Tertia Pars. Quaestio 32. Over het actieve beginsel, dat Christus ontvangenis bewerkte .
Prooemium
Deinde considerandum est de principio activo in conceptione Christi. Et circa hoc
quaeruntur quatuor. Primo, utrum spiritus sanctus fuerit principium activum conceptionis
Christi. Secundo, utrum possit dici quod Christus sit conceptus de spiritu sancto.
Tertio, utrum possit dici quod spiritus sanctus sit pater Christi secundum carnem.
Quarto, utrum beata virgo aliquid active egerit in conceptione Christi. (IIIa q. 32 pr.)
Vervolgens moeten we spreken over het actieve beginsel, dat Christus’ ontvangenis
tot stand deed komen. (Vgl. de Inleiding op de een en dertigste Kwestie.) Hieromtrent
worden vier vragen gesteld: 1. Was de H. Geest het bewerkend beginsel van Christus’
ontvangenis? 2. Kan men zeggen, dat Christus ontvangen is van de H. Geest? 3. Kan
men zeggen, dat de H. Geest de Vader is van Christus naar het vlees? 4. Heeft de H.
Maagd zelf actief iets bewerkt bij de ontvangenis van Christus?
Articulus 1. Moet het tot stand doen komen van Christus’ ontvangenis worden toegeschreven aan de
H. Geest?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod efficere conceptionem Christi non debeat attribui
spiritui sancto. Quia, ut Augustinus dicit, in I de Trin., indivisa sunt opera Trinitatis,
sicut et indivisa est essentia Trinitatis. Sed efficere conceptionem Christi est quoddam
opus divinum. Ergo videtur quod non magis sit attribuendum spiritui sancto quam patri
vel filio. (IIIa q. 32 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het tot stand komen van Christus’ ontvangenis niet aan de H. Geest
moet worden toegeschreven. Want, zoals Augustinus zegt in zijn werk Over de Drievuldigheid
(1° B., 4° H.; 4° B., 21° H.) zijn de werken der Drievuldigheid onverdeeld, gelijk
ook het wezen der Drievuldigheid onverdeeld is. Welnu, het tot stand komen van Christus’
ontvangenis is het werk van God. Derhalve moet het niet méér worden toegeschreven
aan de H. Geest dan aan de Vader of aan de Zoon.
Praeterea, apostolus dicit, Galat. IV, cum venit plenitudo temporis, misit Deus filium
suum factum ex muliere, quod exponens Augustinus, IV de Trin., dicit, eo utique missum,
quo factum ex muliere. Sed missio filii attribuitur praecipue patri, ut in prima parte
habitum est. Ergo et conceptio, secundum quam factus est ex muliere, debet praecipue
patri attribui. (IIIa q. 32 a. 1 arg. 2)
2 — De Apostel zegt in zijn Brief aan de Galaten (4, 4): « Toen de volheid van de tijd
gekomen was, heeft God zijn eigen Zoon gezonden, die geboren werd uit een vrouw »;
in zijn verklaring van deze woorden schrijft Augustinus in zijn werk Over de Drievuldigheid
(4° B., 19° H.): « Vanzelfsprekend door dengene gezonden, door wie Hij uit de vrouw
geboren werd ». De zending nu van de Zoon wordt in het bijzonder toegeschreven aan
de Vader, zoals in het eerste deel (43° Kw., 8° Art.) werd aangetoond. Bijgevolg moet
ook de ontvangenis, krachtens welke Hij uit de vrouw geboren werd, in het bijzonder
aan de Vader worden toegeschreven.
Praeterea, Proverb. IX dicitur, sapientia aedificavit sibi domum. Est autem sapientia
Dei ipse Christus, secundum illud I Cor. I, Christum Dei virtutem et Dei sapientiam.
Domus autem huius sapientiae est corpus Christi, quod etiam dicitur templum eius,
secundum illud Ioan. II, hoc autem dicebat de templo corporis sui. Ergo videtur quod
efficere conceptionem corporis Christi debeat praecipue attribui filio. Non ergo spiritui
sancto. (IIIa q. 32 a. 1 arg. 3)
3 — In het Boek der Spreuken (9, 1) wordt gezegd: « De wijsheid heeft zich een huis gebouwd
». Gods Wijsheid nu is Christus, volgens het woord van de Eerste Brief aan de Korinthiërs
(1, 24): « Christus, Gods kracht en Gods wijsheid ». Het huis echter dezer Wijsheid
is het lichaam van Christus, dat blijkens Joannes (2, 21) ook zijn tempel wordt genoemd:
« Dit nu zeide Hij over de tempel van zijn lichaam ». Derhalve moet het tot stand
doen komen van de ontvangenis van Christus’ lichaam bijzonderlijk aan de Zoon worden
toegeschreven. En dus niet aan de H. Geest.
Sed contra est quod dicitur Luc. I, spiritus sanctus superveniet in te, et cetera. (IIIa q. 32 a. 1 s. c.)
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen bij Lucas (1, 35): « De H. Geest zal op
u nederdalen, enz. ».
Respondeo dicendum quod conceptionem corporis Christi tota Trinitas est operata, attribuitur
tamen hoc spiritui sancto, triplici ratione. Primo quidem, quia hoc congruit causae
incarnationis quae consideratur ex parte Dei. Spiritus enim sanctus est amor patris
et filii, ut in prima parte habitum est. Hoc autem ex maximo Dei amore provenit, ut
filius Dei carnem sibi assumeret in utero virginali, unde dicitur Ioan. III, sic Deus
dilexit mundum ut filium suum unigenitum daret. Secundo, quia hoc congruit causae
incarnationis ex parte naturae assumptae. Quia per hoc datur intelligi quod humana
natura assumpta est a filio Dei in unitatem personae non ex aliquibus meritis, sed
ex sola gratia, quae spiritui sancto attribuitur, secundum illud I Cor. XII, divisiones
gratiarum sunt, idem autem spiritus. Unde Augustinus dicit, in Enchirid., iste modus
quo est natus Christus de spiritu sancto, insinuat nobis gratiam Dei, qua homo, nullis
praecedentibus meritis, ex ipso primo exordio naturae suae quo esse coepit, verbo
Dei copularetur in tantam unitatem personae ut idem ipse esset filius Dei. Tertio,
quia hoc congruit termino incarnationis. Ad hoc enim terminata est incarnatio ut homo
ille qui concipiebatur, esset sanctus et filius Dei. Utrumque autem horum attribuitur
spiritui sancto. Nam per ipsum efficiuntur homines filii Dei, secundum illud Galat.
