QuaestioArticulus

Tertia Pars. Quaestio 36.
Over de bekendmaking van Christus’ geboorte .

Prooemium

Deinde considerandum est de manifestatione Christi nati. Et circa hoc quaeruntur octo. Primo, utrum nativitas Christi debuerit omnibus esse manifesta. Secundo, utrum debuerit aliquibus manifestari. Tertio, quibus manifestari debuerit. Quarto, utrum ipse se debuerit manifestare, vel potius manifestari per alios. Quinto, per quae alia manifestari debuerit. Sexto, de ordine manifestationum. Septimo, de stella per quam manifestata fuit eius nativitas. Octavo, de veneratione magorum, qui per stellam nativitatem Christi cognoverunt. (IIIa q. 36 pr.)

Nu moeten we behandelen de bekendmaking van de geboren Christus. En hierover stellen we ons acht vragen: 1. Moest de geboorte van Christus aan allen bekend zijn? 2. Moest ze aan enkelen bekend gemaakt worden? 3. Aan wien moest ze bekend gemaakt worden? 4. Heeft Christus zich zelf moeten openbaren of was het beter, dat Hij door anderen geopenbaard werd? 5. Kunnen er nog andere dingen aangegeven worden, waardoor ze bekend gemaakt moest worden? 6. Over de volgorde der openbaringen. 7. Over de ster, waardoor zijn geboorte bekend gemaakt werd. 8. Over de hulde der wijzen, die door een ster de geboorte van Christus vernamen.

Articulus 1.
Moest Christus’ geboorte aan allen bekend zijn?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod Christi nativitas debuerit omnibus esse manifesta. Impletio enim debet promissioni respondere. Sed de promissione adventus Christi dicitur in Psalmo, Deus manifeste veniet. Venit autem per carnis nativitatem. Ergo videtur quod eius nativitas debuit esse toti mundo manifesta. (IIIa q. 36 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert dat Christus’ geboorte aan allen moest bekend zijn. Aan een belofte immers moet de vervulling beantwoorden. Over de belofte nu van Christus’ komst, wordt in het Boek der Psalmen (49, 3) gezegd: « God zal in het openbaar komen ». Hij komt echter door de geboorte in het vlees. Zijn geboorte moet dus voor de gehele wereld bekend zijn.

Praeterea, I ad Tim. I dicitur, Christus in hunc mundum venit peccatores salvos facere. Sed hoc non fit nisi inquantum eis gratia Christi manifestatur, secundum illud Tit. II, apparuit gratia salvatoris nostri Dei omnibus hominibus, erudiens nos ut, abnegantes impietatem et saecularia desideria, sobrie et pie et iuste vivamus in hoc saeculo. Ergo videtur quod Christi nativitas debuerit esse omnibus manifesta. (IIIa q. 36 a. 1 arg. 2)

2 — In de Eerste Brief aan Timotheus (1, 15) wordt gezegd: « Christus is in de wereld gekomen, om zondaars te redden ». Nu gebeurt dit alleen, doordat de genade van Christus kenbaar gemaakt wordt, volgens de Brief aan Titus (2, 11): « De genade Gods en van onze Zaligmaker is verschenen aan alle mensen. Zij onderricht ons om aan de goddeloosheid te verzaken en aan de wereldsche begeerlijkheid, om zodoende ingetogen en rechtschapen en godvruchtig in de wereld te kunnen leven ». Het schijnt dus wel, dat de geboorte van Christus aan allen bekend moest zijn.

Praeterea, Deus super omnia pronior est ad miserendum, secundum illud Psalmi, miserationes eius super omnia opera eius. Sed in secundo adventu, quo iustitias iudicabit, veniet omnibus manifestus, secundum illud Matth. XXIV, sicut fulgur exit ab oriente et paret usque in occidentem, ita erit adventus filii hominis. Ergo multo magis primus, quo natus est in mundo secundum carnem, debuit omnibus esse manifestus. (IIIa q. 36 a. 1 arg. 3)

3 — Volgens het Psalmwoord (Ps. 144, 9): « Zijn erbarmingen zijn over al zijn werken », is God voor alles geneigd tot erbarming. Bij zijn tweede komst nu, als Hij gerechtigheid zal komen uitoefenen (vgl. Ps. 74, 3), zal Hij aan allen bekend zijn, volgens Mattheus (24, 27): « Zoals de bliksem uitschiet van het Oosten en flitst tot het Westen: zo zal ook de komst van de mensenzoon zijn ». Met meer recht dus, moest zijn eerste komst, toen Hij in de wereld naar het vlees geboren werd, aan allen bekend zijn.

Sed contra est quod dicitur Isaiae XLV, tu es Deus absconditus, sanctus Israel, salvator. Et Isaiae LIII, quasi absconditus est vultus eius et despectus. (IIIa q. 36 a. 1 s. c.)

Isaïas (45, 15) daarentegen zegt: « Waarlijk, Gij zijt een verborgen God, Gij de Heilige Israëls, de Verlosser », en verder nog (53, 3): « Zijn aanschijn was als bedekt en veracht ».

Respondeo dicendum quod nativitas Christi non debuit omnibus communiter esse manifesta. Primo quidem, quia per hoc impedita fuisset humana redemptio, quae per crucem eius peracta est, quia, ut dicitur I ad Cor. II, si cognovissent, nunquam dominum gloriae crucifixissent. Secundo, quia hoc diminuisset meritum fidei, per quam venerat homines iustificare, secundum illud Rom. III, iustitia Dei per fidem Iesu Christi. Si enim manifestis indiciis, Christo nascente, eius nativitas omnibus appareret, iam tolleretur ratio fidei, quae est argumentum non apparentium, ut dicitur Heb. XI. Tertio, quia per hoc venisset in dubium veritas humanitatis ipsius. Unde Augustinus dicit, in epistola ad Volusianum, si nullas ex parvulo in iuventutem mutaret aetates, nullos cibos, nullos caperet somnos, nonne opinionem confirmaret erroris, nec hominem verum ullo modo suscepisse crederetur, et, dum omnia mirabiliter facit, auferret quod misericorditer fecit? (IIIa q. 36 a. 1 co.)

Christus’ geboorte behoefde niet in het algemeen aan allen bekend te zijn. En wel ten eerste, omdat hierdoor de verlossing van het mensdom, welke door zijn kruis is bewerkt, verhinderd zou zijn geworden, omdat, zoals gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (2, 8): « als ze het geweten hadden, dan zouden ze nooit de Heer der glorie hebben gebruikt ». — Ten tweede, omdat dit de verdienste van het geloof, waardoor Hij, volgens de Brief aan de Romeinen (3, 22): « de gerechtigheid Gods door het geloof in Jezus Christus » de mensen was komen rechtvaardig maken, zou verminderd hebben. Zo immers bij Christus’ geboorte, door duidelijke kentekenen zijn geboorte aan allen zou blijken, dan zou aan het geloof zijn karakter ontnomen worden, omdat, volgens de Brief aan de Hebreën (11, 1) « het geloof het bewijs is voor zaken die we niet zien ». — Ten derde, omdat daardoor de waarachtigheid van zijn mensheid twijfelachtig zou geworden zijn. Vandaar zegt Augustinus, in zijn Brief aan Volusianus (137° Br., 3° H.): « Indien (Christus) niet van kind tot jongeling veranderde, indien Hij niet at, noch sliep, zou Hij dan niet de dwaling bekrachtigd hebben? Zou dan nog geloofd worden, dat Hij een waarachtige menselijke natuur had aangenomen? En als men zou weten, dat Hij alles op een wonderdadige manier verrichtte, zou dat niet wegnemen, wat Hij uit erbarming deed? »

Ad primum ergo dicendum quod auctoritas illa intelligitur de adventu Christi ad iudicium, secundum quod Glossa ibidem exponit. (IIIa q. 36 a. 1 ad 1)

1 — Deze tekst moet volgens de uitleg van de Glossa verstaan worden van Christus’ komst ten oordeel.

Ad secundum dicendum quod de gratia Dei salvatoris erudiendi erant omnes homines ad salutem, non in principio nativitatis eius, sed postea, tempore procedente, postquam operatus esset salutem in medio terrae. Unde, post passionem et resurrectionem suam, dixit discipulis, Matth. ult., euntes, docete omnes gentes. (IIIa q. 36 a. 1 ad 2)

2 — Alle mensen moeten, om tot hun heil te kunnen komen, onderricht worden over de genade van de Goddelijke Heiland, niet in de aanvang van zijn geboorte, maar eerst later, na verloop van tijd, nadat « Hij verlossing bewerkt had in het midden der aarde ». (Ps. 73, 12) Vandaar zegt Hij eerst ná zijn lijden en verrijzenis aan zijn leerlingen: « Gaat en onderricht alle volkeren ». (Mattheus, 28, 19).

Ad tertium dicendum quod ad iudicium requiritur quod auctoritas iudicis cognoscatur, et propter hoc oportet quod adventus Christi ad iudicium sit manifestus. Sed primus adventus fuit ad omnium salutem, quae est per fidem, quae quidem est de non apparentibus. Et ideo adventus Christi primus debuit esse occultus. (IIIa q. 36 a. 1 ad 3)

3 — Bij een rechtspraak wordt vereist, dat de rechtsmacht van de rechter bekend is: en om die reden moet Christus’ komst ten oordeel bekend zijn. Maar zijn eerste komst beoogde aller zaligheid, welke is door het geloof, dat dingen betreft die niet klaarblijkelijk zijn. En dus moet de eerste komst van Christus in het verborgen plaats hebben.

Articulus 2.
Moest Christus’ geboorte aan sommigen bekend gemaakt worden?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod nativitas Christi nulli debuerit manifestari. Quia, ut dictum est, hoc erat congruum humanae saluti, ut primus Christi adventus esset occultus. Sed Christus venerat ut omnes salvaret, secundum illud I Tim. IV, qui est salvator omnium hominum, maxime fidelium. Ergo nativitas Christi nulli debuit manifestari. (IIIa q. 36 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus’ geboorte aan niemand moest bekend gemaakt worden. In het vorige artikel immers is gezegd, dat het aangepast was aan het heil der mensen, dat de eerste komst van Christus in het verborgen plaats had. Nu is Christus gekomen om alle mensen zalig te maken, blijkens de Eerste Brief aan Timotheus (4, 10): «...die de Zaligmaker is van alle mensen, van de gelovigen vooral ». Dus moest de geboorte van Christus aan niemand bekend gemaakt worden.

Praeterea, ante nativitatem Christi, manifestata erat beatae virgini et Ioseph futura Christi nativitas. Non ergo erat necessarium, Christo nato, eandem aliis manifestari. (IIIa q. 36 a. 2 arg. 2)

2 — Voor de geboorte van Christus was de toekomstige geboorte van Christus bekend aan de H. Maagd en Josef. Dus was het niet noodzakelijk dat ze na de geboorte van Christus aan anderen bekend gemaakt werd.

Praeterea, nullus sapiens manifestat id ex quo turbatio nascitur et detrimentum aliorum. Sed, manifestata Christi nativitate, subsecuta est turbatio, dicitur enim Matth. II quod, audiens rex Herodes Christi nativitatem, turbatus est, et omnis Ierosolyma cum illo. Cessit etiam hoc in detrimentum aliorum, quia ex hac occasione Herodes occidit pueros in Bethlehem et in finibus eius a bimatu et infra. Ergo videtur quod non fuerit conveniens Christi nativitatem aliquibus manifestari. (IIIa q. 36 a. 2 arg. 3)

3 — Geen verstandig mens zal iets bekend maken, waaruit opschudding en nadeel voor anderen kunnen voortkomen. Toen nu Christus’ geboorte bekend gemaakt was, volgde er eerst opschudding. We lezen immers bij Mattheus (2, 3) dat Herodes, toen hij Christus’ geboorte vernam « ontstelde, en heel Jeruzalem met hem ». En ook werd ze tot nadeel van anderen, want naar aanleiding hiervan « doodde Herodes in Bethlehem en heel de omtrek alle knapen van twee jaar en daaronder ». (Mattheus, 2, 16). Het schijnt dus niet passend geweest te zijn, dat Christus’ geboorte aan sommigen bekend gemaakt werd.

