QuaestioArticulus

Tertia Pars. Quaestio 37.
Over de besnijdenis van Christus en over de andere wettelijke voorschriften, die men het kind Christus liet nakomen .

Prooemium

Deinde considerandum est de circumcisione Christi. Et quia circumcisio est quaedam professio legis observandae, secundum illud Galat. V, testificor omni homini circumcidenti se, quoniam debitor est universae legis faciendae, simul cum hoc quaerendum est de aliis legalibus circa puerum Christum observatis. Unde quaeruntur quatuor. Primo, de eius circumcisione. Secundo, de nominis impositione. Tertio, de eius oblatione. Quarto, de matris purgatione. (IIIa q. 37 pr.)

Daarna moeten we handelen over de besnijdenis van Christus. En daar de besnijdenis een soort belofte is voor het onderhouden der wet, volgens het woord van de Apostel Aan de Galaten (5, 3): « Ik verklaar aan iedereen, die zich besnijden laat, dat hij dan verplicht is de gehele wet te onderhouden », daarom moeten we tegelijkertijd handelen over de andere wettelijke voorschriften, die men het kind Christus heeft na gelaten komen. En daarom stellen we vier vragen. 1. Over zijn besnijdenis. 2. Over de naam, die men aan Christus gegeven heeft. 3. Over zijn opdracht. 4. Over de zuivering der moeder.

Articulus 1.
Had Christus besneden moeten worden?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod Christus non debuerit circumcidi. Veniente enim veritate, cessat figura. Sed circumcisio fuit Abrahae praecepta in signum foederis quod erat de semine nascituro, ut patet Gen. XVII. Hoc autem foedus fuit in Christi nativitate completum. Ergo circumcisio statim cessare debuit. (IIIa q. 37 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus niet besneden had moeten worden. Bij de komst der waarheid immers, houdt de voorafbeelding op. Nu was de besnijdenis aan Abraham voorgeschreven ten teken van het verbond over een toekomstig nageslacht, zoals blijkt uit het Boek Genesis (17e h.). Dat verbond echter is vervuld geworden bij de geboorte van Christus. Dus had de besnijdenis onmiddellijk moeten ophouden.

Praeterea, omnis Christi actio nostra est instructio, unde dicitur Ioan. XIII, exemplum dedi vobis, ut, quemadmodum ego feci vobis, ita et vos faciatis. Sed nos non debemus circumcidi, secundum illud Galat. V, si circumcidimini, Christus vobis nihil proderit. Ergo videtur quod nec Christus debuit circumcidi. (IIIa q. 37 a. 1 arg. 2)

2 — Iedere daad van Christus dient ons tot onderrichting. Vandaar lezen we ook bij Joannes (13, 15): « Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook gij zou doen, zoals Ik u heb gedaan ». Maar wij behoeven niet besneden te worden naar het woord van de Apostel Aan de Galaten (5, 2): « Als ge u besnijden laat, zal Christus u niets baten ». Dus had ook Christus niet besneden moeten worden.

Praeterea, circumcisio est ordinata in remedium originalis peccati. Sed Christus non contraxit originale peccatum, ut ex supra dictis patet. Ergo Christus non debuit circumcidi. (IIIa q. 37 a. 1 arg. 3)

3 — De besnijdenis bedoelt een redmiddel te zijn van de erfzonde. Nu heeft Christus de erfzonde niet gecontraheerd (1), zoo als blijkt uit wat boven gezegd is (4° Kw., 6° Art., Antw. op de 1° Bed.; 14° Kw., 3° Art.; 15° Kw., 1° Art.). Dus moest Christus ook niet besneden worden.

Sed contra est quod dicitur Luc. II, postquam consummati sunt dies octo, ut circumcideretur puer. (IIIa q. 37 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter wat Lucas zegt (2, 21): « En toen de acht dagen voorbij waren, die zijn besnijdenis vooraf moesten gaan... »

Respondeo dicendum quod pluribus de causis Christus debuit circumcidi. Primo quidem, ut ostendat veritatem carnis humanae, contra Manichaeum, qui dixit eum habuisse corpus phantasticum; et contra Apollinarium, qui dixit corpus Christi esse divinitati consubstantiale; et contra Valentinum, qui dixit Christum corpus de caelo attulisse. Secundo, ut approbaret circumcisionem, quam olim Deus instituerat. Tertio, ut comprobaret se esse de genere Abrahae, qui circumcisionis mandatum acceperat in signum fidei quam de ipso habuerat. Quarto, ut Iudaeis excusationem tolleret ne eum reciperent, si esset incircumcisus. Quinto, ut obedientiae virtutem nobis suo commendaret exemplo. Unde et octava die circumcisus est, sicut erat in lege praeceptum. Sexto, ut qui in similitudinem carnis peccati advenerat, remedium quo caro peccati consueverat mundari, non respueret. Septimo, ut, legis onus in se sustinens, alios a legis onere liberaret, secundum illud Galat. IV, misit Deus filium suum factum sub lege, ut eos qui sub lege erant redimeret. (IIIa q. 37 a. 1 co.)

