Tertia Pars. Quaestio 41. Over de bekoring van Christus .
Prooemium
Deinde considerandum est de tentatione Christi. Et circa hoc quaeruntur quatuor. Primo,
utrum fuerit conveniens Christum tentari. Secundo, de loco tentationis. Tertio, de
tempore. Quarto, de modo et ordine tentationum. (IIIa q. 41 pr.)
Daarna beschouwen we de bekoring van Christus. Daaromtrent stellen we vier vragen.
1. Was het wel passend dat Christus bekoord werd? 2. Over de plaats van de bekooring.
3. Over de tijd waarop Hij bekoord werd. 4. Over de wijze waarop Hij bekoord werd
en de volgorde der bekoringen.
Articulus 1. Was het wel passend dat Christus bekoord werd?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod Christo tentari non conveniebat. Tentare enim
est experimentum sumere. Quod quidem non fit nisi de re ignota. Sed virtus Christi
erat nota etiam Daemonibus, dicitur enim Luc. IV, quod non sinebat Daemonia loqui,
quia sciebant eum esse Christum. Ergo videtur quod non decuerit Christum tentari. (IIIa q. 41 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het Christus niet betaamd bekoord te worden. Bekoren immers betekent:
op de proef stellen. Dit doet men echter alleen een onbekende zaak. Maar Christus’
kracht was ook aan de duivelen bekend. Bij Lucas staat immers (4, 41), dat Hij de
duivelen niet toeliet te spreken, omdat ze wisten, dat Hij de Christus was. Dus schijnt
het wel, dat het niet passend was, dat Christus bekoord werd.
Praeterea, Christus ad hoc venerat ut opera Diaboli dissolveret, secundum illud I
Ioan. III, in hoc apparuit filius Dei, ut dissolvat opera Diaboli. Sed non est eiusdem
dissolvere opera alicuius, et ea pati. Et ita videtur inconveniens fuisse quod Christus
pateretur se tentari a Diabolo. (IIIa q. 41 a. 1 arg. 2)
2 — Daartoe is Christus gekomen, om de werken van de duivel te vernietigen, volgens het
woord uit de Eerste Brief van Johannes (3, 8): « Daartoe juist is Gods Zoon verschenen,
om de werken van de duivel te vernietigen ». Maar wie iemands werken wil vernietigen,
mag er zelf niet door getroffen worden. En daarom schijnt het niet passend te zijn
geweest, dat Christus het zich liet welgevallen, door de duivel bekoord te worden.
Praeterea, triplex est tentatio, scilicet a carne, a mundo, a Diabolo. Sed Christus
non fuit tentatus nec a carne nec a mundo. Ergo nec etiam debuit tentari a Diabolo. (IIIa q. 41 a. 1 arg. 3)
3 — Er is een drievoudige bekoring die namelijk van het vlees, van de wereld en van de
duivel. Maar Christus is noch door het vlees, noch door de wereld bekoord geworden.
Dus moest Hij evenmin door de duivel bekoord worden.
Sed contra est quod dicitur Matth. IV, ductus est Iesus a spiritu in desertum, ut
tentaretur a Diabolo. (IIIa q. 41 a. 1 s. c.)
Daartegenover staat echter dat Mattheus zegt (4, 1): « Toen werd Jesus door de Geest
naar de woestijn geleid, om door de duivel bekoord te worden ».
Respondeo dicendum quod Christus tentari voluit, primo quidem, ut nobis contra tentationes
auxilium ferret. Unde Gregorius dicit, in homilia, non erat indignum redemptori nostro
quod tentari voluit, qui venerat et occidi, ut sic tentationes nostras suis tentationibus
vinceret, sicut mortem nostram sua morte superavit. Secundo, propter nostram cautelam,
ut nullus, quantumcumque sanctus, se existimet securum et immunem a tentatione. Unde
etiam post Baptismum tentari voluit, quia, sicut Hilarius dicit, super Matth., in
sanctificatis maxime Diaboli tentamenta grassantur, quia victoria magis est ei exoptanda
de sanctis. Unde et Eccli. II dicitur, fili, accedens ad servitutem Dei, sta in iustitia
et timore, et praepara animam tuam ad tentationem. Tertio, propter exemplum, ut scilicet
nos instrueret qualiter Diaboli tentationes vincamus. Unde Augustinus dicit, in IV
de Trin. quod Christus Diabolo se tentandum praebuit, ut ad superandas tentationes
eius mediator esset, non solum per adiutorium, verum etiam per exemplum. Quarto, ut
nobis fiduciam de sua misericordia largiretur. Unde dicitur Heb. IV, non habemus pontificem
qui non possit compati infirmitatibus nostris, tentatum autem per omnia, pro similitudine,
absque peccato. (IIIa q. 41 a. 1 co.)
Christus wilde bekoord worden; en wel ten eerste om ons bijstand te verlenen tegen
de bekoringen. Vandaar zegt Gregorius in zijn 16e Homelie op het Evangelie: « Het
was met de waardigheid van onze Verlosser niet in strijd, dat Hij wilde behoord worden,
Hij die zelfs gekomen was om gedood te worden: want zo zou Hij onze bekoringen door
zijn eigen bekoringen overwinnen, zoals Hij ook door zijn eigen dood over onze dood
heeft gezegevierd ». Ten tweede, om ons voorzichtig te maken: opdat niemand, hoe heilig
hij ook is, zou menen, dat hij beveiligd is tegen en vrij van de bekoringen. Daarom
wilde Hij ook na het doopsel bekoord worden, omdat, zoals Hilarius zegt in zijn Verklaring
van Mattheus (3e H.) : de verleidingen van de duivel vooral woeden onder de geheiligden,
omdat hij het liefst over de heiligen de overwinning wil behalen. Daarom ook wordt
er in Ecclesiasticus gezegd (2, 1) : « Mijn zoon als gij in de dienst van God treedt,
sta dan vast in de gerechtigheid en in de vrees, en bereid uw ziel tot de beproeving
». Ten derde, ter wille van het voorbeeld: om ons namelijk te leren, hoe we de bekoringen
van de duivel moeten overwinnen. Vandaar zegt Augustinus in het 4e boek van zijn werk
Over de Drievuldigheid dat Christus zich aan de duivel aanbood om bekoord te worden,
ten einde bij het overwinnen van diens bekoringen een middelaar te kunnen zijn, niet
alleen door te helpen, maar ook door het voorbeeld. Ten vierde, om ons vertrouwen
te schenken in zijn barmhartigheid. Vandaar wordt er in de Brief aan de Hebreeën gezegd
(4, 15): « Want we hebben geen Hoogepriester, die onze zwakheden niet meevoelen kan,
maar Eén, die bekoord werd geheel op dezelfde wijze als wij behoudens de zonde ».
