QuaestioArticulus

Tertia Pars. Quaestio 58.
Over het zitten van Christus aan de rechterhand des Vaders .

Prooemium

Deinde considerandum est de sessione Christi ad dexteram patris. Et circa hoc quaeruntur quatuor. Primo, utrum Christus sedeat ad dexteram patris. Secundo, utrum hoc conveniat sibi secundum divinam naturam. Tertio, utrum conveniat sibi secundum humanam. Quarto, utrum hoc sit proprium Christi. (IIIa q. 58 pr.)

Vervolgens moeten wij handelen over het zitten van Christus aan de rechterhand van de Vader; en hieromtrent stellen wij vier vragen: 1. Zit Christus aan de rechterhand van God de Vader? 2. Komt Hem dit toe krachtens zijn goddelijke natuur? 3. Komt Hem dit toe krachtens zijn menselijke natuur? 4. Is dit iets eigens van Christus?

Articulus 1.
Komt het Christus toe te zitten aan de rechterhand van God de Vader?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod Christo non conveniat sedere ad dexteram Dei patris. Dextera enim et sinistra sunt differentiae positionum corporalium. Sed nihil corporale convenit Deo, quia Deus spiritus est, ut habetur Ioan. IV. Ergo videtur quod Christus non sedeat ad dexteram patris. (IIIa q. 58 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het Christus niet toekomt te zitten aan de rechterhand van God de Vader. Rechts en links zijn verschillen van lichamelijke standen. Aan God echter komt niets lichamelijks toe, daar « God geest is, » zoals staat bij Joannes (4. 24). Dus zit Christus niet aan de rechterhand van de Vader.

Praeterea, si aliquis sedet ad dexteram alicuius, ille sedet ad sinistram eius. Si ergo Christus sedet ad dexteram patris, sequitur quod pater sedeat ad sinistram filii. Quod est inconveniens. (IIIa q. 58 a. 1 arg. 2)

2 — Als men aan de rechterhand van iemand zit, dan zit die ander aan diens linker. Als Christus derhalve aan de rechterhand des Vaders zit, dan volgt daaruit, dat de Vader zit aan de linkerhand van de Zoon. Dit is echter niet passend.

Praeterea, sedere et stare videntur oppositionem habere. Sed Stephanus dicit, Act. VII, ecce, video caelos apertos, et filium hominis stantem a dextris virtutis Dei. Ergo videtur quod Christus non sedeat ad dexteram patris. (IIIa q. 58 a. 1 arg. 3)

3 — Zitten en staan zijn tegengesteld aan elkaar. Stephanus nu zegt in de Handelingen der Apostelen (7. 55): « Zie, ik zie de hemelen geopend, en de Zoon des mensen, staande aan de rechterhand der kracht Gods. » Dus zit Christus niet aan de rechterhand des Vaders.

Sed contra est quod dicitur Marci ult., dominus quidem Iesus, postquam locutus est eis, ascendit in caelum, et sedet a dextris Dei. (IIIa q. 58 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat bij Marcus (16. 19) gezegd wordt: « De Heer Jesus nu, is, nadat Hij tot hen gesproken had, ten hemel opgeklommen, en zit aan de rechterhand Gods. »

Respondeo dicendum quod in nomine sessionis duo possumus intelligere, videlicet quietem, secundum illud Luc. ult., sedete hic in civitate; et etiam regiam vel iudiciariam potestatem, secundum illud Proverb. XX, rex qui sedet in solio iudicii, dissipat omne malum intuitu suo. Utroque igitur modo Christo convenit sedere ad dexteram patris. Uno quidem modo, inquantum aeternaliter manet incorruptibilis in beatitudine patris, quae eius dextera dicitur, secundum illud Psalmi, delectationes in dextera tua usque in finem. Unde Augustinus dicit, in libro de symbolo, sedet ad dexteram patris, sedere habitare intelligite, quomodo dicimus de quocumque homine, in illa patria sedit per tres annos. Sic ergo credite Christum habitare in dextera Dei patris, beatus enim est, et ipsius beatitudinis nomen est dextera patris. Alio modo dicitur Christus sedere in dextera patris, inquantum patri conregnat, et ab eo habet iudiciariam potestatem, sicut ille qui considet regi ad dexteram, assidet ei in regnando et iudicando. Unde Augustinus dicit, in alio sermone de symbolo, ipsam dexteram intelligite potestatem quam accepit ille homo susceptus a Deo, ut veniat iudicaturus qui prius venerat iudicandus. (IIIa q. 58 a. 1 co.)

