QuaestioArticulus

Tertia Pars. Quaestio 75.
Over de verandering van het brood en de wijn in het Lichaam en Bloed van Christus .

Prooemium

Deinde considerandum est de conversione panis et vini in corpus et sanguinem Christi. Et circa hoc quaeruntur octo. Primo, utrum substantia panis et vini remaneat in hoc sacramento post consecrationem. Secundo, utrum annihiletur. Tertio, utrum convertatur in corpus et sanguinem Christi. Quarto, utrum remaneant ibi accidentia post conversionem. Quinto, utrum remaneat ibi forma substantialis. Sexto, utrum conversio ista fiat subito. Septimo, utrum sit miraculosior omni alia mutatione. Octavo, quibus verbis convenienter exprimi possit. (IIIa q. 75 pr.)

Nu moeten we gaan handelen over de verandering van het brood en de wijn in het Lichaam en Bloed van Christus. Hieromtrent stellen wij acht vragen: 1. Is in dit Sacrament het Lichaam van Christus in werkelijkheid tegenwoordig? 2. Blijft in dit Sacrament na de consecratie de zelfstandigheid van het brood en de wijn? 3. Wordt na de consecratie van dit Sacrament de zelfstandigheid van het brood vernietigd of in de oorspronkelijke stof opgelost? 4. Kan het brood veranderen in het Lichaam van Christus? 5. Blijven in dit Sacrament de bijkomstigheden van het brood en de wijn? 6. Blijft de zelfstandigheidsvorm van het brood? 7. Gebeurt deze verandering in één ogenblik? 8. Is deze zin juist: Uit het brood wordt het Lichaam van Christus?

Articulus 1.
Is in dit Sacrament het Lichaam van Christus in werkelijkheid tegenwoordig of alleen maar in afbeelding of teken?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod in hoc sacramento non sit corpus Christi secundum veritatem, sed solum secundum figuram, vel sicut in signo. Dicitur enim Ioan. VI quod, cum dominus dixisset, nisi manducaveritis carnem filii hominis et biberitis eius sanguinem, etc., multi ex discipulis eius audientes dixerunt, durus est hic sermo, quibus ipse, spiritus est qui vivificat, caro non prodest quidquam. Quasi dicat, secundum expositionem Augustini, super quartum Psalmum, spiritualiter intellige quae locutus sum. Non hoc corpus quod videtis manducaturi estis, et bibituri illum sanguinem quem fusuri sunt qui me crucifigent. Sacramentum aliquod vobis commendavi. Spiritualiter intellectum vivificabit vos, caro autem non prodest quidquam. (IIIa q. 75 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat in dit Sacrament het Lichaam van Christus niet in werkelijkheid tegenwoordig is maar alleen in afbeelding of teken. Bij Joannes (6, 54, 61, 64) leest men immers, dat, toen de Heer gezegd had: «Tenzij gij het Vlees van de Zoon des mensen eet en Zijn Bloed drinkt», enz. «velen van Zijn leerlingen, dit horende, zeiden: Dit woord is hard», waarop Hij tot hen: «De Geest is het die levend maakt, het Vlees dient tot niets». Als zeide hij, volgens de uitleg van Augustinus: «Versta geestelijk wat ik gesproken heb. Niet dit Lichaam, dat gij ziet, zult gij eten, noch zult gij drinken dat Bloed, dat door Mijn kruisigers zal worden vergoten. Ik heb u een Sakrament aanbevolen. Geestelijk begrepen zal dit u levend maken: het Vlees echter dient tot niets ».

Praeterea, dominus dicit, Matth. ult., ecce, ego vobiscum sum omnibus diebus usque ad consummationem saeculi, quod exponens Augustinus dicit, donec saeculum finiatur, sursum est dominus, sed tamen et hic nobiscum est veritas dominus. Corpus enim in quo resurrexit, uno in loco esse oportet, veritas autem eius ubique diffusa est. Non ergo secundum veritatem est corpus Christi in hoc sacramento, sed solum sicut in signo. (IIIa q. 75 a. 1 arg. 2)

2 — De Heer zegt bij Mattheus (28. 20): « Zie, Ik ben bij u alle dagen tot aan de voleinding der tijden », hetgeen door Augustinus aldus wordt uitgelegd: « Tot het eind der tijden is de Heer daarboven, hoewel toch ook hier de waarheid des Heren met ons is. Want het Lichaam, waarin Hij is verrezen, is noodzakelijk op één plaats, maar Zijn waarheid is overal verspreid ». Dus is het Lichaam des Heren niet in werkelijkheid in dit sacrament tegenwoordig, maar alleen in teken.

Praeterea, nullum corpus potest esse simul in pluribus locis, cum nec Angelo hoc conveniat, eadem enim ratione posset esse ubique. Sed corpus Christi est verum corpus, et est in caelo. Ergo videtur quod non sit secundum veritatem in sacramento altaris, sed solum sicut in signo. (IIIa q. 75 a. 1 arg. 3)

3 — Geen enkel lichaam kan tegelijk op meerdere plaatsen aanwezig zijn, daar dit zelfs aan een engel niet toekomt: op die manier zou het ook wel overal kunnen zijn. Welnu het Lichaam van Christus is een werkelijk lichaam en wel tegenwoordig in de hemel. Dus schijnt het niet in werkelijkheid in het Sacrament des Altaars tegenwoordig te zijn maar alleen in teken.

Praeterea, sacramenta Ecclesiae ad utilitatem fidelium ordinantur. Sed secundum Gregorium, in quadam homilia, regulus reprehenditur quia quaerebat corporalem Christi praesentiam. Apostoli etiam impediebantur recipere spiritum sanctum propter hoc quod affecti erant ad eius praesentiam corporalem, ut Augustinus dicit, super illud Ioan. XVI, si non abiero, Paraclitus non veniet ad vos. Non ergo Christus secundum praesentiam corporalem est in sacramento altaris. (IIIa q. 75 a. 1 arg. 4)

4 — De sacramenten van de Kerk zijn gericht op het nut van de gelovigen. Nu wordt, volgens Gregorius, de hoofdman berispt, omdat « hij de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus zocht ». Ook de Apostelen waren verhinderd de H. Geest te ontvangen door hun gehechtheid aan Zijn lichamelijke tegenwoordigheid, gelijk Augustinus zegt bij Joannes (16.7): « Als Ik niet wegga, zal de Trooster niet tot u komen ». Dus is Christus niet tegenwoordig in dit Sacrament met Zijn lichamelijke tegenwoordigheid.

Sed contra est quod Hilarius dicit, in VIII de Trin., de veritate carnis et sanguinis Christi non est relictus ambigendi locus. Nunc et ipsius domini professione, et fide nostra, caro eius vere est cibus et sanguis eius vere est potus. Et Ambrosius dicit, VI de sacramentis, sicut verus est Dei filius dominus Iesus Christus, ita vera Christi caro est quam accipimus, et verus sanguis eius est potus. (IIIa q. 75 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Hilarius zegt: « Over de werkelijkheid van Christus’ Vlees en Bloed is geen twijfel meer mogelijk. Nu immers is, en volgens ’s Heren verzekering en volgens ons geloof, Zijn Vlees waarlijk spijs en Zijn Bloed waarlijk drank ». Ambrosius zegt ook: « Zoals de Heer Jesus Christus de waarachtige Zoon van God is, zo is datgene, wat we ontvangen, ook het waarachtig Vlees van Christus en onze drank is Zijn waarachtig Bloed ».

Respondeo dicendum quod verum corpus Christi et sanguinem esse in hoc sacramento, non sensu deprehendi potest, sed sola fide, quae auctoritati divinae innititur. Unde super illud Luc. XXII, hoc est corpus meum quod pro vobis tradetur, dicit Cyrillus, non dubites an hoc verum sit, sed potius suscipe verba salvatoris in fide, cum enim sit veritas, non mentitur. Hoc autem conveniens est, primo quidem, perfectioni novae legis. Sacrificia enim veteris legis illud verum sacrificium passionis Christi continebant solum in figura, secundum illud Heb. X, umbram habens lex futurorum bonorum, non ipsam rerum imaginem. Et ideo oportuit ut aliquid plus haberet sacrificium novae legis a Christo institutum, ut scilicet contineret ipsum passum, non solum in significatione vel figura, sed etiam in rei veritate. Et ideo hoc sacramentum, quod ipsum Christum realiter continet, ut Dionysius dicit, III cap. Eccles. Hierar., est perfectivum omnium sacramentorum aliorum, in quibus virtus Christi participatur. Secundo, hoc competit caritati Christi, ex qua pro salute nostra corpus verum nostrae naturae assumpsit. Et quia maxime proprium amicitiae est, convivere amicis, ut philosophus dicit, IX Ethic., sui praesentiam corporalem nobis repromittit in praemium, Matth. XXIV, ubi fuerit corpus, illuc congregabuntur et aquilae. Interim tamen nec sua praesentia corporali in hac peregrinatione destituit, sed per veritatem corporis et sanguinis sui nos sibi coniungit in hoc sacramento. Unde ipse dicit, Ioan. VI, qui manducat meam carnem et bibit meum sanguinem, in me manet et ego in eo. Unde hoc sacramentum est maximae caritatis signum, et nostrae spei sublevamentum, ex tam familiari coniunctione Christi ad nos. Tertio, hoc competit perfectioni fidei, quae, sicut est de divinitate Christi, ita est de eius humanitate, secundum illud Ioan. XIV, creditis in Deum, et in me credite. Et quia fides est invisibilium, sicut divinitatem suam nobis exhibet Christus invisibiliter, ita et in hoc sacramento carnem suam nobis exhibet invisibili modo. Quae quidam non attendentes, posuerunt corpus et sanguinem Christi non esse in hoc sacramento nisi sicut in signo. Quod est tanquam haereticum abiiciendum, utpote verbis Christi contrarium. Unde et Berengarius, qui primus inventor huius erroris fuerat, postea coactus est suum errorem revocare, et veritatem fidei confiteri. (IIIa q. 75 a. 1 co.)

Dat het waarachtig Lichaam en Bloed van Christus in dit Sacrament tegenwoordig is, kan men niet met de zintuigen achterhalen maar alleen door het geloof, dat steunt op Gods gezag. Bij Lucas (22.19): « Dit is Mijn Lichaam, dat voor u zal worden overgeleverd », zegt Cyrillus dan ook: « Twijfel er niet aan, of dit wel waar is, maar neem liever de woorden van de Verlosser in geloof aan: want, daar Hij de Waarheid is, liegt Hij niet ». Die werkelijke tegenwoordigheid past vooreerst bij de volmaaktheid van de Nieuwe Wet. De offers toch van de Oude Wet bevatten het waarachtig Offer van Christus' lijden alleen maar in afbeelding, volgens het woord van de Brief aan de Hebreën (10. 1): « De Wet is de afschaduwing van de toekomstige goederen, niet de werkelijkheid zelf van de dingen ». Daarom moest het door Christus ingestelde Offer van de Nieuwe Wet iets méér hebben: het moest namelijk de Christus, die voor ons geleden heeft, in werkelijkheid bevatten, niet alleen in teken of afbeelding. Dientengevolge is dit Sacrament, dat Christus Zelf naar werkelijkheid bevat, zoals Dionysius zegt, « de voltooiing van al de andere sacramenten », die slechts een mededeling van Christus' kracht in zich dragen. Ten tweede komt zij overeen met de liefde van Christus, die Hem voor ons heil een waarachtig Lichaam van onze natuur heeft doen aannemen. En omdat het nu het meest eigen is aan de vriendschap om « samen te leven met zijn vrienden » zoals de Wijsgeer zegt, belooft Hij ons Zijn lichamelijke tegenwoordigheid als beloning: « Waar het Lichaam zal zijn, daar zullen ook de arenden zich verzamelen ». (Matth. 24. 28). In de tussentijd echter berooft Hij ons niet van Zijn lichamelijke tegenwoordigheid in deze ballingschap, maar verbindt Hij ons aan Zich in dit Sacrament door de waarachtigheid van Zijn Lichaam en Bloed. Daarom zegt Hij zelf: « Wie Mijn Vlees eet en Mijn Bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem ». (Joan. 6. 57). Zodat dit Sacrament een teken is van overgrote liefde en een opwekking van onze hoop, wegens een zo innige vereniging van Christus met ons. Ten derde komt zij overeen met de volmaaktheid van het geloof, dat zich over de Godheid maar ook over de mensheid van Christus uitstrekt, volgens Joannes (14, 1): « Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij ». Daar nu het geloof over onzichtbare zaken gaat, geeft Christus, die ons Zijn Godheid onzichtbaar voorhoudt, ons ook in dit Sacrament Zijn Vlees op onzichtbare wijze. Geen aandacht slaande op deze punten hebben sommigen beweerd dat het Lichaam en Bloed van Christus niet in dit Sacrament aanwezig is tenzij in teken. Hetgeen als ketters verworpen dient te worden, zijnde in strijd met de woorden van Christus. Daarom heeft men ook de eerste uitvinder van deze dwaling, Berengarius, gedwongen zijn dwaling te herroepen en de door het geloof geleerde waarheid te belijden.