Sed contra est quod Christi nativitas nulli fuisset proficua si omnibus esset occulta. Sed oportebat Christi nativitatem esse proficuam, alioquin frustra natus fuisset. Ergo videtur quod aliquibus manifestari debuerit Christi nativitas. (IIIa q. 36 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter dat niemand baat had gevonden bij Christus’ geboorte, als ze voor allen verborgen was geweest. Christus’ geboorte behoorde echter voordelig te zijn, anders zou Hij ons niet geboren zijn geweest. Dus moest zijn geboorte wel aan sommigen bekendgemaakt worden.

Respondeo dicendum quod, sicut apostolus dicit, Rom. XIII, quae a Deo sunt, ordinata sunt. Pertinet autem ad divinae sapientiae ordinem ut Dei dona, et secreta sapientiae eius, non aequaliter ad omnes, sed immediate ad quosdam perveniant, et per eos ad alios deriventur. Unde et quantum ad resurrectionis mysterium dicitur, Act. X, quod Deus dedit Christum resurgentem manifestum fieri, non omni populo, sed testibus praeordinatis a Deo. Unde hoc etiam debuit circa ipsius nativitatem observari, ut non omnibus Christus manifestaretur, sed quibusdam, per quos posset ad alios devenire. (IIIa q. 36 a. 2 co.)

De Apostel zegt in zijn *Brief aan de Romeinen* (13, 1): « Wat van God komt, is geordend ». Het is nu een eigenschap van de orde der Goddelijke wijsheid dat Gods gaven en de geheimen van zijn wijsheid, niet op dezelfde wijze tot allen komen, maar onmiddellijk aan enkelen, die ze dan weer op hun beurt aan anderen doorgeven. Vandaar wordt ook met betrekking tot het geheim van zijn verrijzenis in de Handelingen der Apostelen (10, 41) gezegd, dat « God het feit van Christus’ verrijzenis niet openbaarde aan het hele volk, maar aan getuigen, door God voorbeschikt ». Dit moest dus ook in acht genomen worden met betrekking tot zijn geboorte. En daarom werd Christus niet aan allen bekend gemaakt, maar aan enkelen, door wie het tot anderen zou kunnen komen.

Ad primum ergo dicendum quod, sicut fuisset in praeiudicium salutis humanae si omnibus hominibus Dei nativitas innotuisset, ita etiam et si nulli nota fuisset. Utroque enim modo tollitur fides, tam scilicet per hoc quod aliquid est totaliter manifestum; quam etiam per hoc quod a nullo cognoscitur a quo possit testimonium audiri; fides enim est ex auditu, ut dicitur Rom. X. (IIIa q. 36 a. 2 ad 1)

1 — Het zou evengoed tot nadeel zijn geweest van de zaligmaking der mensen, als Gods geboorte aan alle mensen zou bekendgemaakt zijn, dan wanneer ze aan niemand bekend geweest was. Want op twee manieren wordt geloven onmogelijk gemaakt: zowel daardoor, dat iets geheel en al duidelijk is, als ook daardoor, dat iets door niemand gekend wordt die er getuigenis van zou kunnen afleggen. Want « geloven komt door het horen ». (Romeinen, 10, 17).

Ad secundum dicendum quod Maria et Ioseph instruendi erant de Christi nativitate antequam nasceretur, quia ad eos pertinebat reverentiam habere prolis conceptae in utero, et obsequi nasciturae. Eorum autem testimonium, propter hoc quod erat domesticum, fuisset habitum suspectum circa magnificentiam Christi. Et ideo oportuit ut aliis manifestaretur extraneis, quorum testimonium suspectum esse non posset. (IIIa q. 36 a. 2 ad 2)

2 — Maria en Josef behoorden over Christus' geboorte, nog vóór Hij geboren werd, op de hoogte gesteld te worden, omdat zij het kind, in de schoot ontvangen, moesten eren en het na zijn geboorte moesten dienen. Hun getuigenis echter over Christus' verhevenheid zou verdacht geweest zijn, daar het een getuigenis zou geweest zijn over een huisgenoot. En dus behoorde Christus' geboorte wel ook nog aan anderen, buitenstaanders, bekend gemaakt te worden, wier getuigenis niet in verdenking zou kunnen komen.

Ad tertium dicendum quod ipsa turbatio subsecuta ex nativitate Christi manifestata congruebat Christi nativitati. Primo quidem, quia per hoc manifestatur caelestis Christi dignitas. Unde Gregorius dicit, in homilia, caeli rege nato, rex terrae turbatur, quia nimirum terrena altitudo confunditur cum celsitudo caelestis aperitur. Secundo, quia per hoc figurabatur iudiciaria Christi potestas. Unde Augustinus dicit, in quodam sermone Epiphaniae, quid erit tribunal iudicantis, quando superbos reges cuna terrebat infantis? Tertio, quia per hoc figurabatur deiectio regni Diaboli. Quia, ut Leo Papa dicit, in sermone Epiphaniae, non tantum Herodes in semetipso turbatur, quantum Diabolus in Herode. Herodes enim hominem aestimabat, sed Diabolus Deum. Et uterque regni sui successorem timebat, Diabolus caelestem, sed Herodes terrenum. Superflue tamen, quia Christus non venerat regnum terrenum in terra habere, ut Leo Papa dicit, Herodi loquens, non capit Christum regia tua, nec mundi dominus potestatis tuae sceptri est contentus angustiis. Quod autem Iudaei turbantur, qui tamen magis gaudere debuerant, aut hoc est quia, ut Chrysostomus dicit, de adventu iusti non poterant gaudere iniqui, aut volentes favere Herodi, quem timebant; populus enim plus iusto favet eis quos crudeles sustinet. Quod autem pueri ab Herode sunt interfecti, non cessit in eorum detrimentum, sed in eorum profectum. Dicit enim Augustinus, in sermone quodam de Epiphania, absit ut, ad liberandos homines Christus veniens, de illorum praemio qui pro eo interficerentur nihil egerit, qui, pendens in ligno, pro eis a quibus interficiebatur oravit. (IIIa q. 36 a. 2 ad 3)

3 — De opschudding, die op de openbaarmaking van Christus' geboorte volgde, paste bij Christus' geboorte. — En wel eerstens, omdat hierdoor de hemelse waardigheid van Christus geopenbaard wordt; vandaar zegt Gregorius in zijn 10e Homelie op het Evangelie: « Toen de Koning des hemels geboren was, ontstelde de koning der aarde, omdat aardse grootheid van zelf beschaamd wordt, als hemelse hoogheid ontsluierd wordt ». — Ten tweede, omdat daardoor Christus' rechtsmacht verzinnebeeld werd; vandaar zegt Augustinus in een Preek op Driekoningen (200° Pr., 1° H.): « Wat zal wel niet het tribunaal van de rechter zijn, als de wieg van het kind hoogmoedige vorsten al schrik aanjoeg? » — Ten derde, omdat daardoor de ondergang van het rijk van de duivel verzinnebeeld werd, omdat, zoals Paus Leo zegt in een Preek op Driekoningen: « Niet zozeer Herodes ontstelde, als wel de duivel in Herodes. Herodes immers dacht aan een aardse mens, maar de duivel herkende God; en beiden waren bang voor een opvolger in hun rijk: de duivel voor een hemelse, Herodes daarentegen voor een aardse ». Maar geheel onnodig, daar Christus niet gekomen was, om op aarde een rijk te bezitten. Vandaar zegt Paus Leo (in de 4° Preek op Driekoningen) terwijl hij het woord tot Herodes richt: « Uw rijk kan Christus niet omvatten; noch is de Heer der wereld tevreden met de enge grenzen van uw heerschappij ». Dat de Joden, die veeleer verheugd hadden moeten zijn, ontstelden, was, ofwel omdat, zoals Chrysostomus (een ander schrijver) zegt: « boosdoeners zich niet konden verheugen over de komst van een rechtvaardige » — ofwel, omdat ze aan Herodes, die ze vreesden, wilden behagen: maar al te zeer vleit het volk zijn tyrannen. Dat nu de knapen door Herodes omgebracht zijn, dat was hun niet tot nadeel maar voordeel. Want Augustinus zegt in een Preek op Driekoningen (373° Pr., 3° H.) : « Het is niet aan te nemen, dat Christus, gekomen om de mensen te redden, niets gedaan zou hebben om hen, die in zijn plaats gedood werden, te belonen. Hij, die hangend aan het kruis nog wel voor zijn moordenaars gebeden heeft ».

Articulus 3.
Zijn voor degenen, waaraan Christus’ geboorte bekend gemaakt is, de geschikte personen uitgekozen?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod non sunt convenienter electi illi quibus est Christi nativitas manifestata. Dominus enim, Matth. X, mandavit discipulis, in viam gentium ne abieritis, ut scilicet prius manifestaretur Iudaeis quam gentilibus. Ergo videtur quod multo minus a principio fuerit revelanda Christi nativitas gentibus, qui ab oriente venerunt, ut habetur Matth. II. (IIIa q. 36 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat niet de juiste personen gekozen zijn, waaraan Christus’ geboorte bekend gemaakt is. De Heer immers, heeft aan zijn leerlingen het bevel gegeven: « Slaat de weg naar de heidenen niet in ». (Mattheus, 10, 5) met de bedoeling, dat Hij eerder aan de Joden dan aan de heidenen bekend zou gemaakt worden. Christus’ geboorte had dus zeker niet in het begin al aan de heidenen, die van het Oosten kwamen, zoals te lezen staat bij Mattheus (2, 1) geopenbaard moeten worden.

Praeterea, manifestatio divinae veritatis praecipue debet fieri ad Dei amicos, secundum illud Iob XXXVII, annuntiat de ea amico suo. Sed magi videntur esse Dei inimici, dicitur enim Levit. XIX, non declinetis ad magos, nec ab ariolis aliquid sciscitemini. Non ergo debuit Christi nativitas magis manifestari. (IIIa q. 36 a. 3 arg. 2)

2 — Volgens Job (36, 33): « Hij maakt er zijn vriend bekend mee », behoort de bekendmaking der goddelijke waarheid vooral te geschieden aan Gods vrienden. Nu schijnen echter de wijzen vijanden van God te zijn. In het Boek Leviticus (19, 31) wordt immers gezegd: « Wend u niet tot de tovenaars, noch vraagt iets aan waarzeggers ». Christus’ geboorte behoorde dus niet aan tovenaars bekend gemaakt te worden.

Praeterea, Christus venerat mundum totum a potestate Diaboli liberare, unde dicitur Malach. I, ab ortu solis usque ad occasum magnum est nomen meum in gentibus. Non ergo solum in oriente positis manifestari debuit, sed etiam ubique terrarum debuit aliquibus manifestari. (IIIa q. 36 a. 3 arg. 3)

3 — Christus was gekomen om de gehele wereld uit de macht des duivels te bevrijden. Vandaar lezen we bij Malachias (1, 11): « Van de opgang der zon tot aan de ondergang, is mijn naam groot onder de volkeren ». Bijgevolg moest Christus’ geboorte niet alleen aan Oosterlingen, maar overal aan enkelen geopenbaard worden.

