Tertia Pars. Quaestio 53. Over Christus’ verrijzenis .
Prooemium
Consequenter considerandum est de his quae pertinent ad exaltationem Christi. Et primo,
de eius resurrectione; secundo, de eius ascensione; tertio, de sessione ad dexteram
patris; quarto, de iudiciaria potestate. Circa primum occurrit quadruplex consideratio,
quarum prima est de ipsa Christi resurrectione; secunda, de qualitate resurgentis;
tertia, de manifestatione resurrectionis; quarta, de eius causalitate. Circa primum
quaeruntur quatuor. Primo, de necessitate resurrectionis eius. Secundo, de tempore.
Tertio, de ordine. Quarto, de causa. (IIIa q. 53 pr.)
Vervolgens moeten wij datgene behandelen, wat betrekking heeft op de verheffing van
Christus. — En ten eerste over zijn verrijzenis; ten tweede, over zijn hemelvaart
(57° Kw.); ten derde, over zijn zitten aan de rechterhand van de Vader (58° Kw.);
ten vierde, over zijn oordeelsmacht (59° Kw.). Aangaande het eerste vallen vier punten
te beschouwen. Het eerste daarvan gaat over Christus’ verrijzenis zelf. Het tweede
over de hoedanigheid van de verrijzende (54° Kw.). Het derde over de openbaring der
verrijzenis (55° Kw.). Het vierde over haar oorzakelijkheid (56° Kw.). Over het eerste
stellen wij vier vragen: 1. Over de noodzakelijkheid van zijn verrijzenis. 2. Over
de tijd. 3. Over de volgorde. 4. Over de oorzaak.
Articulus 1. Was het noodzakelijk dat Christus verrees?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod non fuerit necessarium Christum resurgere.
Dicit enim Damascenus, in IV libro, resurrectio est secunda eius quod dissolutum est
et cecidit animalis surrectio. Sed Christus non cecidit per peccatum, nec corpus eius
est dissolutum, ut ex supra dictis patet. Non ergo proprie convenit sibi resurgere. (IIIa q. 53 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het niet noodzakelijk was, dat Christus verrees. Damascenus zegt
immers: « Herrijzen is een tweede opstanding van iets bezields, dat ontbonden en vervallen
was. » Christus is echter niet gevallen door de zonde, en zijn lichaam ging niet tot
ontbinding over, zoals boven gezegd is (51° Kw. 3° Art.). Dus kwam het Hem niet in
de eigenlijken zin toe, om te herrijzen.
Praeterea, quicumque resurgit, ad aliquid altius promovetur, quia surgere est sursum
moveri. Sed corpus Christi remansit post mortem divinitati unitum, et ita non potuit
in aliquid altius promoveri. Ergo non competebat sibi resurgere. (IIIa q. 53 a. 1 arg. 2)
2 — Wie verrijst, wordt tot iets hogers gebracht, daar opstaan betekent zich naar boven
bewegen. Het lichaam van Christus bleef echter na de dood met de Godheid verenigd;
en aldus kan het niet tot iets hogers gebracht worden. Dus kwam het daaraan niet toe
om te herrijzen.
Praeterea, ea quae circa humanitatem Christi sunt acta, ad nostram salutem ordinantur.
Sed sufficiebat ad salutem nostram passio Christi, per quam sumus liberati a culpa
et poena, ut ex supra dictis patet. Non ergo fuit necessarium quod Christus a mortuis
resurgeret. (IIIa q. 53 a. 1 arg. 3)
3 — Alles wat gebeurde met de mensheid van Christus, wordt op ons heil gericht. Voor onze
zaligheid echter volstond het lijden van Christus, waardoor wij bevrijd zijn van de
straf en van de schuld, zoals blijkt uit het boven gezegde (49° Kw. 1° en 3° Art).
Het was derhalve niet noodzakelijk, dat Christus verrees uit de doden.
Sed contra est quod dicitur Luc. ult., oportebat Christum pati et resurgere a mortuis. (IIIa q. 53 a. 1 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt bij Lucas (24. 46): « De Christus moest
verrijzen en opstaan uit de doden. »
Respondeo dicendum quod necessarium fuit Christum resurgere, propter quinque. Primo
quidem, ad commendationem divinae iustitiae, ad quam pertinet exaltare illos qui se
propter Deum humiliant, secundum illud Luc. I, deposuit potentes de sede, et exaltavit
humiles. Quia igitur Christus, propter caritatem et obedientiam Dei, se humiliavit
usque ad mortem crucis, oportebat quod exaltaretur a Deo usque ad gloriosam resurrectionem.
Unde ex eius persona dicitur in Psalmo, tu cognovisti, idest approbasti, sessionem
meam, idest humilitatem et passionem, et resurrectionem meam, idest glorificationem
in resurrectione, sicut Glossa exponit. Secundo, ad fidei nostrae instructionem. Quia
per eius resurrectionem confirmata est fides nostra circa divinitatem Christi, quia,
ut dicitur II Cor. ult., etsi crucifixus est ex infirmitate nostra, sed vivit ex virtute
Dei. Et ideo I Cor. XV dicitur, si Christus non resurrexit, inanis est praedicatio
nostra, inanis est et fides nostra. Et in Psalmo, quae utilitas erit in sanguine meo,
idest in effusione sanguinis mei, dum descendo, quasi per quosdam gradus malorum,
in corruptionem? Quasi dicat, nulla. Si enim statim non resurgo, corruptumque fuerit
corpus meum, nemini annuntiabo, nullum lucrabor ut Glossa exponit. Tertio, ad sublevationem
nostrae spei. Quia, dum videmus Christum resurgere, qui est caput nostrum, speramus
et nos resurrecturos. Unde dicitur I Cor. XV, si Christus praedicatur quod resurrexit
a mortuis, quomodo quidam dicunt in vobis quoniam resurrectio mortuorum non est? Et
Iob XIX dicitur, scio, scilicet per certitudinem fidei, quod redemptor meus, idest
Christus, vivit, a mortuis resurgens, et ideo in novissimo die de terra surrecturus
sum, reposita est haec spes mea in sinu meo. Quarto, ad informationem vitae fidelium,
secundum illud Rom. VI, quomodo Christus resurrexit a mortuis per gloriam patris,
ita et nos in novitate vitae ambulemus. Et infra, Christus resurgens ex mortuis iam
non moritur, ita et vos existimate mortuos esse peccato, viventes autem Deo. Quinto,
ad complementum nostrae salutis. Quia sicut propter hoc mala sustinuit moriendo ut
nos liberaret a malis, ita glorificatus est resurgendo ut nos promoveret ad bona,
secundum illud Rom. IV, traditus est propter delicta nostra, et resurrexit propter
iustificationem nostram. (IIIa q. 53 a. 1 co.)
