — Het lijden van Christus was een slachtoffering, in zover Christus met vrije wil de
dood onderging uit liefde. In zover Hij echter leed door toedoen van zijn vervolgens,
was het geen offer, maar de zwaarste zonde.
Ad tertium dicendum quod, sicut Augustinus dicit, Iudaei dicentes, nobis non licet
interficere quemquam, intellexerunt non sibi licere interficere quemquam propter festi
diei sanctitatem, quam celebrare iam coeperant. Vel hoc dicebant, ut Chrysostomus
dicit, quia volebant eum occidi, non tanquam transgressorem legis, sed tanquam publicum
hostem, quia regem se fecerat, de quo non erat eorum iudicare. Vel quia non licebat
eis crucifigere, quod cupiebant, sed lapidare, quod in Stephano fecerunt. Vel melius
dicendum est quod per Romanos, quibus erant subiecti, erat eis potestas occidendi
interdicta. (IIIa q. 47 a. 4 ad 3)
3 — Zoals Augustinus zegt, bedoelden de Joden met te zeggen: « Ons is het niet geoorloofd
iemand te doden, » « dat het hun niet vrij stond iemand te doden om de heiligheid
van de feestdag, welke zij juist begonnen waren te vieren. » — Ofwel zeiden zij dit,
zoals Chrysostomus zegt, omdat zij Hem wilden doden, niet als een overtreder der Wet,
maar als een publieke vijand, daar Hij zich voor koning uitgegeven had, waarover het
hun niet toekwam een veroordeling uit te spreken. — Ofwel, omdat het hun niet vrij
stond iemand te kruisigen, hetgeen zij verlangden, maar enkel te stenigen, hetgeen
zij met Stephanus deden. — Ofwel beter gezegd, omdat hun door de Romeinen, aan wie
zij onderworpen waren, de macht ontzegd was, iemand te doden.
Articulus 5. Hebben de vervolgers van Christus Hem gekend?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod persecutores Christi eum cognoverunt. Dicitur
enim Matth. XXI, quod agricolae, videntes filium, dixerunt intra se, hic est heres,
venite, occidamus eum. Ubi dicit Hieronymus, manifestissime dominus probat his verbis
Iudaeorum principes non per ignorantiam, sed per invidiam Dei filium crucifixisse.
Intellexerunt enim esse illum cui pater per prophetam dicit, postula a me, et dabo
tibi gentes hereditatem tuam. Ergo videtur quod cognoverunt eum esse Christum, vel
filium Dei. (IIIa q. 47 a. 5 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de vervolgers van Christus Hem hebben gekend. Bij Mattheus (21, 38)
wordt immers gezegd « dat de landbouwers, toen ze de zoon zagen, tot elkaar zeiden:
Dit is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden, » waarop Hieronymus aanmerkt: « De
Heer bewijst met deze woorden duidelijk, dat de Joodse overheden de Zoon van God niet
uit onwetendheid, maar uit afgunst gekruisigd hebben. Zij begrepen immers, dat Hij
degene was, van wie de Vader door de mond van de Profeet zeide: Vraag van Mij, en
Ik zal U de volkeren tot erfdeel geven » (Ps. 2. 8). Zij schijnen dus geweten te hebben,
dat Hij de Christus of de Zoon Gods was.
Praeterea, Ioan. XV dominus dixit, nunc autem et viderunt et oderunt et me et patrem
meum. Quod autem videtur, manifeste cognoscitur. Ergo Iudaei, cognoscentes Christum,
ex causa odii ei passionem intulerunt. (IIIa q. 47 a. 5 arg. 2)
2 — Bij Joannes (15. 24) zegt de Heer: « Maar nu hebben zij ze gezien en toch én Mij én
Mijn Vader gehaat. » Wat men echter ziet, kent men duidelijk. Dus hebben de Joden,
terwijl zij Christus kenden, Hem uit haat het lijden aangedaan.
Praeterea, in quodam sermone Ephesini Concilii dicitur, sicut qui chartam imperialem
disrumpit, tanquam imperatoris disrumpens verbum, ad mortem adducitur, sic crucifigens
Iudaeus quem viderat, poenas dabit tanquam in ipsum Deum verbum praesumptiones iniiciens.
Hoc autem non esset si eum Dei filium esse non cognoverunt, quia ignorantia eos excusasset.
Ergo videtur quod Iudaei crucifigentes Christum cognoverunt eum esse filium Dei. (IIIa q. 47 a. 5 arg. 3)
3 — In een preek op het Concilie van Ephese, aangehaald in de vorige kwestie (12e Art.
