Tertia Pars. Quaestio 81. Over de wijze, waarop Christus dit Sacrament heeft gebruikt .
Prooemium
Deinde considerandum est de usu huius sacramenti quo Christus usus est in prima sui
institutione. Et circa hoc quaeruntur quatuor. Primo, utrum ipse Christus sumpserit
corpus et sanguinem suum. Secundo, utrum Iudae dederit. Tertio, quale corpus sumpserit
aut dederit, scilicet passibile vel impassibile. Quarto, quomodo se habuisset Christus
sub hoc sacramento si fuisset in triduo mortis reservatum, aut etiam consecratum. (IIIa q. 81 pr.)
Vervolgens moeten wij handelen over het gebruik van dit Sacrament, zoals Christus
het gebruikt heeft bij de instelling ervan. Hieromtrent stellen wij vier vragen. 1.
Heeft Christus Zijn Lichaam en Bloed genutigd? 2. Heeft Hij het aan Judas gegeven?
3. Wat voor soort Lichaam heeft Hij genutigd of gegeven: een lijdbaar of een onlijdbaar?
4. Hoe zou Christus zich onder dit Sacrament hebben bevonden, als het in de drie dagen
van de dood was bewaard of geconsacreerd?
Articulus 1. Heeft Christus Zijn eigen Lichaam en Bloed genuttigd?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod Christus non sumpserit corpus suum et sanguinem.
Non enim de factis Christi et dictis asseri debet quod auctoritate sacrae Scripturae
non traditur. Sed in Evangeliis non habetur quod Christus corpus suum manducaverit
aut sanguinem biberit. Non ergo est hoc asserendum. (IIIa q. 81 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat Christus Zijn Lichaam en Bloed niet heeft genutigd. Men moet immers
in zake Christus’ daden of woorden niets verdedigen, wat ons niet door het gezag van
de H. Schrift wordt voorgehouden. Nu vindt men in de Evangelieën niet, dat Hij Zijn
Lichaam heeft gegeten of Zijn Bloed heeft gedronken. Dus moet men zo iets ook niet
verdedigen.
Praeterea, nihil potest esse in seipso, nisi forte ratione partium, prout scilicet
una pars eius est in alia, ut habetur in IV Physic. sed illud quod manducatur et bibitur,
est in manducante et bibente. Cum ergo totus Christus sit in utraque specie sacramenti,
videtur impossibile fuisse quod ipse sumpserit hoc sacramentum. (IIIa q. 81 a. 1 arg. 2)
2 — Niets kan in zichzelf zijn, tenzij dan wat de delen betreft, inzover namelijk het
ene deel van iets in het andere is, gelijk geschreven staat in de *Physica*. Maar
wat gegeten en gedronken wordt is in degene, die eet en drinkt. Gegeven dus dat de
hele Christus onder elk van beide gedaanten is, schijnt het uitgesloten geweest te
zijn, dat Hij Zelf dit Sacrament heeft genutigd.
Praeterea, duplex est assumptio huius sacramenti, scilicet spiritualis et sacramentalis.
Sed spiritualis non competebat Christo, quia nihil a sacramento accepit. Et per consequens
nec sacramentalis, quae sine spirituali est imperfecta, ut supra habitum est. Ergo
Christus nullo modo hoc sacramentum sumpsit. (IIIa q. 81 a. 1 arg. 3)
3 — Er is een tweevoudige nuttiging van dit Sacrament, namelijk een geestelijke en een
sacramentale. Nu komt de geestelijke nuttiging aan Christus niet toe, daar Hij niets
heeft ontvangen van het Sacrament; en bijgevolg ook niet de sacramentale, die zonder
de geestelijke onvolmaakt is, zoals boven werd gezegd (80° Kw. 1° Art.). Dus heeft
Christus in geen enkele zin dit Sacrament genuttigd.
Sed contra est quod Hieronymus dicit, ad Heldibiam, dominus Iesus ipse conviva et
convivium, ipse comedens et qui comeditur. (IIIa q. 81 a. 1 s. c.)
Daartegenover staat echter het woord van Hieronymus: « De Heer Jesus Christus is tegelijk
disgenoot en dis, etend en gegeten ».
Respondeo dicendum quod quidam dixerunt quod Christus in cena corpus et sanguinem
suum discipulis tradidit, non tamen ipse sumpsit. Sed hoc non videtur convenienter
dici. Quia Christus ea quae ab aliis observanda instituit, ipse primitus observavit,
unde et ipse prius baptizari voluit quam aliis Baptismum imponeret, secundum illud
Act. I, coepit Iesus facere et docere. Unde et ipse primo corpus suum et sanguinem
sumpsit, et postea discipulis suis tradidit sumendum. Et hoc est quod, Ruth III, super
illud, cumque comedisset et bibisset etc., dicit Glossa, quod Christus comedit et
bibit in cena, cum corporis et sanguinis sui sacramentum discipulis tradidit. Unde,
quia pueri communicaverunt carni et sanguini, et ipse participavit eisdem. (IIIa q. 81 a. 1 co.)
