Tertia Pars. Quaestio 33. Over de wijze en volgorde van Christus’ ontvangenis .
Prooemium
Deinde considerandum est de modo et ordine conceptionis Christi. Et circa hoc quaeruntur
quatuor. Primo, utrum corpus Christi in primo instanti conceptionis fuerit formatum.
Secundo, utrum in primo instanti conceptionis fuerit animatum. Tertio, utrum in primo
instanti conceptionis fuerit a verbo assumptum. Quarto, utrum conceptio illa fuerit
naturalis vel miraculosa. (IIIa q. 33 pr.)
Vervolgens moeten we de wijze en volgorde van Christus’ ontvangenis beschouwen. Hieromtrent
worden vier vragen gesteld: 1. Is Christus’ lichaam op het eerste ogenblik der ontvangenis
gevormd? 2. Werd het op het eerste ogenblik der ontvangenis bezield? 3. Werd het op
het eerste ogenblik der ontvangenis door het Woord aangenomen? 4. Was deze ontvangenis
natuurlijk of wonderbaar?
Articulus 1. Is Christus’ lichaam op het eerste ogenblik der ontvangenis gevormd?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod corpus Christi non fuerit formatum in primo
instanti conceptionis. Dicitur enim Ioan. II, quadraginta et sex annis aedificatum
est templum hoc, quod exponens Augustinus, in IV de Trin., dicit, hic numerus perfectioni
dominici corporis aperte congruit. Et in libro octoginta trium quaest. dicit, non
absurde quadraginta sex annis dicitur fabricatum esse templum, quod corpus eius figurabat,
ut, quot anni fuerunt in fabricatione templi, tot dies fuerint in corporis dominici
perfectione. Non ergo in primo instanti conceptionis corpus Christi fuit perfecte
formatum. (IIIa q. 33 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat Christus’ lichaam niet gevormd is op het eerste ogenblik der ontvangenis.
In Joannes (2, 20) toch wordt gezegd: « Zes en veertig jaren heeft men aan dezen tempel
gebouwd », hetgeen Augustinus in zijn werk Over de Drievuldigheid (4° B., 5° H.) aldus
uitlegt: « Deze tijd past klaarblijkelijk bij de opbouw van ’s Heren lichaam ». En
in zijn werk Drie en tachtig Vraagstukken (Vr. 56) schrijft hij: « Niet zonder reden
wordt verhaald, dat men zes en veertig jaren gewerkt heeft aan de tempel, die zijn
lichaam voorafbeeldde; dat er nl. evenveel dagen nodig zouden zijn voor de voltooiing
van ’s Heren lichaam als er verlopen waren voor de opbouw van de tempel ». Derhalve
was Christus’ lichaam niet volledig gevormd in het eerste ogenblik der ontvangenis.
Praeterea, ad formationem corporis Christi requirebatur motus localis, quo purissimi
sanguines de corpore virginis ad locum congruum generationi pervenirent. Nullum autem
corpus potest moveri localiter in instanti, eo quod tempus motus dividitur secundum
divisionem mobilis, ut probatur in VI Physic. Ergo corpus Christi non fuit in instanti
formatum. (IIIa q. 33 a. 1 arg. 2)
2 — Voor de vorming van Christus’ lichaam werd vereist een plaatselijke beweging, waardoor
het zuiverste bloed vanuit het lichaam der Maagd de voor de voortbrenging bestemde
plaats zou bereiken. Geen enkel lichaam nu kan in een ondeelbaar ogenblik van plaats
veranderen, omdat, zoals in de Natuurleer (6° B., 4° H.) bewezen wordt, de tijd ener
beweging wordt verdeeld naar de verdeling van datgene wat bewogen wordt. Derhalve
is Christus’ lichaam niet in een ondeelbaar ogenblik gevormd.
Praeterea, corpus Christi formatum est ex purissimis sanguinibus virginis, ut supra
habitum est. Non autem potuit esse materia illa in eodem instanti sanguis et caro,
quia sic materia simul fuisset sub duabus formis. Ergo aliud fuit instans in quo ultimo
fuit sanguis, et aliud in quo primo fuit caro formata. Sed inter quaelibet duo instantia
est tempus medium. Ergo corpus Christi non fuit in instanti formatum, sed per aliquod
tempus. (IIIa q. 33 a. 1 arg. 3)
3 — Gelijk boven (31° Kw., 5° Art.) werd aangetoond, is Christus’ lichaam gevormd uit
het zuiverste bloed der Maagd. Welnu, deze materie kon niet op hetzelfde ogenblik
bloed en vlees tegelijk zijn, wijl die materie dan tegelijk onder twee wezensvormen
zou zijn geweest. Derhalve was het ogenblik, waarop die materie nog voor het laatst
bloed was, een ander ogenblik dan waarop zij het eerst tot vlees werd gevormd. Derhalve
is Christus’ lichaam niet in een ondeelbaar ogenblik gevormd, maar geschiedde dit
in de tijd.