Praeterea, omnia sacramenta veteris legis erant Christi figura. Sed sacramenta veteris legis dispensabantur per ministerium sacerdotum legalium. Ergo videtur quod magis debuerit Christi nativitas manifestari sacerdotibus in templo, quam pastoribus in agro. (IIIa q. 36 a. 3 arg. 4)

4 — Alle sacramenten der oude wet waren een voorafbeelding van Christus. Nu werden echter de sacramenten der oude wet toegediend door de bediening van wettelijke priesters. Christus’ geboorte had dus veeleer aan de priesters in de tempel bekend gemaakt moeten worden, dan aan de herders op het veld.

Praeterea, Christus ex virgine matre natus est, et aetate parvulus erat. Convenientius ergo videtur fuisse quod Christus manifestaretur iuvenibus et virginibus, quam senibus et coniugatis vel viduis, sicut Simeoni et Annae. (IIIa q. 36 a. 3 arg. 5)

5 — Christus is geboren uit een moedermaagd en was, wat zijn leeftijd aangaat een kind. Het zou derhalve passender geweest zijn, indien Christus bekend gemaakt was geworden aan jonge lingen en maagden en niet aan grijsaards en getrouwde mensen of weduwen, zoals Simeon en Anna.

Sed contra est quod dicitur Ioan. XIII, ego scio quos elegerim. Quae autem fiunt secundum Dei sapientiam, convenienter fiunt. Ergo convenienter sunt electi illi quibus est manifestata Christi nativitas. (IIIa q. 36 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter wat gezegd wordt bij Joannes (13, 18): « Ik weet wie Ik heb uitverkoren ». Wat nu volgens Gods wijsheid geschiedt, behoort zo te geschieden. De geschikte personen zijn dus uitgekozen, om daaraan Christus’ geboorte bekend te maken.

Respondeo dicendum quod salus quae erat futura per Christum, ad omnem diversitatem hominum pertinebat, quia, sicut dicitur Coloss. III, in Christo non est masculus et femina, gentilis et Iudaeus, servus et liber, et sic de aliis huiusmodi. Et ut hoc in ipsa Christi nativitate praefiguraretur, omnibus conditionibus hominum est manifestatus. Quia, ut Augustinus dicit, in sermone de Epiphania, pastores erant Israelitae, magi gentiles. Illi prope, isti longe. Utrique tanquam ad angularem lapidem concurrerunt. Fuit etiam inter eos alia diversitas, nam magi fuerunt sapientes et potentes, pastores autem simplices et viles. Manifestatus est etiam iustis, Simeoni et Annae, et peccatoribus, scilicet magis; manifestatus est etiam et viris et mulieribus, scilicet Annae; ut per hoc ostenderetur nullam conditionem hominum excludi a Christi salute. (IIIa q. 36 a. 3 co.)

Het heil, dat komen moest door Christus, was bestemd voor alle soorten van mensen, naar het woord van de Apostel, in zijn Brief aan de Colossensen (3, 11): « In Christus Jesus, is er geen onderscheid meer van man en vrouw, heiden en Jood, slaaf en vrije », en dergelijke. En om dit nu bij Christus’ geboorte al te verzinnebeelden, werd Hij aan alle mensen, van wat voor staat of stand ook, bekend gemaakt, wat blijkt uit Augustinus, in een Preek op Driekoningen (202° Pr., 1ʳᵈ H.): « de herders waren Israëlieten, de Wijzen heidenen : de eersten waren Hem nabij, de laatsten ver van Hem af; beiden echter ijlden tot de hoeksteen ». Er bestond ook nog een ander onderscheid tussen hen, want de Wijzen waren wijs en machtig; de herders daarentegen eenvoudige en geringe lieden. Hij werd bekend gemaakt aan rechtvaardigen, namelijk Simeon en Anna, en aan zondaars, namelijk de Wijzen. Hij werd ook bekend gemaakt aan mannen en vrouwen, namelijk Simeon en Anna, om te doen uitkomen, dat van Christus' heil niemand wordt uitgesloten.

Ad primum ergo dicendum quod illa manifestatio nativitatis Christi fuit quaedam praelibatio plenae manifestationis quae erat futura. Et sicut in secunda manifestatione primo annuntiata est gratia Christi per Christum et eius apostolos Iudaeis, et postea gentilibus; ita ad Christum primo pervenerunt pastores, qui erant primitiae Iudaeorum, tanquam prope existentes; et postea venerunt magi a remotis, qui fuerunt primitiae gentium, ut Augustinus dicit. (IIIa q. 36 a. 3 ad 1)

1 — Deze bekendmaking van Christus’ geboorte was een soort vooruitlopen op de volledige bekendmaking, die nog komen zou. En evenals bij de tweede openbaarmaking Christus’ genade door Hem en zijn Apostelen het eerst bekend gemaakt werd aan de Joden en daarna aan de heidenen; zo kwamen ook eerst de herders tot Christus, zij, de eerstelingen der nabije Joden, en daarna kwamen van verre de Wijzen. « Die », volgens Augustinus (200° Pr., 1° H.) « de eerstelingen der heidenen waren ».

Ad secundum dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in sermone de Epiphania, sicut praevalet imperitia in rusticitate pastorum, ita praevalet impietas in sacrilegiis magorum. Utrosque tamen sibi ille lapis angularis attribuit, quippe qui venit stulta eligere ut confunderet sapientes, et non vocare iustos, sed peccatores; ut nullus magnus superbiret, nullus infirmus desperaret. Quidam tamen dicunt quod isti magi non fuerunt malefici, sed sapientes astrologi, qui apud Persas vel Chaldaeos magi vocantur. (IIIa q. 36 a. 3 ad 2)

2 — Augustinus zegt in een preek op Driekoningen (200° Pr., 3° H.) : « Is bij de onbeschaafdheid der herders de onervarenheid overheersend, zo overheerst bij de heiligschennissen der tovenaars de goddeloosheid; beiden echter heeft de hoeksteen tot zich gericht, omdat Hij gekomen was om wat dwaas is uit te kiezen, ten einde de wijzen te beschamen, en om de rechtvaardigen te roepen naar de zondaars: opdat geen grote zich zou verhoeven en geen zwakke zou wanhopen ». Anderen daarentegen zeggen, dat die wijzen geen slechte mensen waren, maar wijze sterrenwichelaars, die bij de Perzen of de Chaldeeën wijzen heten.

Ad tertium dicendum quod, sicut Chrysostomus dicit, ab oriente venerunt magi, quia, unde dies nascitur, inde initium fidei processit, quia fides lumen est animarum. Vel, quia omnes qui ad Christum veniunt, ab ipso et per ipsum veniunt, unde dicitur Zach. VI, ecce vir, oriens nomen eius. Dicuntur autem ab oriente, ad litteram, venisse, vel quia de ultimis orientis partibus venerunt, secundum quosdam, vel quia de aliquibus vicinis partibus Iudaeae venerunt, quae tamen sunt regioni Iudaeorum ad orientem. Credibile tamen est etiam in aliis partibus mundi aliqua indicia nativitatis Christi apparuisse, sicut Romae fluxit oleum; et in Hispania apparuerunt tres soles paulatim in unum coeuntes. (IIIa q. 36 a. 3 ad 3)

3 — Volgens Chrysostomus (2e Homelie op Mattheus) « kwamen de Wijzen uit het Oosten, omdat daar de dag geboren wordt. En omdat het geloof het licht der zielen is, moest dus ook het begin van het geloof daarvandaan komen ». — Een andere oplossing is deze: allen die tot Christus komen, komen van en door Hem. Vandaar dat we bij Zacharias (6, 12) lezen: « Zie een man, de Oprijzende is zijn naam ». Dat ze van het Oosten naar het Westen gekomen zijn kan zo verstaan worden, dat ze ofwel, zoals sommigen zeggen, uit het verre Oosten kwamen; ofwel, dat ze uit een streek kwamen, die dicht bij en ten Oosten van Judea lag. Het is ook wel geloofwaardig, dat er ook in andere landen enkele aanduidingen voor de geboorte van Christus te zien zijn geweest; zo vloeide er te Rome olie, en verschenen er in Spanje drie zonnen aan de hemel, die langzamerhand in elkaar overgingen. (Eusebius, Chronieken, 2e B.).

Ad quartum dicendum quod, sicut Chrysostomus dicit, Angelus manifestans Christi nativitatem non ivit Ierosolymam, non requisivit Scribas et Pharisaeos, erant enim corrupti, et prae invidia cruciabantur. Sed pastores erant sinceri, antiquam conversationem patriarcharum et Moysen colentes. Per hos etiam pastores significabantur doctores Ecclesiae, quibus Christi mysteria revelantur, quae latebant Iudaeos. (IIIa q. 36 a. 3 ad 4)

4 — Bij Chrysostomus lezen we: « De Engel, die Christus’ geboorte kwam bekend maken, ging niet naar Jeruzalem, tot de schriftgeleerden en Farizeeën: want die waren slecht en werden door afgunst verteerd; de herders daarentegen waren oprechte lieden, levend volgens de gewoonten der Patriarchen en Moses ». Door die herders werden ook de leeraars der Kerk betekend, aan wie de geheimen aangaande Christus worden geopenbaard, welke voor de Joden verborgen waren.

Ad quintum dicendum quod, sicut Ambrosius dicit, generatio domini non solum a pastoribus, sed etiam a senioribus et iustis accipere debuit testimonium, quorum etiam testimonio, propter iustitiam, magis credebatur. (IIIa q. 36 a. 3 ad 5)

5 — Ambrosius zegt in zijn Verklaring op de tekst van Lucas (2, 25): « Niet alleen jongelingen, maar ook ouderen en rechtvaardigen behoorden getuigenis af te leggen van de geboorte des Heren ». Om hun gerechtigheid werd ook aan hun getuigenis eerder geloof geslagen.

Articulus 4.
Had Christus zijn eigen geboorte moeten bekend maken?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod Christus per seipsum suam nativitatem manifestare debuerit. Causa enim quae est per se, semper est potior ea quae est per aliud, ut dicitur in VIII Physic. Sed Christus suam nativitatem manifestavit per alios, puta pastoribus per Angelos et, magis per stellam. Ergo multo magis per seipsum debuit suam nativitatem manifestare. (IIIa q. 36 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus zelf zijn eigen geboorte had bekend moeten maken. — I. Zoals blijkt uit het 8e boek der Natuurleer (5e H., n. 7) is een oorzaak die zelf veroorzaakt, krachtiger, dan een die door een ander haar werking verricht. Christus nu maakte zijn geboorte door anderen bekend, door engelen namelijk aan de herders en door een ster aan de Wijzen. Hij moest dus veeleer nog door zichzelf zijn geboorte bekend maken.

Praeterea, Eccli. XX dicitur, sapientia abscondita, et thesaurus invisus, quae utilitas in utrisque? Sed Christus a principio conceptionis suae plene habuit sapientiae et gratiae thesaurum. Nisi ergo hanc plenitudinem manifestasset per opera et verba, fuisset frustra ei data sapientia et gratia. Quod est inconveniens, quia Deus et natura nihil frustra facit, ut dicitur in I de caelo. (IIIa q. 36 a. 4 arg. 2)

2 — Uit Ecclesiasticus (20, 32) blijkt: « Wijsheid die zich verbergt en een schat die verholen is... wat nut hebben beide? » Nu had Christus echter van het eerste ogenblik van zijn ontvangenis af, alle schatten van wijsheid en genade. Zo Hij bijgevolg deze volheid niet had kenbaar gemaakt door werken en woorden, dan zou het geen zin gehad hebben, Hem wijsheid en genade te geven. En dit is niet aan te nemen, daar noch God noch de natuur iets zinloos doen, zoals blijkt uit het 1e Boek Over de Hemel (4e H., n. 8).