In het woord zetelen kan men twee dingen beschouwen, nl. de rust, volgens het gezegde in Lucas (24. 49): « Blijft in de stad, » en ook de koninklijke of rechterlijke macht, overeenkomstig het gezegde in het Boek der Spreuken (20. 8): « De koning, die zit op zijn rechterstoel, vernietigt alle kwaad door zijn blik ». Op beide wijzen nu komt het Christus toe te zitten aan de rechterhand van de Vader. — En wel vooreerst, in zover Hij eeuwig ongestoord blijft in de zaligheid van de Vader, welke zijn rechterhand genoemd wordt, overeenkomstig het woord in het Boek der Psalmen (15. 11): « De genietingen in uw rechterhand ten einde toe. » Daarom zegt Augustinus: « Hij zit aan de rechterhand van de Vader. » Zitten, « wonen, » ziet eens, hoe wij dit zeggen van iedereen: hij heeft drie jaar in dat land gezeten. Geloof dan, dat Christus zo huist aan de rechterhand van God de Vader; Hij is immers zalig, en de rechterhand des Vaders is de naam voor zijn zaligheid. » — Vervolgens zeggen wij, dat Christus aan de rechterhand van God de Vader zit, in zover Hij met de Vader mede regeert, en van Hem de oordeelsmacht heeft; zoals ook hij die naast de koning zit aan zijn rechterhand, hem bijstaat in het besturen en oordelen. Vandaar zegt Augustinus: « Onder die rechterhand moet gij verstaan de macht, welke die door God aangenomen mens ontvangen heeft, opdat Hij zou komen oordelen, die eerst gekomen was om geoordeeld te worden. »

Ad primum ergo dicendum quod, sicut Damascenus dicit, in IV libro, non localem dexteram patris dicimus. Qualiter enim qui incircumscriptibilis est, localem adipiscetur dexteram? Dextera enim et sinistra eorum quae circumscribuntur sunt. Dexteram autem patris dicimus gloriam et honorem divinitatis. (IIIa q. 58 a. 1 ad 1)

1 — Zoals Damascenus zegt, « verstaan wij de rechterhand des Vaders niet plaatselijk; want hoe zou Hij, die niet omsloten kan worden, een plaats aan zijn rechterhand hebben? Rechts en links is er immers bij die dingen, die omsloten worden. De rechterhand des Vaders echter noemen wij de glorie en de eer van de Godheid. »

Ad secundum dicendum quod ratio illa procedit secundum quod sedere ad dexteram intelligitur corporaliter. Unde Augustinus dicit, in quodam sermone de symbolo, si carnaliter acceperimus quod Christus sedet ad dexteram patris, ille erit ad sinistram. Ibi autem, idest in aeterna beatitudine, omnis dextera est, quia nulla ibi est miseria. (IIIa q. 58 a. 1 ad 2)

2 — Die redenering gaat hiervan uit, dat zitten aan de rechterhand lichamelijk genomen wordt. Daarom zegt Augustinus: « Indien wij dit vleselijk opvatten, dat Christus zit aan de rechterhand van de Vader, dan zou deze aan de linkerhand zitten. Daar echter, » nl. in de eeuwige gelukzaligheid, « is alles rechts, wijl daar geen ellende is. »

Ad tertium dicendum quod, sicut Gregorius dicit, in homilia ascensionis, sedere iudicantis est, stare vero pugnantis vel adiuvantis. Stephanus ergo, in labore certaminis positus, stantem vidit quem adiutorem habuit. Sed hunc post ascensionem Marcus sedere describit, quia post assumptionis suae gloriam, iudex in fine videbitur. (IIIa q. 58 a. 1 ad 3)

3 — Zoals Gregorius zegt, « is zitten het eigene van hem, die oordeelt, staan echter van hem, die strijdt of helpt. Stephanus derhalve, in de moeilijkheid van de strijd geplaatst, ziet Hem staande, die hij als helper had. Maar na zijn hemelvaart wordt Hij door Marcus beschreven als zittend, wijl Hij na de glorie van zijn hemelvaart op het eind als rechter zal verschijnen. »

Articulus 2.
Komt het zitten aan Gods rechterhand aan Christus toe in zoverre Hij God is?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod sedere ad dexteram Dei patris non conveniat Christo secundum quod Deus. Christus enim, secundum quod est Deus, est dextera patris. Sed non videtur idem esse dextera alicuius, et ille qui sedet ad dexteram eius. Ergo Christus, secundum quod est Deus, non sedet ad dexteram patris. (IIIa q. 58 a. 2 arg. 1)

1 — Christus is immers, in zover Hij God is, de rechterhand des Vaders. De rechterhand van iemand nu schijnt niet dezelfde te zijn, als wie zit aan zijn rechterhand. Dus zit Christus niet als God aan de rechterhand van de Vader.

