Tertia Pars. Quaestio 51. Over Christus’ begrafenis .
Prooemium
Deinde considerandum est de sepultura Christi. Et circa hoc quaeruntur quatuor. Primo,
utrum conveniens fuerit Christum sepeliri. Secundo, de modo sepulturae eius. Tertio,
utrum corpus eius fuerit in sepulcro resolutum. Quarto, de tempore quo iacuit in sepulcro. (IIIa q. 51 pr.)
Vervolgens moeten wij handelen over de begrafenis van Christus, en hierover stellen
wij vier vragen: 1. Was het passend, dat Christus begraven werd? 2. Over de wijze
van begraven. 3. Kwam zijn lichaam in het graf tot ontbinding? 4. Over de tijd, gedurende
welke Hij in het graf lag.
Articulus 1. Was het passend, dat Christus begraven werd?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod non fuerit conveniens Christum sepeliri. De
Christo enim dicitur in Psalmo, factus est sicut homo sine adiutorio, inter mortuos
liber. Sed in sepulcro includuntur corpora mortuorum, quod videtur libertati esse
contrarium. Ergo non videtur fuisse conveniens quod corpus Christi sepeliretur. (IIIa q. 51 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het niet passend was, dat Christus begraven werd. Van Christus toch
wordt gezegd in het Boek der Psalmen (87.6): « Ik ben geworden als een hulpeloos mens,
een vrije onder de doden. » In het graf echter worden de lichamen der doden ingesloten,
wat strijdig is met vrijheid. Dus was het niet passend, dat het lichaam van Christus
begraven werd.
Praeterea, nihil circa Christum fieri debuit quod non esset salutiferum nobis. Sed
in nullo videtur ad salutem hominum pertinere quod Christus fuit sepultus. Ergo non
fuit conveniens Christum sepeliri. (IIIa q. 51 a. 1 arg. 2)
2 — Met Christus moest er niets gebeuren, wat voor ons niet heilbrengend was. Dat Christus
begraven werd, schijnt echter in geen enkel opzicht iets te maken te hebben met het
heil der mensen. Dus was het niet passend, dat Hij begraven werd.
Praeterea, inconveniens esse videtur quod Deus, qui est super caelos excelsos, in
terra sepeliretur. Sed illud quod convenit corpori Christi mortuo, attribuitur Deo,
ratione unionis. Ergo inconveniens videtur Christum fuisse sepultum. (IIIa q. 51 a. 1 arg. 3)
3 — Het past niet, dat God, die boven de hemelen verheven is, in de aarde begraven werd.
Wat het lichaam van Christus echter overkomen is, wordt van wege de vereniging aan
God toegeschreven. Dus was het niet passend, dat Christus begraven werd.
Sed contra est quod dominus dicit, Matth. XXVI, de muliere quae eum inunxit, opus
bonum operata est in me, et postea subdit, mittens unguentum hoc in corpus meum, ad
sepeliendum me fecit. (IIIa q. 51 a. 1 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat bij Mattheus (26.10) de Heer aangaande de vrouw, die
Hem gezalfd had, zegt: « Zij heeft een goed werk aan Mij gedaan » en vervolgens laat
Hij er op volgen: « Want toen zij die balsem over Mij uitgoot, deed ze dat voor mijn
begrafenis. »
Respondeo dicendum quod conveniens fuit Christum sepeliri. Primo quidem, ad comprobandum
veritatem mortis, non enim aliquis in sepulcro ponitur, nisi quando iam de veritate
mortis constat. Unde et Marci XV legitur quod Pilatus, antequam concederet Christum
sepeliri, diligenti inquisitione cognovit eum mortuum esse. Secundo, quia per hoc
quod Christus de sepulcro resurrexit, datur spes resurgendi per ipsum his qui sunt
in sepulcro, secundum illud Ioan. V, omnes qui in monumentis sunt, audient vocem filii
Dei, et qui audierint, vivent. Tertio, ad exemplum eorum qui per mortem Christi spiritualiter
moriuntur peccatis, qui scilicet absconduntur a conturbatione hominum. Unde dicitur
Coloss. III, mortui estis, et vita vestra abscondita est cum Christo in Deo. Unde
et baptizati, qui per mortem Christi moriuntur peccatis, quasi consepeliuntur Christo
per immersionem, secundum illud Rom. VI, consepulti sumus cum Christo per Baptismum
in mortem. (IIIa q. 51 a. 1 co.)
