QuaestioArticulus

Tertia Pars. Quaestio 77.
Over de bijkomstigheden die in dit Sacrament overblijven .

Prooemium

Deinde considerandum est de accidentibus remanentibus in hoc sacramento. Et circa hoc quaeruntur octo. Primo, utrum accidentia quae remanent, sint sine subiecto. Secundo, utrum quantitas dimensiva sit subiectum aliorum accidentium. Tertio, utrum huiusmodi accidentia possint immutare aliquod corpus extrinsecum. Quarto, utrum possint corrumpi. Quinto, utrum ex eis possit aliquid generari. Sexto, utrum possint nutrire. Septimo, de fractione panis consecrati. Octavo, utrum vino consecrato possit aliquid admisceri. (IIIa q. 77 pr.)

Vervolgens dient gehandeld te worden over de bijkomstigheden, die in dit Sacrament overblijven. Hieromtrent stellen wij acht vragen. 1. Zijn de bijkomstigheden, die overblijven, zonder subject? 2. Is de meetbare hoogte van de andere bijkomstigheden? 3. Kunnen dergelijke bijkomstigheden een buitenstaand lichaam veranderen? 4. Kunnen zij vergaan? 5. Kan er iets uit ontstaan? 6. Kunnen zij voeden? 7. Over de breking van het geconsacreerde brood. 8. Kan er iets bij de geconsacreerde wijn gemengd worden?

Articulus 1.
Blijven de bijkomstigheden in dit Sacrament over zonder subject?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod accidentia non remaneant in hoc sacramento sine subiecto. Nihil enim inordinatum aut fallax debet esse in hoc sacramento veritatis. Sed accidentia esse sine subiecto est contra rerum ordinem, quem Deus naturae indidit. Videtur etiam ad quandam fallaciam pertinere, cum accidentia sint signa naturae subiecti. Ergo in hoc sacramento non sunt accidentia sine subiecto. (IIIa q. 77 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de bijkomstigheden in dit Sacrament niet overblijven zonder subject. In dit Sacrament der waarheid toch moet niets ongeordends of bedrieglijks zijn. Dat nu bijkomstigheden zonder subject zijn, is tegen de orde der dingen, welke God de natuur heeft ingedrukt. Het schijnt ook op een zekere bedrieglijkheid neer te komen: want de bijkomstigheden zijn tekenen van de natuur van het subject. Dus zijn de bijkomstigheden in dit Sacrament niet zonder subject.

Praeterea, fieri non potest, etiam miraculose, quod definitio rei ab ea separetur; vel quod uni rei conveniat definitio alterius, puta quod homo, manens homo, sit animal irrationale. Ad hoc enim sequeretur contradictoria esse simul, hoc enim quod significat nomen rei, est definitio, ut dicitur in IV Metaphys. Sed ad definitionem accidentis pertinet quod sit in subiecto, ad definitionem vero substantiae, quod per se subsistat non in subiecto. Non potest ergo miraculose fieri quod in hoc sacramento sint accidentia sine subiecto. (IIIa q. 77 a. 1 arg. 2)

2 — Zelfs door een wonder kan het niet gebeuren, dat de begripsbepaling van een ding van dat ding gescheiden wordt of dat aan één ding de begripsbepaling van iets anders toekomt b.v. dat een mens, mens blijvend, een redeloos dier zou zijn. Dit toch zou tot gevolg hebben, dat als ja en nee tegenovergestelde dingen tegelijk zouden zijn: want « wat de naam van een ding beteekent », kent is de begripsbepaling », zoals gezegd wordt in de Metaphysica. Nu behoort het tot de begripsbepaling van de bijkomstigheid, dat zij in het subject is: daarentegen tot de begripsbepaling van de zelfstandigheid, dat zij op zich bestaat, niet in een subject. Dus kan het niet door een wonder gebeuren, dat in dit Sacrament de bijkomstigheden zonder subject zijn.

Praeterea, accidens individuatur ex subiecto. Si ergo accidentia remanent in hoc sacramento sine subiecto, non erunt individua, sed universalia. Quod patet esse falsum, quia sic non essent sensibilia, sed intelligibilia tantum. (IIIa q. 77 a. 1 arg. 3)

3 — De bijkomstigheid wordt vereenigd door het subject. Als dus de bijkomstigheden in dit Sacrament zonder subject overblijven, zullen zij niet vereenigd maar algemeen zijn. Dit blijkt vals te zijn, want zó zouden zij niet zintuigelijk maar slechts verstandelijk kenbaar zijn.

Praeterea, accidentia per consecrationem huius sacramenti non adipiscuntur aliquam compositionem. Sed ante consecrationem non erant composita neque ex materia et forma, neque ex quo est et quod est. Ergo etiam post consecrationem non sunt composita altero horum modorum. Quod est inconveniens, quia sic essent simpliciora quam Angeli; cum tamen haec accidentia sint sensibilia. Non ergo accidentia remanent in hoc sacramento sine subiecto. (IIIa q. 77 a. 1 arg. 4)

4 — De bijkomstigheden krijgen door de consecratie van dit Sacrament niet een of andere samengesteldheid. Nu waren zij vóór de consecratie niet samengesteld noch uit stof en vorm, noch uit waardoor iets is en wat iets is. Dus zijn zij ook na de consecratie niet samengesteld op een van deze twee manieren. Dit is echter onaannemelijk: want zo zouden zij enkelvoudiger zijn dan de engelen; terwijl toch deze bijkomstigheden van zintuigelijke aard zijn. Dus blijven de bijkomstigheden in dit Sacrament niet over zonder subject.

Sed contra est quod Gregorius dicit, in homilia paschali, quod species sacramentales sunt illarum rerum vocabula quae ante fuerunt, scilicet panis et vini. Et ita, cum non remaneat substantia panis et vini, videtur quod huiusmodi species sint sine subiecto. (IIIa q. 77 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Gregorius zegt, dat « de sacramentale gedaanten de namen zijn van die dingen, die eerst waren nl. van het brood en de wijn». Daar derhalve de zelfstandigheid van het brood en de wijn niet blijven, schijnen genoemde gedaanten zonder subject te zijn.

Respondeo dicendum quod accidentia panis et vini, quae sensu deprehenduntur in hoc sacramento remanere post consecrationem, non sunt sicut in subiecto in substantia panis et vini, quae non remanet, ut supra habitum est. Neque etiam in forma substantiali, quae non manet; et, si remaneret, subiectum esse non posset, ut patet per Boetium, in libro de Trin. Manifestum est etiam quod huiusmodi accidentia non sunt in substantia corporis et sanguinis Christi sicut in subiecto, quia substantia humani corporis nullo modo potest his accidentibus affici; neque etiam est possibile quod corpus Christi, gloriosum et impassibile existens, alteretur ad suscipiendas huiusmodi qualitates. Dicunt autem quidam quod sunt, sicut in subiecto, in aere circumstante. Sed nec hoc esse potest. Primo quidem, quia aer non est huiusmodi accidentium susceptivus. Secundo, quia huiusmodi accidentia non sunt ubi est aer. Quinimmo ad motum harum specierum aer depellitur. Tertio, quia accidentia non transeunt de subiecto in subiectum, ut scilicet idem accidens numero quod primo fuit in uno subiecto, postmodum fiat in alio. Accidens enim numerum accipit a subiecto. Unde non potest esse quod, idem numero manens, sit quandoque in hoc, quandoque in alio subiecto. Quarto quia, cum aer non spolietur accidentibus propriis, simul haberet accidentia propria et aliena. Nec potest dici quod hoc fiat miraculose virtute consecrationis, quia verba consecrationis hoc non significant; quae tamen non efficiunt nisi significatum. Et ideo relinquitur quod accidentia in hoc sacramento manent sine subiecto. Quod quidem virtute divina fieri potest. Cum enim effectus magis dependeat a causa prima quam a causa secunda, potest Deus, qui est prima causa substantiae et accidentis, per suam infinitam virtutem conservare in esse accidens subtracta substantia, per quam conservabatur in esse sicut per propriam causam, sicut etiam alios effectus naturalium causarum potest producere sine naturalibus causis; sicut corpus humanum formavit in utero virginis sine virili semine. (IIIa q. 77 a. 1 co.)

De bijkomstigheden van het brood en de wijn, wier voortbestaan na de consecratie in dit Sacrament zintuigelijk wordt vastgesteld, vinden geen subject in de zelfstandigheid van het brood en de wijn, die immers niet blijft, zoals boven is aangetoond (75° Kw. 2° Art.). Ook niet in de zelfstandigheidsvorm, die evenmin blijft (t.a.p. 6° Art.) en, als hij zou blijven, toch niet subject zou kunnen zijn, zoals blijkt bij Boëtius. Ook is het duidelijk, dat deze bijkomstigheden geen subject vinden in de zelfstandigheid van het Lichaam en Bloed van Christus: want de zelfstandigheid van het menselijk lichaam kan onmogelijk deze bijkomstigheden dragen; het Lichaam van Christus, verheerlijkt en onlijdbaar als het is, kan ook niet zo worden veranderd, dat het dergelijke hoedanigheden aanneemt. Maar sommigen zeggen, dat zij een subject vinden in de omringende lucht. Doch ook dat is onmogelijk. Vooreerst omdat de lucht deze bijkomstigheden niet kan opnemen. — Ten tweede omdat deze bijkomstigheden niet zijn, waar de lucht is. Veeleer wijkt de lucht, als deze gedaanten van plaats veranderen. — Ten derde omdat « bijkomstigheden niet overgaan van subject tot subject »: nl. zo dat één en dezelfde bijkomstigheid eerst in het ene subject is en daarna in een ander. Een bijkomstigheid immers wordt tot deze bijkomstigheid door het subject. En daarom kan zij niet, zichzelf blijvend, nu eens in dit subject, dan weer in een ander zijn. — Ten vierde omdat de lucht, die niet van haar eigen bijkomstigheden wordt beroofd, tegelijk haar eigen en vreemde bijkomstigheden zou hebben. — Men kan ook niet zeggen, dat dit door een wonder gebeurt uit kracht van de consecratie: want de woorden van de consecratie, die buiten het betekende niets uitwerken, betekenen dit niet. Dus blijft er niets anders over dan dat de bijkomstigheden in dit Sacrament zonder subject voortbestaan. Hetgeen door Gods kracht mogelijk is. Daar immers het uitwerksel méér van de eerste oorzaak dan van de tweede oorzaak afhangt, kan God, die de eerste oorzaak is van de zelfstandigheid en van de bijkomstigheid, door Zijn oneindige kracht de bijkomstigheid in het zijn bewaren bij wegvallen van de zelfstandigheid, waardoor zij als door de eigen oorzaak in het zijn werd bewaard: gelijk Hij ook de andere uitwerkselen van de natuurlijke oorzaken zonder de natuurlijke oorzaken kan voortbrengen, zoals Hij een menselijk Lichaam in de schoot der Maagd « zonder het zaad van een man heeft gevormd ».

Ad primum ergo dicendum quod nihil prohibet aliquid esse ordinatum secundum communem legem naturae, cuius tamen contrarium est ordinatum secundum speciale privilegium gratiae, ut patet in resuscitatione mortuorum, et in illuminatione caecorum, prout etiam in rebus humanis quaedam aliquibus conceduntur ex speciali privilegio praeter communem legem. Et ita, licet sit secundum communem naturae ordinem quod accidens sit in subiecto, ex speciali tamen ratione, secundum ordinem gratiae, accidentia sunt in hoc sacramento sine subiecto, propter rationes supra inductas. (IIIa q. 77 a. 1 ad 1)

1 — Er is niets op tegen dat iets een bepaalde orde heeft gekregen volgens de gewone wet van de natuur, terwijl het toch een tegengestelde orde heeft gekregen volgens een bijzonder voorrecht van de genade, zoals blijkt in de opwekking van doden en in het ziend maken van blinden: gelijk ook in het menselijk leven aan sommigen door een bijzonder voorrecht enige dingen tegen de gewone wet worden toegestaan. Op die manier dan zijn, om de boven aangehaalde redenen (75° Kw. 5° Art.), de bijkomstigheden in dit Sacrament zonder subject, al wil de gewone wet van de natuur, dat de bijkomstigheid in een subject is.