Praeterea, Marci ult. dicitur quod dominus Iesus assumptus est in caelum, et sedet a dextris Dei. Christus autem non est assumptus in caelum secundum quod Deus. Ergo etiam neque secundum quod Deus, sedet a dextris Dei. (IIIa q. 58 a. 2 arg. 2)

2 — Bij Marcus (16. 19) wordt gezegd, dat « de Heer Jezus opgenomen is ten hemel en zit aan de rechterhand van God. » Christus nu is niet ten hemel opgenomen in zover Hij God is. Dus zit Hij ook niet als God aan de rechterhand van God.

Praeterea, Christus, secundum quod Deus, est aequalis patri et spiritui sancto. Si ergo Christus, secundum quod Deus, sedet ad dexteram patris, pari ratione et spiritus sanctus sedebit ad dexteram patris et filii, et ipse pater ad dexteram filii. Quod nusquam invenitur. (IIIa q. 58 a. 2 arg. 3)

3 — In zover Christus God is, is Hij gelijk aan de Vader en de H. Geest. Dus als Christus in zover Hij God is aan de rechterhand van de Vader zit, dan zal ook om dezelfde reden de H. Geest aan de rechterhand van de Vader en de Zoon zitten, en de Vader zelf aan de rechterhand van de Zoon en de H. Geest. Dit wordt echter nergens gevonden.

Sed contra est quod Damascenus dicit, quod dexteram patris dicimus gloriam et honorem divinitatis, in qua Dei filius exstitit ante saecula ut Deus et patri consubstantialis. (IIIa q. 58 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Damascenus zegt, dat « wij de glorie en de eer van de Godheid de rechterhand des Vaders noemen, die de Zoon Gods als God en een van wezen met de Vader, voor alle eeuwen bezat. »

Respondeo dicendum quod, sicut ex praedictis patet, nomine dexterae tria intelligi possunt, uno modo, secundum Damascenum, gloria divinitatis; alio modo, secundum Augustinum, beatitudo patris; tertio modo, secundum eundem, iudiciaria potestas. Sessio autem, ut dictum est, vel habitationem, vel regiam vel iudiciariam dignitatem designat. Unde sedere ad dexteram patris nihil aliud est quam simul cum patre habere gloriam divinitatis, et beatitudinem, et iudiciariam potestatem, et hoc immutabiliter et regaliter. Hoc autem convenit filio secundum quod Deus. Unde manifestum est quod Christus, secundum quod Deus, sedet ad dexteram patris, ita tamen quod haec praepositio ad, quae transitiva est, solam distinctionem personalem importat et originis ordinem, non autem gradum naturae vel dignitatis, qui nullus est in divinis personis, ut in prima parte habitum est. (IIIa q. 58 a. 2 co.)

Zoals uit het bovengezegde blijkt (vorig Art.), kan men onder de uitdrukking « de rechterhand » drie dingen verstaan: vooreerst, met Damascenus, de « glorie der Godheid »; vervolgens, met Augustinus, de « zaligheid van de Vader »; ten derde, met dezelfde, de « oordeelsmacht ». Het zetelen echter betekent, zoals gezegd is (vorig Art.), ofwel de verblijfplaats, ofwel de koninklijke of rechterlijke waardigheid. Vandaar dat zetelen aan de rechterhand van de Vader niets anders betekent, dan gelijk met de Vader de glorie der Godheid hebben, en de zaligheid en de oordeelsmacht, en dit onveranderlijk en op koninklijke wijze. Dit komt echter de Zoon Gods toe, in zover Hij God is. Vandaar is het duidelijk, dat Christus als God zit aan de rechterhand van de Vader, zo echter, dat dit voor-zetsel « aan », dat een overdracht aangeeft, alleen maar een persoonlijk onderscheid inhoudt en een oorsprongsordening, maar geen graad in natuur of waardigheid, welke bij de goddelijke personen niet bestaat, zoals gezegd is in het Eerste Deel (I. 42° Kw. 3° en 4° Art.).