Sommigen hebben gezegd, dat Christus in het laatste Avondmaal Zijn Lichaam en Bloed
aan Zijn leerlingen heeft gegeven zonder het Zelf te nemen. Maar dat schijnt geen
redelijke bewering, want wat Christus aan anderen te onderhouden heeft voorgeschreven,
dat Heeft Hij Zelf eerst volbracht. Daarom heeft Hij eerst Zelf gedoopt willen worden,
vóór Hij aan anderen het doopsel oplegde, overeenkomstig het gezegde van de Handelingen
der Apostelen (1. 1): « Jesus begon te doen en te leren ». Dus heeft Hij ook Zelf
eerst Zijn Lichaam en Bloed genuttigd en het daarna aan de leerlingen te nuttigen
gegeven. Dat dan ook wordt bij de plaats van het Boek Ruth (3. 7): « Toen hij gegeten
en gedronken had » door de Glossa geleerd met de woorden: « In het Laatste Avondmaal
heeft Christus gegeten en gedronken, toen Hij het Sacrament van Zijn Lichaam en Bloed
aan de leerlingen uitreikte. Dus daar Zijn dienaren deel namen aan het Lichaam en
Bloed, heeft Hij ook Zelf erin gedeeld ».
Ad primum ergo dicendum quod in Evangeliis legitur quod Christus accepit panem et
calicem. Non est autem intelligendum quod acceperit solum in manibus, ut quidam dicunt,
sed eo modo accepit quo aliis accipiendum tradidit. Unde, cum discipulis dixerit,
accipite et comedite, et iterum, accipite et bibite, intelligendum est quod ipse dominus
accipiens comederit et biberit. Unde et quidam metrice dixerunt, rex sedet in cena,
turba cinctus duodena, se tenet in manibus, se cibat ipse cibus. (IIIa q. 81 a. 1 ad 1)
1 — In de Evangelien leest men, dat Christus het brood en de kelk nam. Nu moet men dat
niet verstaan, zoals sommigen willen, dat Hij die alleen maar in Zijn handen nam,
nee, Hij nam die, zoals Hij ze de anderen liet nemen. Daar Hij dus aan de leerlingen
zei: « Neemt en eet » en daarna: « Neemt en drinkt », moet men die plaats zo verstaan,
dat ook Hij zelf nam om te eten en te drinken. Sommigen geven dan ook het versje:
« De Koning zit aan tafel, de twaalf zijn om Hem heen. Hij houdt Zich in Zijn handen,
Hij voedt Zich met Zich zelf ».
Ad secundum dicendum quod, sicut supra dictum est, Christus, secundum quod est sub
hoc sacramento, comparatur ad locum non secundum proprias dimensiones, sed secundum
dimensiones specierum sacramentalium, ita quod in quocumque loco ubi sunt illae species,
est ipse Christus. Et quia species illae potuerunt esse in manibus et in ore Christi,
ipse totus Christus potuit esse in suis manibus et in suo ore. Non autem potuisset
hoc esse secundum quod comparatur ad locum secundum proprias species. (IIIa q. 81 a. 1 ad 2)
2 — Zoals boven gezegd is (76° Kw. 5° Art.), heeft Christus, als tegenwoordig onder dit
Sacrament, geen verhouding tot de plaats krachtens Zijn eigen afmetingen maar krachtens
de afmetingen van de sacramentale gedaanten, met het gevolg dat overal, waar die gedaanten
zijn, ook Christus Zelf is. Daar dus die gedaanten in de handen en de mond van Christus
konden zijn, kon Christus Zelf helemaal in Zijn handen en in Zijn mond zijn. Dat had
Hij niet gekund naar de verhouding, die Hij tot de plaats heeft krachtens Zijn eigen
afmetingen.
Ad tertium dicendum quod, sicut supra dictum est, effectus huius sacramenti est non
solum augmentum habitualis gratiae, sed etiam actualis delectatio spiritualis dulcedinis.
Quamvis autem Christo gratia non fuerit augmentata ex susceptione huius sacramenti,
habuit tamen quandam spiritualem delectationem in nova institutione huius sacramenti,
unde ipse dicebat, Luc. XXII, desiderio desideravi manducare hoc Pascha vobiscum,
quod Eusebius exponit de novo mysterio huius novi testamenti quod tradebat discipulis.