IV, quoniam estis filii Dei, misit Deus spiritum filii sui in corda nostra, clamantem,
abba, pater. Ipse est etiam spiritus sanctificationis, ut dicitur Rom. I. Sicut ergo
alii per spiritum sanctum sanctificantur spiritualiter ut sint filii Dei adoptivi,
ita Christus per spiritum sanctum est in sanctitate conceptus ut esset filius Dei
naturalis. Unde Rom. I, secundum unam Glossam, quod praemittitur, qui praedestinatus
est filius Dei in virtute, manifestatur per id quod immediate sequitur, secundum spiritum
sanctificationis, idest, per hoc quod est conceptus de spiritu sancto. Et ipse Angelus
annuntians, per hoc quod praemiserat, spiritus sanctus superveniet in te, concludit,
ideoque et quod nascetur ex te sanctum, vocabitur filius Dei. (IIIa q. 32 a. 1 co.)
Geheel de H. Drievuldigheid heeft de ontvangenis van Christus’ lichaam bewerkt; maar
om een drievoudige reden wordt zij in het bijzonder aan de H. Geest toegeschreven.
1e, wijl dit overeenstemt met de oorzaak der menswording, wanneer men die oorzaak
beziet van de kant van God. De H. Geest toch is de Liefde van de Vader en de Zoon,
gelijk in het eerste deel (37° Kw., 1° Art.) werd aangetoond. Dat nu Gods Zoon zich
het vlees aannam in de maagdelijke schoot, kwam juist uit Gods grootste Liefde voort;
daarom dan ook heet het in Joannes (3, 16): « Zozeer heeft God de wereld lief gehad,
dat Hij zijn eengeboren Zoon heeft gegeven ». 2e, wijl dit overeenstemt met de oorzaak
die de menswording heeft van de kant der aangenomen natuur. Want hierdoor wordt te
verstaan gegeven, dat de menselijke natuur door Gods Zoon is aangenomen tot de eenheid
van zijn persoon, niet krachtens enige verdiensten, maar uitsluitend krachtens de
genade: en deze genade wordt aan de H. Geest toegeschreven, overeenkomstig de Eerste
Brief aan de Korinthiërs (12, 4): « Er is verscheidenheid van genadegaven, de Geest
echter is dezelfde ». Vandaar zegt Augustinus in zijn Enchiridion (40° H.): « Deze
wijze, waarop Christus van de H. Geest geboren werd, is voor ons een zinspeling op
Gods genade, waardoor de mens, zonder dat enige verdiensten er aan voorafgingen, vanaf
het allereerste oogenblik, waarop zijn (menselijke) natuur begon te bestaan, met het
Woord Gods werd verenigd in een dusdanige eenheid van persoon, dat diezelfde mens
Gods Zoon zelf was ». 3e, wijl dit overeenstemt met het eindpunt der menswording.
Het eindpunt der menswording toch lag hierin, dat deze mens, die ontvangen werd, heilig
zou wezen en de Zoon van God zou zijn. Welnu, (het tot stand brengen van) elk dezer
beide punten wordt aan de H. Geest toegeschreven. Want door Hem worden de mensen gemaakt
tot kinderen Gods, zoals blijkt uit de Brief aan de Galaten (4, 6): « En (het bewijs),
dat ge kinderen Gods zijt: « God heeft de Geest van zijn Zoon in onze harten gezonden,
en deze roept: Abba, Vader! » Hij is dan ook « de Geest van heiligmaking », zoals
gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (1, 4). Gelijk dus de anderen geestelijk
worden geheiligd door de H. Geest, om aangenomen kinderen Gods te wezen, zo ook werd
Christus door de inwerking des H. Geestes in heiligheid ontvangen, om de natuurlijke
Zoon van God te zijn. Vandaar ook, dat in de Brief aan de Romeinen (1, 4) de woorden
die voorafgaan: « Die te voren bestemd is als Zoon Gods in kracht », volgens een der
glossen, worden verduidelijkt door datgene wat er onmiddellijk op volgt: « naar de
Geest der Heiligmaking », d. w. z. doordat Hij van de H. Geest ontvangen werd. Zo
ook de engel, die de boodschap overbracht: nadat hij eerst had aangekondigd: « De
H. Geest zal op u nederdalen », besluit hij: « Daarom ook zal het heilige, dat uit
u wordt geboren, de Zoon van God worden genoemd ».
Ad primum ergo dicendum quod opus conceptionis commune quidem est toti Trinitati,
secundum tamen modum aliquem attribuitur singulis personis. Nam patri attribuitur
auctoritas respectu personae filii, qui per huiusmodi conceptionem sibi assumpsit;
filio autem attribuitur ipsa carnis assumptio; sed spiritui sancto attribuitur formatio
corporis quod assumitur a filio. Nam spiritus sanctus est spiritus filii, secundum
illud Galat. IV, misit Deus spiritum filii sui. Sicut autem virtus animae quae est
in semine, per spiritum qui in semine concluditur, format corpus in generatione aliorum
hominum; ita virtus Dei, quae est ipse filius, secundum illud I ad Cor. I, Christum
Dei virtutem, per spiritum sanctum corpus formavit quod assumpsit. Et hoc etiam verba
Angeli demonstrant dicentis, spiritus sanctus superveniet in te, quasi ad praeparandam
et formandam materiam corporis Christi; et virtus altissimi, idest Christus, obumbrabit
tibi, idest, corpus humanitatis in te accipiet incorporeum lumen divinitatis, umbra
enim a lumine formatur et corpore, ut Gregorius dicit, XVIII Moral. Altissimus autem
intelligitur pater, cuius virtus est filius. (IIIa q. 32 a. 1 ad 1)
1 — Het tot stand doen komen van de ontvangenis is inderdaad een gemeenschappelijk werk
van de gehele Drievuldigheid; maar in een bepaalde zin wordt het aan de afzonderlijke
Personen toegeschreven. Want de Vader schrijft men gezag toe aangaande de Persoon
des Zoons, die door deze ontvangenis zich (de menselijke natuur) heeft aangenomen;
de Zoon schrijft men de aanneming zelf van het vlees toe; maar aan de H. Geest schrijft
men toe de vorming van het lichaam, dat door de Zoon wordt aangenomen. Want de H.