Praeterea, sicut potentia augmentativa requirit determinatum tempus in suo actu, ita
etiam virtus generativa, utraque enim est potentia naturalis ad vegetabilem animam
pertinens. Sed corpus Christi fuit determinato tempore augmentatum, sicut et aliorum
hominum corpora, dicitur enim Luc. II, quod proficiebat aetate et sapientia. Ergo
videtur quod, pari ratione, formatio corporis eius, quae pertinet ad vim generativam,
non fuerit in instanti, sed determinato tempore quo aliorum hominum corpora formantur. (IIIa q. 33 a. 1 arg. 4)
4 — Gelijk de groeikracht een bepaalde tijd vereist tot het stellen van zijn werking,
zo ook het op de voortbrenging gerichte vermogen; beide toch zijn natuurlijke, tot
de plantaardige ziel behorende vermogens. Welnu, Christus’ lichaam is in een bepaalde
tijd gegroeid, evengoed als de lichamen van andere mensen; in Lucas (2, 52) toch wordt
verhaald: « Jezus nam toe in wijsheid en jaren ». Derhalve, zo beweert men, geschiedde
de vorming van zijn lichaam, waarop het voortbrengingsvermogen gericht is, eveneens
in de bepaalde tijd, waarin ook de lichamen van andere mensen gevormd worden.
Sed contra est quod Gregorius dicit, XVIII Moral., Angelo nuntiante, et spiritu adveniente,
mox verbum in utero, mox intra uterum verbum caro. (IIIa q. 33 a. 1 s. c.)
Daartegenover staat echter hetgeen Gregorius in zijn Zedenleer (18e B., 52e H.) zegt:
« Terwijl de engel de boodschap aankondigde en de Geest over haar kwam, was het Woord
terstond in de schoot, en was het Woord in de schoot terstond vlees geworden ».
Respondeo dicendum quod in conceptione corporis Christi tria est considerare, primo
quidem, motum localem sanguinis ad locum generationis; secundo, formationem corporis
ex tali materia; tertio, augmentum quo perducitur ad quantitatem perfectam. In quorum
medio ratio conceptionis consistit, nam primum est conceptioni praeambulum; tertium
autem conceptionem consequitur. Primum autem non potuit esse in instanti, quia hoc
est contra ipsam rationem motus localis corporis cuiuscumque, cuius partes successive
subintrant locum. Similiter et tertium oportet esse successivum. Tum quia augmentum
non est sine motu locali. Tum etiam quia procedit ex virtute animae iam in corpore
formato operantis, quae non operatur nisi in tempore. Sed ipsa formatio corporis,
in qua principaliter ratio conceptionis consistit, fuit in instanti, duplici ratione.
Primo quidem, propter virtutem agentis infinitam, scilicet spiritus sancti, per quem
corpus Christi est formatum, ut supra dictum est. Tanto enim aliquod agens citius
potest materiam disponere, quanto fuerit maioris virtutis. Unde agens infinitae virtutis
potest in instanti materiam disponere ad debitam formam. Secundo, ex parte personae
filii, cuius corpus formabatur. Non enim erat congruum ut corpus humanum assumeret
nisi formatum. Si autem ante formationem perfectam aliquod tempus conceptionis praecessisset,
non posset tota conceptio attribui filio Dei, quae non attribuitur ei nisi ratione
assumptionis. Et ideo in primo instanti quo materia adunata pervenit ad locum generationis,
fuit perfecte formatum corpus Christi et assumptum. Et per hoc dicitur ipse filius
Dei conceptus, quod aliter dici non posset. (IIIa q. 33 a. 1 co.)