Om velerlei redenen moest Christus besneden worden. En wel ten eerste, om de waarachtigheid van zijn menselijk vlees aan te tonen: tegen Manichaeus, die zei dat Hij een schijnlichaam gehad heeft; en tegen Apollinarius, die beweerde, dat Christus’ lichaam medezelfstandig was met de god- heid; en tegen Valentinus, die zei, dat Christus een lichaam van de hemel had meegebracht. Ten tweede, om de besnijdenis goed te keuren, welke God eertijds had ingevoerd. Ten derde, om te bevestigen, dat Hij van Abrahams geslacht was, die het bevel der besnijdenis ontvangen had, ten teken van het geloof, dat hij in Hem bezat. Ten vierde, om aan de Joden een goede reden te ontnemen, om Hem, als onbesnedene, af te wijzen. Ten vijfde « om ons door zijn voorbeeld de kracht der gehoorzaamheid in te prenten » (vgl. Beda, 10e Homelie op het feest van de Besnijdenis). Vandaar werd Hij ook, zoals in de wet voorgeschreven was, op de achtste dag besneden. Ten zesde, opdat Hij die in de gedaante van het zondige vlees hier gekomen was, zelf het geneesmiddel niet zou versmaden, waardoor Hij het zondige vlees gewoon was te zuiveren. Ten zevende, opdat Hij, na zelf de last der wet gedragen te hebben, anderen er van zou bevrijden, naar het woord van de Apostel Aan de Galaten (4, 4, 5): « God heeft zijn eigen Zoon gezonden, opdat Hij hen loskopen zou, die onder de wet stonden ».

Ad primum ergo dicendum quod circumcisio, per remotionem carnalis pelliculae in membro generationis facta, significabat spoliationem vetustae generationis. A qua quidem vetustate liberamur per passionem Christi. Et ideo veritas huius figurae non fuit plene impleta in Christi nativitate, sed in eius passione, ante quam circumcisio suam virtutem et statum habebat. Et ideo decuit Christum, ante suam passionem, tanquam filium Abrahae, circumcidi. (IIIa q. 37 a. 1 ad 1)

1 — De besnijdenis, die uitgevoerd werd door de voorhuid van het geslachtslid weg te nemen, verzinnebeeldde de beroving van de verouderde leefwijze. Nu worden we van dat oude verlost door Christus’ lijden. En dus was de waarheid van dit zinnebeeld niet volledig in vervulling gegaan bij Christus’ geboorte, maar pas bij zijn lijden: daarvoor behield de besnijdenis haar kracht en plaats. En dus behoorde Christus vóór zijn lijden, als zijnde een zoon van Abraham, besneden te worden.

Ad secundum dicendum quod Christus circumcisionem suscepit eo tempore quo erat sub praecepto. Et ideo sua actio in hoc est nobis imitanda, ut observemus ea quae sunt nostro tempore in praecepto. Quia unicuique negotio est tempus et opportunitas, ut dicitur Eccle. VIII. Et praeterea, ut Origenes dicit, sicut mortui sumus cum illo moriente, et consurreximus Christo resurgenti, ita circumcisi sumus spirituali circumcisione per Christum. Et ideo carnali circumcisione non indigemus. Et hoc est quod apostolus dicit, Coloss. II, in quo, scilicet Christo, circumcisi estis circumcisione non manu facta in exspoliatione corporis carnis, sed in circumcisione domini nostri Iesu Christi. (IIIa q. 37 a. 1 ad 2)

2 — Christus ontving de besnijdenis in de tijd, dat Hij nog onder het gebod viel. Zijn handeling moet dus door ons in zoverre nagevolgd worden, dat ook wij datgene doen, waartoe wij nu verplicht zijn. Want de Prediker zegt (8, 6): « Alles heeft zijn tijd en gelegenheid ». Origenes (14e Homelie op Lucas) zegt daarenboven nog: « Evenals wij met Hem gestorven zijn, toen Hij stierf, en wij met de verrezen Christus medeverrezen zijn, zo zijn we ook door Christus besneden met een geestelijke besnijdenis. En dus hebben wij de vleselijke besnijdenis niet nodig ». En dat is ook wat de Apostel zegt in zijn Brief aan de Colossenzen (2, 11): « In Hem (d. i. Christus) zijt ge besneden met een besnijdenis, die niet met de handen verricht wordt door de verwijdering van het vleselijk lichaam, maar door de besnijdenis van onze Heer Jesus Christus ».

Ad tertium dicendum quod, sicut Christus propria voluntate mortem nostram suscepit, quae est effectus peccati, nullum in se habens peccatum, ut nos a morte liberaret, et spiritualiter nos faceret mori peccato; ita etiam circumcisionem, quae est remedium originalis peccati, suscepit absque hoc quod haberet originale peccatum, ut nos a legis iugo liberaret, et ut in nobis spiritualem circumcisionem efficeret; ut scilicet, suscipiendo figuram, impleret veritatem. (IIIa q. 37 a. 1 ad 3)

3 — Gelijk Christus uit eigen beweging onze dood op zich nam, die een gevolg is der zonde, ofschoon Hij in zichzelf geen zonde had, om ons van de dood te verlossen en ons op een geestelijke wijze aan de zonde te doen sterven; zo ontving Hij ook de besnijdenis, het geneesmiddel voor de erfzonde, zonder dat Hij zelf de erfzonde bezat, om ons van het juk der wet te bevrijden en in ons een geestelijke besnijdenis uit te werken; en dit alles, om door de aanname van het zinnebeeld de waarheid in vervulling te doen gaan.