Het was passend, dat Christus begraven werd. — Vooreerst, om de echtheid van zijn
dood te bewijzen, want niemand wordt in het graf gelegd, tenzij men zeker is van zijn
dood. Vandaar dat wij ook lezen bij Marcus (15. 44), dat Pilatus vóór hij tot de begrafenis
van Christus toestemming gaf, door een nauwkeurig onderzoek wist, dat Hij gestorven
was. — Ten tweede, omdat door de verrijzenis van Christus uit het graf, door Hem de
hoop op de verrijzenis geschonken wordt aan hen, die in de graven zijn, naar de woorden
bij Joannes (5. 25, 28): « Allen, die in de grafsteden zijn, zullen de stem van de
Zoon Gods horen, en die haar gehoord hebben zullen leven. » — Ten derde, om een voorbeeld
te geven aan hen, die door Christus' dood op geestelijke wijze sterven aan de zonden,
die zich namelijk verbergen voor de verstrooiingen der mensen. Daarom wordt gezegd
in de Brief aan de Colossensen (3. 3): « Gij zijt gestorven en uw leven is met Christus
verborgen in God. » Vandaar ook, dat de gedoopten, die door Christus' dood sterven
aan de zonden, door de indompeling a. h. w. mede begraven worden met Christus, naar
het woord in de Brief aan de Romeinen (6. 4): « Door het doopsel zijn wij met Christus
mede begraven in de dood. »
Ad primum ergo dicendum quod Christus etiam sepultus ostendit se inter mortuos liberum
fuisse, in hoc quod per inclusionem sepulcri non potuit impediri quin ab eo resurgendo
exiverit. (IIIa q. 51 a. 1 ad 1)
1 — De begraven Christus toonde hierdoor dat Hij vrij was te midden van de doden, doordat
de insluiting in het graf Hem niet kon beletten, verrijzend eruit op te staan.
Ad secundum dicendum quod, sicut Christi mors efficienter operata est nostram salutem,
ita etiam et eius sepultura. Unde Hieronymus dicit, super Marc., sepultura Christi
resurgimus. Et Isaiae LIII, super illud, dabit impios pro sepultura, dicit Glossa,
idest, gentes, quae sine pietate erant, Deo patrique dabit, quia mortuus et sepultus
eos acquisivit. (IIIa q. 51 a. 1 ad 2)
2 — Christus' begrafenis heeft evenals zijn dood op uitwerkende wijze ons heil bewerkt.
Vandaar dat Hieronymus zegt: « Door de begrafenis van Christus, verrijzen wij; » en
bij de woorden in Isaïas (53. 9): « Hij zal de goddelozen geven voor zijn begrafenis,
» zegt de Glossa: « d. i. Hij zal de heidenen, die zonder vroomheid waren, aan zijn
God en Vader geven, daar Hij door zijn dood en begrafenis hen heeft verworven. »
Ad tertium dicendum quod, sicut dicitur in quodam sermone Concilii Ephesini, nihil
horum quae salvant homines, iniuriam Deo facit, quae ostendunt eum, non passibilem,
sed clementem. Et in alio sermone eiusdem Concilii legitur, nihil putat iniuriam Deus
quod est occasio salutis hominibus. Tu quidem non ita vilem Dei naturam arbitreris,
tanquam quae aliquando subiecta possit esse iniuriis. (IIIa q. 51 a. 1 ad 3)
3 — Zoals gezegd wordt in een preek op het concilie van Ephese: « Niets, wat de mensen
zalig maakt, doet onrecht aan God, daar die dingen Hem niet lijdelijk tonen, maar
goedertieren; » en in een andere preek van hetzelfde concilie: « Niets, wat de mensen
een heilsgelegenheid biedt, beschouwt God als onrecht. En wilt gij nu niet menen,
dat Gods natuur zo laag staat, dat Hij soms aan onrecht onderworpen zijn kan. »
Articulus 2. Is Christus op passende wijze begraven?
Ad secundum sic proceditur. Videtur non convenienti modo Christum fuisse sepultum.
Sepultura enim eius respondet morti ipsius. Sed Christus fuit passus mortem abiectissimam,
secundum illud Sap. II, morte turpissima condemnemus eum. Ergo inconveniens videtur
fuisse quod Christo exhibita fuit honorabilis sepultura, inquantum a magnatibus fuit
tumulatus, scilicet a Ioseph ab Arimathaea, qui erat nobilis decurio, ut habetur Marci
XV, et a Nicodemo, qui erat princeps Iudaeorum, ut habetur Ioan. III. (IIIa q. 51 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat Christus niet op passende wijze begraven is. Zijn begrafenis toch
beantwoordt aan zijn dood. Christus echter is de schandelijkste dood gestorven naar
het woord van het Boek der Wijsheid (2. 20): « Laten wij hem tot de schandelijkste
dood veroordelen. » Dus was het niet passend, dat Christus een eervolle begrafenis
werd geschonken, in zover Hij door aanzienlijken begraven werd, namelijk door Joseph
van Arimathea, die « een voornaam raadsheer » was, zoals Marcus (15. 43) zegt, en
door Nicodemus, die « een overste der Joden » was, zoals Joannes (3. 1) zegt.
Praeterea, circa Christum non debuit aliquid fieri quod esset superfluitatis exemplum.
Videtur autem superfluitatis fuisse quod ad sepeliendum Christum Nicodemus venit ferens
mixturam myrrhae et aloes quasi libras centum, ut dicitur Ioan. XIX, praesertim cum
mulier praevenerit corpus eius ungere in sepulturam, ut dicitur Marci XIV. Non ergo
fuit hoc convenienter circa Christum factum. (IIIa q. 51 a. 2 arg. 2)
2 — Met Christus mocht er niets gebeuren, dat een voorbeeld zou kunnen geven van verkwisting.