Ad primum ergo dicendum quod filius dicitur dextera patris appropriate, per modum quo etiam dicitur virtus patris. Sed dextera patris secundum tres significationes praedictas est aliquid commune tribus personis. (IIIa q. 58 a. 2 ad 1)

1 — De Zoon Gods wordt de rechterhand des Vaders genoemd bij toeschrijving, op de manier waarop Hij ook de kracht Gods genoemd wordt. Maar de rechterhand des Vaders, genomen in de drie voornoemde betekenissen, is iets gemeenschappelijks aan de drie personen.

Ad secundum dicendum quod Christus, secundum quod homo, assumptus est ad divinum honorem, qui in praedicta sessione designatur. Sed tamen ille honor divinus convenit Christo, inquantum est Deus, non per aliquam assumptionem, sed per aeternam originem. (IIIa q. 58 a. 2 ad 2)

2 — Christus is als mens opgenomen tot de goddelijke eer, die met het voornoemde zetels wordt aangegeven. Maar toch komt die goddelijke eer aan Christus toe, in zover Hij God is, niet door enige aanname, maar door eeuwige oorsprong.

Ad tertium dicendum quod nullo modo potest dici quod pater sedeat ad dexteram filii vel spiritus sancti, quia filius et spiritus sanctus trahunt originem a patre, et non e converso. Sed spiritus sanctus proprie potest dici sedere ad dexteram patris vel filii secundum sensum praedictum, licet secundum quandam appropriationem attribuatur filio, cui appropriatur aequalitas, sicut Augustinus dicit quod in patre est unitas, in filio aequalitas, in spiritu sancto unitatis aequalitatisque connexio. (IIIa q. 58 a. 2 ad 3)

3 — Men kan op geen enkele wijze zeggen, dat de Vader zit aan de rechterhand van de Zoon of van de H. Geest, daar de Zoon en de H. Geest hun oorsprong ontlenen aan de Vader, en niet omgekeerd. Maar van de H. Geest kan men eigenlijk zeggen, dat Hij zetelt aan de rechterhand van de Vader en de Zoon, in de aangegeven zin, ofschoon dit met een zekere toeschrijving wordt toegekend aan de Zoon, aan wie de gelijkheid wordt toegeschreven, zoals Augustinus zegt, dat « in de Vader de eenheid is, in de Zoon de gelijkheid, in de H. Geest de verbinding van de eenheid en de gelijkheid ».

Articulus 3.
Komt het zitten aan Gods rechterhand aan Christus toe als mens?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod sedere ad dexteram patris non conveniat Christo secundum quod homo. Ut enim Damascenus dicit dexteram patris dicimus gloriam et honorem divinitatis. Sed honor et gloria divinitatis non convenit Christo secundum quod homo. Ergo videtur quod Christus, secundum quod homo, non sedeat ad dexteram patris. (IIIa q. 58 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het niet aan Christus als mens toekomt te zitten aan de rechterhand van de Vader. Zoals Damascenus immers zegt, « verstaan wij onder de rechterhand des Vaders de glorie en eer der Godheid. » De eer en de glorie der Godheid echter komen niet toe aan Christus als mens. Dus zit Christus niet als mens aan de rechterhand van de Vader.

Praeterea, sedere ad dexteram regnantis subiectionem excludere videtur, quia qui sedet ad dexteram regnantis, quodammodo illi conregnat. Christus autem, secundum quod homo, est subiectus patri, ut dicitur I Cor. XV. Ergo videtur quod Christus, secundum quod homo, non sit ad dexteram patris. (IIIa q. 58 a. 3 arg. 2)

2 — Zitten aan de rechterhand van de regerende sluit onderdanigheid uit, wijl hij, die aan de rechterhand van de bestuurder zit, in zekeren zin met hem mederegeert, Christus echter is als mens « onderworpen aan de Vader, » zoals gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 28). Dus zit Christus als mens niet aan de rechterhand van de Vader.