Om vijf redenen was het noodzakelijk, dat Christus zou verrijzen. — Ten eerste, ter
wille van de goddelijke gerechtigheid, waaraan het eigen is, degenen, die zich om
God vernederd hebben, te verheffen, overeenkomstig het woord in Lucas (1. 52): « De
machtigen heeft Hij van hun zetels gehaald, en de nederigen daarop verheven. » Daar
Christus dus zichzelf om zijn liefde en gehoorzaamheid jegens God vernederd heeft
tot de dood aan het kruis, moest Hij door God ook verheven worden tot de glorierijke
verrijzenis. Daarom wordt in zijn persoon gezegd in het Boek der Psalmen (138. 2):
« Gij hebt gekend, » d. i. goed gevonden, « mijn neergang, » d. i. mijn vernedering
en lijden, « en mijn verrijzenis, » d. i. mijn verheerlijking in de verrijzenis, zoals
de Glossa dat verklaart. — Ten tweede, tot onderricht van ons geloof. Want door Christus'
verrijzenis is het geloof aangaande zijn Godheid versterkt, daar zoals gezegd wordt
in de Tweede Brief aan de Corinthiërs (13. 4): «Al werd Hij uit zwakheid gekruisigd,
toch leeft Hij uit de kracht van God. » En daarom wordt ook in de Eerste Brief aan
de Corinthiërs (15. 14) gezegd: « Indien Christus niet verrezen is, dan is onze prediking
ijdel, ijdel ook uw geloof; » en in het Boek der Psalmen (29. 10) wordt gezegd: «
Welk nut ligt er in mijn bloed, » d. i. in het vergieten van mijn bloed, «als Ik nederdaal»
als door verschillende graden van kwaad, « in het verderf »? Alsof Hij zeggen wilde:
In 't geheel geen. « Indien Ik immers niet terstond verrijzen, en mijn lichaam tot
ontbinding is overgegaan, dan zal Ik niemand de boodschap brengen en niemand winnen,
» zoals de Glossa verklaart. — Ten derde, om onze hoop te versterken. Want als wij
Christus, die ons hoofd is, zien verrijzen, hopen we, dat ook wij zullen opstaan.
Daarom wordt gezegd in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 12): « Als er gepredikt
wordt, dat Christus van de doden is verrezen, hoe zeggen sommigen dan, onder u, dat
er geen verrijzenis van de doden bestaat? » En in het Boek Job (19. 25, 27) wordt
gezegd: « Ik weet, » nl. met de zekerheid van het geloof, « dat mijn Verlosser leeft,
» d. i. Christus, verrijzend uit de doden, en daarom « zal ik op de jongste dag verrijzen:
deze hoop is mij in mijn schoot gelegd. » — Ten vierde, tot vorming van het leven
der geloovigen, overeenkomstig het woord in de Brief aan de Romeinen (6. 4): « Zoals
Christus verrezen is van de doden door de glorie van de Vader, zo moeten ook wij wandelen
in nieuwheid van leven. » En verderop (v. 9, 11): « Christus, opstaande uit de doden,
sterft niet meer: zo moet ook gij u zelf beschouwen, als wel gestorven aan de zonde,
maar levend voor God. » — Ten vijfde om ons heil volledig te maken. Want, zoals Hij
door het kwaad, dat Hij verduurde, « vernederd is » tot de dood, om ons van het kwaad
te verlossen, zo is Hij ook verheerlijkt bij zijn verrijzenis, om ons tot het goede
te brengen, naar het woord in de Brief aan de Romeinen (4. 25): « Hij werd overgeleverd
om onze misslagen, en is verrezen ter wille van onze rechtvaardigmaking. »
Ad primum ergo dicendum quod, licet Christus non ceciderit per peccatum, cecidit tamen
per mortem, quia sicut peccatum est casus a iustitia, ita mors est casus a vita. Unde
ex persona Christi potest intelligi quod dicitur Mich. VII, ne laeteris, inimica mea,
super me, quia cecidi, consurgam. Similiter etiam, licet corpus Christi non fuerit
dissolutum per incinerationem, ipsa tamen separatio animae a corpore dissolutio quaedam
fuit. (IIIa q. 53 a. 1 ad 1)
1 — Ofschoon Christus niet gevallen is door de zonde, ging Hij toch ten onder door de
dood, daar de dood is het verlies van het leven, zoals de zonde het verlies van de
gerechtigheid is. Wat daarom gezegd wordt bij Micheas (7. 8), kan men verstaan (als
gezegd) uit naam van Christus: « Verheug u niet over mij, mijn vijand, dat ik gevallen
ben; ik zal verrijzen. » En ofschoon het lichaam van Christus niet ontbonden werd
door tot stof over te gaan, toch was evenzo de scheiding der ziel van het lichaam
een zekere ontbinding.