Ad primum ergo dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in IX de Civ. Dei, Christus
tantum innotuit Daemonibus quantum voluit, non per id quod est vita aeterna, sed per
quaedam temporalia suae virtutis effecta, ex quibus quandam coniecturam habebant Christum
esse filium Dei. Sed quia rursus in eo quaedam signa humanae infirmitatis videbant,
non pro certo cognoscebant eum esse filium Dei. Et ideo eum tentare voluit. Et hoc
significatur Matth. IV, ubi dicitur quod postquam esuriit, accessit tentator ad eum,
quia, ut Hilarius dicit, tentare Christum Diabolus non fuisset ausus, nisi in eo,
per esuritionis infirmitatem, quae sunt hominis recognosceret. Et hoc etiam patet
ex ipso modo tentandi, cum dixit, si filius Dei es. Quod exponens Gregorius dicit,
quid sibi vult talis sermonis exorsus, nisi quia cognoverat Dei filium esse venturum,
sed venisse per infirmitatem corporis non putabat? (IIIa q. 41 a. 1 ad 1)
1 — Hierop is te antwoorden met de woorden van Augustinus uit zijn werk de Stad Gods (9e
B., 21e H.) dat Christus maar voor zoveel aan de duivelen bekend werd, als Hij zelf
wilde: niet door dat wat het eeuwige leven is, maar door enkele tijdelijke uitwerkselen
van zijn kracht, waaruit ze met een zekere gissing konden besluiten, dat Christus
de Zoon Gods was. Maar omdat ze van de andere kant toch ook weer in Hem sommige kentekenen
van menselijke zwakheid zagen, wisten ze niet zeker, dat Hij de Zoon Gods was. En
daarom wilde hij Hem op de proef stellen. En hierop duidt wat Mattheus zegt (4, 2,
3) dat de bekoorster tot Hem naderde, toen Hij honger voelde, omdat, zoals Hilarius
zegt (t. a. p.) de duivel het niet gewaagd zou hebben Christus te bekoren, als hij
niet in Hem, door de zwakte als gevolg van het hongerlijden, iets menselijks zou erkend
hebben. En dit blijkt ook uit de wijze waarop hij Hem bekoord heeft, daar hij zegt:
Als Gij de Zoon Gods zijt. Wat Gregorius aldus uitlegt: (Ambrosius Verklaring van
Lucas, 4° B., op 4° H., vers 3): « Wat wil die aanhef anders zeggen, dan dat hij wist,
dat de Zoon Gods komen zou, maar dat hij niet van mening was, dat Hij gekomen was
in een zwak lichaam? »
Ad secundum dicendum quod Christus venerat dissolvere opera Diaboli, non potestative
agendo, sed magis ab eo et eius membris patiendo, ut sic Diabolum vinceret iustitia,
non potestate, sicut Augustinus dicit, XIII de Trin., quod Diabolus non potentia Dei,
sed iustitia superandus fuit. Et ideo circa tentationem Christi considerandum est
quod propria voluntate fecit, et quod a Diabolo passus fuit. Quod enim tentatori se
offerret, fuit propriae voluntatis. Unde dicitur Matth. IV, ductus est Iesus in desertum
a spiritu, ut tentaretur a Diabolo, quod Gregorius intelligendum dicit de spiritu
sancto, ut scilicet illuc eum spiritus suus duceret, ubi eum ad tentandum spiritus
malignus inveniret. Sed a Diabolo passus est quod assumeretur vel supra pinnaculum
templi, vel etiam in montem excelsum valde. Nec est mirum, ut Gregorius dicit, si
se ab illo permisit in montem duci, qui se permisit a membris ipsius crucifigi. Intelligitur
autem a Diabolo assumptus, non quasi ex necessitate, sed quia, ut Origenes dicit,
super Luc., sequebatur eum ad tentationem quasi athleta sponte procedens. (IIIa q. 41 a. 1 ad 2)
2 — De bedoeling van Christus’ komst was om de werken van de duivel te vernietigen, niet
door met kracht op te treden, maar veeleer door zich door hem en zijn ledematen te
laten pijnigen. En zó zou Hij de duivel overwinnen door de gerechtigheid, en niet
door kracht, zoals Augustinus zegt in zijn 13° boek van zijn werk Over de Drievuldigheid
(13° H.): « De duivel moest niet door Gods kracht, maar door gerechtigheid overwonnen
worden ». En dus moeten we bij de bekoring van Christus voor ogen houden en wat Hij
uit eigen beweging deed, en wat Hij van de duivel te lijden heeft gehad. Want dat
Hij zich aan de duivel aanbood, was vrije keuze. Vandaar zegt Mattheus (4, 1): « Toen
werd Jesus door de Geest naar de woestijn geleid, om door de duivel te worden bekoord
»: wat volgens Gregorius (16° Homelie op het Evangelie) verstaan moet worden van de
Heilige Geest, dat Hem namelijk zijn Geest daarheen zou leiden, waar Hem de boze geest
zou vinden om Hem te bekoren. Maar Hij liet het zich van de duivel welgevallen, meegenomen
te worden, ofwel op het dakterras van de Tempel, of ook wel naar een zeer hoge berg.