Praeterea, in libro de infantia salvatoris legitur quod Christus in sua pueritia multa miracula fecit. Et ita videtur quod suam nativitatem per seipsum manifestaverit. (IIIa q. 36 a. 4 arg. 3)

3 — In het boek Over de Kindsheid van de Zaligmaker, lezen we, dat Christus in zijn kindsheid vele wonderen heeft verricht. En zo schijnt het dus wel, dat Hij zijn geboorte zelf heeft bekend gemaakt.

Sed contra est quod Leo Papa dicit, quod magi invenerunt puerum Iesum nulla ab infantiae humanae generalitate discretum. Sed alii infantes non manifestant seipsos. Ergo neque decuit quod Christus per seipsum suam nativitatem manifestaret. (IIIa q. 36 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter wat Paus Leo zegt in zijn 4e Preek voor Driekoningen (H. 3): « De Wijzen vonden en aanbaden het kind Jesus, in niets verschillend van alle andere kinderen der mensen ». Maar ook andere kinderen maken zich zelf niet bekend. Dus paste het ook niet, dat Christus zelf zijn eigen geboorte bekend zou maken.

Respondeo dicendum quod nativitas Christi ad humanam salutem ordinabatur, quae quidem est per fidem. Fides autem salutaris divinitatem et humanitatem Christi confitetur. Oportebat igitur ita manifestari nativitatem Christi ut demonstratio divinitatis eius fidei humanitatis ipsius non praeiudicaret. Hoc autem factum est dum Christus in seipso similitudinem infirmitatis humanae exhibuit, et tamen per Dei creaturas divinitatis virtutem in se monstravit. Et ideo Christus non per seipsum suam nativitatem manifestavit, sed per quasdam alias creaturas. (IIIa q. 36 a. 4 co.)

Christus werd geboren voor de zaligheid der mensen, welke zaligheid bereikt wordt door te geloven. Een zaligmakend geloof zal echter de godheid en de mensheid van Christus belijden. Christus’ geboorte moest dus zo bekend gemaakt worden, dat het bewijs voor zijn godheid geen afbreuk zou kunnen doen aan het geloof in zijn mensheid. Dit nu gebeurde doordat Christus in zich zelf een geboorte te zien gaf, gelijkend op de menselijke zwakheid, maar door Gods schepselen zijn goddelijke macht aantoonde. En dus heeft Christus niet zelf zijn geboorte bekend gemaakt, maar door enkele andere schepselen.

Ad primum ergo dicendum quod in via generationis et motus oportet per imperfecta ad perfectum perveniri. Et ideo Christus prius manifestatus est per alias creaturas, et postea manifestavit se per seipsum manifestatione perfecta. (IIIa q. 36 a. 4 ad 1)

1 — Ontstaan en bewegen gaan van het onvolmaakte naar het volmaakte. En dus werd Christus eerst door andere schepsels bekend gemaakt, en maakte Hij daarna eerst zichzelf op goddelijke wijze bekend.

Ad secundum dicendum quod, licet sapientia abscondita inutilis sit, non tamen ad sapientem pertinet ut quolibet tempore manifestet seipsum, sed tempore congruo, dicitur enim Eccli. XX, est tacens non habens sensum loquelae, et est tacens sciens tempus apti temporis. Sic ergo sapientia Christo data non fuit inutilis, quia seipsam tempore congruo manifestavit. Et hoc ipsum quod tempore congruo abscondebatur, est sapientiae indicium. (IIIa q. 36 a. 4 ad 2)

2 — Al is het dan ook waar, dat verborgen wijsheid tot niets dient, toch moet wijsheid zich niet ten alle tijde bekend maken, maar te gelegener tijd. In het Boek Ecclesiasticus (20, 6) staat immers: « Daar zijn er die zwijgen, omdat ze geen verstand hebben om te spreken: en daar zijn er die zwijgen, omdat zij de bekwame tijd kennen ». Zo was dus de wijsheid, aan Christus geschonken, niet nutteloos, omdat Hij zich te bekwamer tijd bekend gemaakt heeft; het is juist een teken van wijsheid dat Hij op het passende ogenblik verborgen was.

Ad tertium dicendum quod liber ille de infantia salvatoris est apocryphus. Et Chrysostomus, super Ioan., dicit quod Christus non fecit miracula antequam aquam converteret in vinum, secundum illud quod dicitur Ioan. II, hoc fecit initium signorum Iesus. Si enim secundum primam aetatem miracula fecisset, non indiguissent Israelitae alio manifestante eum, cum tamen Ioannes Baptista dicat, Ioan. I, ut manifestetur Israeli, propterea veni in aqua baptizans. Decenter autem non incoepit facere signa in prima aetate. Aestimassent enim phantasiam esse incarnationem, et ante opportunum tempus eum cruci tradidissent, livore liquefacti. (IIIa q. 36 a. 4 ad 3)

3 — Dat boek Over de Kindsheid des Zaligmakers, is een apocrief boek. En in zijn 20e Homelie op Joannes zegt Chrysostomus, dat Christus voordat Hij water in wijn veranderde, geen wonderen gedaan heeft, volgens de tekst bij Joannes (2, 11): « Zo deed Jesus zijn eerste wonder ». Want: « Indien Hij in zijn eerste levensjaren wonderen gedaan had, dan zouden de Israëlieten niet iemand anders nodig gehad hebben, om Hem bekend te maken », ofschoon toch Joannes de Doper zegt (Joannes, 1, 31): « maar juist daarom kwam ik dopen met water, om Hem aan Israël bekend te maken ». « Het behoorde ook zo, dat Hij in zijn eerste jaren niet begonnen was, met tekenen te verrichten; want ze zouden in de mening verkeerd hebben, dat de menswording slechts een waanbeeld was: en door nijd verteerd, zouden ze Hem vóór de geschikte tijd aan de kruisdood hebben overgeleverd ».

Articulus 5.
Moest Christus’ geboorte door de engelen en een ster bekend gemaakt worden?

Ad quintum sic proceditur. Videtur quod non debuerit manifestari per Angelos Christi nativitas. Angeli enim sunt spirituales substantiae, secundum illud Psalmi, qui facit Angelos suos spiritus. Sed Christi nativitas erat secundum carnem, non autem secundum spiritualem eius substantiam. Ergo non debuit per Angelos manifestari. (IIIa q. 36 a. 5 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus’ geboorte niet door de engelen bekend gemaakt moest worden. Volgens het Boek der Psalmen (103, 4): « Gij maakt uw engelen tot geesten » (1), zijn de engelen geestelijke zelfstandigheden. Maar Christus werd geboren naar het vlees en niet naar zijn geestelijke zelfstandigheid. Dus behoorde Hij niet door engelen bekendgemaakt te worden.

Praeterea, maior est affinitas iustorum ad Angelos quam ad quoscumque alios, secundum illud Psalmi, immittet Angelus domini in circuitu timentium eum, et eripiet eos. Sed iustis, scilicet Simeoni et Annae, non est manifestata Christi nativitas per Angelos. Ergo nec pastoribus per Angelos manifestari debuit. (IIIa q. 36 a. 5 arg. 2)

2 — Rechtvaardigen staan dichter bij de engelen, dan bij wat voor andere wezens ook, naar het woord van de Psalmist (Ps. 33, 8): « Des Heren engel slaat zijn leger neer rondom hen, die Hem vrezen, en verlost hen ». Nu werd aan rechtvaardigen, Simeon en Anna bijvoorbeeld, Christus’ geboorte niet bekend gemaakt door engelen. Dus had ze evenmin aan de herders door engelen bekend gemaakt moeten worden.

Item, videtur quod nec magis debuit manifestari per stellam. Hoc enim videtur esse erroris occasio quantum ad illos qui existimant sidera nativitatibus hominum dominari. Sed occasiones peccandi sunt hominibus auferendae. Non ergo fuit conveniens quod per stellam Christi nativitas manifestaretur. (IIIa q. 36 a. 5 arg. 3)

3 — Ook aan de Wijzen had ze niet door een ster bekend gemaakt moeten worden. Dit feit moet immers wel een aanleiding tot dwalen zijn voor hen, die van mening zijn, dat de sterren invloed hebben op de geboorte der mensen. Gelegenheden tot zondigen moeten echter de mensen ontnomen worden. Dus was het niet passend dat Christus’ geboorte door een ster werd bekend gemaakt.

Praeterea, signum oportet esse certum, ad hoc quod per ipsum aliquid manifestetur. Sed stella non videtur esse signum certum nativitatis Christi. Ergo inconvenienter fuit Christi nativitas per stellam manifestata. (IIIa q. 36 a. 5 arg. 4)

4 — Wil een teken iets kunnen aanduiden, dan moet het zeker zijn. Een ster schijnt echter geen zeker teken te zijn voor de geboorte van Christus. Het was derhalve niet passend dat Christus’ geboorte door een ster werd bekendgemaakt.

Sed contra est quod dicitur Deut. XXXII, Dei perfecta sunt opera. Sed talis manifestatio fuit opus divinum. Ergo per convenientia signa fuit effecta. (IIIa q. 36 a. 5 s. c.)

Daartegenover staat echter wat geschreven staat in het Boek Deuteronomium (32, 4): « Gods werken zijn volmaakt ». De betreffende openbaring was echter een werk Gods. Dus werd ze door passende tekenen uitgevoerd.

Respondeo dicendum quod, sicut manifestatio syllogistica fit per ea quae sunt magis nota ei cui est aliquid manifestandum, ita manifestatio quae fit per signa, debet fieri per ea quae sunt familiaria illis quibus manifestatur. Manifestum est autem quod viris iustis est familiare et consuetum interiori spiritus sancti edoceri instinctu, absque signorum sensibilium demonstratione, scilicet per spiritum prophetiae. Alii vero, corporalibus rebus dediti, per sensibilia ad intelligibilia adducuntur. Iudaei tamen consueti erant divina responsa per Angelos accipere, per quos etiam legem acceperant, secundum illud Act. VII, acceptis legem in dispositione Angelorum. Gentiles vero, et maxime astrologi, consueti sunt stellarum cursus aspicere. Et ideo iustis, scilicet Simeoni et Annae, manifestata est Christi nativitas per interiorem instinctum spiritus sancti, secundum illud Luc. II responsum accepit a spiritu sancto non visurum se mortem nisi prius videret Christum domini. Pastoribus autem et magis, tanquam rebus corporalibus deditis, manifestata est Christi nativitas per apparitiones visibiles. Et quia nativitas non erat pure terrena, sed quodammodo caelestis, ideo per signa caelestia utrisque nativitas Christi revelatur, ut enim Augustinus dicit, in sermone de Epiphania, caelos Angeli habitant, et sidera ornant, utrisque ergo caeli enarrant gloriam Dei. Rationabiliter autem pastoribus, tanquam Iudaeis, apud quos frequenter factae sunt apparitiones Angelorum, revelata est nativitas Christi per Angelos, magis autem, assuetis in consideratione caelestium corporum, manifestata est per signum stellae. Quia, ut Chrysostomus dicit, per consueta eos dominus vocare voluit, eis condescendens. Est autem et alia ratio. Quia, ut Gregorius dicit, Iudaeis, tanquam ratione utentibus, rationale animal, idest Angelus, praedicare debuit. Gentiles vero, qui uti ratione nesciebant ad cognoscendum Deum, non per vocem, sed per signa perducuntur. Et sicut dominum iam loquentem annuntiaverunt gentibus praedicatores loquentes, ita eum nondum loquentem elementa muta praedicaverunt. Est autem et alia ratio. Quia, ut Augustinus dicit, in sermone Epiphaniae, Abrahae innumerabilis erat promissa successio non carnis semine, sed fidei fecunditate generanda. Et ideo stellarum multitudini est comparata, ut caelestis progenies speraretur. Et ideo gentiles, in sideribus designati, ortu novi sideris excitantur ut perveniant ad Christum, per quem efficiuntur semen Abrahae. (IIIa q. 36 a. 5 co.)