Ad secundum dicendum quod divinitas erat carni Christi post mortem unita unione personali,
non autem unione naturae, sicut anima unitur corpori ut forma ad constituendam humanam
naturam. Et ideo per hoc quod corpus eius unitum est animae, promotum est in altiorem
statum naturae, non autem in altiorem statum personae. (IIIa q. 53 a. 1 ad 2)
2 — De Godheid was met Christus’ vlees na de dood verenigd door een vereniging in de persoon,
maar niet door een vereniging in de natuur, zoals de ziel met het lichaam wordt verenigd
als vorm, om de menselijke natuur samen te stellen. Doordat derhalve zijn lichaam
werd verenigd met zijn ziel, werd het tot een hogere staat van natuur gebracht, maar
niet tot een hogere staat van persoon.
Ad tertium dicendum quod passio Christi operata est nostram salutem, proprie loquendo,
quantum ad remotionem malorum, resurrectio autem quantum ad inchoationem et exemplar
bonorum. (IIIa q. 53 a. 1 ad 3)
3 — In eigenlijke zin gesproken, heeft het lijden van Christus ons heil bewerkt door het
kwaad weg te nemen, maar de verrijzenis door tot het goede aan te zetten en er een
voorbeeld van te geven.
Articulus 2. Was het passend dat Christus de derde dag verrees?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod non fuerit conveniens Christum tertia die
resurgere. Membra enim debent capiti conformari. Sed nos, qui sumus membra Christi,
non resurgimus a morte tertia die, sed nostra resurrectio differtur usque ad finem
mundi. Ergo videtur quod Christus, qui est caput nostrum, non debuit tertia die resurgere,
sed debuit eius resurrectio differri usque ad finem mundi. (IIIa q. 53 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het niet passend was, dat Christus de derden dag verrees. De ledematen
moeten immers gelijkvormig worden aan het hoofd. Maar wij, die de ledematen van Christus
zijn, wij verrijzen niet de derden dag uit de dood, maar onze verrijzenis wordt uitgesteld
tot het einde van de wereld. Dus moest ook Christus, die ons hoofd is, niet de derden
dag verrijzen, maar moest zijn verrijzenis uitgesteld worden tot het einde van de
wereld.
Praeterea, Act. II dicit Petrus quod impossibile erat Christum detineri ab Inferno
et morte. Sed quandiu aliquis est mortuus, detinetur a morte. Ergo videtur quod Christi
resurrectio non debuerit differri usque ad tertiam diem, sed statim eodem die resurgere,
praecipue cum Glossa super inducta dicat nullam esse utilitatem in effusione sanguinis
Christi si non statim resurgeret. (IIIa q. 53 a. 2 arg. 2)
2 — In de Handelingen der Apostelen (2. 29) zegt Petrus, dat het « onmogelijk was, dat
Christus door de hel en de dood werd vastgehouden. » Zoolang iemand echter dood is,
wordt hij door de dood vastgehouden. Dus moest Christus' verrijzenis niet uitgesteld
worden tot de derden dag, maar moest Hij dezelfde dag verrijzen; vooral daar de boven
aangehaalde Glossa (vorig Art.) zegt, « dat er geen nut ligt in het vergieten van
Christus' bloed, als Hij niet terstond verrees. »
Praeterea, dies incipere videtur ab ortu solis, qui sua praesentia diem causat. Sed
ante ortum solis Christus resurrexit, dicitur enim Ioan. XX, quod una sabbati Maria
Magdalene venit mane, cum adhuc tenebrae essent, ad monumentum, et tunc Christus iam
resurrexerat, quia sequitur, et vidit revolutum lapidem a monumento. Ergo non resurrexit
Christus tertia die. (IIIa q. 53 a. 2 arg. 3)
3 — De dag begint bij het opgaan van de zon, die door haar verschijnen het dag doet zijn.
Christus is echter voor het opgaan van de zon verrezen, want in Joannes (20. 1) wordt
gezegd, dat « op de eerste dag van de week Maria Magdalena 's morgens vroeg bij het
graf kwam, toen het nog duister was; » en toch was Christus toen al verrezen, wil
er volgt: « En zij zag de steen van het graf weggenomen. » Dus verrees Christus niet
de derden dag.
Sed contra est quod dicitur Matth. XX, tradent eum gentibus ad illudendum et flagellandum
et crucifigendum, et tertia die resurget. (IIIa q. 53 a. 2 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat bij Mattheus (20. 19) gezegd wordt: « Zij zullen Hem
overleveren aan de heidenen ter bespotting, en ter geeseling en ter kruisiging en
de derden dag zal Hij verrijzen. »
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, resurrectio Christi necessaria fuit ad
instructionem fidei nostrae. Est autem fides nostra et de divinitate et de humanitate
Christi, non enim sufficit alterum sine altero credere, ut ex praedictis patet. Et
ideo, ad hoc quod confirmaretur fides divinitatis ipsius, oportuit quod cito resurgeret,
et eius resurrectio non differretur usque ad finem mundi, ad hoc autem quod confirmaretur
fides de veritate humanitatis et mortis eius, oportuit moram esse inter mortem et
resurrectionem; si enim statim post mortem resurrexisset videri posset quod eius mors
vera non fuerit, et per consequens nec resurrectio vera. Ad veritatem autem mortis
Christi manifestandam, sufficiebat quod usque ad tertiam diem eius resurrectio differretur,
quia non contingit quin infra hoc tempus, in homine qui mortuus videtur cum vivat,
appareant aliqua indicia vitae. Per hoc etiam quod tertia die resurrexit, commendatur
perfectio ternarii, qui est numerus omnis rei, utpote habens principium, medium et
finem, ut dicitur in I de caelo. Ostenditur etiam, secundum mysterium, quod Christus
una sua morte, quae fuit lux propter iustitiam, corporali scilicet, duas nostras mortes
destruxit, scilicet corporis et animae, quae sunt tenebrosae propter peccatum, et
ideo una die integra et duabus noctibus permansit in morte, ut Augustinus dicit, in
IV de Trin. Per hoc etiam significatur quod per resurrectionem Christi tertium tempus
incipiebat. Nam primum fuit ante legem; secundum sub lege; tertium sub gratia. Incipit
etiam in Christi resurrectione tertius status sanctorum. Nam primus fuit sub figuris
legis; secundus, sub veritate fidei; tertius erit in aeternitate gloriae, quam Christus
resurgendo inchoavit. (IIIa q. 53 a. 2 co.)
