Tertia Pars. Quaestio 28. Over de maagdelijkheid der Moeder Gods .
Prooemium
Deinde considerandum est de virginitate matris Dei. Et circa hoc quaeruntur quatuor.
Primo, utrum fuerit virgo in concipiendo. Secundo, utrum fuerit virgo in partu. Tertio,
utrum permanserit virgo post partum. Quarto, utrum votum virginitatis emiserit. (IIIa q. 28 pr.)
Vervolgens moeten we handelen over de maagdelijkheid der Moeder Gods. Hieromtrent
worden vier vragen gesteld: 1. Was zij maagd bij het ontvangen? 2. Was zij maagd bij
Christus’ geboorte? 3. Is zij na Christus’ geboorte maagd gebleven? 4. Heeft zij de
gelofte van maagdelijkheid afgelegd?
Articulus 1. Was de Moeder Gods Maagd, toen zij Christus ontving?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod mater Dei non fuerit virgo in concipiendo Christum.
Nulla enim proles quae habet patrem et matrem, ex virgine matre concipitur. Sed Christus
non solum dicitur habere matrem, sed etiam patrem, dicitur enim Luc. II, erant pater
et mater eius mirantes super his quae dicebantur de illo. Et infra eodem dicit, ecce,
ego et pater tuus dolentes quaerebamus te. Ergo Christus non est conceptus ex virgine
matre. (IIIa q. 28 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de Moeder Gods geen maagd was, toen zij Christus ontving. Geen enkel
kind toch, dat vader en moeder heeft, wordt uit een maagdelijke moeder ontvangen.
Welnu aangaande Christus wordt geleerd, dat Hij niet slechts een moeder maar ook een
vader had; want bij Lucas (2, 33) lezen we: « Zijn vader en moeder stonden verbaasd
over hetgeen van Hem werd gezegd ». En kort daarop (Lucas, 2, 48): « Zie, ik en uw
vader zochten U met smart ». Derhalve is Christus niet ontvangen uit een maagdelijke
moeder.
Praeterea, Matth. I probatur quod Christus fuerit filius Abrahae et David, per hoc
quod Ioseph ex David descendit. Quae quidem probatio nulla videtur esse si Ioseph
pater Christi non fuisset. Ergo videtur quod mater Christi eum ex semine Ioseph conceperit.
Et ita non videtur fuisse virgo in concipiendo. (IIIa q. 28 a. 1 arg. 2)
2 — In Mattheus (1, 1 en volgend) wordt bewezen, dat Christus de zoon was van Abraham
en van David door het feit, dat Joseph afstamt van David. Deze redenering nu bewijst
niets, naar men beweert, indien Joseph niet de vader van Christus is geweest. Derhalve
schijnt het dat de Moeder van Christus Hem uit Josephs zaad heeft ontvangen, en zo
schijnt zij geen maagd geweest te zijn, toen zij Christus ontving.
Praeterea, dicitur Galat. IV, misit Deus filium suum factum ex muliere. Mulier autem,
consueto modo loquendi, dicitur quae est viro cognita. Ergo Christus non fuit conceptus
ex virgine matre. (IIIa q. 28 a. 1 arg. 3)
3 — In de Brief aan de Galaten (4, 4) wordt gezegd: « God heeft Zijn eigen Zoon gezonden,
die geboren werd uit een vrouw ». Naar de gewone wijze van spreken nu wordt iemand
« vrouw » genoemd, die door een man bekend werd. Derhalve werd Christus niet ontvangen
uit een maagdelijke moeder.
Praeterea, eorum quae sunt eiusdem speciei, est idem modus generationis, quia generatio
recipit speciem a termino, sicut et ceteri motus. Sed Christus fuit eiusdem speciei
cum aliis hominibus, secundum illud Philipp. II, in similitudinem hominum factus,
et habitu inventus ut homo. Cum ergo alii homines generentur ex commixtione maris
et feminae, videtur quod etiam Christus simili modo fuerit generatus. Et ita non videtur
fuisse conceptus ex virgine matre. (IIIa q. 28 a. 1 arg. 4)
4 — Gelijksoortigen worden allen op een zelfde wijze voortgebracht, want de voortbrenging
wordt, gelijk dat bij de overige veranderingen eveneens het geval is, in haar eigen
aard bepaald door het eindpunt der voortbrenging. Welnu, Christus behoorde tot dezelfde
soort als de overige mensen, volgens de Brief aan de Philippenzen (2, 7): « Hij is
gelijk geworden aan de mensen en uiterlijk bevonden als mens ». Daar dus de overige
mensen worden voortgebracht krachtens de vereniging van man en vrouw, werd ook Christus,
naar men beweert, op gelijke wijze voortgebracht. En derhalve werd Hij niet ontvangen
uit een maagdelijke moeder.
Praeterea, quaelibet forma naturalis habet materiam sibi determinatam, extra quam
esse non potest. Materia autem formae humanae videtur esse semen maris et feminae.
Si ergo corpus Christi non fuerit conceptum ex semine maris et feminae, non vere fuisset
corpus humanum, quod est inconveniens. Videtur igitur non fuisse conceptus ex virgine
matre. (IIIa q. 28 a. 1 arg. 5)
5 — Iedere natuurlijke wezensvorm heeft een aan hem aangepaste materie. De materie nu
van de mensen wezensvorm is, naar men beweert, het zaad van man en vrouw. Indien dus
Christus’ lichaam niet ontvangen werd uit het zaad van man en vrouw, zou het geen
waarachtig menselijk lichaam geweest zijn; dit echter is onjuist. Derhalve werd Hij
niet ontvangen uit een maagdelijke moeder.
Sed contra est quod dicitur Isaiae VII, ecce, virgo concipiet. (IIIa q. 28 a. 1 s. c.)
Daartegenover echter staat hetgeen we lezen bij Isaïas (7, 14): « Zie, de maagd zal
ontvangen ».
Respondeo dicendum quod simpliciter confitendum est matrem Christi virginem concepisse,
contrarium enim pertinet ad haeresim Ebionitarum et Cerinthi, qui Christum purum hominem
arbitrantur, et de utroque sexu eum natum putaverunt. Quod Christus sit conceptus
ex virgine, conveniens est propter quatuor. Primo, propter mittentis patris dignitatem
conservandam. Cum enim Christus sit verus et naturalis Dei filius, non fuit conveniens
quod alium patrem haberet quam Deum, ne Dei dignitas transferretur ad alium. Secundo,
hoc fuit conveniens proprietati ipsius filii, qui mittitur. Qui quidem est verbum
Dei. Verbum autem absque omni corruptione cordis concipitur, quinimmo cordis corruptio
perfecti verbi conceptionem non patitur. Quia igitur caro sic fuit a verbo Dei assumpta
ut esset caro verbi Dei, conveniens fuit quod etiam ipsa sine corruptione matris conciperetur.
Tertio, hoc fuit conveniens dignitati humanitatis Christi, in qua locum peccatum habere
non debuit, per quam peccatum mundi tollebatur, secundum illud Ioan. I, ecce, agnus
Dei, scilicet innocens, qui tollit peccatum mundi. Non poterat autem esse quod in
natura iam corrupta ex concubitu caro nasceretur sine infectione originalis peccati.
Unde Augustinus dicit, in libro de nuptiis et concupiscentia, solus nuptialis concubitus
ibi non fuit, scilicet in matrimonio Mariae et Ioseph, quia in carne peccati fieri
non poterat sine ulla carnis concupiscentia, quae accidit ex peccato, sine qua concipi
voluit qui futurus erat sine peccato. Quarto, propter ipsum finem incarnationis Christi,
qui ad hoc fuit ut homines renascerentur in filios Dei, non ex voluntate carnis, neque
ex voluntate viri, sed ex Deo, idest ex Dei virtute. Cuius rei exemplar apparere debuit
in ipsa conceptione Christi. Unde Augustinus, in libro de sancta virginitate, oportebat
caput nostrum, insigni miraculo, secundum corpus nasci de virgine, ut significaret
membra sua de virgine Ecclesia secundum spiritum nascitura. (IIIa q. 28 a. 1 co.)