't Had echter iets weg van verkwisting, dat « Nicodemus » voor Christus’ begrafenis
« kwam met een mengsel van myrrhe en aloë-bladeren, ongeveer honderd pond, » zoals
Joannes (19. 39) zegt, vooral daar een vrouw « vooraf reeds zijn lichaam had gezalfd
ter begrafenis, » zoals Marcus (14. 8) zegt. Dus is dit niet passend met Christus
gebeurd.
Praeterea, non est conveniens ut aliquod factum sibi ipsi dissonum sit. Sed sepultura
Christi fuit simplex ex una parte, quia scilicet Ioseph involvit corpus eius in sindone
munda, ut dicitur Matth. XXVII, non autem auro aut gemmis aut serico, ut Hieronymus
ibidem dicit, ex alia vero parte videtur fuisse ambitiosa, inquantum eum cum aromatibus
sepelierunt. Ergo videtur non fuisse conveniens modus sepulturae Christi. (IIIa q. 51 a. 2 arg. 3)
3 — Het is niet behoorlijk, dat een of ander feit met zichzelf een wanklank vormt. De
begrafenis nu van Christus was van de ene kant eenvoudig, daar Joseph nl. « zijn lichaam
in een rein lijnwaad wikkelde, » zoals Mattheus (127. 59) zegt, « niet » echter «
in goud of edelgesteente of zijde, » zoals Hieronymus daar zegt; van de andere kant
echter heeft ze met praal plaats gehad, in zoverre ze Hem met reukwerken begroeven.
Dus was dit geen passende wijze, om Christus te begraven.
Praeterea, quaecumque scripta sunt, et praecipue de Christo, ad nostram doctrinam
scripta sunt, ut dicitur Rom. XV. Sed quaedam scribuntur in Evangeliis circa sepulcrum
quae in nullo videntur ad nostram doctrinam pertinere, sicut quod fuit sepultus in
horto, quod in monumento alieno, et novo, et exciso in petra. Inconveniens igitur
fuit modus sepulturae Christi. (IIIa q. 51 a. 2 arg. 4)
4 — « Al wat geschreven is, » vooral met betrekking tot Christus, « is tot onze onderrichting
geschreven, » zoals in de Brief aan de Romeinen (15. 4) gezegd wordt. In de evangelieën
worden echter sommige dingen over Christus’ begrafenis geschreven, die niets met onze
onderrichting schijnen uit te staan te hebben; b. v. dat Hij begraven werd in de tuin,
in het graf van een ander, in een nieuw graf, in een graf, dat in een rots was uitgehouwen.
Dus was het geen passende wijze, om Christus te begraven.
Sed contra est quod dicitur Isaiae XI, et erit sepulcrum eius gloriosum. (IIIa q. 51 a. 2 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat bij Isaïas (11. 10) gezegd wordt: “Zijn graf zal glorierijk
zijn.”
Respondeo dicendum quod modus sepulturae Christi ostenditur esse conveniens quantum
ad tria. Primo quidem, quantum ad confirmandam fidem mortis et resurrectionis ipsius.
Secundo, ad commendandam pietatem eorum qui eum sepelierunt. Unde Augustinus dicit,
in I de Civ. Dei, laudabiliter commemorantur in Evangelio qui corpus eius, de cruce
acceptum, diligenter atque honorifice tegendum sepeliendumque curarunt. Tertio, quantum
ad mysterium, per quod informantur illi qui Christo consepeliuntur in mortem. (IIIa q. 51 a. 2 co.)
De wijze, waarop Christus begraven werd, blijkt passend geweest te zijn om drie redenen.
— Vooreerst, om het geloof in zijn dood en verrijzenis te versterken. — Ten tweede,
ter aanbeveling van de vroomheid der mensen, die Hem begroeven. Vandaar dat Augustinus
zegt: « Met lof worden die mensen in het evangelie vermeld, die zijn lichaam van het
kruis afnamen, het zorgvuldig en eervol bedekten, en zorgden voor zijn begrafenis.
» — Ten derde, ter wille van het mysterie, waardoor zij onderricht worden, die met
Christus in de dood begraven worden.
Ad primum ergo dicendum quod, circa mortem Christi, commendantur patientia et constantia
ipsius qui mortem est passus, et tanto magis, quanto mors fuit abiectior. Sed in sepultura
honorifica consideratur virtus morientis, qui, contra intentionem occidentium, etiam
mortuus honorifice sepelitur, et praefiguratur devotio fidelium, qui erant Christo
mortuo servituri. (IIIa q. 51 a. 2 ad 1)
1 — Met betrekking tot de dood van Christus worden ons het geduld en de standvastigheid
onder het oog gebracht van Hem, die de dood onderging, en wel des te levendiger, naarmate
die dood meer weerzinwekkend was. In de eervolle begrafenis echter valt de kracht
van de stervende te bewonderen, die nog na zijn dood tegen de bedoeling van zijn moordenaars
in, eervol werd begraven; en hierin wordt de godsvrucht der gelovigen voorafgebeeld,
die de gestorven Christus zouden dienen.
