QuaestioArticulus

Tertia Pars. Quaestio 70.
De Besnijdenis die in het Oude Testament het doopsel voorafging .

Prooemium

Deinde considerandum est de praeparatoriis ab Baptismum. Et primo quidem, de praeparatorio quod praecessit Baptismum, scilicet de circumcisione; secundo, de praeparatoriis quae currunt simul cum Baptismo, scilicet de catechismo et exorcismo. Circa primum quaeruntur quatuor. Primo, utrum circumcisio fuerit praeparatoria et figurativa Baptismi. Secundo, de institutione ipsius. Tertio, de ritu eius. Quarto, de effectu ipsius. (IIIa q. 70 pr.)

Thans zullen we spreken over wat tot het doopsel voorbereidt, en vooreerst over de voorbereiding die het doopsel voorafging, namelijk over de besnijdenis, — ten tweede over de voorbereiding die het doopsel vergezelt, over de catechisatie en de duivelbezwering, namelijk. Vier verschillende zaken moeten wat het eerste punt betreft onderzocht worden: Ten eerste: was de besnijdenis een voorbereiding tot en een voorafbeelding van het doopsel? Ten tweede: over haar instelling; Ten derde: over haar ritus; Ten vierde: over haar uitwerkingen.

Articulus 1.
Was de besnijdenis een voorbereiding tot en een voorafbeelding van het doopsel?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod circumcisio non fuerit praeparatoria et figurativa Baptismi. Omnis enim figura habet aliquam similitudinem cum suo figurato. Sed circumcisio nullam habet similitudinem cum Baptismo. Ergo videtur quod non fuerit praeparativa et figurativa Baptismi. (IIIa q. 70 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert dat de besnijdenis niet een voorbereiding tot en een voorafbeelding van het doopsel was. Iedere voorafbeelding moet een zekere gelijkenis met wat het voorstelt bieden. Welnu, de besnijdenis heeft niet de minste gelijkenis met het doopsel. Zo was dus de besnijdenis niet een voorbereiding tot en een voorafbeelding van het doopsel.

Praeterea, apostolus dicit, I Cor. X, de antiquis patribus loquens, quod omnes in nube et in mari baptizati sunt, non autem dicit quod in circumcisione baptizati sint. Ergo protectio columnae nubis, et transitus maris rubri, magis fuerunt praeparatoria ad Baptismum et figurativa ipsius quam circumcisio. (IIIa q. 70 a. 1 arg. 2)

2 — Wanneer de apostel van de aartsvaders spreekt, dan zegt hij in de eerste Brief aan de Korinthiërs (10, 2) het volgende: « Allen werden ze in de wolk en in de zee gedoopt »; hij zegt niet dat ze in de besnijdenis gedoopt zijn, en zo waren dus de beschutting door de wolkkolom en de doortocht van de Rode Zee een grotere voorbereiding tot en voorafbeelding van het doopsel dan wel de besnijdenis.

Praeterea, supra dictum est quod Baptismus Ioannis fuit praeparatorius ad Baptismum Christi. Si ergo circumcisio fuit praeparatoria et figurativa Baptismi Christi, videtur quod Baptismus Ioannis fuit superfluus. Quod est inconveniens. Non ergo circumcisio fuit praeparatoria et figurativa Baptismi. (IIIa q. 70 a. 1 arg. 3)

3 — Hierboven werd er gezegd (8° Kw., art. 1, antw. op de 1° Bed., en art. 3) dat het doopsel van Joannes een voorbereiding was tot het doopsel van Christus. Welnu, indien ook de besnijdenis een voorbereiding tot en een voorafbeelding van het doopsel van Christus was, dan was het doopsel van Joannes overbodig, wat niet kan. Zo was de besnijdenis niet een voorbereiding tot en voorafbeelding van het doopsel.

Sed contra est quod apostolus dicit, Coloss. II, circumcisi estis circumcisione non manu facta in exspoliatione corporis carnis, sed circumcisione Iesu Christi, consepulti ei in Baptismo. (IIIa q. 70 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter wat de apostel in zijn Brief aan de Colossenzen (2, 11) zegt: « Gij zijt besneden niet met een besnijdenis die met de handen verricht werd en waardoor gij het vleeselijk lichaam hebt uitgedaan, maar ge zijt besneden met de besnijdenis van Christus en in zijn doopsel begraven. »

Respondeo dicendum quod Baptismus dicitur sacramentum fidei, inquantum scilicet in Baptismo fit quaedam fidei professio, et per Baptismum aggregatur homo congregationi fidelium. Eadem autem est fides nostra et antiquorum patrum, secundum illud apostoli, II Cor. IV, habentes eundem spiritum fidei credimus. Circumcisio autem erat quaedam protestatio fidei, unde et per circumcisionem antiqui congregabantur collegio fidelium. Unde manifestum est quod circumcisio fuerit praeparatoria ad Baptismum et praefigurativa ipsius, secundum quod antiquis patribus omnia in figura futuri contingebant, ut dicitur I Cor. X, sicut et fides eorum erat de futuro. (IIIa q. 70 a. 1 co.)

Het doopsel is het sacrament van het geloof; er is immers een geloofsbelijdenis toe vandoen en de mens wordt erdoor lid van de gemeenschap der gelovigen. Wij nu hebben overeenkomstig de woorden van de apostel in de Tweede Brief aan de Korinthiërs (4, 13): « Wij geloven met dezelfde geest van geloof » hetzelfde geloof als de aartsvaders. Welnu, de besnijdenis was een geloofsbelijdenis, daarom zegt de apostel in de Brief aan de Romeinen (4, 11): « Abraham ontving de besnijdenis als een geloofszegel ». En zo werden de Israëlieten door de besnijdenis lid van de gemeenschap der gelovigen. Duidelijk is het dus dat de besnijdenis een voorbereiding tot en een voorafbeelding van het doopsel was; alles was immers bij de aartsvaders voorafbeelding van het toekomende, zoals ook hun geloof op het toekomende was aangewezen (dit staat namelijk in de Eerste Brief aan de Korinthiërs, 10, 11).