Articulus 2.
Was het wel passend, dat men Christus een naam gegeven heeft?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod inconvenienter fuerit Christo nomen impositum. Veritas enim evangelica debet praenuntiationi propheticae respondere. Sed prophetae aliud nomen de Christo praenuntiaverunt, dicitur enim Isaiae VII, ecce, virgo concipiet et pariet filium, et vocabitur nomen eius Emmanuel; et VIII, voca nomen eius, accelera, spolia detrahe, festina praedari; et IX, vocabitur nomen eius, admirabilis, consiliarius, Deus, fortis, pater futuri saeculi, princeps pacis; et Zach. VI dicitur, ecce vir, oriens nomen eius. Ergo inconvenienter vocatum est nomen eius Iesus. (IIIa q. 37 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het niet passend is geweest, dat men Christus een naam gegeven heeft. De waarheid immers van het Evangelie, moet aan de voorzeggingen der Profeten beantwoorden. Nu hebben de Profeten een andere naam van Christus voorzegd: want bij Isaïas lezen we (7, 14): « Zie, de Maagd zal ontvangen en een Zoon baren, en zijn naam zal genoemd worden Emmanuel »; en verder (8, 3): « Noem zijn naam: Ras neem buit, ijl naar roof »; en dan nog (9, 6): « Zijn naam zal genoemd worden Wonderbare, Raadgever, God, Machtige, Vader der toekomst, Vredevorst »; en bij Zacharias (6, 12): « Zie een man, de Oprijzende is zijn naam ». Dus behoorde Hij niet Jezus genoemd te worden.

Praeterea, Isaiae LXII dicitur, vocabitur tibi nomen novum, quod os domini nominavit. Sed hoc nomen Iesus non est nomen novum, sed pluribus fuit in veteri testamento impositum, ut patet etiam ex ipsa genealogia Christi, Luc. III. Ergo videtur quod inconvenienter vocatum est nomen eius Iesus. (IIIa q. 37 a. 2 arg. 2)

2 — Bij Isaïas lezen we (62, 2): « U zal een nieuwe naam toekomen, die 's Heren mond noemen zal ». Maar deze naam Jesus is geen nieuwe naam; velen in het oude Testament heetten zo, zoals zelfs blijkt uit de geslachtsboom van Christus bij Lucas (3, 29). Dus behoorde zijn naam niet Jezus genoemd te worden.

Praeterea, hoc nomen Iesus salutem significat, ut patet per id quod dicitur Matth. I, pariet filium, et vocabis nomen eius Iesum, ipse enim salvum faciet populum suum a peccatis eorum. Sed salus per Christum non est facta solum in circumcisione, sed etiam in praeputio, ut patet per apostolum, Rom. IV. Inconvenienter ergo hoc nomen fuit Christo impositum in sua circumcisione. (IIIa q. 37 a. 2 arg. 3)

3 — Deze naam Jesus betekent heil, zoals blijkt uit wat Matthaeus zegt (1, 21): « Ze zal een zoon baren, en ge zult zijn naam Jesus noemen; want Hij zal zijn volk verlossen van hun zonden ». Het heil door Christus was echter niet alleen bestemd voor de besnedenen, maar ook voor de onbesnedenen, zoals blijkt uit de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (4, 11, 12). Het was dus niet passend, dat Christus bij zijn besnijdenis zo genoemd werd.

Sed contra est auctoritas Scripturae, in qua dicitur, Luc. II, quod, postquam consummati sunt dies octo, ut circumcideretur puer, vocatum est nomen eius Iesus. (IIIa q. 37 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter het gezag der H. Schrift, waarin bij Lucas gezegd wordt (2, 21): « En toen de acht dagen voorbij waren, die zijn besnijdenis vooraf moesten gaan, gaven ze Hem de naam Jesus ».

Respondeo dicendum quod nomina debent proprietatibus rerum respondere. Et hoc patet in nominibus generum et specierum, prout dicitur IV Metaphys., ratio enim quam significat nomen, est definitio, quae designat propriam rei naturam. Nomina autem singularium hominum semper imponuntur ab aliqua proprietate eius cui nomen imponitur. Vel a tempore, sicut imponuntur nomina aliquorum sanctorum his qui in eorum festis nascuntur. Vel a cognatione, sicut cum filio imponitur nomen patris, vel alicuius de cognatione eius; sicut propinqui Ioannis Baptistae volebant eum vocare nomine patris sui Zachariam, non autem Ioannem, quia nullus erat in cognatione eius qui vocaretur hoc nomine, ut dicitur Luc. I. Vel etiam ab eventu, sicut Ioseph vocavit primogenitum suum Manassen, dicens, oblivisci me fecit Deus omnium laborum meorum, Gen. XLI. Vel etiam ex aliqua qualitate eius cui nomen imponitur, sicut Gen. XXV dicitur quod, quia qui primo egressus est de utero matris, rufus erat, et totus in morem pellis hispidus, vocatum est nomen eius Esau, quod interpretatur rubeus. Nomina autem quae imponuntur divinitus aliquibus, semper significant aliquod gratuitum donum eis divinitus datum, sicut Gen. XVII dictum est Abrahae, appellaberis Abraham, quia patrem multarum gentium constitui te; et Matth. XVI dictum est Petro, tu es Petrus, et super hanc petram aedificabo Ecclesiam meam. Quia igitur homini Christo hoc munus gratiae collatum erat ut per ipsum omnes salvarentur, ideo convenienter vocatum est nomen eius Iesus, idest salvator, Angelo hoc nomen praenuntiante non solum matri, sed etiam Ioseph, quia erat futurus eius nutritius. (IIIa q. 37 a. 2 co.)