Geest is de Geest van de Zoon, naar het woord van de Brief aan de Galaten (4, 6):
« God heeft de Geest van zijn Zoon gezonden ». Zoals nu de kracht der ziel, die in
het zaad aanwezig is bij de voortbrenging van andere mensen, door middel van de geest,
welke in het zaad bevat is, het lichaam vormt, zo ook vormde de Kracht-Gods — deze
nu is de Zoon zelf, volgens de Eerste Brief aan de Korinthiërs (1, 24): « Christus,
de Kracht Gods » — door middel van de H. Geest het lichaam, dat Hij heeft aangenomen.
Dit wordt eveneens aangetoond door de woorden van de engel, waar deze zegt: « De H.
Geest zal over u nederdalen », als het ware om de materie voor Christus' lichaam klaar
te maken en te vormen; « en de Kracht des Allerhoogsten (d. w. z. Christus) zal u
overschaduwen »; « d. w. z. — gelijk Gregorius in zijn Zedenleer schrijft (18e B.,
20e H.) — het onlichamelijke licht der Godheid zal in u het menselijk lichaam doen
ontvangen; de schaduw toch wordt èn door het licht èn door het lichaam gevormd ».
Onder de « Allerhoogste » heeft men de Vader te verstaan, wiens Kracht de Zoon is.
Ad secundum dicendum quod missio refertur ad personam assumentem, quae a patre mittitur,
sed conceptio refertur ad corpus assumptum, quod operatione spiritus sancti formatur.
Et ideo, licet missio et conceptio sint idem subiecto, quia tamen differunt ratione,
missio attribuitur patri, efficere autem conceptionem spiritui sancto, sed carnem
assumere filio attribuitur. (IIIa q. 32 a. 1 ad 2)
2 — Het gezonden worden heeft betrekking op de Persoon, die het lichaam aannam; en deze
Persoon wordt gezonden door de Vader. Maar de ontvangenis heeft betrekking op het
lichaam, dat aangenomen werd, en dit lichaam werd gevormd door de inwerking des H.
Geestes. En derhalve, hoewel het gezonden worden en het ontvangen worden één zijn
in de Persoon, die gezonden en ontvangen werd, toch wordt het zenden toegeschreven
aan de Vader, het tot stand doen komen der ontvangenis echter aan de H. Geest, omdat
voor het verstand het zenden iets anders is dan het tot stand brengen der ontvangenis.
Doch het aannemen van het vlees wordt de Zoon toegeschreven.
Ad tertium dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in libro de quaest. Vet. et Nov.
Test., quaestio ista gemina ratione potest intelligi. Primo enim domus Christi Ecclesia
est, quam aedificavit sibi sanguine suo. Deinde potest et corpus eius dici domus eius,
sicut dicitur templum eius. Factum autem spiritus sancti filii Dei est, propter naturae
et voluntatis unitatem. (IIIa q. 32 a. 1 ad 3)
3 — In zijn werk Over de Vraagstukken van het Oude en Nieuwe Verbond (52° Vr.) schrijft
Augustinus: « Dit kan in dubbelen zin worden verstaan. Op de eerste plaats toch is
het huis van Christus de Kerk, die Hij zich gebouwd heeft door zijn bloed. Vervolgens
kan ook zijn lichaam zijn huis worden genoemd, gelijk het ook zijn tempel heet. Dit
nu, gemaakt door de H. Geest, is een werk van de Zoon Gods krachtens de eenheid van
hun natuur en wil ».
Articulus 2. Moet men zeggen, dat Christus ontvangen is van de H. Geest?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod Christus non debeat dici conceptus de spiritu
sancto. Quia super illud Rom. XI, ex ipso et per ipsum et in ipso sunt omnia, dicit
Glossa Augustini, attendendum quod non ait de ipso, sed ex ipso. Ex ipso enim caelum
sunt et terra, quia fecit ea. Non autem de ipso, quia non de substantia sua. Sed spiritus
sanctus non formavit corpus Christi de substantia sua. Ergo Christus non debet dici
conceptus de spiritu sancto. (IIIa q. 32 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat men niet moet zeggen, dat Christus ontvangen is van de H. Geest.
Want aangaande de woorden van de Brief aan de Romeinen (11, 36): « Uit Hem en door
Hem en in Hem is alles », schrijft een Glosse van Augustinus: « Men moet er wel op
letten, dat de Apostel niet zegt: « van Hem », maar « uit Hem ». Uit Hem toch zijn
hemel en aarde, omdat Hij ze gemaakt heeft. Maar zij zijn niet van Hem, omdat zij
niet van zijn eigen zelfstandigheid zijn ». Welnu, ook de H. Geest vormde Christus’
lichaam niet van zijn eigen zelfstandigheid. Derhalve moet men niet zeggen, dat Christus
ontvangen is van de H. Geest.
Praeterea, principium activum de quo aliquid concipitur, se habet sicut semen in generatione.
Sed spiritus sanctus non se habuit sicut semen in conceptione Christi. Dicit enim
Hieronymus, in Exposit. Catholicae fidei, non, sicut quidam sceleratissimi opinantur,
spiritum sanctum dicimus fuisse pro semine, sed potentia et virtute creatoris dicimus
esse operatum, idest formatum, corpus Christi. Non ergo debet dici quod Christus sit
conceptus de spiritu sancto. (IIIa q. 32 a. 2 arg. 2)
2 — Het tot stand brengend beginsel, van hetwelk iets wordt ontvangen, verhoudt zich gelijk
het zaad bij de voortbrenging. Maar de H. Geest verhield zich niet als zaad bij Christus’
ontvangenis. Hieronymus toch zegt in zijn werk *Uiteenzetting van het Katholiek Geloof*:
« Wij houden niet, gelijk sommigen zeer dwaas menen, dat de H. Geest als zaad gediend
heeft, maar dat Hij in de kracht en macht van Schepper Christus’ lichaam heeft doen
ontstaan », d. w. z. heeft gevormd. Men moet dus niet zeggen, dat Christus ontvangen
is van de H. Geest.