Onvoorwaardelijk moet men erkennen, dat Christus’ moeder als maagd ontvangen heeft;
de tegenovergestelde mening toch behoort tot de dwaling der Ebionieten en van Cerinthus;
dezen hielden, dat Christus mens was zonder meer, en dachten, dat Hij uit man en vrouw
geboren was. Dat Christus uit een maagd ontvangen werd, is passend om de vier volgende
redenen, — 1°, om geen afbreuk te doen aan de waardigheid des Vaders, Die Hem zond.
Want, daar Christus de ware en de natuurlijke Zoon Gods is, was het niet passend,
dat Hij een andere vader zou hebben dan God, opdat de waardigheid van God niet op
een ander zou overgaan. 2°, was dit passend juist om het persoonseigene van de Zoon,
Die gezonden wordt. Hij toch is het Woord Gods. Het woord nu wordt zonder enige schending
des geestes ontvangen; ja zelfs is de geschondenheid des geestes een beletsel voor
de ontvangenis van een volmaakt woord. Daar nu het lichaam zóó door het Woord Gods
werd aangenomen, dat het het lichaam van het Woord Gods zou zijn, was het passend,
dat ook dit lichaam zonder enige schending der moeder ontvangen werd. 3°, was dit
passend aan Christus’ mensheid, waarin geen plaats mocht wezen voor de zonde, doch
waardoor de zonde der wereld werd weggenomen, overeenkomstig het woord van Joannes
(1, 29): « Zie het Lam Gods, nl. het onschuldige, dat de zonde der wereld wegneemt
». Nu was het onmogelijk, dat in de reeds geschonden natuur, krachtens de gemeenschap
tussen man en vrouw een lichaam zou worden geboren, hetwelk niet door de erfzonde
besmet was. Vandaar schrijft Augustinus in zijn werk Over het Hu- welijk en de Begeerlijkheid
(1e Boek, 12e H.): « Daar, d. w. z. in het huwelijk van Maria en Joseph, bestond alleen
de echtelijke gemeenschap niet, omdat deze in het vlees der zonde niet kon plaats
hebben zonder enige verfoeilijke begeerlijkheid des vleses, en deze komt er bij krachtens
de zonde; maar Hij, die zonder zonde zou zijn, wilde zonder die begeerlijkheid ontvangen
worden ». 4e, juist omwille van het doel van Christus’ menswording. Hij toch is mens
geworden, opdat de mensen zouden herboren worden tot kinderen Gods « niet uit de wil
van het vlees of uit de wil van de man, maar uit God » (Joannes, 13), d. w. z. uit
de kracht Gods. Het oerbeeld dezer wedergeboorte nu moest ons tegenstralen in Christus’
eigen ontvangenis. Vandaar, dat Augustinus in zijn werk Over de Heilige Maagdelijkheid
(6e H.) zegt: « Door een verheven wonder moest ons Hoofd, naar het lichaam geboren
worden uit een maagd, om daarmede te kennen te geven, dat zijn ledematen naar de geest
zouden geboren worden uit de maagd, de Kerk ».
Ad primum ergo dicendum quod, sicut Beda dicit, super Luc., pater salvatoris appellatur
Ioseph, non quod vere, iuxta Photinianos, pater fuerit ei, sed quod, ad famam Mariae
conservandam, pater sit ab hominibus existimatus. Unde et Luc. III dicitur, ut putabatur,
filius Ioseph. Vel, sicut Augustinus dicit, in libro de bono coniugali, eo modo pater
Christi dicitur Ioseph quo et vir Mariae intelligitur, sine commixtione carnis, ipsa
copulatione coniugii, multo videlicet coniunctius quam si esset aliunde adoptatus.
Neque enim propterea non erat appellandus Ioseph pater Christi quia non eum concumbendo
genuerat, quandoquidem pater esset etiam ei quem, non ex sua coniuge procreatum, aliunde
adoptasset. (IIIa q. 28 a. 1 ad 1)
1 — Gelijk Beda in zijn Uitleg op Lucas (op 2e H., 33e vers) zegt, « heette Joseph de
vader des Zaligmakers, niet, omdat hij werkelijk diens vader was, zoals de volgelingen
van Photinus beweren, maar omdat hij, ter bestendiging van Maria's goeden naam, door
de mensen voor zijn vader werd gehouden ». Daarom ook lezen we bij Lucas (3, 23):
« Naar men meende, de zoon van Joseph ». Of, zoals Augustinus schrijft in zijn werk
Over het Huwelijksgoed (2e Boek, 1e H.), wordt Joseph in dezelfde zin de vader van
Christus genoemd, als « hij de man van Maria heet, zonder gemeenschap des vleses,
maar krachtens de huwelijksband zelf, meer met Hem verenigd, dan zo Hij een van elders
aangenomen zoon was. Men moet ook niet beweren, dat Joseph daarom niet de vader van
Christus moet worden genoemd, omdat hij Hem niet krachtens de huwelijksgemeenschap
heeft voortgebracht, want hij zou toch ook zijn vader zijn geweest, indien Hij niet
uit zijn echtgenoot geboren was geweest, maar zo hij Hem van elders als zijn zoon
had aangenomen ».
Ad secundum dicendum quod, sicut Hieronymus dicit, super Matth., cum Ioseph non sit
pater domini salvatoris, ordo generationis eius usque ad Ioseph deducitur, primo quidem,
quia non est consuetudinis Scripturarum ut mulierum in generationibus ordo texatur.
Deinde, ex una tribu fuit Maria et Ioseph. Unde ex lege eam accipere cogebatur ut
propinquam. Et, ut Augustinus dicit, in libro de nuptiis et concupiscentia, fuit generationum
series usque ad Ioseph perducenda, ne in illo coniugio virili sexui, utique potiori,
fieret iniuria, cum veritati nihil deperiret, quia ex semine David et Ioseph erat
et Maria. (IIIa q. 28 a. 1 ad 2)
2 — Gelijk Hieronymus in zijn Uitleg op Mattheus (1e Boek, op 1e H., 18e vers) schrijft,
« hoewel Joseph niet de vader is des Heren, onze Zaligmaker, wordt toch zijn stamboom
tot op Joseph doorgetrokken, ten eerste nl., omdat het de gewoonte der H. Schrift
niet is, de geslachtslijst der vrouwen in een stamboom op te nemen. — Bovendien, Maria
en Joseph waren van een en dezelfde stam. Daarom ook was hij volgens de wet verplicht,
haar als zijn verwante tot vrouw te nemen ». En zoals Augustinus zegt in zijn werk
Over het Huwelijk en de Begeerlijkheid (1° B., 11° H) « moest de stamboom tot op Joseph
worden doorgetrokken, om in dat huwelijk aan de mannelijke partij, die toch het voornaamste
is, geen onrecht aan te doen; toch deed men volstrekt geen afbreuk aan de waarheid,
daar zowel Joseph als Maria uit Davids geslacht waren ».
Ad tertium dicendum quod, sicut Glossa dicit ibidem, mulierem pro femina posuit, more
locutionis Hebraeorum. Usus enim Hebraeae locutionis mulieres dicit, non virginitate
corruptas, sed feminas. (IIIa q. 28 a. 1 ad 3)
3 — Zoals de Glosse bij de tekst opmerkt, schreef de Apostel overeenkomstig de Hebreeuwse
wijze van spreken ‘vrouw’ en niet ‘een persoon van het vrouwelijk geslacht’; volgens
de Hebreeuwse spraakgewoonte toch betekent ‘vrouw’ niet slechts degene wier maagdelijkheid
geschonden is, maar in het algemeen een persoon van het vrouwelijk geslacht.