De namen moeten aan de eigenschappen der dingen beantwoorden. En dit blijkt uit de namen der geslachten en soorten, zoals gezegd wordt in het 4e Boek der Metaphysica (3e B., 7e H.): « Het begrip, waarvan de naam het teken is, is de definitie », die het eigen wezen ener zaak aanduidt. De namen nu der afzonderlijke mensen worden altijd gegeven om een eigenschap van hem, wie men een naam geeft. En die eigenschap kan zijn, ofwel de tijd: zo worden de namen van Heiligen gegeven aan hen, die op hun feest geboren worden. Ofwel de familie: zo wanneer men aan de zoon de naam van de vader geeft, of van iemand uit zijn familie; zo wilden de bloedverwanten van Joannes de Doper hem noemen naar de naam van zijn vader Zacharias en niet Joannes, daar er niemand in zijn familie was, die dezen naam had, zoals we lezen bij Lucas (1, 59). Of ook wel naar een gebeurtenis: zo noemde Joseph zijn eerstgeborene Manasses, zeggende: God heeft mij al mijn arbeid doen vergeten. (Boek der Schepping, 41, 51). Of ook naar een hoedanigheid van hem, wie men een naam geeft; zo wordt in het Boek der Schepping (25, 25) gezegd: « Die het eerst uit de schoot der moeder kwam, was rood, en geheel rouw gelijk een vel, en daarom werd zijn naam genoemd Esau », wat betekent rossig. De namen echter, die God geeft, duiden altijd op een of andere door God om niet geschonken gave : zo wordt in het Boek der Schepping (17, 5) tot Abraham gezegd: « Gij zult genoemd worden Abraham : want Ik heb u tot vader van vele volkeren gesteld »; en bij Mattheus wordt tot Petrus gezegd (16, 18) : « Gij zijt Petrus: en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen ».

Ad primum ergo dicendum quod in omnibus illis nominibus quodammodo significatur hoc nomen Iesus, quod est significativum salutis. Nam in hoc quod dicitur Emmanuel, quod interpretatur, nobiscum Deus, designatur causa salutis, quae est unio divinae et humanae naturae in persona filii Dei, per quam factum est ut Deus esset nobiscum. Per hoc autem quod dicitur, voca nomen eius, accelera, spolia detrahe, etc., designatur a quo nos salvaverit, quia a Diabolo, cuius spolia abstulit, secundum illud Coloss. II, exspolians principatus et potestates, traduxit confidenter. In hoc autem quod dicitur, vocabitur nomen eius admirabilis, etc., designatur via et terminus nostrae salutis, inquantum scilicet admirabili divinitatis consilio et virtute, ad haereditatem futuri saeculi perducimur, in quo erit pax perfecta filiorum Dei, sub ipso principe Deo. Quod vero dicitur, ecce vir, oriens nomen eius, ad idem refertur ad quod primum, scilicet ad incarnationis mysterium, secundum quod exortum est in tenebris lumen rectis corde. (IIIa q. 37 a. 2 ad 1)

1 — In al die namen wordt op de een of andere manier de naam Jesus aangeduid, welke heil betekent. Want met de naam Emmanuel, dat is vertaald: God met ons (Mattheus, 1, 23), wordt de oorzaak van het heil aangegeven, namelijk de vereniging der goddelijke en menselijke natuur in de persoon van de Zoon van God, door welke vereniging geschieden kon, dat God met ons was. Als echter gezegd wordt: « Noem zijn naam, Ras neem buit, enz. » wordt aangegeven, waarvan Hij ons zal redden: namelijk de duivel, wien Hij zijn buit heeft afgenomen, volgens de Brief aan de Colossenzen (2, 15): « Hij heeft de heerschappijen en machten van hun buit beroofd, en openlijk ten toon gesteld ». Wanneer daarentegen gezegd wordt: « Zijn naam zal genoemd worden Wonderbare » enz., wordt de weg en het eindpunt van ons heil aangeduid, in zoverre wij namelijk door een wonderbare raad en kracht der godheid, tot het erfdeel der toekomstige tijden gebracht worden, waar een volmaakte vrede zal zijn tussen de zonen Gods, onder de Heerschappij van God zelf. De tekst: « Zie een man, Oprijzende is zijn naam », heeft op hetzelfde als de eerste betrekking, namelijk op het geheim der vleeswording: in zoverre er in de duisternis voor de vromen een licht is opgegaan (Psalm 111, 4).

Ad secundum dicendum quod his qui fuerunt ante Christum potuit convenire hoc nomen Iesus secundum aliquam aliam rationem, puta quia aliquam particularem et temporalem salutem attulerunt. Sed secundum rationem spiritualis et universalis salutis, hoc nomen est proprium Christo. Et secundum hoc dicitur esse novum. (IIIa q. 37 a. 2 ad 2)

2 — Aan hen die vóór Christus leefden, kon deze naam Jezus om een andere reden toekomen: zo b. v. omdat ze in een bijzonder geval slechts een tijdelijke uitkomst brachten. Maar in de betekenis van een geestelijk en algemeen heil, is het een eigennaam voor Christus. En in zoverre kan gezegd worden, dat het een nieuwe naam is.

