QuaestioArticulus

Tertia Pars. Quaestio 34.
Over de volmaaktheid van het ontvangen kind .

Prooemium

Deinde considerandum est de perfectione prolis conceptae. Et circa hoc quaeruntur quatuor. Primo, utrum in primo instanti conceptionis Christus fuerit sanctificatus per gratiam. Secundo, utrum in eodem instanti habuerit usum liberi arbitrii. Tertio, utrum in eodem instanti potuerit mereri. Quarto, utrum in eodem instanti fuerit plene comprehensor. (IIIa q. 34 pr.)

Vervolgens moeten we handelen over de volmaaktheid van het ontvangen kind. Hieromtrent worden vier vragen gesteld. 1. Werd Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis geheiligd door de genade? 2. Bezat Hij op dat zelfde ogenblik het gebruik van de vrije wil? 3. Kon Hij op dat zelfde ogenblik verdienen? 4. Bezat Hij op dat zelfde ogenblik ten volle de aanschouwing?

Articulus 1.
Werd Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis geheiligd?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod Christus non fuerit sanctificatus in primo instanti suae conceptionis. Dicitur enim I Cor. XV, non prius quod spirituale est, sed quod animale, deinde quod spirituale. Sed sanctificatio gratiae pertinet ad spiritualitatem. Non ergo statim a principio suae conceptionis Christus percepit gratiam sanctificationis, sed post aliquod spatium temporis. (IIIa q. 34 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus niet op het eerste ogenblik zijner ontvangenis werd geheiligd. Want in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (15, 46) wordt gezegd: « Niet het geestelijke gaat vooraf, maar wel het bezielde; daarna komt het geestelijke ». Welnu, de heiliging door de genade behoort tot het geestelijke. Derhalve ontving Christus niet terstond vanaf het eerste begin zijner ontvangenis de genade der heiligmaking, maar na verloop van enigen tijd.

Praeterea, sanctificatio videtur esse a peccato, secundum illud I Cor. VI, et hoc quidem fuistis aliquando, scilicet peccatores, sed abluti estis, sed sanctificati estis. Sed in Christo nunquam fuit peccatum. Ergo non convenit sibi sanctificari per gratiam. (IIIa q. 34 a. 1 arg. 2)

2 — Men wordt geheiligd van de zonde, blijkens de Eerste Brief aan de Korinthiërs (6, 11): « En dit waren sommigen van u, namelijk zondaars, maar gij zijt rein gewassen en gij zijt geheiligd ». Maar in Christus was de zonde nooit. Derhalve kwam het Hem niet toe, door de genade geheiligd te worden.

Praeterea, sicut per verbum Dei omnia facta sunt, ita per verbum incarnatum sunt omnes homines sanctificati qui sanctificantur, Heb. II, qui sanctificat et qui sanctificantur ex uno omnes. Sed verbum Dei, per quod facta sunt omnia, non est factum, ut Augustinus dicit, in I de Trin. Ergo Christus, per quem sanctificantur omnes, non est sanctificatus. (IIIa q. 34 a. 1 arg. 3)

3 — Zoals door het Woord Gods alles gemaakt is (Joannes, 1, 3), zo zijn door het mensgeworden Woord geheiligd alle mensen, die geheiligd worden, volgens de Brief aan de Hebreeën (2, 11): « Hij die heiligt, en zij die geheiligd worden, zijn allen uit Eén ». Maar het Woord Gods, door hetwelk alles gemaakt is, is zelf niet gemaakt, gelijk Augustinus zegt in het eerste Boek van zijn werk Over de Drievuldigheid (6e H.; en IVe B., 1e H.). Bijgevolg is ook Christus, door wie allen geheiligd worden, zelf niet geheiligd.

Sed contra est quod dicitur Luc. I, quod ex te nascetur sanctum, vocabitur filius Dei. Et Ioan. X, quem pater sanctificavit et misit in mundum. (IIIa q. 34 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter hetgeen gezegd wordt bij Lucas (1, 35): « Het heilige dat uit u zal geboren worden, zal de Zoon van God genoemd worden ». En bij Joannes (10, 36): « Hem, die de Vader heeft geheiligd en in de wereld gezonden ».