Ad secundum dicendum quod, cum ens non sit genus, hoc ipsum quod est esse, non potest esse essentia vel substantiae vel accidentis. Non ergo definitio substantiae est ens per se sine subiecto, nec definitio accidentis ens in subiecto sed quidditati seu essentiae substantiae competit habere esse non in subiecto; quidditati autem sive essentiae accidentis competit habere esse in subiecto. In hoc autem sacramento non datur accidentibus quod ex vi suae essentiae sint sine subiecto, sed ex divina virtute sustentante. Et ideo non desinunt esse accidentia, quia nec separatur ab eis definitio accidentis, nec competit eis definitio substantiae. (IIIa q. 77 a. 1 ad 2)

2 — Daar het zijnde geen geslacht is, is het uitgesloten, dat « zijn » de wezenheid van de zelfstandigheid of van de bijkomstigheid is. Dus is de begripsbepaling van de zelfstandigheid niet: « een zijnde op zich zonder subject », noch de begripsbepaling van de bijkomstigheid: « een zijnde in een subject », nee, maar aan de watheid of wezenheid van de zelfstandigheid « komt het toe het zijn niet in een subject te hebben »; aan de watheid of wezenheid echter van de bijkomstigheid: « komt het toe het zijn in een subject te hebben ». Nu wordt in dit Sacrament aan de bijkomstigheden niet gegeven, dat zij uit de kracht van haar wezenheid zijn zonder subject maar uit Gods instandhoudende kracht. En daarom houden zij niet op bijkomstigheden te zijn, omdat de begripsbepaling van de bijkomstigheid niet van haar wordt gescheiden en de begripsbepaling van de zelfstandigheid niet op haar toepasbaar is.

Ad tertium dicendum quod huiusmodi accidentia acquisierunt esse individuum in substantia panis et vini, qua conversa in corpus et sanguinem Christi, remanent virtute divina accidentia in illo esse individuato quod prius habebant. Unde sunt singularia et sensibilia. (IIIa q. 77 a. 1 ad 3)

3 — Deze bijkomstigheden hebben het vereenvoudigd zijn gekregen in de zelfstandigheid van het brood en de wijn; wanneer deze is veranderd in het Lichaam en Bloed van Christus, blijven door Gods kracht de bijkomstigheden in dat vereenvoudigd zijn, wat zij eerst hadden. En zo zijn ze eenlingen en zijn zij zintuigelijk kenbaar.

Ad quartum dicendum quod accidentia huiusmodi, manente substantia panis et vini, non habebant ipsa esse nec alia accidentia, sed substantia eorum habebat huiusmodi esse per ea; sicut nix est alba per albedinem. Sed post consecrationem ipsa accidentia quae remanent, habent esse. Unde sunt composita ex esse et quod est, sicut in prima parte de Angelis dictum est. Et cum hoc, habent compositionem partium quantitativarum. (IIIa q. 77 a. 1 ad 4)

4 — Toen de zelfstandigheid van het brood en de wijn er nog was, hadden deze bijkomstigheden zelf niet het zijn evenmin als andere bijkomstigheden: haar zelfstandigheid had een dergelijk zijn door haar, zoals de sneeuw wit is door de witheid. Maar na de consecratie hebben de bijkomstigheden, die overblijven, zelf het zijn. En zo zijn ze samengesteld uit zijn en wat is, zoals in het Eerste Deel van de engelen is gezegd (I. 50° Kw. 2° Art. 3° Antw.; 75° Kw. 5° Art. 4° Antw.). Bovendien hebben ze nog de samenstelling van de delen harer hoogheid.

Articulus 2.
Is in dit Sacrament de meetbare hoegrootheid van het brood en den wijn het subject van de andere bijkomstigheden?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod in hoc sacramento quantitas dimensiva panis vel vini non sit aliorum accidentium subiectum. Accidentis enim non est accidens, nulla enim forma potest esse subiectum, cum subiici pertineat ad proprietatem materiae. Sed quantitas dimensiva est quoddam accidens. Ergo quantitas dimensiva non potest esse subiectum aliorum accidentium. (IIIa q. 77 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat in dit Sacrament de meetbare hoegrootheid niet het subject is van de andere bijkomstigheden. Hamers een bijkomstigheid heeft geen bijkomstigheid: want geen enkele vorm kan subject zijn, daar « subiici » d. i. « onderstaan » tot de eigenaardigheid van de stof behoort. Nu is de meetbare hoegrootheid een bijkomstigheid. Dus kan de meetbare hoegrootheid niet het subject van de andere bijkomstigheden zijn.

Praeterea, sicut quantitas individuatur ex substantia, ita etiam et alia accidentia. Si ergo quantitas dimensiva panis aut vini remanet individuata secundum esse prius habitum, in quo conservatur, pari ratione et alia accidentia remanent individuata secundum esse quod prius habebant in substantia. Non ergo sunt in quantitate dimensiva sicut in subiecto, cum omne accidens individuetur per suum subiectum. (IIIa q. 77 a. 2 arg. 2)

2 — Gelijk de hoogheid wordt vereenlingd door de zelfstandigheid, zo ook de andere bijkomstigheden. Indien derhalve de meetbare hoogheid van het brood en de wijn vereenlingd blijft volgens het zijn, dat zij eerst had en waarin zij wordt bewaard, dan blijven op dezelfde wijze ook de andere bijkomstigheden vereenlingd volgens het zijn, dat zij eerst in de zelfstandigheid hadden. Dus zijn zij niet als in haar subject in de meetbare hoogte: want iedere bijkomstigheid wordt vereenlingd door haar subject.

Praeterea, inter alia accidentia panis et vini quae remanent, deprehenduntur etiam sensu rarum et densum. Quae non possunt esse in quantitate dimensiva praeter materiam existente, quia rarum est quod habet parum de materia sub dimensionibus magnis; densum autem quod habet multum de materia sub dimensionibus parvis, ut dicitur in IV Physic. Ergo videtur quod quantitas dimensiva non possit esse subiectum accidentium quae remanent in hoc sacramento. (IIIa q. 77 a. 2 arg. 3)

3 — Onder de andere overblijvende bijkomstigheden van het brood en de wijn stelt men ook zintuigelijk vast het ijle en het dichte. Deze kunnen niet in de zonder stof bestaande meetbare hoogte zijn: want ijl is, wat weinig stof heeft onder grote afmetingen, terwijl dicht is, wat veel stof heeft onder kleine afmetingen, zoals in de *Physica* gezegd wordt. Dus schijnt de meetbare hoogte niet het subject te kunnen zijn van de overblijvende bijkomstigheden.

Praeterea, quantitas a subiecto separata videtur esse quantitas mathematica, quae non est subiectum qualitatum sensibilium. Cum ergo accidentia quae remanent in hoc sacramento sint sensibilia, videtur quod non possint esse in hoc sacramento sicut in subiecto in quantitate panis et vini remanente post consecrationem. (IIIa q. 77 a. 2 arg. 4)

4 — Een van het subject gescheiden hoogte scheidt een wiskundige hoogte te zijn, welke geen subject is van zintuigelijk kenbare hoedanigheden. Daar derhalve de in dit Sacrament overblijvende bijkomstigheden zintuigelijk kenbaar zijn, schijnen zij niet haar subject te kunnen vinden in dit Sacrament in de hoogte van het brood en de wijn, die na de consecratie overblijft.

Sed contra est quod qualitates non sunt divisibiles nisi per accidens, scilicet ratione subiecti. Dividuntur autem qualitates remanentes in hoc sacramento per divisionem quantitatis dimensivae, sicut patet ad sensum. Ergo quantitas dimensiva est subiectum accidentium quae remanent in hoc sacramento. (IIIa q. 77 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat hoedanigheden niet verdeelbaar zijn tenzij om iets anders, namelijk vanwege het subject. Nu worden de in dit Sacrament overblijvende hoedanigheden door verdeling van de meetbare hoogtehoed verdeeld, zoals zintuigelijk blijkt. Dus is de meetbare hoogtehoed het subject van de in dit Sacrament overblijvende bijkomstigheden.

Respondeo dicendum quod necesse est dicere accidentia alia quae remanent in hoc sacramento, esse sicut in subiecto in quantitate dimensiva panis vel vini remanente. Primo quidem, per hoc quod ad sensum apparet aliquod quantum esse ibi coloratum et aliis accidentibus affectum, nec in talibus sensus decipitur. Secundo, quia prima dispositio materiae est quantitas dimensiva, unde et Plato posuit primas differentias materiae magnum et parvum. Et quia primum subiectum est materia, consequens est quod omnia alia accidentia referantur ad subiectum mediante quantitate dimensiva, sicut et primum subiectum coloris dicitur superficies esse, ratione cuius quidam posuerunt dimensiones esse substantias corporum, ut dicitur in III Metaphys. Et quia, subtracto subiecto, remanent accidentia secundum esse quod prius habebant, consequens est quod omnia accidentia remanent fundata super quantitatem dimensivam. Tertio quia, cum subiectum sit principium individuationis accidentium, oportet id quod ponitur aliquorum accidentium subiectum esse, aliquo modo esse individuationis principium. Est enim de ratione individui quod non possit in pluribus esse. Quod quidem contingit dupliciter. Uno modo, quia non est natum in aliquo esse, et hoc modo formae immateriales separatae, per se subsistentes, sunt etiam per seipsas individuae. Alio modo, ex eo quod forma substantialis vel accidentalis est quidem nata in aliquo esse, non tamen in pluribus, sicut haec albedo, quae est in hoc corpore. Quantum igitur ad primum, materia est individuationis principium omnibus formis inhaerentibus, quia, cum huiusmodi formae, quantum est de se, sint natae in aliquo esse sicut in subiecto, ex quo aliqua earum recipitur in materia, quae non est in alio, iam nec ipsa forma sic existens potest in alio esse. Quantum autem ad secundum, dicendum est quod individuationis principium est quantitas dimensiva. Ex hoc enim aliquid est natum esse in uno solo, quod illud est in se indivisum et divisum ab omnibus aliis. Divisio autem accidit substantiae ratione quantitatis, ut dicitur in I Physic. Et ideo ipsa quantitas dimensiva est quoddam individuationis principium huiusmodi formis, inquantum scilicet diversae formae numero sunt in diversis partibus materiae. Unde ipsa quantitas dimensiva secundum se habet quandam individuationem, ita quod possumus imaginari plures lineas eiusdem speciei differentes positione, quae cadit in ratione quantitatis huius; convenit enim dimensioni quod sit quantitas positionem habens. Et ideo potius quantitas dimensiva potest esse subiectum aliorum accidentium quam e converso. (IIIa q. 77 a. 2 co.)