Ad secundum dicendum quod in hoc quod Evangelista dicit quod sepelierunt eum sicut
mos est Iudaeis sepelire, sicut Augustinus dicit, super Ioan., admonuit in huiusmodi
officiis quae mortuis exhibentur, morem cuiusque gentis esse servandum. Erat autem
illius gentis consuetudo ut mortuorum corpora variis aromatibus condirentur, ut diutius
servarentur illaesa. Unde et in III de Doct. Christ. dicitur quod in omnibus talibus
non usus rerum, sed libido utentis in culpa est. Et postea subdit, quod in aliis personis
plerumque flagitium est, in divina vel prophetica persona magnae cuiusdam rei signum
est. Myrrha enim et aloes, propter sui amaritudinem, significant poenitentiam, per
quam aliquis in seipso Christum conservat absque corruptione peccati. Odor autem aromatum
significat bonam famam. (IIIa q. 51 a. 2 ad 2)
2 — Met de woorden: zij begroeven Hem « zoals het bij de Joden gebruikelijk is te begraven
» « vermaande » de Evangelist, zoals Augustinus zegt, « dat men bij de eerbewijzen,
die men aan de doden brengt, de handelwijze van elk volk in acht moet nemen. Bij dat
volk nu was het de gewoonte de lichamen der doden met verschillende reukwerken te
behandelen, om ze langer tegen het bederf te bewaren. » Vandaar wordt ook gezegd,
dat « in al dergelijke aangelegenheden niet de gebruikte dingen, maar de willekeur
schuldig is. » En hij voegt er vervolgens aan toe: « Wat bij andere personen dikwijls
een misdrijf inhoudt, is bij een goddelijke of profetische persoonlijkheid teken van
grootheid. » De myrrhe en aloë-balderen betekenen immers om hun bitterheid boetvaardigheid,
waardoor iemand in zichzelf de Christus zonder het bederf der zonden bewaart; de geur
der reukwerken daarentegen betekent de goede faam.
Ad tertium dicendum quod myrrha et aloes adhibebantur corpori Christi ut immune a
corruptione servaretur, quod videbatur ad quandam necessitatem pertinere. Unde datur
nobis exemplum ut licite possimus aliquibus pretiosis uti medicinaliter pro necessitate
nostri corporis conservandi. Sed involutio corporis pertinebat ad solam quandam decentiam
honestatis. Et in talibus, simplicibus debemus esse contenti. Per hoc tamen significabatur,
ut Hieronymus dicit, quod ille in sindone munda involvit Iesum, qui mente pura eum
susceperit. Et hinc, ut Beda dicit, super Marc., Ecclesiae mos obtinuit ut sacrificium
altaris non in serico neque in panno tincto, sed in lino terreno celebretur, sicut
corpus domini est in sindone munda sepultum. (IIIa q. 51 a. 2 ad 3)
3 — Myrrhe en aloë-balderen werden voor Christus’ lichaam gebruikt, om het vrij van bederf
te bewaren, wat in zekere zin noodzakelijk scheen. Hierdoor wordt ons geleerd, dat
wij kostbare dingen mogen gebruiken bij wijze van medicijn, als dat nodig is om ons
lichaam goed te houden: dat het lichaam ingewikkeld werd, werd alleen vereist als
passend eerbewijs. En in dergelijke aangelegenheden moeten wij met eenvoudige middelen
tevreden zijn. Hierdoor werd echter betekend, dat « hij Jesus in een rein lijnwaad
wikkelt, die Hem met een reine ziel ontvangt, » zoals Hieronymus zegt. Daarom zegt
Beda: « Het is in de Kerk gebruikelijk, het altaar-sacrificie te voltrekken niet op
zijde, noch op gekleurde stof, maar op gewoon linnen, gelijk het lichaam van Christus
in rein lijnwaad werd begraven. »
Ad quartum dicendum quod Christus sepelitur in horto, ad significandum quod per mortem
et sepulturam ipsius liberamur a morte, quam incurrimus per peccatum Adae in horto
Paradisi commissum. Ideo autem salvator in aliena ponitur sepultura, ut Augustinus
dicit, in quodam sermone, quia pro aliorum moriebatur salute, sepulcrum autem mortis
est habitaculum. Per hoc etiam considerari potest paupertatis abundantia pro nobis
susceptae. Nam qui domum in vita non habuit, post mortem quoque in alieno sepulcro
reconditur, et nudus existens a Ioseph operitur. In novo autem ponitur monumento,
ut Hieronymus dicit, ne, post resurrectionem, ceteris corporibus remanentibus, surrexisse
alius fingeretur. Potest autem et novum sepulcrum Mariae virginalem uterum demonstrare.