Ad quartum dicendum quod ratio illa habet locum in his quae procedunt in esse per
viam naturae, eo quod natura, sicut est determinata ad unum effectum, ita est etiam
determinata ad unum modum producendi illum. Sed cum virtus supernaturalis divina possit
in infinita, sicut non est determinata ad unum effectum, ita non est determinata ad
modum producendi quemcumque effectum. Et ideo, sicut virtute divina fieri potuit ut
primus homo de limo terrae formaretur, ita etiam fieri potuit ut divina virtute corpus
Christi formaretur de virgine absque virili semine. (IIIa q. 28 a. 1 ad 4)
4 — Deze redenering gaat op voor datgene wat langs natuurlijke weg wordt voortgebracht,
omdat gelijk de natuur beperkt is tot slechts één voortbrengsel, zo ook is zij beperkt
tot slechts één wijze van dit voort te brengen. Maar, wil Gods bovennatuurlijke kracht
zich tot in het oneindige uitstrekken, daarom, evenmin als zij beperkt is tot het
voortbrengen van slechts één maaksel, evenmin is zij beperkt in de wijze waarop zij
welk maaksel ook wil voortbrengen. Bijgevolg, zoals het door Gods kracht mogelijk
was dat de eerste mens uit het slijk der aarde gevormd werd, zo was het door Gods
kracht ook mogelijk dat het lichaam van Christus zonder mannelijk zaad gevormd werd
uit een maagd.
Ad quintum dicendum quod, secundum philosophum, in libro de Generat. Animal., semen
maris non est sicut materia in conceptione animalis, sed solum sicut agens, sola autem
femina materiam subministrat in conceptu. Unde per hoc quod semen maris defuit in
conceptione corporis Christi, non sequitur quod defuerit ei debita materia. Si tamen
semen maris esset materia fetus concepti in animalibus, manifestum tamen est quod
non est materia permanens in eadem forma, sed materia transmutata. Et quamvis virtus
naturalis non possit transmutare ad certam formam nisi determinatam materiam, virtus
tamen divina, quae est infinita, potest transmutare omnem materiam in quamcumque formam.
Unde, sicut transmutavit limum terrae in corpus Adae, ita in corpus Christi transmutare
potuit materiam a matre ministratam, etiam si non esset sufficiens materia ad naturalem
conceptum. (IIIa q. 28 a. 1 ad 5)
5 — Volgens de Wijsgeer in zijn werk Over het voortbrengen der Dieren (1e B., 2e H. en
20e H.; 2e B., 4e H.; 4e B., 1e H.) verhoudt het mannelijk zaad zich bij de ontvangenis
van het dier niet als materiaal-oorzaak, doch uitsluitend als tot stand-brenger; alleen
de vrouw verschaft de materie bij het ontvangen. Uit het feit, dat er bij de ontvangenis
van Christus’ lichaam geen mannelijk zaad aanwezig was, volgt dus geenszins, dat de
daarvoor vereiste materie ontbrak. Maar ook al zou bij de dieren het mannelijk zaad
als materie dienen voor de ontvangen vrucht, toch is dit van zelf sprekend geen materie,
die onder dezelfde wezenvorm blijft, maar veranderde materie. En hoewel de natuurlijke
kracht alleen maar bepaalde materie kan wijzigen naar een bepaalde wezensvorm, toch
kan Gods kracht, die oneindig is, iedere materie wijzigen naar welke wezensvorm dan
ook. Derhalve, even goed als Hij het slijk der aarde omvormde tot lichaam van Adam,
evengoed kon Hij de door de moeder verschafte materie omvormen tot lichaam van Christus,
ook al zou deze materie niet hebben volstaan voor een ontvangen op de natuurlijke
wijze.
Articulus 2. Was de Moeder van Christus maagd bij zijn geboorte?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod mater Christi non fuerit virgo in partu.
Dicit enim Ambrosius, super Luc., qui vulvam sanctificavit alienam ut nasceretur propheta,
hic est qui aperuit matris suae vulvam ut immaculatus exiret. Sed apertio vulvae virginitatem
excludit. Ergo mater Christi non fuit virgo in partu. (IIIa q. 28 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de moeder van Christus geen maagd was bij zijn geboorte. In zijn
*Uitleg* toch op Lucas (2° B., op 2° H., 23° vers) schrijft Ambrosius: « Hij, die
eens anders moederschoot heiligde, opdat een profeet zou worden geboren, Hij opende
de schoot zijner eigen moeder, om onbevlekt te voorschijn te treden ». Welnu, het
openen van de moederschoot sluit de maagdelijkheid uit. Derhalve was de moeder van
Christus geen maagd bij zijn geboorte.
Praeterea, nihil in mysterio Christi esse debuit per quod corpus eius phantasticum
appareret. Sed hoc non videtur vero corpori, sed phantastico convenire, ut possit
per clausa transire, eo quod duo corpora simul esse non possunt. Non igitur debuit
ex matris utero clauso corpus Christi prodire. Et ita non decuit quod esset virgo
in partu. (IIIa q. 28 a. 2 arg. 2)
2 — Er moest niets voorkomen in het geheim van Christus’ menswording, waardoor zijn lichaam
een schijnlichaam kon lijken. Welnu, zo beweert men, niet aan een werkelijk lichaam
komt het toe, door iets geslotens heen te gaan, doch wel aan een schijnlichaam. Derhalve
moest Hij niet uit de moeder tevoorschijn treden, terwijl de baarmoeder gesloten bleef.
Bijgevolg paste het niet, dat zij bij zijn geboorte maagd was.
Praeterea, sicut Gregorius dicit, in homilia octavarum Paschae, per hoc quod, ianuis
clausis, ad discipulos post resurrectionem intravit dominus, ostendit corpus suum
esse eiusdem naturae et alterius gloriae, et sic per clausa transire videtur ad gloriam
corporis pertinere. Sed corpus Christi in sua conceptione non fuit gloriosum, sed
passibile, habens similitudinem carnis peccati, ut apostolus dicit, Rom. VIII. Non
ergo exivit per virginis uterum clausum. (IIIa q. 28 a. 2 arg. 3)
3 — Zoals Gregorius in zijn *Homelie de Octaven van Paschen* zegt, « door na zijn verrijzenis
bij zijn leerlingen binnen te treden, terwijl de deuren van het vertrek gesloten bleven,
toonde de Heer, dat zijn lichaam gelijksoortig was met het hunne, maar in een andere
toestand van verheerlijking ». Bij zijn ontvangenis echter was Christus’ lichaam nog
niet verheerlijkt, doch lijdelijk, en had het « gelijkheid met het vlees der zonde
», volgens de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (8, 3). Derhalve trad het niet
uit de H. Maagd te voorschijn, terwijl de baarmoeder toch gesloten bleef.
Sed contra est quod in quodam sermone Ephesini Concilii dicitur, natura post partum
nescit ulterius virginem. Gratia vero et parientem ostendit, et matrem fecit, et virginitati
non nocuit. Fuit ergo mater Christi virgo etiam in partu. (IIIa q. 28 a. 2 s. c.)
Daartegenover staat hetgeen we lezen in een toespraak, die op het Concilie van Ephese
(3e Deel, 9e H.) gehouden werd: « Na het baren kent de natuur geen maagdelijkheid
meer. De genade echter toont ons een barende, en maakte haar moeder en schond haar
maagdelijkheid niet ». Derhalve was de moeder van Christus maagd bij zijn geboorte.
Respondeo dicendum quod absque omni dubio asserendum est matrem Christi etiam in partu
virginem fuisse, nam propheta non solum dicit, ecce, virgo concipiet; sed addit, et
pariet filium. Et hoc quidem conveniens fuit propter tria. Primo quidem, quia hoc
competebat proprietati eius qui nascebatur, quod est verbum Dei. Nam verbum non solum
in corde absque corruptione concipitur, sed etiam absque corruptione ex corde procedit.