Men moet zeggen, dat de andere bijkomstigheden, die in dit Sacrament overblijven, haar subject vinden in de overblijvende meetbare hoogte van het brood en de wijn. En wel vooreerst, omdat zintuigelijk blijkt, dat er iets hoegroots aanwezig is, van kleur en andere bijkomstigheden voorzien, terwijl in dergelijke dingen de zinnen zich niet bedriegen. — Ten tweede, omdat de eerste bepaling van de stof de meetbare hoogte is: vandaar dat Plato als eerste onderscheidingen van de stof groot en klein stelde. En omdat het eerste subject de stof is, zijn bijgevolg alle andere bijkomstigheden op het subject betrokken door tussenkomst van de meetbare hoogte, zoals ook als eerste subject van de kleur de oppervlakte wordt genoemd: reden waarom sommigen de afmetingen tot de zelfstandigheden van de lichamen hebben gemaakt, zoals gezegd wordt in de Metaphysica. Daar nu, bij het wegvallen van het subject, de bijkomstigheden overblijven volgens het zijn, dat zij eerst bezaten, blijven bij gevolg alle bijkomstigheden rusten op de meetbare hoogte. — Ten derde, omdat op een of andere wijze beginsel van vereenling moet zijn, wat als subject van enige bijkomstigheden wordt opgegeven. Het behoort namelijk tot het wezen van het vereenlende, dat het niet in meerdere kan zijn. En dat heeft plaats op twee manieren. Ofwel omdat het niet in staat is in iets te zijn en op deze manier zijn de afgescheiden onstoffelijke vormen, welke op zich bestaan, ook door zich zelf vereenlengd. Ofwel omdat een zelfstandige of bijkomstige vorm wel in staat is in iets te zijn, maar niet in meerdere, zoals deze witheid, die in dit lichaam is. Wat dan het eerste aangaat, is de stof het eenlingmakende beginsel van alle gedragen vormen, want weliswaar zijn dergelijke vormen op zich in staat in iets te zijn als in een subject, maar zodra een van haar wordt ontvangen in de stof, die niet in iets anders is, kan ook die vorm zelf, zo bestaande, niet in iets anders zijn. Wat echter het tweede aangaat, moet men zeggen, dat het eenlingmakende beginsel de meetbare hoogte is. Immers hierdoor is iets in staat om maar in één ding te zijn, doordat dit onverdeeld is in zich en afgedeeld van alle andere dingen. Welnu, de verdeling komt aan de zelfstandigheid toe krachtens de hoogte, zoals in de *Physica* gezegd wordt. En dus is voor zulke vormen de meetbare hoogte zichtbaar en beginsel van vereenliging, inzover namelijk een veelvoud van vormen in een veelvoud van stofdelen is. Daarom heeft de meetbare hoogte zichtbaar zelf op zich zelf een zekere vereenliging, zóó dat wij ons meerdere lijnen kunnen verbeelden, verschillend alleen door de ligging, die tot het begrip van deze hoogte behoeft; aan de afmeting immers komt toe ligging-hebbende hoogte te zijn. Derhalve kan de meetbare hoogte een toepasselijke en bijkomstige eigenschap hebben dan omgekeerd.

Ad primum ergo dicendum quod accidens per se non potest esse subiectum alterius accidentis, quia non per se est. Secundum vero quod est in alio, unum accidens dicitur esse subiectum alterius, inquantum unum accidens recipitur in subiecto alio mediante, sicut superficies dicitur esse subiectum coloris. Unde, quando accidenti datur divinitus ut per se sit, potest etiam per se alterius accidentis esse subiectum. (IIIa q. 77 a. 2 ad 1)

1 — Op zich kan een bijkomstigheid niet het subject zijn van een andere bijkomstigheid, daar zij niet op zich is. Maar zijnde in iets anders wordt de ene bijkomstigheid subject van de andere genoemd, voorzover de ene bijkomstigheid in het subject wordt ontvangen door tussenkomst van de andere, zoals de oppervlakte het subject van de kleur wordt genoemd. Wanneer dus aan een bijkomstigheid van Godswege gegeven wordt op zich te zijn, kan zij ook op zich subject zijn van een andere bijkomstigheid.

Ad secundum dicendum quod alia accidentia, etiam secundum quod erant in substantia panis, individuabantur mediante quantitate dimensiva, sicut dictum est. Et ideo potius quantitas dimensiva est subiectum aliorum accidentium remanentium in hoc sacramento quam e converso. (IIIa q. 77 a. 2 ad 2)

2 — Ook toen zij nog in de zelfstandigheid van het brood waren, werden de andere bijkomstigheden vereenigd door tussenkomst van de meetbare hoogte, gelijk gezegd is (in de Leerst.). En daarom is de meetbare hoogte eerder subject van de andere overblijvende bijkomstigheden dan omgekeerd.

Ad tertium dicendum quod rarum et densum sunt quaedam qualitates consequentes corpora ex hoc quod habent multum vel parum de materia sub dimensionibus, sicut etiam omnia alia accidentia consequuntur ex principiis substantiae. Et sicut, subtracta substantia, divina virtute conservantur alia accidentia; ita, subtracta materia, divina virtute conservantur qualitates materiam consequentes, sicut rarum et densum. (IIIa q. 77 a. 2 ad 3)

3 — Het ijle en het dichte zijn hoedanigheden, die aan de lichamen toekomen, voorzover deze veel of weinig stof hebben onder de afmetingen: zoals ook alle andere bijkomstigheden eraan toekomen uit kracht van samenstellende beginselen de zelfstandigheid. En zoals nu, bij het wegvallen van de zelfstandigheid, door Gods kracht de andere bijkomstigheden in stand worden gehouden, zo worden ook, bij het wegvallen van de stof, door Gods kracht die hoedanigheden in stand gehouden, welke aan de stof toekomen, zoals het ijle en het dichte.

Ad quartum dicendum quod quantitas mathematica non abstrahit a materia intelligibili, sed a materia sensibili, ut dicitur VII Metaphys. Dicitur autem materia sensibilis ex hoc quod subiicitur sensibilibus qualitatibus. Et ideo manifestum est quod quantitas dimensiva quae remanet in hoc sacramento sine subiecto, non est quantitas mathematica. (IIIa q. 77 a. 2 ad 4)

4 — De wiskundige hoogte ziet niet af van verstandelijk kenbare maar van zintuigelijk kenbare stof, zoals gezegd wordt in de Metaphysica. Nu wordt stof zintuigelijk kenbaar genoemd, als zij zintuigelijk kenbare hoedanigheden in zich heeft. Dus is het duidelijk, dat de in dit Sacrament zonder subject overblijvende meetbare hoogte niet een wiskundige hoogte is.

Articulus 3.
Kunnen de in dit Sacrament overblijvende gedaanten iets buiten haar veranderen?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod species quae remanent in hoc sacramento, non possint immutare aliquod extrinsecum. Probatur enim in VII Metaphysic. quod formae quae sunt in materia, fiunt a formis quae sunt in materia, non autem a formis quae sunt sine materia, eo quod simile agit sibi simile. Sed species sacramentales sunt species sine materia, quia remanent sine subiecto, ut ex dictis patet. Non ergo possunt immutare materiam exteriorem, inducendo aliquam formam. (IIIa q. 77 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de in dit Sacrament overblijvende gedaanten niet iets buiten haar kunnen veranderen. In de Metaphysica wordt immers bewezen, dat vormen in de stof ontstaan door vormen in de stof, niet door vormen zonder stof, aangezien het gelijke het gelijke voortbrengt. Nu zijn de sacramentale gedaanten gedaanten zonder stof, daar zij overblijven zonder subject, zoals uit het gezegde blijkt (1e Art.). Dus kunnen zij niet een buitenliggende stof veranderen door er een vorm in te brengen.

Praeterea, cessante actione primi agentis, necesse est quod cesset actio instrumenti, sicut, quiescente fabro, non movetur martellus. Sed omnes formae accidentales agunt instrumentaliter in virtute formae substantialis tanquam principalis agentis. Cum ergo in hoc sacramento non remaneat forma substantialis panis et vini, sicut supra habitum est, videtur quod formae accidentales remanentes agere non possunt ad immutationem exterioris materiae. (IIIa q. 77 a. 3 arg. 2)

2 — Wanneer de handeling van de eerste werker ophoudt, moet ook de handeling van het werktuig ophouden, zoals, wanneer de werkman rust, de hamer stil ligt. Nu werken alle bijkomstigheden werktuigelijk in de kracht van de zelfstandige vorm als hoofdwerker. Daar derhalve in dit Sacrament de zelfstandige vorm van het brood en de wijn niet blijft, zoals boven is aangetoond (75° Kw. 6° Art.), schijnen de overblijvende bijkomstige vormen niet te kunnen werken tot verandering van de buitenliggende stof.

Praeterea, nihil agit extra suam speciem, quia effectus non potest esse potior causa. Sed species sacramentales omnes sunt accidentia. Non ergo possunt exteriorem materiam immutare, ad minus ad formam substantialem. (IIIa q. 77 a. 3 arg. 3)

3 — Niets werkt boven zijn eigen soort, daar het uitwerksel niet voornamer kan zijn dan de oorzaak. Nu zijn de sacramentale gedaanten alle bijkomstigheden. Dus kunnen zij de buitenliggende stof niet veranderen, minstens niet tot een zelfstandigheidsvorm.

Sed contra est quod, si non possent immutare exteriora corpora, non possent sentiri, sentitur enim aliquid per hoc quod immutatur sensus a sensibili, ut dicitur II de anima. (IIIa q. 77 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter dat, als zij de buitenliggende lichamen niet konden veranderen, zij niet zintuigelijk waargenomen zouden kunnen worden: immers wordt iets zintuigelijk waargenomen doordat het zintuig door het zintuigelijk waarneembare voorwerp veranderd wordt, gelijk gezegd wordt in De Anima.

Respondeo dicendum quod, quia unumquodque agit inquantum est ens actu, consequens est quod unumquodque, sicut se habet ad esse, ita se habet ad agere. Quia igitur, secundum praedicta, speciebus sacramentalibus datum est divina virtute ut remaneant in suo esse quod habebant substantia panis et vini existente, consequens est quod etiam remaneant in suo agere. Et ideo omnem actionem quam poterant agere substantia panis et vini existente, possunt etiam agere substantia panis et vini transeunte in corpus et sanguinem Christi. Unde non est dubium quod possunt immutare exteriora corpora. (IIIa q. 77 a. 3 co.)

Omdat elk ding werkt, voorzover het een daadwerkelijk zijnde is, verhoudt elk ding zich tot het werken, zoals het zich verhoudt tot het zijn. Daar derhalve, volgens het vroeger gezegde (1° Art. 3° Antw.), aan de sacramentale gedaanten door Gods kracht gegeven is om te blijven in haar zijn, dat zij bezaten, toen de zelfstandigheid van het brood en de wijn nog bestond, blijven zij bijgevolg ook in haar werken. Alle werking dus, welke zij tijdens het bestaan van het brood en de wijn konden volvoeren, kunnen zij ook volvoeren, wanneer de zelfstandigheid van het brood en de wijn overgaat in het Lichaam en Bloed van Christus. Daarom lijdt het geen twijfel, dat zij buitenliggende lichamen kunnen veranderen.

Ad primum ergo dicendum quod species sacramentales, licet sint formae sine materia existentes, retinent tamen idem esse quod habebant prius in materia. Et ideo secundum suum esse assimilantur formis quae sunt in materia. (IIIa q. 77 a. 3 ad 1)

1 — Al zijn de sacramentale gedaanten vormen, die zonder stof bestaan, toch behouden zij hetzelfde zijn, dat zij eerst in de stof hadden. Naar haar zijn dus staan zij gelijk met vormen, die in de stof zijn.

Ad secundum dicendum quod ita actio formae accidentalis dependet ab actione formae substantialis, sicut esse accidentis dependet ab esse substantiae. Et ideo, sicut divina virtute datur speciebus sacramentalibus ut possint esse sine substantia, ita datur eis ut possint agere sine forma substantiali, virtute Dei, a quo sicut a primo agente dependet omnis actio formae et substantialis et accidentalis. (IIIa q. 77 a. 3 ad 2)

2 — De werking van de bijkomstige vorm hangt zo van de werking van de zelfstandige vorm af, als het zijn van de bijkomigheid afhangt van het zijn van de zelfstandigheid. Zoals daarom door Gods kracht aan de sacramentale gedaanten gegeven wordt zonder de zelfstandigheid te kunnen zijn, zo wordt haar ook gegeven zonder de zelfstandige vorm te kunnen werken, door Gods kracht, van wie als van de eerste Werker alle werking én van zelfstandige vorm én van bijkomstige vorm afhangt.