Per hoc etiam datur intelligi quod per Christi sepulturam omnes innovamur, morte et
corruptione destructa. In monumento autem deciso in petra conditus est, ut Hieronymus
dicit, ne, si ex multis lapidibus aedificatum fuisset, tumuli fundamentis suffossis,
sublatus furto diceretur. Unde et saxum magnum quod appositum fuit, ostendit non absque
auxilio plurimorum sepulcrum potuisse reserari. Si etiam sepultus fuisset in terra,
dicere poterant, suffoderunt terram, et furati sunt eum, sicut Augustinus dicit. Significatur
autem mystice per hoc, ut Hilarius dicit, quod per apostolorum doctrinam in pectus
duritiae gentilis, quodam doctrinae opere excisum, Christus infertur, rude scilicet
ac novum, nullo antea ingressu timori Dei pervium. Et quia nihil oporteat praeter
eum in pectora nostra penetrare, lapis ostio advolvitur. Et, sicut Origenes dicit,
non fortuito scriptum est, Ioseph involvit corpus Christi sindone munda, et posuit
in monumento novo, et quod advolvit lapidem magnum, quia omnia quae sunt circa corpus
Iesu, munda sunt, et nova, et valde magna. (IIIa q. 51 a. 2 ad 4)
4 — Christus wordt begraven in een tuin, om aan te geven, dat wij door zijn dood en begrafenis
bevrijd worden van de dood, die wij opliepen door de zonde, welke Adam bedreef in
de tuin van het paradijs. De Zaligmaker wordt echter daarom in een vreemd graf begraven,
zoals Augustinus zegt, « wijl Hij stierf voor het heil van anderen; het graf toch
is de woonplaats des doods. » Hierdoor ook kunnen wij zien, hoe arm Hij voor ons geworden
is. Want Hij, die tijdens zijn leven geen woonplaats had, wordt ook na zijn dood in
een vreemd graf bijgezet, en naakt, wordt Hij door Joseph bedekt. Hij wordt echter
in een nieuw graf gelegd, « opdat men na de verrijzenis niet zou verzinnen, dat een
ander verrezen was, terwijl de andere lichamen achterbleven, » zoals Hieronymus zegt.
« Ook kan door de nieuwheid van het graf heengeduid worden op de maagdelijke schoot
van Maria. » Ook wordt hierdoor te kennen gegeven, dat wij allen door de begrafenis
van Christus worden vernieuwd, nadat dood en bederf waren vernietigd. Hij is echter
in een graf gelegd, dat in de rots was uitgehouwen, zoals Hieronymus zegt, « opdat
men niet zou zeggen, als het gebouwd was geweest uit vele stenen, dat de fundamenten
van het grafheuvel ondergraven waren en Hij gestolen was. » Zo toont, ook de grote
steen, die er voor gewenteld was, dat « het graf zonder de hulp van velen niet kon
geopend worden. » « Ook indien Hij in de aarde begraven was, kan men zeggen: Zij hebben
het graf opgedolven en Hem gestolen, » zoals Augustinus zegt. In mystieke zin echter
wordt er door betekend, zoals Hilarius zegt, dat « door de leer der apostelen Christus
gedragen wordt tot het versteende hart van de heidenen, uitgehouwen door het werk
der onderrichting, nog ruw en nieuw en nooit te voren toegankelijk voor de vreze Gods.
En omdat niets anders buiten Hem in onze harten mag binnentreden, daarom wordt een
steen voor de opening gewenteld. » En zoals Origines zegt « werd niet bij toeval neergeschreven,
dat Joseph het lichaam van Christus in een rein lijnwaad wikkelde en het legde in
een nieuw graf en dat hij er een grote steen voorwentelde, wijl alles wat betrekking
heeft op het lichaam van Jesus, rein is, en nieuw, en zeer groot. »
Articulus 3. Is het lichaam van Christus in het graf vergaan tot stof?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod corpus Christi in sepulcro fuerit incineratum.
Sicut enim mors est poena peccati primi parentis, ita etiam incineratio, dictum est
enim primo homini post peccatum, pulvis es, et in pulverem reverteris, ut dicitur
Gen. III. Sed Christus mortem sustinuit ut nos a morte liberaret. Ergo etiam incinerari
debuit corpus eius, ut nos ab incineratione liberaret. (IIIa q. 51 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het lichaam van Christus in het graf vergaan is tot stof. Zoals immers
de dood een straf is voor de zonde van de stamvader, zo ook het vergaan tot stof.
Tot de eerste mens werd immers na de zonde gezegd: « Gij zijt stof en tot stof zult
gij wederkeren, » zoals staat in het Boek der Schepping (3. 19). Christus heeft echter
de dood ondergaan, om ons van de dood te verlossen. Derhalve moest ook zijn lichaam
tot stof vergaan, opdat wij zouden bevrijd worden van het vergaan tot stof.
Praeterea, corpus Christi fuit eiusdem naturae cum corporibus nostris. Sed corpora
nostra statim post mortem resolvi incipiunt et ad putrefactionem disponuntur, quia,
exhalante calido naturali, supervenit calor extraneus, qui putrefactionem causat.
Ergo videtur quod similiter in corpore Christi acciderit. (IIIa q. 51 a. 3 arg. 2)
2 — Het lichaam van Christus was van dezelfde aard als het onze. Onze lichamen echter
beginnen terstond na de dood te ontbinden en worden klaar gemaakt voor het bederf,
daar bij het uitwasemen der natuurlijke warmte, de warmte van buiten er overheen komt,
die het bederf veroorzaakt. Derhalve is het ook zo bij het lichaam van Christus gebeurd.