Praeterea, Rom. VIII, super illud, qui est ad dexteram Dei, exponit Glossa, idest, aequalis patri in honore quo Deus pater est; vel, ad dexteram patris, idest in potioribus bonis Dei. Et super illud Heb. I, sedet ad dexteram Dei in excelsis, Glossa, idest, ad aequalitatem patris, super omnia et loco et dignitate. Sed esse aequalem Deo non convenit Christo secundum quod homo, nam secundum hoc ipse dicit, Ioan. XIV, pater maior me est. Ergo videtur quod sedere ad dexteram patris non conveniat Christo secundum quod homo. (IIIa q. 58 a. 3 arg. 3)

3 — Naar aanleiding van het gezegde in de Brief aan de Romeinen (8. 34): « Die zit aan de rechterhand Gods, » zegt de Glossa: « d. i. gelijk aan de Vader in de eer, waardoor God Vader is; of: aan de rechterhand van de Vader, d. i. in de meer volmaakte goederen van God. » En naar aanleiding van het gezegde in de Brief aan de Hebreën (1. 3): « Hij zit in de hoge aan de rechterhand der majesteit, » zegt de Glossa: « d. i. in gelijkheid aan de Vader boven alles, in plaats en waardigheid. » Gelijk zijn aan God komt Christus echter niet toe als mens; want in dit opzicht zegt Hijzelf bij Johannes (14. 28): « De Vader is groter dan Ik. » Dus komt het zitten aan de rechterhand van de Vader niet toe aan Christus als mens.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in sermone de symbolo, ipsam dexteram intelligite potestatem quam accepit ille homo susceptus a Deo, ut veniat iudicaturus qui prius venerat iudicandus. (IIIa q. 58 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: « Onder de rechterhand moet men verstaan de macht, welke door God aangenomen mens ontving opdat Hij zou komen oordelen, die eerst was gekomen, om geoordeeld te worden. »

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, nomine dexterae patris intelligitur vel ipsa gloria divinitatis ipsius, vel beatitudo aeterna eius, vel potestas iudiciaria et regalis. Haec autem praepositio ad quendam ad dexteram accessum designat, in quo designatur convenientia cum quadam distinctione, ut supra dictum est. Quod quidem potest esse tripliciter. Uno modo, ut sit convenientia in natura et distinctio in persona. Et sic Christus, secundum quod filius Dei, sedet ad dexteram patris, quia habet eandem naturam cum patre. Unde praedicta conveniunt essentialiter filio sicut et patri. Et hoc est esse in aequalitate patris. Alio modo, secundum gratiam unionis, quae importat e converso distinctionem naturae et unitatem personae. Et secundum hoc Christus, secundum quod homo, est filius Dei, et per consequens sedens ad dexteram patris, ita tamen quod ly secundum quod non designet conditionem naturae, sed unitatem suppositi, ut supra expositum est. Tertio modo potest praedictus accessus intelligi secundum gratiam habitualem, quae abundantior est in Christo prae omnibus aliis creaturis, in tantum quod ipsa natura humana in Christo est beatior ceteris creaturis, et super omnes alias creaturas habens regiam et iudiciariam potestatem. Sic igitur, si ly secundum quod designet conditionem naturae, Christus, secundum quod Deus, sedet ad dexteram patris, idest in aequalitate patris. Secundum autem quod homo, sedet ad dexteram patris, idest in bonis paternis potioribus prae ceteris creaturis, idest in maiori beatitudine, et habens iudiciariam potestatem. Si vero ly secundum quod designet unitatem suppositi, sic etiam, secundum quod homo, sedet ad dexteram patris secundum aequalitatem honoris, inquantum scilicet eodem honore veneramur ipsum filium Dei cum eadem natura assumpta, ut supra dictum est. (IIIa q. 58 a. 3 co.)

Zoals gezegd is (vorig Art.), wordt onder de uitdrukking « de rechterhand des Vaders » verstaan ofwel de glorie zelf van zijn Godheid, of zijn eeuwige gelukzaligheid, of zijn oordeels- en koningsmacht. Het voorzetzel « aan » geeft een zeker nabijzijn aan bij de rechterhand, waardoor overeenkomst wordt uitgedrukt met een zeker onderscheid, zoals boven gezegd is (vorig Art.). Dit nu is op die manieren mogelijk. — Vooreerst zóó, dat er overeenkomst is in natuur en onderscheid in persoon, en zo zit Christus als Zoon van God aan de rechterhand des Vaders, daar Hij dezelfde natuur heeft als de Vader. Dus komt het voornoemde bij wezen toe aan de Zoon, zoals aan de Vader: en dit betekent in gelijkheid zijn aan de Vader. — Vervolgens om de genade der vereniging, die omgekeerd onderscheid in natuur en eenheid van persoon insluit. En in dit opzicht is Christus als mens, de Zoon van God, en bijgevolg zittend aan de rechterhand van de Vader, zo echter dat met 't woordje « als » niet de natuur wordt aangegeven, maar de eenheid van het suppositum, zoals boven uitgelegd is (16° Kw. 10° en 11° Art.). — Ten derde kan dat nabijzijn genomen worden naar de heiligmakende genade, die in Christus overvloediger is dan in de andere schepselen, in zulk een mate dat de menselijke natuur zelf in Christus gelukkiger is dan de andere schepselen en in het bezit van bestuurs- en oordeelsmacht over alle schepselen. Wanneer derhalve dat woordje « als » de natuur aangeeft, dan zit Christus als God aan de rechterhand des Vaders, d. i., in gelijkheid aan de Vader. Als mens echter zit Hij aan de rechterhand van de Vader, d. i. in grotere goederen van de Vader, dan de andere schepselen, d. i. in een grotere gelukzaligheid en in het bezit van de oordeelsmacht. — Wanneer echter dat woordje « als » de eenheid van suppositum aangeeft, dan zit Hij dus ook als mens aan de rechterhand des Vaders, in gelijke eer, in zover wij de Zoon Gods met de aangenomen natuur met een zelfde eer vereren, zoals boven gezegd is (25° Kw. 1° Art.).