Unde, ut ostenderetur quod illud corpus esset ipsius verbi Dei, conveniens fuit ut
de incorrupto virginis utero nasceretur. Unde in sermone quodam Ephesini Concilii
legitur, quae parit carnem puram, a virginitate cessat. Sed quia natum est carne verbum,
Deus custodit virginitatem, seipsum ostendens per hoc verbum. Neque enim nostrum verbum,
cum paritur, corrumpit mentem, neque Deus verbum substantiale, partum eligens, peremit
virginitatem. Secundo, hoc est conveniens quantum ad effectum incarnationis Christi.
Nam ad hoc venit ut nostram corruptionem tolleret. Unde non fuit conveniens ut virginitatem
matris nascendo corrumperet. Unde Augustinus dicit, in quodam sermone de nativitate
domini, fas non erat ut per eius adventum violaretur integritas, qui venerat sanare
corrupta. Tertio fuit conveniens, ne matris honorem nascendo diminueret qui parentes
praeceperat honorandos. (IIIa q. 28 a. 2 co.)
Zonder enigen twijfel moet men houden, dat de moeder van Christus ook bij diens geboorte
maagd was; want de Profeet zegt niet slechts: « Zie, de maagd zal ontvangen », doch
voegt er tevens aan toe: « en zij zal een zoon baren ». Dit nu behoorde ook zo, en
wel om drie redenen. 1° nl. om het persoons-eigene van dengene, die geboren werd,
d. w. z. het Woord Gods. Want het woord wordt niet slechts zonder enige schending
in het hart ontvangen, maar ook komt het zonder enige schending uit het hart voort.
Om derhalve aan te tonen, dat dit lichaam juist het lichaam van het Woord Gods was,
was het passend, dat het geboren werd zonder de baarmoeder der maagd te schenden.
Daarom lezen we dan ook in een toespraak van het Concilie van Ephese (t. a. p.): «
Zij, die baart, wat louter mens is, houdt op maagd te zijn. Maar wijl in dit vlees
het Woord geboren werd, beschermt God haar maagdelijkheid, daardoor toonend, dat Hij
het Woord is. Want ook ons woord schendt onze geest niet, wanneer het geboren wordt;
evenmin ontnam God, het zelfstandig Woord, toen het verkoos geboren te worden, de
maagdelijkheid ». 2°, was dit passend met betrekking tot de uitwerking van van Christus'
menswording. Want daartoe is Hij in de wereld gekomen, om onze geschondenheid weg
te nemen. Derhalve was het niet passend, dat Hij door zijn geboorte de maagdelijkheid
zijner moeder zou schenden. Daarom dan ook zegt Augustinus in een toespraak op de
Geboorte des Heren: « Het was niet behoorlijk, dat door de komst van Hem, die gekomen
was, om het geschondene te herstellen, aan de ongereptheid geweld zou worden aangedaan
». 3°, was het behoorlijk, dat Hij, die bevolen had de ouders te eren, door zijn geboorte
de eer van zijn eigen moeder niet zou verkleinen.
Ad primum ergo dicendum quod Ambrosius dicit hoc exponens illud quod Evangelista de
lege induxit, omne masculinum adaperiens vulvam sanctum domino vocabitur. Quod quidem,
ut Beda dicit, consuetae nativitatis more loquitur, non quod dominus sacri ventris
hospitium, quod ingressus sanctificaverat, egressus devirginasse credendus sit. Unde
illa aperitio non significat reserationem claustri pudoris virginei, sed solum exitum
prolis de utero matris. (IIIa q. 28 a. 2 ad 1)
1 — Ambrosius schrijft dit, waar hij de door de Evangelist aangehaalde woorden uit de
Wet verklaart: « Ieder kind van het mannelijk geslacht, dat de moederschoot opent,
moet de Heer worden toegewijd ». Dit nu, zegt hij — gelijk Beda opmerkt (in zijn Uitleg
op Lucas, 1° Boek op het 2° H., 23° vers) — « sprekend over de gewone wijze van geboren
te worden; maar hij bedoelt niet dat men geloven moet, dat de Heer de verblijfplaats
der gewijde baarmoeder, die Hij bij zijn intreden geheiligd had, bij zijn uittreden
ontmaagd zou hebben ». Dit « openen » betekent dus niet, dat Hij het maagdelijk schaamtevlies
ontsloten heeft, maar betekent alleen het uittreden van het kind uit de schoot zijner
moeder.
Ad secundum dicendum quod ita Christus voluit veritatem sui corporis demonstrare quod
etiam simul eius divinitas declararetur. Et ideo permiscuit mira humilibus. Unde,
ut corpus eius verum ostenderetur, nascitur ex femina. Sed ut ostenderetur eius divinitas,
nascitur ex virgine, talis enim partus decet Deum, ut Ambrosius dicit, in hymno nativitatis. (IIIa q. 28 a. 2 ad 2)
2 — Christus wilde de waarachtigheid van zijn lichaam op een zodanige wijze aantoonen,
dat toch tegelijkertijd ook zijn Godheid zou blijken. Daarom liet Hij dan ook het
wonderbare met het gewone samengaan. Om zijn lichaam dus een werkelijk lichaam te
doen blijken, werd Hij geboren uit een vrouw. Maar om zijn Godheid te tonen, werd
Hij geboren uit een maagd; zulk een geboorte toch past God, gelijk Ambrosius in de
lofzang van het Kerstfeest (in de Vespers) zingt.
Ad tertium dicendum quod quidam dixerunt Christum in sua nativitate dotem subtilitatis
assumpsisse, quando exivit de clauso virginis utero; et quando ambulavit siccis pedibus
super mare, dicunt eum assumpsisse dotem agilitatis. Sed hoc non convenit his quae
supra determinata sunt. Huiusmodi enim dotes corporis gloriosi proveniunt ex redundantia
gloriae animae ad corpus, ut infra dicetur, cum tractabitur de corporibus gloriosis.
Dictum est autem supra quod Christus ante passionem permittebat carni suae agere et
pati quae propria, nec fiebat talis redundantia gloriae ab anima ad corpus. Et ideo
dicendum est quod omnia ista facta sunt miraculose per virtutem divinam. Unde Augustinus,
super Ioan., moli corporis ubi divinitas erat, ostia clausa non obstiterunt. Ille
quippe, non eis apertis, intrare potuit, quo nascente virginitas matris inviolata
permansit. Et Dionysius dicit, in quadam epistola, quod Christus super hominem operabatur
ea quae sunt hominis, et hoc monstrat virgo supernaturaliter concipiens, et aqua instabilis
terrenorum pedum sustinens gravitatem. (IIIa q. 28 a. 2 ad 3)
3 — Sommigen hielden, dat Christus bij zijn geboorte de verheerlijkingsgave der vergeestelijking
aannam, toen Hij uit de gesloten schoot zijner moeder uitging, en dat Hij de gave
der gezwindheid heeft aangenomen, toen Hij droogvoets over het meer wandelde. — Maar
dit komt niet overeen met het vroeger (14° Kw.) behandelde. Deze gaven toch van het
verheerlikte lichaam komen voort uit de heerlijkheid der ziel, die zich in het lichaam
weerkaatst, gelijk we later zullen zien bij het bespreken der verheerlikte lichamen
(Vgl. het Supplement of Aanvullende Deel; 82° Kw. en volgend). Nu werd boven (13°
Kw., Art. 3, Antw. op de 1° B., 16° Kw., Art. 1, Antw. op de 2° B.) aangetoond, dat
Christus toeliet, dat zijn lichaam vóór zijn lijden datgene deed en onderging, wat
aan het lichaam uiteraard eigen is; een dergelijke weerkaatsing van de heerlijkheid
der ziel in het lichaam had toen dan ook niet plaats. Derhalve moet men zeggen, dat
al deze voorvallen door Gods kracht wonderdadig zijn geschied. Daarom dan ook schrijft
Augustinus in zijn Verhandeling op Joannes (121° Verh.): « Waar de Godheid was, waren
gesloten deuren geen beletsel voor zijn stoffelijk lichaam. Zonder dat zij geopend
werden toch kon Hij binnentreden, bij wiens geboorte de maagdelijkheid der moeder
ongerept behouden bleef ». En Dionysius schrijft in een brief (4e Brief, Aan Caius):
« Christus bewerkte boven-menselijk datgene wat des mensen is. Dit toont zowel de
maagd, die op een bovennatuurlijke wijze ontvangt, als het onvaste water, dat het
gewicht zijner aardse voeten draagt ».