Praeterea, nihil unum de duobus formatur nisi aliquo modo commixtis. Sed corpus Christi
formatum est de virgine Maria. Si ergo Christus dicatur conceptus de spiritu sancto,
videtur quod facta sit commixtio quaedam spiritus sancti et materiae quam virgo ministravit,
quod patet esse falsum. Non ergo Christus debet dici conceptus de spiritu sancto. (IIIa q. 32 a. 2 arg. 3)
3 — Van twee zijden wordt niet iets eens gemaakt, tenzij ze op enigerlei wijze verbonden
worden. Maar Christus’ lichaam is gevormd uit de Maagd Maria. Indien men derhalve
zegt, dat Christus ontvangen is van de H. Geest, dan, zo beweert men, zou er een verbinding
hebben plaats gehad van de H. Geest met de materie, die door de H. Maagd geleverd
werd. Dit is echter blijkbaar onwaar. Derhalve moet men niet zeggen, dat Christus
ontvangen is van de H. Geest.
Sed contra est quod dicitur Matth. I, antequam convenirent, inventa est in utero habens
de spiritu sancto. (IIIa q. 32 a. 2 s. c.)
Daartegenover echter staat hetgeen we lezen in Mattheus (1, 18): « Voordat zij gingen
samenwonen, werd zij zwanger bevonden van de H. Geest ».
Respondeo dicendum quod conceptio non attribuitur soli corpori Christi, sed etiam
ipsi Christo ratione ipsius corporis. In spiritu autem sancto duplex habitudo consideratur
respectu Christi. Nam ad ipsum filium Dei, qui dicitur esse conceptus, habet habitudinem
consubstantialitatis, ad corpus autem eius habet habitudinem causae efficientis. Haec
autem praepositio de utramque habitudinem designat, sicut cum dicimus hominem aliquem
de suo patre. Et ideo convenienter dicere possumus Christum esse conceptum de spiritu
sancto, hoc modo quod efficacia spiritus sancti referatur ad corpus assumptum, consubstantialitas
ad personam assumentem. (IIIa q. 32 a. 2 co.)
De ontvangenis wordt niet alleen toegeschreven aan Christus’ lichaam, maar ook aan
Christus zelf, juist om reden van dit lichaam. In de H. Geest echter heeft men een
tweevoudige verhouding te bezien ten opzichte van Christus. Want ten opzichte van
de Zoon Gods, van wie gezegd wordt, dat Hij ontvangen is, staat Hij in de verhouding
van mede-zelfstandigheid; ten opzichte echter van diens lichaam verhoudt Hij zich
als de tot stand brengende oorzaak. Dit voorzetsel « van » nu geeft beide verhoudingen
aan, gelijk wanneer we zeggen, dat iemand van zijn vader is. En bijgevolg kunnen we
passend zeggen, dat Christus ontvangen is van de H. Geest in die zin, namelijk dat
de werkdadigheid van de H. Geest betrekking heeft op het aangenomen lichaam, en de
mede-zelfstandigheid betrekking heeft op de Persoon, die heeft aangenomen.
Ad primum ergo dicendum quod corpus Christi, quia non est consubstantiale spiritui
sancto, non proprie potest dici de spiritu sancto conceptum, sed magis ex spiritu
sancto, sicut Ambrosius dicit, in libro de spiritu sancto, quod ex aliquo est, aut
ex substantia aut ex potestate eius est, ex substantia, sicut filius, qui a patre
est; ex potestate, sicut ex Deo omnia, quo modo et in utero habuit Maria ex spiritu
sancto. (IIIa q. 32 a. 2 ad 1)
1 — Omdat Christus’ lichaam niet mede-zelfstandig is met de H. Geest, kan men niet in
eigenlijke zin zeggen, dat het van de H. Geest ontvangen is maar beter: uit de H.
Geest, gelijk Ambrosius leert in zijn werk Over de H. Geest (2e B., 5e H.): « Wat
uit iemand is, is ófwel uit zijn zelfstandigheid ófwel uit zijn macht: uit de zelfstandigheid,
zoals de Zoon, die uit de Vader is; uit de macht, zoals alles uit God is, zoals ook
Maria zwanger was uit de H. Geest ».
Ad secundum dicendum quod super hoc videtur esse quaedam diversitas Hieronymi ad quosdam
alios doctores, qui asserunt spiritum sanctum in conceptione fuisse pro semine. Dicit
enim Chrysostomus, super Matth., unigenito Dei in virginem ingressuro praecessit spiritus
sanctus, ut, praecedente spiritu sancto, in sanctificationem nascatur Christus secundum
corpus, divinitate ingrediente pro semine. Et Damascenus dicit, in III libro, obumbravit
super ipsam Dei sapientia et virtus, velut divinum semen. Sed hoc de facili solvitur.
Quia secundum quod in semine intelligitur virtus activa, sic Chrysostomus et Damascenus
comparant semini spiritum sanctum, vel etiam filium, qui est virtus altissimi. Secundum
autem quod in semine intelligitur substantia corporalis quae in conceptione transmutatur,
negat Hieronymus spiritum sanctum fuisse pro semine. (IIIa q. 32 a. 2 ad 2)
2 — Naar het schijnt, bestaat hieromtrent enig verschil tussen Hieronymus en sommige andere
Leeraars, die houden, dat de H. Geest bij de onvangenis de plaats heeft ingenomen
van het zaad. Chrysostomus toch zegt in zijn Uitleg op Mattheus: « Aan de ééngeboren
Zoon van God, die zou intreden in de Maagd, ging de H. Geest vooraf; opdat, door dit
vóórgaan des H. Geestes, Christus naar het lichaam zou worden geboren tot heiliging,
daar de Godheid tot haar inging in plaats van het zaad ». En Damascenus schrijft in
zijn werk Over het Waarachtig Geloof (3e B., 2e H.) : « Haar overschaduwden Gods Wijsheid
en Gods Kracht als een Goddelijk zaad ». Maar dit verschil wordt gemakkelijk overbrugd.