Ad tertium dicendum quod, sicut Gen. XVII legitur, simul Abraham suscepit impositionem nominis a Deo, et circumcisionis mandatum. Et ideo apud Iudaeos consuetum erat ut ipso die circumcisionis nomina pueris imponerentur, quasi ante circumcisionem perfectum esse non habuerint, sicut etiam nunc pueris in Baptismo nomina imponuntur. Unde super illud Proverb. IV, ego filius fui patris mei, tenellus et unigenitus coram matre mea, dicit Glossa, quare Salomon se unigenitum coram matre vocat, quem fratrem uterinum praecessisse Scriptura testatur, nisi quia ille mox natus sine nomine, quasi nunquam esset, de vita decessit? Et ideo Christus, simul cum fuit circumcisus, nominis impositionem accepit. (IIIa q. 37 a. 2 ad 3)

3 — Zoals in het Boek der Schepping te lezen staat (17° H.), ontving Abraham toen hem door God een naam gegeven werd, tegelijkertijd ook het gebod der besnijdenis. En daarom ook bestond bij de Joden de gewoonte om op de dag zelf der besnijdenis aan de kinderen een naam te geven, alsof ze hielden, dat ze vóór de besnijdenis nog niet volmaakt waren. Zo krijgen ook nu de kinderen bij het doopsel hun naam. Vandaar zegt de Glossa op de woorden uit het Boek der Spreuken (4, 3): « Ik was mijns vaders teergeliefde zoon, en het enigste kind mijner moeder »: « Waarom anders noemt Salomon zich het enigste kind zijner moeder, ofschoon de Schrift toch getuigt, dat hem al een broeder was voorafgegaan, dan omdat deze, nauwelijks geboren, zonder naam uit het leven gegaan is, alsof hij nooit bestaan had? » En daarom ontving Christus dus bij zijn besnijdenis zijn naam.

Articulus 3.
Paste het wel, dat Christus in den tempel werd opgedragen?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod inconvenienter fuerit Christus in templo oblatus. Dicitur enim Exod. XIII, sanctifica mihi omne primogenitum quod aperit vulvam in filiis Israel. Sed Christus exivit de clauso virginis utero, et ita matris vulvam non aperuit. Ergo Christus ex hac lege non debuit in templo offerri. (IIIa q. 37 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het niet passend is geweest dat Christus in de tempel werd opgedragen. In het Boek van de Uittocht wordt immers gezegd (13, 2): « Heilig mij al het eerstgeborene dat de baarmoeder opent onder de kinderen van Israël ». Maar Christus kwam ter wereld, zonder dat de schoot der Maagd zich opende: en zo opende Hij de baarmoeder der moeder niet. Dus Christus moest om die wet niet in de tempel opgedragen worden.

Praeterea, illud quod est semper praesens alicui, non potest ei praesentari. Sed Christi humanitas semper fuit Deo maxime praesens, utpote ei semper coniuncta in unitate personae. Ergo non oportuit quod coram domino sisteretur. (IIIa q. 37 a. 3 arg. 2)

2 — Wat iemand altijd nabij is, behoeft hem niet tegenwoordig gesteld te worden. Nu was de mensheid van Christus altijd zo dicht mogelijk bij God, daar ze in de eenheid van de persoon steeds met Hem verbonden was. Dus was het niet nodig dat Hij aan God werd opgedragen.

Praeterea, Christus est hostia principalis, ad quam omnes hostiae veteris legis referuntur sicut figura ad veritatem. Sed hostiae non debet esse alia hostia. Ergo non fuit conveniens ut pro Christo alia hostia offerretur. (IIIa q. 37 a. 3 arg. 3)

3 — Christus is de voornaamste offerande, waartoe al de offeranden van het oude testament in verhouding staan, als voorafbeelding tot werkelijkheid. Maar voor een offerande behoeft geen andere offerande opgedragen te worden. Het was bijgevolg niet passend, dat er voor Christus een andere offerande werd opgedragen.

Praeterea, inter legales hostias praecipue fuit agnus, qui erat iuge sacrificium, ut habetur Num. XXVIII. Unde etiam Christus dicitur agnus, Ioan. I, ecce agnus Dei. Magis ergo fuit conveniens quod pro Christo offerretur agnus quam par turturum vel duo pulli columbarum. (IIIa q. 37 a. 3 arg. 4)

4 — Onder de offers der wet was het lam het voornaamste, dat, zoals blijkt uit het Boek der Getallen (28, 3, 6) een gedurige offerande was. Vandaar wordt Christus ook het Lam genoemd bij Johannes (1, 29): « Zie het Lam Gods ». Het zou dus betamelijker geweest zijn, als voor Christus een lam geofferd was, in plaats van een paar tortels of twee jonge duiven.

Sed in contrarium est auctoritas Scripturae, quae hoc factum esse testatur, Luc. II. (IIIa q. 37 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter het gezag der Schrift, die getuigt, dat het zo geschied is (Lucas, 2, 22).

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, Christus voluit sub lege fieri, ut eos qui sub lege erant redimeret, et ut iustificatio legis in suis membris spiritualiter impleretur. De prole autem nata duplex praeceptum in lege traditur. Unum quidem generale quantum ad omnes, ut scilicet, completis diebus purificationis matris, offerretur sacrificium pro filio sive pro filia, ut habetur Levit. XII. Et hoc quidem sacrificium erat et ad expiationem peccati, in quo proles erat concepta et nata, et etiam ad consecrationem quandam ipsius, quia tunc primo praesentabatur in templo. Et ideo aliquid offerebatur in holocaustum, et aliquid pro peccato. Aliud autem praeceptum erat speciale in lege de primogenitis tam in hominibus quam in iumentis, sibi enim dominus deputaverat omne primogenitum in Israel, pro eo quod, ad liberationem populi Israel, percusserat primogenita Aegypti ab homine usque ad pecus, primogenitis filiorum Israel reservatis. Et hoc mandatum ponitur Exod. XIII. In quo etiam praefigurabatur Christus, qui est primogenitus in multis fratribus, ut dicitur Rom. VIII. Quia igitur Christus, ex muliere natus, erat primogenitus; et voluit fieri sub lege, haec duo Evangelista Lucas circa eum fuisse observata ostendit. Primo quidem, id quod pertinet ad primogenitos, cum dicit, tulerunt illum in Ierusalem, ut sisterent eum domino, sicut scriptum est in lege domini, quia omne masculinum adaperiens vulvam sanctum domino vocabitur. Secundo, id quod pertinet communiter ad omnes, cum dicit, et ut darent hostiam, secundum quod dictum erat in lege domini, par turturum aut duos pullos columbarum. (IIIa q. 37 a. 3 co.)