2e Antw.), wordt gezegd: « Zoals hij, die het keizerlijk document verscheurt, ter
dood wordt veroordeeld als verkrachter van het woord van de keizer, zo zal de Jood,
die degene kruisigde, die hij zag, moeten boeten als iemand, die vermetelheid begaat
tegen het Woord Gods zelf. » Dit zou echter niet het geval zijn, als zij niet hadden
geweten, dat Hij de Zoon Gods was, daar hun onwetendheid hen zou verontschuldigd hebben.
Dus hebben de Joden, die Christus kruisigden, geweten, dat Hij de Zoon Gods was.
Sed contra est quod dicitur I Cor. II, si cognovissent, nunquam dominum gloriae crucifixissent.
Et Act. III dicit Petrus, Iudaeis loquens, scio quod per ignorantiam fecistis sicut
et principes vestri. Et dominus, in cruce pendens, dixit, pater, dimitte illis, non
enim sciunt quid faciunt. (IIIa q. 47 a. 5 s. c.)
Daartegenover staat echter het gezegde in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (2. 8):
« Als zij Hem gekend hadden, zouden zij nooit de Heer der glorie gekruisigd hebben
»; en in de Handelingen der Apostelen (3. 17) zegt Petrus, sprekende tot de Joden:
« Ik weet, dat gij uit onwetendheid gehandeld hebt, zoals ook uw overheden »; en de
Heer zegt, hangende aan het kruis: « Vader vergeef het hun, want zij weten niet, wat
zij doen. » (Luc. 23. 34).
Respondeo dicendum quod apud Iudaeos quidam erant maiores, et quidam minores. Maiores
quidem, qui eorum principes dicebantur, cognoverunt, ut dicitur in libro quaest. Nov.
et Vet. Test., sicut et Daemones cognoverunt, eum esse Christum promissum in lege,
omnia enim signa videbant in eo quae dixerant futura prophetae. Mysterium autem divinitatis
eius ignorabant, et ideo apostolus dixit quod, si cognovissent, nunquam dominum gloriae
crucifixissent. Sciendum tamen quod eorum ignorantia non eos excusabat a crimine,
quia erat quodammodo ignorantia affectata. Videbant enim evidentia signa ipsius divinitatis,
sed ex odio et invidia Christi ea pervertebant, et verbis eius, quibus se Dei filium
fatebatur, credere noluerunt. Unde ipse de eis dicit, Ioan. XV, si non venissem, et
locutus eis non fuissem, peccatum non haberent, nunc autem excusationem non habent
de peccato suo. Et postea subdit, si opera non fecissem in eis quae nemo alius fecit,
peccatum non haberent. Et sic ex persona eorum accipi potest quod dicitur Iob XXI,
dixerunt Deo, recede a nobis, scientiam viarum tuarum nolumus. Minores vero, idest
populares, qui mysteria Scripturae non noverant, non plene cognoverunt ipsum esse
nec Christum nec filium Dei, licet aliqui eorum etiam in eum crediderint. Multitudo
tamen non credidit. Et si aliquando dubitarent an ipse esset Christus, propter signorum
multitudinem, et efficaciam doctrinae, ut habetur Ioan. VII, tamen postea decepti
fuerunt a suis principibus ut eum non crederent neque filium Dei neque Christum. Unde
et Petrus eis dixit, scio quod per ignorantiam hoc fecistis, sicut et principes vestri,
quia scilicet per principes seducti erant. (IIIa q. 47 a. 5 co.)
Bij de Joden waren er hogeren en lageren. De hogeren nu, die hun « overheden » genoemd
worden, wisten, zoals Augustinus zegt, evenals de duivelen, « dat Hij de Christus
was, die in de Wet beloofd was: zij zagen immers al de tekenen in Hem verwerkelijkt,
die de profeten voorzegd hadden. Het mysterie zijner Godheid kenden zij echter niet.
» En daarom zegt de Apostel, dat « zij nooit de Heer der glorie zouden gekruisigd
hebben, indien zij Hem gekend hadden. » (1 Cor. 2. 8) Men moet echter weten, dat hun
onwetendheid hen niet van hun misdaad vrijpleitte, daar het in zekeren zin een opzettelijke
onwetendheid was. Zij zagen immers de evidente tekenen van zijn Godheid, maar uit
haat en afgunst tegen Christus, hebben zij deze ontzenuwd; en zij weigerden geloof
te hechten aan zijn woorden, waarmee Hij getuigde, dat Hij de Zoon Gods was. Daarom
zegt Hij ook zelf van hen bij Joannes (15. 22): « Indien ik niet gekomen was en niet
tot hen gesproken had, zouden zij geen zonden gehad hebben; nu echter hebben zij geen
verontschuldiging voor hun zonde. » En Hij voegt er verder aan toe (v. 24): « Als
Ik voor hun ogen de werken niet gedaan had, die geen ander doet, dan zouden zij geen
zonde gehad hebben. » En zo kan men van hen verstaan, wat gezegd wordt in het Boek
Job (21. 14): « Zij zeiden tot God: Ga van ons weg, wij willen uw wegen niet kennen.