Ad primum ergo dicendum quod circumcisio habebat similitudinem cum Baptismo quantum ad spiritualem effectum Baptismi. Nam sicut per circumcisionem auferebatur quaedam carnalis pellicula, ita per Baptismum homo exspoliatur a carnali conversatione. (IIIa q. 70 a. 1 ad 1)

1 — De besnijdenis vertoonde wat haar geestelijk uitwerksel betreft gelijkenis met het doopsel, want, zoals door de besnijdenis iets van ons vlees werd weggesneden, zo ook wordt door het doopsel de mens van het vleselijke leven bevrijd.

Ad secundum dicendum quod protectio columnae nubis, et transitus maris rubri, fuerunt quidem figurae nostri Baptismi, quo renascimur ex aqua, significata per mare rubrum, et spiritu sancto, significato per columnam nubis, non tamen per haec fiebat aliqua professio fidei, sicut per circumcisionem. Et ideo praedicta duo erant tantum figurae, et non sacramenta. Circumcisio autem erat sacramentum, et praeparatorium ad Baptismum, minus tamen expresse figurans Baptismum, quantum ad exteriora, quam praedicta. Et ideo apostolus potius fecit mentionem de praedictis quam de circumcisione. (IIIa q. 70 a. 1 ad 2)

2 — De beschutting door de rookkolom en de doortocht van de Rode zee waren voorafbeeldingen van ons doopsel, waardoor we uit het water, door de Rode Zee voorgesteld en uit de Heilige Geest, door de rookkolom te kennen gegeven, worden wedergeboren. Hiermee ging echter niet zoals met het doopsel een geloofsbelijdenis gepaard en daarom waren die twee zaken enkel en alleen afbeeldingen, geen sacramenten. De besnijdenis echter was ook een sacrament dat tot het doopsel voorbereidde; alleen veraanschouwelijkte het wat het uiterlijke betreft het doopsel minder duidelijk dan de rookkolom en de doortocht van de Rode Zee, en daarom spreekt de apostel meer van die zaken dan van de besnijdenis.

Ad tertium dicendum quod Baptismus Ioannis fuit praeparatorius ad Baptismum Christi quantum ad exercitium actus. Sed circumcisio quantum ad professionem fidei, quae requiritur in Baptismo, sicut dictum est. (IIIa q. 70 a. 1 ad 3)

3 — Het doopsel van Joannes was wat de uitoefening van dit ambt aangaat, een voorbereiding tot het doopsel van Christus, maar de besnijdenis was zulk zoals in de leerstelling gezegd wordt, wat de geloofsbelijdenis die bij het doopsel vereist wordt, betreft.

Articulus 2.
Werd de besnijdenis naar behoren ingesteld?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod circumcisio fuerit inconvenienter instituta. Sicut enim dictum est, in circumcisione fiebat quaedam professio fidei. Sed a peccato primi hominis nullus unquam salvari potuit nisi per fidem passionis Christi, secundum illud Rom. III, quem proposuit Deus propitiatorem per fidem in sanguine ipsius. Ergo statim post peccatum primi hominis circumcisio institui debuit, et non tempore Abrahae. (IIIa q. 70 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert dat de besnijdenis niet naar behoren werd ingesteld. Zoals hierboven gezegd werd (vorig artikel) greep bij de besnijdenis een geloofsbelijdenis plaats. Welnu, sedert de zonde van de eerste mens kan niemand zonder geloof in het lijden van Christus zalig worden. In de Brief aan de Romeinen (3, 25) staat immers: « Dien heeft God door het geloof in zijn Bloed tot een verzoeningsmiddel voorbeschikt. » Zo moest dus de besnijdenis aanstonds na de zonde van de eerste mens en niet ten tijde van Abraham worden ingesteld.

Praeterea, in circumcisione profitebatur homo observantiam veteris legis, sicut in Baptismo profitetur observantiam novae legis, unde apostolus dicit, Galat. V, testificor omni homini circumcidenti se quoniam debitor est universae legis faciendae. Sed legalis observantia non est tradita tempore Abrahae, sed magis tempore Moysi. Ergo inconvenienter instituta est circumcisio tempore Abrahae. (IIIa q. 70 a. 2 arg. 2)

2 — Door de besnijdenis beleed de mens zijn gehechtheid aan de oude wet, door het doopsel daarentegen zijn gehechtheid aan de nieuwe wet. Daarom zegt de Apostel in de Brief aan de Galaten (8, 3): « En ik betuig aan elke mens die besneden is dat hij verplicht is de gehele wet na te komen. » Welnu, die oude wet werd niet ten tijde van Abraham, maar veeleer ten tijde van Mozes aan het volk gegeven. Zo werd dus de besnijdenis niet naar behoren ten tijde van Abraham ingesteld.

Praeterea, circumcisio fuit figurativa et praeparativa Baptismi. Sed Baptismus exhibetur omnibus populis, secundum illud Matth. ult., euntes, docete omnes gentes, baptizantes eos. Ergo circumcisio non debuit institui ut observanda tantum ab uno populo Iudaeorum, sed ab omnibus populis. (IIIa q. 70 a. 2 arg. 3)

3 — De besnijdenis was een voorafbeelding van en voorbereiding tot het doopsel. Welnu, het doopsel wordt, zoals bij Mt. (28, 19) staat: « Gaat en onderwijst alle volkeren, ze dopende » aan alle volkeren bekend gemaakt. Zo diende dus de besnijdenis niet voor het Joodse volk alleen, maar voor alle volkeren ingesteld.