Ad primum ergo dicendum quod humanitas Christi, secundum conditiones suae naturae, non habet gloriam vel honorem deitatis, quem tamen habet ratione personae cui unitur. Unde ibidem Damascenus subdit, in qua, scilicet gloria deitatis, Dei filius existens ante saecula ut Deus et patri consubstantialis sedet, conglorificata ei carne eius. Adoratur enim una hypostasis una adoratione cum carne eius, ab omni creatura. (IIIa q. 58 a. 3 ad 1)

1 — De mensheid van Christus heeft niet om haar natuur de glorie en de eer der Godheid, welke zij echter heeft om de persoon, waarmee zij verenigd is. Vandaar voegt Damascenus op diezelfde plaats er aan toe: « Waarin » nl. in de glorie der Godheid, « de Zoon van God, die vóór de eeuwen bestond als God en één van wezen met de Vader, gezeten is, terwijl zijn lichaam medeverheerlijkt wordt. Want de ééne hypostase wordt met zijn vlees in een en dezelfde aanbidding door elk schepsel aanbeden. »

Ad secundum dicendum quod Christus, secundum quod homo, subiectus est patri prout ly secundum quod designat conditionem naturae. Et secundum hoc, non competit ei sedere ad dexteram patris secundum rationem aequalitatis, secundum quod est homo. Sic autem competit ei sedere ad dexteram patris secundum quod per hoc designatur excellentia beatitudinis, et iudiciaria potestas super omnem creaturam. (IIIa q. 58 a. 3 ad 2)

2 — Christus is als mens onderworpen aan de Vader, voor zover het woord « als » de natuur aangeeft; en in dit opzicht komt het Hem niet toe om te zitten aan de rechterhand van de Vader, om de gelijkheid, voorzover Hij mens is. Aldus komt het hem echter toe, om te zitten aan de rechterhand van de Vader, in zover hierdoor de buitengewone gelukzaligheid wordt aangegeven, en de oordeelsmacht over alle schepsels.

Ad tertium dicendum quod esse in aequalitate patris non pertinet ad ipsam naturam humanam Christi, sed solum ad personam assumentem. Sed esse in potioribus bonis Dei, secundum quod importat excessum aliarum creaturarum, convenit etiam ipsi naturae assumptae. (IIIa q. 58 a. 3 ad 3)

3 — In gelijkheid met de Vader zijn komt niet toe aan de menselijke natuur van Christus, maar alleen aan de persoon, die deze aannam; maar grotere goddelijke goederen bezitten, in zover dit een overtreffing van de andere schepselen insluit, komt ook toe aan de natuur zelf, die aangenomen werd.

Articulus 4.
Is het zitten aan de rechterhand des Vaders het eigene van Christus?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod sedere ad dexteram patris non sit proprium Christi. Dicit enim apostolus, Ephes. II, quod resuscitavit nos, et consedere fecit in caelestibus in Christo Iesu. Sed resuscitari non est proprium Christi. Ergo pari ratione etiam nec sedere ad dexteram Dei in excelsis. (IIIa q. 58 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het zitten aan de rechterhand des Vaders niet het eigene van Christus is. De Apostel zegt immers in de Brief aan de Ephesiërs (2. 6), dat « God ons in Christus Jesus heeft mede opgewekt en ons heeft doen medezitten in de hemelse goederen. » Maar opgewekt worden is niet het eigene van Christus. Dus om dezelfde reden ook niet het zitten aan Gods rechterhand in de hoge.