Articulus 3. Is de moeder van Christus na diens geboorte maagd gebleven?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod mater Christi non permanserit virgo post partum.
Dicitur enim Matth. I, antequam convenirent Ioseph et Maria, inventa est in utero
habens de spiritu sancto. Non autem Evangelista hoc diceret, antequam convenirent,
nisi certus esset de conventuris, quia nemo dicit de non pransuro, antequam pranderet.
Ergo videtur quod beata virgo quandoque convenit carnali copula cum Ioseph. Et ita
non permansit virgo post partum. (IIIa q. 28 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de moeder van Christus na diens geboorte geen maagd is gebleven.
Want in *Mattheus* (1, 18) wordt verhaald: « Voordat Joseph en Maria bij elkaar kwamen,
werd zij zwanger bevonden van de H. Geest ». Dit: « voordat zij bij elkaar kwamen
» nu, schrijft Hieronymus in zijn werk *Tegen Helvidius* (N. 3), zou de Evangelist
niet hebben gezegd, indien hij er niet zeker van was, dat zij bij elkaar zouden komen;
want niemand zegt van een persoon, die niet zal eten: « voordat hij ging eten ». Derhalve,
zo beweert men, is de H. Maagd ooit met Joseph in vleselijke gemeenschap samengekomen.
Bijgevolg is zij na Christus’ geboorte geen maagd gebleven.
Praeterea, ibidem subditur, ex verbis Angeli loquentis ad Ioseph, ne timeas accipere
Mariam coniugem tuam. Coniugium autem consummatur per carnalem copulam. Ergo videtur
quod quandoque carnalis copula intervenit inter Mariam et Ioseph. Et ita videtur quod
non permansit virgo post partum. (IIIa q. 28 a. 3 arg. 2)
2 — T. a. p. (Mattheus, 1, 20) wordt er nog aan toegevoegd, dat de engel tot Joseph sprak:
« Vrees niet, Maria uw echtgenote tot u te nemen ». Het echtgenootschap nu wordt voltrokken
door de vleesgelijke gemeenschap. Derhalve, zo beweert men, heeft er toch ooit een
vleesgelijke gemeenschap tussen Maria en Joseph plaats gehad. Bijgevolg is zij na
Christus' geboorte geen maagd gebleven.
Praeterea, ibidem post pauca subditur, et accepit coniugem suam, et non cognoscebat
eam donec peperit filium suum primogenitum. Hoc autem adverbium donec consuevit determinatum
tempus signare, quo completo, fiat id quod usque ad illud tempus non fiebat. Verbum
autem cognoscendi ibi ad coitum refertur, sicut et Gen. IV dicitur quod Adam cognovit
uxorem suam. Ergo videtur quod post partum beata virgo fuit a Ioseph cognita. Ergo
videtur quod non permanserit virgo post partum. (IIIa q. 28 a. 3 arg. 3)
3 — Kort na het voorgaande (Mattheus, 1, 24, 25) lezen we: « En hij nam zijn echtgenoote
tot zich. Maar hij bekende haar niet, totdat zij een zoon had gebaard: de eerstgeborene
». Dit bijwoord nu « totdat », lezen we bij Hieronymus (t. a. p. N° 5), geeft gewoonlijk
niet alleen een bepaalden tijd aan, maar ook, dat na het verstrijken van die tijd
datgene gebeurt, wat tot aan die tijd niet gebeurde. Het werkwoord « bekennen » heeft
echter hier betrekking op de huwelijksgemeenschap », zoals ook in het Boek der Schepping
(4, 1) staat: « Adam bekende zijn echtgenoote ». Derhalve, zo beweert men, werd de
H. Maagd na Christus' geboorte wél door Joseph bekend. Bijgevolg is zij na diens geboorte
geen maagd gebleven.
Praeterea, primogenitus non potest dici nisi qui habeat fratres subsequentes, unde
Rom. VIII, quos praescivit, et praedestinavit conformes fieri imaginis filii sui,
ut sit ipse primogenitus in multis fratribus. Sed Evangelista nominat Christum primogenitum
matris eius. Ergo alios filios habuit post Christum. Et ita videtur quod mater Christi
non fuerit virgo post partum. (IIIa q. 28 a. 3 arg. 4)
4 — « Eerstgeborene » kan slechts hij worden genoemd op wie een of meer broeders volgen;
daarvan lezen we dan ook in de Brief aan de Romeinen (8, 29): « Die Hij vooruit heeft
gekend, heeft Hij ook voorbestemd, om gelijkvormig te worden aan het beeld van zijn
Zoon, opdat deze de Eerstgeborene onder vele broeders zou zijn ». De Evangelist (Mattheus,
1, 25; Lucas, 2, 7) nu noemt Christus de eerstgeborene zijner moeder. Derhalve had
zij na Christus nog andere kinderen. Bijgevolg, zo beweert men, is Christus’ moeder
na diens geboorte geen maagd gebleven.
Praeterea, Ioan. II dicitur, post haec descendit Capharnaum ipse, scilicet Christus,
et mater et fratres eius. Sed fratres dicuntur qui ex eodem parente geniti sunt. Ergo
videtur quod beata virgo habuerit alios filios post Christum. (IIIa q. 28 a. 3 arg. 5)
5 — In Joannes (2, 12) lezen we: « Daarna vertrok Hij naar Capharnaüm: Hijzelf, d. w.
z. Christus met zijn moeder en broeders ». « Broeders » nu heten zij, die uit dezelfde
ouders zijn voortgekomen. Bijgevolg, zo beweert men, had de H. Maagd behalve Christus
nog andere kinderen.
Praeterea, Matth. XXVII dicitur, erant ibi, scilicet iuxta crucem Christi, mulieres
multae a longe, quae secutae erant Iesum a Galilaea, ministrantes ei, inter quas erat
Maria Magdalene, et Maria Iacobi et Ioseph mater, et mater filiorum Zebedaei. Videtur
autem haec Maria quae hic dicitur Iacobi et Ioseph mater, esse etiam mater Christi,
dicitur enim Ioan. XIX quod stabat iuxta crucem Iesu Maria, mater eius. Ergo videtur
quod mater Christi non permanserit virgo post partum. (IIIa q. 28 a. 3 arg. 6)
6 — In Mattheus (27, 55, 56) lezen we: « En vele vrouwen, die Jezus van Galilea af gevolgd
waren, om Hem te dienen, stonden daar nl. bij het kruis van Christus van verre toe
te zien; onder anderen, Maria Magdalena, Maria de moeder van Jacobus en Joseph, en
de moeder van de zonen van Zebedeüs ». Nu beweert men, dat deze Maria, die hier de
moeder van Jacobus en Joseph wordt genoemd, tevens ook de moeder van Christus zou
wezen. Want in Joannes (19, 25) staat: « Bij het kruis van Jezus stond Maria, Zijn
moeder ». Derhalve, zo beweert men, is de moeder van Christus na diens geboorte geen
maagd gebleven.