Ad tertium dicendum quod immutatio quae est ad formam substantialem, non fit a forma substantiali immediate, sed mediantibus qualitatibus activis et passivis, quae agunt in virtute formae substantialis. Haec autem virtus instrumentalis conservatur in speciebus sacramentalibus divina virtute sicut et prius erat. Et ideo possunt agere ad formam substantialem instrumentaliter, per quem modum aliquid potest agere ultra suam speciem, non quasi virtute propria, sed virtute principalis agentis. (IIIa q. 77 a. 3 ad 3)

3 — De verandering, die uitloopt op de zelfstandige vorm, geschiedt niet onmiddellijk door de zelfstandige vorm maar door tussenkomst van werkdadige en lijdende hoedanigheden, die in de kracht van de zelfstandige vorm werken. Deze werktuigelijke kracht nu wordt door Gods kracht in de sacramentale gedaante zo in stand gehouden, als zij eerst was. Derhalve kunnen zij werktuigelijk werken tot de zelfstandige vorm: op die wijze immers kan iets boven zijn soort werken, niet als door eigen kracht maar door de kracht van de hoofdwerker.

Articulus 4.
Kunnen de sacramentele gedaanten vergaan?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod species sacramentales corrumpi non possunt. Corruptio enim accidit per separationem formae a materia. Sed materia panis non remanet in hoc sacramento, ut ex supra dictis patet. Ergo huiusmodi species non possunt corrumpi. (IIIa q. 77 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de sacramentale gedaanten niet kunnen vergaan. Vergaan toch heeft plaats, doordat de vorm van de stof gescheiden wordt. Welnu, de stof van het brood blijft niet in dit Sacrament, zoals uit het boven substantialis et accidentalis. gezegde blijkt (75° Kw. 4° en 8° Art.). Dus kunnen deze gedaanten niet vergaan.

Praeterea, nulla forma corrumpitur nisi per accidens, corrupto subiecto, unde formae per se subsistentes incorruptibiles sunt, sicut patet in substantiis spiritualibus. Sed species sacramentales sunt formae sine subiecto. Ergo corrumpi non possunt. (IIIa q. 77 a. 4 arg. 2)

2 — Geen enkele vorm vergaat tenzij door iets anders, t.w. door het vergaan van het subject: daarom zijn op zich bestaande vormen onvergankelijk, zoals blijkt bij de geestelijke zelfstandigheden. Nu zijn de sacramentale gedaanten vormen zonder subject. Dus kunnen zij niet vergaan.

Praeterea, si corrumpuntur, aut hoc erit naturaliter, aut miraculose. Sed non naturaliter, quia non est ibi assignare aliquod corruptionis subiectum, quod maneat corruptione terminata. Similiter etiam nec miraculose, quia miracula quae sunt in hoc sacramento, fiunt virtute consecrationis, per quam species sacramentales conservantur; non est autem idem causa conservationis et corruptionis. Ergo nullo modo species sacramentales corrumpi possunt. (IIIa q. 77 a. 4 arg. 3)

3 — Als zij vergaan, dan zal dat op natuurlijke wijze of door een wonder geschieden. Welnu, niet op natuurlijke wijze, want men kan hier niet een of ander subject van vergaan aanwijzen, dat zou blijven na het vergaan. Evenmin door een wonder, want de in dit Sacrament optredende wonderen gebeuren door de kracht van de consecratie, waardoor de sacramentale gedaanten in stand worden gehouden; iets is echter niet oorzaak van behoud en tevens van vergaan. Dus kunnen de sacramentale gedaanten op geen enkele wijze vergaan.

Sed contra est quod sensu deprehenditur hostias consecratas putrefieri et corrumpi. (IIIa q. 77 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat men zintuigelijk bemerkt hoe geconsacreerde hosties bederven en vergaan.

Respondeo dicendum quod corruptio est motus ex esse in non esse. Dictum est autem supra quod species sacramentales retinent idem esse quod prius habebant substantia panis et vini existente. Et ideo, sicut esse horum accidentium poterat corrumpi substantia panis et vini existente, ita etiam potest corrumpi illa substantia abeunte. Poterant autem huiusmodi accidentia primo corrumpi dupliciter, uno modo, per se; alio modo, per accidens. Per se quidem, sicut per alterationem qualitatum, et augmentum vel diminutionem quantitatis, non quidem per modum augmenti vel diminutionis, qui invenitur in solis corporibus animatis, qualia non sunt substantia panis et vini, sed per additionem vel divisionem; nam, sicut dicitur in III Metaphys., per divisionem una dimensio corrumpitur et fiunt duae, per additionem autem e converso ex duabus fit una. Et per hunc modum manifeste possunt corrumpi huiusmodi accidentia post consecrationem, quia et ipsa quantitas dimensiva remanens potest divisionem et additionem recipere; et, cum sit subiectum qualitatum sensibilium, sicut dictum est, potest etiam esse subiectum alterationis eorum, puta si alteretur color aut sapor panis aut vini. Alio modo poterant corrumpi per accidens, per corruptionem subiecti. Et hoc modo possunt corrumpi etiam post consecrationem. Quamvis enim subiectum non remaneat, remanet tamen esse quod habebant huiusmodi accidentia in subiecto, quod quidem est proprium et conforme subiecto. Et ideo huiusmodi esse potest corrumpi a contrario agente, sicut corrumpebatur substantia panis vel vini, quae etiam non corrumpebatur nisi praecedente alteratione circa accidentia. Distinguendum tamen est inter utramque praedictarum corruptionum. Quia, cum corpus Christi et sanguis succedant in hoc sacramento substantiae panis et vini, si fiat talis immutatio ex parte accidentium quae non suffecisset ad corruptionem panis et vini, propter talem immutationem non desinit corpus et sanguis Christi esse sub hoc sacramento, sive fiat immutatio ex parte qualitatis, puta cum modicum immutatur color aut sapor vini aut panis; sive ex parte quantitatis, sicut cum dividitur panis aut vinum in tales partes quod adhuc in eis possit salvari natura panis aut vini. Si vero fiat tanta immutatio quod fuisset corrupta substantia panis aut vini, non remanent corpus et sanguis Christi sub hoc sacramento. Et hoc tam ex parte qualitatum, sicut cum ita immutatur color et sapor et aliae qualitates panis aut vini quod nullo modo posset compati natura panis aut vini, sive etiam ex parte quantitatis, puta si pulverizetur panis, vel vinum in minimas partes dividatur, ut iam non remaneant species panis vel vini. (IIIa q. 77 a. 4 co.)

Het vergaan is de verandering van het zijn in het niet-zijn. Welnu, boven is gezegd (3° Art.), dat de sacramentale gedaanten hetzelfde zijn behouden, als zij bezaten, toen de zelfstandigheid van het brood en de wijn er nog was. Zoals dus het zijn van deze bijkomstigheden kon vergaan tijdens het bestaan van de zelfstandigheid van het brood en de wijn, zo kan het ook vergaan, wanneer die zelfstandigheid verdwijnt. Nu konden deze bijkomstigheden eerst op een dubbele wijze vergaan: en wel op zich en vervolgens door iets anders. Op zich d.w.z. door verandering van de hoedanigheden en door vermeerdering of vermindering van de hoogte: weliswaar niet op de wijze van vermeerdering of vermindering, die men alleen aantreft bij levende lichamen, waartoe de zelfstandigheid van brood en wijn niet behoort, maar door toevoeging of verdeling, want, zoals in de Metaphysica gezegd wordt, bij verdeling vergaat de ene afmeting en ontstaan er twee, terwijl er daarentegen door toevoeging uit twee één ontstaat. En het is duidelijk, dat op die wijze deze bijkomstigheden na de consecratie kunnen vergaan: immers kan de overblijvende meetbare hoogte zelf verdeling en toevoeging ondergaan, terwijl zij ook, daar zij het subject is van zintuigelijk waarneembare hoedanigheden, zoals gezegd is (2° Art.), het subject van de verandering daarom kan zijn b.v. als de kleur of de smaak van brood en wijn verandert. Bovendien konden zij door iets anders vergaan d. i. door het vergaan van het subject. En op deze wijze kunnen zij ook na de consecratie vergaan. Want hoewel het subject niet blijft, blijft toch het zijn, dat deze bijkomstigheden in het subject bezaten en dat eigen en aangepast is aan het subject. En dus kan dit zijn door toedoen van een tegengestelden werker vergaan, juist zoals de zelfstandigheid van brood en wijn verging: deze verging trouwens niet, als er geen verandering in de bijkomstigheden voorafging. Men moet evenwel een onderscheid maken tussen de beide genoemde wijzen van vergaan. Want uit het feit, dat in dit Sacrament de zelfstandigheid van het brood en de wijn wordt opgevolgd door het Lichaam en Bloed van Christus, valt af te leiden, dat, als er aan de kant van de bijkomstigheden een verandering plaats heeft, welke niet voldoende zou zijn geweest voor het vergaan van het brood en de wijn, het Lichaam en Bloed van Christus tengevolge van zo'n verandering niet ophoudt in dit Sacrament tegenwoordig te zijn: om het even of er een verandering plaats heeft in de hoedanigheid b.v. als de kleur of de smaak van het brood en de wijn een weinig verandert, dan wel in de hoegrootheid, zoals wanneer het brood of de wijn in zulke delen wordt verdeeld, dat de natuur van brood of wijn er nog in behouden blijft. — Als er echter zo'n grote verandering plaats heeft, dat de zelfstandigheid van het brood of van de wijn zou zijn vergaan, blijft het Lichaam en Bloed van Christus niet in dit Sacrament En dit geldt zoowel van de hoedanigheden, zoals wanneer de kleur en de smaak en de andere hoedanigheden van het brood en de wijn in zulk een mate veranderen, als de natuur van het brood en de wijn volstrekt niet zou toelaten; als ook van de hoegrootheid b.v. wanneer het brood tot stof wordt vermalen of de wijn in allerkleinste deeltjes werd verdeeld, zóó dat de soort van brood en wijn niet gehandhaafd bleef.

Ad primum ergo dicendum quod, quia ad corruptionem per se pertinet quod auferatur esse rei inquantum esse alicuius formae est in materia, consequens est quod per corruptionem separetur forma a materia. Si vero huiusmodi esse non esset in materia, simile tamen ei quod est in materia, posset per corruptionem auferri etiam materia non existente, sicut accidit in hoc sacramento, ut ex dictis patet. (IIIa q. 77 a. 4 ad 1)

1 — Tot het vergaan behoort uiteraard, dat het zijn van een ding wordt weggenomen. Voorzover dus het zijn van een vorm in de stof is, wordt gevolgd door het vergaan de vorm van de stof gescheiden. Indien dit zijn evenwel niet in de stof was, maar toch geleek op het zijn in de stof, dan kon het door vergaan weggenomen worden, al bestond er dan geen stof: zoals in het Sacrament gebeurt, gelijk uit het gezegde blijkt (in de Leerst.).

Ad secundum dicendum quod species sacramentales, licet sint formae non in materia, habent tamen esse quod prius in materia habebant. (IIIa q. 77 a. 4 ad 2)

2 — Hoewel de sacramentale gedaanten vormen zijn, die zich niet in de stof bevinden, hebben zij toch het zijn dat zij eerst in de stof hadden.

Ad tertium dicendum quod corruptio illa specierum non est miraculosa, sed naturalis, praesupponit tamen miraculum quod est factum in consecratione, scilicet quod illae species sacramentales retineant esse sine subiecto quod prius habebant in subiecto; sicut et caecus miraculose illuminatus naturaliter videt. (IIIa q. 77 a. 4 ad 3)

3 — Dat vergaan van de gedaanten is niet iets van een wonder, maar iets natuurlijks: het veronderstelt echter het wonder dat geschied is in de consecratie, namelijk dat die sacramentale gedaanten het zijn behouden, dat zij eerst in het subject bezaten. Vergelijk dat met de blinde, eenmaal door een wonder genezen, natuurlijkerwijs ziet.

Articulus 5.
Kan uit de sacramentele gedaanten iets ontstaan?