En het is niet te verwonderen, zoals Gregorius zegt (t. a. p.), dat Hij zich door
hem naar een berg liet voeren, daar Hij zich door zijn ledematen heeft laten kruisigen.
Dat Hij nu door de duivel meegvoerd werd, moet niet verstaan worden, alsof dat uit
noodzaak geschiedde, maar omdat, zoals Origenes zegt (31° Homelie op Lucas) Hij hem
volgde naar de bekoring als een atleet, die uit eigen beweging naar voren treedt.
Ad tertium dicendum quod, sicut apostolus dicit, Christus in omnibus tentari voluit,
absque peccato. Tentatio autem quae est ab hoste, potest esse sine peccato, quia fit
per solam exteriorem suggestionem. Tentatio autem quae est a carne, non potest esse
sine peccato, quia haec tentatio fit per delectationem et concupiscentiam; et, sicut
Augustinus dicit, nonnullum peccatum est cum caro concupiscit adversus spiritum. Et
ideo Christus tentari voluit ab hoste, sed non a carne. (IIIa q. 41 a. 1 ad 3)
3 — Volgens de Apostel wilde Christus in alles bekoord worden, behoudens de zonde (Hebr.,
4. 15). Een bekoring nu van de vijand, kan aanwezig zijn zonder zonde, omdat die alleen
door influistering van buitenaf plaats heeft. Maar de bekoring van het vlees kan niet
zonder zonde zijn, daar deze bekoring opkomt door genot en begeerte: en, zoals Augustinus
zegt (De Stad Gods, 19° B., 4° H.) is het een tamelijk grote zonde, als « het vlees
tegen de geest begeert ». En dus wilde Christus wel bekoord worden door de vijand,
maar niet door het vlees.
Articulus 2. Moest Christus in de woestijn bekoord worden?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod Christus non debuit tentari in deserto. Christus
enim tentari voluit propter exemplum nostrum, ut dictum est. Sed exemplum debet manifeste
proponi illis qui sunt per exemplum informandi. Non ergo debuit in deserto tentari. (IIIa q. 41 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert dat Christus niet in de woestijn is moeten bekoord worden. Christus immers
wilde, zoals in het vorige artikel gezegd is, bekoord worden, om ons ten voorbeeld
te zijn. Maar een voorbeeld moet duidelijk zichtbaar voorgesteld worden aan hen die
er van moeten leren. Dus moest Christus niet in de woestijn bekoord worden.
Praeterea, Chrysostomus dicit, super Matth., quod tunc maxime instat Diabolus ad tentandum,
cum viderit solitarios. Unde et in principio mulierem tentavit sine viro eam inveniens.
Et sic videtur, per hoc quod in desertum ivit ut tentaretur, quod tentationi se exposuit.
Cum ergo eius tentatio sit nostrum exemplum, videtur quod etiam alii debeant se ingerere
ad tentationes suscipiendas. Quod tamen videtur esse periculosum, cum magis tentationum
occasiones vitare debeamus. (IIIa q. 41 a. 2 arg. 2)
2 — Chrysostomus zegt in zijn *Verklaring van Mattheus* (13e Homelie) dat *dan vooral
de duivel niet ophoudt met de mensen te behoren, wanneer hij ze in eenzaamheid vindt.
Vandaar dan ook, dat hij in het begin de vrouw behoorde toen hij haar zonder de man
vond. En zo schijnt het wel, dat Hij zich, door de woestijn in te gaan om bekoord
te worden, aan de bekoring heeft blootgesteld. En omdat nu zijn bekoring ons ten voorbeeld
is, schijnt het, dat ook de anderen zich als het ware moeten opdringen om bekoringen
te krijgen. Wat echter gevaarlijk schijnt te zijn: daar we veeleer de gelegenheden
tot bekoringen moeten vermijden.
Praeterea, Matth. IV ponitur secunda Christi tentatio qua Diabolus Christum assumpsit
in sanctam civitatem, et statuit eum super pinnaculum templi, quod quidem non erat
in deserto. Non ergo tentatus est solum in deserto. (IIIa q. 41 a. 2 arg. 3)
3 — Bij *Mattheus* (4. 5) staat de tweede bekoring beschreven als volgt: « Toen voerde
de duivel *Hem naar de heilige stad en* plaatste Hem op het dakterras van de tempel
»: deze nu lag niet in de woestijn. Dus werd Hij niet alleen in de woestijn bekoord.
Sed contra est quod dicitur Marc. I, quod erat Iesus in deserto quadraginta diebus
et quadraginta noctibus, et tentabatur a Satana. (IIIa q. 41 a. 2 s. c.)
Daartegenover staat echter dat Marcus zegt (1, 13) dat Jesus veertig dagen en veertig
nachten in de woestijn bleef, en door de duivel bekoord werd.
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, Christus propria voluntate se Diabolo exhibuit
ad tentandum, sicut etiam propria voluntate se membris eius exhibuit ad occidendum,
alioquin Diabolus eum advenire non auderet. Diabolus autem magis attentat aliquem
cum est solitarius, quia, ut dicitur Eccle. IV, si quispiam praevaluerit contra unum,
duo resistunt ei. Et inde est quod Christus in desertum exivit, quasi ad campum certaminis,
ut ibi a Diabolo tentaretur. Unde Ambrosius dicit, super Luc., quod Christus agebatur
in desertum consilio, ut Diabolum provocaret. Nam nisi ille certasset, scilicet Diabolus,
non iste vicisset, idest Christus. Addit autem et alias rationes, dicens hoc Christum
fecisse mysterio, ut Adam de exilio liberaret, qui scilicet de Paradiso in desertum
eiectus est; exemplo, ut ostenderet nobis Diabolum ad meliora tendentibus invidere. (IIIa q. 41 a. 2 co.)