» — De minderen echter, d. i. de volksmensen, die de geheimen der Schrift niet kennen,
hebben niet juist geweten, noch dat Hij de Christus, noch dat Hij de Zoon Gods was,
alhoewel sommigen van hen in Hem geloofden. De massa echter geloofde niet. En al hebben
zij soms in twijfel gestaan of Hij wel de Christus was, om de vele tekenen en de afdoendheid
van zijn leer, zoals staat in Joannes (7. 31, 41 en vlg.), toch zijn zij naderhand
door hun overheden misleid, zodat zij Hem niet geloofden, noch dat Hij de Zoon Gods,
noch dat Hij de Christus was. Daarom zegt ook Petrus tot hen: « Ik weet, dat gij uit
onwetendheid gehandeld hebt, zoals ook uw overheden » (Handel. 3. 17), omdat zij nl.
door hun overheden misleid waren.
Ad primum ergo dicendum quod illa verba dicuntur ex persona colonorum vineae, per
quos significantur rectores illius populi, qui eum cognoverunt esse heredem, inquantum
cognoverunt eum esse Christum promissum in lege. Sed contra hanc responsionem videtur
esse quod illa verba Psalmi, postula a me et dabo tibi gentes hereditatem tuam, eidem
dicuntur cui dicitur, filius meus es tu, ego hodie genui te. Si ergo cognoverunt eum
esse illum cui dictum est, postula a me et dabo tibi gentes hereditatem tuam, sequitur
quod cognoverunt eum esse filium Dei. Chrysostomus etiam, ibidem, dicit quod cognoverunt
eum esse filium Dei. Beda etiam dicit, super illud Luc. XXIII, quia nesciunt quid
faciunt, notandum, inquit, quod non pro eis orat qui, quem filium Dei intellexerunt,
crucifigere quam confiteri maluerunt. Sed ad hoc potest responderi quod cognoverunt
eum esse filium Dei non per naturam, sed per excellentiam gratiae singularis. Possumus
tamen dicere quod etiam verum Dei filium cognovisse dicuntur, quia evidentia signa
huius rei habebant, quibus tamen assentire propter odium et invidiam noluerunt, ut
eum cognoscerent esse filium Dei. (IIIa q. 47 a. 5 ad 1)
1 — Deze woorden worden gesproken uit naam der wijnbouwers, met wie de leiders van het
volk worden aangeduid, die wisten dat Hij de erfgenaam was, in zover zij wisten, dat
Hij de Christus was, die in de Wet voorspeld was. Met dit antwoord schijnt echter
in strijd, het feit, dat de woorden uit het Boek der Psalmen (2. 8): « Vraag van Mij,
en Ik zal U de volkeren tot erfdeel geven, » gezegd worden tot dezelfde, als tot wien
gezegd wordt: « Gij zijt mijn Zoon, Ik heb U heden geteeld. » (v. 7) Als zij dus geweten
hadden, dat Hij degene was, tot wien gezegd werd: « Vraag van Mij enz., » dan volgt,
dat zij geweten hebben, dat Hij de Zoon Gods was. Chrysostomus zegt, dat « zij Hem
gekend hebben als de Zoon van God. » En ook Beda zegt, naar aanleiding van het woord
bij Lucas (23. 34): « Want zij weten niet, wat zij doen »: « Bedenk, dat Hij niet
bidt voor hen, die degene, die zij kenden als de Zoon van God, liever wilden kruisigen,
dan belijden. » Maar hierop kan men antwoorden, dat zij wisten, dat Hij de Zoon Gods
was, niet van nature, maar door zijn uitstekende, buitengewone genade. Wij kunnen
echter zeggen, dat van hen beweerd wordt, dat zij de waarachtigen Zoon Gods kenden,
omdat zij de evidente bewijzen hiervan hadden; dat zij echter uit haat en afgunst
weigerden, zich hiervoor gewonnen te geven en Hem te erkennen als Zoon van God.