Ad primum ergo dicendum quod ex hac auctoritate praedicti haeretici occasionem errandi sumpserunt, male verba Augustini intelligentes. Cum enim Augustinus dicit, non hoc corpus quod videtis manducaturi estis, non intendit excludere veritatem corporis Christi, sed quod non erat manducandum in hac specie in qua ab eis videbatur. Per hoc autem quod subdit, sacramentum vobis aliquod commendavi, spiritualiter intellectum vivificabit vos, non intendit quod corpus Christi sit in hoc sacramento solum secundum mysticam significationem, sed spiritualiter dici, idest, invisibiliter et per virtutem spiritus. Unde, super Ioan., exponens illud quod dicitur, caro non prodest quidquam, dicit, sed, quo modo illi intellexerunt. Carnem quippe sic intellexerunt manducandam, quo modo in cadavere dilaniatur aut in macello venditur, non quo modo spiritu vegetatur. Accedat spiritus ad carnem, et prodest plurimum, nam, si caro nihil prodesset, verbum caro non fieret, ut habitaret in nobis. (IIIa q. 75 a. 1 ad 1)

1 — In deze uitspraak hebben genoemde ketters een aanleiding voor hun dwaling gevonden, door een verkeerd begrijpen van Augustinus' woorden. Immers, als Augustinus zegt: « Niet dit Lichaam, dat gij ziet, zult gij eten », bedoelt hij niet de waarachtigheid van het Lichaam van Christus uit te sluiten, maar alleen het eten ervan onder de gedaante, waarin Hij door hen gezien werd. En als hij er aan toevoegt: « Ik heb u een sacrament aanbevolen, geestelijk begrepen zal het u levend maken », bedoelt hij niet dat het Lichaam van Christus in dit sacrament alleen in mystieke zin aanwezig is, neen, hij zegt « geestelijk » d. i. onzichtbaar en door de kracht van de Geest. Vandaar dat hij in zijn uitleg van het gezegde: « Het Vlees dient tot niets » schrijft: « Nl. op de wijze, waarop zij de zaak verstonden. Zij verstonden immers, dat men het Vlees moet eten, zoals vlees van een dood lichaam wordt afgescheurd of in de slagerij wordt verkocht, niet zoals het levend gemaakt wordt door de Geest. Komt de Geest bij het Vlees, dan dient het tot allerhand: want als het Vlees tot niets zou dienen, dan zou het Woord geen Vlees worden om onder ons te wonen ».

Ad secundum dicendum quod verbum illud Augustini, et omnia similia, sunt intelligenda de corpore Christi secundum quod videtur in propria specie, secundum quod etiam ipse dominus dixit, Matth. XXVI, me autem non semper habebitis. Invisibiliter tamen sub speciebus huius sacramenti est ubicumque hoc sacramentum perficitur. (IIIa q. 75 a. 1 ad 2)

2 — Dat woord van Augustinus en al dergelijke woorden zijn te verstaan van het Lichaam van Christus, zoals het in eigen gedaante wordt gezien, in dezelfde zin, waarin de Heer zelf zegt: «Mij zult gij niet altijd bij u hebben». (Matth. 26. 11). Maar onzichtbaar onder de gedaanten van dit Sacrament is Hij overal waar dit Sacrament wordt voltrokken.

Ad tertium dicendum quod corpus Christi non est eo modo in sacramento sicut corpus in loco, quod suis dimensionibus loco commensuratur, sed quodam speciali modo, qui est proprius huic sacramento. Unde dicimus quod corpus Christi est in diversis altaribus, non sicut in diversis locis, sed sicut in sacramento. Per quod non intelligimus quod Christus sit ibi solum sicut in signo, licet sacramentum sit in genere signi, sed intelligimus corpus Christi esse ibi, sicut dictum est, secundum modum proprium huic sacramento. (IIIa q. 75 a. 1 ad 3)

3 — Het Lichaam van Christus is niet op dezelfde wijze in het Sacrament als een lichaam, dat door zijn afmetingen aan een plaats is aangepast, in een plaats is, maar op een bijzondere wijze, die eigen is aan dat Sacrament. Daarom zeggen wij, dat het Lichaam van Christus op verschillende altaren is, niet als op verschillende plaatsen, maar als «in Sacrament». Daaronder verstaan wij niet, dat het Lichaam van Christus daar alleen maar is als in teken, hoewel de sacramenten tot het geslacht van het teken behoren, maar dat het Lichaam van Christus daar is, gelijk we zeiden, volgens de eigen wijze van dit Sacrament.

Ad quartum dicendum quod ratio illa procedit de praesentia corporis Christi prout est praesens per modum corporis, idest prout est in sua specie visibili, non autem prout spiritualiter, idest invisibiliter, modo et virtute spiritus. Unde Augustinus dicit, super Ioan., si intellexisti spiritualiter verba Christi de carne sua, spiritus et vita tibi sunt, si intellexisti carnaliter, etiam spiritus et vita sunt, sed tibi non sunt. (IIIa q. 75 a. 1 ad 4)

4 — Deze redenering betrekt zich op de tegenwoordigheid van het Lichaam van Christus als tegenwoordig op lichaamswijze, d.w.z. als in de eigen zichtbare gedaante, niet als geestelijk tegenwoordig, d.w.z. onzichtbaar, op geesteswijze en door de kracht van de Geest. Daarom zegt Augustinus: «Als gij» de woorden van Christus over Zijn Vlees «geestelijk verstaat, zijn zij u Geest en Leven; verstaat gij ze vleselijk, dan zijn ze ook Geest en Leven, maar niet voor u».

Articulus 2.
Blijft in dit Sacrament na de consecratie de zelfstandigheid van het brood en den wijn?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod in hoc sacramento remaneat substantia panis et vini post consecrationem. Dicit enim Damascenus, in libro IV, quia consuetudo est hominibus comedere panem et vinum, coniugavit eis deitatem, et fecit ea corpus et sanguinem suum. Et infra, panis communicationis non panis simplex est, sed unitus deitati. Sed coniugatio est rerum actu existentium. Ergo panis et vinum simul sunt in hoc sacramento cum corpore et sanguine Christi. (IIIa q. 75 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat in dit Sacrament na de consecratie de zelfstandigheid van het brood en de wijn blijft. Damascenus zegt immers: «Omdat het de mensen gewoonte is brood en wijn te eten, heeft Hij daaraan de Godheid verbonden, ze makend tot Zijn Lichaam en Bloed». En verderop: «Het brood der communie is niet brood zonder méér, maar brood verenigd met de Godheid». Nu is een verbinding iets, dat geschiedt tussen daadwerkelijk bestaande dingen. Dus zijn het brood en de wijn in dit Sacrament te zamen met het Lichaam en Bloed van Christus.

Praeterea, inter Ecclesiae sacramenta debet esse conformitas. Sed in aliis sacramentis substantia materiae manet, sicut in Baptismo substantia aquae, et in confirmatione substantia chrismatis. Ergo et in hoc sacramento substantia panis et vini manet. (IIIa q. 75 a. 2 arg. 2)

2 — De sacramenten van de Kerk moeten onderling overeenstemmen. Welnu, in de andere sacramenten blijft de zelfstandigheid van de stof, zoals in het doopsel de zelfstandigheid van het water en in het vormsel de zelfstandigheid van de balsem. Dus blijft ook in dit Sacrament de zelfstandigheid van het brood en de wijn.

Praeterea, panis et vinum assumitur in hoc sacramento inquantum significat ecclesiasticam unitatem, prout unus panis fit ex multis granis, et unum vinum ex multis racemis, ut Augustinus dicit, in libro de symbolo. Sed hoc pertinet ad ipsam substantiam panis et vini. Ergo substantia panis et vini remanet in hoc sacramento. (IIIa q. 75 a. 2 arg. 3)

3 — Men gebruikt voor dit Sacrament brood en wijn om de kerkelijke eenheid te beduiden, inzover: «het ééne brood uit vele graankorrels en de ééne wijn uit vele druiven ontstaat», zoals Augustinus zegt. Welnu, dat komt toe aan de zelfstandigheid zelf van het brood en de wijn. Dus blijft de zelfstandigheid van het brood en de wijn in dit Sacrament.

Sed contra est quod Ambrosius dicit, in libro de sacramentis, licet figura panis et vini videatur, nihil tamen aliud quam caro Christi et sanguis post consecrationem credenda sunt. (IIIa q. 75 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Ambrosius zegt: «Hoewel men de gedaante van brood en wijn ziet, moet men toch geloven, dat er na de consecratie niets is dan het Vlees en het Bloed van Christus».

Respondeo dicendum quod quidam posuerunt post consecrationem substantiam panis et vini in hoc sacramento remanere. Sed haec positio stare non potest. Primo quidem, quia per hanc positionem tollitur veritas huius sacramenti, ad quam pertinet ut verum corpus Christi in hoc sacramento existat. Quod quidem ibi non est ante consecrationem. Non autem aliquid potest esse alicubi ubi prius non erat, nisi per loci mutationem, vel per alterius conversionem in ipsum, sicut in domo aliqua de novo incipit esse ignis aut quod illuc defertur, aut quod ibi generatur. Manifestum est autem quod corpus Christi non incipit esse in hoc sacramento per motum localem. Primo quidem, quia sequeretur quod desineret esse in caelo, non enim quod localiter movetur, pervenit de novo ad aliquem locum, nisi deserat priorem. Secundo, quia omne corpus localiter motum pertransit omnia media, quod hic dici non potest. Tertio, quia impossibile est quod unus motus eiusdem corporis localiter moti terminetur simul ad diversa loca, cum tamen in pluribus locis corpus Christi sub hoc sacramento simul esse incipiat. Et propter hoc relinquitur quod non possit aliter corpus Christi incipere esse de novo in hoc sacramento nisi per conversionem substantiae panis in ipsum. Quod autem convertitur in aliquid, facta conversione, non manet. Unde relinquitur quod, salva veritate huius sacramenti, substantia panis post consecrationem remanere non possit. Secundo, quia haec positio contrariatur formae huius sacramenti, in qua dicitur, hoc est corpus meum. Quod non esset verum si substantia panis ibi remaneret, nunquam enim substantia panis est corpus Christi. Sed potius esset dicendum, hic est corpus meum. Tertio, quia contrariaretur venerationi huius sacramenti, si aliqua substantia esset ibi quae non posset adorari adoratione latriae. Quarto, quia contrariaretur ritui Ecclesiae, secundum quem post corporalem cibum non licet sumere corpus Christi, cum tamen post unam hostiam consecratam liceat sumere aliam. Unde haec positio vitanda est tanquam haeretica. (IIIa q. 75 a. 2 co.)

