Tertia Pars. Quaestio 56. Over de oorzakelijkheid van Christus’ Verrijzenis .
Prooemium
Deinde considerandum est de causalitate resurrectionis Christi. Et circa hoc quaeruntur
duo. Primo, utrum resurrectio Christi sit causa nostrae resurrectionis. Secundo, utrum
sit causa nostrae iustificationis. (IIIa q. 56 pr.)
Vervolgens moeten wij handelen over de oorzaak van Christus’ verrijzenis; en hieromtrent
stellen wij twee vragen: 1. Is de verrijzenis van Christus oorzaak van onze verrijzenis?
2. Is de verrijzenis van Christus oorzaak van onze rechtvaardiging?
Articulus 2. Is de verrijzenis van Christus oorzaak van onze rechtvaardiging?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod resurrectio Christi non sit causa resurrectionis
animarum. Dicit enim Augustinus, super Ioan., quod corpora resurgunt per dispensationem
humanam, sed animae resurgunt per substantiam Dei. Sed resurrectio Christi non pertinet
ad substantiam Dei, sed ad dispensationem humanam. Ergo resurrectio Christi, etsi
sit causa resurrectionis corporum, non tamen videtur esse causa resurrectionis animarum. (IIIa q. 56 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de verrijzenis van Christus geen oorzaak is van de verrijzenis der
zielen. Augustinus immers zegt, dat « de lichamen verrijzen door een menselijke werking,
maar de zielen door de zelfstandigheid van God. » Christus’ verrijzenis behoort echter
niet tot de zelfstandigheid van God, maar bij de menselijke werking. Dus ofschoon
de verrijzenis van Christus oorzaak is van de verrijzenis der lichamen, is zij toch
geen oorzaak van de verrijzenis der zielen.
Praeterea, corpus non agit in spiritum. Sed resurrectio Christi pertinet ad corpus
eius, quod cecidit per mortem. Ergo resurrectio Christi non est causa resurrectionis
animarum. (IIIa q. 56 a. 2 arg. 2)
2 — Een lichaam werkt niet in op een geest. De verrijzenis van Christus nu is iets van
zijn lichaam, dat viel door de dood. Dus is Christus’ verrijzenis geen oorzaak van
de verrijzenis der zielen.
Praeterea, quia resurrectio Christi est causa resurrectionis corporum, omnium corpora
resurgent, secundum illud I Cor. XV, omnes quidem resurgemus. Sed non omnium animae
resurgent, quia quidam ibunt in supplicium aeternum, ut dicitur Matth. XXV. Ergo resurrectio
Christi non est causa resurrectionis animarum. (IIIa q. 56 a. 2 arg. 3)
3 — Terwijl de verrijzenis van Christus oorzaak is van de verrijzenis der lichamen, zullen
de lichamen van allen verrijzen, overeenkomstig het woord in de Eerste Brief aan de
Corinthiërs (15. 51): « Allen zullen we wel verrijzen. » Maar niet zullen de zielen
van allen verrijzen, daar sommigen « zullen gaan in de eeuwige straf, » zoals gezegd
wordt bij Mattheus (25. 46). Dus is de verrijzenis van Christus geen oorzaak van de
verrijzenis der zielen.
Praeterea, resurrectio animarum fit per remissionem peccatorum. Sed hoc factum est
per Christi passionem, secundum illud Apoc. I, lavit nos a peccatis nostris in sanguine
suo. Ergo resurrectionis animarum magis est causa Christi passio quam eius resurrectio. (IIIa q. 56 a. 2 arg. 4)
4 — De verrijzenis der zielen geschiedt door de vergiffenis der zonden. Dit is echter
gebeurd door het lijden van Christus, overeenkomstig het woord in het Boek der Openbaring
(1. 5): « Hij heeft ons in zijn bloed van onze zonden gereinigd. » Dus is meer het
lijden van Christus, dan zijn verrijzenis oorzaak van de verrijzenis der zielen.
Sed contra est quod apostolus dicit, Rom. IV, resurrexit propter iustificationem nostram,
quae nihil aliud est quam resurrectio animarum. Et super illud Psalmi, ad vesperum
demorabitur fletus, dicit Glossa quod resurrectio Christi causa est resurrectionis
nostrae et animae in praesenti, et corporis in futuro. (IIIa q. 56 a. 2 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat de Apostel zegt in de Brief aan de Romeinen (4. 25):
« Hij is verrezen tot onze rechtvaardiging, » welke niets anders is dan de verrijzenis
der zielen. En naar aanleiding van het gezegde in het Boek der Psalmen (29. 6): «
Des avonds zal er geweên zijn » zegt de Glossa, dat « de verrijzenis van Christus
oorzaak van onze verrijzenis is, zowel van de ziel in het heden, als van het lichaam
in de toekomst. »
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, resurrectio Christi agit in virtute divinitatis.
Quae quidem se extendit non solum ad resurrectionem corporum, sed etiam ad resurrectionem
animarum, a Deo enim est et quod anima vivit per gratiam, et quod corpus vivit per
animam. Et ideo resurrectio Christi habet instrumentaliter virtutem effectivam non
solum respectu resurrectionis corporum, sed etiam respectu resurrectionis animarum.
Similiter autem habet rationem exemplaritatis respectu resurrectionis animarum. Quia
Christo resurgenti debemus etiam secundum animam conformari, ut sicut, secundum apostolum,
Rom. VI, Christus resurrexit a mortuis per gloriam patris, ita et nos in novitate
vitae ambulemus; et sicut ipse resurgens ex mortuis iam non moritur, ita et nos existimemus
nos mortuos esse peccato, ut iterum nos vivamus cum illo. (IIIa q. 56 a. 2 co.)
