Tertia Pars. Quaestio 17.
Over de éénheid van Christus wat het zijn betreft .
Articulus 1.
Is Christus een of twee zijnden?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod Christus non sit unum, sed duo. Dicit enim Augustinus, in I de Trin., quia forma Dei accepit formam servi, utrumque Deus, propter accipientem Deum, utrumque homo, propter acceptum hominem. Sed utrumque dici non potest ubi non sunt duo. Ergo Christus est duo. (IIIa q. 17 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat Christus niet een, maar twee zijnden is. Want Augustinus zegt in het 1e boek Over de Drievuldigheid (7e H.): « Omdat de gestalte van God de gestalte van een mens aanneemt, zijn beiden God om de God, die aanneemt en beiden mens om de mens, die aangenomen is ». Nu kan men niet van « beiden » spreken als er geen twee zijnden zijn. Dus is Christus twee zijnden.
Praeterea, ubicumque est aliud et aliud, ibi sunt duo. Sed Christus est aliud et aliud, dicit enim Augustinus, in Enchirid., cum in forma Dei esset, formam servi accepit, utrumque unus, sed aliud propter verbum, aliud propter hominem. Ergo Christus est duo. (IIIa q. 17 a. 1 arg. 2)
2 — Waar men van het ene en het andere spreekt, zijn er twee zijnden. Nu is Christus een bepaald zijnde en ook iets anders, omdat Augustinus in het Enchiridion (35° H.) zegt: « Toen Hij de gestalte Gods bezat, nam Hij de gestalte van een mens aan; een is beiden, maar het ene om het Woord en het andere om de mens ». Dus is Christus twee zijnden.
Praeterea, Christus non est tantum homo, quia, si purus homo esset, non esset Deus. Ergo est aliquid aliud quam homo. Et ita in Christo est aliud et aliud. Ergo Christus est duo. (IIIa q. 17 a. 1 arg. 3)
3 — Christus is niet enkel en alleen mens, want als Hij een mens zonder meer was, zou Hij geen God zijn. Dus is Hij iets anders als een mens. Dus is er in Christus het ene en het andere. Dus is Hij twee zijnden.
Praeterea, Christus est aliquid quod est pater, et est aliquid quod non est pater. Ergo Christus est aliquid et aliquid. Ergo Christus est duo. (IIIa q. 17 a. 1 arg. 4)
4 — Christus is iets, wat de Vader ook is en iets, wat de Vader niet is. Dus is Christus het ene en het andere, en dus twee zijnden.
Praeterea, sicut in mysterio Trinitatis sunt tres personae in una natura, ita in mysterio incarnationis sunt duae naturae in una persona. Sed propter unitatem naturae, non obstante distinctione personae, pater et filius sunt unum, secundum illud Ioan. X, ego et pater unum sumus. Ergo, non obstante unitate personae, propter dualitatem naturarum Christus est duo. (IIIa q. 17 a. 1 arg. 5)
5 — Zoals er in het geheim der Drievuldigheid drie personen in een natuur zijn, zijn er in het geheim der menswording twee naturen in een persoon. Om de eenheid in natuur zijn de Vader en de Zoon ondanks het verschil in persoon één volgens Johannes (10, 30): « Ik en de Vader zijn één ». Dus is Christus ondanks de eenheid in persoon om de tweevoudigheid der naturen twee zijnden.
Praeterea, philosophus dicit, in III Physic., quod unum et duo denominative dicuntur. Sed Christus habet dualitatem naturarum. Ergo Christus est duo. (IIIa q. 17 a. 1 arg. 6)
6 — De Filosoof zegt in het 3e boek Over de Physica (3e H., n. 1), dat een en twee ook in oneigenlijke zijn worden gebruikt. Nu heeft Christus een tweevoudigheid in natuur en is dus twee zijnden.
Praeterea, sicut forma accidentalis facit alterum, ita forma substantialis aliud, ut Porphyrius dicit. Sed in Christo sunt duae naturae substantiales, humana scilicet et divina. Ergo Christus est aliud et aliud. Ergo Christus est duo. (IIIa q. 17 a. 1 arg. 7)
7 — Zoals een bijkomstige vorm iets doet anders zijn, zo maakt een zelfstandigheidsvorm het tot een ander ding, zoals Porphyrius zegt. Nu zijn er in Christus twee zelfstandigheidsnaturen, nl. de goddelijke en de menselijke. Dus is Christus het ene en het andere ding en dus twee zijnden.
Sed contra est quod Boetius dicit, in libro de duabus naturis, omne quod est, inquantum est, unum est. Sed Christum esse confitemur. Ergo Christus est unum. (IIIa q. 17 a. 1 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat Boëtius in het boek *Over de Twee Naturen* (4e H.) zegt: « Alles wat is, is in zover het is, iets eens ». Nu belijden wij, dat Christus is. Dus is Hij iets eens.