Et ideo spiritualiter manducavit, et similiter sacramentaliter, inquantum corpus suum
sub sacramento sumpsit, quod sacramentum sui corporis intellexit et disposuit. Aliter
tamen quam ceteri sacramentaliter et spiritualiter sumant, qui augmentum gratiae suscipiunt,
et sacramentalibus signis indigent ad veritatis perceptionem. (IIIa q. 81 a. 1 ad 3)
3 — Zoals boven gezegd is (79 Kw. 1 Art. 2 Antw.), is het uitwerksel van dit Sacrament
niet alleen de vermeerdering van de genade als blijvende eigenschap, maar ook een
in een daad beleefde geestelijke vreugde en zoetheid. Hoewel nu Christus geen vermeerdering
van genade kreeg door de ontvangst van dit Sacrament, had Hij toch een zekere geestelijke
vreugde op het ogenblik van de instelling van dit Sacrament. Hij zei dan ook Zelf:
« Met grote begeerte heb Ik verlangd dit Paaschmaal met u te eten » (Luc. 22. 15),
woorden, die door Eusebius worden uitgelegd van het Nieuwe Geheim van dit Nieuwe Verbond,
dat Hij aan de leerlingen gaf. En dus heeft Hij geestelijk gegeten. En insgelijks
sacramenteel, voorzover Hij Zijn Lichaam nuttigde onder het Sacrament, dat Hij begreep
en instelde als Sacrament van Zijn Lichaam. Maar anders dan de overigen sacramenteel
en geestelijk eten, die namelijk een vermeerdering van de genade krijgen en de sacramentale
tekens behoeven om de waarheid te vatten.
Articulus 2. Heeft Christus Zijn Lichaam gegeven aan Judas?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod Christus Iudae non dederit corpus suum. Ut
enim legitur Matth. XXVI, postquam dominus dederat corpus suum et sanguinem discipulis,
dixit eis, non bibam amodo de hoc genimine vitis usque in diem illum cum illud bibam
vobiscum novum in regno patris mei. Ex quo videtur quod illi quibus corpus suum et
sanguinem dederat, cum eo essent iterum bibituri. Sed Iudas postea cum ipso non bibit.
Ergo non accepit cum aliis discipulis corpus Christi et sanguinem. (IIIa q. 81 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat Christus Zijn Lichaam niet heeft gegeven aan Judas. Men leert immers
in *Mattheus* (26. 29), dat de Heer, na aan de leerlingen Zijn Lichaam en Bloed gegeven
te hebben, hun zei: « *Voorwaar, Ik zal van dit gewas van de wijnstok niet meer drinken
tot op de dag, dat Ik het nieuw met u drinken zal in het Rijk van Mijn Vader* ». Hieruit
schijnt te volgen, dat degenen, aan wie Hij Zijn Lichaam en Bloed gegeven had, wederom
met Hem zouden drinken. Maar Judas heeft later niet meer met Hem gedronken. Dus heeft
hij niet met de andere leerlingen het Lichaam en Bloed van Christus ontvangen.
Praeterea, dominus implevit quod praecepit, secundum illud Act. I, coepit Iesus facere
et docere. Sed ipse praecepit, Matth. VII, nolite sanctum dare canibus. Cum ergo ipse
cognosceret Iudam peccatorem esse, videtur quod ei corpus suum et sanguinem non dederit. (IIIa q. 81 a. 2 arg. 2)
2 — De Heer heeft Zelf volbracht, wat Hij heeft bevolen, volgens de *Handelingen van de
Apostelen* (1. 1): « *Jesus begon te doen en te leren* ». Nu heeft Hij bevolen: «
*Wilt het heilige niet aan de honden geven* ». (*Matth.* 7. 6). Daar Hij dus wist,
dat Judas een zondaar was, moet Hij hem Zijn Lichaam en Bloed wel niet hebben gegeven.
Praeterea, Christus specialiter legitur Iudae panem intinctum porrexisse, Ioan. XIII.
Si ergo corpus suum ei dederit, videtur quod sub buccella ei dederit, praecipue cum
legatur ibidem, et post buccellam introivit in eum Satanas; ubi Augustinus dicit,
hinc nos docemur quam sit cavendum male accipere bonum. Si enim corripitur qui non
diiudicat, idest, non discernit corpus domini a ceteris cibis, quomodo damnabitur
qui ad eius mensam, fingens se amicum, accedit inimicus? Sed cum buccella intincta
non accepit corpus Christi, ut Augustinus dicit, super illud Ioan. XIII, cum intinxisset
panem, dedit Iudae Simonis Iscariotis, non, ut putant quidam negligenter legentes,
tunc Iudas solus corpus Christi accepit. Ergo videtur quod Iudas corpus Christi non
acceperit. (IIIa q. 81 a. 2 arg. 3)
3 — Er staat in het bijzonder opgetekend, dat Christus aan Judas ingedoopt brood heeft
toegereikt (Joan. 13. 26). Heeft Hij hem dan Zijn Lichaam gegeven, dan heeft Hij dat
wel gedaan onder die bete, vooral daar wij lezen (t. a. p.), dat « na de bete de Satan
in hem kwam », waarbij Augustinus opmerkt: « Hieruit leren wij, hoe verschrikkelijk
het is het goede slecht te ontvangen. Want als hij wordt gelakt, die niet onderscheidt
d. w. z. het Lichaam des Heren niet onderkent van de overige spijzen, hoe zal dan
hij niet veroordeeld worden, die, vijand zijnde, tot Zijn tafel nadert, als ware hij
een vriend? » Welnu, onder de ingedoopte bete heeft hij het Lichaam van Christus niet
ontvangen, want bij Joannes (13. 26): « Toen Hij het brood had ingedoopt, gaf Hij
het aan Judas Iscariotes » zegt Augustinus: « men moet niet denken, zoals sommigen,
die onnauwkeurig lezen, dat Judas toen het Lichaam van Christus heeft ontvangen ».