Praeterea, carnalis circumcisio debet respondere spirituali sicut figura figurato. Sed spiritualis circumcisio, quae fit per Christum, indifferenter convenit utrique sexui, quia in Christo Iesu non est masculus neque femina, ut dicitur Coloss. III. Ergo inconvenienter est circumcisio instituta, quae competit solum maribus. (IIIa q. 70 a. 2 arg. 4)

4 — De vleselijke besnijdenis moet evenals de voorafbeelding en het voorafgebeelde aan de geestelijke besnijdenis beantwoorden. De geestelijke besnijdenis die door Christus geschiedt is voor de twee kunnen ingesteld, omdat in Christus zoals in de Brief aan de Galaten (3, 28) geschreven staat noch man noch vrouw bestaat. De besnijdenis echter kan enkel aan mannen gegeven worden en werd dus niet behoorlijk ingesteld.

Sed contra est quod, sicut legitur Gen. XVII, circumcisio est instituta a Deo, cuius perfecta sunt opera. (IIIa q. 70 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter wat in het Scheppingsboek (7, 10) geschreven staat, dat namelijk: « de besnijdenis door God, wiens werken volmaakt zijn werd ingesteld ».

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, circumcisio erat praeparatoria ad Baptismum inquantum erat quaedam professio fidei Christi, quam et nos in Baptismo profitemur. Inter antiquos autem patres, primus Abraham promissionem accepit de Christo nascituro, cum dictum est ei, Gen. XXII, in semine tuo benedicentur omnes gentes terrae. Et ipse etiam primus se a societate infidelium segregavit, secundum mandatum domini dicentis sibi, egredere de terra tua et de cognatione tua. Et ideo convenienter circumcisio fuit instituta in Abraham. (IIIa q. 70 a. 2 co.)

Zoals hierboven gezegd werd (in het vorig artikel) was de besnijdenis, omdat ze een geloofsbelijdenis was in Christus, hetgeen ook bij het doopsel geschiedt, een voorbereiding tot het doopsel. Welnu, onder de aartsvaders was Abraham de eerste die de belofte van de geboorte van Christus ontving; hem werd namelijk gezegd (Scheppingsboek, 22, 18) « Alle volkeren der aarde zullen in uw zaad gezegend worden. » Het eerst ook heeft hij zich overeenkomstig het gebod dat hij van God gekregen had: « trek uit uw land en uw maagschap », van de gemeenschap der ongelovigen afgescheiden, en daarom was het volkomen redelijk de besnijdenis ten tijde van Abraham in te stellen.

Ad primum ergo dicendum quod immediate post peccatum primi parentis, propter doctrinam ipsius Adae, qui plene instructus fuerat de divinis, adhuc fides et ratio naturalis vigebat in homine in tantum quod non oportebat determinari hominibus aliqua signa fidei et salutis, sed unusquisque pro suo libitu fidem suam profitentibus signis protestabatur. Sed circa tempus Abrahae diminuta erat fides, plurimis ad idololatriam declinantibus. Obscurata etiam erat ratio naturalis per augmentum carnalis concupiscentiae usque ad peccata contra naturam. Et ideo convenienter tunc, et non ante, fuit instituta circumcisio, ad profitendum fidem et minuendum carnalem concupiscentiam. (IIIa q. 70 a. 2 ad 1)

1 — Aanstonds na de zonde van de eerste mens waren het geloof en de natuurlijke rede nog gaaf, de wetenschap van Adam bracht hem immers wat goddelijke aangelegenheden betreft volkomen op de hoogte. Daarom was het dan ook niet nodig tekenen van geloof en heil in te stellen; toen wist toch iedere mens overeenkomstig zijn verlangen zijn geloof op een andere wijze te belijden. Ten tijde van Abraham integendeel had het geloof afgenomen, velen hadden zich aan afgodendienst overgegeven; ja de natuurlijke rede zelf was naar aanleiding van het toenemen van de begeerlijkheid dermate verzwakt dat de mens zich aan de natuur vergreeep. Zo was het volkomen redelijk, opdat de mensen het geloof zouden belijden, en opdat hun begeerlijkheid zou afnemen, op dit ogenblik noch vroeger noch later, de besnijdenis in te stellen.

Ad secundum dicendum quod legalis observantia tradi non debuit nisi populo iam congregato, quia lex ordinatur ad bonum publicum, ut in secunda parte dictum est. Populus autem fidelium congregandus erat aliquo signo sensibili, quod est necessarium ad hoc quod homines in quacumque religione adunentur, sicut Augustinus dicit, contra Faustum. Et ideo oportuit prius institui circumcisionem quam lex daretur. Illi autem patres qui fuerunt ante legem, familias suas instruxerunt de rebus divinis per modum paternae admonitionis. Unde et dominus dicit de Abraham, scio quod praecepturus sit filiis suis et domui suae post se ut custodiant viam domini. (IIIa q. 70 a. 2 ad 2)

2 — Wettelijke voorschriften mochten enkel aan een volk dat reeds in gemeenschap leefde gegeven worden; de wet toch bestaat zoals we in het tweede deel zeiden (90° Kw. 2° artikel) om het algemeen welzijn. Welnu, de gemeenschap der geloovigen moest door een zintuigelijk waarneembaar teken dat zoals St. Augustinus tegen Faustus (19, 11) zegt om de mensen in één godsdienst te verenigen noodzakelijk is, worden samengebracht, en daarom diende de besnijdenis nog vóór de wet te worden gegeven. De aartsvaders die leefden vóór de wet hebben namelijk hun families door vaderlijke vermaningen in geloofszaken onderwezen. Derhalve zegt de Heer van Abraham (Scheppingsboek, 18, 19): « Ik weet dat hij zijn kinderen en zijn huis na hem bevelen zal de weg des Heren te bewandelen. »