Bij de ontvangenis van Christus’ lichaam heeft men drie dingen te onderscheiden: 1e
nl. de plaatselijke beweging van het bloed naar de voor de voortbrenging bestemde
plaats; 2e, de vorming van het lichaam uit deze materie; 3e, de groei, waardoor het
tot zijn volledige grootte wordt gebracht. In het tweede dezer drie punten ligt het
eigenlijke der ontvangenis; want het eerste gaat aan de ontvangenis vooraf; het derde
echter volgt op de ontvangenis. Het eerste nu kon niet in een ondeelbaar ogenblik
gebeuren, want dit is tegen het begrip zelf der plaatselijke beweging van ieder lichaam,
welke delen achtereenvolgens een plaats binnentreden. — Eveneens moet ook het derde
geleidelijk gebeuren. Zoowel, omdat de groei niet zonder plaatselijke beweging verloopt,
alsook omdat hij voortkomt uit het vermogen der ziel, die in het reeds gevormde lichaam
werkt, en deze werkt niet tenzij in de tijd. Maar de vorming zelf van het lichaam,
waarin het eigenlijke der ontvangenis hoofdzakelijk bestaat, geschiedde in een ondeelbaar
ogenblik; en wel om een tweevoudige reden. Ten eerste nl. om de oneindige kracht van
de tot stand brenger, d. w. z. van de H. Geest, door wien Christus’ lichaam is gevormd,
zoals boven (32e Kw., 1e Art.) werd aangetoond. Want hoe groter de kracht van de tot
stand brenger is, des te gauwer kan hij de materie geschikt maken. Bijgevolg kan een
tot stand brenger van oneindige kracht de materie in een ondeelbaar ogenblik geschikt
maken voor de vereischte wezensvorm. Ten tweede, van de kant van de Zoon, wiens lichaam
gevormd werd. Want het was niet passend, dat Hij een menselijk lichaam aannam, tenzij
het gevormd was. Indien er nu enige tijd verstreken zou zijn vóór de volledige vorming
van het lichaam, dan kon de gehele ontvangenis niet worden toegeschreven aan Gods
Zoon, daar zij Hem slechts op grond van de aanneming wordt toegeschreven. En bijgevolg:
op het eerste ogenblik, waarop de materie in haar geheel de voor de voortbrenging
bestemde plaats had bereikt, was Christus’ lichaam volledig gevormd en aangenomen.
En aldus zegt men, dat Gods Zoon zelf ontvangen is, hetgeen men anders niet zou kunnen
zeggen.
Ad primum ergo dicendum quod verbum Augustini utrobique non refertur ad solam formationem
corporis Christi, sed ad formationem simul cum determinato augmento usque ad tempus
partus. Unde secundum rationem illius numeri dicitur perfici tempus novem mensium,
quo Christus fuit in utero virginis. (IIIa q. 33 a. 1 ad 1)
1 — De uitspraak van Augustinus op die beide plaatsen heeft niet alleen betrekking op
de vorming van Christus’ lichaam, maar én op de vorming én tevens op de bepaalde groei
tot aan de tijd der geboorte. Daarom zegt hij, dat naar de betekenis van dat getal,
de tijd van negen maanden voltooid werd, gedurende welke Christus in de schoot der
Maagd is geweest.
Ad secundum dicendum quod motus ille localis non comprehenditur infra ipsam conceptionem,
sed est conceptioni praeambulus. (IIIa q. 33 a. 1 ad 2)
2 — Deze plaatselijke beweging van het bloed valt niet onder de ontvangenis zelf, maar
gaat daaraan vooraf.
Ad tertium dicendum quod non est assignare ultimum instans in quo materia illa fuit
sanguis, sed est assignare ultimum tempus, quod continuatur, nullo interveniente medio,
ad primum instans in quo fuit caro Christi formata. Et hoc instans fuit terminus temporis
motus localis materiae ad locum generationis. (IIIa q. 33 a. 1 ad 3)
3 — Er is geen laatste ondeelbaar ogenblik aan te geven, waarop deze materie nog bloed
was; maar er is een laatsten tijd aan te geven, die zonder enige onderbreking doorloopt
tot op het eerste ondeelbaar ogenblik, waarop Christus’ vlees gevormd was. En dit
ogenblik was het eindpunt van de tijd, wiens de plaatselijke beweging der materie
nodig had, om de voor de voortbrenging bestemde plaats te bereiken.
Ad quartum dicendum quod augmentum fit per potentiam augmentativam ipsius quod augetur,
sed formatio corporis fit per potentiam generativam, non eius qui generatur, sed patris
generantis ex semine, in quo operatur vis formativa ab anima patris derivata. Corpus
autem Christi non fuit formatum ex semine viri, sicut supra dictum est, sed ex operatione
spiritus sancti. Et ideo talis debuit esse formatio ut spiritum sanctum deceret. Sed
augmentum corporis Christi fuit factum secundum potentiam augmentativam animae Christi,
quae cum sit specie conformis animae nostrae, eodem modo debuit corpus illud augmentari
sicut et alia corpora hominum augmentantur, ut ex hoc ostenderetur veritas humanae
naturae. (IIIa q. 33 a. 1 ad 4)
4 — De groei komt tot stand door de groeikracht van datgene wat groeit; maar de vorming
van het lichaam geschiedt door het voortbrengingsvermogen niet van degene, die voortgebracht
wordt, maar van de vader, die voortbrengt krachtens het zaad; en in dit zaad werkt
een vormende kracht, die uit de ziel des vaders stamt. Christus’ lichaam echter werd
niet gevormd krachtens het zaad van een man, gelijk boven (31° Kw., Art. 5, Antw.
op de 3° Bedenking) werd aangetoond, maar krachtens de inwerking van de H. Geest.
En derhalve moest die vorming zo zijn, dat zij de H. Geest waardig was. Maar de groei
van Christus’ lichaam geschiedde overeenkomstig de groeikracht van Christus’ ziel.