Zoals gezegd is (vorig art. antw. op de 2e bedenking) heeft Christus zich uit eigen
beweging aan de duivel aangeboden om bekoord te worden, zoals Hij zich ook uit eigen
beweging aan zijn ledematen aanbood om gedood te worden: anders immers zou de duivel
het niet gewaagd hebben Hem te naderen. De duivel belaagt iemand echter het hevigst,
wanneer hij alleen is, zoals gezegd wordt in het boek de Prediker (4, 12): « Mocht
iemand één enkele kunnen overweldigen, tegen twee zal hij niet bestand zijn ». En
daarom trok Christus de woestijn in, als naar een strijdperk, om daar door de duivel
bekoord te worden. Vandaar zegt Ambrosius in zijn Verklaring van Lucas (4e B., op
4, 1) dat Christus met opzet naar de woestijn gevoerd werd, om de duivel uit te dagen.
Want als deze, d. i. de duivel niet had gestreden, dan zou gene, d. i. Christus niet
overwonnen hebben. — Hij voegt er echter nog andere gronden aan toe, zeggende, dat
Christus dit gedaan heeft om de mystische zin, ten einde Adam uit de ballingschap
te verlossen, die nl. uit het paradijs verdreven was naar de woestijn; « om het voorbeeld,
ten einde ons aan te tonen, dat de duivel hen benijdt, die naar betere dingen streven
».
Ad primum ergo dicendum quod Christus proponitur omnibus in exemplum per fidem, secundum
illud Heb. XII, aspicientes in auctorem fidei et consummatorem, Iesum. Fides autem,
ut dicitur Rom. X, est ex auditu, non autem ex visu, quinimmo dicitur, Ioan. XX, beati
qui non viderunt et crediderunt. Et ideo, ad hoc quod tentatio Christi esset nobis
in exemplum, non oportet quod ab hominibus videretur, sed sufficiens fuit quod hominibus
narraretur. (IIIa q. 41 a. 2 ad 1)
1 — Christus wordt aan allen ten voorbeeld gesteld door het geloof: volgens het woord
Aan de Hebreeën (12, 2): « Het oog gevestigd op Jesus, aanvang en einde van het geloof
». Het geloof ontstaat echter, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (10,
17), door het gehoor, en niet door het gezicht: zoals geschreven staat bij Joannes,
20, 29: « Zalig zij, die niet zien, en toch geloven ». Wil Christus’ bekoring ons
dus ten voorbeeld zijn, dan is het niet nodig, dat ze door de mensen gezien werd,
maar was het voldoende, dat ze aan de mensen verhaald zou worden.
Ad secundum dicendum quod duplex est tentationis occasio. Una quidem ex parte hominis,
puta cum aliquis se peccato propinquum facit, occasiones peccandi non evitans. Et
talis occasio tentationis est vitanda, sicut dictum est Lot, Gen. XIX, ne steteris
in omni regione circa Sodomam. Alia vero tentationis occasio est ex parte Diaboli,
qui semper invidet ad meliora tendentibus, ut Ambrosius dicit. Et talis tentationis
occasio non est vitanda. Unde dicit Chrysostomus, super Matth., quod non solum Christus
ductus est in desertum a spiritu, sed omnes filii Dei habentes spiritum sanctum. Non
enim sunt contenti sedere otiosi, sed spiritus sanctus urget eos aliquod magnum apprehendere
opus, quod est esse in deserto quantum ad Diabolum, quia non est ibi iniustitia, in
qua Diabolus delectatur. Omne etiam bonum opus est desertum quantum ad carnem et mundum,
quia non est secundum voluntatem carnis et mundi. Talem autem occasionem tentationis
dare Diabolo non est periculosum, quia maius est auxilium spiritus sancti, qui est
perfecti operis auctor, quam impugnatio Diaboli invidentis. (IIIa q. 41 a. 2 ad 2)
2 — Er is een tweevoudige gelegenheid tot bekoring. De ene komt van de mens zelf: zo b.
v. als iemand zich in de nabijheid der zonde begeeft, door de gelegenheden tot zondigen
niet te vermijden. En deze gelegenheid tot zondigen moet vermeden worden, zoals tot
Lot gezegd werd, in het Boek Genesis (19, 17): « Sta niet stil in de gehele omtrek
van Sodoma ». Een andere gelegenheid tot zondigen komt van de duivel, die altijd afgunstig
is op hen, die naar het betere streven, zoals Ambrosius zegt (zie de leerstelling).
En deze gelegenheid tot zondigen is niet te vermijden. Vandaar zegt Chrysostomus in
zijn Verklaring van Mattheus (5e Homelie): « Niet alleen werd Christus door de Geest
naar de woestijn geleid, maar alle zonen Gods, die de Heilige Geest bezitten. Want
deze zijn niet tevreden met werkeloos daar neer te zitten, maar de Heilige Geest dringt
hen een of ander groot werk aan te vatten: en dit betekent, met betrekking tot de
duivel, hetzelfde als in de woestijn zijn, want in zo'n geval is er geen ongerechtigheid,
waarin de duivel behagen neemt. Ook is iedere goed werk een woestijn voor het vlees
en voor de wereld, omdat zo iets niet in overeenstemming is met de wil van het vlees
en der wereld ». Het is echter niet gevaarlijk aan de duivel deze gelegenheid tot
bekoren te geven: want de hulp van de Heilige Geest, die de bewerker is der volmaakte
werken, is groter, dan de aanvechting van een afgunstige duivel.
Ad tertium dicendum quod quidam dicunt omnes tentationes factas fuisse in deserto.
Quorum quidam dicunt quod Christus ductus est in sanctam civitatem, non realiter,
sed secundum imaginariam visionem. Quidam autem dicunt quod etiam ipsa civitas sancta,
idest Ierusalem, desertum dicitur, quia erat derelicta a Deo. Sed hoc non erat necessarium.