Zoals in het vorige artikel gezegd is, was de verrijzenis van Christus noodzakelijk
tot ons geloofsonderricht. Ons geloof gaat echter zowel over de Godheid als over de
mensheid van Christus, want het is niet voldoende, het een zonder het andere te geloven,
zoals uit het vroeger gezegde blijkt (II. II. 2° Kw. 7° en 8° Art.). — En derhalve
was het nodig, om ons geloof in de waarachtigheid van zijn Godheid te versterken,
dat Hij spoedig verrees, en zijn verrijzenis niet werd uitgesteld tot het einde der
wereld. Om het geloof in de waarachtigheid van zijn mensheid en van zijn dood te versterken,
was het nodig, dat er een poos verliep tussen zijn dood en verrijzenis. Als Hij immers
terstond na zijn dood verrezen was, dan zou het kunnen lijken, dat zijn dood niet
echt was, en bijgevolg ook zijn verrijzenis niet. — Om de echtheid van de dood van
Christus echter aan te tonen, was het voldoende, dat zijn verrijzenis tot de derden
dag werd uitgesteld, wijl het onmogelijk is, dat bij een mens, die dood schijnt, hoewel
hij leeft, gedurende deze tijd niet enige levenstekenen verschijnen. — Ook komt, doordat
Hij de derden dag verrees, de volmaaktheid van het getal drie tot uiting dat « het
getal is van elk ding, » dat immers « een begin, een midden en een einde » heeft,
zoals gezegd wordt in De Coelo. Ook wordt in mysterieuze zin aangegeven, dat Christus
« door zijn ene dood » van het lichaam, die licht was wegens zijn rechtvaardigheid,
« onze dubbelen dood », (nl. van de ziel en van het lichaam), die duisternis was wegens
de zonde, « heeft vernietigd »; en derhalve bleef Hij een hele dag en twee nachten
in de dood, zoals Augustinus zegt. — Ook wordt hierdoor betekend, dat door de verrijzenis
van Christus het derde tijdvak begint. Want het eerste viel vóór de Wet; het tweede
onder de Wet; het derde onder de genade. Ook begon bij de verrijzenis van Christus
de derde staat der heiligen. Want de eerste was onder de voorafbeeldingen der Wet,
de tweede onder de werkelijkheid van het geloof, de derde zal zijn in de eeuwige glorie,
die Christus inzette met zijn verrijzenis.
Ad primum ergo dicendum quod caput et membra conformantur in natura, sed non in virtute,
excellentior est enim virtus capitis quam membrorum. Et ideo, ad demonstrandam excellentiam
virtutis Christi, conveniens fuit ipsum tertia die resurgere, aliorum resurrectione
dilata usque ad finem mundi. (IIIa q. 53 a. 2 ad 1)
1 — Het hoofd en de ledematen komen in natuur overeen, maar niet in kracht. Want de kracht
van het hoofd is sterker dan die der ledematen. En daarom was het goed om de sterkte
van Christus’ kracht te doen uitkomen, dat Hij de derden dag verrees, terwijl de verrijzenis
der anderen uitgesteld is tot het einde der wereld.
Ad secundum dicendum quod detentio coactionem quandam importat. Christus autem nulla
necessitate mortis tenebatur adstrictus, sed erat inter mortuos liber. Et ideo aliquandiu
in morte mansit, non quasi detentus, sed propria voluntate, quandiu iudicavit hoc
esse necessarium ad instructionem fidei nostrae. Dicitur autem statim fieri quod fit
brevi interposito tempore. (IIIa q. 53 a. 2 ad 2)
2 — Vasthouden sluit een zekere dwang in. Christus werd echter door geen noodzakelijkheid
van de dood vastgehouden, maar Hij was « vrij onder de doden. » En daarom bleef Hij
enigen tijd in de dood, niet als vastgehouden, maar uit eigen vrije verkiezing, zolang
als Hij dit noodzakelijk oordeelde voor ons geloofsonderricht. Men zegt nu, dat terstond
geschiedt, datgene wat na korten tijd geschiedt.