Dus schijnt Judas het Lichaam van Christus niet ontvangen te hebben.
Sed contra est quod Chrysostomus dicit, Iudas, particeps existens mysteriorum, conversus
non est. Unde fit scelus eius utrinque immanius, tum quia tali proposito imbutus adiit
mysteria; tum quia adiens melior factus non fuit, nec metu nec beneficio nec honore. (IIIa q. 81 a. 2 s. c.)
Daartegenover staat echter, wat Chrysostomus zegt: « Judas is, toen hij deelachtig
werd aan de geheimen, niet bekeerd. Dat betekent een tweevoudige verzwaring van zijn
misdaad, in zover hij namelijk zulk een plan koesterend tot de geheimen naderde en
naderende zich niet verbeterde noch uit vrees, noch om die weldaad, noch om die eer
».
Respondeo dicendum quod Hilarius posuit, super Matth., quod Christus Iudae corpus
suum et sanguinem non dedit. Et hoc quidem conveniens fuisset, considerata malitia
Iudae. Sed quia Christus debuit nobis esse exemplum iustitiae, non conveniebat eius
magisterio ut Iudam, occultum peccatorem, sine accusatore et evidenti probatione,
ab aliorum communione separaret, ne per hoc daretur exemplum praelatis Ecclesiae similia
faciendi; et ipse Iudas, inde exasperatus, sumeret occasionem peccandi. Et ideo dicendum
est quod Iudas cum aliis discipulis corpus domini et sanguinem suscepit, ut dicit
Dionysius in libro Eccles. Hier., et Augustinus, super Ioannem. (IIIa q. 81 a. 2 co.)
Hilarius heeft gemeend, dat Christus aan Judas Zijn Lichaam en Bloed niet heeft gegeven.
En dat zou inderdaad zeer terecht geweest zijn, gerekend naar Judas’ boosheid. Maar
daar Christus voor ons het voorbeeld van rechtvaardigheid moest zijn, kwam het met
Zijn leeraarschap niet overeen de geheime zondaar Judas zonder beschuldiger en overtuigend
bewijs van de communie der anderen te verwijderen, opdat daardoor geen voorbeeld zou
gegeven worden aan de gezagsdragers der Kerk om iets dergelijks te doen en Judas zelf,
verbitterd, in dat feit een aanleiding tot zonde gevonden zou hebben. En dus moet
men houden, dat Judas met de andere leerlingen het Lichaam des Heren heeft ontvangen,
zoals Dionysius zegt en Augustinus.
Ad primum ergo dicendum quod illa est ratio Hilarii ad ostendendum quod Iudas corpus
Christi non sumpsit. Non tamen cogit. Quia Christus loquitur discipulis, a quorum
collegio Iudas se separavit, non autem Christus eum exclusit. Et ideo Christus, quantum
est in se, etiam cum Iuda vinum in regno Dei bibit, sed hoc convivium ipse Iudas repudiavit. (IIIa q. 81 a. 2 ad 1)
1 — Dat is het bewijs van Hilarius waarmee hij wil aantonen, dat Judas het Lichaam van
Christus niet heeft genutigd. Het is evenwel niet dwingend, want Christus spreekt
tot de leerlingen, van wier getal Judas zich zelf heeft afgescheiden. Christus heeft
hem niet uitgesloten en dus drinkt Christus, voorzover het van Hem afhangt, ook met
Judas wijn in het Rijk Gods. Maar Judas zelf heeft dat gastmaal versmaad.
Ad secundum dicendum quod Christo nota erat Iudae iniquitas sicut Deo, non autem erat
sibi nota per modum quo hominibus innotescit. Et ideo Christus Iudam non repulit a
communione, ut daret exemplum tales peccatores occultos non esse ab aliis sacerdotibus
repellendos. (IIIa q. 81 a. 2 ad 2)
2 — Judas’ slechtheid was bekend aan Christus als God, maar zij was Hem niet bekend langs
de weg, waarlangs mensen iets te weten komen. En daarom heeft Christus Judas niet
afgehouden van de communie, opdat Hij het voorbeeld zou geven, dat zulke geheime zondaars
ook door de andere priesters niet moeten worden geweerd.