Ad tertium dicendum quod Baptismus in se continet perfectionem salutis, ad quam Deus omnes homines vocat, secundum illud I Tim. II qui vult omnes homines salvos fieri. Et ideo Baptismus omnibus populis proponitur. Circumcisio autem non continebat perfectionem salutis, sed significabat ipsam ut fiendam per Christum, qui erat ex Iudaeorum populo nasciturus. Et ideo illi soli populo data est circumcisio. (IIIa q. 70 a. 2 ad 3)

3 — Het doopsel omvat de volmaaktheid van het heil waarop God, zoals geschreven staat in de eerste Brief aan Timotheüs (2, 4): « God wil alle mensen zalig maken » alle mensen verzocht, en daarom wordt het doopsel aangeboden aan alle volkeren. De besnijdenis integendeel behelsde niet de volmaaktheid van het heil, maar was alleen een voorafbeelding van de zaligheid die door Christus, die uit het Joodse volk geboren was, moest geschieden en daarom werd de besnijdenis enkel en alleen aan het Joodse volk gegeven.

Ad quartum dicendum quod circumcisionis institutio est ut signum fidei Abrahae, qui credidit se patrem futurum Christi sibi repromissi, et ideo convenienter solis maribus competebat. Peccatum etiam originale, contra quod specialiter circumcisio ordinabatur, a patre trahitur, non a matre, ut in secunda parte dictum est. Sed Baptismus continet virtutem Christi, qui est universalis salutis causa omnium, et remissio omnium peccatorum. (IIIa q. 70 a. 2 ad 4)

4 — De besnijdenis werd als een teken van het geloof van Abraham, die geloofde dat hij vader van de beloofde Christus zou worden, ingesteld, en daarom moest de besnijdenis enkel aan de mannen gegeven worden. De erfzonde immers wordt, zoals we hierboven in het tweede deel (81e Kw. 8e art.) bewezen hebben, door de vader, niet door de moeder overgemaakt en de besnijdenis was tegen de erfzonde ingesteld. Het doopsel integendeel sluit de kracht van Christus in die voor alle mensen een algemene oorzaak van heil en van vergiffenis van alle zonden is.

Articulus 3.
Werd de ritus der besnijdenis naar behoren bepaald?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod ritus circumcisionis non fuerit conveniens. Circumcisio enim, ut dictum est, fidei quaedam professio est. Sed fides in vi apprehensiva existit, cuius operationes maxime apparent in capite. Ergo magis debuit signum circumcisionis dari in capite quam in membro generationis. (IIIa q. 70 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert dat de ritus van de besnijdenis niet naar behoren bepaald werd. De besnijdenis was, zoals hierboven gezegd is (1° en 2° art.) een geloofsbelijdenis. Welnu het geloof gaat op het bevattingsvermogen van de mens, waarvan de werking vooral in het hoofd gebeurt, terug. Zo diende dus het teken der besnijdenis veeleer aan het hoofd dan wel aan het geslachtslid te worden aangebracht.

Praeterea, ad usum sacramentorum sumimus ea quorum est communior usus, sicut aqua ad abluendum, et panem ad reficiendum. Sed ad incidendum communius utimur cultello ferreo quam petrino. Ergo circumcisio non debuit fieri cultello petrino. (IIIa q. 70 a. 3 arg. 2)

2 — Bij het toedienen van de Sacramenten dienen zaken aangewend die van dagelijks gebruik zijn zoals water om te wassen, en brood om te voeden. Welnu om te snijden worden veeleer ijzeren messen dan wel stenen messen gebruikt. Zo moet dus de besnijdenis niet met stenen messen geschieden.

Praeterea, sicut Baptismus instituitur in remedium originalis peccati, ita et circumcisio, sicut Beda dicit. Sed nunc Baptismus non differtur usque ad octavum diem, ne pueris periculum damnationis immineat propter originale peccatum, si non baptizati decedant. Quandoque etiam tardatur Baptismus post octavum diem. Ergo etiam circumcisioni non debuit determinari octavus dies, sed debebat quandoque praeveniri, sicut etiam quandoque tardabatur. (IIIa q. 70 a. 3 arg. 3)

3 — Zoals het doopsel als geneesmiddel tegen de erfzonde werd ingesteld, zo ook volgens de H. Beda de besnijdenis. Welnu het doopsel wordt, opdat er om de erfzonde voor de kinderen die zonder doopsel sterven geen gevaar voor verdoemenis zou zijn, niet tot de achtste dag uitgesteld en soms wordt het integendeel later dan de achtste dag toegediend. Zo diende men voor de besnijdenis niet de achtste dag uit te kiezen, maar nu eens had men zulks moeten vervroegen en dan weer eens verdagen.

Sed contra est quod Rom. IV, super illud, et signum accepit circumcisionis, determinatur in Glossa praedictus circumcisionis ritus. (IIIa q. 70 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter hetgeen de apostel in de brief aan de Romeinen zegt (4, 11): « en hij ontving het teken der besnijdenis »; daarop beschrijft de glossa de ritus der besnijdenis.

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, circumcisio quoddam signum fidei est institutum a Deo, cuius sapientiae non est numerus. Determinare autem convenientia signa est sapientiae opus. Et ideo concedendum est quod ritus circumcisionis fuit conveniens. (IIIa q. 70 a. 3 co.)

In het vorige artikel zeiden we reeds dat de besnijdenis een geloofsteken is door God ingesteld en dat Gods wijsheid oneindig is. Welnu behoorlijke tekens te bepalen is het werk der wijsheid. Zo moeten wij dan aannemen dat de ritus der besnijdenis naar behoren werd ingesteld.