Sommigen hebben beweerd, dat in dit Sacrament na de consecratie de zelfstandigheid van het brood en de wijn blijft. Doch deze bewering kan geen stand houden. En wel vooreerst, omdat door haar te niet wordt gedaan de waarachtigheid van dit Sacrament, welke inhoudt dat het waarachtig Lichaam van Christus in dit Sacrament aanwezig is. Dit Lichaam is er nl. niet vóór de consecratie. Nu kan iets niet ergens aanwezig zijn, waar het eerst niet was, tenzij door plaatsverwisseling of door verandering van een ander ding in dat iets, zoals in een huis, waar geen vuur was, vuur begint te zijn of wel door dat het daarheen wordt gebracht ofwel door dat het daar wordt verwekt. Het is evenwel duidelijk, dat het Lichaam van Christus niet begint te zijn in dit Sacrament door plaatselijke beweging. Ten eerste, omdat het dan op zou houden in de hemel te zijn: immers wat zich plaatselijk voortbeweegt komt pas in een nieuwe plaats door de oude te verlaten. Ten tweede, omdat een plaatselijk zich voortbewegend lichaam altijd alle tussenliggende plaatsen doorloopt, hetgeen hier niet gezegd kan worden. Ten derde, omdat één beweging van een zich plaatselijk voortbewegend lichaam onmogelijk terzelfdertijd op meerdere plaatsen kan eindigen, terwijl het Lichaam van Christus toch tegelijk op meerdere plaatsen in dit Sacrament aanwezig begint te zijn. En daarom schiet over, dat het Lichaam van Christus op geen andere wijze in dit Sacrament aanwezig kan komen dan doordat de zelfstandigheid van het brood erin verandert. Wat nu in iets verandert, is er niet meer na de verandering. We houden dus over, dat, bij handhaving van de waarachtigheid van dit Sacrament, de zelfstandigheid van het brood na de consecratie niet kan blijven. De tweede reden is, dat deze bewering in strijd is met de vorm van het Sacrament, waarin gezegd wordt: «Dit is Mijn Lichaam», hetgeen niet waar zou zijn, als de zelfstandigheid van het brood er zou blijven: nooit toch is de zelfstandigheid van het brood het Lichaam van Christus. Veeleer zou men dan moeten zeggen: «Hier is Mijn Lichaam». De derde reden is, dat het in strijd zou zijn met de aan dit Sacrament bewezen vereering, indien er een zelfstandigheid aanwezig was, die geen goddelijke eer kon ontvangen. De vierde reden is, dat het zou strijden met de ritus van de Kerk, volgens welke het niet geoorloofd is na lichamelijke spijs nog het Lichaam van Christus te nuttigen, terwijl het toch wel geoorloofd is na één geconsecreerde hostie nog een andere te nuttigen. Derhalve is deze bewering als kettersch te vermijden.

Ad primum ergo dicendum quod Deus coniugavit divinitatem suam, idest divinam virtutem, pani et vino, non ut remaneant in hoc sacramento, sed ut faciat inde corpus et sanguinem suum. (IIIa q. 75 a. 2 ad 1)

1 — God heeft Zijn Godheid, d.i. Zijn goddelijke kracht, verbonden aan het brood en de wijn, niet om ze te laten blijven in dit Sacrament, maar om er Zijn Lichaam en Bloed van te maken.

Ad secundum dicendum quod in aliis sacramentis non est ipse Christus realiter, sicut in hoc sacramento. Et ideo in sacramentis aliis manet substantia materiae, non autem in isto. (IIIa q. 75 a. 2 ad 2)

2 — In de andere sacramenten is niet Christus Zelf werkelijk tegenwoordig zoals in dit Sacrament. Daarom blijft in de andere sacramenten de zelfstandigheid van de stof, maar in dit Sacrament niet.

Ad tertium dicendum quod species quae remanent in hoc sacramento, ut infra dicetur, sufficiunt ad significationem huius sacramenti, nam per accidentia cognoscitur ratio substantiae. (IIIa q. 75 a. 2 ad 3)

3 — De gedaanten, die, zoals later gezegd zal worden (deze Kw. 5° Art.), in dit Sacrament blijven, volstaan voor de betekenis van dit Sacrament: door de bijkomstigheden immers kent men de aard van de zelfstandigheid.

Articulus 3.
Wordt na de consecratie van dit Sacrament de zelfstandigheid van het brood vernietigd of in de oorspronkelijke stof opgelost?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod substantia panis, post consecrationem huius sacramenti, annihiletur, aut in pristinam materiam resolvatur. Quod enim est aliquid corporale, oportet alicubi esse. Sed substantia panis, quae est quiddam corporale, non manet in hoc sacramento, ut dictum est, nec etiam est dare aliquem locum ubi sit. Ergo non est aliquid post consecrationem. Igitur aut est annihilata, aut in praeiacentem materiam resoluta. (IIIa q. 75 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat na de consecratie van dit Sacrament de zelfstandigheid van het brood wordt vernietigd of in de oorspronkelijke stof opgelost. Iets stoffelijks moet immers ergens zijn. Welnu, de zelfstandigheid van het brood, die iets stoffelijks is, blijft niet in dit Sacrament, gelijk gezegd is (vorig artikel), terwijl men ook niet een of andere plaats aan kan wijzen, waar ze zou zijn. Na de consecratie is zij dus niet iets. Derhalve is zij ófwel vernietigd ófwel in de oorspronkelijke stof opgelost.

Praeterea, illud quod est terminus a quo in qualibet mutatione, non remanet, nisi forte in potentia materiae, sicut, quando ex aere fit ignis, forma aeris non manet nisi in potentia materiae; et similiter quando ex albo fit nigrum. Sed in hoc sacramento substantia panis et vini se habet sicut terminus a quo corpus autem vel sanguis Christi sicut terminus ad quem, dicit enim Ambrosius, in libro de officiis, ante benedictionem alia species nominatur, post benedictionem corpus significatur. Ergo, facta consecratione, substantia panis vel vini non manet, nisi forte resoluta in suam materiam. (IIIa q. 75 a. 3 arg. 2)

2 — Wat uitgangspunt in een verandering is, blijft niet over tenzij misschien in het vermogen van de stof, zoals wanneer uit lucht vuur wordt, de vorm van de lucht hoogstens overblijft in het vermogen van de stof en insgelijks, wanneer uit wit zwart ontstaat. Nu verhoudt zich in dit Sacrament de zelfstandigheid van het brood en de wijn als uitgangspunt, het Lichaam en Bloed van Christus daarentegen als eindpunt; want Ambrosius zegt: «Vóór de zegening spreekt men van een andere soort, nà de zegening wordt het Lichaam beduid». Dus blijft na de consecratie de zelfstandigheid van het brood en de wijn niet over, tenzij misschien opgelost in haar stof.

Praeterea, oportet alterum contradictoriorum esse verum. Sed haec est falsa, facta consecratione, substantia panis vel vini est aliquid. Ergo haec est vera, substantia panis vel vini est nihil. (IIIa q. 75 a. 3 arg. 3)

3 — Van twee als ja en neen tegenovergestelde zinnen moet er één waar zijn. Welnu, deze is vals: na de consecratie is de zelfstandigheid van het brood en de wijn iets. Dus is deze waar: de zelfstandigheid van het brood en de wijn is niets.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in libro octogintatrium quaestionum, Deus non est causa tendendi in non esse. Sed hoc sacramentum divina virtute perficitur. Ergo in hoc sacramento non annihilatur substantia panis aut vini. (IIIa q. 75 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt: « God is geen oorzaak van in het niet verdwijnen ». Welnu, dit sacrament komt door goddelijke kracht tot stand. Dus wordt in dit sacrament de zelfstandigheid van het brood en de wijn niet vernietigd.

Respondeo dicendum quod, quia substantia panis vel vini non manet in hoc sacramento, quidam, impossibile reputantes quod substantia panis vel vini in corpus vel sanguinem Christi convertatur, posuerunt quod per consecrationem substantia panis vel vini vel resolvitur in praeiacentem materiam, vel quod annihiletur. Praeiacens autem materia in quam corpora mixta resolvi possunt, sunt quatuor elementa, non enim potest fieri resolutio in materiam primam, ita quod sine forma existat, quia materia sine forma esse non potest. Cum autem post consecrationem nihil sub speciebus sacramenti remaneat nisi corpus et sanguis, oportebit dicere quod elementa in quae resoluta est substantia panis et vini, inde discedant per motum localem. Quod sensu perciperetur. Similiter etiam substantia panis vel vini manet usque ad ultimum instans consecrationis. In ultimo autem instanti consecrationis iam est ibi substantia vel corporis vel sanguinis Christi, sicut in ultimo instanti generationis iam inest forma. Unde non erit dare aliquod instans in quo sit ibi praeiacens materia. Non enim potest dici quod paulatim substantia panis vel vini resolvatur in praeiacentem materiam, vel successive egrediatur de loco specierum. Quia, si hoc inciperet fieri in ultimo instanti suae consecrationis, simul sub aliqua parte hostiae esset corpus Christi cum substantia panis, quod est contra praedicta. Si vero incipiat fieri ante consecrationem, erit dare aliquod tempus in quo sub aliqua parte hostiae neque erit substantia panis, neque erit corpus Christi, quod est inconveniens. Et hoc ipsimet perpendisse videntur. Unde posuerunt aliud sub disiunctione, scilicet quod annihiletur. Sed nec hoc potest esse. Quia non erit dare aliquem modum quo corpus Christi verum incipiat esse in hoc sacramento, nisi per conversionem substantiae panis in ipsum, quae quidem conversio tollitur, posita vel annihilatione panis, vel resolutione in praeiacentem materiam. Similiter etiam non est dare unde talis resolutio vel annihilatio in hoc sacramento causetur, cum effectus sacramenti significetur per formam; neutrum autem horum significatur per haec verba formae, hoc est corpus meum. Unde patet praedictam positionem esse falsam. (IIIa q. 75 a. 3 co.)

Daar de zelfstandigheid van het brood en de wijn in dit Sacrament niet blijft, hebben sommigen, het voor onmogelijk houdend, dat de zelfstandigheid van het brood en de wijn verandert in het Lichaam en Bloed van Christus, beweerd, dat genoemde zelfstandigheid door de consecratie in de oorspronkelijke stof wordt opgelost ofwel wordt vernietigd. De oorspronkelijke stof, waarin samengestelde lichamen kunnen worden opgelost, zijn de vier elementen: er kan immers geen sprake zijn van een oplossing in de oerstof, zóó dat deze zonder vorm zou bestaan, want de stof kan niet zonder vorm. Daar evenwel na de consecratie onder de gedaanten van het Sacrament niets aanwezig is dan het Lichaam en Bloed, zou men moeten zeggen, dat de elementen, waarin de zelfstandigheid van het brood en de wijn zijn opgelost, zich plaatselijk verwijderen. Hetgeen zintuigelijk zou worden opgemerkt. Bovendien blijft de zelfstandigheid van het brood en de wijn tot het laatste ogenblik van de consecratie. Op het laatste ogenblik van de consecratie echter is er reeds de zelfstandigheid van het Lichaam of van het Bloed van Christus, zoals op het laatste ogenblik van een voortbrengingsproces de vorm reeds aanwezig is. Dus kan men geen ogenblik aanwijzen, waarin de oorspronkelijke stof aanwezig zou zijn. Het gaat immers niet aan te zeggen, dat de zelfstandigheid van het brood en de wijn langzamerhand in de oorspronkelijke stof wordt opgelost of geleidelijk zich van de plaats der gedachten verwijdert. Want als dit begon te gebeuren op het laatste ogenblik van de consecratie, dan zou onder een of ander deel van de hostie noch de zelfstandigheid van het brood noch het Lichaam van Christus aanwezig zijn, hetgeen onaannemelijk is. Dit schijnen zij zelf overwogen te hebben. En daarom hebben zij in hun bewering ruimte gelaten voor iets anders nl. voor de vernietiging. Maar ook dit is uitgesloten. Want men kan geen enkele manier aanwijzen, waarop het waarachtig Lichaam van Christus in dit Sacrament aanwezig komt, buiten de verandering van de zelfstandigheid van het brood in het Lichaam van Christus: deze verandering echter heeft niet plaats in geval, dat het brood wordt vernietigd of in de oorspronkelijke stof wordt opgelost. Ook kan men niet aanwijzen, wat de oorzaak zou zijn van een dergelijke oplossing of vernietiging: het uitwerksel toch van het Sacrament wordt betekend door de vorm; maar geen van beide wordt betekend door deze woorden van de vorm: «Dit is mijn Lichaam». Dus blijkt de aangegeven bewering vals te zijn.