Ad tertium dicendum quod sine dubio Iudas sub pane intincto corpus Christi non sumpsit,
sed simplicem panem. Significatur autem fortassis, ut Augustinus dicit ibidem, per
panis intinctionem fictio Iudae, ut enim inficiantur, nonnulla tinguntur. Si autem
bonum aliquod hic significat tinctio, scilicet dulcedinem bonitatis divinae, quia
panis ex intinctione sapidior redditur, eidem bono ingratum non immerito secuta est
damnatio. Et propter hanc ingratitudinem id quod est bonum, factum est ei malum, sicut
accidit circa sumentes corpus Christi indigne. Et, sicut Augustinus dicit ibidem,
intelligendum est quod dominus iam antea distribuerat omnibus discipulis suis sacramentum
corporis et sanguinis sui, ubi et ipse Iudas erat, sicut Lucas narrat. Ac deinde ad
hoc ventum est, ubi, secundum narrationem Ioannis, dominus per buccellam tinctam atque
porrectam suum exprimit proditorem. (IIIa q. 81 a. 2 ad 3)
3 — Ongetwijfeld heeft Judas met het ingedoopte brood niet het Lichaam van Christus gegeten
maar gewoon brood. «Maar misschien wordt door het ingedoopte brood» aldus Augustinus
«het bedrog van Judas aangeduid; somtijds immers wordt iets ingedoopt om een andere
kleur te krijgen. Indien evenwel het indopen hier iets goeds betekent» nl. de zoetheid
der goddelijke goedheid: het brood immers wordt smakelijker door het indopen «dan
is voor hem, die tegenover dit goed ondankbaar was, zeer juist de veroordeling gevolgd».
En om deze ondankbaarheid «is datgene wat goed was voor hem een kwaad geworden», gelijk
dat ook geschiedt met hen, die het Lichaam van Christus onwaardig ontvangen. Overigens:
«men moet het zo verstaan» aldus Augustinus « dat de Heer reeds van tevoren aan al
Zijn leerlingen het Sacrament van Zijn Lichaam en Bloed had uitgereikt, waarbij ook
Judas was geweest, zoals Lucas verhaalt; pas daarna gebeurde het, dat de Heer, volgens
het verhaal van Johannes, door de ingedoopte en toegereikte bete de verrader aanwees
».
Articulus 3. Heelt Christus Zijn Lichaam als onlijdbaar genuttigd en aan de leerlingen gegeven?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod Christus sumpserit et dederit corpus suum
discipulis impassibile. Quia super illud Matth. XVII, transfiguratus est ante illos,
dicit quaedam Glossa, illud corpus quod habuit per naturam, dedit discipulis in cena,
non mortale et passibile. Et Levit. II, super illud, si oblatio tua fuerit de sartagine,
dicit Glossa, crux, super omnia fortis, carnem Christi, quae ante passionem non videbatur
esui apta, post aptam fecit. Sed Christus dedit corpus suum ut aptum ad manducandum.
Ergo dedit tale quale habuit post passionem, scilicet impassibile et immortale. (IIIa q. 81 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat Jesus Zijn Lichaam als onlijdbaar genutigd en aan de leerlingen gegeven
heeft. Bij Mattheus (17.2): « Hij werd voor hun ogen van aanschijn veranderd » zegt
een Glossa: « Dat Lichaam, dat Hij van nature had, gaf Hij bij het Avondmaal aan de
leerlingen, maar niet sterfelijk en lijdbaar ». En bij het Boek Leviticus (2.5): «
Als een offergave van de pan komt » zegt de Glossa: « Het Kruis heeft, sterk boven
alles als het is, het Vlees van Christus, dat vóór het lijden niet geschikt was om
te eten, van dat ogenblik af eetbaar gemaakt ». Welnu, Christus heeft Zijn Lichaam
als geschikt om te eten gegeven. Dus heeft Hij het zo gegeven, als het was na het
lijden d.w.z. onlijdbaar en onsterfelijk.
Praeterea, omne corpus passibile per contactum et manducationem patitur. Si ergo corpus
Christi erat passibile, per contactum et comestionem discipulorum passum fuisset. (IIIa q. 81 a. 3 arg. 2)
2 — Een lijdbaar lichaam lijdt als het in aanraking komt met iets anders en als het gegeten
wordt. Als dus het Lichaam van Christus lijdbaar was geweest, zou het geleden hebben,
toen het door de leerlingen werd aangeraakt en gegeten.