En daar deze soortelijk gelijk is aan onze ziel, moest dat lichaam opgroeien, zoals
ook de lichamen der overige mensen tot volwassenheid komen, opdat daaruit de waarachtigheid
zijner menselijke natuur zou blijken.
Articulus 2. Werd Christus’ lichaam in het eerste ogenblik der ontvangenis bezield?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod corpus Christi non fuit animatum in primo
instanti conceptionis. Dicit enim Leo Papa, in epistola ad Iulianum, non alterius
naturae erat caro Christi quam nostrae, nec alio illi quam ceteris hominibus anima
est inspirata principio. Sed aliis hominibus non infunditur anima in primo instanti
suae conceptionis. Ergo neque corpori Christi anima debuit infundi in primo instanti
suae conceptionis. (IIIa q. 33 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat Christus’ lichaam niet in het eerste ogenblik der ontvangenis bezield
werd. Paus Leo toch schrijft in zijn Brief aan Julianus (3e H.): « Christus’ vlees
is van geen andere natuur dan van onze natuur; evenmin werd Hem door een ander beginsel
de ziel ingestort dan de overige mensen ». Welnu, de overige mensen wordt de ziel
niet ingestort in het eerste ogenblik hunner ontvangenis. Derhalve moest ook aan Christus’
lichaam de ziel niet in het eerste ogenblik zijner ontvangenis worden ingestort.
Praeterea, anima, sicut quaelibet forma naturalis, requirit determinatam quantitatem
in sua materia. Sed in primo instanti conceptionis corpus Christi non habuit tantam
quantitatem quantam habent corpora aliorum hominum quando animantur, alioquin, si
continue fuisset postmodum augmentatum, vel citius fuisset natum; vel in sua nativitate
fuisset maioris quantitatis quam alii infantes. Quorum primum est contra Augustinum,
IV de Trin., ubi probat eum spatio novem mensium in utero virginis fuisse, secundum
autem est contra Leonem Papam, qui, in sermone Epiphaniae, dicit, invenerunt puerum
Iesum in nullo ab humanae infantiae generalitate discretum. Non ergo corpus Christi
fuit animatum in primo instanti suae conceptionis. (IIIa q. 33 a. 2 arg. 2)
2 — Gelijk iedere andere wezensvorm eist ook de ziel een bepaalde uitgebreidheid in haar
materie. Maar Christus’ lichaam bezat in het eerste ogenblik der ontvangenis niet
zulk een uitgebreidheid als de lichamen der overige mensen hebben, wanneer zij bezield
worden; want anders moest Hij, zo Hij daarna geregeld was blijven doorgroeien, ofwel
spoediger geboren, ofwel bij zijn geboorte veel groter zijn geweest dan de andere
kinderen. Het eerste nu is tegen Augustinus, waar hij in zijn werk Over de Drievuldigheid
(4e B., 5e H.) bewijst, dat Hij gedurende een tijd van negen maanden in de schoot
der Maagd is geweest; het tweede echter is in strijd met wat Paus Leo in zijn 4e preek
op Driekoningen (3e H.) zegt: « Zij vonden het kind Jesus, dat in geen enkel opzicht
van alle andere mensen-kinderen was onderscheiden ». Christus’ lichaam werd derhalve
niet in het eerste ogenblik zijner ontvangenis bezield.
Praeterea, ubicumque est prius et posterius, oportet esse plura instantia. Sed secundum
philosophum, in libro de Generat. Animal., in generatione hominis requiritur prius
et posterius, prius enim est vivum, et postea animal, et postea homo. Ergo non potuit
animatio Christi perfici in primo instanti conceptionis. (IIIa q. 33 a. 2 arg. 3)
3 — Waar een eerder en een later is, moeten ook meerdere ogenblikken zijn. Welnu, volgens
de Wijsgeer in zijn werk Over de Voortbrenging der Dieren (2e B., 3e H.), wordt er
bij de voortbrenging van de mens een eerder en een later vereist; want eerst is hij
iets levends, vervolgens dier en daarna mens. Derhalve kon het bezield-zijn van Christus
niet worden voltrokken in het eerste ogenblik zijner ontvangenis.
Sed contra est quod Damascenus dicit, in III libro, simul caro, simul Dei verbi caro,
simul caro animata anima rationali et intellectuali. (IIIa q. 33 a. 2 s. c.)
Daartegenover staat echter hetgeen Damascenus zegt in zijn werk Over het Waarachtig
Geloof (3e B., 2e H.): « Tegelijk was het vlees en tegelijk was dit het vlees van
Gods Woord en tegelijk was het vlees bezield met een redelijke en verstandelijke ziel
».