Sed contra est quod dicitur Ezech. XLIV, porta haec clausa erit, et non aperietur,
et vir non transibit per eam, quoniam dominus Deus Israel ingressus est per eam. Quod
exponens Augustinus, in quodam sermone, dicit, quid est porta in domo domini clausa,
nisi quod Maria semper erit intacta? Et quid est, homo non transibit per eam, nisi
quod Ioseph non cognoscet eam? Et quid est, dominus solus intrat et egreditur per
eam, nisi quod spiritus sanctus impraegnabit eam, et Angelorum dominus nascetur per
eam? Et quid est, clausa erit in aeternum, nisi quod Maria virgo est ante partum,
et virgo in partu, et virgo post partum? (IIIa q. 28 a. 3 s. c.)
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen bij Ezechiël (44, 2, 3): « Deze poort
zal gesloten blijven, zij zal niet geopend worden, en geen man zal daardoor ingaan,
omdat de Heer, de God van Israël, daardoor is ingetreden ». Waar Augustinus deze woorden
in een toespraak verklaart, zegt hij: « Wat betekenen deze woorden « de poort in het
huis des Heren zal gesloten blijven », anders dan dat Maria steeds ongerept zal blijven?
En wat betekent « geen man zal daardoor ingaan », anders dan dat Joseph haar niet
zal kennen? En wat betekent « Alleen de Heer gaat daardoor in en treedt daardoor uit
», anders dan dat de H. Geest haar zwanger zal doen worden en dat de Heer der engelen
door haar zal worden geboren? En wat betekent « tot in eeuwigheid zal zij gesloten
blijven », anders dan dat Maria maagd was vóór Christus' geboorte, en maagd bij zijn
geboorte, en maagd na zijn geboorte? »
Respondeo dicendum quod absque omni dubio detestandus est error Helvidii, qui dicere
praesumpsit matrem Christi a Ioseph post partum esse carnaliter cognitam, et alios
filios genuisse. Hoc enim, primo, derogat Christi perfectioni, qui, sicut secundum
divinam naturam unigenitus est patris, tanquam perfectus per omnia filius eius, ita
etiam decuit ut esset unigenitus matris, tanquam perfectissimum germen eius. Secundo,
hic error iniuriam facit spiritui sancto, cuius sacrarium fuit uterus virginalis,
in quo carnem Christi formavit, unde non decebat ut de cetero violaretur per commixtionem
virilem. Tertio, hoc derogat dignitati et sanctitati matris Dei, quae ingratissima
videretur si tanto filio contenta non esset; et si virginitatem, quae in ea miraculose
conservata fuerat, sponte perdere vellet per carnis concubitum. Quarto, etiam ipsi
Ioseph esset ad maximam praesumptionem imputandum, si eam quam, revelante Angelo,
de spiritu sancto Deum concepisse cognoverat, polluere attentasset. Et ideo simpliciter
est asserendum quod mater Dei, sicut virgo concepit et virgo peperit, ita etiam virgo
post partum in sempiternum permanserit. (IIIa q. 28 a. 3 co.)
Zonder enigen twijfel moet de dwaling verworpen worden van Helvidius, die durfde te
beweren, dat de moeder van Christus na diens Geboorte door Joseph bekend werd en nog
andere kinderen ter wereld bracht. Want 1° doet deze dwaling afbreuk aan Christus’
volmaaktheid, die, gelijk Hij naar zijn goddelijke natuur de Eéngeborene des Vaders
is (Joannes, 1, 14) als zijnde diens in alles volmaakte Zoon (Hebreeënbrief, 28),
zo ook paste het, dat Hij de ééngeborene zijner moeder was, als zijnde haar allervolmaakste
kind. 2°, doet deze dwaling de Heilige Geest onrecht aan; de maagdelijke schoot was
zijn heiligdom, daarin toch had Hij het lichaam van Christus gevormd; het paste dan
ook niet, dat dit heiligdom naderhand door de gemeenschap met een man zou worden geschonden.
3°, doet zij afbreuk aan de waardigheid en heiligheid der moeder Gods; zij toch zou
allerondankbaarst schijnen, indien zij niet tevreden zou zijn met zulk een Zoon, en
indien zij haar maagdelijkheid, die in haar op wonderdadige wijze voor schending was
gevrijwaard, vrijwillig had willen te niet doen door gemeenschap des vleses. 4°, ook
aan Joseph zelf zou het als een zeer grote aanmatiging moeten worden toegerekend,
wanneer hij het gewaagd zou hebben, haar te bevlekken, van wie hij door de openbaring
eens engel wist, dat zij God zelf ontvangen had van de Heilige Geest. Bijgevolg moet
men onvoorwaardelijk erkennen, dat de Moeder Gods na Christus’ geboorte eeuwig maagd
is gebleven, gelijk zij ook als maagd ontvangen en als maagd gebaard heeft.
Ad primum ergo dicendum quod, sicut Hieronymus dicit, in libro contra Helvidium, intelligendum
est quod haec praepositio ante, licet saepe consequentia indicet, tamen nonnunquam
ea tantum quae prius cogitabantur, ostendit, nec est necesse ut cogitata fiant, cum
ideo aliud intervenerit, ne ea quae cogitata sunt, fierent. Sicut, si aliquis dicat,
antequam in portu pranderem, navigavi, non intelligitur quod in portu prandeat postquam
navigaverit, sed quia cogitabatur in portu pransurus. Et similiter Evangelista dicit,
antequam convenirent, inventa est Maria in utero habens de spiritu sancto, non quia
postea convenerint, sed quia, dum viderentur conventuri, praevenit conceptio per spiritum
sanctum, ex quo factum est ut ulterius non convenirent. (IIIa q. 28 a. 3 ad 1)
1 — Zoals Hieronymus in zijn werk Tegen Helvidius antwoordt (No. 4): « moet men bedenken,
dat het voorzetsel « vóór », hoewel dit dikwijls wijst op datgene, wat daarna gebeurt,
soms toch uitsluitend datgene aangeeft, waarvan men vooraf dacht, dat het zou gebeuren.
Maar het is niet noodzakelijk, dat nu ook feitelijk datgene gebeurt, wat men gedacht
heeft; want juist daarom iets anders tussen beide kan komen, opdat hetgeen men dacht,
niet zou gebeuren. Zo b. v. wanneer iemand zegt « vóórdat ik in de haven ontbeet,
heb ik gevaren », dan betekent dit niet, dat hij na gevaren te hebben in de haven
ontbijt, maar, dat hij dacht in de haven te zullen ontbijten. Eveneens zegt de Evangelist
« Vóórdat zij bij elkaar kwamen, werd Maria zwanger bevonden van de H. Geest », daarmede
niet bewerend, dat zij later wèl bij elkaar kwamen, maar dat, terwijl het scheen,
dat zij bij elkaar zouden komen, het ontvangen uit de H. Geest tussen beide kwam,
hetgeen maakte, dat zij later niet bij elkaar kwamen.
Ad secundum dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in libro de nuptiis et concupiscentia,
coniux vocatur mater Dei ex prima desponsationis fide, quam concubitu non cognoverat,
nec fuerat cogniturus. Ut enim Ambrosius dicit, super Luc., non virginitatis ereptio,
sed coniugii testificatio nuptiarum celebratio declaratur. (IIIa q. 28 a. 3 ad 2)
2 — Zoals Augustinus in zijn werk Over het Huwelijk en de Begeerlijkheid (1° B., 11° H.)
zegt, « heet de Moeder Gods zijn echtgenoote, krachtens de eerste verlovingstrouw;
toch heeft hij haar niet bekend en zou hij haar ook niet bekennen. Want gelijk Ambrosius
in zijn Uitleg op Lucas schrijft (2° B., op Lucas, 1, 27) « niet het verlies der maagdelijkheid
wordt hier aangegeven, maar de betuiging van hun gehuwdzijn, het vieren der verloving
».