Zoals gezegd is (1° Art.) wilde Christus onder de wet geboren worden, opdat Hij hen, die onder de wet stonden zou loskopen, en opdat de gerechtigheid der wet in zijn ledematen op een geestelijke wijze zou vervuld worden. Nu wordt er aangaande een geboren kind een tweevoudig voorschrift in de wet gegeven. Het eerste is van algemene aard en heeft op allen betrekking, en het luidt, dat, als de dagen van de zuivering der moeder voleind zijn, een offerande opgedragen worde voor een zoon of voor een dochter, zoals blijkt uit Leviticus (12, 6 vlg.). Deze offerande nu, had tot doel, zowel de verzoening voor de zonde, waarin het kind ontvangen en geboren was, als ook een zekere heiliging, daar het toen voor het eerst in de tempel werd opgedragen. En daarom werd er iets ten brandoffer opgedragen en iets voor de zonde. Het andere voorschrift der wet, was van bijzondere aard en had zowel op de mensen als op de dieren betrekking: want God had zich al de eerstgeborenen in Israël toegeëigend, daar Hij, om het volk van Israël te redden, met behoud van de eerstgeborenen der zonen Israëls, de eerstgeborenen van Egypte, van de mensen tot de dieren toe, geslagen had. (Uittocht, 12, 12, 13, 29) En dit bevel staat in het Boek van de Uittocht (13, 2, 12). Ook hierin werd Christus voorafgebeeld, die de eerstgeborene is onder vele broeders, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (8, 19). Omdat dus Christus, geboren uit een vrouw, een eerstgeborene was, en onder de wet wilde geboren worden (vgl. Galaten, 4, 4), daarom laat de Evangelist Lucas zien, dat die twee voorschriften, ook met betrekking tot Hem, in acht genomen zijn. En ten eerste, datgene wat de eerstgeborenen betreft, als hij zegt (2, 22, 23): « Ze brachten Hem naar Jeruzalem, om Hem op te dragen aan de Heer, omdat ieder kind van het mannelijk geslacht, dat de moederschoot opent, de Heer moet worden toegewijd ». En het tweede, dat op allen in het algemeen betrekking heeft, daar, waar hij zegt: « En om een offer te brengen, naar het bevel van ’s Heren wet, een paar tortels of twee jonge duiven ». (v. 24).

Ad primum ergo dicendum quod, sicut Gregorius Nyssenus dicit, illud legis praeceptum in solo incarnato Deo singulariter et ab aliis differenter impleri videtur. Ipse namque solus, ineffabiliter conceptus ac incomprehensibiliter editus, virginalem uterum aperuit, non antea connubio reseratum, servans et post partum inviolabiliter signaculum castitatis. Unde quod dicit, aperiens vulvam, designat quod nihil antea inde intraverat vel exiverat. Et per hoc etiam specialiter dicitur masculinus, quia nihil de femineitate culpae portavit. Singulariter etiam sanctus, qui terrenae contagia corruptelae, immaculati partus novitate, non sensit. (IIIa q. 37 a. 3 ad 1)

1 — Gregorius van Nyssa zegt in zijn werk Over de komst des Heren: « Dit voorschrift der wet schijnt in de vleesgeworden God alleen, op een bijzondere en van alle andere verschillende wijze, nagekomen te worden. Want Hij alleen, op een onuitsprekelijke manier ontvangen en op onbegrijpelijke wijze gebaard, opende een maagdelijke schoot, die niet van tevoren door echtelijke omgang al geopend was en die ook na de baring het zegel der kuisheid ongeschonden wist te bewaren ». Met derhalve te zeggen: de moederschoot openend, duidt hij aan dat van tevoren er niets in- of uitgegaan was. En daarom ook wordt Hij in het bijzonder « van het mannelijk geslacht » genoemd: omdat Hij niets van de schuld der vrouw droeg. (Gregorius van Nyssa t. a. p.) Bij uitstek ook « heilig »: « Hij die, dank zij iets geheel nieuws: een onbevlekte baring, de besmetting van het aardsch bederf niet gevoeld heeft ». (Ambrosius, Uitleg van Lucas, 2° B., op 2, 23).

Ad secundum dicendum quod, sicut filius Dei non propter seipsum factus est homo et circumcisus in carne, sed ut nos per gratiam faceret deos, et ut spiritualiter circumcidamur; sic propter nos sistitur domino, ut discamus Deo praesentare nosipsos. Et hoc post circumcisionem eius factum est, ut ostendat neminem nisi circumcisum vitiis, dignum esse divinis conspectibus. (IIIa q. 37 a. 3 ad 2)

2 — Gelijk de Zoon Gods niet om zichzelf mens geworden is en in het vlees besneden werd, maar om ons door de genade tot Goden te maken en opdat wij op een geestelijke wijze zouden besneden worden; zo wordt Hij ook om ons aan de Heer opge-dragen, opdat wij zouden leren onszelf aan God aan te bieden. (Athanasius in Lucas, 2, 23). En dit had plaats ná zijn besnijdenis, om aan te tonen dat alleen hij die van zijn ondeugden is besneden, de goddelijke blikken waardig is. (Beda, Uitleg van Lucas op 2, 23).