Respondeo dicendum quod natura, secundum se considerata, prout in abstracto significatur, non vere potest praedicari de supposito seu persona nisi in Deo, in quo non differt quod est et quo est, ut in prima parte habitum est. In Christo autem cum sint duae naturae, divina scilicet et humana, altera earum, scilicet divina, potest de eo praedicari et in abstracto et in concreto, dicimus enim quod filius Dei, qui supponitur in hoc nomine Christus, est divina natura, et est Deus. Sed humana natura non potest praedicari de Christo secundum se in abstracto, sed solum in concreto, prout scilicet significatur in supposito. Non enim vere potest dici quod Christus sit humana natura, quia natura humana non est nata praedicari de suo supposito, dicitur autem quod Christus est homo, sicut et quod Christus est Deus. Deus autem significat habentem deitatem, et homo significat habentem humanitatem. Aliter tamen habens humanitatem significatur per hoc nomen homo, et aliter per hoc nomen Iesus, vel Petrus. Nam hoc nomen homo importat habentem humanitatem indistincte, sicut et hoc nomen Deus indistincte importat habentem deitatem. Hoc tamen nomen Petrus, vel Iesus, importat distincte habentem humanitatem, scilicet sub determinatis individualibus proprietatibus, sicut et hoc nomen filius Dei importat habentem deitatem sub determinata proprietate personali. Numerus autem dualitatis in Christo ponitur circa ipsas naturas. Et ideo, si ambae naturae in abstracto praedicarentur de Christo, sequeretur quod Christus esset duo. Sed quia duae naturae non praedicantur de Christo nisi prout significantur in supposito, oportet secundum rationem suppositi praedicari de Christo unum vel duo. Quidam autem posuerunt in Christo duo supposita, sed unam personam, quae quidem videtur se habere, secundum eorum opinionem, tanquam suppositum completum ultima completione. Et ideo, quia ponebant in Christo duo supposita, dicebant Christum esse duo neutraliter; sed quia ponebant unam personam, dicebant Christum esse unum masculine, nam neutrum genus designat quiddam informe et imperfectum; genus autem masculinum designat quiddam formatum et perfectum. Nestoriani autem, ponentes in Christo duas personas, dicebant Christum non solum esse duo neutraliter, sed etiam duos masculine. Quia vero nos ponimus in Christo unam personam et unum suppositum, ut ex praedictis patet, sequitur quod dicamus quod non solum Christus est unus masculine, sed etiam est unum neutraliter. (IIIa q. 17 a. 1 co.)
Duidt men de natuur op zichzelf beschouwd in het abstracte aan, dan kan men behalve bij God, in Wien *Datgene wat* is en *Datgene waardoor Het* is niet verschillen, zoals in het eerste deel (29e Kw., 4e Art., Antw. op de 1e B) is gezegd, de natuur niet zeggen van de drager of persoon. Waar er nu in Christus twee naturen zijn, nl. de goddelijke en de menselijke, kan men een ervan, nl. de goddelijke zowel abstract als concreet van Hem zeggen, want wij zeggen, dat de Zoon Gods, die in de naam Christus wordt aangeduid, de goddelijke natuur en God is. De menselijke natuur op zichzelf beschouwd echter kan niet abstract van Christus worden gezegd, maar alleen concreet, wanneer zij nl. in de drager wordt aangeduid. Want men kan niet zeggen, dat Christus de menselijke natuur is, omdat de menselijke natuur niet geschikt is om van haar drager te worden gezegd; maar men kan wel zeggen, dat Christus mens is, zoals men zegt, dat Hij God is. Nu geeft de term God degene, die de goddelijke, en die van mens degene, die de menselijke natuur bezit aan. Maar hij, die de menselijke natuur bezit, wordt door de term mens anders aangeduid als door de term Jesus of Petrus. De naam mens immers geeft de bezitter der menselijke natuur onbepaald aan, zoals de term God Dien der godheid. Maar de termen Jesus en Petrus geven hem, die de menselijke natuur heeft, zeer bepaald aan, nl. met de bepaalde eigenschappen van een eenling, zoals de term Zoon Gods de bezitter der goddelijke natuur met de bepaalde persoonlijke eigenschap aangeeft. Het getal twee nu wordt bij Christus wat de naturen betreft gebruikt. Zouden dus beide naturen in het abstracte van Christus worden gezegd, dan zou daaruit volgen, dat Christus twee zijnden was. Omdat zij echter van Christus niet worden gezegd tenzij wanneer zij worden aangegeven zoals zij in de drager zijn, moet men van Christus zeggen, dat Hij een of twee is al naar gelang de drager. Nu hebben sommigen in Christus twee dragers, maar een persoon aangenomen, omdat dit laatste naar hun mening een drager was, die de hoogste graad van volmaaktheid had. Omdat zij nu twee dragers aannemen, zeiden zij, dat Christus twee onzijdig genomen was; maar omdat zij een persoon aannamen, noemden zij Hem een mannelijk genomen; omdat het onzijdige iets onge- vormds en onvolmaakts aangeeft, maar het mannelijk geslacht iets gevormds en volmaakts. — De Nestorianen daarentegen, die in Christus niet alleen twee dragers, maar ook twee personen aannemen, noemden Hem niet alleen in het onzijdige, maar ook mannelijk genomen twee zijnden. Omdat wij echter, zoals uit het voorafgaande blijkt, in Christus maar een persoon en ook maar een drager aannemen, volgt eruit, dat wij Christus niet alleen mannelijk, maar ook onzijdig genomen, een zijnde noemen.