Ad secundum dicendum quod ante illa verba praemittitur, si opera non fecissem in eis
quae nemo alius fecit, peccatum non haberent, et postea subditur, nunc autem viderunt,
et oderunt et me et patrem meum. Per quod ostenditur quod, videntes opera Christi
mirifica, ex odio processit quod eum filium Dei non cognoverunt. (IIIa q. 47 a. 5 ad 2)
2 — Aan die woorden gaat vooraf: « Indien Ik de werken, die geen ander doet, niet voor
hun ogen gedaan had, dan zouden zij geen zonde hebben, » en later wordt eraan toegevoegd:
« Nu echter hebben zij deze gezien, en Mij en Mijn Vader gehaat. » Waardoor wordt
duidelijk gemaakt, dat het uit haat voortkwam, dat zij de Zoon Gods niet kenden, ofschoon
zij de wonderwerken van Christus zagen.
Ad tertium dicendum quod ignorantia affectata non excusat a culpa sed magis videtur
culpam aggravare, ostendit enim hominem sic vehementer esse affectum ad peccandum
quod vult ignorantiam incurrere ne peccatum vitet. Et ideo Iudaei peccaverunt, non
solum hominis Christi, sed tanquam Dei crucifixores. (IIIa q. 47 a. 5 ad 3)
3 — Een opzettelijke onwetendheid verontschuldigt de schuld niet, maar schijnt veeleer
de schuld te verzwaren: zij toont immers, dat een mens zo hevig tot zondigen geneigd
is, dat hij onwetend wil blijven, om de zonde niet te behoeven vermijden. En daarom
hebben de Joden gezondigd als kruisigers, niet alleen van de mens Christus, maar ook
van God.
Articulus 6. Was de zonde van hen, die Christus kruisigden, de zwaarste?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod peccatum crucifigentium Christum non fuerit
gravissimum. Non enim est gravissimum peccatum quod excusationem habet. Sed ipse dominus
excusavit peccatum crucifigentium eum, dicens, pater, ignosce illis, quia nesciunt
quid faciunt. Non ergo peccatum eorum fuit gravissimum. (IIIa q. 47 a. 6 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de zonde van hen, die Christus kruisigden niet de zwaarste was. Een
zonde, waarvoor een verontschuldiging aan te voeren valt, is niet de zwaarste. God
zelf echter verontschuldigde de zonde van zijn kruisigers, zeggend bij Lucas (23.
34): « Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. » Dus was hun zonde
niet de zwaarste.
Praeterea, dominus dixit Pilato, Ioan. XIX, qui tradidit me tibi, maius peccatum habet.
Ipse autem Pilatus fecit Christum crucifigi per suos ministros. Ergo videtur fuisse
maius peccatum Iudae proditoris peccato crucifigentium Christum. (IIIa q. 47 a. 6 arg. 2)
2 — De Heer zegt tot Pilatus bij Joannes (19. 11): « Die Mij aan u overleverde, hij heeft
grotere zonde. » Pilatus zelf nu liet Christus door zijn dienaren kruisigen. Dus is
de zonde van Judas de verrader groter, dan de zonde van hen die Christus gekruisigd
hebben.
Praeterea, secundum philosophum, in V Ethic., nullus patitur iniustum volens, et,
sicut ipse ibidem dicit, nullo patiente iniustum, nullus facit iniustum. Ergo volenti
nullus facit iniustum. Sed Christus voluntarie est passus, ut supra habitum est. Non
ergo iniustum fecerunt crucifixores Christi. Et ita eorum peccatum non est gravissimum. (IIIa q. 47 a. 6 arg. 3)
3 — Volgens de Wijsgeer « lijdt niemand willens onrecht; » en zoals hij ook zegt: « als
er niemand is, die onrecht lijdt, is er ook niemand, die onrecht doet. » Dus niemand
doet onrecht aan iemand, die dit verlangt. Christus nu heeft vrijwillig geleden, zo
als boven gezegd is (1° Art. van deze Kw. 3° Antw. en 2° Art.). Dus begingen zij,
die Christus kruisigden, geen onrecht, en was aldus hun zonde niet de zwaarste.
Sed contra est quod super illud Matth. XXIII, et vos implete mensuram patrum vestrorum,
dicit Chrysostomus, quantum ad veritatem, excesserunt mensuram patrum suorum. Illi
enim homines occiderunt, isti Deum crucifixerunt. (IIIa q. 47 a. 6 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat op het gezegde van Mattheus (23. 32): « En gij maakt
de maat uwer vaderen vol, » Chrysostomus aanmerkt: « In werkelijkheid gingen zij de
maat hunner vaderen te boven, want deze doodden mensen, zij echter kruisigden God.