Ad primum ergo dicendum quod substantia panis vel vini, facta consecratione, neque sub speciebus sacramenti manet, neque alibi. Non tamen sequitur quod annihiletur, convertitur enim in corpus Christi. Sicut non sequitur, si aer ex quo generatus est ignis, non sit ibi vel alibi, quod sit annihilatus. (IIIa q. 75 a. 3 ad 1)

1 — Na de consecratie blijft de zelfstandigheid van het brood of de wijn niet onder de gedaanten van het sacrament noch ergens anders. Daaruit volgt evenwel niet, dat zij wordt vernietigd: zij wordt immers veranderd in het Lichaam van Christus. Vergelijk dat ook niet volgt: de lucht, waaruit vuur is ontstaan, is noch hier noch daar, dus is zij vernietigd.

Ad secundum dicendum quod forma quae est terminus a quo, non convertitur in aliam formam, sed una forma succedit alteri in subiecto, et ideo prima forma non remanet nisi in potentia materiae. Sed hic substantia panis convertitur in corpus Christi, ut supra dictum est. Unde ratio non sequitur. (IIIa q. 75 a. 3 ad 2)

2 — De vorm, die uitgangspunt is, verandert niet in een andere vorm, nee, de ene vorm volgt de andere in het subject op: het is om die reden, dat de eerste vorm slechts overblijft in het vermogen van de stof. Maar hier verandert de zelfstandigheid van het brood in het Lichaam van Christus, zoals boven gezegd is. (in de Leerst.; vorig Art.). Dus gaat de redenering niet op.

Ad tertium dicendum quod, licet post consecrationem haec sit falsa substantia panis est aliquid; id tamen in quod substantia panis conversa est, est aliquid. Et ideo substantia panis non est annihilata. (IIIa q. 75 a. 3 ad 3)

3 — We geven toe, dat na de consecratie deze zin vals is: de zelfstandigheid van het brood is iets. Maar datgene, waarin de zelfstandigheid van het brood veranderd is, is iets. En dus is de zelfstandigheid van het brood niet vernietigd.

Articulus 4.
Kan het brood veranderen in het Lichaam van Christus?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod panis non possit converti in corpus Christi. Conversio enim quaedam mutatio est. Sed in omni mutatione oportet esse aliquod subiectum, quod prius est in potentia et postea est in actu, ut enim dicitur in III Physic., motus est actus existentis in potentia. Non est autem dare aliquod subiectum substantiae panis et corporis Christi, quia de ratione substantiae est quod non sit in subiecto, ut dicitur in praedicamentis. Non ergo potest esse quod tota substantia panis convertatur in corpus Christi. (IIIa q. 75 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het brood niet kan veranderen in het Lichaam van Christus. Bij elke verandering immers moet er een subject zijn, dat eerst in vermogen is en later in akt: in de Physica wordt immers gezegd: «Beweging is de akt van iets, dat in vermogen is.» Men kan evenwel geen enkel subject aanwijzen voor de zelfstandigheid van het brood en het Lichaam van Christus: want het hoort tot het wezen van een zelfstandigheid, dat zij «niet in een subject is», zoals in de Praedicamenta wordt gezegd. Dus kan het niet zijn, dat de gehele zelfstandigheid van het brood verandert in het Lichaam van Christus.

Praeterea, forma illius in quod aliquid convertitur, de novo incipit esse in materia eius quod in ipsum convertitur, sicut, cum aer convertitur in ignem prius non existentem, forma ignis incipit de novo esse in materia aeris; et similiter, cum cibus convertitur in hominem prius non existentem, forma hominis incipit esse de novo in materia cibi. Si ergo panis convertitur in corpus Christi, necesse est quod forma corporis Christi de novo incipiat esse in materia panis, quod est falsum. Non ergo panis convertitur in substantiam corporis Christi. (IIIa q. 75 a. 4 arg. 2)

2 — De vorm van datgene, waarin iets verandert, begint te zijn in de stof van datgene, wat daarin verandert: wanneer lucht verandert in vuur, dat eerst niet bestond, begint de vorm van vuur in de stof van de lucht te zijn en wanneer voedsel verandert in een eerst niet bestaande mens, begint de vorm van de mens in de stof van het voedsel te zijn. Als dus het brood verandert in het Lichaam van Christus moet de vorm van het Lichaam van Christus in de stof van het brood komen — hetgeen vals is. Dus verandert het brood niet in het Lichaam van Christus.

Praeterea, quae sunt secundum se divisa, nunquam unum eorum fit alterum, sicut albedo nunquam fit nigredo, sed subiectum albedinis fit subiectum nigredinis, ut dicitur in I Physic. Sed, sicut duae formae contrariae sunt secundum se divisae, utpote principia formalis differentiae existentes; ita duae materiae signatae sunt secundum se divisae, utpote existentes principium materialis divisionis. Ergo non potest esse quod haec materia panis fiat haec materia qua individuatur corpus Christi. Et ita non potest esse quod substantia huius panis convertatur in substantiam corporis Christi. (IIIa q. 75 a. 4 arg. 3)

3 — Nooit verandert iets in datgene wat er op zich van verschilt: witheid wordt nooit zwartheid, maar het subject van witheid wordt subject van zwartheid, zoals gezegd wordt in de Physica. Zoals echter twee tegenovergestelde vormen op zich verschillen (als beginselen van het vormelijk verschil), zo zijn ook twee getekende stoffen op zich verschillend (als beginselen van de stoffelijke verdeling). Dus kan deze stof van het brood niet worden tot deze stof, waardoor het Lichaam van Christus wordt vereenigd. En dus kan de zelfstandigheid van dit brood niet veranderen in de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus.

Sed contra est quod Eusebius Emesenus dicit, novum tibi et impossibile esse non debet quod in Christi substantiam terrena et mortalia convertuntur. (IIIa q. 75 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Eusebius Emesenus zegt: « Het zij u niet ongehoord en onmogelijk, dat aardse en vergankelijke dingen in de zelfstandigheid van Christus veranderen ».

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, cum in hoc sacramento sit verum corpus Christi, nec incipiat ibi esse de novo per motum localem; cum etiam nec corpus Christi sit ibi sicut in loco, ut ex dictis patet, necesse est dicere quod ibi incipiat esse per conversionem substantiae panis in ipsum. Haec tamen conversio non est similis conversionibus naturalibus, sed est omnino supernaturalis, sola Dei virtute effecta. Unde Ambrosius dicit, in libro de sacramentis, liquet quod praeter naturae ordinem virgo generavit. Et hoc quod conficimus, corpus ex virgine est. Quid igitur quaeris naturae ordinem in Christi corpore, cum praeter naturam sit ipse dominus Iesus partus ex virgine? Et super illud Ioan. VI, verba quae ego locutus sum vobis, scilicet de hoc sacramento, spiritus et vita sunt, dicit Chrysostomus, idest, spiritualia sunt, nihil habentia carnale neque consequentiam naturalem, sed eruta sunt ab omni tali necessitate quae in terra, et a legibus quae hic positae sunt. Manifestum est enim quod omne agens agit inquantum est actu. Quodlibet autem agens creatum est determinatum in suo actu, cum sit determinati generis et speciei. Et ideo cuiuslibet agentis creati actio fertur super aliquem determinatum actum. Determinatio autem cuiuslibet rei in esse actuali est per eius formam. Unde nullum agens naturale vel creatum potest agere nisi ad immutationem formae. Et propter hoc omnis conversio quae fit secundum leges naturae, est formalis. Sed Deus est infinitus actus, ut in prima parte habitum est. Unde eius actio se extendit ad totam naturam entis. Non igitur solum potest perficere conversionem formalem, ut scilicet diversae formae sibi in eodem subiecto succedant, sed conversionem totius entis, ut scilicet tota substantia huius convertatur in totam substantiam illius. Et hoc agitur divina virtute in hoc sacramento. Nam tota substantia panis convertitur in totam substantiam corporis Christi, et tota substantia vini in totam substantiam sanguinis Christi. Unde haec conversio non est formalis, sed substantialis. Nec continetur inter species motus naturalis, sed proprio nomine potest dici transubstantiatio. (IIIa q. 75 a. 4 co.)

Overeenkomstig het boven gezegde (2e Art.), staat vast dat, aangezien in dit Sacrament aanwezig is het waarachtig Lichaam van Christus en dit niet aanwezig komt door plaatselijke beweging — daar het er ook niet aanwezig is als in een plaats, zoals uit het gezegde blijkt (1e Art. 3e Antw.) —, dit Lichaam er begint te zijn, doordat de zelfstandigheid van het brood erin verandert. Deze verandering evenwel is niet gelijk aan de veranderingen in de natuur: zij is geheel bovennatuurlijk, door Gods kracht alleen bewerkt. Daarom zegt Ambrosius: « Het is klaar, dat het baren van de Maagd geschiedde buiten de orde der natuur. Welnu wat wij consecreren is het Lichaam uit de Maagd. Wat zoekt gij dan de orde der natuur in Christus' Lichaam, terwijl juist buiten de natuur de Heer Jesus is gebaard door de Maagd? » En bij de tekst van Joannes (6. 64): « De woorden, die Ik tot u gesproken heb » nl. over dit Sacrament, « zijn Geest en Leven », zegt Chrysostomus: « D. w. z. zijn geestelijk, zij hebben niets vleselijks noch natuurlijke gevolgen, maar zijn uitgeheven boven alle noodzakelijkheid op aarde, boven de wetten hier gesteld ». Het is immers duidelijk, dat elke werkoorzaak werkt, voorzover zij in akt is. Nu is elke geschapen werkoorzaak in haar akt bepaald, daar zij tot een bepaald geslacht en soort behoort. Daarom betrekt zich de werking van een geschapen werkoorzaak altijd op een bepaalde akt. De bepaling echter van een ding in zijn actueel zijn is door zijn vorm. Dientengevolge kan geen enkele natuurlijke of geschapen werkoorzaak tot iets anders werken dan tot een verandering van vorm. Daarom is elke verandering naar de vorm. God echter is een oneindige akt, zoals in het Eerste Deel is uiteengezet (7e Kw. 1e Art.; 25e Kw. 2e Art.). En daarom strekt Zijn werking zich uit over de gehele natuur van het zijnde. Derhalve kan Hij niet alleen een verandering naar de vorm tot stand brengen, zóó dat in hetzelfde subject verschillende vormen elkaar opvolgen, maar ook een verandering van het hele zijnde, zóó dat de gehele zelfstandigheid van dit ding verandert in de gehele zelfstandigheid van dat ding. Dit nu gebeurt door Gods kracht in dit Sacrament. Want de gehele zelfstandigheid van het brood verandert in de gehele zelfstandigheid van het Lichaam van Christus en de gehele zelfstandigheid van de wijn in de gehele zelfstandigheid van het Bloed van Christus. Dus is deze verandering niet naar de vorm maar naar de zelfstandigheid. En zij valt niet onder de soorten van de natuurlijke verandering, maar kan met een eigen naam zelfstandigheidsverandering genoemd worden.

Ad primum ergo dicendum quod obiectio illa procedit de mutatione formali, quia formae proprium est in materia vel subiecto esse. Non autem habet locum in conversione totius substantiae. Unde, cum haec conversio substantialis importet quendam ordinem substantiarum quarum una convertitur in alteram, est sicut in subiecto in utraque substantia, sicut ordo et numerus. (IIIa q. 75 a. 4 ad 1)

1 — Deze opmerking gaat uit van de verandering naar de vorm: aan de vorm immers is het eigen in een stof of subject te zijn. Maar zij is niet van toepassing op de verandering van de gehele zelfstandigheid. Daar deze zelfstandigheidsverandering een zekere orde inhoudt van de zelfstandigheden, waarvan de ene in de andere verandert, vindt zij haar subject in beide zelfstandigheden, zoals orde en getal.