Ad tertium dicendum quod, sicut supra dictum est, Christus resurrexit circa diluculum,
illucescente iam die, ad significandum quod per suam resurrectionem nos ad lucem gloriae
inducebat, sicut mortuus est advesperascente iam die et tendente in tenebras, ad ostendendum
quod per suam mortem destrueret tenebras culpae et poenae. Et tamen dicitur tertia
die resurrexisse, accipiendo diem pro die naturali, quae continet spatium viginti
quatuor horarum. Et, sicut dicit Augustinus, in IV de Trin., nox usque ad diluculum
quo domini resurrectio declarata est, ad tertium pertinet diem. Quia Deus, qui dixit
de tenebris lumen clarescere, ut per gratiam novi testamenti et participationem resurrectionis
Christi audiremus, fuistis aliquando tenebrae, nunc autem lux in domino, insinuat
nobis quodammodo quod a nocte dies sumat initium. Sicut enim primi dies, propter futurum
hominis lapsum, a luce in noctem, ita isti, propter hominis reparationem, a tenebris
ad lucem computantur. Et ita patet quod, etiam si media nocte surrexisset, posset
dici die tertia eum surrexisse, intelligendo de die naturali. Nunc autem, cum in diluculo
surrexerit, potest dici quod die tertia surrexit, etiam accipiendo diem artificialem,
quae causatur ex praesentia solis, quia iam sol incipiebat aerem illustrare. Unde
et Marci ult. dicitur quod mulieres venerunt ad monumentum, orto iam sole. Quod non
est contrarium ei quod Ioannes dicit, cum adhuc tenebrae essent, ut Augustinus dicit,
in libro de consensu Evang., quia, die surgente, reliquiae tenebrarum tanto magis
extenuantur, quanto magis oritur lux; quod autem dicit Marcus, orto iam sole, non
sic accipiendum est tanquam iam sol ipse videretur super terram, sed tanquam eo proximo
veniente in has partes. (IIIa q. 53 a. 2 ad 3)
3 — Zoals boven gezegd is (51° Kw. 4° Art. 1° en 2° Antw.) is Christus tegen de dageraad
verrezen, toen de dag reeds aanbrak, om aan te geven, dat Hij ons door zijn verrijzenis
tot het glorie-licht bracht; zoals Hij ook stierf toen het reeds tegen de avond liep
en de dag terugweek in de duisternis, om aan te geven, dat Hij door zijn dood de duisternis
van schuld en straf te niet deed. En toch zeggen wij, dat Hij de derde dag verrees,
de dag nemend als een natuurlijken dag, die een tijdsverloop van vier en twintig uren
omvat. En zoals Augustinus zegt: « De nacht tot aan de morgenstond, waarop de verrijzenis
van Christus openbaar werd, behoort tot de derde dag. Want God, die zeide, dat het
licht uit de duisternis moest te voorschijn komen, opdat wij door de genade van het
N. Testament en de deelname aan de ver- rijzenis van Christus zouden vernemen: « Gij
waart eens duisternis, nu echter zijt gij licht in de Heer, » geeft ons te kennen,
hoe de dag begint met de nacht. Zoals immers de eerste dagen om de toekomstige val
van de mens werden gerekend van het licht af naar de nacht toe, zo ook deze dagen,
om het herstel van de mens, van de duisternis af naar het licht. » En aldus blijkt,
dat zelfs al was Hij te middernacht verrezen, men toch zou kunnen zeggen, dat Hij
de derde dag verrezen is, door dit te verstaan van een natuurlijken dag. Nu Hij echter
met de dageraad verrees, kan men zeggen, dat Hij de derde dag opstond, zelfs als men
de kunstmatige dag neemt, die veroorzaakt wordt door de aanwezigheid van de zon, daar
de zon reeds begonnen was de lucht te verhelderen. Daarom wordt ook bij Marcus (16.
2) gezegd, dat de vrouwen bij 't graf kwamen, « toen de zon reeds op was. » En dit
is niet in strijd met hetgeen Joannes zegt: « Toen het nog duister was » zoals Augustinus
zegt, « wijl bij het aanbreken van de dag, de overblijfselen van de duisternis destemeer
worden verzwakt, naarmate 't licht sterker komt opzetten. » Wat Marcus echter zegt:
« Toen de zon reeds op was, » « moet men niet zo verstaan, alsof de zon zelf reeds
boven de aarde werd gezien, maar dat zij ten naastenbij over deze delen kwam. »
Articulus 3. Is Christus het eerst verrezen?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod Christus non primo resurrexit. Nam in veteri
testamento per Eliam et Elisaeum aliqui resuscitati leguntur, secundum illud Heb.
XI, acceperunt mulieres de resurrectione mortuos suos. Similiter etiam Christus, ante
passionem suam, tres mortuos suscitavit. Non ergo Christus fuit primus resurgentium. (IIIa q. 53 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat Christus niet het eerst verrezen is. Wij lezen immers in het Oude
Testament, dat enigen door Elias en Elisa zijn opgewekt, naar het woord in de Brief
aan de Hebreeën (11. 35): « De vrouwen ontvingen hun doden uit de verrijzenis. » Zo
ook heeft Christus vóór zijn lijden drie doden opgewekt. Dus was Christus niet de
eerste der verrijzenden.
Praeterea, Matth. XXVII, inter alia miracula quae in passione Christi acciderunt,
narratur quod monumenta aperta sunt, et multa corpora sanctorum qui dormierant, surrexerunt.
Non ergo Christus fuit primus resurgentium. (IIIa q. 53 a. 3 arg. 2)
2 — In Mattheus (27. 52) wordt onder de mirakelen, die bij het lijden van Christus gebeurden,
ook verhaald, dat « de graven geopend werden en dat vele lichamen der heiligen, die
ontslapen waren, verrezen ». Dus was Christus niet de eerste der verrijzenden.
Praeterea, sicut Christus per suam resurrectionem est causa nostrae resurrectionis,
ita per suam gratiam est causa nostrae gratiae, secundum illud Ioan. I, de plenitudine
eius omnes accepimus. Sed alii prius tempore gratiam habuerunt quam Christus, sicut
omnes patres veteris testamenti. Ergo etiam aliqui prius ad resurrectionem corporalem
pervenerunt quam Christus. (IIIa q. 53 a. 3 arg. 3)
3 — Zoals Christus door zijn verrijzenis oorzaak is van onze verrijzenis, zo is Hij door
zijn genade oorzaak van onze genade, naar het woord bij Johannes (1. 16): « Uit zijn
volheid hebben wij allen ontvangen. » Maar anderen hadden eerder in tijd de genade
dan Christus, zoals al de vaders van het Oude Testament. Dus kwamen ook anderen eerder
dan Christus tot de lichamelijke verrijzenis.