»
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, principes Iudaeorum cognoverunt Christum,
et si aliqua ignorantia fuit in eis, fuit ignorantia affectata, quae eos non poterat
excusare. Et ideo peccatum eorum fuit gravissimum, tum ex genere peccati; tum ex malitia
voluntatis. Minores autem Iudaei gravissime peccaverunt quantum ad genus peccati,
in aliquo tamen diminuebatur eorum peccatum propter eorum ignorantiam. Unde super
illud Luc. XXIII, nesciunt quid faciunt, dicit Beda, pro illis rogat qui nescierunt
quod fecerunt, zelum Dei habentes, sed non secundum scientiam. Multo autem magis fuit
excusabile peccatum gentilium per quorum manus Christus crucifixus est, qui legis
scientiam non habebant. (IIIa q. 47 a. 6 co.)
Zoals in het vorige artikel gezegd is, hebben de Joodse overheden Christus gekend:
en zo er al bij hen enige onwetendheid was, dan was het een opzettelijke onwetendheid,
die hen niet kon verontschuldigen. En daarom was hun zonde het zwaarst, zowel om de
soort van zonde, als om de boosheid van hun wil. — De eenvoudigere Joden begingen
echter de zwaarste zonde, wat de soort van zonde betreft, maar in zekere zin werd
hun zonde kleiner door hun onwetendheid. Vandaar dat bij het woord van Lucas (23.
34): « Zij weten niet wat zij doen, » Beda zegt: « Hij vraagt voor hen, die niet wisten
wat zij deden, die wel ijverden voor God, maar niet met het juiste inzicht. » Veel
meer viel de zonde van de heidenen te verontschuldigen, door wier hand Hij gekruisigd
werd, omdat zij niet de kennis der Wet bezaten.
Ad primum ergo dicendum quod excusatio illa domini non refertur ad principes Iudaeorum,
sed ad minores de populo, sicut dictum est. (IIIa q. 47 a. 6 ad 1)
1 — Die verontschuldiging van de Heer heeft geen betrekking op de Joodse overheden, maar
op de minderen van het volk, zoals in de leerstelling gezegd is.
Ad secundum dicendum quod Iudas tradidit Christum, non Pilato, sed principibus sacerdotum,
qui tradiderunt eum Pilato, secundum illud Ioan. XVIII, gens tua et pontifices tui
tradiderunt te mihi. Horum tamen omnium peccatum fuit maius quam Pilati, qui timore
Caesaris Christum occidit; et etiam quam peccatum militum, qui mandato praesidis Christum
crucifixerunt; non ex cupiditate, sicut Iudas, nec ex invidia et odio, sicut principes
sacerdotum. (IIIa q. 47 a. 6 ad 2)
2 — Judas heeft Christus niet aan Pilatus overgeleverd, maar aan de opperpriesters, die
Hem overleverden aan Pilatus, naar het woord van Joannes (18. 35): « Uw volk en uw
opperpriesters hebben U aan mij overgeleverd ». De zonde van deze allen echter was
groter, dan die van Pilatus, die uit vrees voor de Caesar Christus doodde; en ook
was zij groter dan de zonde der soldaten, die in opdracht van de landvoogd Christus
kruisigden; niet uit hebzucht, zoals Judas, noch uit afgunst of haat, zoals de Joodse
overheden.
Ad tertium dicendum quod Christus voluit quidem suam passionem, sicut et Deus eam
voluit, iniquam tamen actionem Iudaeorum noluit. Et ideo occisores Christi ab iniustitia
non excusantur. Et tamen ille qui occidit hominem, iniuriam facit non solum homini,
sed etiam Deo et reipublicae, sicut etiam et ille qui occidit seipsum, ut philosophus
dicit, in V Ethic. Unde David damnavit illum ad mortem qui non timuerat mittere manum
ut occideret Christum domini, quamvis eo petente, ut legitur II Reg. I. (IIIa q. 47 a. 6 ad 3)
3 — Christus wilde wel zijn lijden, zoals ook God het wilde, maar de misdadige handeling
der Joden wilde Hij niet. En daarom worden de moordenaars van Christus niet van ongerechtigheid
vrijgepleit. En toch doet hij, die een mens doodt, niet alleen onrecht aan de mens,
die hij doodt, maar ook aan God en de staat; zoals ook hij, die zichzelf doodt, zoals
de Wijsgeer zegt. Daarom ook veroordeelde David hem ter dood, die « niet geaarzeld
had de gezalfde van de Heer te doden, » ofschoon deze er zelf om gevraagd had, zoals
wij lezen in het Tweede Boek der Koningen (1. 6 en vlg.).