Als men iets door een syllogisme wil kenbaar maken, dan moet men gebruik maken van dingen, die meer bekend zijn aan hen, wie men iets wil kenbaar maken. En zo moet men ook, als men iets door een teken kenbaar wil maken gebruik maken van dingen, waarmee zij, aan wie men iets kenbaar wil maken, vertrouwd zijn. Nu is het wel duidelijk, dat rechtvaardige mensen er mee vertrouwd en eraan gewend zijn, om zonder vertoon van uiterlijke tekenen, door inwendige inspraken van de H. Geest onderricht te worden, en wel door de geest der voorzegging. Anderen, daarentegen die meer opgaan in stoffelijke dingen, worden door het zintuigelijke tot kennis van het onstoffelijke gebracht. De Joden nu, waren er aan gewoon, om Gods antwoorden door engelen te ontvangen, door wier tussenkomst zij ook de wet hadden ontvangen, volgens de Handelingen der Apostelen (7, 53): «Gij hebt de wet door beschikking der engelen ontvangen». De heidenen daarentegen, en vooral de sterrenwichelaars, zijn gewoon de sterrenloop na te gaan. — Bijgevolg werd Christus' geboorte aan de rechtvaardigen bekend gemaakt door inwendige ingeving van de H. Geest, volgens het woord van Lucas (2, 26): «De H. Geest had hem geopenbaard, dat hij de dood niet zou zien, voordat hij de Gezalfde des Heren had aanschouwd». — De herders en Wijzen echter, mannen meer aan het stoffelijke gehecht, werd Christus' geboorte bekend gemaakt door zichtbare verschijningen. — En omdat die geboorte geen zuivere aardse maar in zekeren zin een hemelse geboorte was, daarom werd aan beiden Christus' geboorte door tekenen van de hemel geopenbaard. Want zoals Augustinus, zegt in een Preek op Driekoningen (104e Pr.): «De engelen bewonen de hemel en versieren de sterren; aan beiden verkondigen dus de hemelen Gods glorie ». — Het was nu ook heel redelijk, dat aan de herders, als zijnde Joden, die wel meer verschijningen van engelen kregen, Christus' geboorte door engelen bekend gemaakt werd; de Wijzen echter, gewoon de sterren te bestuderen, werd ze door een sterrenteken bekend gemaakt, omdat, zoals Chrysostomus zegt in de 6e Homelie op Mattheus: « De Heer wilde hen roepen door middel van iets waarmee ze vertrouwd waren, aldus tot hen afdalende ». Er kan echter nog een andere grond voor aangegeven worden, zoals Gregorius doet in zijn 10e Homelie op het Evangelie: « Een redelijk wezen, d. i. een engel, moest voor de Joden prediken, daar zij hun verstand gebruikten; maar de heidenen worden tot de kennis van de Heer gebracht, niet door een stem, maar door tekens, omdat zij hun verstand niet wisten te gebruiken: en evenals sprekende predikers de Heer aan de heidenen verkondigd hebben, toen Hij wel kon spreken, zo hebben stomme elementen Hem verkondigd, toen Hij nog niet kon spreken ». Er is ook nog een andere grond voor aan te geven, omdat zoals Augustinus (Paus Leo) zegt (33e Pr., 2e H.): « Aan Abraham een ontelbaar nageslacht was beloofd, dat moest geboren worden, niet uit zaad van vlees, maar uit de vruchtbaarheid van het geloof »; en daarom werd zijn nageslacht vergeleken met de sterrenmenigte, opdat hij zijn hoop zou vestigen op een hemels nageslacht. En dus werden de heidenen, aangeduid in de sterren, door de opkomst van een nieuwe ster aangezet, om naar Christus te gaan, door wie ze Abrahams geslacht werden.

Ad primum ergo dicendum quod illud manifestatione indiget quod de se est occultum, non autem illud quod de se est manifestum. Caro autem eius qui nascebatur erat manifesta, sed divinitas erat occulta. Et ideo convenienter manifestata est illa nativitas per Angelos, qui sunt Dei ministri. Unde et cum claritate Angelus apparuit, ut ostenderetur quod ille qui nascebatur erat splendor paternae gloriae. (IIIa q. 36 a. 5 ad 1)

1 — Datgene heeft nodig bekend gemaakt te worden, wat uit eigen aard verborgen is, niet echter datgene, wat uiteraard al bekend is. Nu was Hij die daar geboren werd, naar het lichaam openbaar, maar zijn Godheid was verborgen. En dus diende ook die geboorte geopenbaard te worden door engelen, die Gods dienaren zijn: en zo verscheen er dan ook een engel in glorie (vgl. Lucas, 2, 9) om aan te tonen, dat degene die geboren werd de afglans was, van de glorie des Vaders.

Ad secundum dicendum quod iusti non indigebant visibili apparitione Angelorum, sed eis sufficiebat interior instinctus spiritus sancti, propter eorum perfectionem. (IIIa q. 36 a. 5 ad 2)

2 — Rechtvaardigen hadden geen zichtbare verschijning van engelen nodig; een inwendige inspraak van de H. Geest was hun al voldoende, om hun volmaaktheid.

Ad tertium dicendum quod stella quae nativitatem Christi manifestavit, omnem occasionem erroris subtraxit. Ut enim Augustinus dicit, contra Faustum, nulli astrologi constituerunt ita nascentium hominum fata sub stellis, ut aliquam stellarum, homine aliquo nato, circuitus sui ordinem reliquisse, et ad eum qui natus est perrexisse asseverent, sicut accidit circa stellam quae demonstravit nativitatem Christi. Et ideo per hoc non confirmatur error eorum qui sortem nascentium hominum astrorum ordini colligari arbitrantur, non autem credunt astrorum ordinem ad hominis nativitatem posse mutari. Similiter etiam, ut Chrysostomus dicit, non est hoc astronomiae opus, a stellis scire eos qui nascuntur, sed ab hora nativitatis futura praedicere. Magi autem tempus nativitatis non cognoverunt, ut, hinc sumentes initium, a stellarum motu futura cognoscerent, sed potius e converso. (IIIa q. 36 a. 5 ad 3)

3 — De ster, welke Christus' geboorte bekend maakte, nam iedere aanleiding tot dwalen weg. Want zoals Augustinus zegt in zijn boek Tegen Faustus (2e B., 5e H.): « Geen sterrenwichelaar zal het lot der mensen zó afhankelijk maken van de sterren, dat hij aan zal nemen, dat een ster, bij iemands geboorte haar gewone loop zal opgeven en zich zal heen bewegen tot hem, die geboren is », wat toch geschiedde met de ster, die de geboorte van Christus aantoonde. Bijgevolg wordt hierdoor de dwaling van hen niet versterkt, « die van mening zijn, dat het lot der mensen bij hun geboorte gebonden wordt aan de loop der sterren; zij geloven echter niet, dat de sterrenloop zich zal kunnen richten naar de geboorte van een mens ». — Eveneens zegt ook Chrysostomus (in zijn 6e Homelie op Mattheus): « Het is niet de taak der sterrenwichelarij, van de sterren te vernemen, wie er geboren worden, maar afgaande op het uur der geboorte, de toekomst te voorspellen ». De Wijzen nu, kenden niet het uur der geboorte, konden dus ook niet hiervan uitgaan en dan, uit de loop der sterren, de toekomst kennen. Het gebeurde veeleer andersom.

Ad quartum dicendum quod, sicut Chrysostomus refert, in quibusdam scriptis apocryphis legitur quod quaedam gens in extremo orientis, iuxta Oceanum, quandam Scripturam habebat, ex nomine Seth, de hac stella et muneribus huiusmodi offerendis. Quae gens diligenter observabat huius stellae exortum, positis exploratoribus duodecim, qui certis temporibus devote ascendebant in montem. In quo postmodum viderunt eam habentem in se quasi parvuli formam, et super se similitudinem crucis. Vel dicendum quod, sicut dicitur in libro de quaest. Nov. et Vet. Test., magi illi traditionem Balaam sequebantur, qui dixit, orietur stella ex Iacob. Unde, videntes stellam extra ordinem mundi, hanc esse intellexerunt quam Balaam futuram indicem regis Iudaeorum prophetaverat. Vel dicendum, sicut Augustinus dicit, in sermone de Epiphania, quod ab Angelis aliqua monitione revelationis audierunt magi quod stella Christum natum significaret. Et probabile videtur quod a bonis, quando in Christo adorando salus eorum iam quaerebatur. Vel, sicut Leo Papa dicit, in sermone de Epiphania, praeter illam speciem quae corporeum incitavit obtutum, fulgentior veritatis radius eorum corda perdocuit quod ad illuminationem fidei pertinebat. (IIIa q. 36 a. 5 ad 4)

4 — Volgens Chrysostomus (2e Homelie op Mattheus) staat er in verschillende apocriefe geschriften, het volgende te lezen: « Een zeker volk in het uiterste Oosten aan de Oceaan wonend, bezat een geschrift, op naam van Seth, dat handelde over het verschijnen van deze ster en over de plicht, om dergelijke geschenken te offeren: dat volk nu, lette nauwkeurig op de opkomst dezer ster, en stelde daartoe twaalf onderzoekers aan, die op zekere tijden des nachts een berg bestegen, waar ze haar dan ook later zagen als in de gedaante van een klein kind, en er boven een soort van kruis ». Een ander antwoord op deze bedenking vinden we in het Boek Kwesties uit het Nieuw en Oud Testament (63e Kw.): « Die Wijzen volgden de overlevering van Balaam, die gezegd had: Er zal een ster uit Jacob opgaan. Toen ze dan ook een buitengewone ster zagen, begrepen ze dat dit het teken van de Koning der Joden was, hetwelk Balaam voorspeld had ». Of nog anders: Augustinus zegt in een Preek op Driekoningen (374e Pr.), dat de wijzen van engelen in een openbaring door een wenk gehoord hebben, dat een ster Christus geboorte zou aanduiden. En het is wel aannemelijk dat ze het van goede engelen gehoord hebben, omdat ze in de aanbidding van Christus hun heil al zochten. — Of ten slotte met Paus Leo, in een Preek op Driekoningen (Pr. 34, 3e H.): « Behalve dat uiterlijk teken, dat hun lichamelijke blikken tot zich trok, was er nog een zeer schitterende straal der waarheid, die hun harten onderrichtte: en dit was de verlichting des geloofs ».

Articulus 6.
Hebben de openbaringen van Christus’ geboorte in passende volgorde plaats gehad?

Ad sextum sic proceditur. Videtur quod inconvenienti ordine Christi nativitas fuit manifestata. Illis enim debuit primo manifestari Christi nativitas qui Christo propinquiores fuerunt, et qui magis Christum desiderabant, secundum illud Sap. VI, praeoccupat eos qui se concupiscunt, ut se priorem illis ostendat. Sed iusti propinquissimi erant Christo per fidem, et maxime eius adventum desiderabant, unde dicitur Luc. II de Simeone quod erat homo iustus et timoratus, expectans redemptionem Israel. Ergo prius debuisset manifestari Christi nativitas Simeoni quam pastoribus et magis. (IIIa q. 36 a. 6 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de openbaringen van Christus’ geboorte niet in passende volgorde hebben plaats gehad. Christus’ geboorte immers, moest het eerst bekend gemaakt worden aan hen, die Christus het meest nabij stonden en die het meest naar Christus verlangden, naar het woord uit het Boek der Wijsheid (6, 14): « Zij voorkomt hen, die naar haar verlangen, zoodat zij zich het eerst aan hen vertoont ». Maar de rechtvaardigen stonden, om hun geloof, Christus het meest nabij en verlangden ook het meest naar zijn komst. Vandaar dat er bij Lucas (2, 25) over Simeon geschreven staat: « Hij was een rechtvaardig en godvrezend man, die verlangend uitzag naar de redding van Israël ». Dus had Christus’ geboorte eerder aan Simeon dan aan de herders en Wijzen bekend gemaakt moeten worden.