Quia Marcus dicit quod in deserto tentabatur a Diabolo, non autem dicit quod solum
in deserto. (IIIa q. 41 a. 2 ad 3)
3 — Sommigen zeggen, dat alle bekoringen in de woestijn hebben plaats gehad. En daaronder
zijn er weer die dan zeggen, dat Christus niet werkelijk, maar alleen maar in de geest
naar de heilige Stad is gevoerd. Anderen daarentegen zeggen, dat ook de heilige Stad,
d.w.z. Jerusalem, woestijn genoemd wordt, omdat ze door God was verlaten. — Maar dat
alles is niet nodig. Want Marcus zegt, dat Hij in de woestijn door de duivel werd
bekoord en niet, dat het uitsluitend in de woestijn gebeurd is.
Articulus 3. Had de bekoring van Christus plaats moeten hebben na zijn vasten?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod tentatio Christi non debuit esse post ieiunium.
Dictum est enim supra quod Christum non decebat conversationis austeritas. Sed maximae
austeritatis fuisse videtur quod quadraginta diebus et quadraginta noctibus nihil
comederit, sic enim intelligitur quadraginta diebus et quadraginta noctibus ieiunasse,
quia scilicet in illis diebus nullum omnino cibum sumpsit, ut Gregorius dicit. Ergo
non videtur quod debuerit huiusmodi ieiunium tentationi praemittere. (IIIa q. 41 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de bekoring van Christus niet had moeten plaats hebben ná zijn vasten.
Vroeger is immers gezegd (40° Kw., 2° A.), dat het niet passend was, dat Christus
streng leefde. Maar dat is dan toch wel de grootste strengheid geweest, dat Hij veertig
dagen en veertig nachten niets gegeten heeft: want de woorden: Hij vastte veertig
dagen en veertig nachten, moeten zo verstaan worden, dat Hij in die dagen in het geheel
geen voedsel tot zich genomen heeft, zoals Gregorius zegt (16° Homelie op het Evangelie).
Dus schijnt het wel, dat Hij aan de bekoring niet zo’n vasten had moeten vooraf laten
gaan.
Praeterea, Marci I dicitur quod erat in deserto quadraginta diebus et quadraginta
noctibus, et tentabatur a Satana. Sed quadraginta diebus et quadraginta noctibus ieiunavit.
Ergo videtur quod non post ieiunium, sed simul dum ieiunaret, sit tentatus a Diabolo. (IIIa q. 41 a. 3 arg. 2)
2 — Bij Marcus wordt gezegd (1, 13) dat Hij veertig dagen en veertig nachten in de woestijn
verbleef, waar Hij door de satan werd bekoord. Maar Hij vastte veertig dagen en veertig
nachten. Dus heeft het er de schijn van, dat Hij niet na, maar gedurende het vasten
door de duivel bekoord werd.
Praeterea, Christus non legitur nisi semel ieiunasse. Sed non solum semel fuit tentatus
a Diabolo, dicitur enim Luc. IV, quod, consummata omni tentatione, Diabolus recessit
ab illo usque ad tempus. Sicut igitur secundae tentationi non praemisit ieiunium,
ita nec primae praemittere debuit. (IIIa q. 41 a. 3 arg. 3)
3 — Christus heeft, naar wat er te lezen staat, maar één keer gevast. Maar Hij is meer
dan eens door de duivel bekoord geworden; want Lucas zegt (4, 13) dat, toen de duivel
al zijn bekoringen had uitgeput, Hij Hem voor een tijd verliet. Zoals Hij dus aan
die tweede bekoring geen vasten vooraf heeft laten gaan, zo heeft Hij dat evenmin
aan de eerste moeten doen.
Sed contra est quod dicitur Matth. IV, cum ieiunasset quadraginta diebus et quadraginta
noctibus, postea esuriit, et tunc accessit ad eum tentator. (IIIa q. 41 a. 3 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat Mattheus zegt (4, 2, 3): « En nadat Hij veertig dagen
en veertig nachten gevast had, voelde Hij honger: en toen naderde de bekoorer Hem
».
Respondeo dicendum quod convenienter Christus post ieiunium tentari voluit. Primo
quidem, propter exemplum. Quia, cum omnibus, sicut dictum est, immineat se contra
tentationes tueri; per hoc quod ipse ante tentationem futuram ieiunavit, docuit quod
per ieiunium nos oportet contra tentationes armari. Unde inter arma iustitiae apostolus
ieiunia connumerat, II Cor. VI. Secundo, ut ostenderet quod etiam ieiunantes Diabolus
aggreditur ad tentandum, sicut alios qui bonis operibus vacant. Et ideo, sicut post
Baptismum, ita post ieiunium Christus tentatur. Unde Chrysostomus dicit, super Matth.,
ut discas quam magnum bonum est ieiunium, et qualiter scutum est adversus Diabolum;
et quoniam post Baptismum non lasciviae, sed ieiunio intendere oportet; Christus ieiunavit,
non ieiunio indigens, sed nos instruens. Tertio, quia post ieiunium secuta est esuries,
quae dedit Diabolo audaciam eum aggrediendi, sicut dictum est. Cum autem esuriit dominus,
ut Hilarius dicit, super Matth., non fuit ex subreptione inediae, sed naturae suae
hominem dereliquit. Non enim erat a Deo Diabolus, sed a carne vincendus. Unde etiam,
ut Chrysostomus dicit, non ultra processit in ieiunando quam Moyses et Elias, ne incredibilis
videretur carnis assumptio. (IIIa q. 41 a. 3 co.)