Respondeo dicendum quod, ad hoc quod conceptio ipsi filio Dei attribuatur, ut in symbolo
confitemur, dicentes, qui conceptus est de spiritu sancto; necesse est dicere quod
ipsum corpus, dum conciperetur, esset a verbo Dei assumptum. Ostensum est autem supra
quod verbum Dei assumpsit corpus mediante anima, et animam mediante spiritu, idest
intellectu. Unde oportuit quod in primo instanti conceptionis corpus Christi esset
animatum anima rationali. (IIIa q. 33 a. 2 co.)
Wil de ontvangenis aan Gods Zoon zelf worden toegeschreven, zoals wij belijden in
het Symbolum der Apostelen, waar wij zeggen: « Die ontvangen is van de H. Geest »,
dan moeten wij houden, dat dit lichaam door het Woord Gods werd aangenomen, terwijl
het ontvangen werd. Boven (6e Kw., 1e en 2e Art.) nu werd aangetoond, dat het Woord
Gods het lichaam aannam door middel van de ziel, en de ziel door middel van de geest,
d. w. z. van het verstand. Derhalve was het noodzakelijk, dat Christus’ lichaam in
het eerste ogenblik der ontvangenis werd bezield met een redelijke ziel.
Ad primum ergo dicendum quod principium inspirationis animae potest considerari dupliciter.
Uno modo, secundum dispositionem corporis. Et sic non ab alio principio inspirata
est anima corpori Christi, et corporibus aliorum hominum. Sicut enim statim, formato
corpore alterius hominis, infunditur anima, ita fuit in Christo. Alio modo potest
considerari dictum principium solum secundum tempus. Et sic, quia prius tempore formatum
fuit perfecte corpus Christi, prius tempore fuit etiam animatum. (IIIa q. 33 a. 2 ad 1)
1 — Het beginsel, waarvan de instorting der ziel afhangt, kan men tweevoudig beschouwen.
Op de eerste plaats naar de geschiktheid van het lichaam. En in deze zin werd in Christus’
lichaam de ziel door geen ander beginsel ingestort dan in de lichamen der overige
mensen. Want gelijk, zodra het lichaam van een ander mens gevormd is, de ziel terstond
wordt ingestort, zo ook bij Christus. — Op de tweede plaats kan men voornoemd beginsel
alleen naar de tijd beschouwen. En dan was Christus’ lichaam in de tijd eerder bezield,
omdat het eerder in de tijd volledig gevormd was.
Ad secundum dicendum quod anima requirit debitam quantitatem in materia cui infunditur,
sed ista quantitas quandam latitudinem habet, quia et in maiori et minori quantitate
salvatur. Quantitas autem corporis quam habet cum primo sibi infunditur anima, proportionatur
quantitati perfectae ad quam per augmentum perveniet, ita scilicet quod maiorum hominum
maiorem quantitatem corpora habent in prima animatione. Christus autem in perfecta
aetate habuit decentem et mediocrem quantitatem, cui proportionabatur quantitas quam
corpus eius habuit in tempore quo aliorum hominum corpora animantur; minorem tamen
habuit in principio suae conceptionis. Sed tamen illa parva quantitas non erat tam
parva ut in ea non posset ratio animati corporis conservari, cum in tali quantitate
quorundam parvorum hominum corpora animentur. (IIIa q. 33 a. 2 ad 2)
2 — De ziel eist de nodige uitgebreidheid in de materie, waarin zij wordt ingestort; maar
deze uitgebreidheid laat een zekere speling toe, omdat zij zowel in een grotere als
in een kleinere uitgebreidheid behouden blijft. De uitgebreidheid nu van het lichaam,
die dit lichaam heeft zodra haar de ziel wordt ingestort, is evenredig aan de volledige
uitgebreidheid, die dit lichaam door de groei zal bereiken; nl. zo dat de lichamen
van grotere mensen een grotere uitgestrektheid hebben bij hun allereerste bezield-zijn.
Christus nu had in zijn volwassen leeftijd een passende en middelmatige grootte; daaraan
evenredig was de grootte, die zijn lichaam bezat op het ogenblik, waarop de lichamen
der andere mensen bezield worden; maar in de eerste aanvang zijner ontvangenis had
het een kleinere uitgebreidheid. Maar toch was deze kleine uitgebreidheid niet zo
klein, dat daarin het eigenlijke van een bezield lichaam niet zou kunnen behouden
blijven, daar toch ook de lichamen van sommige kleine mensen bij zulk een uitgebreidheid
bezield worden.