Praeterea, verba sacramentalia non sunt modo maioris virtutis quando proferuntur a
sacerdote in persona Christi, quam tunc quando fuerunt prolata ab ipso Christo. Sed
nunc virtute verborum sacramentalium in altari consecratur corpus Christi impassibile
et immortale. Ergo multo magis tunc. (IIIa q. 81 a. 3 arg. 3)
3 — De sacramentale woorden hebben, nu ze worden uitgesproken door een priester in de
persoon van Christus, geen grotere kracht dan toen ze werden uitgesproken door Christus
Zelf. Welnu, tegenwoordig wordt door de kracht van de sacramentale woorden op het
altaar het Lichaam van Christus als onlijdbaar en onsterfelijk geconsacreerd. Dus
toen veel meer.
Sed contra est quod, sicut Innocentius III dicit, tale corpus tunc dedit discipulis
quale habuit. Habuit autem tunc corpus passibile et mortale. Ergo corpus passibile
et mortale discipulis dedit. (IIIa q. 81 a. 3 s. c.)
Daartegenover staat echter het gezegde van Innocentius III: « Hij gaf hun het Lichaam,
zoals Hij het toen had ». Welnu, toen had Hij een lijdbaar en sterfelijk Lichaam.
Dus heeft Hij aan de leerlingen een lijdbaar en sterfelijk Lichaam gegeven.
Respondeo dicendum quod Hugo de sancto Victore posuit quod Christus ante passionem
diversis temporibus quatuor dotes corporis glorificati assumpsit, scilicet subtilitatem
in nativitate, quando exivit de clauso utero virginis; agilitatem, quando siccis pedibus
super mare ambulavit; claritatem, in transfiguratione; impassibilitatem, in cena,
quando corpus suum tradidit discipulis ad manducandum. Et secundum hoc, dedit discipulis
suis corpus impassibile et immortale. Sed, quidquid sit de aliis, de quibus supra
dictum est quid sentiri debeat, circa impassibilitatem tamen impossibile est esse
quod dicitur. Manifestum est enim quod idem verum corpus Christi erat quod a discipulis
tunc in propria specie videbatur, et in specie sacramenti sumebatur. Non autem erat
impassibile secundum quod in propria specie videbatur, quinimmo erat passioni paratum.
Unde nec ipsum corpus quod in specie sacramenti dabatur, impassibile erat. Impassibili
tamen modo erat sub specie sacramenti quod in se erat passibile, sicut invisibiliter
quod in se erat visibile. Sicut enim visio requirit contactum corporis quod videtur
ad circumstans medium visionis, ita passio requirit contactum corporis quod patitur
ad ea quae agunt. Corpus autem Christi, secundum quod est sub sacramento, ut supra
dictum est, non comparatur ad ea quae circumstant mediantibus propriis dimensionibus,
quibus corpora se tangunt, sed mediantibus dimensionibus specierum panis et vini.
Et ideo species illae sunt quae patiuntur et videntur, non autem ipsum corpus Christi. (IIIa q. 81 a. 3 co.)
Hugo van Sint Victor heeft gemeend, dat Christus reeds vóór zijn lijden op verschillende
tijdstippen de vier eigenschappen van het verheerlijkte lichaam heeft aangenomen en
wel de ijlheid bij de geboorte, toen Hij de gesloten schoot van de Maagd verliet;
de gezwindheid, toen Hij droogvoets over de zee wandelde; de schittering, toen Hij
van aanschijn veranderde; de onlijdbaarheid bij het Avondmaal, toen Hij Zijn Lichaam
te eten gaf aan de leerlingen. Volgens deze opvatting heeft Hij dus Zijn Lichaam als
onlijdbaar en onsterfelijk gegeven. Maar wat ook zij van de overige punten, waarover
boven gezegd is (28' Kw. 2' Art. 3' Antw.; 45° Kw. 2° Art.), wat men ervan te denken
heeft, is toch in ieder geval het beweerde over onlijdbaarheid iets onmogelijks. Want
het is zonneklaar, dat het één en hetzelfde waarachtig Lichaam van Christus was, wat
toen door de leerlingen onder eigen gedaante werd gezien en onder de gedaante van
het Sacrament werd genuttigd. Nu was het, zoals het in eigen gedaante werd gezien,
niet onlijdbaar; integendeel, het was lijdensbereid. Dus was ook het Lichaam van Christus,
dat onder de gedaante van het Sacrament werd gegeven, niet onlijdbaar. Wel was het
in zich lijdbare op onlijdbare wijze onder de gedaante van het Sacrament, zoals het
in zich zichtbare er op onzichtbare wijze was. Zoals immers het zien de aanraking
vereist van het geziene ding door het omringende gezichts midden, zo vereist het lijden
de aanraking van het lijdende ding door datgene, wat er op inwerkt. Nu heeft, zoals
boven gezegd is (1° Art. 2° Antw.; 76° Kw. 5° Art.), het Lichaam van Christus, als
tegenwoordig in dit Sacrament, geen verhouding tot de omringende voorwerpen krachtens
de eigen afmetingen — en daardoor toch raken de dingen elkaar aan — maar krachtens
de afmetingen van het brood en de wijn. En dus zijn het die gedaanten, die lijden
en gezien worden, niet het Lichaam zelf van Christus.