Praeterea, sicut dictum est, Christus sepeliri voluit ut daret hominibus spem resurgendi
etiam de sepulcris. Ergo etiam incinerationem pati debuit, ut spem resurgendi incineratis
post incinerationem daret. (IIIa q. 51 a. 3 arg. 3)
3 — Zoals gezegd is (1° Art. van deze Kw.), wilde Christus begraven worden om aan de mensen
de hoop op verrijzenis te geven, ook uit de graven. Dus moest ook Hij tot stof vergaan,
om aan hen, die tot stof vergaan zijn, de hoop op verrijzenis te geven, al zijn ze
ook tot stof vergaan.
Sed contra est quod in Psalmo dicitur, non dabis sanctum tuum videre corruptionem,
quod Damascenus exponit, in III libro, de corruptione quae est per resolutionem in
elementa. (IIIa q. 51 a. 3 s. c.)
Daartegenover staat echter, wat gezegd wordt in het Boek der Psalmen (15. 10): « Gij
zult Uw heilige het bederf niet laten zien », wat Damascenus verstaat van het bederf,
dat plaats heeft door de ontbinding tot elementen.
Respondeo dicendum quod non fuit conveniens corpus Christi putrefieri, vel quocumque
modo incinerari. Quia putrefactio cuiuscumque corporis provenit ex infirmitate naturae
illius corporis, quae non potest amplius corpus continere in unum. Mors autem Christi,
sicut supra dictum est, non debuit esse cum infirmitate naturae, ne crederetur non
esse voluntaria. Et ideo non ex morbo, sed ex passione illata voluit mori, cui se
obtulit sponte. Et ideo Christus, ne mors eius naturae infirmitati adscriberetur,
noluit corpus suum qualitercumque putrefieri, aut qualitercumque resolvi, sed, ad
ostensionem virtutis divinae, voluit corpus illud incorruptum permanere. Unde Chrysostomus
dicit quod, viventibus aliis hominibus, his scilicet qui egerunt strenue, arrident
propria gesta, his autem pereuntibus, pereunt. Sed in Christo est totum contrarium,
nam ante crucem, omnia sunt maesta et infirma; ut autem crucifixus est, omnia clariora
sunt facta, ut noscas non purum hominem crucifixum. (IIIa q. 51 a. 3 co.)
Het was niet passend, dat het lichaam van Christus bedierf, of op welke wijze ook
tot stof verging. Want het bederf van elk lichaam komt voort uit de zwakheid van de
natuur van dat lichaam, welke het lichaam niet langer tot een eenheid kan samenhouden.
Zoals echter boven gezegd is (50° Kw. 1° Art. 2° Antw.), mocht de dood van Christus
niet voortkomen uit natuurlijke zwakte, opdat men niet zou menen, dat die dood niet
vrijwillig was: en daarom wilde Hij niet door een ziekte, maar door het aangedane
lijden sterven, waarvoor Hij zich vrijwillig aanbood. Opdat dus zijn dood niet aan
natuurlijke zwakte zou worden toegeschreven, wilde Hij niet dat zijn lichaam op enigerlei
wijze zou bederven of op een of andere wijze tot ontbinding zou overgaan; maar Hij
wilde dat het onbedorven zou blijven, om zijn goddelijke kracht te tonen. Daarom zegt
Chrysostomus, dat « tijdens het leven van andere mensen, van hen namelijk die flink
hebben gehandeld, lachen hun eigen daden hen toe, en wanneer ze sterven, gaat alles
verloren. Maar bij Christus is het geheel tegenovergesteld: want vóór het kruis is
alles droevig en hulpeloos; zodra Hij echter gekruisigd is, verheldert alles; opdat
gij zou weten, dat het niet enkel een mens was, die gekruisigd werd. »
Ad primum ergo dicendum quod Christus, cum non esset subiectus peccato, neque morti
erat obnoxius neque incinerationi. Voluntarie tamen mortem sustinuit propter nostram
salutem, propter rationes supra dictas. Si autem corpus eius fuisset putrefactum vel
resolutum, magis hoc fuisset in detrimentum humanae salutis, dum non crederetur in
eo esse virtus divina. Unde ex persona eius in Psalmo dicitur, quae utilitas in sanguine
meo dum descendo in corruptionem? Quasi dicat, si corpus meum putrescat, perdetur
effusi sanguinis utilitas. (IIIa q. 51 a. 3 ad 1)
1 — Daar Christus niet schuldig was aan zonde, was Hij ook niet blootgesteld aan de dood,
noch aan het vergaan tot stof. Hij onderging echter vrijwillig de dood tot ons heil,
om de boven aangegeven redenen (vorige Kw. 1e Art.). Wanneer echter zijn lichaam tot
bederf of ontbinding was overgegaan, dan zou dit eerder ten nadele geweest zijn van
het menselijk heil, daar men niet zou geloven, dat de goddelijke kracht in Hem was.