Ad tertium dicendum quod quidam dixerunt hoc non esse intelligendum de cognitione
carnis, sed de cognitione notitiae. Dicit enim Chrysostomus quod non cognovit eam
Ioseph, antequam pareret, cuius fuerit dignitatis, sed, postquam peperit, tunc cognovit
eam. Quia per ipsius prolem speciosior et dignior facta fuerat quam totus mundus,
quia quem totus mundus capere non poterat, in angusto uteri sui sola suscepit. Quidam
vero hoc referunt ad notitiam visus. Sicut enim Moysi cum Deo colloquentis glorificata
est facies, ut non possent intendere in eum filii Israel; sic Maria, claritate virtutis
altissimi obumbrata, cognosci non poterat a Ioseph, donec pareret. Post partum autem
a Ioseph agnita invenitur, specie faciei, non tactu libidinis. Hieronymus autem concedit
hoc esse intelligendum de cognitione coitus. Sed dicit quod usque, vel donec, in Scripturis
dupliciter potest intelligi. Quandoque enim designat certum tempus, secundum illud
Galat. III, propter transgressionem lex posita est, donec veniret semen cui promiserat.
Quandoque vero signat infinitum tempus, secundum illud Psalmi, oculi nostri ad dominum
Deum nostrum, donec misereatur nostri; ex quo non est intelligendum quod post impetratam
misericordiam oculi avertantur a Deo. Et secundum hunc modum loquendi, significantur
ea de quibus posset dubitari si scripta non fuissent, cetera vero nostrae intelligentiae
derelinquuntur. Et secundum hoc, Evangelista dicit matrem Dei non esse cognitam a
viro usque ad partum, ut multo magis intelligamus cognitam non fuisse post partum. (IIIa q. 28 a. 3 ad 3)
3 — Sommigen hielden, dat men dit niet moet verstaan in de zin van een vleselijk bekennen,
doch van een verstandelijk kennen. Zo schrijft Chrysostomus (in zijn 1e Homelie op
Mattheus): « Joseph kende haar niet, voordat zij baarde, hij wist haar waardigheid
niet; maar nadat zij gebaard had, toen kende hij haar.. Want door haar kind was zij
schooner en waardiger geworden dan geheel de wereld, omdat alléén zij Degene, die
de gehele wereld niet kan omvatten, in de beperktheid van haar schoot heeft gedragen
». Anderen laten dit slaan op het kennen door het gezichtsvermogen. Want gelijk het
aangezicht van de met God sprekende Mozes verheerlijkt werd, zoodat de kinderen Israëls
hem niet konden aankijken (2e Korinthierbrief, 3, 7), zo ook kon Maria, die door de
schittering van de kracht des Allerhoogsten overschaduwd was, niet worden aangestaard
door Joseph, totdat zij zou baren. Na het baren echter blijkt zij wel door Joseph
gekend te zijn, door het zien van haar gelaat, maar niet door de aanraking, waar het
zingenot naar streeft. Hieronymus echter geeft toe, dat men deze woorden moet verstaan
in de zin van het bekennen door de vleselijke gemeenschap. Maar, zegt hij, « tot »
of « totdat » kan in de H. Schrift tweevoudig worden opgevat. Soms toch geeft het
een bepaalde tijd aan, blijkens de Brief aan de Galaten (3, 19): « Om wille der overtredingen
is de Wet gesteld, totdat het Zaad zou zijn, gekomen, aan wien de Belofte gericht
was ». Soms echter betekent het een onbepaalde tijd blijkens het Psalmwoord (Ps. 122,
2): « Onze ogen zijn gericht op de Heer, onze God, totdat Hij zich onzer ontferme
», waaruit men niet moet besluiten, dat na het verkrijgen van zijn ontferming de ogen
werden afgewend van God. Deze eerste wijze van spreken wordt gebruikt, om datgene
uit te drukken, waarover men nog zou kunnen twijfelen indien het niet uitdrukkelijk
beschreven was; in het andere geval echter wordt de gevolgtrekking aan ons eigen denken
overgelaten. En aldus zegt de Evangelist, dat de Moeder Gods door geen man bekend
werd, totdat zij baarde, opdat wij des te beter zouden begrijpen, dat zij na die geboorte
niet bekend werd.
Ad quartum dicendum quod mos divinarum Scripturarum est ut primogenitum vocent non
solum eum quem fratres sequuntur, sed eum qui primus natus sit. Alioquin, si non est
primogenitus nisi quem sequuntur fratres, tandiu secundum legem primogenita non debentur,
quandiu et alia fuerint procreata. Quod patet esse falsum, cum infra unum mensem primogenita
redimi mandentur secundum legem. (IIIa q. 28 a. 3 ad 4)
4 — Het is de gewoonte der H. Schrift, om niet alleen degene, op wie een of meer broeders
volgen, eerstgeborene te noemen, maar in het algemeen de eerste, die geboren is. «
Want anders, zo slechts hij eerstgeborene is, op wie een of meer broeders volgen,
dan zou hetgeen volgens de Wet aangaande de eerstgeborenen is voorgeschreven, niet
verplichten », zolang er nog geen andere kinderen waren bijgekomen. (Hieronymus, t.
a. p., N° 10). Dit nu is klaarblijkelijk onwaar, wijl de eerstgeborene volgens de
Wet binnen één maand moet worden vrijgekocht.
Ad quintum dicendum quod quidam, sicut dicit Hieronymus, super Matth., de alia uxore
Ioseph fratres domini suspicantur. Nos autem fratres domini, non filios Ioseph, sed
consobrinos salvatoris, Mariae materterae filios intelligimus. Quatuor enim modis
in Scriptura fratres dicuntur, scilicet natura, gente, cognatione et affectu. Unde
fratres domini dicti sunt, non secundum naturam, quasi ab eadem matre nati, sed secundum
cognationem, quasi consanguinei eius existentes. Ioseph autem, sicut Hieronymus dicit,
contra Helvidium, magis credendus est virgo permansisse, quia aliam uxorem habuisse
non scribitur, et fornicatio in sanctum virum non cadit. (IIIa q. 28 a. 3 ad 5)
5 — Zoals Hieronymus in zijn Uitleg op Mattheus (2° B., op Matth. 12, 49, 50) verklaart,
« verstaan sommigen onder de broeders des Heren kinderen uit een andere echtgenoote
van Joseph. Wij echter verstaan onder de broeders des Heren geen zonen van Joseph,
maar kinderen van de zuster van zijn moeder Maria. Op vier verschillende manieren
toch spreekt de H. Schrift van broeders, namelijk op grond van geboorte, van het volk,
van verwantschap en van toegenegenheid » (Hieronymus in zijn werk Tegen Helvidius;
N° 14). Zij heten dus geen broeders des Heren krachtens hun geboorte, alsof zij uit
dezelfde moeder geboren waren, maar krachtens verwantschap, als zijnde zijn bloedverwanten.
Van Joseph echter moet men eerder aannemen, zoals Hieronymus in zijn werk Tegen Helvidius
(N° 19) opmerkt, dat hij maagd is gebleven, omdat « nergens geschreven staat, dat
hij nog een andere vrouw gehuwd heeft, en overspel gebeurt niet in het leven van een
heilige ».
Ad sextum dicendum quod Maria quae dicitur Iacobi et Ioseph mater, non intelligitur
esse mater domini, quae in Evangelio non consuevit nominari nisi cum cognominatione
huius dignitatis, quod sit mater Iesu. Haec autem Maria intelligitur esse uxor Alphaei,
cuius filius est Iacobus minor, qui dictus est frater domini. (IIIa q. 28 a. 3 ad 6)
6 — Onder Maria, die hier de moeder van Jacobus en Joseph genoemd wordt, moet men niet
de Moeder des Heren verstaan, daar zij in het Evangelie niet anders vernoemd wordt
dan met de bijvermelding harer waardigheid, dat zij de moeder van Jezus is. Met deze
Maria wordt de vrouw van Alphaeus bedoeld, wier zoon Jacobus de Mindere is, die dan
ook broeder des Heren heet (Brief aan de Galaten, 1, 19).