Ad primum ergo dicendum quod circumcisio convenienter fiebat in membro generationis. Primo quidem, quia erat signum fidei qua Abraham credidit Christum ex suo semine nasciturum. Secundo, quia erat in remedium peccati originalis, quod per actum generationis traducitur. Tertio, quia ordinabatur ad diminutionem carnalis concupiscentiae, quae praecipue in membris illis viget, propter abundantiam delectationis venereorum. (IIIa q. 70 a. 3 ad 1)

1 — Het was volkomen redelijk de besnijdenis aan het geslachtslid toe te brengen, voor-eerst omdat ze een geloofsteken was waardoor Abraham geloofde dat Christus uit zijn zaad zou geboren worden; ten tweede, omdat ze een geneesmiddel was tegen de erfzonde die door de voortplanting wordt overgemaakt; ten derde, omdat ze op de verzwakking van de vleselijke begeerlijkheid, die daar om de hevigheid van de wulpsche lust woedt, berekend is.

Ad secundum dicendum quod cultellus lapideus non erat de necessitate circumcisionis. Unde non invenitur tale instrumentum praecepto divino determinatum; neque communiter tali instrumento Iudaei utebantur ad circumcidendum; sed neque modo utuntur. Leguntur tamen aliquae circumcisiones famosae cultello lapideo factae, sicut legitur Exod. IV, quod tulit Sephora acutissimam petram et circumcidit praeputium filii sui; et Iosue V dicitur, fac tibi cultros lapideos, et circumcide secundo filios Israel. Per quod figurabatur circumcisionem spiritualem esse faciendam per Christum, de quo dicitur, I Cor. X, petra autem erat Christus. (IIIa q. 70 a. 3 ad 2)

2 — Stenen messen waren bij de besnijdenis niet onontbeerlijk en werden dan ook niet door een goddelijk gebod voorgeschreven; ja gewoonlijk gebruikten zelfs de Joden om te besnijden niet stenen messen en ook nu doen ze het niet. Alleen kan men in de Bijbel lezen dat sommige heugelijke besnijdenissen met stenen messen geschied zijn; zo staat er in het Boek van de Uittocht (4, 25) : « Sephora nam een scherpe steen en besneed de voorhuid van haar zoon. » Ook staat er bij Josue (5, 2) : « Neem stenen messen en besnijd de zonen van Israël voor de tweede keer. » — Dit was een voorafbeelding van de geestelijke besnijdenis die door Christus moest gedaan worden, en daarvan wordt in de eerste Brief aan de Korinthiërs (10, 4) gezegd : « en die rots was Christus ».

Ad tertium dicendum quod octavus dies determinatus erat circumcisioni, tum propter mysterium, quia in octava aetate, quae est aetas resurgentium, quasi in octavo die, perficietur per Christum spiritualis circumcisio, quando auferet ab electis non solum culpam, sed etiam omnem poenalitatem. Tum etiam propter teneritudinem infantis ante octavum diem. Unde etiam de aliis animalibus Levit. XXII praecipitur, bos, ovis et capra, cum generata fuerint, septem diebus erunt sub ubere matris suae, die autem octavo et deinceps offerri poterunt domino. Erat autem octavus dies de necessitate praecepti, ita scilicet quod octavum diem praetermittentes peccabant, etiam si esset sabbatum; secundum illud Ioan. VII, circumcisionem accipit homo in sabbato, ut non solvatur lex Moysi. Non tamen erat de necessitate sacramenti, quia, si aliqui essent omittentes octavum diem, postea poterant circumcidi. Quidam etiam dicunt quod, propter periculum imminentis mortis, poterat octavus dies praeveniri. Sed hoc nec ex auctoritate Scripturae, nec ex consuetudine Iudaeorum haberi potest. Unde melius est dicendum, sicut etiam Hugo de sancto Victore dicit, quod octavus dies nulla necessitate praeveniebatur. Unde super illud Prov. IV, unigenitus eram coram matre mea, dicit Glossa quod alius Bersabee parvulus non computabatur, quia, ante octavum diem mortuus, nominatus non fuit; et per consequens nec circumcisus. (IIIa q. 70 a. 3 ad 3)

3 — De besnijdenis moest om reden van een mystische betekenis op de achtste dag geschieden; ten eerste, omdat de geestelijke besnijdenis door Christus op de achtste dag, tijd van zijn verrijzenis, wanneer Christus namelijk de uitverkorenen niet alleen van de schuld, maar ook van alle straf zou verlossen, zou volbracht worden; ten tweede omdat het kindje vóór de achtste dag nog te zwak was; derhalve werd in het Boek Leviticus (22, 27) het volgende opgelegd: « Wanneer een rund, schaap of geit, geboren wordt, zal het zeven dagen onder de uier van zijn moeder blijven; maar de achtste dag en daarna zal het de Heer kunnen geofferd worden. » — Wanneer die achtste dag aangebroken was, moest de besnijdenis geschieden, zodat wie het uitstelde zich ook op de sabbat aan zonde schuldig maakte. Zo staat bijvoorbeeld bij Joa. (7, 23) dat « de mens om de wet van Mozes na te komen op de sabbat de besnijdenis ontvangt. » — Alleen was die achtste dag niet tot de geldigheid vereist, want, als men die achtste dag liet voorbijgaan, dan mocht men daarna toch nog besnijden. Zelfs zijn er die zeggen dat die dag om stervensgevaar mocht vervroegd worden. Dienaangaande heeft men echter noch door het gezag der H. Schrift, noch door de gewoonten der Joden zekerheid. Beter is het dus met Hugo van St. Viktor te zeggen dat men de datum niet mocht vervroegen. Ook zegt de Glossa op dit vers der Spreuken (4, 3) : « Ik was de enige zoon van mijn moeder », dat de andere zoon van Bersabe, daar deze vóór de achtste dag gestorven was, geen naam kreeg en dus evenmin besneden werd, niet diende in aanmerking te komen.