Sed contra est quod dicitur I Cor. XV, Christus resurrexit a mortuis primitiae dormientium,
Glossa, quia prius tempore et dignitate surrexit. (IIIa q. 53 a. 3 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs
(15. 20): « Christus verrees uit de doden als eersteling uit de ontslapenen; » de
Glossa zegt: « daar Hij eerder verrees in tijd en waardigheid. »
Respondeo dicendum quod resurrectio est reparatio a morte in vitam. Dupliciter autem
aliquis eripitur a morte. Uno modo, solum a morte in actu, ut scilicet aliquis vivere
incipiat qualitercumque postquam mortuus fuerat. Alio modo, ut aliquis liberetur non
solum a morte, sed etiam a necessitate et, quod plus est, a possibilitate moriendi.
Et haec est vera et perfecta resurrectio. Quia quandiu aliquis vivit subiectus necessitati
moriendi, quodammodo mors ei dominatur, secundum illud Rom. VIII, corpus quidem mortuum
est propter peccatum. Illud etiam quod possibile est esse, secundum quid dicitur esse,
idest potentialiter. Et sic patet quod illa resurrectio qua quis eripitur solum ab
actuali morte, est resurrectio imperfecta. Loquendo ergo de resurrectione perfecta,
Christus est primus resurgentium, quia ipse resurgendo primo pervenit ad vitam penitus
immortalem; secundum illud Rom. VI, Christus, resurgens ex mortuis, iam non moritur.
Sed resurrectione imperfecta quidam alii surrexerunt ante Christum, ad praemonstrandum
quasi in quodam signo resurrectionem ipsius. (IIIa q. 53 a. 3 co.)
De verrijzenis is het herstel van de dood tot het leven. Op tweevoudige wijze kan
echter iemand aan de dood ontrukt worden. — Vooreerst alleen van de daadwerkelijke
dood, wanneer namelijk iemand, nadat hij gestorven is, op een of andere wijze begint
te leven. — Vervolgens, doordat iemand niet alleen van de dood verlost wordt, maar
ook van de noodzakelijkheid om te sterven, en, wat meer is, van de mogelijkheid om
te sterven. En dit is de echte en volmaakte verrijzenis. Want zolang iemand leeft,
bedreigd door de noodzakelijkheid van te sterven, wordt hij in zekere zin door de
dood overheerst, volgens het woord in de Brief aan de Romeinen (8. 10): « 't Lichaam
is wel gestorven vanwege de zonde. » Ook van datgene, waarvoor het mogelijk is te
zijn, zeggen wij, dat het in zekere zin is, d. i. mogelijkkerwijs. En aldus is het
duidelijk, dat de verrijzenis, waardoor iemand alleen van de daadwerkelijke dood bevrijd
wordt, een onvolmaakte verrijzenis is. Als wij derhalve spreken van de volmaakte verrijzenis,
dan is Christus de eerste onder de verrezenen, daar Hij door te verrijzen 't eerst
kwam tot een leven, dat totaal onsterfelijk is, naar het woord in de Brief aan de
Romeinen (6. 9): « Christus verrijzend uit de doden, sterft niet meer. » Maar sommige
anderen zijn vóór Christus opgestaan tot de onvolmaakte verrijzenis, om als door een
teken zijn verrijzenis van tevoren aan te duiden.
Et sic patet responsio ad primum. Quia et illi qui suscitati sunt in veteri testamento,
et illi qui suscitati sunt a Christo, sic redierunt ad vitam ut iterum morerentur. (IIIa q. 53 a. 3 ad 1)
1 — En zo blijkt het antwoord op de eerste bedenking. Want ook zij, die in het Oude Testament
werden opgewekt en zij, die door Christus werden opgewekt, keerden zo tot het leven
terug, dat zij wederom moesten sterven.
Ad secundum dicendum quod de illis qui resurrexerunt cum Christo, duplex est opinio.
Quidam enim asserunt quod redierunt ad vitam tanquam non iterum morituri, quoniam
maius illis esset tormentum si iterum morerentur, quam si non resurgerent. Et secundum
hoc, intelligendum erit, sicut Hieronymus dicit, super Matth., quod non ante resurrexerunt
quam resurgeret dominus. Unde et Evangelista dicit quod, exeuntes de monumentis post
resurrectionem eius, venerunt in sanctam civitatem et apparuerunt multis. Sed Augustinus,
in epistola ad Evodium, hanc opinionem commemorans, dicit, scio quibusdam videri morte
domini Christi iam talem resurrectionem praestitam iustis, qualis nobis in fine promittitur
quod si non iterum, repositis corporibus, dormierunt, videndum est quomodo intelligatur
Christus primogenitus a mortuis, si eum in illam resurrectionem tot praecesserunt.