Het was heel passend, dat Christus wilde bekoord worden, na gevast te hebben. En wel
ten eerste, om het voorbeeld. Want daar het ons allen, zoals gezegd is in het eerste
artikel, te wachten staat, dat we ons tegen de bekoringen moeten verdedigen, daarom
leerde Hij ons, door zelf vóór de op handen zijnde bekoring te vasten, dat ook wij
ons door het vasten moeten wapenen tegen de bekoringen. Vandaar dat de Apostel onder
de wapenen der gerechtigheid ook het vasten meetelt (2° Brief aan de Korinthiërs,
6, 5, 7). Ten tweede, om te laten zien, dat de duivel ook op hen die vasten afgaat,
om ze te bekoren, zoals ook op de anderen, die zich met goede werken bezighouden.
En daarom wordt Christus bekoord én na het doopsel, én na het vasten. Vandaar zegt
Chrysostomus in zijn 13° Homelie op Mattheus: « Opdat ge leren zoudt wat voor een
groot goed het vasten is, en hoe het een schild is tegen de duivel; en dat men zich
ná het doopsel niet aan losbandigheid moet overgeven, maar zich op het vasten moet
toeleggen, dààrom vastte Christus — niet (dus) omdat Hij zelf het vasten nodig had,
maar om ons te onderrichten ». Ten derde, omdat op het vasten honger volgde, welke
de duivel de moed gaf Hem aan te vallen, zoals gezegd is (1° Art., antw. op de 1°
Bed.). Hilarius zegt dan ook (Verklaring van Mattheus, 3° H.): « Dat de Heer honger
had, kwam niet hiervandaan, dat het vasten Hem overrompelde: maar Hij liet de mens
(in Hem) aan zijn eigen natuur over. De duivel immers, moest niet door God, maar door
het vlees overwonnen worden ». Vandaar dan ook ging Hij, zoals Gregorius zegt (13°
Homelie op Mattheus) niet verder in het vasten, dan Moses en Elias gegaan waren, opdat
zijn aanname van het vlees, geen schijn van ongeloofwaardigheid zou hebben.
Ad primum ergo dicendum quod Christum non decuit conversatio austerioris vitae, ut
se communem exhiberet illis quibus praedicavit. Nullus autem debet assumere praedicationis
officium, nisi prius fuerit purgatus et in virtute perfectus, sicut et de Christo
dicitur, Act. I, quod coepit Iesus facere et docere. Et ideo Christus statim post
Baptismum austeritatem vitae assumpsit, ut doceret post carnem edomitam oportere alios
ad praedicationis officium transire, secundum illud apostoli, castigo corpus meum
et in servitutem redigo, ne forte, aliis praedicans, ipse reprobus efficiar. (IIIa q. 41 a. 3 ad 1)
1 — Het betaamde niet, dat Christus een streng leven leidde, omdat Hij de gewone levenswijze
wilde volgen van de mensen voor wie Hij moest prediken. Maar niemand moet het predikambt
op zich nemen, zonder eerst gezuiverd te zijn en volmaakt te wezen in de deugd; zoals
ook van Christus in de Handelingen der Apostelen gezegd wordt (1, 1) dat Jesus begon
te doen en te leren. En daarom is Christus, onmiddellijk na zijn doopsel, begonnen
met een streng leven te leiden, om te leren, dat anderen eerst als ze het vlees onderworpen
hebben, tot het predikambt moeten overgaan, volgens de woorden van de Apostel (1°
Brief aan de Korinthiërs, 9, 27): «Maar het is mijn eigen lichaam, dat ik beuk en
er onder houd, om na heraut geweest te zijn, voor anderen, zelf niet afgewezen te
worden».
Ad secundum dicendum quod verbum illud Marci potest sic intelligi quod erat in deserto
quadraginta diebus et quadraginta noctibus, quibus scilicet ieiunavit, quod autem
dicitur, et tentabatur a Satana, intelligendum est, non in illis quadraginta diebus
et quadraginta noctibus, sed post illos; eo quod Matthaeus dicit quod, cum ieiunasset
quadraginta diebus et quadraginta noctibus, postea esuriit, ex quo sumpsit tentator
occasionem accedendi ad ipsum. Unde et quod subditur, et Angeli ministrabant ei, consecutive
intelligendum esse ostenditur ex hoc quod Matth. IV dicitur, tunc reliquit eum Diabolus,
scilicet post tentationem, et ecce, Angeli accesserunt et ministrabant ei. Quod vero
interponit Marcus, eratque cum bestiis, inducitur, secundum Chrysostomum, ad ostendendum
quale erat desertum, quia scilicet erat invium hominibus et bestiis plenum. Tamen
secundum expositionem Bedae, dominus tentatur quadraginta diebus et quadraginta noctibus.
Sed hoc intelligendum est, non de illis tentationibus visibilibus quas narrant Matthaeus
et Lucas, quae factae sunt post ieiunium, sed de quibusdam aliis impugnationibus quas
forte illo ieiunii tempore Christus est a Diabolo passus. (IIIa q. 41 a. 3 ad 2)
2 — Die woorden van Marcus moeten zo verstaan worden, dat Hij veertig dagen en veertig
nachten in de woestijn bleef, gedurende welke dagen namelijk Hij vastte. Als er nu
gezegd wordt: en Hij werd door de duivel bekoord, dan moet dat verstaan worden: ná
deze dagen, en niet: gedurende die veertig dagen en veertig nachten, en wel, omdat
Mattheus zegt, dat «toen Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, Hij daarna
honger voelde», waarin de verleider een aanleiding vond om naar Hem toe te komen.