Articulus 4.
Gaf de besnijdenis de heiligmakende genade?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod circumcisio non conferebat gratiam iustificantem. Dicit enim apostolus, Galat. II, si ex lege est iustitia, Christus gratis mortuus est, idest sine causa. Sed circumcisio erat quaedam obligatio legis implendae, secundum illud Galat. V, testificor omni homini circumcidenti se quoniam debitor est universae legis faciendae. Ergo, si ex circumcisione est iustitia, Christus gratis, idest sine causa, mortuus est. Sed hoc est inconveniens. Non ergo ex circumcisione erat gratia iustificans a peccato. (IIIa q. 70 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert dat de besnijdenis niet de heiligmakende genade verleende. De Apostel zegt in de Brief aan de Galaten (2, 21) « Als de rechtvaardigheid door de wet kwam, dan zou Jezus-Christus vruchteloos dit is zonder reden gestorven zijn. » Welnu, de besnijdenis verplichtte tot het nakomen van heel de wet. Deshalve staat er in de Brief aan de Galaten (5, 3) geschreven : « Ik betuig wederom aan iedere mens die besneden is dat hij verplicht is de gehele wet na te komen. » Als er dus door de besnijdenis rechtvaardigheid kwam zou Christus zonder reden gestorven zijn. Dat kan echter niet en zo gaf dus de besnijdenis niet heiligmakende genade, die de zonde zou kwijtgescholden hebben.

Praeterea, ante institutionem circumcisionis sola fides ad iustificationem sufficiebat, dicit enim Gregorius, in Moral., quod apud nos valet aqua Baptismatis, hoc egit apud veteres pro parvulis sola fides. Sed virtus fidei non est imminuta propter mandatum circumcisionis. Ergo sola fides parvulos iustificabat, et non circumcisio. (IIIa q. 70 a. 4 arg. 2)

2 — Vóór de instelling van de besnijdenis volstond het geloof tot de rechtvaardiging. Sint Gregorius zegt immers in zijn « Moralia » (4, 3) : « Wat het water van het doopsel in ons doet, dat deed ten tijde van de aartsvaders bij de kinderen het geloof. » Welnu de kracht van het geloof is niet door het voorschrift van de besnijdenis verzwakt en zo maakt dus alleen het geloof, niet echter de besnijdenis de kinderen rechtvaardig.

Praeterea, Iosue V legitur quod populus qui natus est in deserto per quadraginta annos, incircumcisus fuit. Si ergo per circumcisionem auferebatur peccatum originale, videtur quod omnes qui in deserto mortui sunt, tam parvuli quam adulti, fuerint damnati. Et eadem obiectio est de pueris qui moriebantur ante octavum diem circumcisionis, qui praeveniri non debebat, sicut dictum est. (IIIa q. 70 a. 4 arg. 3)

3 — In het Boek Josue (5, 3) wordt verteld dat het volk in de woestijn geboren, veertig jaar lang onbesneden bleef. Indien nu de erfzonde door de besnijdenis weggenomen werd, dan zou moeten besloten worden dat al degenen die in de woestijn gestorven zijn, zowel volwassenen als kinderen, verdoemd werden. Verder kan dezelfde verdenking gemaakt worden voor de kinderen die vóór de achtste dag stierven. De besnijdenis moest immers zoals in het vorig artikel gezegd werd, niet vervoegd worden.

Praeterea, nihil impedit introitum regni caelestis nisi peccatum. Sed circumcisi ante passionem impediebantur ab introitu regni caelestis. Non ergo per circumcisionem homines iustificabantur a peccato. (IIIa q. 70 a. 4 arg. 4)

4 — Behalve de zonde is er niets dat de mens belet de hemel binnen te gaan. Welnu, degenen die vóór het lijden van Christus besneden werden konden de hemel niet binnengaan, en zo worden door de besnijdenis de mensen niet van zonde bevrijd.

Praeterea, peccatum originale non dimittitur sine actuali, quia impium est a Deo dimidiam sperare veniam, ut Augustinus dicit. Sed nunquam legitur quod per circumcisionem remitteretur actuale peccatum. Ergo neque etiam originale per eam dimittebatur. (IIIa q. 70 a. 4 arg. 5)

5 — De erfzonde wordt samen met de dadelijke zonden vergeven; St. Augustinus zegt immers dat het voor God een belediging is enkel een halve vergiffenis te verwachten. — Welnu, nergens staat er te lezen dat de besnijdenis vergiffenis van dadelijke zonden meebrengt. Zo werd dus evenmin de erfzonde door de besnijdenis weggenomen.

Sed contra est quod Augustinus dicit, ad Valerium contra Iulianum, ex quo instituta est circumcisio in populo Dei, quod erat signaculum iustitiae fidei, ad sanctificationem purgationis valebat parvulis originalis veterisque peccati, sicut etiam Baptismus ex illo coepit valere tempore ad innovationem hominis, ex quo institutus est. (IIIa q. 70 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter wat St. Augustinus in een Brief aan Valerius tegen Julianus zegt: « Van de tijd af dat de besnijdenis, zegel van rechtvaardiging door het geloof in God, werd ingesteld zuiverde zij de kinderen van de erfzonde net zoals het doopsel van zijn instelling af de vernieuwing van de mens in de hand werkte. »