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, abundantia gratiae sanctificantis animam Christi derivatur ex ipsa verbi unione, secundum illud Ioan. I, vidimus gloriam eius quasi unigeniti a patre, plenum gratiae et veritatis. Ostensum est autem supra quod in primo instanti conceptionis corpus Christi animatum fuit et a verbo Dei assumptum. Unde consequens est quod in primo instanti conceptionis Christus habuit plenitudinem gratiae sanctificantis animam et corpus eius. (IIIa q. 34 a. 1 co.)

Gelijk boven (7e Kw., art. 9, 10, 12) werd aangetoond, kwam de overvloed van genade, welke de ziel van Christus heiligde juist voort uit de vereniging met het Woord, volgens Joannes (1, 14): « Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd; een heerlijkheid als van de Eengeborene uit de Vader, vol van genade en waarheid ». Nu is boven (33e Kw., art. 2, 3) aangetoond, dat Christus’ lichaam in het eerste ogenblik der ontvangenis bezield en door het Woord Gods werd aangenomen. Daaruit volgt, dat Christus in het eerste ogenblik van zijn ontvangenis de volheid bezat van genade, welke zijn ziel en lichaam heiligde.

Ad primum ergo dicendum quod ille ordo quem ponit ibi apostolus, pertinet ad eos qui per profectum ad spiritualem statum perveniunt. In mysterio autem incarnationis magis consideratur descensus divinae plenitudinis in naturam humanam, quam profectus humanae naturae, quasi praeexistentis, in Deum. Et ideo in homine Christo a principio fuit perfecta spiritualitas. (IIIa q. 34 a. 1 ad 1)

1 — De volgorde, die de Apostel daar aangeeft, geldt voor diegenen die door een opgang de staat des geestes bereiken. In het geheim der menswording heeft men echter meer een neerdalen van de Goddelijke volheid tot de menselijke natuur te zien dan het naar God opstijgen van een menselijke natuur, die als het ware reeds bestond.

Ad secundum dicendum quod sanctificari est aliquid fieri sanctum. Fit autem aliquid non solum ex contrario, sed etiam ex negative vel privative opposito, sicut album fit ex nigro, et etiam ex non albo. Nos autem ex peccatoribus sancti efficimur, et ita sanctificatio nostra est ex peccato. Sed Christus quidem, secundum hominem, factus est sanctus, quia hanc gratiae sanctitatem non semper habuit, non tamen factus est sanctus ex peccatore, quia peccatum nunquam habuit; sed factus est sanctus ex non sancto secundum hominem, non quidem privative, ut scilicet aliquando fuerit homo et non fuerit sanctus, sed negative, quia scilicet, quando non fuit homo, non habuit sanctitatem humanam. Et ideo simul factus fuit homo et sanctus homo. Propter quod Angelus dixit, Luc. I, quod nascetur ex te sanctum. Quod exponens Gregorius, XVIII Moral., dicit, ad distinctionem nostrae sanctitatis, Iesus sanctus nasciturus asseritur. Nos quippe, si sancti efficimur, non tamen nascimur, quia ipsa naturae corruptibilis conditione constringimur. Ille autem solus veraciter sanctus natus est, qui ex coniunctione carnalis copulae conceptus non est. (IIIa q. 34 a. 1 ad 2)

2 — Geheiligd worden betekent, dat iets heilig gemaakt wordt. Nu wordt iets gemaakt niet alleen uit het tegengestelde, maar ook uit het negatief of privatief tegenovergestelde, zoals iets van zwart of ook van niet-wit wit gemaakt wordt. Wij nu zijn van zondaars tot heiligen gemaakt; en zo is onze heiligmaking vanuit de zonde. Ook Christus als mens is heilig gemaakt, omdat Hij als mens deze heiligheid der genade niet altijd heeft gehad; Hij echter is niet van zondaar heilig gemaakt, omdat Hij nooit zonde heeft gehad. Maar van niet-heilige is Hij als mens heilig gemaakt, wel niet in privatieven zin, alsof er ooit een tijd was, waarin Hij wel mens was, maar toch niet heilig, doch in negatieven zin, omdat Hij namelijk, toen Hij nog geen mens was, de menselijke heiligheid niet bezat. En derhalve werd Hij tegelijk mens en heilig mens. Daarom ook zegt de engel (Lucas, 1, 35): « Het heilige, dat uit u zal worden geboren », hetgeen Gregorius in het 18e boek van zijn Zedeleer (52e H.) aldus uitlegt: « Om zijn heiligheid te onderscheiden van onze heiligheid, wordt van Jesus getuigd, dat Hij als heilige zal worden geboren. Wij toch, ook al worden we heilig gemaakt, we worden toch niet heilig geboren, omdat we gebonden zijn door de toestand onzer gevallen natuur. Alleen Hij echter is waarlijk heilig geboren, die niet ontvangen werd krachtens de geslachtelijke omgang des vleses ».