Want Chrysostomus en Damascenus vergelijken de H. Geest of ook wel de Zoon die « de
Kracht des Allerhoogsten » is bij het zaad, in zover men zich in het zaad een tot
stand brengende kracht denkt. Voor zover men echter onder het zaad een lichamelijke
zelfstandigheid verstaat, die bij de ontvangenis wezenlijk veranderd wordt, ontkent
Hieronymus, dat de H. Geest de plaats van het zaad heeft ingenomen.
Ad tertium dicendum quod, sicut dicit Augustinus, in Enchirid., non eodem modo dicitur
Christus conceptus aut natus de spiritu sancto, et de Maria virgine, nam de Maria
virgine materialiter, de spiritu sancto effective. Et ideo non habuit hic locum commixtio. (IIIa q. 32 a. 2 ad 3)
3 — Zoals Augustinus in zijn Enchiridion (40e H.) schrijft, zegt men niet in dezelfde
zin, dat Christus ontvangen of geboren is van de H. Geest, en dat Hij ontvangen of
geboren is van de Maagd Maria. Want van Maria werd Hij ontvangen of geboren als van
de materiaal-oorzaak, van de H. Geest echter als van degene, die tot stand deed komen.
En bijgevolg was er hier geen plaats voor een verbinding.
Articulus 3. Moet men zeggen, dat de H. Geest de Vader was van Christus naar zijn mensheid?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod spiritus sanctus debeat dici pater Christi
secundum humanitatem. Quia secundum philosophum, in libro de Generat. Animal., pater
dat principium activum in generatione, mater vero ministrat materiam. Sed beata virgo
dicitur mater Christi propter materiam quam in conceptione eius ministravit. Ergo
videtur quod etiam spiritus sanctus possit dici pater eius, propter hoc quod fuit
principium activum in conceptione ipsius. (IIIa q. 32 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat men moet zeggen, dat de H. Geest de vader was van Christus naar zijn
mensheid. Want volgens de Wijsgeer in zijn werk *Over de Voortbrenging der Dieren*
(1° B., 20° en 21° H.; 2° B., 4° H.) geeft de vader het tot stand brengend beginsel
bij de voortbrenging, en verschaft de moeder de materie. Welnu de H. Maagd wordt moeder
van Christus genoemd om de materie, die zij bij zijn ontvangenis verschaft. Derhalve
kan men ook zeggen, dat de H. Geest zijn vader was, omdat Hij het tot stand brengend
beginsel was bij zijn ontvangenis.
Praeterea, sicut mentes aliorum sanctorum formantur per spiritum sanctum, ita etiam
corpus Christi est per spiritum sanctum formatum. Sed alii sancti, propter praedictam
formationem, dicuntur filii totius Trinitatis, et per consequens spiritus sancti.
Videtur ergo quod Christus debeat dici filius spiritus sancti, inquantum corpus eius
est spiritu sancto formatum. (IIIa q. 32 a. 3 arg. 2)
2 — Zoals de geest van andere heiligen door de H. Geest wordt gevormd, zo is ook Christus’
lichaam door de H. Geest gevormd. Om voornoemde vorming nu worden de andere heiligen
kinderen der gehele Drievuldigheid genoemd, en bijgevolg (kinderen) van de H. Geest.
Derhalve moet Christus zoon des H. Geestes worden genoemd, juist in zover zijn lichaam
door de H. Geest gevormd is.
Praeterea, Deus dicitur pater noster secundum hoc quod nos fecit, secundum illud Deut.
XXXII, nonne ipse est pater tuus, qui possedit et fecit et creavit te? Sed spiritus
sanctus fecit corpus Christi, ut dictum est. Ergo spiritus sanctus debet dici pater
Christi secundum corpus ab ipso formatum. (IIIa q. 32 a. 3 arg. 3)
3 — God heet onze Vader om reden, dat Hij ons heeft gemaakt, blijkens Deuteronomium (32,
6): « Is Hij uw vader niet, die u ten bezit genomen en u gemaakt en geschapen heeft?
» Welnu, de Heilige Geest heeft Christus’ lichaam gemaakt, gelijk (in het 1e en 2e
Artikel) werd aangetoond. Derhalve moet de Heilige Geest de vader worden genoemd van
Christus op grond van het door Hem gemaakte lichaam.
Sed contra est quod Augustinus dicit, in Enchirid., natus est Christus de spiritu
sancto non sicut filius, et de Maria virgine sicut filius. (IIIa q. 32 a. 3 s. c.)
Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus in zijn Enchiridion (40e H.) schrijft:
« Christus werd geboren van de H. Geest niet als zijn Zoon en van de Maagd Maria wel
als haar Zoon ».
Respondeo dicendum quod nomina paternitatis et maternitatis et filiationis generationem
consequuntur, non tamen quamlibet, sed proprie generationem viventium, et praecipue
animalium. Non enim dicimus quod ignis generatus sit filius ignis generantis, nisi
forte secundum metaphoram, sed hoc solum dicimus in animalibus quorum generatio est
magis perfecta. Nec tamen omne quod in animalibus generatur, filiationis accepit nomen,
sed solum illud quod generatur in similitudine generantis. Unde, sicut Augustinus
dicit, non dicimus quod capillus qui nascitur ex homine, sit filius hominis; nec etiam
dicimus quod homo qui nascitur sit filius seminis, quia nec capillus habet similitudinem
hominis; nec homo qui nascitur habet similitudinem seminis, sed hominis generantis.