Praeterea, magi fuerunt primitiae gentium Christo crediturarum. Sed primo plenitudo gentium intrat ad fidem, et postmodum omnis Israel salvus fiet, ut dicitur Rom. XI. Ergo primo debuit manifestari Christi nativitas magis quam pastoribus. (IIIa q. 36 a. 6 arg. 2)

2 — Van de heidenen, die in Christus zouden geloven, waren de Wijzen de eerstelingen. Nu zegt Paulus in zijn Brief aan de Romeinen (11, 25 en 26), dat eerst de volheid der heidenen het geloof zal binnengaan, en dat daarna geheel Israël gered zal worden. Christus’ geboorte behoorde dus eerder aan de heidenen dan aan de herders bekendgemaakt te worden.

Praeterea, Matth. II dicitur quod Herodes occidit omnes pueros qui erant in Bethlehem et in omnibus finibus eius a bimatu et infra, secundum tempus quod exquisierat a magis, et sic videtur quod per duos annos post Christi nativitatem magi ad Christum pervenerunt. Inconvenienter igitur post tantum tempus fuit gentilibus Christi nativitas manifestata. (IIIa q. 36 a. 6 arg. 3)

3 — Bij Mattheus (2, 16) lezen we: « Herodes doodde al de knapen in Bethlehem en heel de omtrek van twee jaar en daar- onder, overeenkomstig de tijd die hij van de Wijzen had uitgevorst ». En dus moeten de Wijzen wel twee jaar na Christus’ geboorte tot Christus gekomen zijn. Christus’ geboorte had dus niet na zoveel tijd eerst aan de heidenen bekend gemaakt worden.

Sed contra est quod dicitur Dan. II, ipse mutat tempora et aetates. Et ita tempus manifestationis nativitatis Christi videtur congruo ordine esse dispositum. (IIIa q. 36 a. 6 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat in Daniël (2, 21) geschreven staat: « Hij is het die de tijden en standen verandert ». En zo schijnt het tijdstip van de bekendmaking van Christus' geboorte geschikt geordend te zijn geweest.

Respondeo dicendum quod Christi nativitas primo quidem manifestata est pastoribus, ipso die nativitatis Christi. Ut enim dicitur Luc. II, erant pastores in eadem regione vigilantes et custodientes vigilias noctis super gregem suum. Et, ut discesserunt ab eis Angeli in caelum, loquebantur ad invicem, transeamus usque in Bethlehem. Et venerunt festinantes. Secundo autem magi pervenerunt ad Christum, tertiadecima die nativitatis eius, quo die festum Epiphaniae celebratur. Si enim revoluto anno, aut etiam duobus annis pervenissent, non invenissent eum in Bethlehem, cum scriptum sit Luc. II quod, postquam perfecerunt omnia secundum legem domini, offerentes scilicet puerum Iesum in templum, reversi sunt in Galilaeam, in civitatem suam, scilicet Nazareth. Tertio autem manifestata est iustis in templo, quadragesimo die a nativitate, ut habetur Luc. II. Et huius ordinis ratio est quia per pastores significantur apostoli et alii credentes ex Iudaeis, quibus primo manifestata est fides Christi, inter quos non fuerunt multi potentes nec multi nobiles, ut dicitur I Cor. I. Secundo autem fides Christi pervenit ad plenitudinem gentium, quae est praefigurata per magos. Tertio autem pervenit ad plenitudinem Iudaeorum, quae est praefigurata per iustos. Unde etiam in templo Iudaeorum est eis Christus manifestatus. (IIIa q. 36 a. 6 co.)

Christus' geboorte werd het eerst bekend gemaakt aan de herders op de dag zelf van Christus' geboorte. Want zo lezen we bij Lucas (2, 8, 15, 16): « Nu waren er herders in die streek, die in het open veld overnachtten en hun kudde bewaakten;— en toen de engelen weer naar de hemel waren gevaren, spraken ze tot elkaar: laten we naar Bethlehem gaan... en ze snelden erheen». — Daarna kwamen de Wijzen, en wel de dertiende dag na zijn geboorte, de dag, waarop het Driekoningenfeest gevierd wordt. Want als ze na een jaar en ook na twee jaar gekomen waren, dan zouden ze Hem niet in Bethlehem gevonden hebben, daar bij Lucas (2, 39) geschreven staat: « En toen ze alles volgens de wet des Heren hadden volbracht — de opdracht namelijk van Christus in de Tempel — keerden ze naar Calilea terug en naar Nazareth hun woonplaats ». — Op de derde plaats werd de geboorte bekend gemaakt aan de rechtvaardigen in de tempel, op de veertigste dag na de geboorte, zoals geschreven staat bij Lucas (2, 22). En de grond voor deze volgorde is de volgende: door de herders worden de Apostelen en de andere gelovige Joden betekend, aan wie het geloof in Christus het eerst werd bekend gemaakt: onder hen waren, volgens de Eerste Brief aan de Korinthiërs (1, 26) niet veel machtigen en aanzienlijken. Op de tweede plaats kwam het geloof in Christus tot de volheid der heidenen, en deze werd voorafgebeeld door de Wijzen. Op de derde plaats bereikte het de volheid der Joden, en die wordt voorafgebeeld door de rechtvaardigen. Vandaar dat aan hen Christus in de tempel der Joden werd bekend gemaakt.

Ad primum ergo dicendum quod, sicut apostolus dicit, Rom. IX, Israel, sectando legem iustitiae, in legem iustitiae non pervenit, sed gentiles, qui non quaerebant iustitiam, Iudaeos communiter in iustitia fidei praevenerunt. Et in huius figuram, Simeon, qui expectabat consolationem Israel, ultimo Christum natum cognovit, et praecesserunt eum magi et pastores, qui Christi nativitatem non ita sollicite expectabant. (IIIa q. 36 a. 6 ad 1)

1 — Volgens de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (9, 30, 31) « heeft Israël naar een wet der gerechtigheid gestreefd, doch die wet der gerechtigheid niet bereikt »: de heidenen daarentegen, die de gerechtigheid niet gezocht hebben, zijn over het algemeen genomen de Joden in de gerechtigheid door het geloof voorafgegaan. En om dit te verzinnebeelden, was Simeon, die verlangend uitzag naar de redding van Israël, de laatste, die de geboorte van Christus kende: en hem gingen de Wijzen en de herders vooraf, die de geboorte van Christus niet met zoveel zorg verwachtten.

Ad secundum dicendum quod, licet plenitudo gentium prius intraverit ad fidem quam plenitudo Iudaeorum, tamen primitiae Iudaeorum praevenerunt in fide primitias gentium. Et ideo pastoribus primo manifestata est Christi nativitas quam magis. (IIIa q. 36 a. 6 ad 2)

2 — Alhoewel de volheid der heidenen eerder tot het geloof is gekomen dan de volheid der Joden, zijn toch de eerstelingen der Joden aan de eerstelingen der heidenen voorafgegaan. En daarom werd Christus’ geboorte eerder bekend gemaakt aan de herders dan aan de Wijzen.

Ad tertium dicendum quod de apparitione stellae quae apparuit magis, est duplex opinio. Chrysostomus enim dicit, super Matth., et Augustinus, in sermone Epiphaniae, stella magis apparuit per biennium ante Christi nativitatem, et tunc primo, meditantes et se ad iter praeparantes, a remotissimis partibus orientis pervenerunt ad Christum tertiadecima die a sua nativitate. Unde et Herodes statim post recessum magorum, videns se ab eis illusum, mandavit occidi pueros a bimatu et infra, dubitans ne tunc Christus natus esset quando stella apparuit, secundum quod a magis audierat. Alii vero dicunt stellam apparuisse primo cum Christus est natus, et statim magi visa stella iter arripientes, longissimum iter in tredecim diebus peregerunt, partim quidem adducti divina virtute, partim autem dromedariorum velocitate. Et hoc dico, si venerunt ex extremis partibus orientis. Quidam tamen dicunt eos venisse de regione propinqua, unde fuerat Balaam, cuius doctrinae successores fuerunt. Dicuntur autem ab oriente venisse, quia terra illa est ad Orientalem partem terrae Iudaeorum. Et secundum hoc, Herodes non statim recedentibus magis, sed post biennium interfecit pueros. Vel quia dicitur interim accusatus Romam ivisse, vel, aliquorum periculorum terroribus agitatus, a cura interficiendi puerum interim destitisse. Vel quia potuit credere magos, fallaci stellae visione deceptos, postquam non invenerunt quem natum putaverunt, erubuisse ad se redire, ut Augustinus dicit, in libro de consensu Evangelist. Ideo autem non solum bimos interfecit sed etiam infra, quia, ut Augustinus dicit, in quodam sermone innocentum, timebat ne puer cui sidera famulantur, speciem suam paulo super aetatem vel infra transformaret. (IIIa q. 36 a. 6 ad 3)

3 — Over de verschijning der ster, die aan de Wijzen verscheen is, bestaat een tweevoudige opvatting. Chrysostomus in zijn Commentaar op Mattheus, en Augustinus in een preek op Driekoningen zeggen zo: de ster verscheen twee jaar voor de geboorte van Christus aan de Wijzen; en na eerst de zaak overwogen en zich op de tocht voorbereid te hebben, kwamen ze uit die zeer ver gelegen oostelijke gewesten, de dertiende dag na zijn geboorte bij Christus aan. Vandaar dat Herodes, onmiddellijk na het vertrek der Wijzen, toen hij zag dat hij door hen bedrogen was, het bevel uitvaardigde, de knapen van twee jaar en daaronder om te brengen, omdat hij, naar wat hij van de Wijzen gehoord had, in twijfel verkeerde, of Christus geboren was, toen de ster verscheen. Anderen daarentegen houden het er voor, dat de ster bij Christus' geboorte eerst verschenen is; en toen de Wijzen de ster gezien hadden, zijn ze oogenblikkelijk op weg gegaan, en hebben die uiterst lange weg in dertien dagen afgelegd, deels dank zij de goddelijke bijstand, deels echter dank zij de snelheid der dromedarissen. En dit geldt voor het geval ze uit het verre Oosten gekomen zijn. Sommigen echter zijn van mening, dat ze van een dichtbijgelegen landstreek afkomstig waren, waar ook Balaam, wiens leer zij volgden, uit afkomstig was. Men kan dan toch nog zeggen dat ze uit het Oosten kwamen, omdat dat land ten Oosten van het gebied der Joden ligt. — En als dit waar is, dan heeft Herodes niet onmiddellijk na het vertrek der Wijzen, maar eerst na twee jaar de knapen omgebracht. Ofwel, zoals men beweert, omdat hij ondertusschen, daar hij aangeklaagd was, naar Rome was gegaan: ofwel omdat hij, opgeschrikt door ontstellende geruchten van sommige gevaren, voor een tijd lang van het doden der knapen heeft afgezien. Ofwel omdat ze, zoals Augustinus zegt in zijn boek Over de Overeenstemming tusschen de Evangelisten (2e B., 11e H.) hij in de meening kon verkeren dat de Wijzen « misleid door het zien van een valsche ster, toen ze het kind niet gevonden hadden, zich er voor geschaamd hadden naar hem terug te keren ». De reden echter, waarom hij niet alleen de kinderen van twee jaar, maar ook daaronder, omgebracht heeft, geeft Augustinus aan in een preek op de Onnozele kinderen: « Hij was bang, dat het kind, waaraan de sterren onderdanig waren, zijn uiterlijk in een hogere of mindere leeftijd zou veranderen ».