Ad primum ergo dicendum quod verbum illud Augustini non est sic intelligendum quod ly utrumque teneatur ex parte praedicati, quasi dicat quod Christus sit utrumque, sed tenetur ex parte subiecti. Et tunc ly utrumque ponitur, non quasi pro duobus suppositis, sed pro duobus nominibus significantibus duas naturas in concreto. Possum enim dicere quod utrumque, scilicet Deus et homo, est Deus, propter accipientem Deum, et utrumque scilicet Deus et homo, est homo, propter acceptum hominem. (IIIa q. 17 a. 1 ad 1)
1 — Dit gezegde van Augustinus moet men niet zo verstaan, dat dit beiden in verband staat met het gezegde, alsof hij zei, dat « Christus beiden was », maar het behoort bij het onderwerp. En dan wordt de term beiden gebruikt niet voor twee dragers, maar voor twee termen, die in het concreet een natuur aanduiden. Want ik kan zeggen, dat beiden, namelijk God en mens, God zijn om de God, die aanneemt, en beiden, namelijk God en mens, mens zijn om de mens, die aangenomen wordt.
Ad secundum dicendum quod, cum dicitur, Christus est aliud et aliud locutio est exponenda ut sit sensus, habens aliam et aliam naturam. Et hoc modo exponit Augustinus in libro contra Felicianum, ubi, cum dixisset, in mediatore Dei et hominum aliud Dei filius, aliud hominis filius subdit, aliud, inquam, pro discretione substantiae, non alius, pro unitate personae. Et Gregorius Nazianzenus, in epistola ad Chelidonium, si oportet compendiose dicere, aliud quidem et aliud ea ex quibus salvator est, siquidem non idem est invisibile visibili, et quod absque tempore ei quod sub tempore. Non autem alius et alius absit. Haec enim ambo unum. (IIIa q. 17 a. 1 ad 2)
2 — Als men zegt, dat Christus het ene en het andere is, dan moet men deze uitdrukking zo uitleggen, dat zij betekent: is iemand, die de ene en de andere natuur bezit. Zo legt Augustinus in het boek Tegen Felicianus (11e H.) het uit, waar hij als hij zegt: « In de bemiddelaar tussen God en de mensen is het Zoon Gods en het andere mensenzoon », daarop laat volgen: « Ik sprak van « het ene » om het verschil in zelfstandigheid, niet van « de ene » om een persoonsverschil ». En Gregorius van Nazianze zegt in de Brief aan Chelidonius (101e Br.): « Moeten wij het kort zeggen, dan zijn de elementen, waaruit onze Verlosser bestaat, iets anders, omdat het onzichtbare nl. niet hetzelfde is als het zichtbare, en dat wat buiten de tijd ligt als datgene wat door de tijd wordt bepaald. Maar geen verschillende personen, dat zij verre. Want beiden zijn een ».
Ad tertium dicendum quod haec est falsa, Christus est tantum homo, quia non excludit aliud suppositum, sed aliam naturam, eo quod termini in praedicato positi tenentur formaliter. Si vero adderetur aliquid per quod traheretur ad suppositum, esset vera locutio, puta, Christus est tantum id quod est homo. Non tamen sequeretur quod sit aliquid aliud quam homo, quia ly aliud, cum sit relativum diversitatis substantiae, proprie refertur ad suppositum, sicut et omnia relativa facientia personalem relationem. Sequitur autem, ergo habet aliam naturam. (IIIa q. 17 a. 1 ad 3)
3 — De bewering: Christus is enkel mens, is onwaar, omdat zij niet een andere drager, maar een andere natuur ontkent, daar als gezegde gebruikte termen formeel genomen moeten worden. Werd er echter iets bijgevoegd, waardoor het op de drager ging slaan, dan zou het een goede uitdrukking zijn, bv.: Christus is alleen datgene, wat een mens is. Daaruit zou niet volgen, dat Hij iets anders als een mens was, omdat de term iets anders, die een andere zelfstandigheid aanduidt, eigenlijk slaat op de drager, evenals alle verhoudingstermen, die een verhouding tussen personen aangeven. Er zou dus uit volgen: « Dus heeft Hij een andere natuur ».