Praeterea, sicut Augustinus dicit, in libro de symbolo, Christum sedere ad dexteram patris, hoc est habitare in eius beatitudine. Sed hoc multis aliis convenit. Ergo videtur quod sedere ad dexteram patris non sit proprium Christi. (IIIa q. 58 a. 4 arg. 2)

2 — « Christus zit aan de rechterhand van de Vader, betekent: » zoals Augustinus zegt, « Hij woont in zijn zaligheid. » Dit echter komt ook toe aan vele anderen. Dus is het zitten aan de rechterhand des Vaders niet het eigene van Christus.

Praeterea, ipse dicit, Apoc. III, qui vicerit, dabo ei sedere mecum in throno meo, sicut et ego vici, et sedi cum patre meo in throno eius. Sed per hoc sedet Christus ad dexteram patris, quod sedet in throno eius. Ergo etiam et alii qui vincunt, sedent ad dexteram patris. (IIIa q. 58 a. 4 arg. 3)

3 — Hijzelf zegt in het Boek der Openbaring (3. 21): « Wie overwonnen heeft, aan hem zal Ik geven mede te zitten op Mijn troon, zoals ook Ik overwonnen heb en gezeten ben met Mijn Vader op zijn troon. » Maar Christus zit hierdoor aan de rechterhand van de Vader, doordat Hij zit op zijn troon. Dus zullen ook de anderen, die overwinnen, aan de rechterhand des Vaders zitten.

Praeterea, Matth. XX dominus dicit, sedere ad dexteram vel sinistram meam, non est meum dare vobis, sed quibus paratum est a patre meo. Hoc autem frustra diceretur nisi esset aliquibus paratum. Non ergo sedere ad dexteram soli Christo convenit. (IIIa q. 58 a. 4 arg. 4)

4 — Bij Mattheus (20. 23) zegt de Heer: « Het zitten aan Mijn rechter- of linkerhand komt Mij niet toe om u te geven, maar voor wie het door Mijn Vader bereid is. » Dit zou echter geen zin hebben, als het niet voor sommigen bereid was. Dus komt het zitten aan de rechterhand niet alleen aan Christus toe.

Sed contra est quod dicitur ad Heb. I, ad quem aliquando dixit Angelorum, sede a dextris meis, idest, in potioribus meis, vel mihi secundum divinitatem aequalis? Quasi dicat, ad nullum. Sed Angeli sunt superiores aliis creaturis. Ergo multo minus ulli alii convenit sedere ad dexteram patris quam Christo. (IIIa q. 58 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat in de Brief aan de Hebreën (1. 13) gezegd wordt: « Tot wien van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan mijn rechterhand; » d. i. in mijn volmaaktere goederen, of gelijk aan Mij naar de Godheid? Alsof Hij zeggen wil: aan niemand. De engelen staan echter hoger dan de andere schepselen. Dus komt nog minder aan een ander dan aan Christus toe om te zitten aan de rechterhand van de Vader.

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, Christus dicitur sedere ad dexteram patris, inquantum secundum divinam naturam est in aequalitate patris, secundum autem humanam naturam in excellenti possessione divinorum bonorum prae ceteris aliis creaturis. Utrumque autem soli Christo convenit. Unde nulli alii, nec Angelo nec homini, convenit sedere ad dexteram patris, nisi soli Christo. (IIIa q. 58 a. 4 co.)

Zoals boven gezegd is (1°, 2° en 3° Art. van deze Kw.) zeggen wij van Christus, dat Hij aan de rechterhand des Vaders zit, in zover Hij naar zijn goddelijke natuur in gelijkheid is met de Vader, naar zijn menselijke natuur in het buitengewone bezit is der goddelijke goederen boven de andere schepselen. Beiden nu komen alleen aan Christus toe. Dus komt het tenzij alleen aan Christus, aan niemand anders, noch aan een engel, noch aan een mens toe te zitten aan de rechterhand des Vaders.