Quod si respondetur hoc dictum esse per anticipationem, ut monumenta illo terrae motu
aperta intelligantur cum Christus in cruce penderet, resurrexisse autem iustorum corpora
non tunc, sed cum ille prior resurrexisset, sed adhuc restat quod moveat quomodo Petrus
non de David sed de Christo asseruit fuisse praedictum carnem eius non vidisse corruptionem,
scilicet per hoc quod apud eos erat monumentum David; et sic illos non convincebat,
si corpus David ibi iam non erat; quia, etsi ante in recenti sua morte resurrexisset,
nec caro eius vidisset corruptionem, posset monumentum illud manere. Durum autem videtur
ut David non fuerit in illa resurrectione iustorum, si eis iam aeterna donata est,
cuius Christus ex semine commendatur. Periclitabitur etiam illud quod ad Hebraeos
de iustis antiquis dicitur, ne sine nobis perficerentur, si iam in illa resurrectionis
incorruptione constituti sunt quae nobis perficiendis in fine promittitur. Sic ergo
Augustinus sentire videtur quod resurrexerint iterum morituri. Ad quod etiam videtur
pertinere quod Hieronymus dicit, super Matth., quod, sicut Lazarus resurrexit, sic
et multa corpora sanctorum resurrexerunt, ut dominum ostenderent resurgentem. Quamvis
hoc in sermone de assumptione sub dubio relinquat. Rationes tamen Augustini multo
efficaciores videntur. (IIIa q. 53 a. 3 ad 2)
2 — Over hen, die met Christus verrezen, heerst een dubbele opvatting. Sommigen toch beweren,
dat zij tot het leven terugkeerden als om niet meer te sterven; daar het voor hen
veel meer een beproeving was, als zij wederom moesten sterven, dan wanneer zij niet
verrezen waren. En aldus moet men verstaan, zoals Hieronymus zegt, dat « zij niet
eerder verrezen, dan de Heer verrees. » Daarom zegt ook de evangelist, dat « zij na
zijn verrijzenis uitgingen uit de graven en in de heilige stad Jeruzalem kwamen en
aan velen verschenen. » (Matth. 27. 53). Maar Augustinus zegt met het oog op deze
mening: « Ik weet wel, dat sommigen houden, dat door de dood van de Heer Christus
aan de rechtvaardigen reeds zulk een verrijzenis geschonken werd, welke ons op het
einde beloofd wordt. Maar indien zij niet wederom hunne lichamen afleggend ontslapen
zijn, dan staat het te bezien, hoe Christus dan de eerstgeborene van de doden is,
als Hem zo velen in die verrijzenis zijn voorafgegaan. En als men nu antwoordt, dat
dit op vooruitlopende wijze gezegd is, zodat we moeten verstaan, dat de graven door
die aardschudding geopend zijn, toen Christus aan het kruis hing, maar dat de lichamen
der rechtvaardigen niet toen verrezen zijn, maar toen Hij het eerst verrezen was,
dan blijft nog staan, wat ons bezig houdt, hoe Petrus dan betuigt, dat niet aangaande
David, maar aangaande Christus voorzegd werd, dat zijn vlees het bederf niet zien
zou, omdat immers het graf van David bij hen was; en zo overtuigde hij hen niet, als
het lichaam van David reeds niet meer daar was; want ook indien hij vroeger in de
eerste tijd van zijn dood verrezen was, en zijn vlees het bederf niet gezien had,
dan kon toch dat graf blijven bestaan. Het lijkt immers hard, dat David niet bij die
verrijzenis der rechtvaardigen was, indien aan hen reeds de eeuwige gegeven werd,
terwijl toch geleerd wordt, dat Christus uit zijn geslacht was. Ook komt dan in gedrang
hetgeen gezegd wordt aan de Hebreeën over de oude rechtvaardigen: « dat zij niet zonder
ons tot de voltooiing zullen komen; » indien zij reeds in die onbederfelijkheid der
verrijzenis bevestigd zijn, welke aan ons, die nog tot de voleinding moeten komen,
beloofd wordt op 't eind. » Zo schijnt Augustinus dus van gevoelen te zijn, dat zij
verrezen, om wederom te sterven. Dit schijnt ook de zin te zijn van wat Hieronymus
zegt, dat « evenals Lazarus verrees, zo ook vele andere lichamen van heiligen verrezen,
om aan te duiden, dat de Heer verrees. » Ofschoon hij dit in een preek over de Hemelopneming
in twijfel laat, schijnen toch de argumenten van Augustinus van veel meer kracht te
zijn.
Ad tertium dicendum quod, sicut ea quae praecesserunt Christi adventum, fuerunt praeparatoria
ad Christum, ita gratia est dispositio ad gloriam. Et ideo ea quae sunt gloriae, sive
quantum ad animam, sicut perfecta Dei fruitio, sive quantum ad corpus, sicut resurrectio
gloriosa, prius tempore debuit esse in Christo, sicut in auctore gloriae. Gratiam
vero conveniebat prius esse in his quae ordinabantur ad Christum. (IIIa q. 53 a. 3 ad 3)
3 — Zoals datgene, wat Christus’ komst voorafging, een voorbereiding was op Christus,
zo is de genade een voorbereiding op de glorie. En daarom moest datgene, wat tot de
glorie behoort, hetzij het betrekking heeft op de ziel, zoals de volmaakte Godgenade,
of op het lichaam, zoals de glorierijke verrijzenis, in tijd eerder gevonden worden
bij Christus, de bewerker der glorie. Maar het was passend, dat de genade het eerst
gevonden werd bij hen, die tot Christus geordend waren.
Articulus 4. Was Christus de oorzaak zijner verrijzenis?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod Christus non fuerit causa suae resurrectionis.
Quicumque enim suscitatur ab alio, non est suae resurrectionis causa. Sed Christus
est suscitatus ab alio, secundum illud Act. II, quem Deus suscitavit, solutis doloribus
Inferni; et Rom. VIII, qui suscitavit Iesum Christum a mortuis, vivificabit et mortalia
corpora nostra, et cetera. Ergo Christus non est causa suae resurrectionis. (IIIa q. 53 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat Christus geen oorzaak was van zijn verrijzenis. Wie immers door een
ander wordt opgewekt, is geen oorzaak van zijn verrijzenis. Christus nu werd door
een ander opgewekt, volgens het woord in de Handelingen der Apostelen (2. 24): « Dien
God heeft opgewekt, na de smarten der hel te hebben opgeheven; » en in de Brief aan
de Romeinen (8. 11): « Hij, die Jesus Christus uit de doden heeft opgewekt, zal ook
onze sterfelijke lichamen levend maken, » enz. Dus is Christus geen oorzaak van zijn
verrijzenis.
Praeterea, nullus dicitur mereri, vel ab alio petit, aliquid cuius ipse est causa.