Ad quintum sic proceditur. Videtur quod ex speciebus sacramentalibus nihil possit generari. Omne enim quod generatur, ex aliqua materia generatur, ex nihilo enim nihil generatur, quamvis ex nihilo fiat aliquid per creationem. Sed speciebus sacramentalibus non subest aliqua materia nisi corporis Christi, quod est incorruptibile. Ergo videtur quod ex speciebus sacramentalibus nihil possit generari. (IIIa q. 77 a. 5 arg. 1)

1 — Men beweert, dat uit de sacramentale gedaanten niets kan ontstaan. Immers alles wat ontstaat (door verandering), ontstaat uit een stof: want uit het niets ontstaat niets (door verandering), hoewel uit het niets wel iets wordt door schepping. Nu is er onder de sacramentale gedaanten geen stof tenzij van het Lichaam van Christus, dat onvergankelijk is. Dus kan uit de sacramentale gedaanten niets ontstaan.

Praeterea, ea quae non sunt unius generis, non possunt ex invicem fieri, non enim ex albedine fit linea. Sed accidens et substantia differunt genere. Cum ergo species sacramentales sint accidentia, videtur quod ex eis non possit aliqua substantia generari. (IIIa q. 77 a. 5 arg. 2)

2 — Dingen, die niet van hetzelfde geslacht zijn, kunnen niet uit elkaar worden: uit witheid wordt geen lijn. Welnu, de bijkomstigheid en de zelfstandigheid verschillen in geslacht. Gegeven dus dat de sacramentale gedaanten bijkomstig zijn, schijnt er geen zelfstandigheid uit te kunnen ontstaan.

Praeterea, si ex eis generatur aliqua substantia corporea, non erit sine accidente. Si ergo ex speciebus sacramentalibus generatur aliqua substantia corporea, oportet quod ex accidente generetur substantia et accidens, duo scilicet ex uno, quod est impossibile. Ergo impossibile est quod ex speciebus sacramentalibus aliqua substantia corporea generetur. (IIIa q. 77 a. 5 arg. 3)

3 — Als er een stoffelijke zelfstandigheid uit ontstaat, zal deze niet zonder een bijkomstigheid zijn. Wanneer er dus uit de sacramentale gedaanten een stoffelijke zelfstandigheid ontstaat, moet uit een bijkomstigheid een zelfstandigheid en een bijkomstigheid ontstaan, dus twee uit één, hetgeen onmogelijk is. Dus is het onmogelijk, dat er uit de sacramentale gedaanten een stoffelijke zelfstandigheid ontstaat.

Sed contra est quod ad sensum videri potest ex speciebus sacramentalibus aliquid generari, vel cinerem, si comburantur; vel vermes, si putrefiant; vel pulverem, si conterantur. (IIIa q. 77 a. 5 s. c.)

Daartegenover staat echter het zintuigelijk waarneembare feit, dat uit de sacramentale gedaanten iets ontstaat: as, wanneer zij verbrand worden; wormen, als zij bederven; stof, als zij geheel en al verbrijzeld worden.

Respondeo dicendum quod, cum corruptio unius sit generatio alterius, ut dicitur in I de Generat., necesse est quod ex speciebus sacramentalibus aliquid generetur, cum corrumpantur, ut dictum est. Non enim sic corrumpuntur ut omnino dispareant, quasi in nihilum redigantur, sed manifeste aliquid sensibile eis succedit. Quomodo autem ex eis aliquid generari possit, difficile est videre. Manifestum est enim quod ex corpore et sanguine Christi, quae ibi veraciter sunt, non generatur aliquid, cum sint incorruptibilia. Si autem substantia panis aut vini remaneret in hoc sacramento, vel eorum materia, facile esset assignare quod ex eis generatur illud sensibile quod succedit, ut quidam posuerunt. Sed hoc est falsum, ut supra habitum est. Et ideo quidam dixerunt quod ea quae generantur, non fiunt ex speciebus sacramentalibus, sed ex aere circumstante. Quod quidem multipliciter apparet esse impossibile. Primo quidem, quia ex eo generatur aliquid quod prius alteratum et corruptum apparet. Nulla autem alteratio et corruptio prius apparuit in aere circumstante. Unde ex eo vermes aut cineres non generantur. Secundo, quia natura aeris non est talis quod ex eo per tales alterationes talia generentur. Tertio, quia potest contingere in magna quantitate hostias consecratas comburi vel putrefieri, nec esset possibile tantum de corpore terreo ex aere generari, nisi magna et etiam valde sensibili inspissatione aeris facta. Quarto, quia idem potest accidere corporibus solidis circumstantibus, puta ferro aut lapidibus, quae integra remanent post praedictorum generationem. Unde haec positio stare non potest, quia contrariatur ei quod ad sensum apparet. Et ideo alii dixerunt quod redit substantia panis et vini in ipsa corruptione specierum, et sic ex substantia panis et vini redeunte generantur cineres aut vermes aut aliquid huiusmodi. Sed haec positio non videtur esse possibilis. Primo quidem quia, si substantia panis et vini conversa est in corpus et sanguinem, ut supra habitum est, non potest substantia panis vel vini redire nisi corpore aut sanguine Christi iterum converso in substantiam panis et vini, quod est impossibile, sicut, si aer sit conversus in ignem, non potest aer redire nisi iterum ignis convertatur in aerem. Si vero substantia panis aut vini sit annihilata, non potest iterum redire, quia quod in nihilum decidit, non redit idem numero, nisi forte dicatur redire praedicta substantia, quia Deus de novo creat novam substantiam loco primae. Secundo videtur hoc esse impossibile, quia non est dare quando substantia panis redeat. Manifestum est enim ex supra dictis quod, manentibus speciebus panis et vini, manet corpus et sanguis Christi, quae non sunt simul cum substantia panis et vini in hoc sacramento, secundum praehabita. Unde substantia panis et vini non potest redire, speciebus sacramentalibus manentibus. Similiter etiam nec eis cessantibus, quia iam substantia panis et vini esset sine propriis accidentibus, quod est impossibile. Nisi forte dicatur quod in ipso ultimo instanti corruptionis specierum redit, non quidem substantia panis et vini, quia illud idem instans est in quo primo habent esse substantiae generatae ex speciebus, sed materia panis et vini magis quasi de novo creata diceretur quam rediens, proprie loquendo. Et secundum hoc, posset sustineri praedicta positio. Verum, quia non rationabiliter videtur dici quod miraculose aliquid accidit in hoc sacramento nisi ex ipsa consecratione, ex qua non est quod materia creetur vel redeat; melius videtur dicendum quod in ipsa consecratione miraculose datur quantitati dimensivae panis et vini quod sit primum subiectum subsequentium formarum. Hoc autem est proprium materiae. Et ideo ex consequenti datur praedictae quantitati dimensivae omne id quod ad materiam pertinet. Et ideo quidquid posset generari ex materia panis si esset, totum potest generari ex praedicta quantitate dimensiva panis vel vini, non quidem novo miraculo, sed ex vi miraculi prius facti. (IIIa q. 77 a. 5 co.)

Daar «het vergaan van het ene het ontstaan van het andere is», zoals in De Generatione gezegd wordt, moet er iets ontstaan uit de sacramentale gedaanten, wanneer deze, gelijk gezegd is (4° Art.), vergaan. Immers vergaan zij niet zóó, dat ze volkomen verdwijnen als door vernietiging, maar worden zij klaarblijkelijk door iets zintuigelijk waarneembaars opgevolgd. Het is echter moeilijk in te zien, hoe er iets uit ontstaan kan. Want het is duidelijk, dat er niets ontstaat uit het daar waarachtig tegenwoordige Lichaam en Bloed van Christus, daar dit onvergankelijk is. Als nu de zelfstandigheid van het brood en de wijn in dit Sacrament zou blijven, of de stof ervan, zou men gemakkelijk kunnen opgeven, dat uit dat brood en die wijn het zintuigelijk waarneembare opvolgende ding ontstaat, zoals sommigen hebben beweerd. Maar deze veronderstelling is onjuist, zoals boven is uiteengezet (75° Kw. 2°, 4°, 8° Art.). Daarom hebben sommigen gezegd, dat het nieuw wordende niet uit de sacramentale gedaanten maar uit de omringende lucht ontstaat. — Dit echter blijkt op velerlei wijzen onmogelijk te zijn. Vooreerst omdat iets ontstaat uit datgene, wat van tevoren aan het veranderen en vergaan blijkt te zijn. Nu is er in de omringende lucht van tevoren niets gebleken van een veranderen en vergaan. Dus is het niet uit haar, dat wormen of as ontstaan. — Ten tweede omdat de natuur van de lucht niet zóó is, dat er uit haar langs dergelijke veranderingen dergelijke dingen ontstaan. — Ten derde omdat het kan voorkomen, dat geconsecrateerde hosties in grote hoeveelheid verbrand worden of bederven, terwijl het niet mogelijk zou zijn, dat er zóveel aardestof uit de lucht ontstond zonder een grote en zeer duidelijk zintuigelijk waarneembare samenspuiting van lucht. — Ten vierde omdat hetzelfde kan gebeuren bij een onmiddellijke omgeving van harde voorwerpen b.v. van ijzer of stenen: en deze zijn onveranderd na het ontstaan van bovengenoemde dingen. — Dus kan deze bewering geen stand houden, in strijd als zij is met wat zintuigelijk blijkt. Daarom hebben anderen gezegd, dat de zelfstandigheid van het brood en de wijn terugkeert, juist wanneer de gedaanten vergaan; op die manier ontstaan as, wormen e. d. uit de terugkerende zelfstandigheid van het brood en de wijn. Maar deze stelling schijnt niet mogelijk. Vooreerst omdat, als de zelfstandigheid van het brood en de wijn veranderd is in het Lichaam en Bloed, zoals boven is uiteengezet (75° Kw. 2°, 4° Art.), de zelfstandigheid van het brood en de wijn niet kan terugkeren, tenzij het Lichaam en Bloed van Christus wederom veranderd is in de zelfstandigheid van het brood en de wijn, hetgeen onmogelijk is: op dezelfde wijze als na een verandering van lucht in vuur de lucht niet kan terugkeren, tenzij het vuur wederom in lucht verandert. Indien echter de zelfstandigheid van het brood en de wijn is vernietigd, dan kan zij niet wederom terugkeren, want wat in het niet is vervallen komt niet als een en hetzelfde ding terug: hoogstens zou men kunnen zeggen, dat genoemde zelfstandigheid terugkeert, voorzover God een andere nieuwe zelfstandigheid schept in de plaats van de eerste. — Ten tweede schijnt dit onmogelijk te zijn, omdat men niet kan aangeven, wanneer de zelfstandigheid van het brood terugkeert. — Want uit het boven gezegde (vorig art.; 76° Kw. 6° Art. 3° Antw.) is het duidelijk, dat, zolang de gedaanten van het brood en de wijn blijven, óók blijven het Lichaam en Bloed van Christus, welke, volgens het vroeger aangetoonde (75° Kw. 2° Art.), in dit Sacrament niet samengaan met de zelfstandigheid van het brood en de wijn. Dus kan de zelfstandigheid van het brood en de wijn niet terugkeren, zolang de sacramentale gedaanten blijven. Evenmin ook wanneer zij ophouden: dan toch zou de zelfstandigheid van het brood en de wijn zonder de eigen bijkomstigheden zijn, hetgeen onmogelijk is. — Hoogstens zou men kunnen zeggen, dat precies op het laatste ogenblik van het vergaan der gedaanten, wel niet de zelfstandigheid van het brood en de wijn terugkeert (immers in datzelfde ogenblik hebben de uit de gedaanten ontstane zelfstandigheden voor het eerst het zijn), maar dan toch de stof van het brood en de wijn, die strikt genomen eerder nieuw geschapen dan terugkerend zou moeten heeten. In die zin zou voornoemde stelling gehandhaafd kunnen worden. Daar het evenwel niet redelijk schijnt te beweren, dat er in dit Sacrament een wonder plaats heeft tenzij krachtens de consecratie, welke geen geschapen worden of terugkeren van de stof bewerkt, lijkt het beter te zeggen, dat in de consecratie zelf door een wonder aan de meetbare hoogte van het brood en de wijn gegeven wordt het eerste subject te zijn van de volgende vormen. Dit nu is eigen aan de stof. In aansluiting daarop wordt dan ook aan gezegde meetbare hoogte alles gegeven, wat bij de stof thuis hoort. Al wat daarom uit de stof van het brood zou kunnen ontstaan, gesteld dat deze aanwezig was, kan niet minder uit genoemde meetbare hoogte van het brood en de wijn ontstaan, niet door een nieuw wonder maar krachtens het vroeger gebeurde wonder.