Ad tertium dicendum quod in generatione aliorum hominum locum habet quod dicit philosophus,
propter hoc quod successive corpus formatur et disponitur ad animam, unde primo, tanquam
imperfecte dispositum, recipit animam imperfectam; et postmodum, quando perfecte est
dispositum, recipit animam perfectam. Sed corpus Christi, propter infinitam virtutem
agentis, fuit perfecte dispositum in instanti. Unde statim in primo instanti recepit
formam perfectam, idest animam rationalem. (IIIa q. 33 a. 2 ad 3)
3 — Hetgeen de Wijsgeer zegt, heeft plaats bij de voortbrenging van andere mensen, omdat
het lichaam geleidelijk wordt gevormd en geschikt gemaakt voor de ziel; vandaar dat
het eerst, terwijl het als het ware nog niet volledig geschikt is, een onvolmaakte
ziel ontvangt; en later, wanneer het volledig geschikt gemaakt is, krijgt het een
volmaakte ziel. Maar om de oneindige macht van de tot stand brenger was Christus’
lichaam in een ondeelbaar ogenblik volledig geschikt gemaakt. Daarom ontving het terstond
in het eerste ondeelbaar ogenblik de volmaakte wezensvorm, d. i. de redelijke ziel.
Articulus 3. Werd Christus’ lichaam reeds in het eerste ogenblik zijner ontvangenis door het Woord
aangenomen?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod caro Christi prius fuit concepta, et postmodum
assumpta. Quod enim non est, non potest assumi. Sed caro Christi per conceptionem
esse incoepit. Ergo videtur quod fuerit assumpta a verbo Dei postquam fuit concepta. (IIIa q. 33 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat Christus’ lichaam eerst werd ontvangen, en daarna aangenomen. Want
wat nog niet is, kan niet worden aangenomen. Welnu Christus’ vlees begon pas te bestaan
door de ontvangenis. Derhalve werd het door het Woord Gods aangenomen, nadat het ontvangen
was.
Praeterea, caro Christi fuit assumpta a verbo Dei mediante anima rationali. Sed in
termino conceptionis accepit animam rationalem. Ergo in termino conceptionis fuit
assumpta. Sed in termino conceptionis dicitur iam concepta. Ergo prius fuit concepta,
et postmodum assumpta. (IIIa q. 33 a. 3 arg. 2)
2 — Christus’ lichaam werd door het Woord Gods aangenomen door middel van de redelijke
ziel. Maar het ontving de redelijke ziel eerst op het eind van de ontvangenis. Derhalve
werd het op het eind van de ontvangenis eerst aangenomen. Maar op het eind van de
ontvangenis is het reeds ontvangen, zoals men zegt. Derhalve was het eerst ontvangen
en daarna aangenomen.
Praeterea, in omni generato prius tempore est id quod est imperfectum, eo quod est
perfectum, ut patet per philosophum, in IX Metaphys. Sed corpus Christi est quiddam
generatum. Ergo ad ultimam perfectionem, quae consistit in unione ad verbum Dei, non
statim in primo instanti conceptionis pervenit, sed primo fuit caro concepta, et postmodum
assumpta. (IIIa q. 33 a. 3 arg. 3)
3 — In al wat wordt voortgebracht gaat het onvolmaakte tijdelijk vooraf aan het volmaakte,
zoals blijkt uit de Wijsgeer in zijn Metaphysica (8° B., 8° H.). Welnu, Christus’
lichaam is iets, wat wordt voortgebracht. Derhalve bereikte het zijn hoogste volmaaktheid,
welke in de vereniging met het Woord van God bestaat, niet onmiddellijk bij het eerste
ogenblik der ontvangenis, maar werd het lichaam eerst ontvangen, en daarna aangenomen.
Sed contra est quod Augustinus dicit, in libro de fide ad Petrum, firmissime tene,
et nullatenus dubites carnem Christi non fuisse conceptam in utero virginis priusquam
susciperetur a verbo. (IIIa q. 33 a. 3 s. c.)
Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus schrijft in zijn werk Aan Petrus, Over
het Geloof (18e H.): « Houd er ten sterkste aan vast, en betwijfel in geen enkel opzicht,
dat Christus’ vlees in de schoot der Maagd niet was ontvangen, voordat het door het
Woord werd aangenomen ».
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, proprie dicimus Deum factum esse
hominem, non autem proprie dicimus quod homo factus sit Deus, quia scilicet Deus assumpsit
sibi id quod est hominis; non autem praeexstitit id quod est hominis, quasi per se
subsistens, antequam susciperetur a verbo. Si autem caro Christi fuisset concepta
antequam susciperetur a verbo, habuisset aliquando aliquam hypostasim praeter hypostasim
verbi Dei. Quod est contra rationem incarnationis, secundum quam ponimus verbum Dei
esse unitum humanae naturae, et omnibus partibus eius, in unitate hypostasis, nec
fuit conveniens quod hypostasim praeexistentem humanae naturae, vel alicuius partis
eius, verbum Dei sua assumptione destrueret. Et ideo contra fidem est dicere quod
caro Christi prius fuerit concepta, et postmodum assumpta a verbo Dei. (IIIa q. 33 a. 3 co.)