Zoodat dan wat er volgt op de woorden van Marcus: en de engelen bedienden Hem, consecutief
moet genomen worden, wat bewezen wordt uit wat Mattheus zegt (4, 11): « Toen verliet
de duivel Hem, namelijk, na de bekoring, en zie, de engelen naderden, en dienden Hem
». Wat Marcus er echter tusschen voegt: « Hij vertoefde onder de wilde dieren », staat
er bij, volgens Chrysostomus (Verklaring van Marcus, 1, 12, 13; 1° B.) om aan te geven
wat voor een woestijn het was: dat ze namelijk ontoegankelijk was voor mensen en vol
dieren. Volgens de verklaring van Beda echter (op Marcus, 1, 13; 1° B.) wordt de Heer
veertig dagen en veertig nachten lang bekoord. Maar dat moet niet verstaan worden
van die zichtbare bekoringen, welke Mattheus en Lucas verhalen, en welke plaats hebben
gehad na het vasten, maar van sommige andere aanvechtingen, welke Christus misschien
wel tijdens het vasten van de duivel heeft te verduren gehad.
Ad tertium dicendum quod, sicut Ambrosius dicit, super Luc., recessit Diabolus a Christo
usque ad tempus, quia postea, non tentaturus, sed aperte pugnaturus advenit, tempore
scilicet passionis. Et tamen per illam impugnationem videbatur Christum tentare de
tristitia et odio proximorum, sicut in deserto de delectatione gulae et contemptu
Dei per idololatriam. (IIIa q. 41 a. 3 ad 3)
3 — Volgens Ambrosius (Verklaring van Lucas, 4, 13; 4° B.) verliet de duivel Christus
voor een tijd, omdat hij later teruggekomen is, niet om Hem te bekoren, maar om openlijk
te strijden, namelijk tijdens zijn lijden. — Maar toch schijnt het wel, dat hij Christus
door die aanvechtingen bekoord heeft tot droefheid en haat tegen de naasten; zoals
hij het in de woestijn heeft gedaan tot gulzig genot en verachting van God door afgoderij.
Articulus 4. Is de wijze en de volgorde der bekoringen wel goed geweest?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod non fuerit conveniens tentationis modus et
ordo. Tentatio enim Diaboli ad peccandum inducit. Sed si Christus subvenisset corporali
fami convertendo lapides in panes, non peccasset, sicut non peccavit cum panes multiplicavit,
quod non fuit minus miraculum, ut turbae esurienti subveniret. Ergo videtur quod nulla
fuerit illa tentatio. (IIIa q. 41 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de wijze en volgorde der bekoringen geen goede is geweest. De duivel
bekoort immers tot zonde. Maar als Christus zijn lichamelijke honger verholpen zou
hebben, met stenen in brood te veranderen, dan zou Hij niet gezondigd hebben: zoals
Hij evenmin gezondigd heeft, toen Hij brood vermenigvuldigde, wat geen minder groot
wonder was, om het hongerige volk te hulp te komen. Dus schijnt het wel, dat dat geen
bekoring geweest is.
Praeterea, nullus persuasor convenienter persuadet contrarium eius quod intendit.
Sed Diabolus, statuens Christum supra pinnaculum templi, intendebat eum de superbia
seu vana gloria tentare. Ergo inconvenienter persuadet ei ut se mittat deorsum, quod
est contrarium superbiae vel vanae gloriae, quae semper quaerit ascendere. (IIIa q. 41 a. 4 arg. 2)
2 — Iemand, die een ander tot iets wil overhalen, doet verkeerd, met het tegendeel van
wat hij bedoelt, aan te raden. Maar met Christus op het dakterras van de Tempel te
plaatsen, bedoelde de duivel Hem tot hoogmoed of ijdele glorie te verleiden. Dus deed
hij verkeerd, met Hem over te halen, zich naar beneden te werpen: wat het tegenovergestelde
is van hoogmoed of ijdele glorie, die altijd omhoog zoeken te komen.
Praeterea, una tentatio conveniens est ut sit de uno peccato. Sed in tentatione quae
fuit in monte, duo peccata persuasit, scilicet cupiditatem et idololatriam. Non ergo
conveniens videtur fuisse tentationis modus. (IIIa q. 41 a. 4 arg. 3)
3 — Eén bekoring behoort over één zonde te gaan. Maar bij de bekoring op de berg, haalde
hij tot twee zonden over: begeerte namelijk en afgoderij. De wijze van bekoren schijnt
dus niet goed geweest te zijn.
Praeterea, tentationes ad peccata ordinantur. Sed septem sunt vitia capitalia, ut
in secunda parte habitum est. Non autem tentat nisi de tribus, scilicet gula et vana
gloria et cupiditate. Non ergo videtur sufficiens tentatio. (IIIa q. 41 a. 4 arg. 4)
4 — De bekoringen zijn gericht op de zonden. Maar er zijn zeven hoofdzonden zoals in het
tweede deel gezegd is (I-II, 84' Kw., 4' Art.). De duivel echter bekoorde slechts
tot drie zonden, en wel tot gulzigheid, ijdelheid en begeerlijkheid. De bekoring was
dus niet volledig.
Praeterea, post victoriam omnium vitiorum, remanet homini tentatio superbiae vel vanae
gloriae, quia superbia etiam bonis operibus insidiatur, ut pereant, sicut dicit Augustinus.
Inconvenienter ergo Matthaeus ultimam ponit tentationem cupiditatis in monte, mediam
autem inanis gloriae in templo, praesertim cum Lucas ordinet e converso. (IIIa q. 41 a. 4 arg. 5)
5 — Na de overwinning op alle ondeugden, blijft de mens nog de bekoring tot hoogmoed of
ijdele glorie, daar de hoogmoed zelfs de goede werken belaagt, om er dode werken van
te maken, zoals Augustinus zegt in zijn Regel. Mattheus doet dus niet goed, met de
bekoring tot begeerlijkheid op de berg het laatst te plaatsen, en als middelste die
tot ijdele glorie in de Tempel: te meer, daar Lucas ze andersom plaatst.
Praeterea, Hieronymus dicit, super Matth., quod propositum Christi fuit Diabolum humilitate
vincere, non potestate. Ergo non imperiose obiurgando eum repellere debuit, vade retro,
Satana. (IIIa q. 41 a. 4 arg. 6)
6 — Hieronymus zegt in zijn Verklaring van Mattheus (4, 4; 2° B.), dat het in Christus
voornemen gelegen heeft, de duivel door nederigheid en niet door kracht te overwinnen.