Ad secundum dicendum quod etiam illa obiectio procedit de conversione formali, seu mutatione, quia oportet, sicut dictum est, formam esse in materia vel subiecto. Non autem habet locum in conversione totius substantiae, cuius non est accipere aliquod subiectum. (IIIa q. 75 a. 4 ad 2)

2 — Ook deze opwerping gaat uit van de verandering naar de vorm, want, zoals gezegd is (1° Antw.), moet een vorm in een stof of subject zijn. Maar zij is niet van toepassing op de verandering van de gehele zelfstandigheid, waaraan men geen subject kan toekennen.

Ad tertium dicendum quod virtute agentis finiti non potest forma in formam mutari, nec materia in materiam. Sed virtute agentis infiniti, quod habet actionem in totum ens, potest talis conversio fieri, quia utrique formae et utrique materiae est communis natura entis; et id quod entitatis est in una, potest auctor entis convertere ad id quod est entitatis in altera, sublato eo per quod ab illa distinguebatur. (IIIa q. 75 a. 4 ad 3)

3 — Door de kracht van een eindige werkoorzaak kan een vorm niet in een vorm veranderen noch een stof in een stof. Maar door de kracht van een oneindige werkoorzaak, wiens werking zich uitstrekt over het gehele zijnde, kan een dergelijke verandering tot stand komen: aan beide vormen en aan beide stoffen immers is gemeen de natuur van zijnde; de Maker van het zijnde kan wat aan zijn in de ander gevonden wordt veranderen in wat aan zijn in de ander gevonden wordt, met wegneming van het oorspronkelijke verschil.

Articulus 5.
Blijven in dit Sacrament de bijkomstigheden van het brood en den wijn?

Ad quintum sic proceditur. Videtur quod in hoc sacramento non remaneant accidentia panis et vini. Remoto enim priori, removetur posterius. Sed substantia est naturaliter prior accidente, ut probatur VII Metaphys. Cum ergo, facta consecratione, non remaneat substantia panis in hoc sacramento, videtur quod non possint remanere accidentia eius. (IIIa q. 75 a. 5 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de bijkomstigheden van het brood en de wijn in dit Sacrament niet blijven. Bij verdwijning immers van het eerdere verdwijnt ook het latere. Weinu, de zelfstandigheid is natuurlijkerwijs eerder dan de bijkomstigheid, zoals in de *Metaphysica* wordt bewezen. Daar derhalve na de consecratie in dit Sacrament de zelfstandigheid van het brood niet blijft, schijnt het onmogelijk, dat zijn bijkomstigheden blijven.

Praeterea, in sacramento veritatis non debet esse aliqua deceptio. Sed per accidentia iudicamus de substantia. Videtur ergo quod decipiatur humanum iudicium, si, remanentibus accidentibus, substantia panis non remaneat. Non ergo hoc est conveniens huic sacramento. (IIIa q. 75 a. 5 arg. 2)

2 — In het Sacrament der Waarheid mag geen sprake zijn van misleiding. Nu oordelen wij over de zelfstandigheid door de bijkomstigheden. Hieruit volgt, dat het menselijk oordeel zou misleid worden, als de zelfstandigheid van het brood niet bleef, terwijl de bijkomstigheden wel bleven. Dus is het niet passend, dat dit in dit Sacrament gebeurt.

Praeterea, quamvis fides non sit subiecta rationi, non tamen est contra rationem, sed supra ipsam, ut in principio huius operis dictum est. Sed ratio nostra habet ortum a sensu. Ergo fides nostra non debet esse contra sensum, dum sensus noster iudicat esse panem, et fides nostra credit esse substantiam corporis Christi. Non ergo hoc est conveniens huic sacramento, quod accidentia panis subiecta sensibus maneant, et substantia panis non maneat. (IIIa q. 75 a. 5 arg. 3)

3 — Hoewel het geloof niet onderworpen is aan de rede, is het toch niet tegen de rede, maar staat het er boven, zoals in het begin van dit Werk gezegd is (I. 1° Kw. 6° Art. 2° Antw.; 8° Art.). Nu heeft onze rede haar oorsprong bij de zinnen. Dus mag ons geloof niet tegen de zinnen zijn, in die voege dat onze zinnen oordelen, dat iets brood is en ons geloof aanneemt, dat het de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus is. Dus is het niet passend, dat in dit Sacrament de bijkomstigheden van het brood, die aan de zinnen voorliggen, blijven en de zelfstandigheid van het brood niet blijft.

Praeterea, illud quod manet, conversione facta, videtur esse subiectum mutationis. Si ergo accidentia panis manent conversione facta, videtur quod ipsa accidentia sint conversionis subiectum. Quod est impossibile, nam accidentis non est accidens. Non ergo in hoc sacramento debent remanere accidentia panis et vini. (IIIa q. 75 a. 5 arg. 4)

4 — Wat na de verandering blijft, schijnt het subject van de verandering te zijn. Indien dus de bijkomstigheden van het brood na de verandering blijven, schijnen de bijkomstigheden zelf het subject van de verandering te zijn. Hetgeen onmogelijk is, want « een bijkomstigheid heeft geen bijkomstigheid ». Dus mogen in dit Sacrament de bijkomstigheden van het brood en de wijn niet blijven.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in libro sententiarum prosperi, nos in specie panis et vini, quam videmus, res invisibiles, idest carnem et sanguinem, honoramus. (IIIa q. 75 a. 5 s. c.)

Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt: «Wij vereren onder de zichtbare gedaanten van brood en wijn onzichtbare dingen, nl. het Vlees en het Bloed».

Respondeo dicendum quod sensu apparet, facta consecratione, omnia accidentia panis et vini remanere. Quod quidem rationabiliter per divinam providentiam fit. Primo quidem, quia non est consuetum hominibus, sed horribile, carnem hominis comedere et sanguinem bibere, proponitur nobis caro et sanguis Christi sumenda sub speciebus illorum quae frequentius in usum hominis veniunt, scilicet panis et vini. Secundo, ne hoc sacramentum ab infidelibus irrideretur, si sub specie propria dominum nostrum manducemus. Tertio ut, dum invisibiliter corpus et sanguinem domini nostri sumimus, hoc proficiat ad meritum fidei. (IIIa q. 75 a. 5 co.)

Zintuigelijk blijkt, dat na de consecratie alle bijkomstigheden van het brood en de wijn blijven. En dat is iets redelijks en geschiedt door Gods Voorzienigheid. Vooreerst omdat het voor de mensen niet iets gewoons, maar iets weerzinwekkends is het vlees van een mens te eten en zijn bloed te drinken. En daarom wordt ons het Vlees en het Bloed van Christus te nuttigen gegeven onder de gedaanten van het algemeen door de mensen gebruikte voedsel brood en wijn. — Ten tweede, opdat dit sacrament niet door de ongelovigen zou bespot worden, hetgeen zou gebeuren, als wij onze Heer in Zijn eigen gedaante zouden eten. — Ten derde, opdat de onzichtbare nuttiging van het Lichaam en Bloed van onze Heer onze geloofsverdienste ten goede kome.

Ad primum ergo dicendum quod, sicut dicitur in libro de causis, effectus plus dependet a causa prima quam a causa secunda. Et ideo virtute Dei, qui est causa prima omnium, fieri potest ut remaneant posteriora, sublatis prioribus. (IIIa q. 75 a. 5 ad 1)

1 — Zoals gezegd wordt in De Causis, hangt het uitwerksel meer af van de eerste dan van de tweede oorzaak. En daarom kan het door de kracht van God, die aller eerste oorzaak is, gebeuren, dat het latere blijft bij opheffing van het eerdere.

Ad secundum dicendum quod in hoc sacramento nulla est deceptio, sunt enim secundum rei veritatem accidentia, quae sensibus diiudicantur. Intellectus autem, cuius est proprium obiectum substantia, ut dicitur in III de anima, per fidem a deceptione praeservatur. (IIIa q. 75 a. 5 ad 2)

2 — In dit Sacrament is geen sprake van misleiding. Want de bijkomstigheden, die door de zinnen beoordeeld worden, zijn er naar waarheid. Van zijn kant wordt het verstand, dat tot eigen voorwerp de zelfstandigheid heeft, zoals in De Anima gezegd wordt, door het geloof voor misleiding bewaard. Zo blijkt ook het antwoord op de derde bedenking. Want het geloof is niet tegen de zinnen, maar gaat over iets, waarover de zinnen zich niet uitstrekken.

Et sic patet responsio ad tertium. Nam fides non est contra sensum, sed est de eo ad quod sensus non attingit. (IIIa q. 75 a. 5 ad 3)

3 — Deze verandering heeft geen subject in de eigenlijke betekenis van het woord, zoals gezegd is (4° Art. 1° Antw.). Wel hebben de blijvende bijkomstigheden een gelijkenis met een subject.

Ad quartum dicendum quod haec conversio non proprie habet subiectum, ut dictum est. Sed tamen accidentia, quae remanent, habent aliquam similitudinem subiecti. (IIIa q. 75 a. 5 ad 4)

Articulus 6.
Blijft in dit Sacrament na de consecratie de zelfstandigheidsvorm van het brood?

Ad sextum sic proceditur. Videtur quod, facta consecratione, remaneat in hoc sacramento forma substantialis panis. Dictum est enim quod, facta consecratione, remaneant accidentia. Sed, cum panis sit quiddam artificiale, etiam forma eius est accidens. Ergo remanet, facta consecratione. (IIIa q. 75 a. 6 arg. 1)

1 — Men beweert, dat in dit Sacrament na de consecratie de zelfstandigheidsvorm van het brood blijft. Er is immers gezegd (vorig artikel), dat na de consecratie de bijkomstigheden blijven. Welnu, daar het brood iets kunstmatigs is, is ook zijn vorm een bijkomstigheid. Dus blijft hij na de consecratie.

Praeterea, forma corporis Christi est anima, dicitur enim in II de anima, quod anima est actus corporis physici potentia vitam habentis. Sed non potest dici quod forma substantialis panis convertatur in animam. Ergo videtur quod remaneat, facta consecratione. (IIIa q. 75 a. 6 arg. 2)

2 — De vorm van Christus’ Lichaam is de ziel: want in de Anima wordt gezegd, dat de ziel is «de daadwerkelijkheid van een natuurlijk lichaam, dat in vermogen het leven heeft». Nu kan niet beweerd worden, dat de zelfstandigheidsvorm van het brood verandert in Christus’ Ziel. Dus blijft in dit Sacrament na de consecratie de zelfstandigheidsvorm van het brood.

Praeterea, propria operatio rei sequitur formam substantialem eius. Sed illud quod remanet in hoc sacramento, nutrit, et omnem operationem facit quam faceret panis existens. Ergo forma substantialis panis remanet in hoc sacramento, facta consecratione. (IIIa q. 75 a. 6 arg. 3)

3 — De eigen werking van een ding volgt zijn zelfstandigheidsvorm. Welnu het blijvende in dit Sacrament voedt en stelt elke werking, die het brood zou stellen, als het bestond. Dus blijft in dit Sacrament na de consecratie de zelfstandigheidsvorm van het brood.

Sed contra, forma substantialis panis est de substantia panis. Sed substantia panis convertitur in corpus Christi, sicut dictum est. Ergo forma substantialis panis non manet. (IIIa q. 75 a. 6 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de zelfstandigheid van het brood behoort tot de zelfstandigheid van het brood. Nu verandert de zelfstandigheid van het brood in het Lichaam van Christus. Dus de zelfstandigheid van het brood blijft niet.