Zoals boven (16e Kw., 6e en 7e Art.) werd aangetoond, zeggen we in eigenlijke zin,
dat God mens geworden is; maar we zeggen niet in eigenlijke zin, dat de mens God is
geworden, omdat namelijk God zich datgene aannam wat des mensen is. Datgene nu wat
des mensen is, bestond, voordat het door het Woord werd aangenomen, niet vooraf als
iets op zich zelf staande. Indien Christus’ lichaam echter ontvangen geweest zou zijn,
voordat het door het Woord werd aangenomen, dan zou het ooit behalve de Persoon van
het Woord Gods, ook nog een andere persoon hebben gehad. Maar dit is tegen het begrip
der menswording. Overeenkomstig dit begrip toch houden wij, dat het Woord Gods in
de eenheid van Persoon is verenigd met de menselijke natuur en met al haar delen;
en het is ook niet passend, dat het Woord van God door zijn aanneming die vooraf bestaande
persoon der menselijke natuur of van een deel dier natuur deed omkomen. En derhalve
is het tegen het geloof te zeggen, dat Christus’ vlees eerst werd ontvangen, en later
werd aangenomen door het Woord van God.
Ad primum ergo dicendum quod, si caro Christi non fuisset in instanti formata seu
concepta, sed per temporis successionem, oporteret alterum duorum sequi, vel quod
assumptum nondum esset caro; vel quod prius esset conceptio carnis quam eius assumptio.
Sed quia ponimus conceptionem in instanti esse perfectam, consequens est quod in illa
carne simul fuit concipi et conceptum esse. Et sic, ut dicit Augustinus, in libro
de fide ad Petrum, dicimus ipsum Dei verbum suae carnis acceptione conceptum, ipsamque
carnem verbi incarnatione conceptam. (IIIa q. 33 a. 3 ad 1)
1 — Indien Christus’ lichaam niet in een ondeelbaar ogenblik zou zijn gevormd of ontvangen,
maar geleidelijk in de loop van de tijd, dan moest een van deze twee volgen: ofwel,
dat hetgeen aangenomen werd, nog geen lichaam was, ofwel, dat het lichaam eerder ontvangen
dan aangenomen werd. Maar, omdat we houden, dat de ontvangenis in een ondeelbaar ogenblik
is voltooid, volgt daaruit, dat het ontvangen-worden gelijktijdig was met het ontvangen-zijn.
En zo zeggen wij, gelijk Augustinus schrijft in zijn werk Aan Petrus, Over het Geloof
(t. a. p.): « dat het Woord van God zelf door de aanneming van het lichaam ontvangen
is, en dat het lichaam zelf ontvangen werd door de menswording des Woords ».
Et per hoc patet responsio ad secundum. Nam simul dum caro illa concipitur, concepta
est et animatur. (IIIa q. 33 a. 3 ad 2)
2 — En hierdoor is tevens duidelijk wat op de tweede bedenking moet geantwoord worden;
want tegelijk dat dit vlees ontvangen wordt, is het ontvangen, en wordt het bezield.
Ad tertium dicendum quod in mysterio incarnationis non consideratur ascensus, quasi
alicuius praeexistentis proficientis usque ad unionis dignitatem, sicut posuit Photinus
haereticus. Sed potius ibi consideratur descensus, secundum quod perfectum Dei verbum
imperfectionem naturae nostrae sibi assumpsit; secundum illud Ioan. VI, descendi de
caelo. (IIIa q. 33 a. 3 ad 3)
3 — In het geheim der menswording moet men geen opgang zien als van iemand, die reeds
bestond en opklimt tot de waardigheid der vereniging, zoals de ketter Photinus hield.
Maar eerder moet men er een afdaling in zien, in zover het volmaakte Woord van God
zich de onvolmaaktheid onzer natuur aannam: overeenkomstig het woord van Joannes (6,
38, 51): « Ik ben uit de hemel neergedaald ».
Articulus 4. Was Christus’ ontvangenis natuurlijk?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod conceptio Christi fuerit naturalis. Secundum
enim conceptionem carnis Christus dicitur filius hominis. Est autem verus et naturalis
hominis filius, sicut et verus et naturalis Dei filius. Ergo eius conceptio fuit naturalis. (IIIa q. 33 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert dat Christus’ ontvangenis natuurlijk is geweest. Naar de ontvangenis des
vleses toch heet Christus de Zoon des mensen. Welnu, Hij is een ware en natuurlijke
zoon des mensen, zoals Hij ook de ware en natuurlijke Zoon van God is. Derhalve was
zijn ontvangenis natuurlijk.
Praeterea, nulla creatura producit operationem miraculosam. Sed conceptio Christi
attribuitur beatae virgini, quae est pura creatura, dicitur enim quod virgo Christum
concepit. Ergo videtur quod non sit miraculosa, sed naturalis conceptio. (IIIa q. 33 a. 4 arg. 2)
2 — Geen enkel schepsel verricht een wonderbare werking. Welnu, Christus’ ontvangenis
wordt toegeschreven aan de H. Maagd, die louter een schepsel is; want men zegt, dat
de H. Maagd Christus heeft ontvangen. Derhalve, zo beweert men, is die ontvangenis
niet wonderbaar, doch natuurlijk.