Ad tertium dicendum quod aliter operatur pater creationem rerum per filium, aliter tota Trinitas sanctificationem hominum per hominem Christum. Nam verbum Dei est eiusdem virtutis et operationis cum Deo patre, unde pater non operatur per filium sicut per instrumentum, quod movet motum. Humanitas autem Christi est sicut instrumentum divinitatis, sicut supra dictum est. Et ideo humanitas Christi est sanctificans et sanctificata. (IIIa q. 34 a. 1 ad 3)

3 — De Vader brengt de schepping der dingen door de Zoon op geheel andere wijze tot stand, dan de gehele H. Drievuldigheid de heiliging der mensen door de mens Christus bewerkt. Want het Woord van God heeft een zelfde kracht en werking als God de Vader; de Vader werkt dan ook niet door de Zoon als door een instrument, hetwelk alleen maar werkt in zover er op ingewerkt wordt. Christus’ mensheid echter verhoudt zich wel als instrument der Godheid, gelijk boven werd aangetoond. Derhalve was Christus’ mensheid heiligend en zelf geheiligd.

Articulus 2.
Bezat Christus als mens op het eerste ogenblik zijner ontvangenis het gebruik van zijn vrijen wil?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod Christus, secundum hominem, non habuerit usum liberi arbitrii in primo instanti suae conceptionis. Prius est enim esse rei quam agere vel operari. Usus autem liberi arbitrii est quaedam operatio. Cum ergo anima Christi esse incoeperit in primo instanti conceptionis, ut ex praedictis patet, videtur esse impossibile quod in primo instanti conceptionis habuit usum liberi arbitrii. (IIIa q. 34 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus als mens op het eerste ogenblik zijner ontvangenis het gebruik van zijn vrije wil niet bezat. Het zijn toch van iets is eerder dan het handelen of werken. Het gebruik van de vrije wil echter is een werking. Daar dus Christus' ziel, zoals uit het bovenstaande (33° Kw., Art. 2) blijkt, begon te zijn op het eerste ogenblik zijner ontvangenis, lijkt het onmogelijk, dat Hij op dat eerste ogenblik zijner ontvangenis het gebruik van de vrije wil bezat.

Praeterea, usus liberi arbitrii est electio. Electio autem praesupponit deliberationem consilii, dicit enim philosophus, in III Ethic., quod electio est appetitus praeconsiliati. Ergo videtur impossibile quod in primo instanti suae conceptionis Christus habuerit usum liberi arbitrii. (IIIa q. 34 a. 2 arg. 2)

2 — Het gebruik van de vrije wil uit zich in de keuze. Het kiezen echter veronderstelt het wikken en wegen van het beraadslagende verstand; want de wijsgeer zegt in het 3° boek van zijn Zedeleer (2° H.) dat de keuze een heending is naar het vooraf beraadslaagde. Derhalve, zo beweert men, is het onmogelijk, dat Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis het gebruik van de vrije wil bezat.

Praeterea, liberum arbitrium est facultas voluntatis et rationis, ut in prima parte habitum est, et ita usus liberi arbitrii est actus voluntatis et rationis, sive intellectus. Sed actus intellectus praesupponit actum sensus, qui esse non potest sine convenientia organorum, quae non videtur fuisse in primo instanti conceptionis Christi. Ergo videtur quod Christus non potuerit habere usum liberi arbitrii in primo instanti suae conceptionis. (IIIa q. 34 a. 2 arg. 3)

3 — De vrije wil is een vermogen van de wil en van de rede; en derhalve is het gebruik maken van de vrije wil een daad van de wil en van de rede of van het verstand. Maar de verstandsdaad vooronderstelt de werking van het zintuig; het zintuig kan echter niet werken zonder geschikte organen; deze geschiktheid nu was nog niet aanwezig op het eerste ogenblik van Christus' ontvangenis. Derhalve, zo beweert men, kon Christus het gebruik van zijn vrije wil nog niet bezitten op het eerste ogenblik van zijn ontvangenis.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in libro de Trin., mox ut verbum venit in uterum, servata veritate propriae naturae, factum est caro et perfectus homo. Sed perfectus homo habet usum liberi arbitrii. Ergo Christus habuit in primo instanti suae conceptionis usum liberi arbitrii. (IIIa q. 34 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus zegt in zijn werk Over de Drievuldigheid: « Zodra het Woord in de moederschoot kwam, werd het vlees en volledig mens, met behoud van al wat aan zijn eigen natuur toekwam ». Welnu, een volledig mens heeft het gebruik van zijn vrije wil. Derhalve had Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis het gebruik van zijn vrije wil.