Daarom wordt in het Boek der Psalmen (29. 10) uit zijn naam gezegd: « Wat voor nut
ligt er in mijn bloed, als Ik tot bederf overga! » Alsof Hij zeggen wilde: « Indien
mijn lichaam bederft, dan gaat het nut van mijn bloed, dat Ik vergoten heb, verloren.
» Aldus Augustinus.
Ad secundum dicendum quod corpus Christi, quantum ad conditionem naturae passibilis,
putrefactibile fuit, licet non quantum ad meritum putrefactionis, quod est peccatum.
Sed virtus divina corpus Christi a putrefactione reservavit, sicut et resuscitavit
a morte. (IIIa q. 51 a. 3 ad 2)
2 — Om zijn lijdelijke natuur was Christus’ lichaam bederfelijk, ofschoon niet om datgene
wat het bederf verdient, namelijk de zonde. De goddelijke kracht heeft het lichaam
van Christus echter bewaard tegen het bederf, gelijk deze het ook opwekte uit de dood.
Ad tertium dicendum quod Christus de sepulcro resurrexit virtute divina, quae nullis
terminis coarctatur. Et ideo hoc quod a sepulcro surrexit, sufficiens argumentum fuit
quod homines erant resuscitandi virtute divina non solum de sepulcris, sed etiam de
quibuscumque cineribus. (IIIa q. 51 a. 3 ad 3)
3 — Christus verrees uit het graf door de goddelijke kracht, die geen grenzen kent. En
daarom was het feit, dat Hij verrees uit het graf, voldoende bewijs, dat de mensen
door de goddelijke kracht zouden opgewekt worden, niet alleen uit de graven, maar
ook uit het stof.
Articulus 4. Was Christus slechts één dag en twee nachten in het graf?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod Christus non fuerit in sepulcro solum una
die et duabus noctibus. Dicit enim ipse, Matth. XII, sicut fuit Ionas in ventre ceti
tribus diebus et tribus noctibus, ita filius hominis erit in corde terrae tribus diebus
et tribus noctibus. Sed in corde terrae fuit in sepulcro existens. Non ergo fuit in
sepulcro solum una die et duabus noctibus. (IIIa q. 51 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat Christus niet slechts één dag en twee nachten in het graf was. Bij
*Mattheus* (12. 40) zegt Hij zelf: « Zoals Jonas drie dagen en drie nachten in de
buik van het zeemonster verbleef, zo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten
in de schoot der aarde zijn. » Hij was echter in de schoot der aarde, toen Hij in
het graf was. Dus was Hij niet maar één dag en twee nachten in het graf.
Praeterea, Gregorius dicit, in homilia paschali, quod sicut Samson abstulit media
nocte portas Gazae, ita Christus media nocte, auferens portas Inferni, resurrexit.
Sed postquam resurrexit, non fuit in sepulcro. Ergo non fuit in sepulcro duabus noctibus
integris. (IIIa q. 51 a. 4 arg. 2)
2 — Gregorius zegt, dat « gelijk Samson te middernacht de poorten van Gaza wegdroeg, zo
is Christus te middernacht verrezen, wegnemend de poorten der hel. » Maar toen Hij
verrezen was, verbleef Hij niet meer in het graf. Dus was Hij geen volle twee nachten
in het graf.
Praeterea, per mortem Christi lux praevaluit tenebris. Sed nox ad tenebras pertinet,
dies autem ad lucem. Ergo convenientius fuit quod corpus Christi fuerit in sepulcro
duabus diebus et una nocte, quam e converso. (IIIa q. 51 a. 4 arg. 3)
3 — Door Christus’ dood overwon het licht de duisternis. De nacht nu behoort tot de duisternis,
de dag daarentegen bij het licht. Dus paste het eerder, dat het lichaam van Christus
twee dagen en één nacht in het graf was, dan omgekeerd.
Sed contra est quod, sicut Augustinus dicit, in IV de Trin., a vespere sepulturae
usque ad diluculum resurrectionis triginta sex horae sunt, idest, nox tota cum die
tota et nocte tota. (IIIa q. 51 a. 4 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: « Van de avond der begrafenis af
tot de morgen der verrijzenis zijn zes en dertig uren, d. i. een gehele nacht met
een gehele dag, en een gehele nacht. »
Respondeo dicendum quod ipsum tempus quo Christus in sepulcro mansit, effectum mortis
eius repraesentat. Dictum est enim supra quod per mortem Christi liberati sumus a
duplici morte, scilicet a morte animae et a morte corporis. Et hoc significatur per
duas noctes quibus Christus in sepulcro permansit. Mors autem eius, quia non fuit
ex peccato proveniens sed ex caritate suscepta, non habuit rationem noctis, sed diei.
Et ideo significatur per diem integram qua Christus fuit in sepulcro. Et sic conveniens
fuit quod Christus una die et duabus noctibus esset in sepulcro. (IIIa q. 51 a. 4 co.)