Ad primum ergo dicendum quod, quamvis non sit ibi materia ex qua aliquid generetur, quantitas tamen dimensiva supplet vicem materiae, ut dictum est. (IIIa q. 77 a. 5 ad 1)

1 — Wel is er daar geen stof, waaruit iets kan ontstaan, maar de meetbare hoogte vervult de rol van de stof, gelijk gezegd is (in de Leerst.).

Ad secundum dicendum quod illae species sacramentales sunt quidem accidentia, habent tamen actum et vim substantiae, ut dictum est. (IIIa q. 77 a. 5 ad 2)

2 — Deze sacramentale gedaanten zijn weliswaar bijkomstigheden, maar zij hebben de daadwerkelijkheid en de kracht van de zelfstandigheid (t.a.p. en 3e Art.).

Ad tertium dicendum quod quantitas dimensiva panis et vini et retinet naturam propriam, et accipit miraculose vim et proprietatem substantiae. Et ideo potest transire in utrumque, idest in substantiam et dimensionem. (IIIa q. 77 a. 5 ad 3)

3 — De meetbare hoogtehoed van het brood en de wijn behoudt haar eigen natuur en krijgt door een wonder de kracht en het eigene van de zelfstandigheid. En daarom kan zij in beide overgaan d.w.z. in de zelfstandigheid en de bijkomstigheid.

Articulus 6.
Kunnen de sacramentele gedaanten voeden?

Ad sextum sic proceditur. Videtur quod species sacramentales non possint nutrire. Dicit enim Ambrosius, in libro de sacramentis, non iste panis est qui vadit in corpus, sed panis vitae aeternae, qui animae nostrae substantiam fulcit. Sed omne quod nutrit, vadit in corpus. Ergo panis iste non nutrit. Et eadem ratio est de vino. (IIIa q. 77 a. 6 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de sacramentale gedaanten niet kunnen voeden. Want Ambrosius zegt: « Dit brood gaat niet over in het lichaam, neen, het is eeuwiglevendmakend brood, dat het wezen van onze ziel onderhoudt ». Maar al wat voedt gaat in het lichaam over. Dus dit brood voedt niet. En hetzelfde geldt van de wijn.

Praeterea, sicut dicitur in libro de Generat., ex eisdem nutrimur ex quibus sumus. Species autem sacramentales sunt accidentia, ex quibus homo non constat, non enim accidens est pars substantiae. Ergo videtur quod species sacramentales nutrire non possunt. (IIIa q. 77 a. 6 arg. 2)

2 — Zoals in De Generatione gezegd wordt, « voeden wij ons met dezelfde dingen, waaruit we zijn ». Nu zijn de sacramentale gedaanten bijkomstigheden, waaruit de mens niet bestaat: de bijkomstigheid immers is geen deel van de zelfstandigheid. Dus schijnen de sacramentale gedaanten niet te kunnen voeden.

Praeterea, philosophus dicit, in II de anima, quod alimentum nutrit prout est quaedam substantia, auget autem prout est aliquid quantum. Sed species sacramentales non sunt substantia. Ergo non possunt nutrire. (IIIa q. 77 a. 6 arg. 3)

3 — De Wijsgeer zegt dat « het eten ons voedt, voorzover het een zelfstandigheid is, maar ons doet groeien, voorzover het een hoegrootheid heeft ». Nu zijn de sacramentale gedaanten geen zelfstandigheid. Dus kunnen zij niet voeden.

Sed contra est quod apostolus, I Cor. XI, loquens de hoc sacramento, dicit, alius quidem esurit, alius autem ebrius est, ubi dicit Glossa quod notat illos qui, post celebrationem sacri mysterii et consecrationem panis et vini, suas oblationes vindicabant, et, aliis non communicantes, sibi solis sumebant, ita ut inde etiam inebriarentur. Quod quidem non potest contingere si sacramentales species non nutrirent. Ergo species sacramentales nutriunt. (IIIa q. 77 a. 6 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de Apostel (1 Cor. 11. 21), over dit Sacrament handelend, zegt: « De een lijdt honger, terwijl de ander dronken is », waarbij de Glossa opmerkt, dat « hij diegenen op het oog heeft, die, na de viering van het heilig Geheim en de consecratie van het brood en de wijn, hun eigen offergaven opeisten en voor zich alleen gebruikten, zonder aan anderen mee te delen, hetgeen tot gevolg had, dat ze er zelf dronken van werden ». Dit echter zou niet kunnen gebeuren, als de sacramentale gedaanten niet zouden voeden. Dus voeden de sacramentale gedaanten.

Respondeo dicendum quod haec quaestio difficultatem non habet, praecedenti quaestione soluta. Ex hoc enim, ut dicitur in II de anima, cibus nutrit, quod convertitur in substantiam nutriti. Dictum est autem quod species sacramentales possunt converti in substantiam aliquam quae ex eis generatur. Per eandem autem rationem possunt converti in corpus humanum, per quam possunt converti in cineres vel in vermes. Et ideo manifestum est quod nutriunt. Quod autem quidam dicunt, quod non vere nutriunt, quasi in corpus humanum convertantur, sed reficiunt et confortant quadam sensuum immutatione, sicut homo confortatur ex odore cibi et inebriatur ex odore vini, ad sensum patet esse falsum. Talis enim refectio non diu sufficit homini, cuius corpus, propter continuam deperditionem, restauratione indiget. Et tamen homo diu sustentari posset, si hostias et vinum consecratum sumeret in magna quantitate. Similiter etiam non potest stare quod quidam dicunt, quod species sacramentales nutriunt per formam substantialem panis et vini, quae remanet. Tum quia non remanet, ut supra habitum est. Tum quia non est actus formae nutrire, sed magis materiae, quae accipit formam nutriti, recedente forma nutrimenti. Unde dicitur in II de anima, quod nutrimentum in principio est dissimile, in fine autem simile. (IIIa q. 77 a. 6 co.)

Dit vraagstuk heeft geen moeilijkheid na de oplossing van het vorige vraagstuk. Zoals immers in De Anima gezegd wordt, voedt de spijs doordat ze overgaat in de zelfstandigheid van hem, die gevoed wordt. Nu is gezegd (5° Art.), dat de sacramentale gedaanten kunnen overgaan in een zelfstandigheid, die er uit ontstaat. Maar evengoed als ze kunnen overgaan in as of wormen, kunnen zij ook overgaan in het menselijk lichaam. En dus is het zonneklaar, dat zij kunnen voeden. De bewering van sommigen, dat zij niet echt voeden door een overgaan in het menselijk lichaam, maar dat zij door een inwerking op de zintuigen verkwikken en versterken op de wijze, waarop de mens versterkt wordt door de geur van spijs en dronken raakt door de geur van wijn, blijkt zintuigelijk valsch te zijn. Zoo'n verkwikking immers is niet langen tijd voldoende voor een mens, wiens lichaam tengevolge van de voortdurende afname herstelling behoeft. En toch zou de mens het er langen tijd op uithouden, als hij in grote hoeveelheid geconsacreerde hosties en wijn nuttigde. Evenmin kan het gezegde van sommigen standhouden, dat namelijk de sacramentale gedaanten voeden door de zelfstandigheidsvorm, welke zou blijven. En omdat hij niet blijft, zoals boven is uiteengezet (75° Kw. 6° Art.). En omdat het niet de act van de vorm is te voeden, maar meer van de stof, die, terwijl de vorm van het voedsel verdwijnt, de vorm van de gevoede aanneemt. Weshalve in De Anima gezegd wordt, dat het voedsel in het begin anders is, op het eind echter gelijk.

Ad primum ergo dicendum quod, facta consecratione, dupliciter potest dici panis in hoc sacramento. Uno modo, ipsae species panis, quae retinent nomen prioris substantiae, ut Gregorius dicit, in homilia paschali. Alio modo, potest dici panis ipsum corpus Christi, quod est panis mysticus de caelo descendens. Ambrosius ergo, cum dicit quod iste panis non transit in corpus, accipit panem secundo modo, quia scilicet corpus Christi non convertitur in corpus hominis, sed reficit mentem eius. Non autem loquitur de pane primo modo dicto. (IIIa q. 77 a. 6 ad 1)

1 — Men kan na de consecratie in dit Sacrament op twee wijzen van brood spreken. Vooreerst kunnen zo genoemd worden de gedaanten van brood, die de naam van de vroegere zelfstandigheid behouden, gelijk Gregorius zegt. Vervolgens kan brood genoemd worden het Lichaam zelf van Christus, dat het mystieke brood is, « uit de hemel nederdalend ». Wanneer dan Ambrosius zegt, dat « dit brood niet overgaat in het lichaam », neemt hij het brood in de tweede zin: het Lichaam van Christus gaat nl. niet over in het lichaam van de mens, maar voedt zijn geest. Maar hij spreekt niet van het brood in de eerste zin.

Ad secundum dicendum quod species sacramentales, etsi non sint ea ex quibus corpus hominis constat, tamen in ea convertuntur, sicut dictum est. (IIIa q. 77 a. 6 ad 2)

2 — Alhoewel de sacramentale gedaanten niet datgene zijn, waaruit het lichaam van de mens bestaat, gaan zij toch daarin over, gelijk gezegd is (in de Leerst.).

Ad tertium dicendum quod species sacramentales, quamvis non sint substantia, habent tamen virtutem substantiae, ut dictum est. (IIIa q. 77 a. 6 ad 3)

3 — Al zijn de sacramentale gedaanten geen zelfstandigheid, ze hebben toch de kracht van een zelfstandigheid, gelijk gezegd is (3° Art. 3° Antw.; 5° Art. 2° Antw.).

Articulus 7.
Worden de sacramentele gedaanten in dit Sacrament gebroken?

Ad septimum sic proceditur. Videtur quod species sacramentales non frangantur in hoc sacramento. Dicit enim philosophus, in IV Meteor., quod corpora dicuntur frangibilia propter determinatam dispositionem pororum. Quod non potest attribui sacramentalibus speciebus. Ergo sacramentales species non possunt frangi. (IIIa q. 77 a. 7 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de sacramentale gedaanten in dit Sacrament niet worden gebroken. De Wijsgeer zegt immers, dat de lichamen breekbaar genoemd worden om reden van een bepaalde schikking van de poriën. Daarvan kan men echter niet spreken bij de sacramentale gedaanten. Dus kunnen de sacramentale gedaanten niet worden gebroken.

Praeterea, fractionem sequitur sonus. Sed species sacramentales non sunt sonabiles, dicit enim philosophus, II de anima, quod sonabile est corpus durum habens superficiem levem. Ergo species sacramentales non franguntur. (IIIa q. 77 a. 7 arg. 2)

2 — Het breken gaat gepaard met een geluid. Nu zijn de sacramentale gedaanten niet geluidgevend, want de Wijsgeer zegt, dat het geluidgevende ding een hard lichaam met geringe oppervlakte is. Dus worden de sacramentale gedaanten niet gebroken.