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, naturae humanae quam Christus assumpsit, convenit spiritualis perfectio, in quam non profecit, sed eam statim a principio habuit. Perfectio autem ultima non consistit in potentia vel in habitu, sed in operatione, unde in II de anima dicitur quod operatio est actus secundus. Et ideo dicendum est quod Christus in primo instanti suae conceptionis habuit illam operationem animae quae potest in instanti haberi. Talis autem est operatio voluntatis et intellectus, in qua consistit usus liberi arbitrii. Subito enim et in instanti perficitur operatio intellectus et voluntatis, multo magis quam visio corporalis, eo quod intelligere, velle et sentire non est motus qui sit actus imperfecti, quod successive perficitur; sed est actus iam perfecti, ut dicitur in III de anima. Et ideo dicendum est quod Christus in primo instanti suae conceptionis habuit usum liberi arbitrii. (IIIa q. 34 a. 2 co.)

Zoals boven (1° Art., Antw. op de 1° Bedenk.) gezegd is, kwam aan de menselijke natuur, die Christus aannam, een geestelijke volmaaktheid toe, waartoe Hij niet behoefde op te klimmen, maar die Hij terstond vanaf het eerste begin bezat. De hoogste volmaaktheid nu bestaat niet in de aanleg of in de vaardigheid, maar in het feitelijk doen, in de werking; vandaar dan ook wordt in het 2e boek van het werk Over de Ziel geleerd, dat de werking de tweede akt is. En derhalve moet men zeggen, dat Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis die werking des geestes bezat, die in instantie kan geschieden. Een zodanige werking nu is de daad van de wil en van het verstand, en daarin bestaat juist het gebruik van de vrije wil. Plotseling toch en in eens voltrekt zich de werking van het verstand en de wil, veel meer dan het lichamelijke zien. Want het begrijpen, het willen en het zintuigelijk waarnemen zijn geen bewegingen, die akte zijn van het onvolmaakte (dat geleidelijk vervolmaakt wordt), maar die akte zijn van wat reeds volmaakt is, zoals in het 3e boek van het werk Over de Ziel geleerd wordt. En derhalve moet men zeggen, dat Christus in het eerste ogenblik zijner ontvangenis het gebruik van de vrije wil bezat.

Ad primum ergo dicendum quod esse est prius natura quam agere, non tamen est prius tempore, sed, simul cum agens habet esse perfectum, incipit agere, nisi sit aliquid impediens. Sicut ignis, simul cum generatur, incipit calefacere et illuminare. Sed calefactio non terminatur in instanti, sed per temporis successionem, illuminatio autem perficitur in instanti. Et talis operatio est usus liberi arbitrii, ut dictum est. (IIIa q. 34 a. 2 ad 1)

1 — Het zijn is wel van nature eerder dan het werken, doch niet tijdelijk; maar zo gauw als een werker het volle zijn heeft, begint hij te werken, indien er ten minste niet iets is, dat hem hierin verhindert. Zoals het vuur tegelijk dat het wordt voortgebracht, begint te verwarmen en te verlichten. Maar het verwarmen wordt niet in eens voltrokken, doch geschiedt geleidelijk in de tijd; het verlichten echter geschiedt in eens. En een zodanige werking is ook het gebruik van de vrije wil, zoals we zeiden (Vgl. de Leerstelling).