Et si quidem perfecta sit similitudo, erit perfecta filiatio, tam in divinis quam
in humanis. Si autem sit similitudo imperfecta, est etiam filiatio imperfecta. Sicut
in homine est quaedam similitudo Dei imperfecta, et inquantum creatus est ad imaginem
Dei, et inquantum creatus est secundum similitudinem gratiae. Et ideo utroque modo
potest homo dici filius eius, et quia, scilicet, est creatus ad imaginem eius; et
quia est ei assimilatus per gratiam. Est autem considerandum quod illud quod de aliquo
dicitur secundum perfectam rationem, non est dicendum de eo secundum rationem imperfectam,
sicut, quia Socrates dicitur naturaliter homo secundum propriam rationem hominis,
nunquam dicitur homo secundum illam significationem qua pictura hominis dicitur homo,
licet forte ipse assimiletur alteri homini. Christus autem est filius Dei secundum
perfectam rationem filiationis. Unde, quamvis secundum humanam naturam sit creatus
et iustificatus non tamen debet dici filius Dei neque ratione creationis, neque ratione
iustificationis, sed solum ratione generationis aeternae, secundum quam est filius
patris solius. Et ideo nullo modo debet dici Christus filius spiritus sancti, nec
etiam totius Trinitatis. (IIIa q. 32 a. 3 co.)
De benamingen vaderschap en moederschap en kindschap hangen samen met de voortbrenging,
echter niet met iedere voortbrenging, doch eigenlijk met de voortbrenging van levende
wezens, en voornamelijk van dieren. Het voortgebrachte vuur toch noemen we niet de
zoon van het voortbrengende vuur, tenzij misschien in overdrachtelijke zin; doch deze
benaming gebruiken we alleen bij die dieren, wier voortbrenging meer volmaakt is.
Toch krijgt niet alles, wat bij de dieren wordt voortgebracht de naam van kindschap,
maar uitsluitend datgene wat in gelijkheid met de voortbrenger wordt voortgebracht.
Vandaar, zoals Augustinus in zijn *Enchiridion* (39° H.) opmerkt, noemen wij het haar,
dat uit de mens geboren wordt, geen zoon des mensen; evenmin noemen wij de mens, die
geboren wordt, de zoon van het zaad, omdat noch het haar gelijkheid heeft met de mens,
noch de mens, die geboren wordt, gelijkheid heeft met het zaad, maar met de mens,
die hem voortbrengt. En wanneer het nu een volledige gelijkheid is, dan zal het ook
een volmaakt kindschap zijn, zowel in God als bij de mensen. Indien die gelijkheid
echter onvolledig is, is ook het kindschap onvolmaakt. Zoals er in de mens een onvolledige
gelijkheid met God is, en in zover hij naar Gods beeld is geschapen, en in zover hij
werd herschapen naar de gelijkheid der genade. En derhalve kan de mens op beide manieren
kind Gods worden genoemd: namelijk en omdat hij naar zijn beeld is geschapen, en omdat
hij door de genade aan Hem werd gelijk gemaakt. Men dient echter te bedenken, dat
hetgeen van iemand gezegd wordt in volmaakte zin, van hem niet in onvolmaakte zin
gezegd moet worden; zoals men, omdat Socrates natuurlijk mens wordt genoemd in de
eigenlijke zin van mens, hem nooit mens noemt in die betekenis, waarin men 's mensen
afbeelding mens noemt, ook al gelijkt hij misschien op een andere mens. Christus nu
is Zoon van God in de volmaakte zin van zoonschap. Vandaar moet men Hem, hoewel Hij
naar zijn menselijke natuur geschapen en gerechtvaardigd werd, toch niet Zoon van
God noemen noch om reden, dat Hij geschapen, noch om reden dat Hij gerechtvaardigd
werd: maar alleen om reden van zijn eeuwige voortkomst, waarnaar Hij de Zoon is alleen
van de Vader. En derhalve moet men op geen enkele wijze zeggen, dat Christus de Zoon
des H. Geestes is, noch ook de Zoon van de gehele Drievuldigheid.
Ad primum ergo dicendum quod Christus conceptus est de Maria virgine materiam ministrante
in similitudinem speciei. Et ideo dicitur filius eius. Christus autem, secundum quod
homo, conceptus est de spiritu sancto sicut de activo principio, non tamen secundum
similitudinem speciei, sicut homo nascitur de patre suo. Et ideo Christus non dicitur
filius spiritus sancti. (IIIa q. 32 a. 3 ad 1)
1 — Christus is ontvangen van de Maagd Maria, die de materie verschafte voor de soortgelijkheid.
En daarom heet Hij haar zoon. Van de H. Geest echter is Christus, voor zover Hij mens
werd, ontvangen als van het tot stand brengend beginsel, echter niet naar de soortgelijkheid,
zoals een mens geboren wordt van zijn vader. En daarom heet Christus niet de zoon
des H. Geestes.
Ad secundum dicendum quod homines qui spiritualiter formantur a spiritu sancto, non
possunt dici filii Dei secundum perfectam rationem filiationis. Et ideo dicuntur filii
Dei secundum filiationem imperfectam, quae est secundum similitudinem gratiae, quae
est a tota Trinitate. Sed de Christo est alia ratio, ut dictum est. (IIIa q. 32 a. 3 ad 2)
2 — De mensen, die geestelijk door de H. Geest gevormd worden, kunnen niet in de volmaakte
zin van zoonschap, zonen Gods worden genoemd. En daarom heten zij zonen Gods op grond
van het onvolmaakte kindschap, hetwelk is naar de gelijkenis der genade, en deze is
van de gehele Drievuldigheid. Maar bij Christus is dit een ander geval, zoals werd
aangetoond (in de leerstelling). Zo blijkt eveneens het antwoord op de derde bedenking.