Ad primum ergo dicendum quod, quia Christus est caput nostrum, illud quod collatum est Christo, est etiam nobis in ipso collatum. Et propter hoc, quia ipse iam resuscitatus est, dicit apostolus quod Deus nos quodammodo ei conresuscitavit, qui tamen in nobis ipsis nondum sumus resuscitati, sed resuscitandi, secundum illud Rom. VIII, qui suscitavit Iesum Christum a mortuis, vivificabit et mortalia corpora nostra. Et secundum eundem modum loquendi subdit apostolus quod consedere nos fecit in caelestibus, scilicet in hoc ipso quod caput nostrum, quod est Christus, ibi sedet. (IIIa q. 58 a. 4 ad 1)

1 — Daar Christus ons hoofd is, is ook datgene wat Christus gegeven is, ook aan ons in Hem geschonken. En omdat Hijzelf reeds opgewekt is, zegt de Apostel, dat God ons eens met Hem heeft mede opgewekt, of schoon wij in ons zelf nog niet opgewekt zijn, maar nog opgewekt moeten worden, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (8. 11): « Die Jesus van de doden heeft opgewekt, zal ook onze sterfelijke lichamen levend maken. » En naar dezelfde wijze van spreken voegt de Apostel er aan toe, dat « Hij ons mede heeft doen zitten in het hemelse, » nl. in zover ons Hoofd, dat Christus is, daar zit.

Ad secundum dicendum quod, quia dextera est divina beatitudo, sedere in dextera non significat simpliciter esse in beatitudine, sed habere beatitudinem cum quadam dominativa potestate, et quasi propriam et naturalem. Quod soli Christo convenit, nulli autem alii creaturae. Potest tamen dici quod omnis sanctus qui est in beatitudine, est ad dexteram Dei constitutus. Unde et dicitur Matth. XXV, quod statuet oves a dextris. (IIIa q. 58 a. 4 ad 2)

2 — Daar de rechterhand de goddelijke gelukzaligheid is, betekent het zitten aan de rechterhand niet in de gelukzaligheid zijn zonder meer, maar de zaligheid hebben met een zekere heerschappmacht, en deze als eigen en van nature. En dit komt alleen aan Christus toe; en aan geen enkel ander schepsel. Men kan echter zeggen, dat iedere heilige, die in de zaligheid is, geplaatst is aan de rechterhand Gods: vandaar wordt ook bij Mattheus (25. 33) gezegd, dat « Hij de schapen aan zijn rechterhand zal plaatsen. »

Ad tertium dicendum quod per thronum significatur iudiciaria potestas, quam Christus habet a patre. Et secundum hoc, dicitur sedere in throno patris. Alii autem sancti habent eam a Christo. Et secundum hoc, dicuntur in throno Christi sedere, secundum illud Matth. XIX, sedebitis et vos super sedes duodecim iudicantes duodecim tribus Israel. (IIIa q. 58 a. 4 ad 3)

3 — Door de troon wordt de oordeelsmacht bedoeld, welke Christus van de Vader ontvangen heeft; en zo wordt van Hem gezegd, dat Hij zit op de troon van de Vader. Andere heiligen echter hebben deze van Christus. En zo wordt van hen gezegd, dat zij op de troon van Christus zitten, volgens het gezegde in Mattheus (19. 28): « Ook gij zult zitten op twaalf zetels, om de twaalf stammen van Israël te oordelen. »

Ad quartum dicendum quod, sicut Chrysostomus dicit, super Matth., locus ille, idest consessus dexterae, invius est omnibus non solum hominibus, sed etiam Angelis. Sicut enim praecipuum unigeniti ponit Paulus, dicens, ad quem autem Angelorum dixit unquam, sede a dextris meis? Dominus ergo, non quasi existentibus quibusdam qui sessuri sint, sed condescendens interrogantium supplicationi, respondit. Hoc enim unum solum quaerebant, prae aliis stare apud ipsum. Potest tamen dici quod petebant filii Zebedaei excellentiam habere prae aliis in participando iudiciariam potestatem eius. Unde non petebant quod sederent ad dexteram vel sinistram patris, sed ad dexteram vel sinistram Christi. (IIIa q. 58 a. 4 ad 4)

4 — Zoals Chrysostomus zegt, is « die plaats, » d. i. de zitplaats aan de rechterhand, « ontoegankelijk voor allen, niet alleen voor de mensen, maar ook voor de engelen. Want zo geeft ook Paulus het voornaamste van de Eeniggeborene aan, als hij zegt: « Tot wien van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan mijn rechterhand? » De Heer « antwoordde » derhalve, « niet alsof er enigen waren, » die zouden zetelen, « maar als ingaande op het verzoek van hen, die vroegen; dit alleen immers vroegen zij: boven de anderen bij Hem te mogen staan. » — Men kan echter ook zeggen, dat de zonen van Zebedeus een verheffing boven de anderen vroegen in het deelgenootschap aan zijn oordeelsmacht; vandaar vroegen zij niet om te zitten aan de rechter- of linkerhand van de Vader, maar aan de rechter of linker van Christus.