Respondeo dicendum quod quidam posuerunt quod, facta consecratione, non solum remanent accidentia panis, sed etiam forma substantialis eius. Sed hoc esse non potest. Primo quidem quia, si forma substantialis remaneret, nihil de pane converteretur in corpus Christi nisi sola materia. Et ita sequeretur quod non converteretur in corpus Christi totum, sed in eius materiam. Quod repugnat formae sacramenti, qua dicitur, hoc est corpus meum. Secundo quia, si forma substantialis panis remaneret, aut remaneret in materia, aut a materia separata. Primum autem esse non potest. Quia, si remaneret in materia panis, tunc tota substantia panis remaneret, quod est contra praedicta. In alia autem materia remanere non posset, quia propria forma non est nisi in propria materia. Si autem remaneret a materia separata, iam esset forma intelligibilis actu, et etiam intellectus, nam omnes formae a materia separatae sunt tales. Tertio, esset inconveniens huic sacramento. Nam accidentia panis in hoc sacramento remanent ut sub eis videatur corpus Christi, non autem sub propria specie, sicut supra dictum est. Et ideo dicendum est quod forma substantialis panis non manet. (IIIa q. 75 a. 6 co.)

Sommigen hebben beweerd, dat na de consecratie niet alleen de bijkomstigheden van het brood maar ook zijn zelfstandigheidsvorm blijft. Maar dit is onmogelijk. Vooreerst, omdat als de zelfstandigheidsvorm zou blijven, er niets van het brood zou veranderen in het Lichaam van Christus buiten de stof. Dit zou ten gevolge hebben, dat het niet in het gehele Lichaam van Christus maar in de stof ervan zou veranderen. Hetgeen in strijd is met de vorm van het Sacrament, waarin gezegd wordt: « Dit is Mijn Lichaam ». — Ten tweede, omdat, als de zelfstandigheidsvorm van het brood zou blijven, deze zou blijven ófwel in een stof ófwel gescheiden van alle stof. Het eerste is uitgesloten. Want zou hij in de stof van het brood blijven, dan bleef de gehele zelfstandigheid van het brood, hetgeen tegen het vroeger gezegde is (2e Art.). In een andere stof echter kan hij niet blijven, want de eigen vorm is slechts in de eigen stof. Zou hij evenwel blijven gescheiden van alle stof, dan zou hij zonder meer een daadwerkelijk door het verstand kenbare en tevens kennende vorm zijn, want alle van stof afgescheiden vormen zijn zo. — Ten derde zou het niet passend zijn voor dit Sacrament. Want in dit Sacrament blijven de bijkomstigheden van het brood, opdat het Lichaam van Christus onder haar en niet onder eigen gedaante zou gezien worden, zoals boven gezegd is (5e Art.). Dus moet men zeggen, dat de zelfstandigheidsvorm van het brood niet blijft.

Ad primum ergo dicendum quod nihil prohibet arte fieri aliquid cuius forma non est accidens, sed forma substantialis, sicut arte possunt produci ranae et serpentes. Talem enim formam non producit ars virtute propria, sed virtute naturalium principiorum. Et hoc modo producit formam substantialem panis, virtute ignis decoquentis materiam ex farina et aqua confectam. (IIIa q. 75 a. 6 ad 1)

1 — Er is niets op tegen dat op kunstmatige wijze iets ontstaat, waarvan de vorm geen bijkomstigheid is maar een zelfstandigheidsvorm, zoals op kunstmatige wijze kikvorsen en slangen kunnen worden voortgebracht. Zulke een vorm immers brengt de kunst niet uit eigen kracht maar uit kracht van de natuurbeginselen voort. En op deze wijze brengt zij de zelfstandigheidsvorm van het brood voort, uit kracht van het vuur, waardoor de uit meel en water toebereide stof wordt gebakken.

Ad secundum dicendum quod anima est forma corporis dans ei totum ordinem esse perfecti, scilicet esse, et esse corporeum, et esse animatum, et sic de aliis. Convertitur igitur forma panis in formam corporis Christi secundum quod dat esse corporeum, non autem secundum quod dat esse animatum tali anima. (IIIa q. 75 a. 6 ad 2)

2 — De ziel is de vorm van het lichaam, waardoor dit al de opeenvolgende graden van het volledige zijn ontvangt d.w.z. het zijn, het stof-zijn, het bezield-zijn enz. De vorm van het brood verandert dus in de vorm van het Lichaam van Christus, voorzover deze het stof-zijn geeft, niet echter voorzover deze het door zo'n ziel bezield-zijn geeft.

Ad tertium dicendum quod operationum panis quaedam consequuntur ipsum ratione accidentium, sicut immutare sensum. Et tales operationes inveniuntur in speciebus panis post consecrationem, propter ipsa accidentia, quae remanent. Quaedam autem operationes consequuntur panem vel ratione materiae, sicut quod convertitur in aliquid; vel ratione formae substantialis, sicut est operatio consequens speciem eius, puta quod confirmat cor hominis. Et tales operationes inveniuntur in hoc sacramento, non propter formam vel materiam quae remaneat, sed quia miraculose conferuntur ipsis accidentibus, ut infra dicetur. (IIIa q. 75 a. 6 ad 3)

3 — Sommige werkingen van het brood komen daaraan toe op grond van de bijkomstigheden, zoals inwerken op de zinnen. Deze werkingen vindt men na de consecratie in de gedaanten van het brood vanwege de blijvende bijkomstigheden zelf. — Sommige werkingen echter komen toe aan het brood op grond ofwel van de stof, zoals het veranderen in iets, ofwel op grond van de zelfstandigheidsvorm, zoals de werkingen eigen aan de soort brood b.v. dat het 's mensen hart versterkt (Ps. 103. 15). Zulke werkingen vindt men in dit Sacrament, niet vanwege een blijvende vorm of stof, maar als op wonderdadige wijze aan de bijkomstigheden zelf gegeven, zoals later gezegd zal worden (77° Kw. 3° Art. 2° en 3° Antw.; 5° en 6° Art.).

Articulus 7.
Gebeurt deze verandering in één ogenblik of gebeurt ze geleidelijk?

Ad septimum sic proceditur. Videtur quod ista conversio non fiat in instanti, sed fiat successive. In hac enim conversione prius est substantia panis, et postea substantia corporis Christi. Non ergo utrumque est in eodem instanti, sed in duobus instantibus. Sed inter quaelibet duo instantia est tempus medium. Ergo oportet quod haec conversio fiat secundum successionem temporis quod est inter ultimum instans quo est ibi panis, et primum instans quo est ibi corpus Christi. (IIIa q. 75 a. 7 arg. 1)

1 — Men beweert, dat deze verandering niet in één ogenblik gebeurt, maar dat ze geleidelijk gebeurt. Bij deze verandering immers is er eerst de zelfstandigheid van het brood en daarna de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus. Beide zijn dus niet in één ogenblik maar in twee ogenblikken. Nu ligt er altijd een tijd tussen twee ogenblikken. Dus moet deze verandering gebeuren volgens de opeenvolging van de tijd, die er ligt tussen het laatste ogenblik, dat er het brood is en het eerste ogenblik, dat er het lichaam van Christus is.

Praeterea, in omni conversione est fieri et factum esse. Sed haec duo non sunt simul, quia quod fit, non est; quod autem factum est, iam est. Ergo in hac conversione est prius et posterius. Et ita oportet quod non sit instantanea, sed successiva. (IIIa q. 75 a. 7 arg. 2)

2 — Bij elke verandering is er een worden en een geworden zijn. Deze twee echter zijn niet tegelijk, want wat wordt, is nog niet, wat echter geworden is, is reeds. Dus is er bij deze verandering een eerder en een later. Derhalve is zij noodzakelijkerwijs niet ogenblikkelijk maar geleidelijk.

Praeterea, Ambrosius dicit, in libro de Sacram., quod istud sacramentum Christi sermone conficitur. Sed sermo Christi successive profertur. Ergo haec conversio fit successive. (IIIa q. 75 a. 7 arg. 3)

3 — Ambrosius zegt, dat dit Sacrament « tot stand komt door Christus’ woorden ». Welnu Christus’ woorden worden geleidelijk uitgesproken. Dus gebeurt deze verandering geleidelijk.

Sed contra est quod haec conversio perficitur virtute infinita, cuius est subito operari. (IIIa q. 75 a. 7 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat deze verandering tot stand komt door een oneindige kracht, waaraan het eigen is plotseling te werken.

Respondeo dicendum quod aliqua mutatio est instantanea triplici ratione. Uno quidem modo, ex parte formae, quae est terminus mutationis. Si enim sit aliqua forma quae recipiat magis aut minus, successive acquiritur subiecto, sicut sanitas. Et ideo, quia forma substantialis non recipit magis et minus, inde est quod subito fit eius introductio in materia. Alio modo, ex parte subiecti, quod quandoque successive praeparatur ad susceptionem formae, et ideo aqua successive calefit. Quando vero ipsum subiectum est in ultima dispositione ad formam, subito recipit ipsam, sicut diaphanum subito illuminatur. Tertio, ex parte agentis, quod est infinitae virtutis, unde statim potest materiam ad formam disponere. Sicut dicitur Marc. VII, quod, cum Christus dixisset, ephphetha, quod est adaperire, statim apertae sunt aures hominis, et solutum est vinculum linguae eius. Et his tribus rationibus haec conversio est instantanea. Primo quidem, quia substantia corporis Christi, ad quam terminatur ista conversio, non suscipit magis neque minus. Secundo, quia in hac conversione non est aliquod subiectum, quod successive praeparetur. Tertio, quia agitur Dei virtute infinita. (IIIa q. 75 a. 7 co.)

Een verandering kan ogenblikkelijk zijn om drie redenen. Een eerste reden kan liggen bij de vorm, die het eindpunt van de verandering is. Want is er een vorm, die meer of minder toelaat, dan komt hij geleidelijk in het subject, zoals gezondheid. Dientengevolge heeft de invoering in de stof van een zelfstandigheidsvorm, die geen meer en minder toelaat, plotseling plaats. — Een andere reden kan liggen bij het subject. Dit wordt somtijds geleidelijk voor de ontvangst van de vorm geschikt gemaakt: daarom wordt water geleidelijk warm. Wanneer het subject evenwel de laatste geschiktheid voor de vorm reeds bezit, ontvangt het hem plotseling, zoals het doorschijnende plotseling verlicht wordt. — Een derde reden kan liggen bij de werkoorzaak, die een oneindige kracht kan hebben, zodat zij in staat is de stof onmiddellijk voor de vorm geschikt te maken. Zoals men leest bij Marcus (7. 34-35) dat, toen Christus gezegd had: « Ephpheta d.i. open u, onmiddellijk zijn opengegaan de oren van die mens en de band van zijn tong is losgemaakt ». Om genoemde drie redenen dan is de verandering, waarover wij spreken, ogenblikkelijk. Vooreerst namelijk, omdat de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus, die het eindpunt van deze verandering is, noch meer noch minder toelaat. — Ten tweede, omdat er bij deze verandering geen subject is, dat geleidelijk geschikt gemaakt zou worden. — Ten derde, omdat zij bewerkt wordt door Gods oneindige kracht.