Respondeo dicendum quod ab omnibus communiter ponitur quod in circumcisione originale peccatum remittebatur. Quidam tamen dicebant quod non conferebatur gratia, sed solum remittebatur peccatum. Quod Magister ponit in I dist. IV Sent., et Rom. IV in Glossa. Sed hoc non potest esse, quia culpa non remittitur nisi per gratiam, secundum illud Rom. III, iustificati gratis per gratiam ipsius, et cetera. Et ideo alii dixerunt quod per circumcisionem conferebatur gratia quantum ad effectus remissionis culpae, sed non quantum ad effectus positivos, ne dicere cogerentur quod gratia in circumcisione collata sufficiebat ad implendum mandata legis, et ita superfluus fuit adventus Christi. Sed etiam haec positio stare non potest. Primo quidem, quia per circumcisionem dabatur pueris facultas suo tempore perveniendi ad gloriam, quae est ultimus effectus positivus gratiae. Secundo, quia priores sunt naturaliter, secundum ordinem causae formalis, effectus positivi quam privativi, licet secundum ordinem causae materialis sit e converso, forma enim non excludit privationem nisi informando subiectum. Et ideo alii dixerunt quod in circumcisione conferebatur gratia etiam quantum ad aliquem effectum positivum, qui est facere dignum vita aeterna, sed non quantum ad omnes effectus, quia non sufficiebat reprimere concupiscentiam fomitis, nec etiam ad implendum mandata legis. Quod etiam aliquando mihi visum est. Sed diligenter consideranti apparet quod non est verum. Quia minima gratia potest resistere cuilibet concupiscentiae, et vitare omne peccatum mortale, quod committitur in transgressione mandatorum legis, minima enim caritas plus diligit Deum quam cupiditas millia auri et argenti. Et ideo dicendum quod in circumcisione conferebatur gratia quantum ad omnes gratiae effectus, aliter tamen quam in Baptismo. Nam in Baptismo confertur gratia ex virtute ipsius Baptismi, quam habet inquantum est instrumentum passionis Christi iam perfectae. Circumcisio autem conferebat gratiam inquantum erat signum fidei passionis Christi futurae, ita scilicet quod homo qui accipiebat circumcisionem, profitebatur se suscipere talem fidem; vel adultus pro se, vel alius pro parvulis. Unde et apostolus dicit, Rom. IV, quod Abraham accepit signum circumcisionis, signaculum iustitiae fidei, quia scilicet iustitia ex fide erat significata, non ex circumcisione significante. Et quia Baptismus operatur instrumentaliter in virtute passionis Christi, non autem circumcisio, ideo Baptismus imprimit characterem incorporantem hominem Christo, et copiosiorem gratiam confert quam circumcisio, maior enim est effectus rei iam praesentis quam spei. (IIIa q. 70 a. 4 co.)

Over het algemeen nemen allen aan dat de besnijdenis de erfzonde wegnam. Alleen beweerden sommigen dat niet genade gegeven, maar alleen de zonde weggenomen werd, en zo dacht er de Meester der Sententiën in zijn Sententiën (4, 1) en in zijn commentaar op de Brief aan de Romeinen (4) over. Dit kan echter niet; de genade alleen toch is, zoals de Apostel in de Brief aan de Romeinen (3, 24) zegt: « om niets worden wij door zijn genade rechtvaardig gemaakt », bij machte de schuld van de zonde weg te nemen. Daarom dan zeiden nog anderen dat de besnijdenis de mensen wel wat de vergiffenis van schuld betrof, niet echter wat de stellige uitwerkselen aanging, met genade begiftigde. Dit zeiden ze om aldus niet gedwongen te worden toe te geven, dat de genade, door de besnijdenis bekomen, om de geboden der wet na te komen volstond, en dus de komst van Christus overbodig was. Ook dit kan men echter niet staande houden. Vooreerst omdat de besnijdenis werkelijk aan de kinderen macht verleende om op hun tijd in de hemelse glorie binnen te gaan, wat toch het laatste uitwerksel van de genade is; ten tweede omdat van de vormelijke oorzaak uit beschouwd, — van de stoffelijke oorzaak uit bekeken is het immers andersom, — stellige uitwerkselen berovige uitwerkselen voorafgaan, de vorm toch sluit alleen met het subject te informeren de beroving uit. Zo is dan een derde mening ontstaan waarnaar de genade der besnijdenis wel een stellig uitwerksel, iemand namelijk het eeuwige leven waardig te maken voor gevolg had, maar de andere stellige uitwerkselen niet zouden worden medegedeeld. Die genade was immers niet krachtig genoeg om de begeerlijkheid te onderdrukken en de voorschriften der wet te doen nakomen zonder in doodzonde te vallen. Dit nu was vroeger ook mijne zienswijze, maar wanneer ik dichter heb toegezien, toen kwam ze me verkeerd voor; elke genade, hoe klein ook, volstaat immers om de begeerlijkheid in bedwang te houden en elke doodzonde die met te zoeken aan de voorschriften van de wet te ontkomen bedreven wordt te ontvluchten, de zwakste liefde toch bemint God vuriger dan gierigheid duizend goud- of zilverstukken. Zo moet dan gezegd dat de besnijdenis, hoewel op een andere wijze dan het doopsel, de genade met al haar uitwerk-selen verleende. Bij het doopsel namelijk erlangt men de genade, in zover het doopsel een werktuig is van het lijden van Christus dat reeds plaats had, door de kracht zelf van het doopsel; bij de besnijdenis integendeel wordt de genade niet uit kracht van de besnijdenis, maar door het geloof in het lijden van Christus, waarvan het teken juist de besnijdenis was verkregen; de mens namelijk die besneden werd beleed dat hij, de volwassene door zichzelf, de kinderen door bemiddeling van een ander een dergelijk geloof aanvaarden. Daarop zegt de Apostel in de Brief aan de Romeinen (4, 11) : « Abraham ontving tot zegel van de rechtvaardigheid van het geloof het teken van de besnijdenis. », de rechtvaardigmaking immers werd door het geloof dat betekend werd, niet door de besnijdenis die het geloof te kennen gaf, bewerkt. Daarbij werkt uit kracht van het lijden van Christus het doopsel, niet de besnijdenis, op werktuigelijke wijze zijn uitwerksel uit, en daarom prent het doopsel een merkteken in waardoor de mens bij Christus wordt ingelijfd, en geeft het ook meer genade dan de besnijdenis; iets wat reeds is, is toch meer waard dan iets wat nog dient opgewacht.