Articulus 7.
Was de ster, die aan de Wijzen verschenen is, een der hemelstenen?

Ad septimum sic proceditur. Videtur quod stella quae magis apparuit, fuerit una de caelestibus stellis. Dicit enim Augustinus, in quodam sermone Epiphaniae, dum pendet ad ubera et vilium patitur Deus involumenta pannorum, repente novum de caelo sidus effulsit. Fuit igitur stella caelestis quae magis apparuit. (IIIa q. 36 a. 7 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de ster, die aan de Wijzen verscheen, een der hemelsterren was. Augustinus immers zegt in een Preek op Driekoningen: « Toen een God aan de borst lag en de windselen verdroeg van gewone doeken, toen schitterde er eensklaps een nieuwe ster aan de hemel». Het was dus een hemelster, welke aan de Wijzen verscheen.

Praeterea, Augustinus dicit, in sermone quodam Epiphaniae, pastoribus Angeli, magis stella Christum demonstrat. Utrisque loquitur lingua caelorum, quia lingua cessaverat prophetarum. Sed Angeli pastoribus apparentes fuerunt vere de caelestibus Angelis. Ergo et stella magis apparens fuit vere de caelestibus stellis. (IIIa q. 36 a. 7 arg. 2)

2 — Augustinus zegt, in een Preek op Driekoningen: « De herders hebben engelen, de Wijzen heeft een ster Christus aangetoond. En omdat de tong der profeten opgehouden had te spreken, daarom sprak tot hen beiden de taal der hemelen ». Nu waren de engelen, die aan de herders verschenen zijn, werkelijk engelen uit de hemel. Dus was ook de ster, die aan de Wijzen verscheen, een werkelijke hemelster.

Praeterea, stellae quae non sunt in caelo, sed in aere, dicuntur stellae comatae, quae non apparent in nativitatibus regum, sed magis sunt indicia mortis eorum. Sed illa stella designabat regis nativitatem, unde magi dicunt, Matth. II, ubi est qui natus est rex Iudaeorum? Vidimus enim stellam eius in oriente. Ergo videtur quod fuerit de caelestibus stellis. (IIIa q. 36 a. 7 arg. 3)

3 — Sterren, welke niet aan de hemel staan, maar in de lucht zijn, worden kometen genoemd: en deze verschijnen niet bij de geboorte van koningen, maar zijn veeleer een teken van hun dood. Maar deze ster, duidde de geboorte van een koning aan: vandaar zeggen ook de Wijzen (Mattheus, 2, 2): « Waar is de nieuwgeboren Koning der Joden? Want wij hebben zijn ster in het Oosten gezien ». Dus moet het wel een der hemelsterren zijn geweest.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in libro contra Faustum, non ex illis erat stellis quae ab initio creaturae itinerum suorum ordinem sub creatoris lege custodiunt, sed, novo virginis partu, novum sidus apparuit. (IIIa q. 36 a. 7 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Augustinus in zijn werk Tegen Faustus (2° B., 5° H.) zegt: « Het was niet een dier sterren, die van het begin der schepping af hun gewone loop blijven volgen onder het bestuur van de Schepper : maar, toen voor het eerst een Maagd baarde, verscheen er ook een nieuwe ster ».

Respondeo dicendum quod, sicut Chrysostomus dicit, super Matth., quod illa stella quae magis apparuit non fuerit una caelestium stellarum, multipliciter manifestum est. Primo quidem, quia nulla alia stellarum hac via incedit. Haec enim stella ferebatur a Septentrione in meridiem, ita enim iacet Iudaea ad Persidem, unde magi venerunt. Secundo, apparet hoc ex tempore. Non enim solum apparebat in nocte, sed etiam in media die. Quod non est virtutis stellae, sed nec etiam lunae. Tertio, quia quandoque apparebat et quandoque occultabatur. Cum enim intraverunt Ierosolymam, occultavit seipsam, deinde, ubi Herodem reliquerunt, monstravit seipsam. Quarto, quia non habebat continuum motum, sed, cum oportebat ire magos, ibat; quando autem oportebat stare, stabat; sicut et de columna nubis erat in deserto. Quinto, quia non sursum manens partum virginis demonstrabat, sed deorsum descendens hoc faciebat. Dicitur enim Matth. II quod stella quam viderant in oriente, antecedebat eos, usque dum veniens staret supra ubi erat puer. Ex quo patet quod verbum magorum dicentium, vidimus stellam eius in oriente, non est sic intelligendum quasi ipsis in oriente positis stella apparuerit existens in terra Iuda, sed quia viderunt eam in oriente existentem, et praecessit eos usque in Iudaeam (quamvis hoc a quibusdam sub dubio relinquatur). Non autem potuisset distincte domum demonstrare nisi esset terrae vicina. Et, sicut ipse dicit, hoc non videtur proprium esse stellae, sed virtutis cuiusdam rationalis. Unde videtur quod haec stella virtus invisibilis fuisset in talem apparentiam transformata. Unde quidam dicunt quod, sicut spiritus sanctus descendit super baptizatum dominum in specie columbae, ita apparuit magis in specie stellae. Alii vero dicunt quod Angelus qui apparuit pastoribus in specie humana, apparuit magis in specie stellae. Probabilius tamen videtur quod fuerit stella de novo creata, non in caelo, sed in aere vicino terrae, quae secundum Dei voluntatem movebatur. Unde Leo Papa dicit, in sermone Epiphaniae, tribus magis in regione orientis stella novae claritatis apparuit, quae, illustrior ceteris pulchriorque sideribus, in se intuentium oculos animosque converteret, ut confestim adverteretur non esse otiosum quod tam insolitum videbatur. (IIIa q. 36 a. 7 co.)

Zoals Chrysostomus zegt in zijn 6e Homelie op Mattheus, is het om verschillende redenen duidelijk, dat de ster, die aan de Wijzen verscheen, geen hemelster was. En wel ten eerste, omdat geen enkele andere ster zo loopt. Want deze ster liep van het noorden naar het zuiden: want zo ligt Judea ten opzichte van Perzië, waar de Wijzen vandaan kwamen. Ten tweede, blijkt het uit de tijd. Want ze verscheen niet alleen des nachts, maar ook midden op de dag. En dit kan geen ster, zelfs niet de maan. Ten derde, omdat ze soms verscheen, dan weer verborgen was. Want toen ze Jerusalem binnengingen, verborg ze zich: en toen ze vervolgens Herodes verlieten, vertoonde zij zich weer. Ten vierde, omdat ze geen vaste loop had: maar zij ging als de Wijzen moesten gaan, stond, als ook zij stil moesten houden; zoals ook het geval was met de wolkkolom in de woestijn. Ten vijfde, omdat ze niet in de hoogte bleef staan toen ze het kind der Maagd aanwees, maar daarvoor naar beneden kwam. Want bij Mattheus wordt gezegd (2, 9): « De ster die de Wijzen in het Oosten gezien hadden, ging voor hen uit totdat ze kwam en bleef staan boven de plaats, waar het kind was ». En hieruit blijkt, dat het woord der Wijzen « wij hebben zijn ster in het oosten gezien », niet zo moet verstaan worden, alsof de ster, toen ze hun verscheen, boven Judea stond terwijl ze zelf in het oosten waren: maar ze zagen haar in het oosten staan, en zij ging hun naar Judea vooruit (ofschoon dit door sommigen weer in twijfel getrokken wordt). Ze zou echter nooit een huis precies hebben kunnen aanwijzen als ze niet dicht bij die plaats was geweest. En zoals hij (Chrysostomus) zelf zegt, dat is niet iets voor een ster, maar komt alleen aan een redelijke kracht toe. Zo schijnt het dan ook wel, dat deze ster een onzichtbare kracht is geweest, in deze gedaante veranderd. Vandaar zeggen dan ook sommigen, dat, evenals de H. Geest, onder de gedaante van een duif, op de Heer bij zijn doopsel nederdaalde, dat Hij zo ook aan de Wijzen onder de gedaante van een ster verschenen is. — Anderen weer zeggen, dat de engel, die in de gedaante van een mens aan de herders verscheen, onder de gedaante van een ster zich vertoonde aan de Wijzen. — Waarschijnlijker is het echter, dat het een pas geschapen ster was, niet aan de hemel, maar in het luchtruim, dat dichter bij de aarde is en dat ze door Gods wil werd voortbewogen. Vandaar zegt Paus Leo in een *Preek op Driekoningen* (N° 31 of 30; de 1° op Driekoningen, 1° H.): « In een landstreek in het Oosten verscheen er aan drie Wijzen een ster van ongewonen glans, die, daar ze de overige sterren in luister en schoonheid overtrof, de ogen en harten van allen die er naar keken tot zich richtte: men merkte dan ook aanstonds op dat zo iets ongewoons, niet voor niets te zien was ».

Ad primum ergo dicendum quod caelum in sacra Scriptura quandoque dicitur aer, secundum illud, volucres caeli et pisces maris. (IIIa q. 36 a. 7 ad 1)

1 — In de H. Schrift wordt de lucht soms hemel genoemd. Zo b. v. in het Boek der Psalmen (8, 9) : « De vogelen des hemels en de visschen der zee ».

Ad secundum dicendum quod ipsi caelestes Angeli ex suo officio habent ut ad nos descendant, in ministerium missi. Sed stellae caelestes suum situm non mutant. Unde non est similis ratio. (IIIa q. 36 a. 7 ad 2)

2 — De engelen des hemels hebben tot taak om tot ons af te dalen, uitgezonden om te helpen (vgl. de Brief aan de Hebreeën, 1, 14). De sterren des hemels veranderen echter niet van plaats. Vandaar gaat de vergelijking niet op.

Ad tertium dicendum quod, sicut stella non est secuta motum stellarum caelestium, ita nec stellarum comatarum, quae nec de die apparent, nec cursum suum ordinatum mutant. Et tamen non omnino aberat significatio cometarum. Quia caeleste regnum Christi comminuit et consumpsit universa regna terrae, et ipsum stabit in aeternum, ut dicitur Dan. II. (IIIa q. 36 a. 7 ad 3)

3 — Evenals de ster de loop der hemelsterren niet gevolgd is, zo volgde ze evenmin de baan der kometen, die overdag niet te zien zijn, en ook niet hun gewone loop veranderen. — We kunnen er toch nog wel iets in terug vinden van de betekenis, welke de kometen hebben. Want het hemelse rijk van Christus zal « al de koninkrijken verbrijzelen en te niet doen, en zelf zal het bestaan tot in eeuwigheid », zoals Daniël (2, 44) zegt.

Articulus 8.
Is het wel passend geweest, dat de Wijzen Christus zijn komen aanbidden en vereren?

Ad octavum sic proceditur. Videtur quod magi non convenienter venerunt ad Christum adorandum et venerandum. Unicuique enim regi reverentia debetur a suis subiectis. Magi autem non erant de regno Iudaeorum. Ergo, cum ex visione stellae cognoverunt natum esse regem Iudaeorum, videtur quod inconvenienter venerunt ad eum adorandum. (IIIa q. 36 a. 8 arg. 1)

1 — Een koning immers, behoort hulde gebracht te worden door zijn onderdanen. Nu behoorden de Wijzen niet tot het rijk der Joden. Toen ze dus ten gevolge van het zien van een ster, tot de kennis gekomen waren, dat de Koning der Joden geboren was, hadden ze niet op behoeven te gaan om Hem te aanbidden.