Ad primum ergo dicendum quod quidam non simpliciter concedunt quod inter quaelibet duo instantia sit tempus medium. Dicunt enim quod hoc habet locum in duobus instantibus quae referuntur ad eundem motum, non autem in duobus instantibus quae referuntur ad diversa. Unde inter instans quod mensurat finem quietis, et aliud instans quod mensurat principium motus, non est tempus medium. Sed in hoc decipiuntur. Quia unitas temporis et instantis, vel etiam pluralitas eorum, non accipitur secundum quoscumque motus, sed secundum primum motum caeli, qui est mensura omnis motus et quietis. Et ideo alii hoc concedunt in tempore quod mensurat motum dependentem ex motu caeli. Sunt autem quidam motus ex motu caeli non dependentes, nec ab eo mensurati, sicut in prima parte dictum est de motibus Angelorum. Unde inter duo instantia illis motibus respondentia, non est tempus medium. Sed hoc non habet locum in proposito. Quia, quamvis ista conversio secundum se non habeat ordinem ad motum caeli, consequitur tamen prolationem verborum, quam necesse est motu caeli mensurari. Et ideo necesse est inter quaelibet duo instantia circa istam conversionem signata esse tempus medium. Quidam ergo dicunt quod instans in quo ultimo est panis, et instans in quo primo est corpus Christi, sunt quidem duo per comparationem ad mensurata, sed sunt unum per comparationem ad tempus mensurans, sicut, cum duae lineae se contingunt, sunt duo puncta ex parte duarum linearum, unum autem punctum ex parte loci continentis. Sed hoc non est simile. Quia instans et tempus particularibus motibus non est mensura intrinseca, sicut linea et punctus corporibus, sed solum extrinseca, sicut corporibus locus. Unde alii dicunt quod est idem instans re, sed aliud ratione. Sed secundum hoc sequeretur quod realiter opposita essent simul. Nam diversitas rationis non variat aliquid ex parte rei. Et ideo dicendum est quod haec conversio, sicut dictum est, perficitur per verba Christi, quae a sacerdote proferuntur, ita quod ultimum instans prolationis verborum est primum instans in quo est in sacramento corpus Christi, in toto autem tempore praecedente est ibi substantia panis. Cuius temporis non est accipere aliquod instans proximo praecedens ultimum, quia tempus non componitur ex instantibus consequenter se habentibus, ut probatur in VI Physic. Et ideo est quidem dare instans in quo est corpus Christi, non est autem dare ultimum instans in quo sit substantia panis, sed est dare ultimum tempus. Et idem est in mutationibus naturalibus, ut patet per philosophum, in VIII physicorum. (IIIa q. 75 a. 7 ad 1)

1 — Sommigen gaven niet zonder meer toe, dat er altijd een tijd ligt tussen twee ogenblikken. Zij zeggen namelijk, dat dit waar is voor twee ogenblikken, die zich op dezelfde beweging betrekken, maar niet voor twee ogenblikken, die zich op verschillende dingen betrekken. Daarom ligt er geen tijd tussen het ogenblik, dat het eind van de rust, en het ander ogenblik, dat het begin van de beweging meet. Evenwel vergissen zij zich hierin. Want de eenheid van tijd en van ogenblik, of ook de veelheid daarvan, wordt niet afgemeten naar willekeurig welke bewegingen, maar naar de eerste beweging van de hemel, die de maat is van alle beweging en rust. Daarom geven anderen het toe voor de tijd, die een van de hemelbeweging afhankelijke beweging meet. Maar er zijn sommige bewegingen, die niet afhangen van de hemelbeweging en er ook niet door gemeten worden, zoals in het Eerste Deel (53e Kw. 3e Art.) gezegd is over de bewegingen der engelen. Daarom ligt er geen tijd tussen twee ogenblikken, die aan dergelijke bewegingen beantwoorden. Evenwel is dit niet van toepassing op ons geval. Want, hoewel de onderhavige verandering op zich geen betrekking heeft met de hemelbeweging, volgt zij toch het uitspreken der woorden, dat noodzakelijkerwijs door de hemelbeweging wordt gemeten. Daarom ligt er noodzakelijkerwijs een tijd tussen elke twee in deze verandering aangegeven ogenblikken. Derhalve zeggen sommigen, dat het laatste ogenblik van het brood en het eerste ogenblik van het Lichaam van Christus twee zijn met betrekking tot de gemeten dingen, maar één met betrekking tot de metende tijd, zoals, wanneer twee lijnen elkaar raken, er twee punten zijn van de kant van de twee lijnen, maar één punt van de kant van de omringende plaats. Evenwel gaat deze vergelijking niet op. Want ogenblik en tijd zijn voor afzonderlijke bewegingen geen innerlijke maat, zoals lijn en punt voor lichamen: zij zijn slechts uiterlijke maat zoals plaats voor lichamen. Daarom zeggen anderen, dat het in werkelijkheid één ogenblik is, maar dat het er twee zijn naar verstandsonderscheid. Evenwel zou hieruit volgen, dat werkelijk tegenovergestelde dingen tegelijk zouden zijn. Verstandsonderscheid verandert immers niets aan de werkelijkheid. Derhalve moet men zeggen, dat deze verandering, gelijk gezegd is (3° Art.), tot stand komt door de woorden van Christus, welke door de priester worden uitgesproken, met die verstande, dat het laatste ogenblik van het uitspreken der woorden het eerste ogenblik is van de aanwezigheid van Christus' Lichaam in dit Sacrament, terwijl gedurende de gehele voorafgaande tijd de zelfstandigheid van het brood daarin aanwezig is. In dezen tijd kan men zich geen ogenblik denken, dat onmiddellijk aan het laatste voorafgaat: de tijd immers is niet samengesteld uit zich opeenvolgende ogenblikken, zoals bewezen wordt in de Physica. Daarom kan men wel het eerste ogenblik aangeven van het Lichaam van Christus, niet echter het laatste ogenblik van de zelfstandigheid van het brood, wel weer de laatste tijd daarvan. Hetzelfde vindt men bij de veranderingen in de natuur, zoals blijkt bij de Wijsgeer.

Ad secundum dicendum quod in mutationibus instantaneis simul est fieri et factum esse, sicut simul est illuminari et illuminatum esse. Dicitur enim in talibus factum esse secundum quod iam est, fieri autem, secundum quod ante non fuit. (IIIa q. 75 a. 7 ad 2)

2 — Bij ogenblikkelijke veranderingen is het worden en het geworden zijn tegelijk, zoals tegelijk zijn het verlicht worden en het verlicht zijn. Daarbij spreekt men immers van geworden zijn, voor zover iets reeds is: van worden echter, voorzover iets eerst nog niet was.

Ad tertium dicendum quod ista conversio, sicut dictum est, fit in ultimo instanti prolationis verborum, tunc enim completur verborum significatio, quae est efficax in sacramentorum formis. Et ideo non sequitur quod ista conversio sit successiva. (IIIa q. 75 a. 7 ad 3)

3 — Gelijk gezegd is (1° Antw.), gebeurt deze verandering in het laatste ogenblik van het uitspreken der woorden: want dan wordt de betekenis der woorden, die bij de vormen van de sacramenten uitwerkende kracht heeft, voltooid. En daarom volgt niet, dat deze verandering een geleidelijke is.

Articulus 8.
Is deze zin juist: Uit het brood wordt het Lichaam van Christus?

Ad octavum sic proceditur. Videtur quod haec sit falsa, ex pane fit corpus Christi. Omne enim id ex quo fit aliquid, est id quod fit illud, sed non convertitur, dicimus enim quod ex albo fit nigrum, et quod album fit nigrum; et licet dicamus quod homo fiat niger, non tamen dicimus quod ex homine fiat nigrum ut patet in I Physic. Si ergo verum est quod ex pane fiat corpus Christi, verum erit dicere quod panis fiat corpus Christi. Quod videtur esse falsum, quia panis non est subiectum factionis, sed magis est terminus. Ergo non vere dicitur quod ex pane fiat corpus Christi. (IIIa q. 75 a. 8 arg. 1)

1 — Men beweert, dat deze zin vals is: Uit het brood wordt het Lichaam van Christus. Immers datgene, waaruit iets wordt, is altijd datgene wat iets wordt, maar niet omgekeerd: wij zeggen immers, dat uit het witte iets zwarts wordt en dat het witte zwart wordt; maar hoewel wij zeggen, dat een mens zwart wordt, zeggen wij niet, dat uit een mens iets zwarts wordt, zoals blijkt in de Physica. Indien men dus naar waarheid kan zeggen, dat uit het brood het Lichaam van Christus wordt, dan kan men ook naar waarheid zeggen, dat het brood het Lichaam van Christus wordt. Dit schijnt echter onjuist te zijn, want het brood is geen subject van wording, maar het uitgangspunt ervan. Dus kan men niet naar waarheid zeggen, dat uit het brood het Lichaam van Christus wordt.

Praeterea, fieri terminatur ad esse, vel ad factum esse. Sed haec nunquam est vera, panis est corpus Christi, vel, panis est factus corpus Christi, vel etiam, panis erit corpus Christi. Ergo videtur quod nec haec sit vera, ex pane fit corpus Christi. (IIIa q. 75 a. 8 arg. 2)

2 — Worden eindigt in zijn of in geworden zijn. Welnu, nooit is deze zin juist: Het brood is het Lichaam van Christus, of: Het brood is het Lichaam van Christus geworden, of ook: Het brood zal het Lichaam van Christus zijn. Dus schijnt ook deze zin niet juist te zijn: Uit het brood wordt het Lichaam van Christus.

Praeterea, omne id ex quo fit aliquid, convertitur in id quod fit ex eo. Sed haec videtur esse falsa, panis convertitur in corpus Christi, quia haec conversio videtur esse miraculosior quam creatio; in qua tamen non dicitur quod non ens convertatur in ens. Ergo videtur quod etiam haec sit falsa, ex pane fit corpus Christi. (IIIa q. 75 a. 8 arg. 3)

3 — Elk ding, waaruit iets wordt, verandert in datgene, wat eruit wordt. Nu schijnt deze zin vals te zijn: Het brood verandert in het Lichaam van Christus, want deze verandering schijnt méér wonderbaar te zijn dan de schepping, waarbij men toch niet zegt, dat het niet-zijnde verandert in een zijnde. Dus schijnt ook deze zin vals te zijn: Uit het brood wordt het Lichaam van Christus.

Praeterea, illud ex quo fit aliquid, potest esse illud. Sed haec est falsa, panis potest esse corpus Christi. Ergo etiam haec est falsa, ex pane fit corpus Christi. (IIIa q. 75 a. 8 arg. 4)

4 — Datgene, waaruit iets wordt, kan dat zijn. Welnu, deze zin is vals: Het brood kan het Lichaam van Christus zijn. Dus is ook deze zin vals: Uit het brood wordt het Lichaam van Christus.

Sed contra est quod Ambrosius dicit, in libro de sacramentis, ubi accedit consecratio, de pane fit corpus Christi. (IIIa q. 75 a. 8 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Ambrosius zegt: «Waar de consecratie bij komt, daar wordt uit het brood het Lichaam van Christus».