Et similiter dicendum est ad tertium. (IIIa q. 32 a. 3 ad 3)
Articulus 4. Heeft de H. Maagd actief iets verricht bij de ontvangenis van Christus’ lichaam?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod beata virgo aliquid active egerit in conceptione
corporis Christi. Dicit enim Damascenus, in III libro, quod spiritus sanctus supervenit
virgini, purgans ipsam, et virtutem susceptivam verbi Dei tribuens, simul autem et
generativam. Sed virtutem generativam passivam habebat a natura, sicut et quaelibet
femina. Ergo dedit ei virtutem generativam activam. Et sic aliquid active egit in
conceptione Christi. (IIIa q. 32 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de H. Maagd actief iets heeft verricht bij de ontvangenis van Christus’
lichaam. Damascenus toch schrijft in zijn werk *Over het Waarachtig Geloof* (3° B.,
2° H.) : « De Geest kwam over de Maagd, haar zuiverend, en het vermogen schenkend,
om het Woord Gods te ontvangen en tevens om het voort te brengen ». Welnu het passief
vermogen, om voort te brengen, bezat zij, gelijk ook iedere vrouw, van nature. Derhalve
schonk Hij haar een actief voortbrengingsvermogen. En zo heeft zij bij Christus’ ontvangenis
actief iets verricht.
Praeterea, omnes virtutes animae vegetabilis sunt virtutes activae, sicut Commentator
dicit, in II de anima. Sed potentia generativa, tam in mare quam in femina, pertinet
ad animam vegetabilem. Ergo, tam in mare quam in femina, active operatur ad conceptum
prolis. (IIIa q. 32 a. 4 arg. 2)
2 — Alle vermogens der plantaardige ziel zijn actieve vermogens, zoals de Commentator
leert in zijn werk Over de Ziel (2e B.). Welnu, het voortbrengingsvermogen behoort,
zowel in de man als in de vrouw, tot de plantaardige ziel. Derhalve werkt het zowel
in de man als in de vrouw actief bij de ontvangst van het kind.
Praeterea, femina ad conceptionem prolis materiam ministrat ex qua naturaliter corpus
prolis formatur. Sed natura est principium motus intrinsecum. Ergo videtur quod in
ipsa materia quam beata virgo ministravit ad conceptum Christi, fuit aliquod principium
activum. (IIIa q. 32 a. 4 arg. 3)
3 — De vrouw verschaft voor de ontvangst van het kind de materie, waaruit het lichaam
van het kind natuurlijkerwijs wordt gevormd. De natuur nu is het innerlijk beginsel
van werking. Derhalve, zo beweert men, was er in de materie, die de H. Maagd verschaft
tot ontvangst van Christus, een actief beginsel aanwezig.
Sed contra est quod principium activum in generatione dicitur ratio seminalis. Sed,
sicut Augustinus dicit, X super Gen. ad Litt., corpus Christi in sola materia corporali,
per divinam conceptionis formationisque rationem, de virgine assumptum est, non autem
secundum aliquam rationem seminalem humanam. Ergo beata virgo nihil active fecit in
conceptione corporis Christi. (IIIa q. 32 a. 4 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat men bij de voortbrenging datgene het actief beginsel
noemt, wat de betekenis van zaad heeft. Welnu, zoals Augustinus in zijn Letterlijke
Verklaring van het Boek der Schepping (10e B., 20e H.) leert, is Christus’ lichaam
aangenomen van de Maagd uitsluitend in lichamelijke materie, doordat God ontvangenis
en vorming bewerkte, maar niet krachtens de oorzakelijkheid van enig menselijk zaad.
Derhalve heeft de H. Maagd actief niets verricht bij de ontvangenis van Christus.
Respondeo dicendum quod quidam dicunt beatam virginem aliquid active esse operatam
in conceptione Christi, et naturali virtute, et supernaturali. Naturali quidem virtute,
quia ponunt quod in qualibet materia naturali est aliquod activum principium. Alioquin,
credunt quod non esset transmutatio naturalis. In quo decipiuntur. Quia transmutatio
dicitur naturalis propter principium intrinsecum non solum activum, sed etiam passivum,
expresse enim dicit philosophus, in VIII Physic., quod in gravibus et levibus est
principium passivum motus naturalis, et non activum. Nec est possibile quod materia
agat ad sui formationem, quia non est actu. Nec est etiam possibile quod aliquid moveat
seipsum, nisi dividatur in duas partes, quarum una sit movens et alia sit mota, quod
in solis animatis contingit, ut probatur in VIII Physic. Supernaturali autem virtute,
quia dicunt ad matrem requiri quod non solum materiam ministret, quae est sanguis
menstruus; sed etiam semen, quod, commixtum virili semini, habet virtutem activam
in generatione. Et quia in beata virgine nulla fuit facta resolutio seminis, propter
integerrimam eius virginitatem, dicunt quod spiritus sanctus supernaturaliter ei tribuit
virtutem activam in conceptione corporis Christi, quam aliae matres habent per semen
resolutum. Sed hoc non potest stare. Quia, cum quaelibet res sit propter suam operationem,
ut dicitur II de caelo; natura non distingueret ad opus generationis sexum maris et
feminae, nisi esset distincta operatio maris ab operatione feminae. In generatione
autem distinguitur operatio agentis et patientis. Unde relinquitur quod tota virtus
activa sit ex parte maris, passio autem ex parte feminae. Propter quod in plantis,
in quibus utraque vis commiscetur, non est distinctio maris et feminae. Quia igitur
beata virgo non hoc accepit ut esset pater Christi, sed mater, consequens est quod
non acceperit potentiam activam in conceptione Christi, sive aliquid egerit, ex quo
sequitur ipsam patrem fuisse Christi; sive nihil egerit, ut quidam dicunt, ex quo
sequitur huiusmodi potentiam activam sibi frustra fuisse collatam. Et ideo dicendum
est quod in ipsa conceptione Christi beata virgo nihil active operata est, sed solam
materiam ministravit. Operata tamen est ante conceptionem aliquid active, praeparando
materiam ut esset apta conceptui. (IIIa q. 32 a. 4 co.)