Praeterea, ad hoc quod aliqua transmutatio sit naturalis, sufficit quod principium
passivum sit naturale, ut supra habitum est. Sed principium passivum ex parte matris
in conceptione Christi fuit naturale, ut ex dictis patet. Ergo conceptio Christi fuit
naturalis. (IIIa q. 33 a. 4 arg. 3)
3 — Wil een wezensverandering natuurlijk zijn, dan is het voldoende, dat het passieve
beginsel iets natuurlijks is, gelijk boven (32° Kw., 4° Art.) werd aangetoond. Welnu,
bij de ontvangenis van Christus was het passieve beginsel van de kant der moeder iets
natuurlijks, zoals uit het behandelde (t. a. p.) blijkt. Bijgevolg was Christus’ ontvangenis
natuurlijk.
Sed contra est quod Dionysius dicit, in epistola ad Caium monachum, super hominem
operatur Christus ea quae sunt hominis, et hoc monstrat virgo supernaturaliter concipiens. (IIIa q. 33 a. 4 s. c.)
Daartegenover staat echter hetgeen Dionysius in zijn Brief aan de Monnik Caius schrijft:
« Op bovenmenselijke wijze bewerkt Christus datgene, wat des mensen is; en dit blijkt
uit de H. Maagd, die op een bovennatuurlijke wijze ontvangt ».
Respondeo dicendum quod, sicut Ambrosius dicit, in libro de incarnatione, multa in
hoc mysterio et secundum naturam invenies, et ultra naturam. Si enim consideremus
id quod est ex parte materiae conceptus, quam mater ministravit, totum est naturale.
Si vero consideremus id quod est ex parte virtutis activae, totum est miraculosum.
Et quia unumquodque magis iudicatur secundum formam quam secundum materiam; et similiter
secundum agens quam secundum patiens, inde est quod conceptio Christi debet dici simpliciter
miraculosa et supernaturalis, sed secundum aliquid naturalis. (IIIa q. 33 a. 4 co.)
Zoals Ambrosius zegt in zijn werk Over de menswording (6° H.): « Zult gij in dit geheim
veel aantreffen, dat zowel overeenkomstig de natuur is als er boven uitgaat ». Want
zo we in dit geheim beschouwen datgene wat zich als materie ter ontvangenis verhoudt,
dan is alles natuurlijk. Indien we echter datgene beschouwen wat van de kant der tot
stand brengende kracht is, dan is alles wonderbaar. En wijl alles meer beoordeeld
wordt naar zijn vorm dan naar de materie, en eveneens meer beoordeeld wordt naar de
bewerker dan naar hetgeen de bewerking ondergaat, daarom moet Christus’ ontvangenis
zonder meer wonderbaar en bovennatuurlijk worden genoemd, maar onder een bepaald opzicht
natuurlijk.
Ad primum ergo dicendum quod Christus dicitur naturalis filius hominis inquantum habet
naturam humanam veram, per quam est filius hominis, licet eam miraculose habuerit,
sicut caecus illuminatus videt naturaliter per potentiam visivam quam miraculose accepit. (IIIa q. 33 a. 4 ad 1)
1 — Christus heet de natuurlijke zoon des mensen, in zover Hij in waarheid de menselijke
natuur heeft; daardoor is Hij zoon des mensen, hoewel Hij die natuur op wonderbare
wijze ontvangen heeft; gelijk een genezen blinde natuurlijker wijze ziet door zijn
gezichtsvermogen, hetwelk hij door een wonder heeft herkregen.
Ad secundum dicendum quod conceptio attribuitur beatae virgini, non tanquam principio
activo, sed quia ministravit materiam conceptui, et in eius utero est conceptio celebrata. (IIIa q. 33 a. 4 ad 2)
2 — Het ontvangen wordt aan de H. Maagd toegeschreven, niet als aan het bewerkend beginsel,
maar omdat zij de materie verschafte voor de ontvangst, en omdat de ontvangst in haar
schoot werd voltrokken.
Ad tertium dicendum quod principium passivum naturale sufficit ad transmutationem
naturalem quando naturali et consueto modo movetur a principio activo proprio. Sed
hoc in proposito non habet locum. Et ideo conceptio illa non potest dici simpliciter
naturalis. (IIIa q. 33 a. 4 ad 3)
3 — Een natuurlijk, passief beginsel volstaat voor een wezensverandering, wanneer er door
het hem eigen, werkzame beginsel op de gewone en natuurlijke wijze op in wordt gewerkt.
Doch dit laatste was hier niet het geval. En daarom kan deze ontvangenis niet zonder
meer natuurlijk worden genoemd.