Ad primum ergo dicendum quod Christus dicitur non dedisse in cena corpus suum mortale
et passibile, quia non dedit corporali et passibili modo. Crux autem facit carnem
Christi aptam manducationi, inquantum hoc sacramentum repraesentat passionem Christi. (IIIa q. 81 a. 3 ad 1)
1 — Er wordt gezegd, dat Christus in het Avondmaal Zijn Lichaam niet als sterfelijk en
lijdbaar heeft gegeven, omdat Hij het niet op sterfelijke en lijdbare wijze heeft
gegeven. Het Kruis heeft het Vlees van Christus geschikt tot eten gemaakt, voorzover
het het lijden van Christus is, wat door dit Sacrament wordt verbeeld.
Ad secundum dicendum quod ratio illa procederet si corpus Christi sicut erat passibile,
ita passibili modo fuisset sub sacramento. (IIIa q. 81 a. 3 ad 2)
2 — Die redenering zou opgaan, indien het Lichaam van Christus, gelijk het lijdbaar was,
zo ook op lijdzame wijze in dit Sacrament tegenwoordig geweest was.
Ad tertium dicendum quod, sicut supra dictum est, accidentia corporis Christi sunt
in hoc sacramento ex reali concomitantia, non autem ex vi sacramenti, ex qua est ibi
substantia corporis Christi. Et ideo virtus verborum sacramentalium ad hoc se extendit
ut sit sub hoc sacramento corpus, Christi scilicet, quibuscumque accidentibus realiter
in eo existentibus. (IIIa q. 81 a. 3 ad 3)
3 — Zoals boven gezegd is (76° Kw. 4° Art.), zijn de bijkomstigheden van het Lichaam van
Christus in dit Sacrament aanwezig uit verbondenheid in de werkelijkheid, niet uit
kracht van het Sacrament, zoals dat wel het geval is met de zelfstandigheid van het
Lichaam van Christus. En dus gaat de kracht van de sacramentale woorden slechts zover,
dat onder het Sacrament het Lichaam van Christus is, onverschillig welke bijkomstigheden
in de werkelijkheid daarin gevonden worden.
Articulus 4. Zou Christus in dit Sacrament gestorven zijn, als het tijdens Zijn dood in de ciborie
was bewaard gebleven of door een der Apostelen was geconsecreerd geworden?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod, si hoc sacramentum tempore mortis Christi
fuisset servatum in pyxide, vel ab aliquo apostolorum consecratum, non ibi moreretur.
Mors enim Christi accidit per eius passionem. Sed Christus impassibili modo etiam
tunc erat in hoc sacramento. Ergo non poterat mori in hoc sacramento. (IIIa q. 81 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat Christus in dit Sacrament niet zou zijn gestorven, als het tijdens
Zijn dood in de ciborie was bewaard gebleven of door een der Apostelen was geconsacreerd
geworden. De dood van Christus immers had plaats door Zijn lijden. Welnu, Christus
was ook toen op onlijdbare wijze in dit Sacrament aanwezig. Dus kon Hij in dit Sacrament
niet sterven.
Praeterea, in morte Christi separatus fuit sanguis eius a corpore. Sed in hoc sacramento
simul est corpus Christi et sanguis. Ergo Christus in hoc sacramento non moreretur. (IIIa q. 81 a. 4 arg. 2)
2 — Bij de dood van Christus werd Zijn Bloed van het Lichaam gescheiden. In dit Sacrament
echter is het Lichaam van Christus met het Bloed. Dus zou Christus in dit Sacrament
niet gestorven zijn.
Praeterea, mors accidit per separationem animae a corpore. Sed in hoc sacramento continetur
tam corpus Christi quam anima. Ergo in hoc sacramento non poterat Christus mori. (IIIa q. 81 a. 4 arg. 3)
3 — De dood heeft plaats door de scheiding van de ziel van het lichaam. In dit sacrament
echter is zowel het lichaam als de ziel van Christus. Dus kon Christus in dit sacrament
niet sterven.
Sed contra est quod idem Christus qui erat in cruce, fuisset in sacramento. Sed in
cruce moriebatur. Ergo et in sacramento conservato moreretur. (IIIa q. 81 a. 4 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat dezelfde Christus, die op het Kruis was, in dit Sacrament
zou geweest is. Nu stierf Hij op het Kruis. Dus zou Hij ook gestorven zijn in het
Sacrament, als dat bewaard was gebleven.