Ad tertium dicendum quod propter hoc ipsum voluit hostias legales pro se offerri, qui erat vera hostia, ut figura veritati coniungeretur, et per veritatem figura approbaretur, contra illos qui Deum legis negant a Christo fuisse in Evangelio praedicatum. Non enim putandum est, ut Origenes dicit, quod filium suum bonus Deus sub lege inimici fecerit, quam ipse non dederat. (IIIa q. 37 a. 3 ad 3)

3 — De eigenlijke reden, waarom Hij, die het waarachtige offer is, voor zichzelf de wettelijke offeranden liet opdragen, was om de voorafbeelding met de werkelijkheid te verbinden en door de werkelijkheid de voorafbeelding te bevestigen: waardoor Hij een bewijs leverde tegen hen, die zeggen, dat de God der wet door Christus in het Evangelie niet is gepredikt. « Want het is niet aan te nemen zoals Origenes zegt (14° Homelie op Lucas), dat de goede God zijn Zoon onder de wet van een vijand, welke Hij dus zelf niet gegeven had, zou hebben laten geboren worden ».

Ad quartum dicendum quod Levit. XII praecipitur ut qui possent, agnum pro filio aut filia, simul et turturem sive columbam offerrent, qui vero non sufficerent ad offerendum agnum, duos turtures aut duos columbae pullos offerrent. Dominus ergo, qui, cum dives esset, propter nos egenus factus est, ut illius inopia divites essemus, ut dicitur II Cor. VIII, pro se pauperum hostiam voluit offerri, sicut et in ipsa nativitate pannis involvitur et reclinatur in praesepio. Nihilominus tamen huiusmodi aves figurae congruunt. Turtur enim, quia est avis loquax, praedicationem et confessionem fidei significat; quia vero est animal castum, significat castitatem; quia vero est animal solitarium, significat contemplationem. Columba vero est animal mansuetum et simplex, mansuetudinem et simplicitatem significans. Est autem animal gregale, unde significat vitam activam. Et ideo huiusmodi hostia significabat perfectionem Christi et membrorum eius. Utrumque autem animal, propter consuetudinem gemendi, praesentes sanctorum luctus designat, sed turtur, quae est solitaria, significat orationum lacrimas; columba vero, quae est gregalis, significat publicas orationes Ecclesiae. Utrumque tamen animal duplicatum offertur, ut sanctitas sit non solum in anima, sed etiam in corpore. (IIIa q. 37 a. 3 ad 4)

4 — In het Boek der Levieten (12, 6, 8) wordt voorgeschreven dat zij, die het kunnen doen voor een zoon of een dochter een lam met een tortelduif of een duif offeren: die echter niet voldoende bezitten om een lam te offeren, moeten een offer brengen van twee tortelduiven of twee jonge duiven. (Beda, 15e Homelie op het feest van Maria Lichtmis). De Heer echter, die naar het woord van de Tweede Korinthierbrief (8, 9) « om onzentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat wij rijk zouden worden door zijn armoede », wilde dat voor Hem het offer der armen gebracht zou worden (Beda, Verklaring van Lucas, 1e B.): evenals Hij bij zijn geboorte in doeken gewikkeld wordt en in een kribbe wordt neergelegd. (Lucas, 2, 7). Maar toch kunnen deze vogels wel als voorafbeelding dienst doen. De tortelduif betekent immers, omdat zij een vogel is die nog al graag praat, de prediking en de belijdenis van het geloof; en omdat ze een kuisch dier is, betekent ze de kuisheid; en wil ze een dier zijn, dat op zich zelf leeft, betekent ze de beschouwing. De duif daarentegen is een zachtmoedig en eenvoudig dier en duidt daarom de zachtmoedigheid en de eenvoud aan. Zij is echter een dier, dat in zwermen leeft en vandaar betekent zij het actieve leven. En dus betekende dit soort offerande de volmaaktheid van Christus en van zijn ledematen. — Om hun gewoonte van te kirren, duiden beide dieren echter de tegenwoordige weeklachten der heiligen aan: maar de tortelduif betekent, omdat zij op zich zelf leeft, de tranen die onder het bidden gestort worden; de duif daarentegen betekent, omdat zij in zwermen leeft, de openbare gebeden der Kerk. (Beda, 15° Homelie, op het feest van Maria Lichtmis). — Beide dieren worden echter in paren geofferd als om aan te duiden, dat niet alleen de ziel, maar ook het lichaam heilig moet zijn.

Articulus 4.
Behoorde de Moeder Gods wel op te gaan naar den tempel om gezuiverd te worden?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod inconvenienter mater Dei purganda ad templum accesserit. Purgatio enim non videtur esse nisi ab immunditia. Sed in beata virgine nulla fuit immunditia, ut ex supra dictis patet. Ergo non debuit ut purganda ad templum accedere. (IIIa q. 37 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het niet passend was, dat Gods Moeder op is gegaan naar de tempel om gezuiverd te worden. Men laat zich immers alleen maar van onreinheid zuiveren. Maar, zoals uit het voorafgaande blijkt (het vorige Artikel, Antwoord op de 1° Vraag; 27° Kw., 3° en 4° Artikel), was in de Heilige Maagd geen enkele onreinheid. Zij behoefde dus niet op te gaan naar de tempel om gezuiverd te worden.