De tijd zelf, gedurende welke Christus in het graf verbleef, stelt de uitwerking van
zijn dood voor. Er is nu boven gezegd (vorige Kw. 6e Art.), dat wij door de dood van
Christus van een dubbele dood verlost zijn, nl. van de dood naar de ziel en van de
dood naar het lichaam. En dit wordt aangeduid door de twee nachten, gedurende welke
Christus in het graf verbleef. Daar zijn dood echter niet een gevolg was van zonde,
maar ondergaan werd uit liefde, daarom had hij niet de betekenis van nacht, maar van
dag. En daarom wordt hij aangeduid door de volle dag, gedurende welke Christus in
het graf was. En zo was het passend, dat Christus één dag en twee nachten in het graf
bleef.
Ad primum ergo dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in libro de consensu Evang.,
quidam, modum Scripturae nescientes, noctem voluerunt animadvertere tres illas horas,
a sexta usque ad nonam, quibus sol obscuratus est; et diem, tres horas alias quibus
iterum terris est redditus, idest a nona usque ad eius occasum. Sequitur enim nox
futura sabbati, qua cum suo die computata, erunt iam duae noctes et duo dies. Post
sabbatum autem, sequitur nox primae sabbati, idest illucescentis diei dominici, in
qua tunc dominus resurrexit. Et ita adhuc non constabit ratio trium dierum et trium
noctium. Restat ergo ut hoc inveniatur illo Scripturarum usitato loquendi modo quo
a parte totum intelligitur, ita scilicet quod unam noctem et unam diem accipiamus
pro uno die naturali. Et sic primus dies computatur ab extrema parte sui, qua Christus
in sexta feria est mortuus et sepultus; secunda autem dies est integra cum viginti
quatuor horis nocturnis et diurnis; nox autem sequens pertinet ad tertium diem. Sicut
enim primi dies, propter futurum hominis lapsum, a luce in noctem; ita isti, propter
hominis reparationem, a tenebris computantur in lucem. (IIIa q. 51 a. 4 ad 1)
1 — Zoals Augustinus zegt, « hebben sommigen, die de spreekwijze der Schriftuur niet kennen,
voor één nacht de drie uren willen tellen, van het zesde uur af tot het negende, gedurende
welke de zon verduisterd was, en voor één dag de drie andere uren, gedurende welke
zij weer aan de aarde werd teruggegeven, d. i. van het negende uur af tot aan haar
ondergang. Daarna nu volgt de nacht van de komende sabbat, die samengerekend met de
dag van de sabbat, reeds twee nachten en twee dagen uitmaakt. Doch na de sabbat volgt
verder de nacht van de eerste dag na sabbat, d. i. van de aanbrekende dag des Heren,
waarop de Heer dan verrezen is. En zo komen wij dan nog niet tot een berekening van
drie dagen en drie nachten. Er blijft dus over, dit op te lossen volgens dat spraakgebruik
der Schriftuur, dat het geheel neemt voor een deel, » zo nl. dat men een nacht en
een dag neemt voor een natuurlijke dag. En zo wordt voor de eerste dag genomen het
laatste gedeelte, waarin Christus op de zesde dag der week is gestorven en begraven;
de tweede dag echter is volledig met 24 nacht- en daguren; de volgende nacht echter
behoort tot de derde dag: « Want zoals de eerste dagen, om de toekomstige val van
de mens, van het licht naar de nacht toe worden gerekend, zo worden deze, om het herstel
van de mens, gerekend van de duisternis naar het licht. » (Augustinus).
Ad secundum dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in IV de Trin., Christus in diluculo
resurrexit, in quo aliquid lucis apparet, et adhuc tamen aliquid remanet tenebrarum
noctis, unde de mulieribus dicitur, Ioan. XX, quod cum tenebrae adhuc essent, venerunt
ad monumentum. Ratione ergo harum tenebrarum, Gregorius dicit Christum media nocte
surrexisse, non quidem divisa nocte in duas partes aequales, sed infra illam noctem.
Illud enim diluculum et pars noctis et pars diei dici potest, propter communicantiam
quam habet cum utroque. (IIIa q. 51 a. 4 ad 2)
2 — Christus is verrezen, zoals Augustinus zegt, 's morgens vroeg, als er reeds wat licht
opdaagt en nog iets neerhangt van het nachtelijk duister; daarom wordt bij Joannes
(20. 1) van de vrouwen gezegd, dat « zij bij het graf kwamen, toen het nog duister
was. » Vanwege deze duisternis zegt daarom Gregorius, dat Christus te middernacht
verrezen is, niet op 't ogenblik, dat de nacht verdeelt in twee gelijke stukken, maar
in de nanacht. Deze vroegte immers kan 'n deel van de nacht en 'n deel van de dag
genoemd worden, om de overeenkomst met beide.
Ad tertium dicendum quod in tantum lux in morte Christi praevaluit, quod significatur
per unam diem, quod tenebras duarum noctium, idest duplicis mortis nostrae, removit,
ut dictum est. (IIIa q. 51 a. 4 ad 3)
3 — Het licht was bij de dood van Christus sterker, in zover het de duisternis van twee
nachten, d. i. van onze tweevoudige dood verdreef.