Zoals gezegd werd (in het vorige Art. 3° Antw.), werkt de verrijzenis van Christus
uit de kracht der Godheid. Deze strekt zich nu niet alleen uit tot de verrijzenis
der lichamen, maar ook tot de verrijzenis der zielen; van God immers komt het voort,
zowel dat de ziel leeft door de genade, als dat het lichaam leeft door de ziel. En
daarom heeft de verrijzenis van Christus op werktuigelijke wijze een uitwerkende kracht,
niet alleen met betrekking tot de verrijzenis der lichamen, maar ook tot de verrijzenis
der zielen. — Evenzo heeft zij ook de betekenis van voorbeeld te zijn voor de verrijzenis
der zielen. Want ook naar de ziel moeten wij gelijkvormig worden aan de verrezen Christus,
volgens de Apostel in de Brief aan de Romeinen (6. 4): « Opdat zoals Christus uit
de dood verrees door de glorie van de Vader, zo ook wij zouden wandelen in een vernieuwd
leven; » en zoals Hij, « opstaande uit de doden niet meer sterft, zo ook wij ons gestorven
zouden achten aan de zonde, » om opnieuw « met Hem te leven. » (v. 8, 9, 11)
Ad primum ergo dicendum quod Augustinus dicit resurrectionem animarum fieri per Dei
substantiam, quantum ad participationem, quia scilicet participando divinam bonitatem
animae fiunt iustae et bonae, non autem participando quamcumque creaturam. Unde, cum
dixisset, animae resurgunt per substantiam Dei, subdit, participatione enim Dei fit
anima beata, non participatione animae sanctae. Sed participando gloriam corporis
Christi, efficientur corpora nostra gloriosa. (IIIa q. 56 a. 2 ad 1)
1 — Augustinus zegt, dat de verrijzenis der zielen geschiedt door Gods zelfstandigheid,
wat het deelhebben betreft, wijl de zielen namelijk door deel te hebben aan de goddelijke
goedheid goed en rechtvaardig worden, maar niet door deel te hebben aan welk schepsel
ook. En als hij daarom zegt: « De zielen verrijzen door Gods zelfstandigheid, » dan
voegt hij er aan toe: « Door immers deel te hebben aan God wordt de ziel zalig, niet
door deel te hebben aan een heilige ziel. » Door deel te hebben echter aan de glorie
van Christus’ lichaam, worden onze lichamen glorievol.
Ad secundum dicendum quod efficacia resurrectionis Christi pertingit ad animas, non
per propriam virtutem ipsius corporis resurgentis, sed per virtutem divinitatis, cui
personaliter unitur. (IIIa q. 56 a. 2 ad 2)
2 — De uitwerking van Christus’ verrijzenis strekt zich tot de zielen uit, niet door een
eigen kracht van het verrezen lichaam, maar door de kracht der Godheid, waarmee het
in persoon verenigd is.
Ad tertium dicendum quod resurrectio animarum pertinet ad meritum quod est effectus
iustificationis, sed resurrectio corporum ordinatur ad poenam vel praemium, quae sunt
effectus iudicantis. Ad Christum autem non pertinet iustificare omnes, sed iudicare.
Et ideo omnes resuscitat secundum corpus, sed non secundum animam. (IIIa q. 56 a. 2 ad 3)
3 — De verrijzenis der zielen houdt verband met de verdienste, die een effect is der rechtvaardiging;
maar de verrijzenis der lichamen is geordend op de straf of de beloning, die effecten
zijn van Hem, die oordeelt. Het komt Christus nu niet toe om allen rechtvaardig te
maken, maar om te oordelen. Daarom wekt Hij allen op naar het lichaam, maar niet allen
naar de ziel.
Ad quartum dicendum quod in iustificatione animarum duo concurrunt, scilicet remissio
culpae, et novitas vitae per gratiam. Quantum ergo ad efficaciam, quae est per virtutem
divinam, tam passio Christi quam resurrectio est causa iustificationis quoad utrumque.
Sed quantum ad exemplaritatem, proprie passio et mors Christi est causa remissionis
culpae, per quam morimur peccato, resurrectio autem est causa novitatis vitae, quae
est per gratiam sive iustitiam. Et ideo apostolus dicit, Rom. IV, quod traditus est,
scilicet in mortem, propter delicta nostra, scilicet tollenda, et resurrexit propter
iustificationem nostram. Sed passio Christi est etiam causa meritoria, ut dictum est. (IIIa q. 56 a. 2 ad 4)
4 — De rechtvaardiging der zielen omsluit een dubbel element, nl. de vergiffenis der schuld,
en de nieuwheid van leven door de genade. — Wat derhalve de uitwerking betreft, die
geschiedt door Gods kracht, is zowel Christus’ lijden als zijn verrijzenis oorzaak
der rechtvaardiging in beide opzichten. — Maar wat het voorbeeld-zijn aangaat is in
eigenlijke zin het lijden en de dood van Christus, oorzaak van de vergiffenis der
schuld, waardoor wij sterven aan de zonde; maar de verrijzenis van Christus is oorzaak
van de nieuwheid van leven, die door de genade of de gerechtigheid is. Daarom zegt
de Apostel in de Brief aan de Romeinen (4. 25), dat « Hij overgeleverd is, » nl. tot
de dood « om onze misslagen, » nl. om ze weg te nemen; « en verrezen is om onze rechtvaardiging.
» Het lijden van Christus echter is ook verdienende oorzaak, zoals gezegd is (vorige
Art. 4° Antw.).