Praeterea, eiusdem videtur esse frangi et masticari. Sed verum corpus Christi est quod manducatur, secundum illud Ioan. VI, qui manducat meam carnem et bibit meum sanguinem. Ergo corpus Christi est quod frangitur et masticatur. Unde et in confessione Berengarii dicitur, consentio sanctae Romanae Ecclesiae, et corde et ore profiteor panem et vinum quae in altari ponuntur, post consecrationem verum corpus et sanguinem Christi esse, et in veritate manibus sacerdotum tractari, frangi et fidelium dentibus atteri. Non ergo fractio debet attribui sacramentalibus speciebus. (IIIa q. 77 a. 7 arg. 3)

3 — Gebroken worden en gekauwd worden schijnen aan dezelfde zaak toe te komen. Wat nu gegeten wordt is het waarachtig Lichaam van Christus, volgens het woord van Joannes (6. 55, 57): « Wie Mijn Vlees eet en Mijn Bloed drinkt ». Dus is het het Lichaam van Christus, dat gebroken en gekauwd wordt. Vandaar dat in de Geloofsbelijdenis van Berengarius gezegd wordt: « In overeenstemming met de heilige Roomsche Kerk belijd ik met hart en tong, dat het brood en de wijn, die op het altaar geplaatst worden, na de consecratie het waarachtig Lichaam en Bloed van Christus zijn, hetwelk door de handen der priesters wordt aangeraakt en gebroken en door de tanden der gelovigen wordt stuk gemalen ». Dus moet men het breken niet toeschrijven aan de sacramentale gedaanten.

Sed contra est quod fractio fit per divisionem quanti. Sed nullum quantum ibi dividitur nisi species sacramentales, quia neque corpus Christi, quod est incorruptibile; neque substantia panis, quae non manet. Ergo species sacramentales franguntur. (IIIa q. 77 a. 7 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat het breken gebeurt door de verdeling van het hooggroote. Welnu, hier wordt geen enkel hoog groot ding verdeeld, tenzij de sacramentale gedaanten: immers niet het Lichaam van Christus, dat onvergankelijk is, noch de zelfstandigheid van het brood, die niet blijft. Dus worden de sacramentale gedaanten gebroken.

Respondeo dicendum quod apud antiquos circa hoc multiplex fuit opinio. Quidam enim dixerunt quod non erat in hoc sacramento fractio secundum rei veritatem, sed solum secundum aspectum intuentium. Sed hoc non potest stare. Quia in hoc sacramento veritatis sensus non decipitur circa ea quorum iudicium ad ipsum pertinet, inter quae est fractio, per quam ex uno fiunt multa, quae quidem sunt sensibilia communia, ut patet in libro de anima. Unde alii dixerunt quod erat ibi vera fractio sine substantia existente. Sed hoc etiam sensui contradicit. Apparet enim in hoc sacramento aliquod quantum, prius unum existens, postea in multa partitum, quod quidem oportet esse subiectum fractionis. Non autem potest dici quod ipsum corpus Christi verum frangatur. Primo quidem, quia est incorruptibile et impassibile. Secundo, quia est totum sub qualibet parte, ut supra habitum est, quod est quidem contra rationem eius quod frangitur. Unde relinquitur quod fractio sit sicut in subiecto in quantitate dimensiva panis, sicut et alia accidentia. Et sicut species sacramentales sunt sacramentum corporis Christi veri, ita fractio huiusmodi specierum est sacramentum dominicae passionis, quae fuit in corpore Christi vero. (IIIa q. 77 a. 7 co.)

Bij de Ouden waren hieromtrent veel verschillende meningen. Want sommigen hebben beweerd, dat er in dit Sacrament geen breking was volgens de werkelijke toedracht van de zaak maar alleen volgens het zien van de toeschouwers. — Maar dat is onhoudbaar. In dit Sacrament der waarheid immers bedriegen de zinnen zich niet in die dingen, waarin aan hen het oordeel toekomt: en daartoe hoort ook het breken, waardoor vele worden uit één: deze zijn algemeen-zintuigelijk-waarneembaarheden, zoals blijkt in De Anima. Daarom hebben anderen verklaard, dat er een echte breking optrad, maar zonder subject. — Doch ook dit weerspreekt de zinnen. Er doet zich immers in dit Sacrament duidelijk iets hoe-groots voor, dat eerst één is en later in delen is verdeeld: dat moet het subject van de breking zijn. Nu kan men niet beweren, dat het waarachtig Lichaam van Christus in zichzelf wordt gebroken. Vooreerst omdat het onvergankelijk en onverdeelbaar is. — Ten tweede omdat het in zijn geheel onder elk deel is, zoals boven is uiteengezet (76e Kw. 3e Art.), hetgeen tegen het begrip van het gebrokene is. Dus schiet over, dat de breking haar subject heeft in de meetbare hoogte, juist zoals de andere bijkomstigheden. En zoals de sacramenteele gedaanten het Sacrament zijn van het waarachtig Lichaam van Christus, zo is de breking van deze gedaanten het Sacrament van ’s Heren lijden, dat in het waarachtig Lichaam van Christus was.

Ad primum ergo dicendum quod, sicut in speciebus sacramentalibus remanet rarum et densum, ut supra dictum est, ita etiam remanet ibi porositas, et per consequens frangibilitas. (IIIa q. 77 a. 7 ad 1)

1 — Zoals in de sacramentale gedaanten het ijle en het dichte blijft, gelijk boven gezegd is (2° Art. 3° Antw.), zo blijft er ook de poreusheid in en bijgevolg de breekbaarheid.

Ad secundum dicendum quod densitatem sequitur duritia. Et ideo, ex quo in speciebus sacramentalibus remanet densitas, consequens est quod remaneat ibi duritia, et per consequens sonabilitas. (IIIa q. 77 a. 7 ad 2)

2 — De dichtheid gaat gepaard met hardheid. Daar dus in de sacramentale gedaanten de dichtheid blijft, blijft er bijgevolg ook de hardheid in en gevolgelijk ook het geluidgeven.

Ad tertium dicendum quod illud quod manducatur in propria specie, ipsummet frangitur et masticatur in sua specie. Corpus autem Christi non manducatur in sua specie, sed in specie sacramentali. Unde super illud Ioannis VI, caro non prodest quidquam, dicit Augustinus, hoc est intelligendum secundum illos qui carnaliter intelligebant carnem quippe sic intellexerunt quo modo in cadavere dilaniatur, aut in macello venditur. Et ideo ipsum corpus Christi non frangitur, nisi secundum speciem sacramentalem. Et hoc modo intelligenda est confessio Berengarii, ut fractio et contritio dentium referatur ad speciem sacramentalem, sub qua vere est corpus Christi. (IIIa q. 77 a. 7 ad 3)

3 — Wat in eigen gedaante wordt gegeten, dat wordt ook in eigen gedaante gebroken en gekauwd. Het Lichaam van Christus wordt echter niet in eigen gedaante gegeten maar in sacramentale gedaante. Bij het woord van Joannes (6. 64): « Het Vlees dient tot niets » zegt dan ook Augustinus: « Dit is te verstaan met het oog op hen, die er een vleeselijk begrip aan hechten. Zij verstonden namelijk het Vlees in de zin, waarin vlees van een dood lichaam wordt afgescheurd of in de slagerij wordt verkocht ». Daarom wordt het Lichaam van Christus ook niet in zichzelf gebroken maar alleen volgens de sacramentale gedaante. En in die zin moet men de Geloofsbelijdenis van Berengarius verstaan: dat namelijk het breken en het vermalen met de tanden betrokken wordt op de sacramentale gedaante, waaronder het Lichaam van Christus waarachtig tegenwoordig is.

Articulus 8.
Kan er een vloeistof gemengd worden bij de geconsecreerde wijn?

Ad octavum sic proceditur. Videtur quod vino consecrato non possit aliquis liquor misceri. Omne enim quod miscetur alicui, recipit qualitatem ipsius. Sed nullus liquor potest recipere qualitatem sacramentalium specierum, quia accidentia illa sunt sine subiecto, ut dictum est. Ergo videtur quod nullus liquor possit permisceri speciebus sacramentalibus vini. (IIIa q. 77 a. 8 arg. 1)

1 — Men beweert, dat er geen vloeistof gemengd kan worden bij de geconsecreerde wijn. Want al wat bij iets gemengd wordt, neemt de hoedanigheid daarvan aan. Welnu, geen enkele vloeistof kan de hoedanigheid van de sacramentale gedaanten aannemen, daar deze bijkomstigheden zonder subject zijn, zoals gezegd is (1° Art.). Dus schijnt geen enkele vloeistof bij de sacramentale gedaante van wijn gemengd te kunnen worden.

Praeterea, si aliquis liquor permisceatur illis speciebus, oportet quod ex his fiat aliquod unum. Sed non potest fieri aliquod unum neque ex liquore, qui est substantia, et speciebus sacramentalibus, quae sunt accidentia; neque ex liquore et sanguine Christi, qui, ratione suae incorruptibilitatis, neque additionem recipit neque diminutionem. Ergo nullus liquor potest admisceri vino consecrato. (IIIa q. 77 a. 8 arg. 2)

2 — Als er een vloeistof onder die gedaante vermengd wordt, moet daaruit iets eens ontstaan. Maar er kan niet iets eens ontstaan uit de zelfstandige vloeistof en de bijkomstige sacramentale gedaante, noch uit de vloeistof en het Bloed van Christus, dat vanwege zijn onvergankelijkheid evenmin toevoeging als vermindering toelaat. Dus kan er geen vloeistof bij de geconsacreerde wijn gemengd worden.

Praeterea, si aliquis liquor admisceatur vino consecrato, videtur quod etiam ipsum efficiatur consecratum, sicut aqua quae admiscetur aquae benedictae, efficitur etiam benedicta. Sed vinum consecratum est vere sanguis Christi. Ergo etiam liquor permixtus esset sanguis Christi. Et ita aliquid fieret sanguis Christi aliter quam per consecrationem, quod est inconveniens. Non ergo vino consecrato potest aliquis liquor permisceri. (IIIa q. 77 a. 8 arg. 3)

3 — Als er een vloeistof bij de geconsacreerde wijn gemengd wordt, schijnt zij zelf geconsacreerd te worden, zoals water, dat bij gewijd water gemengd wordt, zelf gewijd wordt. Nu is geconsacreerde wijn het waarachtig Bloed van Christus. Dus zou ook de gemengde vloeistof het Bloed van Christus zijn. En zo zou het Bloed van Christus op een andere wijze worden dan door consecratie, hetgeen niet aan te nemen is. Derhalve kan er geen vloeistof onder de geconsacreerde wijn vermengd worden.

Praeterea, si duorum unum totaliter corrumpatur, non erit mixtio, ut dicitur in I de Generat. Sed ad permixtionem cuiuscumque liquoris videtur corrumpi species sacramentalis vini, ita quod sub ea desinat esse sanguis Christi. Tum quia magnum et parvum sunt differentiae quantitatis et diversificant ipsam, sicut album et nigrum colorem. Tum etiam quia liquor permixtus, cum non habeat obstaculum, videtur undique diffundi per totum, et ita desinit ibi esse sanguis Christi, qui non est ibi simul cum alia substantia. Non ergo aliquis liquor potest permisceri vino consecrato. (IIIa q. 77 a. 8 arg. 4)

4 — Als er van twee één volkomen vergaat, krijgt men geen mengsel, zoals in De Generatione gezegd wordt. Maar bij elke bijmenging van een andere vloeistof schijnt de sacramentale gedaante van wijn te vergaan met het gevolg, dat het Bloed van Christus ophoudt eronder aanwezig te zijn. Zoowel omdat groot en klein onderscheidingen zijn van de hoegrootheid en haar tot een andere maken. Alsook omdat de bijgemengde vloeistof, geen beletsel ontmoetend, zich overal over het geheel schijnt te verspreiden: en zo houdt er het Bloed van Christus op, daar dit er niet tegelijk kan zijn met een andere zelfstandigheid. Dus kan er geen vloeistof onder de geconsacreerde wijn vermengd worden.

Sed contra est quod ad sensum patet alium liquorem vino permisceri posse post consecrationem, sicut et ante. (IIIa q. 77 a. 8 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat zintuigelijk blijkt, hoe na de consecratie, even goed als ervoor, een andere vloeistof bij de wijn kan gemengd worden.