Sed Christus sua passione meruit resurrectionem, sicut Augustinus dicit, super Ioan.,
quod humilitas passionis meritum est gloriae resurrectionis. Ipse etiam petit a patre
se resuscitari, secundum illud Psalmi, tu autem, domine, miserere mei et resuscita
me. Ergo Christus non fuit causa suae resurrectionis. (IIIa q. 53 a. 4 arg. 2)
2 — Niemand verdient, of vraagt van een ander, datgene waar hijzelf oorzaak van is. Christus
heeft echter door zijn lijden de verrijzenis verdiend, zoals Augustinus zegt, dat
« de vernedering tempore debuerunt esse in Christo, sicut in auctore gloriae. Gratiam
vero conveniebat prius esse in his quae ordinabantur ad Christum. van het lijden de
glorie der verrijzenis verdiend heeft. » Hij heeft ook aan zijn Vader gevraagd Hem
op te wekken, volgens het woord in het Boek der Psalmen (40. 11): « Gij echter, Heer,
ontferm U mijner en wek Mij op. » Dus was Hij geen oorzaak van zijn verrijzenis.
Praeterea, sicut Damascenus probat, in IV libro, resurrectio non est animae, sed corporis,
quod per mortem cadit. Corpus autem non potuit sibi animam unire, quae est eo nobilior.
Ergo id quod resurrexit in Christo, non potuit esse causa suae resurrectionis. (IIIa q. 53 a. 4 arg. 3)
3 — Zoals Damascenus aantoont, is de verrijzenis niet iets van de ziel, maar van het lichaam,
dat door de dood valt. Het lichaam kan echter niet de ziel met zich verenigen, daar
zij edeler is. Derhalve kon datgene, wat in Christus verrees, geen oorzaak van zijn
verrijzenis zijn.
Sed contra est quod dominus dicit, Ioan. X, nemo tollit animam meam a me, sed ego
pono eam et iterum sumo eam. Sed nihil est aliud resurgere quam iterato animam sumere.
Ergo videtur quod Christus propria virtute resurrexit. (IIIa q. 53 a. 4 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat de Heer zegt bij Johannes (10. 18): « Niemand neemt
mijn ziel van mij weg, maar Ik leg haar af en zal haar weer opnemen. » Verrijzen nu
is niets anders, dan wederom zijn ziel aannemen. Dus is Christus uit eigen kracht
verrezen.
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, per mortem non fuit separata divinitas
nec ab anima Christi, nec ab eius carne. Potest igitur tam anima Christi mortui, quam
eius caro, considerari dupliciter, uno modo, ratione divinitatis; alio modo, ratione
ipsius naturae creatae. Secundum igitur unitae divinitatis virtutem, et corpus resumpsit
animam, quam deposuerat; et anima resumpsit corpus, quod dimiserat. Et hoc est quod
de Christo dicitur II Cor. ult., quod, etsi crucifixus est ex infirmitate nostra,
sed vivit ex virtute Dei. Si autem consideremus corpus et animam Christi mortui secundum
virtutem naturae creatae, sic non potuerunt sibi invicem reuniri, sed oportuit Christum
resuscitari a Deo. (IIIa q. 53 a. 4 co.)
Zoals boven gezegd is (50° Kw. 2° en 3° Art.) werd door de dood de Godheid noch van
Christus’ ziel, noch van zijn vlees gescheiden. Zoowel de ziel van de gestorven Christus,
als zijn vlees kunnen daarom tweevoudig beschouwd worden: vooreerst naar de Godheid,
vervolgens naar de geschapen natuur zelf. — Derhalve, uit kracht van de verenigde
Godheid nam het lichaam wederom de ziel aan, die het had afgelegd, en nam de ziel
weer het lichaam aan, dat zij verlaten had. En aldus verrees Christus uit eigen kracht.
En dat betekent het, wat van Christus gezegd wordt in de Tweede Brief aan de Corinthiërs
(13. 4), dat « hoewel Hij gekruisigd is om onze zwakte, Hij toch leeft uit de kracht
Gods. » — Als wij echter het lichaam en de ziel van de gestorven Christus beschouwen
naar de kracht van de geschapen natuur, dan konden zij zich niet wederkerig verenigen,
maar dan moest Christus door God opgewekt worden.
Ad primum ergo dicendum quod eadem est divina virtus et operatio patris et filii.
Unde haec duo sese consequuntur, quod Christus sit suscitatus divina virtute patris,
et sui ipsius. (IIIa q. 53 a. 4 ad 1)
1 — De goddelijke kracht en werking van Vader en Zoon zijn dezelfde. Dus deze twee volgen
uit elkaar, dat Christus is opgewekt door de goddelijke kracht van de Vader en van
zichzelf.
Ad secundum dicendum quod Christus orando petiit et meruit suam resurrectionem, inquantum
homo, non autem inquantum Deus. (IIIa q. 53 a. 4 ad 2)
2 — Christus heeft biddend zijn verrijzenis gevraagd en verdiend, in zover Hij mens was,
niet als God.
Ad tertium dicendum quod corpus secundum naturam creatam non est potentius anima Christi,
est tamen ea potentius secundum virtutem divinam. Quae etiam rursus, secundum divinitatem
unitam, est potentior corpore secundum naturam creatam. Et ideo secundum virtutem
divinam corpus et anima mutuo se resumpserunt, non autem secundum virtutem naturae
creatae. (IIIa q. 53 a. 4 ad 3)
3 — Het lichaam is naar zijn geschapen natuur niet sterker dan de ziel van Christus, maar
naar de goddelijke kracht is het sterker dan haar. En deze is ook op haar beurt, door
de met haar verenigde Godheid, sterker dan het lichaam naar zijn geschapen natuur.
En dus namen ziel en lichaam elkaar wederkerig op uit de goddelijke kracht, maar niet
uit de kracht van de geschapen natuur.