Ad secundum dicendum quod, simul cum terminatur consilium vel deliberatio, potest esse electio. Illi autem qui deliberatione consilii indigent, in ipsa terminatione consilii primo habent certitudinem de eligendis, et ideo statim eligunt. Ex quo patet quod deliberatio consilii non praeexigitur ad electionem nisi propter inquisitionem incerti. Christus autem in primo instanti suae conceptionis, sicut habuit plenitudinem gratiae iustificantis ita habuit plenitudinem veritatis cognitae, secundum illud, plenum gratiae et veritatis. Unde, quasi habens omnium certitudinem, potuit statim in instanti eligere. (IIIa q. 34 a. 2 ad 2)

2 — Tegelijk, dat de beraadslaging of het wikken en wegen is afgelopen, kan de keuze plaats hebben. Zij nu, die overweging van het beraadslagend verstand nodig hebben, bezitten bij de beëindiging van dit beraad op de eerste plaats zekerheid betreffende datgene, wat gekozen moet worden, en kiezen dan ook onmiddellijk. Hieruit blijkt, dat het overwegen van het beraad om niets anders aan de keuze vooraf moet gaan dan om het onderzoeken van het onzekere. Zoals Christus echter in het eerste ogenblik van zijn ontvangenis de volheid der heiligmakende genade bezat, zo ook had Hij de volheid der gekende waarheid, blijkens Joannes (1, 14): « vol van genade en waarheid ». Vandaar kon Hij, als het ware in alles zekerheid hebbende, onmiddellijk kiezen.

Ad tertium dicendum quod intellectus Christi, secundum scientiam infusam, poterat intelligere etiam non convertendo se ad phantasmata, ut supra habitum est. Unde poterat in eo esse operatio voluntatis et intellectus absque operatione sensus. Sed tamen potuit in eo esse etiam operatio sensus in primo instanti suae conceptionis, maxime quantum ad sensum tactus, quo sensu proles concepta sentit in matre etiam antequam animam rationalem obtineat, ut dicitur in libro de Generat. Animal. Unde, cum Christus in primo instanti suae conceptionis habuit animam rationalem, formato iam et organizato corpore eius, multo magis in eodem instanti poterat habere operationem sensus tactus. (IIIa q. 34 a. 2 ad 3)

3 — Christus’ verstand kon, voor wat de ingestorte wetenschap betreft, begrijpen zonder zich van zijn fantasiebeelden te bedienen, gelijk boven (11° Kw., Art. 2) werd uiteengezet. Zodoende kon er in Hem werking van wil en van verstand zijn zonder werking der zintuigen. Maar toch kon er in Hem ook een werking van enig zintuig zijn op het eerste ogenblik van zijn ontvangenis, vooral aangaande de tastzin, waardoor het ontvangen kind in de moeder voelt, ook voordat het de verstandelijke ziel bezit, zoals gezegd wordt in het 2° boek van het werk Over de voortbrenging der Dieren. Derhalve, daar Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis een verstandelijke ziel bezat,wijl zijn lichaam toen reeds gevormd en van ledematen voorzien was, kon zeker Hij op datzelfde ogenblik de werking van de tastzin hebben.

Articulus 3.
Kon Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis verdienen?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod Christus in primo instanti suae conceptionis mereri non potuerit. Sicut enim se habet liberum arbitrium ad merendum, ita ad demerendum. Sed Diabolus in primo instanti suae creationis non potuit peccare, ut in prima parte habitum est. Ergo neque anima Christi in primo instanti suae creationis, quod fuit primum instans conceptionis Christi, potuit mereri. (IIIa q. 34 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis niet kon verdienen. Want zoals de vrije wil zich verhoudt tot het verdienen van een beloning, zo verhoudt hij zich ook tot het verdienen van straf. Maar de duivel kon niet zondigen in het eerste ogenblik, dat hij geschapen was, gelijk in het I° Deel (63° Kw., Art. 5) werd aangetoond. Derhalve kon ook de ziel van Christus niet verdienen in het eerste ogenblik, dat zij geschapen was, d. i. het eerste ogenblik van Christus’ ontvangenis.

Praeterea, illud quod homo habet in primo instanti suae conceptionis, videtur ei esse naturale, quia hoc est ad quod terminatur sua generatio naturalis. Sed naturalibus non meremur, ut patet ex his quae dicta sunt in secunda parte. Ergo videtur quod usus liberi arbitrii quem Christus habuit secundum hominem in primo instanti suae conceptionis, non fuerit meritorius. (IIIa q. 34 a. 3 arg. 2)

2 — Datgene, wat een mens heeft op het eerste ogenblik van zijn ontvangst, komt hem van nature toe, daar dit het eindresultaat is van zijn natuurlijke wording. Maar met natuurlijke middelen kunnen wij niet verdienen, zoals blijkt uit hetgeen in het IIe Deel (Ia-IIae, 109° Kw., Art. 5; 114° Kw., Art. 2) behandeld werd. Derhalve, zo beweert men, was het gebruik van zijn vrije wil, hetwelk Christus op het eerste ogenblik van zijn ontvangst bezat, niet verdienstelijk.