Praeterea, stultum est, vivente rege aliquo, extraneum regem annuntiare. Sed in regno Iudaeae regnabat Herodes. Ergo stulte fecerunt magi regis nativitatem annuntiantes. (IIIa q. 36 a. 8 arg. 2)

2 — Het is dwaas om als een koning nog leeft een vreemde vorst aan te kondigen. Nu regeerde in het rijk der Joden Herodes. De Wijzen hebben dus dwaas gehandeld met de geboorte van een andere koning aan te kondigen.

Praeterea, certius est caeleste indicium quam humanum. Sed magi ducatu caelestis indicii ab oriente venerant in Iudaeam. Stulte ergo egerunt praeter ducatum stellae humanum indicium requirendo, dicentes, ubi est qui natus est rex Iudaeorum? (IIIa q. 36 a. 8 arg. 3)

3 — Een teken van de hemel is zekerder dan een teken van mensen. Maar de Wijzen waren onder leiding van een hemels teken van het Oosten naar Judea gekomen. Ze deden dus dwaas, met buiten die hemelse aanwijzing nog een aanwijzing aan mensen te vragen. Ze zeiden immers: « Waar is de Koning der Joden geboren? »

Praeterea, munerum oblatio, et adorationis reverentia, non debetur nisi regibus iam regnantibus. Sed magi non invenerunt Christum regia dignitate fulgentem. Ergo inconvenienter ei munera et reverentiam regiam exhibuerunt. (IIIa q. 36 a. 8 arg. 4)

4 — Alleen aan nu heersende vorsten behoort men geschenken aan te bieden en hulde te bewijzen. Nu vonden de Wijzen geen Christus stralend van koninklijke waardigheid. Ze hadden Hem dus ook geen geschenken aan moeten bieden of koninklijke eer moeten betuigen.

Sed contra est quod dicitur Isaiae LX, ambulabunt gentes in lumine tuo, et reges in splendore ortus tui. Sed qui divino lumine ducuntur, non errant. Ergo magi absque errore Christo reverentiam exhibuerunt. (IIIa q. 36 a. 8 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Isaïas (60, 3) zegt: « Heidenen zullen wandelen in uw licht, en koningen in de glans die voor u opging ». Al wie door goddelijk licht geleid wordt, dwaalt echter niet. Dus dwaalden de Wijzen niet toen ze Christus eer betuigden.

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, magi sunt primitiae gentium in Christo credentium, in quibus apparuit, sicut in quodam praesagio, fides et devotio gentium venientium a remotis ad Christum. Et ideo, sicut devotio et fides gentium est absque errore per inspirationem spiritus sancti, ita etiam credendum est magos, a spiritu sancto inspiratos, sapienter Christo reverentiam exhibuisse. (IIIa q. 36 a. 8 co.)

De Wijzen zijn, zoals gezegd is (3e Art., Antw. op de 1e Bed.; 6e Art., 2e bewijs.), de eerstelingen der heidenen, die in Christus geloven. Bij hen was dus al, als in een zekere voorspelling, het geloof en de toewijding te zien der heidenen, van verre tot Christus komend. En evenals de toewijding en het geloof der heidenen zonder twijfel komt van de inspraak van de H. Geest, zo moet dus ook geloofd worden, dat de Wijzen, daar het hun door de H. Geest ingegeven was, wijs hebben gedaan met aan Christus hun hulde te betuigen.

Ad primum ergo dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in sermone Epiphaniae, cum multi reges Iudaeorum nati fuissent atque defuncti, nullum eorum magi adorandum quaesierunt. Non itaque regi Iudaeorum quales illic esse solebant, hunc tam magnum honorem longinqui, alienigenae, et ab eodem regno prorsus extranei, a se deberi arbitrabantur. Sed talem natum esse didicerunt in quo adorando se salutem quae secundum Deum est consecuturos minime dubitarent. (IIIa q. 36 a. 8 ad 1)

1 — Hierop moet geantwoord worden met de woorden van Augustinus in een Preek op Driekoningen (200° Pr.): « Ofschoon er vele koningen der Joden geboren en gestorven waren, waren toch de Wijzen geen van hen komen aanbidden. Aan een koning der Joden, zoals er gewoonlijk daar waren, meenden mensen die toch van verre kwamen, vreemdelingen waren, en geheel en al buiten dat rijk stonden, zo een grote eer niet verschuldigd te zijn. Maar zij hebben vernomen, dat er zo een koning geboren was, met wie te aanbidden, ze niet twijfelden het heil in God te bereiken ».

Ad secundum dicendum quod per illam Annuntiationem magorum praefigurabatur constantia gentium Christum usque ad mortem confitentium. Unde Chrysostomus dicit, super Matth., quod, dum considerabant regem futurum, non timebant regem praesentem. Adhuc non viderant Christum, et iam parati erant pro eo mori. (IIIa q. 36 a. 8 ad 2)

2 — Door die aankondiging aan de Wijzen werd voorafbeeld de volharding waarmee de heidenen Christus tot de dood toe zullen belijden. Vandaar zegt Chrysostomus in zijn Verklaring van Mattheus (2e Homelie): « Terwijl ze op de toekomstige Koning bedacht waren, vreesden zij de tegenwoordige koning niet. Ze hadden Christus nog niet gezien en reeds waren ze bereid voor Hem te sterven ».

Ad tertium dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in sermone Epiphaniae, stella quae magos perduxit ad locum ubi erat cum matre virgine Deus infans, poterat eos ad ipsam perducere civitatem Bethlehem, in qua natus est Christus. Sed tamen subtraxit se, donec de civitate in qua Christus nasceretur, etiam Iudaei testimonium perhiberent, ut sic, geminato testimonio confirmati, sicut Leo Papa dicit, ardentiori fide expeterent quem et stellae claritas, et prophetiae manifestabat auctoritas. Ita ipsi annuntiant Christi nativitatem, et interrogant locum, credunt et quaerunt, tanquam significantes eos qui ambulant per fidem et desiderant speciem, ut Augustinus dicit, in sermone Epiphaniae. Iudaei autem, indicantes eis locum nativitatis Christi, similes facti sunt fabris arcae Noe, qui aliis ubi evaderent praestiterunt, et ipsi diluvio perierunt. Audierunt et abierunt inquisitores, dixerunt et remanserunt doctores, similes lapidibus miliariis, qui viam ostendunt, nec ambulant. Divino etiam nutu factum est ut, aspectu stellae subtracto, magi humano sensu irent in Ierusalem, quaerentes in civitate regia regem natum, ut in Ierusalem primo nativitas Christi publice annuntiaretur, secundum illud Isaiae II, de Sion exibit lex, et verbum domini de Ierusalem, et ut etiam studio magorum de longe venientium damnaretur pigritia Iudaeorum prope existentium. (IIIa q. 36 a. 8 ad 3)

3 — Hierop is te antwoorden met wat Augustinus zegt in een Preek op Driekoningen (200° Pr.): « De ster die de Wijzen geleid heeft tot de plaats, waar het goddelijk kind was, met de moedermaagd, had hen ook kunnen leiden naar de stad Bethlehem, waar Christus geboren is. Maar toch trok ze zich terug, totdat ook de Joden getuigenis zouden afgelegd hebben over de stad, waarin Christus zou geboren worden », opdat ze zo, « door een dubbel getuigenis bevestigd, zoals Paus Leo zegt (34° Pr.) met nog vuriger geloof zouden gaan zoeken, wie en een heldere ster, en een gezaghebbende voorzegging hadden geopenbaard ». — En zo « verkondigen ze zelf Christus' geboorte, en vragen naar de plaats, zij geloven en zoeken, en daardoor verzinnebeelden zij hen, die in het geloof wandelen en verlangen naar de aanschouwing » zoals Augustinus zegt in een Preek op Driekoningen (199° Pr.). De Joden daarentegen, hun de plaats wijzend, « zijn daardoor gelijk aan de bouwlieden van Noë's ark, die, na aan anderen het redmiddel gegeven te hebben, zelf in de zondvloed ten onder gingen. Die waren komen vragen, hoorden en gingen weer: die hen beleerd hadden, hadden het gezegd en bleven achter, gelijk de mijlpalen, die de weg aantoonen zonder zelf die weg te gaan ». Door goddelijke beschikking ook is het geschied, dat de Wijzen, toen de ster uit hun ogen verdwenen was, uit menselijke overwegingen naar Jerusalem gingen, om in de koningsstad de geboren Vorst te gaan zoeken, opdat zo in Jerusalem het allereerst Christus' geboorte openlijk zou bekend gemaakt worden, volgens het woord van Isaïas (2, 3): « van Sion zal een wet uitgaan en een woord des Heren van Jerusalem », en « opdat door de ijver der Wijzen de traagheid der Joden zou veroordeeld worden, die, toch zo nabij waren ».

Ad quartum dicendum quod, sicut Chrysostomus dicit, super Matth., si magi regem terrenum quaerentes venissent, fuissent confusi, quia tanti itineris laborem sine causa suscepissent. Unde nec adorassent, nec munera obtulissent. Nunc autem, quia caelestem regem quaerebant, etsi nihil regalis excellentiae in eo viderunt, tamen, solius stellae testimonio contenti, adoraverunt, vident enim hominem, et agnoscunt Deum. Et offerunt munera dignitati Christi congruentia, aurum quidem, quasi regi magno; thus, quod in Dei sacrificio ponitur immolant ut Deo; myrrha, qua mortuorum corpora condiuntur, praebetur tanquam pro salute omnium morituro. Et, ut Gregorius dicit, instruimur ut nato regi aurum, per quod significatur sapientia, offeramus, in conspectu eius sapientiae lumine splendentes; thus autem, per quod exprimitur orationis devotio, offerimus Deo si per orationum studia Deo redolere valeamus; myrrham, quae significat mortificationem carnis, offerimus si carnis vitia per abstinentiam mortificamus. (IIIa q. 36 a. 8 ad 4)

4 — Chrysostomus zegt in zijn 2e Homelie op Mattheus: « Waren de Wijzen een aardse koning komen zoeken, dan zouden ze teleurgesteld zijn geweest, omdat ze dan de vermoeienis van zo'n reis redeloos op zich genomen zouden hebben ». In dat geval zouden ze ook niet aanbeden hebben en ook geen geschenken geofferd hebben. « Nu ze echter een hemelse Koning zochten, hebben ze Hem aanbeden ofschoon ze geen koninklijke verhevenheid in Hem zagen, alleen al tevreden met de getuigenis van een ster »: want ze zien een mens, en erkennen een God. En ze offeren geschenken geheel en al in overeenstemming met Christus' waardigheid: « en wel goud, als aan een grote koning; wierook, wat bij de offers aan God gebruikt wordt, offeren ze als aan God; myrrhe, waarmee de lichamen der afgestorvenen gebalsemd worden, dragen ze aan Hem op, als aan iemand die voor het heil der wereld zal gaan sterven ». (Gregorius 10e Homelie op het Evangelie). En, zoals Gregorius zegt (t. a. p.): wij worden onderricht om « aan de pasgeboren koning goud te offeren, waardoor de wijsheid betekend wordt, wat we doen, als we voor zijn aanschijn stralen van het licht der wijsheid; wierook, waardoor het vrome gebed uitgedrukt wordt, offeren wij aan God als wij door ijverig te bidden voor God een aangenamen geur verspreiden; myrrhe, die de lichamelijke versterving verzinnebeeldt, offeren wij op, als we de ondeugden des vleses door de onthouding versterven ».