Respondeo dicendum quod corpus Christi idem in substantia est in hoc sacramento et
in propria specie, sed non eodem modo, nam in propria specie contingit circumstantia
corpora per proprias dimensiones, non autem prout est in hoc sacramento, ut supra
dictum est. Et ideo quidquid pertinet ad Christum secundum quod est in se, potest
attribui ei et in propria specie et in sacramento existenti, sicut vivere, mori, dolere,
animatum vel inanimatum esse, et cetera huiusmodi. Quaecumque vero conveniunt ei per
comparationem ad corpora extrinseca, possunt ei attribui in propria specie existenti,
non autem prout est in sacramento, sicut irrideri, conspui, crucifigi, flagellari,
et cetera huiusmodi. Unde quidam metrice dixerunt, pyxide servato poteris sociare
dolorem innatum, sed non illatus convenit illi. (IIIa q. 81 a. 4 co.)
Het Lichaam van Christus in dit Sacrament en onder eigen gedaante is één naar de zelfstandigheid
maar niet naar de wijze van zijn. Want in eigen gedaante raakt het de omringende lichamen
door de eigen afmetingen, hetgeen niet waar is, voorzover Hij in dit Sacrament is,
gelijk boven gezegd is (3° Art.). Alles dus, wat Christus in Zich betreft, kan van
Hem worden uitgezegd, zoals Hij is in eigen gedaante én zoals Hij is in het Sacrament
b.v. leven, sterven, bedroefd zijn. bezield of onbezield zijn enz. Maar alles, wat
Hem toekomt krachtens betrekking tot de lichamen buiten Hem, kan van Hem worden uitgezegd,
zoals Hij is in eigen gedaante, niet echter zoals Hij is in het Sacrament b.v. bespot
worden, bespuwd worden, gekruisigd worden, gegeeseld worden enz. Sommigen geven dan
ook het versje: « Aan Hem, die wordt bewaard in de ciborie, kunt gij toeschrijven
een innerlijke pijn; maar een van buiten komende is Hem vreemd ».
Ad primum ergo dicendum quod, sicut dictum est, passio convenit corpori passo per
comparationem ad agens extrinsecum. Et ideo Christus, secundum quod est sub sacramento,
pati non potest. Potest tamen mori. (IIIa q. 81 a. 4 ad 1)
1 — Zoals gezegd is (in de Leerst.), komt lijden aan het lijdende lichaam toe krachtens
verhouding tot iets, dat van buitenaf inwerkt. En dus kan Christus, als onder dit
Sacrament tegenwoordig, niet lijden. Maar wel kan Hij sterven.
Ad secundum dicendum quod, sicut supra dictum est, sub specie panis est corpus Christi
ex vi consecrationis, sanguis autem sub specie vini. Sed nunc quidem, quando realiter
sanguis Christi non est separatus ab eius corpore, ex reali concomitantia et sanguis
Christi est sub specie panis simul cum corpore, et corpus sub specie vini simul cum
sanguine. Sed, si in tempore passionis Christi, quando realiter sanguis fuit separatus
a corpore, fuisset hoc sacramentum consecratum, sub specie panis fuisset solum corpus,
et sub specie vini fuisset solus sanguis. (IIIa q. 81 a. 4 ad 2)
2 — Zoals boven gezegd is (76e Kw. 2e Art.), is uit kracht van de consecratie onder de
gedaante van het brood het Lichaam van Christus, onder de gedaante van de wijn het
Bloed van Christus. In onze tijd echter, nu het Bloed van Christus in de werkelijkheid
niet is gescheiden van Zijn Lichaam, is onder de gedaante van het brood het Bloed
van Christus te samen met het Lichaam en onder de gedaante van de wijn het Lichaam
te samen met het Bloed. Maar als dit Sacrament geconsacreerd was geworden tijdens
het lijden van Christus, toen het Bloed in werkelijkheid gescheiden werd van het Lichaam
van Christus, dan zou onder de gedaante van het brood alleen maar het Lichaam en onder
de gedaante van de wijn alleen maar het Bloed geweest zijn.
Ad tertium dicendum quod, sicut supra dictum est, anima Christi est in hoc sacramento
ex reali concomitantia, quia non est sine corpore, non autem ex vi consecrationis.
Et ideo, si tunc fuisset hoc sacramentum consecratum vel servatum quando anima erat
a corpore realiter separata, non fuisset anima Christi sub hoc sacramento, non propter
defectum virtutis verborum sed propter aliam dispositionem rei. (IIIa q. 81 a. 4 ad 3)
3 — Zoals boven gezegd is (76° Kw. 1° Art. 1° Antw.), is de Ziel van Christus in dit Sacrament
krachtens de verbondenheid in de werkelijkheid (zij is immers niet zonder het Lichaam),
niet krachtens de consecratie. Als dus dit Sacrament was geconsacreerd geworden of
was bewaard gebleven in die tijd, toen de Ziel in de werkelijkheid van het Lichaam
gescheiden was, dan zou de Ziel van Christus niet onder dit Sacrament zijn tegenwoordig
geweest, niet door een tekortschieten van de kracht der woorden, maar tengevolge van
een andere toestand der betrokken zaak.