Praeterea, illud quod semel aliquis meruit, iam facit quodammodo suum, et ita non videtur quod iterum possit illud idem mereri, quia nullus meretur quod suum est. Si ergo Christus in primo instanti suae conceptionis meruit, sequitur quod postea nihil meruerit. Quod patet esse falsum. Non ergo Christus in primo instanti suae conceptionis meruit. (IIIa q. 34 a. 3 arg. 3)

3 — Datgene, wat iemand eenmaal verdiend heeft, maakt hij in zekere zin reeds tot het zijne, en zo schijnt hij datzelfde niet nog eens te kunnen verdienen, daar niemand verdient hetgeen reeds het zijne is. Indien Christus dus in het eerste ogenblik zijner ontvangenis verdiend heeft, heeft Hij bijgevolg naderhand niets meer verdiend. Dit echter is klaarblijkelijk onjuist. Derhalve heeft Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis niets verdiend.

Sed contra est quod Augustinus dicit, super Exod., non habuit omnino Christus, iuxta animae meritum, quo potuisset proficere. Potuisset autem proficere in merito si in primo instanti suae conceptionis non meruisset. Ergo in primo instanti suae conceptionis meruit Christus. (IIIa q. 34 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus zegt in zijn Uitleg op het Oude en Nieuwe Testament: « Voor wat de verdienste van zijn ziel betreft, bezat Christus in het geheel niet, waarin Hij nog zou hebben kunnen toenemen». Hij zou echter wel in verdienste hebben kunnen toenemen, indien Hij in het eerste ogenblik van zijn ontvangenis niet verdiend had. Derhalve heeft Christus in het eerste ogenblik zijner ontvangenis verdiend.

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, Christus in primo instanti conceptionis suae sanctificatus fuit per gratiam. Est autem duplex sanctificatio, una quidem adultorum, qui secundum proprium actum sanctificantur; alia autem puerorum, qui non sanctificantur secundum proprium actum fidei, sed secundum fidem parentum vel Ecclesiae. Prima autem sanctificatio est perfectior quam secunda, sicut actus est perfectior quam habitus; et quod est per se, eo quod est per aliud. Cum ergo sanctificatio Christi fuerit perfectissima, quia sic sanctificatus est ut esset aliorum sanctificator; consequens est quod ipse secundum proprium motum liberi arbitrii in Deum fuerit sanctificatus. Qui quidem motus liberi arbitrii est meritorius. Unde consequens est quod in primo instanti suae conceptionis Christus meruerit. (IIIa q. 34 a. 3 co.)

Gelijk boven (1e Art.) is aangetoond, werd Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis door de genade geheiligd. Er bestaat echter een tweevoudige heiliging die der volwassenen, namelijk, die in hun eigen daad geheiligd worden, en een andere, die der kinderen, die niet geheiligd worden in hun eigen geloofsdaad, doch in het geloof der ouders of dat der Kerk. De eerstgenoemde heiliging is echter volmaakter dan de tweede; gelijk (in het algemeen) de daad volmaakter is dan de vaardigheid, en door zichzelf zo te zijn is volmaakter dan dit door een ander te zijn. Daar dus Christus’ heiliging het volmaaktste was (omdat Hij zóó geheiligd is, dat Hij de heiligmaker van anderen zijn zou), werd Hij bijgevolg geheiligd in de eigen heenneiging van zijn vrije wil naar God. Deze heenneiging nu van de vrije wil is verdienstelijk. Bijgevolg heeft Christus in het eerste ogenblik zijner ontvangenis verdiend.

Ad primum ergo dicendum quod liberum arbitrium non eodem modo se habet ad bonum et ad malum, nam ad bonum se habet per se et naturaliter; ad malum autem se habet per modum defectus, et praeter naturam. Sicut autem philosophus dicit, in II de caelo, posterius est quod est praeter naturam, eo quod est secundum naturam, quia id quod est praeter naturam, est quaedam excisio ab eo quod est secundum naturam. Et ideo liberum arbitrium creaturae in primo instanti creationis potest moveri ad bonum merendo, non autem ad malum peccando, si tamen natura sit integra. (IIIa q. 34 a. 3 ad 1)