Praeterea, Levit. XII dicitur, mulier quae, suscepto semine, peperit masculum, immunda erit septem diebus, et ideo ei praecipitur quod non ingrediatur sanctuarium, donec impleantur dies purgationis eius. Sed beata virgo peperit masculum sine virili semine. Non ergo debuit venire ad templum purganda. (IIIa q. 37 a. 4 arg. 2)

2 — In het Boek der Levieten wordt gezegd (12, 2): « Een bevruchte vrouw, die een kind baart van het mannelijk geslacht, zal zeven dagen onrein zijn »; en daarom wordt haar voorgeschreven dat zij het heiligdom niet mag binnengaan, totdat de dagen harer zuivering volbracht zijn. (t. a. p. 4). De Heilige Maagd nu, baarde een kind van het mannelijk geslacht zonder door een man bevrucht te zijn. Zij moest dus niet tot de tempel komen om gezuiverd te worden.

Praeterea, purgatio ab immunditia non fit nisi per gratiam. Sed sacramenta veteris legis gratiam non conferebant, sed ipsa potius secum gratiae auctorem habebat. Non ergo conveniens fuit ut beata virgo ad templum purganda veniret. (IIIa q. 37 a. 4 arg. 3)

3 — Alleen door de genade kan men van zijn onreinheid gezuiverd worden. Maar de sacramenten der oude wet schonken geen genade, terwijl zij zelf de Bewerker der genade droeg. De Heilige Maagd behoorde derhalve niet naar de tempel te gaan om gezuiverd te worden.

Sed contra est auctoritas Scripturae, qua dicitur, Luc. II, quod impleti sunt dies purgationis Mariae secundum legem Moysi. (IIIa q. 37 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter het gezag der Schrift, waarin gezegd wordt (Lucas, 2, 22) dat de dagen vervuld waren van de reiniging van Maria volgens de wet van Mozes.

Respondeo dicendum quod, sicut plenitudo gratiae a Christo derivatur in matrem, ita decuit ut mater humilitati filii conformaretur, humilibus enim Deus dat gratiam, ut dicitur Iac. IV. Et ideo, sicut Christus, licet legi non esset obnoxius, voluit tamen circumcisionem et alia legis onera subire, ad demonstrandum humilitatis et obedientiae exemplum, et ut approbaret legem, et ut calumniae occasionem Iudaeis tolleret; propter easdem rationes voluit et matrem suam implere legis observantias, quibus tamen non erat obnoxia. (IIIa q. 37 a. 4 co.)

Evenals de volheid der genade van Christus overgevloeid is op de moeder, zo diende ook de moeder zich aan te passen aan de nederigheid van de zoon: want zoals Jacobus zegt (4, 6): « aan de nederigen geeft God genade ». En evenals Christus, ofschoon Hij niet aan de wet gebonden was, de besnijdenis en de andere lasten der wet op zich wilde nemen, ten einde een voorbeeld te geven van nederigheid en gehoorzaamheid, de wet te bekrachtigen en de Joden een aanleiding tot laster te ontnemen, zo wilde Hij om dezelfde redenen, dat ook zijn moeder de voorschriften der wet zou nakomen, ofschoon ze er niet aan gebonden was.

Ad primum ergo dicendum quod, licet beata virgo nullam haberet immunditiam, voluit tamen purgationis observantiam implere, non propter indigentiam, sed propter legis praeceptum. Et ideo signanter Evangelista dicit quod completi sunt dies purgationis eius secundum legem, ipsa enim secundum se purgatione non indigebat. (IIIa q. 37 a. 4 ad 1)

1 — Ofschoon de Heilige Maagd geheel rein was, wilde ze toch het voorschrift der zuivering nakomen, niet alsof ze er behoefte aan had, maar omdat de wet het voorschreef. En daarom zegt de Evangelist uitdrukkelijk dat de dagen vervuld waren van haar reiniging volgens de wet: want zij zelf had als zodanig geen reiniging nodig.

Ad secundum dicendum quod signanter Moyses videtur fuisse locutus, ad excipiendam ab immunditia matrem Dei, quae non peperit suscepto semine. Et ideo patet quod non obligatur ad impletionem illius praecepti, sed voluntarie purgationis observantiam implevit, ut dictum est. (IIIa q. 37 a. 4 ad 2)

2 — Mozes schijnt zich met opzet zo uitgedrukt te hebben, als om de Moeder Gods van de onreinheid uit te zonderen, die niet baarde na bevrucht te zijn. Derhalve blijkt wel, dat zij niet verplicht was dat voorschrift na te komen, maar dat zij, zoals gezegd (Antw. op de 1° Bed.), vrijwillig het voorschrift der zuivering nagekomen is.

Ad tertium dicendum quod legalia sacramenta non purgabant ab immunditia culpae, quod fit per gratiam, sed hanc purgationem praefigurabant, purgabant enim purgatione quadam carnali ab immunditia irregularitatis cuiusdam; sicut in secunda parte dictum est. Neutram tamen immunditiam beata virgo contraxerat. Et ideo non indigebat purgari. (IIIa q. 37 a. 4 ad 3)

3 — De sacramenten der wet reinigden niet van de onreinheid der schuld — wat de genade wèl doet — maar zij waren van deze reiniging een voorafbeelding: ze zuiverden immers, door een soort lichamelijke reiniging, van een zekere wettelijke onreinheid (irregularitas), zoals gezegd is in het 2e Deel (la-IIae, 102e Kw., 5e Art.; 103e Kw., 2e Art.). De Heilige Maagd had echter geen van beide soorten van onreinheid gecontraheerd (1). En dus behoefde zij niet gezuiverd te worden.