Respondeo dicendum quod istius quaestionis veritas manifesta est ex praemissis. Dictum est enim supra quod species in hoc sacramento permanentes, sicut adipiscuntur virtute consecrationis modum essendi substantiae, ita etiam adipiscuntur modum agendi et patiendi, ut scilicet agere et pati possint quidquid ageret vel pateretur substantia si ibi praesens existeret. Manifestum est autem quod, si esset ibi substantia vini, liquor aliquis posset ei permisceri. Huius tamen permixtionis diversus esset effectus et secundum formam liquoris, et secundum quantitatem. Si enim permisceretur aliquis liquor in tanta quantitate quod posset diffundi per totum vinum, totum fieret permixtum. Quod autem est commixtum ex duobus, neutrum miscibilium est, sed utrumque transit in quoddam tertium ex his compositum. Unde sequeretur quod vinum prius existens non remaneret, si liquor permixtus esset alterius speciei. Si autem esset eiusdem speciei liquor adiunctus, puta si vinum permisceretur vino, remaneret quidem eadem species, sed non remaneret idem numero vinum. Quod declarat diversitas accidentium, puta si unum vinum esset album, et aliud rubeum. Si vero liquor adiunctus esset tam parvae quantitatis quod non posset perfundi per totum, non fieret totum vinum permixtum, sed aliqua pars eius. Quae quidem non remaneret eadem numero, propter permixtionem extraneae materiae. Remaneret tamen eadem specie, non solum si parvus liquor permixtus esset eiusdem speciei, sed etiam si esset alterius speciei, quia gutta aquae multo vino permixta transit in speciem vini, ut dicitur in I de generatione. Manifestum est autem ex praedictis quod corpus et sanguis Christi remanent in hoc sacramento quandiu illae species manent eaedem in numero, consecratur enim hic panis et hoc vinum. Unde si fiat tanta permixtio liquoris cuiuscumque quod pertingat ad totum vinum consecratum et fiat permixtum, et erit aliud numero, et non remanebit ibi sanguis Christi. Si vero fiat tam parva alicuius liquoris adiunctio quod non possit diffundi per totum, sed usque ad aliquam partem specierum, desinet esse sanguis Christi sub illa parte vini consecrati, remanebit tamen sub alia. (IIIa q. 77 a. 8 co.)

Wat in dit vraagstuk de waarheid is, is duidelijk uit het voorgaande. Er is immers boven gezegd (3° Art.; 5° Art. 2° Antw.), dat de in dit Sacrament overblijvende gedaanten, die door de kracht van de consecratie de wijze van zijn van de zelfstandigheid krijgen, op dezelfde manier ook de wijze van werken en lijden daarvan krijgen, in die zin nl. dat ze kunnen werken en lijden, alwat de zelfstandigheid, gesteld dat zij daar aanwezig was, zou werken en lijden. Nu is het duidelijk, dat, als daar de zelfstandigheid van de wijn was, er een andere vloeistof mee kon vermengd worden. Het gevolg van zo'n vermenging zou evenwel verschillend zijn, naar gelang van de vorm van de vloeistof en ook naar gelang van de hoeveelheid. Want als er een vloeistof zou bijgemengd worden in zulk een hoeveelheid, dat zij zich overal door de wijn kan verspreiden, dan zou het geheel gemengd zijn. Wat nu uit twee samengemengd is, is geen van de beide samengemengden: deze gaan integendeel met hun tweeën in een derde, uit hen samengesteld, over. Dus zou bijgevolg de eerst aanwezige wijn niet blijven, als de bijgemengde vloeistof van een andere soort zou zijn. — Mocht de toegevoegde vloeistof van dezelfde soort zijn b.v. als er bij de wijn wijn gemengd werd, dan zou wel dezelfde soort blijven maar niet deze afzonderlijke wijn. Dienaangaande geeft de verscheidenheid van de bijkomstigheden uitkomst b.v. als de ene wijn wit zou zijn en de andere rood. Wanneer echter de toegevoegde vloeistof zo gering zou zijn, dat zij zich niet over het geheel kan verspreiden, dan zou niet de hele wijn gemengd zijn, maar een deel ervan. Dit zou niet in zijn afzonderlijkheid voort blijven bestaan vanwege de vermenging van een andere stof. Maar het zou in soort gelijk blijven, niet alleen wanneer de geringe hoeveelheid bijgemengde vloeistof van dezelfde soort zou zijn, maar ook wanneer zij van een andere soort mocht zijn: een druppel water immers, bij een grote hoeveelheid wijn gemengd, gaat tot de soort van wijn over, zoals in De Generatione gezegd wordt. Nu is het uit het vroeger gezegde duidelijk (4° Art.; 76° Kw. 6° Art. 3° Antw.), dat het Lichaam en Bloed van Christus zolang in dit Sacrament blijven, als die gedaanten in haar afzonderlijkheid blijven: immers dit brood en deze wijn worden geconsecreerd. Indien er dus zo'n sterke vermenging, met welke andere vloeistof dan ook, plaats heeft, dat de bewuste vloeistof overal in de geconsecreerde wijn terecht komt en er een mengsel ontstaat, dan zal dit een nieuw afzonderlijk iets zijn en zal het Bloed van Christus er niet blijven. Maar indien de toevoeging van een vloeistof zo gering is, dat die vloeistof zich niet over het geheel kan verspreiden maar slechts over een deel van de gedaanten, dan zal het Bloed van Christus onder dat deel van de geconsecreerde wijn ophouden maar onder het overige deel blijven.

Ad primum ergo dicendum quod Innocentius III dicit, in quadam decretali, quod ipsa accidentia vinum appositum videntur afficere, quia, si aqua fuerit apposita, vini saporem assumeret. Contingit igitur accidentia mutare subiectum, sicut et subiectum contingit accidentia permutare. Cedit quippe natura miraculo, et virtus supra consuetudinem operatur. Hoc tamen non est sic intelligendum quasi idem numero accidens quod prius fuit in vino ante consecrationem, postmodum fiat in vino apposito, sed talis permutatio fit per actionem. Nam accidentia vini remanentia retinent actionem substantiae, secundum praedicta, et ita immutando afficiunt liquorem appositum. (IIIa q. 77 a. 8 ad 1)

1 — Innocentius III zegt dat « de bijkomstigheden schijnen over te gaan in de toegevoegde wijn, want als er water toegevoegd werd, zou het de smaak van de wijn overnemen. Het geval is dus, dat de bijkomstigheden het subject veranderen, zoals het ook voorkomt, dat het subject de bijkomstigheden verandert. De natuur wijkt blijkbaar voor het wonder en er werkt een kracht, die alle gewone regel te boven gaat ». Dit moet men echter niet zó verstaan, alsof een en dezelfde bijkomstigheid eerst in de wijn is vóór de consecratie en daarna in de toegevoegde wijn is: nee, die verandering gebeurt door inwerking. Want de overblijvende bijkomstigheden van de wijn behouden de werkdadigheid van de zelfstandigheid, volgens het boven gezegde (in de Leerst.): en zo gaan ze op de toegevoegde vloeistof over, voorzover zij deze veranderen.

Ad secundum dicendum quod liquor appositus vino consecrato nullo modo miscetur substantiae sanguinis Christi. Miscetur tamen speciebus sacramentalibus, ita tamen quod, permixtione facta, corrumpuntur praedictae species, vel in toto vel in parte, secundum modum quo supra dictum est quod ex speciebus illis potest aliquid generari. Et si quidem corrumpantur in toto, nulla iam remanet quaestio, quia iam totum erit uniforme. Si autem corrumpantur in parte, erit quidem una dimensio secundum continuitatem quantitatis, non tamen una secundum modum essendi, quia una pars eius est sine subiecto, alia erit in subiecto; sicut, si aliquod corpus constituatur ex duobus metallis, erit unum corpus secundum rationem quantitatis, non tamen unum secundum speciem naturae. (IIIa q. 77 a. 8 ad 2)

2 — De aan de geconsacreerde wijn toegevoegde vloeistof vermengt zich geenszins met de zelfstandigheid van het Bloed van Christus. Zij vermengt zich met de sacramentale gedaante, met die verstande evenwel, dat bij de vermenging de genoemde gedaante geheel of gedeeltelijk vergaat, op de wijze, waarop volgens het boven gezegde (5° Art.) uit die geboorte iets kan ontstaan. Vergaat zij geheel, dan blijft er geen enkele moeilijkheid over, omdat in dat geval het geheel overal hetzelfde wordt. Vergaat zij echter gedeeltelijk, dan zal men één afmeting hebben volgens aaneengeslotenheid van de hoogte van zijn natuur aangaat.

Ad tertium dicendum quod, sicut Innocentius III dicit, in decretali praedicta, si post calicis consecrationem aliud vinum mittatur in calicem, illud quidem non transit in sanguinem, neque sanguini commiscetur, sed, accidentibus prioris vini commixtum, corpori quod sub eis latet undique circumfunditur, non madidans circumfusum. Quod quidem intelligendum est quando non fit tanta permixtio liquoris extranei quod sanguis Christi desinat esse sub toto. Tunc enim undique dicitur circumfundi, non quia tangat sanguinem Christi secundum eius proprias dimensiones, sed secundum dimensiones sacramentales, sub quibus continetur. Nec est simile de aqua benedicta, quia illa benedictio nullam immutationem facit circa substantiam aquae, sicut facit consecratio vini. (IIIa q. 77 a. 8 ad 3)

3 — Zoals Innocentius III zegt, « gaat, in het geval dat er na de consecratie van de kelk andere wijn in de kelk wordt gedaan, deze nieuwe wijn niet in het Bloed over, noch vermengt hij zich met het Bloed: maar, zich vermengend met de bijkomstigheden van de eerst aanwezige wijn, omstroomt hij van alle kanten het onder haar verborgen Lichaam, zonder dat dit daardoor bevochtigd wordt ». Dat geldt, wanneer de vermenging met een vreemde vloeistof niet zó sterk is, dat het Bloed over het geheel ophoudt. Dan heet zij « van alle kanten te omstroomen », niet alsof zij het Bloed van Christus volgens de eigen afmetingen ervan raakt, maar alleen volgens de sacramentale afmetingen, waaronder het is vervat. — De vergelijking met het wijwater gaat niet op, want die wijding bewerkt geen enkele verandering inzake de zelfstandigheid van het water, in tegenstelling met wat de consecratie van de wijn doet.

Ad quartum dicendum quod quidam posuerunt quod, quantumcumque parva fiat extranei liquoris permixtio, substantia sanguinis Christi desinet esse sub toto. Et hoc ratione inducta. Quae tamen non cogit. Quia magnum et parvum diversificant quantitatem dimensivam non quantum ad eius essentiam, sed quantum ad determinationem mensurae. Similiter etiam liquor appositus adeo potest esse parvus quod sua parvitate impeditur ne diffundatur per totum, et non solum dimensionibus, quae, licet sint sine subiecto, tamen obstant alteri liquori sicut et substantia si ibi esset, secundum ea quae praemissa sunt. (IIIa q. 77 a. 8 ad 4)

4 — Sommigen hebben beweerd dat, hoe gering ook de bijmenging van de vreemde vloeistof is, de zelfstandigheid van het Bloed van Christus over het geheel ophoudt. En dat wel om de aangegeven reden. Maar deze is niet dwingend. Want groot en klein maken de meetbare hoogte tot een andere, niet in haar wezen, maar volgens de bepalende maat. Ook de andere reden gaat niet op: de toegevoegde vloeistof kan zo weinig zijn, dat zij reeds door haar geringheid verhinderd wordt zich over het geheel te verspreiden; maar verder wordt zij hierin ook verhinderd door de afmetingen, die, al zijn zij dan zonder subject, toch een andere vloeistof tegenhouden, niet minder dan de zelfstandigheid, wanneer deze aanwezig was, volgens het vroeger gezegde (in de Leerst.).