Articulus 4. Heeft de Moeder Gods de gelofte van zuiverheid af gelegd?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod mater Dei virginitatem non voverit. Dicitur
enim Deut. VII, non erit apud te sterilis utriusque sexus. Sterilitas autem sequitur
virginitatem. Ergo servatio virginitatis erat contra praeceptum veteris legis. Sed
adhuc lex vetus habebat statum antequam Christus nasceretur. Ergo non potuit licite
beata virgo virginitatem vovere pro tempore illo. (IIIa q. 28 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de Moeder Gods geen gelofte van zuiverheid heeft afgelegd. In het
boek Deuteronomium (7, 14) toch lezen we: « In geen van beide geslachten zal er een
onvruchtbare bij u zijn ». Op de maagdelijkheid echter volgt de onvruchtbaarheid.
Behoud der maagdelijkheid was dus tegen het voorschrift der Oude Wet. Welnu, vóór
Christus’ geboorte bleef de Oude Wet nog van kracht. Derhalve kon de H. Maagd voor
wat die tijd betreft niet geoorloofd de gelofte van zuiverheid afleggen.
Praeterea, apostolus, I Cor. VII, dicit, de virginibus autem praeceptum domini non
habeo, consilium autem do. Sed perfectio consiliorum a Christo debuit inchoari, qui
est finis legis, ut apostolus dicit, Rom. X. Non ergo conveniens fuit quod virgo votum
virginitatis emitteret. (IIIa q. 28 a. 4 arg. 2)
2 — De Apostel schrijft in zijn Eerste Brief aan de Korinthiërs (7, 25): « Wat de maagden
betreft, heb ik geen gebod des Heren, maar ik geef een raad ». Welnu, de volmaaktheid
der raden moest bij Christus beginnen, omdat Hij het eind der Wet is, zoals de Apostel
in zijn Brief aan de Romeinen (10, 4) schrijft. Het was dus niet passend, dat de H.
Maagd de gelofte van zuiverheid aflegde.
Praeterea, Glossa Hieronymi dicit, I Tim. V, quod voventibus virginitatem non solum
nubere, sed etiam velle nubere damnabile est. Sed mater Christi nullum peccatum damnabile
commisit, ut supra habitum est. Cum ergo desponsata fuerit, ut habetur Luc. I, videtur
quod ipsa virginitatis votum non emiserit. (IIIa q. 28 a. 4 arg. 3)
3 — Een glosse van Hieronymus op de Eerste Brief aan Timotheus (5, 12) leert: « in degenen,
die de gelofte van zuiverheid hebben afgelegd, is niet alleen het trouwen veroordelend,
maar ook het willen trouwen ». Christus’ moeder echter heeft geen enkel veroordelend
vergrijp bedreven, zoals boven (27° Kw., 4° Art.) werd aangetoond. Daar zij dus verloofd
was, gelijk we lezen bij Lucas (1, 27), heeft zij, naar men beweert, geen gelofte
van zuiverheid afgelegd.
Sed contra est quod Augustinus dicit, in libro de sancta virginitate, annuntianti
Angelo Maria respondit, quomodo fiet istud, quoniam virum non cognosco? Quod profecto
non diceret, nisi se virginem Deo ante vovisset. (IIIa q. 28 a. 4 s. c.)
Daartegenover echter staat hetgeen Augustinus zegt in zijn werk Over de Heilige Maagdelijkheid
(4° H.): « Aan de engel, die haar Gods boodschap overbracht, antwoordde zij: « Hoe
zal dit geschieden, daar ik geen man beken? » Dit zou zij zeker niet gezegd hebben,
zo zij zich tevoren niet als maagd aan God had toegewijd ».
Respondeo dicendum quod, sicut in secunda parte habitum est, perfectionis opera magis
sunt laudabilia si ex voto celebrantur. Virginitas autem in matre Dei praecipue debuit
pollere, ut ex supra dictis rationibus patet. Et ideo conveniens fuit ut virginitas
eius ex voto esset Deo consecrata. Verum quia tempore legis oportebat generationi
insistere tam mulieres quam viros, quia secundum carnis originem cultus Dei propagabatur
antequam ex illo populo Christus nasceretur, mater Dei non creditur, antequam desponsaretur
Ioseph, absolute virginitatem vovisse, licet eam in desiderio habuerit, super hoc
tamen voluntatem suam divino commisit arbitrio. Postmodum vero, accepto sponso, secundum
quod mores illius temporis exigebant, simul cum eo votum virginitatis emisit. (IIIa q. 28 a. 4 co.)
Zoals we in het Tweede Deel (IIa-IIae, 88° Kw., 6° Art.) gezien hebben, zijn de werken
der volmaaktheid lofwaardiger, zo zij krachtens een gelofte geschieden. In de Moeder
Gods nu moest de maagdelijkheid heel bijzonder uitschitteren, gelijk uit de boven
aangegeven (vgl. Art. 1, 2, 3) redenen blijkt. Derhalve was het passend, dat haar
maagdelijkheid krachtens een gelofte aan God was toegewijd. Daar echter ten tijde
der Wet zowel vrouwen als mannen verplicht waren nakomelingen te verwekken (omdat
de dienst van God, voordat Christus uit dit volk geboren werd, krachtens de lichamelijke
afstamming moest worden voortgeplant), gelooft men niet, dat de Moeder Gods vóór haar
verloving met Joseph een gelofte van zuiverheid onvoorwaardelijk heeft afgelegd; maar
ofschoon zij er wel naar verlangde dit te doen, heeft zij toch haar eigen wil die
aangaande aan Gods vrije beschikking overgelaten. Later echter toen zij, zoals de
gebruiken dier tijden dit eisten, een bruidegom gekregen had, heeft zij tegelijk met
hem de gelofte van zuiverheid afgelegd.
Ad primum ergo dicendum quod, quia videbatur esse lege prohibitum non dare operam
ad relinquendum semen super terram, ideo non simpliciter virginitatem vovit Dei genitrix,
sed sub conditione, si Deo placeret. Postquam autem ei innotuit hoc esse Deo acceptum,
absolute vovit, antequam ab Angelo annuntiaretur. (IIIa q. 28 a. 4 ad 1)
1 — Daar het door de Wet verboden scheen, zich geen moeite te troosten, om een nakomelingschap
op aarde achter te laten, daarom juist heeft de Moeder Gods haar maagdelijkheid niet
zonder meer aan God toegewijd, maar voorwaardelijk: indien het God behaagt. Nadat
haar echter gebleken was, dat dit God aangenaam was, heeft zij zich volstrekt aan
Hem toegewijd nog vóór de Boodschap des engels.
Ad secundum dicendum quod, sicut gratiae plenitudo perfecte quidem fuit in Christo,
et tamen aliqua eius inchoatio praecessit in matre; ita etiam observatio consiliorum,
quae per gratiam Dei fit, perfecte quidem incoepit in Christo, sed aliquo modo fuit
inchoata in virgine matre eius. (IIIa q. 28 a. 4 ad 2)
2 — Gelijk de volheid van genade op volmaakte wijze in Christus was en toch reeds een
begin daarvan Hem voorafging in zijn moeder, zo ook begon het onderhouden der raden
(hetgeen door Gods genade geschiedt) wel op volmaakte wijze in Christus, maar werd
toch reeds enigszins ingezet in de H. Maagd, zijn moeder.
Ad tertium dicendum quod verbum illud apostoli est intelligendum de illis qui absolute
castitatem vovent. Quod quidem mater Dei non fecit antequam Ioseph desponsaretur.
Sed post desponsationem, ex communi voluntate, simul cum sponso suo votum virginitatis
emisit. (IIIa q. 28 a. 4 ad 3)
3 — Dit woord van de Apostel moet men laten slaan op hen, die onvoorwaardelijk zuiverheid
beloven. Dit echter deed de Moeder Gods niet, voordat zij met Joseph verloofd was.
Doch na haar verloving heeft zij tegelijk met haar bruidegom, met elkaars goedvinden,
de gelofte van zuiverheid afgelegd.