Ad quartum dicendum quod, cum dicitur, Christus est aliquid quod est pater, ly aliquid tenetur pro natura divina, quae etiam in abstracto praedicatur de patre et filio. Sed cum dicitur, Christus est aliquid quod non est pater, ly aliquid tenetur non pro ipsa natura humana secundum quod significatur in abstracto, sed secundum quod significatur in concreto; non quidem secundum suppositum distinctum, sed secundum suppositum indistinctum; prout scilicet substat naturae, non autem proprietatibus individuantibus. Et ideo non sequitur quod Christus sit aliud et aliud, vel quod sit duo, quia suppositum humanae naturae in Christo quod est persona filii Dei, non ponit in numerum cum natura divina, quae praedicatur de patre et filio. (IIIa q. 17 a. 1 ad 4)
4 — Als gezegd wordt, dat « Christus iets is, dat de Vader is », dan slaat dit iets op de goddelijke natuur, die ook abstract van de Vader en de Zoon wordt gezegd. Zegt men echter: Christus is iets, dat de Vader niet is, dan slaat dit iets op de menselijke natuur, niet abstract, maar concreet aangegeven; en niet naar een bepaalde, maar naar een onbepaalde drager, in zover deze de natuur draagt, maar zonder de eigenschappen, die er een eenling van maken. Daarom volgt er niet uit, dat Christus het ene en het andere is of dat Hij twee zijnden is; omdat de drager van de menselijke natuur in Christus, die de persoon van Gods Zoon is, geen veelvoudigheid geeft te samen met de goddelijke natuur, die van de Vader en de Zoon wordt gezegd.
Ad quintum dicendum quod in mysterio divinae Trinitatis natura divina praedicatur in abstracto de tribus personis, et ideo simpliciter potest dici quod tres personae sint unum. Sed in mysterio incarnationis non praedicantur ambae naturae in abstracto de Christo, et ideo non potest simpliciter dici quod Christus sit duo. (IIIa q. 17 a. 1 ad 5)
5 — In het geheim der Drievuldigheid wordt de goddelijke natuur abstract van de drie personen gezegd, en daarom kan men zonder voorbehoud zeggen, dat de drie personen een zijn. Maar bij het geheim der menswording worden de twee naturen niet abstract van Christus gezegd, en daarom kan men niet zonder voorbehoud zeggen, dat Christus twee is.
Ad sextum dicendum quod duo dicitur quasi habens dualitatem, non quidem in aliquo alio, sed in ipso de quo duo praedicantur. Fit autem praedicatio de supposito, quod importatur per hoc nomen Christus. Quamvis igitur Christus habeat dualitatem naturarum, quia tamen non habet dualitatem suppositorum, non potest dici esse duo. (IIIa q. 17 a. 1 ad 6)
6 — Men spreekt van twee als van iemand, die twee dingen heeft, niet in een ander, maar in hem zelf, waarvan twee dingen worden gezegd. Nu wordt iets gezegd van de drager, die in de naam Christus wordt aangeduid. Al heeft Christus dus een dubbele natuur, toch kan men niet zeggen, dat Hij twee is, omdat Hij geen dubbele drager is.
Ad septimum dicendum quod alterum importat diversitatem accidentis, et ideo diversitas accidentis sufficit ad hoc quod aliquid simpliciter dicatur alterum. Sed aliud importat diversitatem substantiae. Substantia autem dicitur non solum natura, sed etiam suppositum, ut dicitur in V Metaphys. Et ideo diversitas naturae non sufficit ad hoc quod aliquid simpliciter dicatur aliud, nisi adsit diversitas secundum suppositum. Sed diversitas naturae facit aliud secundum quid, scilicet secundum naturam, si non adsit diversitas suppositi. (IIIa q. 17 a. 1 ad 7)
7 — Iets dat anders is betekent een verschil in een bijkomstigheid en daarom is een verschil in een bijkomstigheid voldoende om iets zonder voorbehoud anders te laten noemen. Maar iets anders geeft een verschil in zelfstandigheid aan, en zelfstandigheid geeft niet alleen de natuur, maar ook de drager aan, zoals in het 5e boek Over de Metaphysiek wordt gezegd. Daarom is een verschil in natuur niet voldoende om iets zonder voorbehoud iets anders te noemen, als het verschil in drager er niet is. Verschil in natuur maakt iets onder zeker opzicht anders, namelijk in natuur, als er geen verschil in drager is.