1 — De vrije wil verhoudt zich niet op dezelfde wijze tegenover het goed als tegenover het kwaad, want naar het goede gaat hij uiteraard en van nature uit, tot het kwaad echter verhoudt hij zich, doordat er iets aan hapert en buiten de natuur om. Maar zoals de Wijsgeer zegt in het 2e boek van zijn werk Over de Hemel is datgene, wat buiten de natuur om is, later dan datgene wat overeenkomstig de natuur is, omdat hetgeen buiten de natuur om is, een zich verwijderen is van hetgeen overeenkomstig de natuur is. En derhalve kan de vrije wil van het schepsel in het eerste ogenblik, dat het geschapen is, ten goede worden geneigd door te verdienen, maar niet ten kwade door te zondigen; indien de natuur tenminste ongerept is.

Ad secundum dicendum quod id quod homo habet in principio suae creationis secundum communem naturae cursum, est homini naturale, nihil tamen prohibet quin aliqua creatura in principio suae creationis aliquod beneficium gratiae a Deo consequatur. Et hoc modo anima Christi in principio suae creationis consecuta est gratiam, qua posset mereri. Et ea ratione gratia illa, secundum quandam similitudinem, dicitur fuisse illi homini naturalis, ut patet per Augustinum, in Enchirid. (IIIa q. 34 a. 3 ad 2)

2 — Datgene, wat de mens, volgens de gewone loop der natuur, in het eerste begin, dat hij geschapen is, heeft, komt hem van nature toe; er is echter niets op tegen, dat een of ander schepsel in het eerste begin, dat het geschapen is, een genade-geschenk van God ontvangt. En aldus ontving Christus’ ziel in het eerste begin, dat zij geschapen was, de genade, waardoor zij kon verdienen. Om deze reden zegt men, dat die genade, naar een zekere gelijkheid, die mens natuurlijk was, zoals blijkt bij Augustinus in zijn Enchiridion (40e H.).

Ad tertium dicendum quod nihil prohibet idem esse alicuius ex diversis causis. Et secundum hoc, Christus gloriam immortalitatis, quam meruit in primo instanti suae conceptionis, potuit etiam posterioribus actibus et passionibus mereri, non quidem ut esset sibi magis debita; sed ut sibi ex pluribus causis deberetur. (IIIa q. 34 a. 3 ad 3)

3 — Er is niets op tegen dat hetzelfde ding om verschillende redenen van iemand is. En zo ook kon Christus de glorie der onsterfelijkheid, die Hij in het eerste ogenblik zijner ontvangenis verdiende, ook nog verdienen door wat Hij later deed en leed; wel niet zóó, dat deze glorie Hem daardoor nog méér toekwam, maar dat zij Hem op meerdere gronden toekwam.

Articulus 4.
Bezat Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis op volmaakte wijze de aanschouwing?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod Christus non fuerit perfectus comprehensor in primo instanti suae conceptionis. Meritum enim praecedit praemium, sicut et culpa poenam. Sed Christus in primo instanti suae conceptionis meruit, sicut dictum est. Cum ergo status comprehensoris sit principale praemium, videtur quod Christus in primo instanti suae conceptionis non fuerit comprehensor. (IIIa q. 34 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis niet op volmaakte wijze de aanschouwing bezat. De verdienste toch gaat vooraf aan de beloning, gelijk de schuld aan de straf. Welnu, zoals werd aangetoond (vorig artikel) heeft Christus in het eerste ogenblik zijner ontvangenis verdiend. Daar dus de staat van aanschouwing de voornaamste beloning is, was Christus naar men beweert, in het eerste ogenblik zijner ontvangenis geen aanschouwer.

Praeterea, dominus dicit, Luc. ult., haec oportuit Christum pati, et ita intrare in gloriam suam. Sed gloria pertinet ad statum comprehensionis. Ergo Christus non fuit in statu comprehensoris in primo instanti suae conceptionis, quando adhuc nullam sustinuit passionem. (IIIa q. 34 a. 4 arg. 2)

2 — De Heer zegt (Lucas, 24, 26): « Moest de Christus dit alles niet lijden, en zo zijn glorie binnengaan? » Welnu, de glorie behoort tot de staat van de aanschouwer. Derhalve was Christus niet in de staat van de aanschouwer op het eerste ogenblik van zijn ontvangenis, toen Hij nog geen enkel lijden had ondergaan.