Ad primum ergo dicendum quod ratio illa procederet si ex circumcisione esset iustitia aliter quam per fidem passionis Christi. (IIIa q. 70 a. 4 ad 1)

1 — Indien de besnijdenis ons op een andere manier dan door het geloof in het lijden van Christus rechtvaardig maakte, dan zou deze bedenking opgaan.

Ad secundum dicendum quod, sicut ante institutionem circumcisionis fides Christi futuri iustificabat tam pueros quam adultos, ita et circumcisione data. Sed antea non requirebatur aliquod signum protestativum huius fidei, quia nondum homines fideles seorsum ab infidelibus coeperant adunari ad cultum unius Dei. Probabile tamen est quod parentes fideles pro parvulis natis, et maxime in periculo existentibus, aliquas preces Deo funderent, vel aliquam benedictionem eis adhiberent, quod erat quoddam signaculum fidei, sicut adulti pro seipsis preces et sacrificia offerebant. (IIIa q. 70 a. 4 ad 2)

2 — Zowel vóór als na de instelling van de besnijdenis was het enkel en alleen het geloof in de komende Christus dat kinderen en volwassenen rechtvaardig maakte. Alleen eiste God vóór de besnijdenis, daar toen de gelovigen nog niet een afzonderlijke gemeenschap uitmaakten die van de ongelovigen afgescheiden de ene God vereerden, geen teken tot belijdenis van dit geloof. Waarschijnlijk is het niettemin dat, net zoals volwassenen voor zichzelf gebeden en offers opdroegen, gelovige ouders God voor hun kleine kinderen baden, vooral als er gevaar was van sterven, ofwel daarbij een of ander zegen, alweer een veropenbaring van het geloof dus, gebruikten.

Ad tertium dicendum quod populus in deserto praetermittens mandatum circumcisionis excusabatur, tum quia nesciebant quando castra movebantur; tum quia, ut Damascenus dicit, non necesse erat eos aliquod signum distinctionis habere quando seorsum ab aliis populis habitabant. Et tamen, ut Augustinus dicit, inobedientiam incurrebant qui ex contemptu praetermittebant. Videtur tamen quod nulli incircumcisi mortui fuerint in deserto, quia in Psalmo dicitur, non erat in tribubus eorum infirmus, sed illi soli videntur mortui in deserto qui fuerant in Aegypto circumcisi. Si tamen aliqui ibi incircumcisi mortui sunt, eadem ratio est de his et de his qui moriebantur ante circumcisionis institutionem. Quod etiam intelligendum est de pueris qui moriebantur ante octavum diem tempore legis. (IIIa q. 70 a. 4 ad 3)

3 — Wanneer het volk dat in de woestijn verbleef het gebod der besnijdenis niet vervulde, was het te verontschuldigen; het wist immers nooit wanneer de kampen zouden moeten opgebroken worden en zoals St. Jan Damascenus zegt (Het waarachtig geloof, 4, 25) « was het, daar ze van alle andere volkeren afgescheiden leefden, niet nodig op dit ogenblik een ander scheidingsteken te hebben. » St. Augustinus beweert echter (commentaar op Josue, 6) dat « zij die zulks uit misprijzen over het hoofd zagen ongehoorzaam waren. » Niettemin is er geen enkele onbesnedene in de woestijn gestorven; in de 104° psalm (37) staat er immers « dat in hun stammen geen zieken waren », zij alleen stierven in de woestijn die men in Egypte besneden had. Wanneer nu iemand zonder besnijdenis stierf, moet over hem geoordeeld zoals over diegenen die vóór de instelling van de besnijdenis stierven en van kinderen die toen de wet reeds in voege was vóór de achtste dag dient hetzelfde gezegd te worden.

Ad quartum dicendum quod in circumcisione auferebatur originale peccatum ex parte personae, remanebat tamen impedimentum intrandi in regnum caelorum ex parte totius naturae, quod fuit sublatum per passionem Christi. Et ideo etiam Baptismus ante passionem Christi non introducebat in regnum. Sed circumcisio, si haberet locum post passionem Christi, introduceret in regnum. (IIIa q. 70 a. 4 ad 4)

4 — Bij de besnijdenis werd alleen de persoon de erfzonde kwijtgescholden, voor de natuur van de mens integendeel bleef immer de hemel ontoegankelijk en eerst door het lijden van Christus zou zulks veranderen. Zo verleende Christus het doopsel met de macht om in de hemel te komen en, moest na het lijden van Christus, de besnijdenis nog van kracht geweest zijn, dan zou zij de mensen in de hemel brengen.

Ad quintum dicendum quod adulti, quando circumcidebantur, consequebantur remissionem non solum originalis, sed etiam actualium peccatorum, non tamen ita quod liberarentur ab omni reatu poenae, sicut in Baptismo, in quo confertur copiosior gratia. (IIIa q. 70 a. 4 ad 5)

5 — Wanneer volwassenen besneden werden verkregen zij vergiffenis niet alleen van de erfzonde maar ook van alle dagelijkse zonden; alleen werden ze niet zoals bij het doopsel, van alle straf vrijgesteld, daar immers erlangt men meer genade.