Sommigen houden dat de H. Maagd bij de ontvangenis van Christus actief iets heeft
bewerkt, zowel door natuurlijke als door bovennatuurlijke kracht. Door natuurlijke
kracht, omdat er volgens hen in iedere natuurlijke materie een actief beginsel aanwezig
is. Anders toch, zo menen zij, zou er geen natuurlijke zelfstandigheidsverandering
bestaan. — Doch hierin vergissen zij zich. Want een zelfstandigheidsverandering heet
natuurlijk, niet slechts wegens het innerlijk beginsel, dat die verandering bewerkt,
maar ook wegens het innerlijk beginsel, dat die verandering ondergaat. Uitdrukkelijk
toch zegt de Wijsgeer in zijn *Natuurleer* (8e B.) dat in de zware en lichte stoffen
een passief beginsel is harer natuurlijke beweging en geen actief beginsel. Het is
trouwens niet mogelijk, dat de materie iets doet tot haar eigen vorming, omdat zij
niet daadwerkelijk is. Evenmin is het mogelijk, dat iets zichzelf beweegt, tenzij
het verdeeld wordt in twee bestanddelen, waarvan het ene bewegend en het andere het
bewogene is; maar dit komt uitsluitend bij de bezielde wezens voor, gelijk in de *Natuurleer*
(8e B.) bewezen wordt. Door een bovennatuurlijke kracht (zou de H. Maagd actief hebben
meegewerkt), omdat volgens hen voor een moeder vereist wordt, dat zij niet alleen
de materie verschaft, d. i. het maandstondenbloed, maar ook een zaad, hetwelk, na
vermengd te zijn met het mannelijk zaad, de actieve kracht heeft bij de voortbrenging.
En daar er bij de H. Maagd, om reden harer geheel ongerepte maagdelijkheid, geen enkel
zaad is vrijgekomen, houden zij, dat de H. Geest haar bij de ontvangenis van Christus'
lichaam op bovennatuurlijke wijze die actieve kracht heeft geschonken, welke de andere
moeders bezitten door het vrijgekomen zaad. — Doch deze opvatting kan geen stand houden.
Want, daar elk ding omwille van zijn werking is, gelijk in het werk Over de Hemel
(2° B.) gezegd wordt, zou de natuur voor het werk der voortbrenging geen onderscheid
maken tussen mannelijk en vrouwelijk geslacht, indien de werking van de man niet onderscheiden
was van de werking der vrouw. Bij de voortbrenging nu is de werking van de tot stand
brenger onderscheiden van hetgeen het passieve beginsel doet. Daaruit volgt dus, dat
geheel de actieve kracht komt van de kant van de man, het ondergaan echter van de
kant der vrouw. Wijl dus aan de H. Maagd niet verleend werd de vader van Christus
te zijn, maar wel zijn moeder, ontving zij bijgevolg ook geen actief vermogen bij
Christus' ontvangenis: noch in die zin, dat dit werkvermogen wel iets verrichtte,
want daaruit volgt, dat zij de vader van Christus zou geweest zijn, noch in die zin,
dat het niets verrichtte, zoals sommigen houden, want daaruit volgt, dat zulk een
actief vermogen haar doelloos verleend was. Derhalve moet men zeggen, dat de H. Maagd
actief niets bewerkt heeft bij Christus' ontvangenis, maar dat zij uitsluitend de
materie verschafte. Wel heeft zij vóór de ontvangenis actief iets bewerkt nl. door
de materie klaar te maken, opdat deze geschikt zou wezen voor de ontvangenis.
Ad primum ergo dicendum quod illa conceptio tria privilegia habuit, scilicet, quod
esset sine peccato originali; quod esset non puri hominis, sed Dei et hominis; item
quod esset conceptio virginis. Et haec tria habuit a spiritu sancto. Et ideo dicit
Damascenus, quantum ad primum, quod spiritus sanctus supervenit virgini purgans ipsam,
idest, praeservans ne cum peccato originali conciperet. Quantum ad secundum, dicit,
et virtutem susceptivam verbi Dei tribuens, idest, ut conciperet verbum Dei. Quantum
autem ad tertium, dicit, simul et generativam, ut, scilicet, manens virgo posset generare,
non quidem active sed passive, sicut aliae matres hoc consequuntur ex semine viri. (IIIa q. 32 a. 4 ad 1)
1 — Deze ontvangenis telde drie voorrechten: nl. dat zij zonder erfzonde was; dat zij
niet een louter mens gold, maar de God-mens; tenslotte, dat een maagd ontving. Deze
drie voorrechten nu dankte zij aan de H. Geest. En daarom zegt Damascenus betreffende
het eerste, dat de H. Geest zuiverend over de Maagd kwam, d.w.z. voorkomend, dat zij
in de erfzonde zou ontvangen. Aangaande het tweede zegt hij: het vermogen schenkend,
om het Woord Gods op te nemen, d.w.z. om het Woord Gods te ontvangen. Aangaande het
derde zegt hij: en Hem tevens voort te brengen, opdat zij nl. maagd blijvend, Hem
zou kunnen voortbrengen, en wel: niet actief, maar passief, zoals de andere moeders
dit bereiken krachtens het zaad van de man.
Ad secundum dicendum quod potentia generativa in femina est imperfecta respectu potentiae
generativae quae est in mare. Et ideo, sicut in artibus ars inferior disponit materiam,
ars autem superior inducit formam, ut dicitur in II Physic.; ita etiam virtus generativa
feminae praeparat materiam, virtus vero activa maris format materiam praeparatam. (IIIa q. 32 a. 4 ad 2)
2 — Het voortbrengingsvermogen in de vrouw is onvolmaakt vergeleken bij het voortbrengingsvermogen,
dat in de man aanwezig is. En derhalve, zoals bij de ambachten een lager ambacht de
materie alleen geschikt maakt, maar een hoger ambacht de vorm in de materie brengt
(gelijk in de Natuurleer (2e B.) geleerd wordt) zo ook maakt het op de voortbrenging
gerichte vermogen der vrouw de materie klaar, doch het actieve vermogen van de man
formeert die klaar gemaakte materie.
Ad tertium dicendum quod ad hoc quod transmutatio sit naturalis, non requiritur quod
in materia sit principium activum, sed solum passivum, ut dictum est. (IIIa q. 32 a. 4 ad 3)
3 — Opdat een zelfstandigheidsverandering natuurlijk is, wordt niet vereist dat er in
de materie een werkzaam beginsel aanwezig is, maar alleen dat er een passief beginsel
is, zoals in de leerstelling werd aangetoond.