Praeterea, illud quod non convenit nec homini nec Angelo, videtur esse proprium Deo, et ita non convenit Christo secundum quod homo. Sed semper esse beatum non convenit nec homini nec Angelo, si enim fuissent conditi beati, postmodum non peccassent. Ergo Christus, secundum quod homo, non fuit beatus in primo instanti suae conceptionis. (IIIa q. 34 a. 4 arg. 3)

3 — Datgene wat noch aan een mens, noch aan een engel toekomt, is, zo beweert men, eigen aan God. Welnu, altoos gelukzalig te zijn komt noch aan de mens, noch aan de engelen toe; want zo zij in staat van gelukzaligheid geschapen waren, zouden zij naderhand niet gezondigd hebben. Derhalve was Christus als mens niet gelukzalig op het eerste ogenblik van zijn ontvangenis.

Sed contra est quod dicitur in Psalmo, beatus quem elegisti et assumpsisti, quod, secundum Glossam, refertur ad humanam naturam Christi, quae assumpta est a verbo Dei in unitatem personae. Sed in primo instanti conceptionis fuit assumpta humana natura a verbo Dei. Ergo in primo instanti suae conceptionis Christus, secundum quod homo, fuit beatus. Quod est esse comprehensorem. (IIIa q. 34 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter hetgeen we lezen in het Boek der Psalmen (Ps. 64, 5): « Gelukzalig hij, die Gij uitverkoren en aangenomen hebt », hetgeen volgens de Glosse slaat op de menselijke natuur van Christus, die door het Woord van God tot eenheid van persoon is aangenomen. Maar de menselijke natuur is door het Woord van God aangenomen op het eerste ogenblik der ontvangenis. Derhalve was Christus als mens gelukzalig op het eerste ogenblik zijner ontvangenis. En dit betekent aanschouwer te zijn.

Respondeo dicendum quod, sicut ex dictis patet, non fuit conveniens ut Christus in sua conceptione acciperet gratiam habitualem tantum absque actu. Accepit autem gratiam non ad mensuram, ut supra habitum est. Gratia autem viatoris, cum sit deficiens a gratia comprehensoris, habet mensuram minorem respectu comprehensoris. Unde manifestum est quod Christus in primo instanti suae conceptionis accepit non solum tantam gratiam quantam comprehensores habent, sed etiam omnibus comprehensoribus maiorem. Et quia gratia illa non fuit sine actu, consequens est quod actu fuit comprehensor, videndo Deum per essentiam clarius ceteris creaturis. (IIIa q. 34 a. 4 co.)

Zoals uit het bovenstaande (vorig Art.) blijkt, paste het niet, dat Christus de heiligmakende genade ontving zonder de werking. De genade ontving Hij echter zonder maat (Joannes, 3, 34), gelijk boven (7° Kw., 9° Art.) werd aangetoond. Daar nu de genade van degene, die nog op weg is naar de eeuwigheid, lager staat dan de genade eens aanschouwers, heeft zij een maat, die vergeleken met die van de aanschouwer, geringer is. Het is dan ook duidelijk, dat Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis niet slechts een even grote genade ontving als de aanschouwers bezitten, maar zelfs een grotere dan alle aanschouwers. En daar deze genade niet zonder werking was, aanschouwde Hij bijgevolg daadwerkelijk, door klaarder dan alle andere schepselen God te zien naar zijn Wezen.

Ad primum ergo dicendum quod, sicut supra dictum est, Christus non meruit gloriam animae, secundum quam dicitur comprehensor, sed gloriam corporis, ad quam per suam passionem pervenit. (IIIa q. 34 a. 4 ad 1)

1 — Gelijk boven (19° Kw., 3° Art.) werd aangetoond, verdiende Christus niet de glorie der ziel (en op grond dezer glorie was Hij aanschouwer naar men zegt) maar de heerlijkheid van zijn lichaam, die Hij door zijn lijden bereikte.

Unde patet responsio ad secundum. (IIIa q. 34 a. 4 ad 2)

2 — Hiermee blijkt ook het antwoord op de 2e bedenking.

Ad tertium dicendum quod Christus, ex hoc quod fuit Deus et homo, etiam in sua humanitate habuit aliquid prae ceteris creaturis, ut scilicet statim a principio esset beatus. (IIIa q. 34 a. 4 ad 3)

3 — Omdat Christus God en mens was, bezat Hij ook in zijn mensheid iets, dat boven alle schepselen uitgaat, namelijk dat Hij terstond vanaf het eerste begin gelukzalig was.