Respondeo dicendum quod haec conversio panis in corpus Christi, quantum ad aliquid convenit cum creatione et cum transmutatione naturali, et quantum ad aliquid differt ab utroque. Est enim commune his tribus ordo terminorum, scilicet ut post hoc sit hoc, in creatione enim est esse post non esse, in hoc sacramento corpus Christi post substantiam panis, in transmutatione naturali album post nigrum vel ignis post aerem; et quod praedicti termini non sint simul. Convenit autem conversio de qua nunc loquimur cum creatione, quia in neutra earum est aliquod commune subiectum utrique extremorum. Cuius contrarium apparet in omni transmutatione naturali. Convenit vero haec conversio cum transmutatione naturali in duobus, licet non similiter. Primo quidem, quia in utraque unum extremorum transit in aliud, sicut panis in corpus Christi, et aer in ignem, non autem non ens convertitur in ens. Aliter tamen hoc accidit utrobique. Nam in hoc sacramento tota substantia panis transit in totum corpus Christi, sed in transmutatione naturali materia unius suscipit formam alterius, priori forma deposita. Secundo conveniunt in hoc, quod utrobique remanet aliquid idem, quod non accidit in creatione. Differenter tamen, nam in transmutatione naturali remanet eadem materia vel subiectum; in hoc autem sacramento remanent eadem accidentia. Et ex his accipi potest qualiter differenter in talibus loqui debeamus. Quia enim in nullo praedictorum trium extrema sunt simul ideo in nullo eorum potest unum extremum de alio praedicari per verbum substantivum praesentis temporis, non enim dicimus, non ens est ens, vel, panis est corpus Christi, vel, aer est ignis aut album nigrum. Propter ordinem vero extremorum, possumus uti in omnibus hac praepositione ex, quae ordinem designat. Possumus enim vere et proprie dicere quod ex non ente fit ens, et ex pane corpus Christi, et ex aere ignis vel ex albo nigrum. Quia vero in creatione unum extremorum non transit in alterum, non possumus in creatione uti verbo conversionis, ut dicamus quod non ens convertitur in ens. Quo tamen verbo uti possumus in hoc sacramento, sicut et in transmutatione naturali. Sed quia in hoc sacramento tota substantia in totam mutatur, propter hoc haec conversio proprie transubstantiatio vocatur. Rursus, quia huius conversionis non est accipere aliquod subiectum, ea quae verificantur in conversione naturali ratione subiecti, non sunt concedenda in hac conversione. Et primo quidem, manifestum est quod potentia ad oppositum consequitur subiectum, ratione cuius dicimus quod album potest esse nigrum, vel aer potest esse ignis. Licet haec non sit ita propria sicut prima, nam subiectum albi, in quo est potentia ad nigredinem, est tota substantia albi, non enim albedo est pars eius; subiectum autem formae aeris est pars eius; unde, cum dicitur, aer potest esse ignis, verificatur ratione partis per synecdochen. Sed in hac conversione et similiter in creatione, quia nullum est subiectum, non dicitur quod unum extremum possit esse aliud, sicut quod non ens possit esse ens, vel quod panis possit esse corpus Christi. Et eadem ratione non potest proprie dici quod de non ente fiat ens, vel quod de pane fiat corpus Christi, quia haec praepositio de designat causam consubstantialem; quae quidem consubstantialitas extremorum in transmutationibus naturalibus attenditur penes convenientiam in subiecto. Et simili ratione non conceditur quod panis erit corpus Christi, vel quod fiat corpus Christi, sicut neque conceditur in creatione quod non ens erit ens, vel quod non ens fiat ens, quia hic modus loquendi verificatur in transmutationibus naturalibus ratione subiecti, puta cum dicimus quod album fit nigrum, vel album erit nigrum. Quia tamen in hoc sacramento, facta conversione, aliquid idem manet, scilicet accidentia panis, ut supra dictum est, secundum quandam similitudinem aliquae harum locutionum possunt concedi, scilicet quod panis sit corpus Christi, vel, panis erit corpus Christi, vel, de pane fit corpus Christi; ut nomine panis non intelligatur substantia panis, sed in universali hoc quod sub speciebus panis continetur, sub quibus prius continetur substantia panis, et postea corpus Christi. (IIIa q. 75 a. 8 co.)

Deze verandering van het brood in het Lichaam van Christus komt in enig opzicht overeen met de schepping en met de natuurlijke verandering, en verschilt ook in enig opzicht van beide. Aan deze drie immers is gemeen de orde van de uitersten, d.w.z. dat het ene na het andere is — bij de schepping namelijk is het zijn na het niet-zijn, in dit Sacrament het Lichaam van Christus na de zelfstandigheid van het brood, bij de natuurlijke verandering het witte na het zwarte of het vuur na de lucht — en dat genoemde uitersten niet tegelijk zijn. De verandering, waarover we nu spreken, komt echter hierin overeen met de schepping, dat er bij geen van beide een aan de uitersten gemeenschappelijk subject is. Het tegenovergestelde hiervan vindt men bij elke natuurlijke verandering. Daarentegen komt deze verandering met de natuurlijke verandering in twee opzichten overeen, zij het met enig verschil. Vooreerst hierin, dat bij beide het ene uiterste overgaat in het andere, namelijk het brood in het Lichaam van Christus en de lucht in vuur; het niet-zijnde gaat echter niet over in een zijnde. Evenwel gebeurt dit aan beide zijden niet op gelijke wijze. Want in dit Sacrament gaat de gehele zelfstandigheid van het brood over in het gehele Lichaam van Christus: bij de natuurlijke verandering daarentegen krijgt de stof van het ene de vorm van het andere na verlies van eigen vorm. Ten tweede komen zij hierin overeen, dat aan beide zijden iets hetzelfde blijft, hetgeen niet gebeurt bij de schepping. Maar met een verschil: bij de natuurlijke verandering immers blijft dezelfde stof of hetzelfde subject; in dit Sacrament daarentegen blijven dezelfde bijkomstigheden. Uit het bovenstaande kan men nu afleiden, hoe men zich in deze zaken moet uitdrukken. Immers, daar in geen van de drie voornoemde gevallen de uitersten tegelijk zijn, kan men in geen daarvan het ene uiterste uitzonderen van het andere met een zelfstandig gebruikt woord en in de tegenwoordige tijd: wij zeggen immers niet: Het niet-zijnde is een zijnde, of: Het brood is het Lichaam van Christus, of: De lucht is vuur, het witte is het zwarte. Maar om de orde der uitersten kunnen wij in alle gevallen het voorzetsel uit gebruiken, waardoor een orde wordt betekend. We kunnen immers in waren en eigenlijke zin zeggen, dat uit het niet-zijnde een zijnde wordt en uit het brood het Lichaam van Christus en uit de lucht vuur en uit het witte het zwarte. Daar echter bij de schepping het ene uiterste niet overgaat in het andere, kunnen wij bij de schepping het woord verandering niet gebruiken, zeggende, dat het niet-zijnde verandert in een zijnde. Wel kunnen wij dit woord gebruiken bij dit Sacrament en ook bij de natuurlijke verandering. Daar echter in dit Sacrament de gehele zelfstandigheid van het ene veranderd wordt in de gehele zelfstandigheid van het andere, wordt deze verandering met een aparte eigen naam zelfstandigheidsverandering genoemd. Daar men vervolgens bij deze verandering geen subject kan aanwijzen, is bij haar geen enkele uitdrukking toelaatbaar, die bij de natuurlijke verandering op grond van het subject van toepassing is. Vooreerst is het duidelijk, dat het vermogen tot het tegenovergestelde het subject volgt, op grond waarvan gezegd wordt, dat het witte iets zwarts kan zijn of de lucht vuur kan zijn. De laatste zin evenwel is niet zo eigenlijk als de eerste: het subject immers van het witte, waarin het vermogen is tot zwartheid, is de gehele zelfstandigheid van het witte, daar de witheid geen deel van het witte is; het subject echter van de vorm van de lucht is een deel van de lucht; als men dus zegt: De lucht kan vuur zijn, is de uitdrukking slechts juist op grond van een deel (Synecdoche). Bij deze verandering daarentegen, en hetzelfde geldt van de schepping, wordt bij gebrek aan subject niet gezegd dat het ene uiterste het andere kan zijn, zoals dat het niet-zijnde een zijnde kan zijn, of dat het brood het Lichaam van Christus kan zijn. Om dezelfde reden kan men niet in eigenlijke zin zeggen, dat van het niet-zijnde een zijnde wordt, of van het brood het Lichaam van Christus: dat voorzetsel van geeft immers een medezelfstandige oorzaak aan, welke medezelfstandigheid van de uitersten bij natuurlijke veranderingen gevonden wordt in de eenheid van subject. Steeds om dezelfde reden is te verwerpen, dat het brood het Lichaam van Christus zal zijn, of dat het Lichaam van Christus wordt, zoals bij de schepping te verwerpen is, dat het niet-zijnde een zijnde zal zijn, of dat het niet-zijnde een zijnde wordt: deze zegswijze immers is toepasselijk op natuurlijke veranderingen op grond van het subject b.v. als wij zeggen, dat het witte iets zwarts wordt, of dat het witte iets zwarts zal zijn. Daar echter in dit Sacrament na de verandering iets hetzelfde blijft namelijk de bijkomstigheden van het brood, zoals boven gezegd is (5e Artikel), kunnen enkele van deze uitdrukkingen b.v. dat het brood het Lichaam van Christus wordt, of dat het brood het Lichaam van Christus zal zijn, of dat van het brood het Lichaam van Christus wordt bij wijze van benadering worden aanvaard, met die verstande namelijk dat men met het woord brood niet de zelfstandigheid van het brood bedoelt maar in het algemeen datgene, wat vervat is onder de gedaanten van brood, waaronder eerst de zelfstandigheid van het brood en later het Lichaam van Christus vervat is.

Ad primum ergo dicendum quod illud ex quo aliquid fit, quandoque quidem importat simul subiectum cum uno extremorum transmutationis, sicut cum dicitur, ex albo fit nigrum. Quandoque vero importat solum oppositum, vel extremum, sicut cum dicitur, ex mane fit dies. Et sic non conceditur quod hoc fiat illud, idest quod mane fiat dies. Et ita etiam in proposito, licet proprie dicatur quod ex pane fiat corpus Christi, non tamen proprie dicitur quod panis fiat corpus Christi, nisi secundum quandam similitudinem, ut dictum est. (IIIa q. 75 a. 8 ad 1)

1 — I. Datgene, waaruit iets wordt, houdt soms met het ene uiterste van de verandering tevens het subject in, zoals wanneer men zegt: Uit het witte wordt iets zwarts. Soms echter houdt het alleen het ene aan het andere tegenovergestelde uiterste in, zoals wanneer men zegt: Uit de morgen wordt de dag. En in dat geval is het niet juist, dat het ene het andere wordt d.w.z. dat de morgen de dag wordt. En zo kan men ook in ons geval in de eigenlijke zin zeggen dat uit het brood het Lichaam van Christus wordt, niet echter dat het brood het Lichaam van Christus wordt, tenzij naar een zekere gelijkenis, zoals gezegd is (in de Leerst.).

Ad secundum dicendum quod illud ex quo fit aliquid, quandoque erit illud, propter subiectum quod importatur. Et ideo, cum huius conversionis non sit aliquod subiectum, non est similis ratio. (IIIa q. 75 a. 8 ad 2)

2 — Datgene waaruit iets wordt, zal soms dat zijn, als het namelijk een subject inhoudt. En daarom gaat de vergelijking niet op, aangezien deze verandering geen subject heeft.

Ad tertium dicendum quod in hac conversione sunt plura difficilia quam in creatione, in qua hoc solum difficile est, quod aliquid fit ex nihilo, quod tamen pertinet ad proprium modum productionis primae causae, quae nihil aliud praesupponit. Sed in hac conversione non solum est difficile quod hoc totum convertitur in illud totum, ita quod nihil prioris remaneat, quod non pertinet ad communem modum productionis alicuius causae, sed etiam habet hoc difficile, quod accidentia remanent corrupta substantia, et multa alia, de quibus in sequentibus agetur. Tamen verbum conversionis recipitur in hoc sacramento, non autem in creatione, sicut dictum est. (IIIa q. 75 a. 8 ad 3)

3 — Bij deze verandering zijn er meer moeilijkheden dan bij de schepping, waarbij men alleen deze moeilijkheid heeft, dat iets uit niets wordt, wat tenslotte tot de eigen voortbrengingswijze van de eerste oorzaak behoort, welke niets anders veronderstelt. Maar bij deze verandering heeft men niet alleen de moeilijkheid, dat dit gehele verandert in dat gehele, zóó dat er niets van het eerste overblijft, hetgeen niet tot de gewone voortbrengingswijze van enige oorzaak behoort, maar bovendien deze moeilijkheid, dat de bijkomstigheden blijven na het verdwijnen van de zelfstandigheid en nog vele andere, waarover wij verderop zullen handelen (77° Kw.). Desondanks staande is het woord verandering in dit Sacrament toelaatbaar en niet bij de schepping, gelijk gezegd is (in de Leerst.).

Ad quartum dicendum quod, sicut dictum est, potentia pertinet ad subiectum, quod non est accipere in hac conversione. Et ideo non conceditur quod panis possit esse corpus Christi, non enim haec conversio fit per potentiam passivam creaturae, sed per solam potentiam activam creatoris. (IIIa q. 75 a. 8 ad 4)

4 — Gelijk gezegd (in de Leerst.), vindt men een vermogen alleen bij een subject, dat bij deze verandering niet gedacht kan worden. Derhalve is het onjuist, dat het brood het Lichaam van Christus kan zijn: deze verandering gebeurt immers niet krachtens het ontvangvermogen van het schepsel, maar uitsluitend door het werkvermogen van de Schepper.