Dus had Hij hem niet moeten verdrijven, met hem gebiedend te bestraffen: « Ga heen,
Satan ».
Praeterea, narratio Evangelii videtur falsum continere. Non enim videtur possibile
quod Christus supra pinnaculum templi statui potuerit quin ab aliis videretur. Neque
aliquis mons tam altus invenitur ut inde totus mundus inspici possit, ut sic ex eo
potuerint Christo omnia regna mundi ostendi. Inconvenienter igitur videtur descripta
Christi tentatio. (IIIa q. 41 a. 4 arg. 7)
7 — Het schijnt wel, dat het Evangelieverhaal een onwaarheid bevat. Want het schijnt niet
mogelijk te zijn, dat Christus, zonder door anderen gezien te worden, op het dakterras
van de Tempel had geplaatst kunnen worden. En er is ook geen enkele berg te vinden,
zo hoog, dat men daar vandaan de hele wereld kan overzien, zodat van daar aan Christus
alle rijken der wereld hadden kunnen getoond worden. De bekoring van Christus staat
dus niet goed beschreven.
Sed contra est Scripturae auctoritas. (IIIa q. 41 a. 4 s. c.)
Daartegenover staat echter het gezag der Schrift.
Respondeo dicendum quod tentatio quae est ab hoste, fit per modum suggestionis, ut
Gregorius dicit. Non autem eodem modo potest aliquid omnibus suggeri, sed unicuique
suggeritur aliquid ex his circa quae est affectus. Et ideo Diabolus hominem spiritualem
non statim tentat de gravibus peccatis, sed paulatim a levioribus incipit, ut postmodum
ad graviora perducat. Unde Gregorius, XXXI Moral., exponens illud Iob XXXIX, procul
odoratur bellum, exhortationem ducum et ululatum exercitus, dicit, bene duces exhortari
dicti sunt, exercitus ululare. Quia prima vitia deceptae menti quasi sub quadam ratione
se ingerunt, sed innumera quae sequuntur, dum hanc ad omnem insaniam pertrahunt, quasi
bestiali clamore confundunt. Et hoc idem Diabolus observavit in tentatione primi hominis.
Nam primo sollicitavit mentem primi hominis de ligni vetiti esu, dicens, Gen. III,
cur praecepit vobis Deus ut non comederetis de omni ligno Paradisi? Secundo, de inani
gloria, cum dixit, aperientur oculi vestri. Tertio, perduxit tentationem ad extremam
superbiam, cum dixit, eritis sicut dii, scientes bonum et malum. Et hunc etiam tentandi
ordinem servavit in Christo. Nam primo tentavit ipsum de eo quod appetunt quantumcumque
spirituales viri, scilicet de sustentatione corporalis naturae per cibum. Secundo,
processit ad id in quo spirituales viri quandoque deficiunt, ut scilicet aliqua ad
ostentationem operentur, quod pertinet ad inanem gloriam. Tertio, perduxit tentationem
ad id quod iam non est spiritualium virorum, sed carnalium, scilicet ut divitias et
gloriam mundi concupiscant usque ad contemptum Dei. Et ideo in primis duabus tentationibus
dixit, si filius Dei es non autem in tertia, quae non potest spiritualibus convenire
viris, qui sunt per adoptionem filii Dei, sicut et duae primae. His autem tentationibus
Christus restitit testimoniis legis, non potestate virtutis, ut hoc ipso et hominem
plus honoraret, et adversarium plus puniret, cum hostis generis humani non quasi a
Deo, sed quasi ab homine vinceretur, sicut dicit Leo Papa. (IIIa q. 41 a. 4 co.)
De bekoring, die van de vijand afkomt, geschiedt bij wijze van influistering, zoals
Gregorius zegt (16e Homelie op het Evangelie). Maar nu kan iets niet aan allen op
dezelfde wijze ingegeven worden, maar aan eenieder wordt iets ingeblazen van datgene,
waarvoor hij neiging gevoelt. En daarom behoort de duivel de geestelijken mens niet
aanstonds tot zware zonden, maar langzaam aan begint hij met de lichtere, om hem daarna
tot zwaardere te brengen. Vandaar zegt Gregorius in het 31e boek van de Zedelkundige
Verhandelingen waar hij het woord van Job uitlegt (39, 25): « Van verre ruikt het
de strijd, de aanwakkering der legeraanvoerders en het gehuil van het leger ». — «
Het is zo juist wat gezegd wordt, dat de legeroversten aanwakkeren en het leger huilt.
Want de eerste slechte gewoonten, dringen zich, als onder een zeker voorwendsel, aan
de teleurgestelde geest op: maar de ontelbaar vele die volgen, brengen hem, als door
een beestachtig gehuil, in de war, terwijl ze hem naar allerlei dwaasheid heen sleuren
». En ditzelfde heeft de duivel in acht genomen, toen hij de eerste mens bekoorde.
Want eerst verleidde hij de geest van de eerste mens, tot het eten van de verboden
boom, zeggende (Genesis, 3, 1): « Waarom heeft God u geboden, dat ge niet zoudt eten
van al de bomen van het paradijs? » Daarna tot ijdele glorie, toen hij zeide: « Uw
oogen zullen opengaan ». En op de derde plaats voerde hij de bekoring op tot de uiterste
hoogmoed, toen hij zeide: « Gij zult zijn als goden, kennende goed en kwaad ». En
deze orde heeft hij ook in acht genomen bij Christus. Want eerst bekoorde hij Hem
daarin, wat zelfs de grootste onder de geestelijke mannen begeren: nl. in de instandhouding
van de lichamelijke natuur door voedsel. Daarna ging hij over tot datgene, waarin
geestelijke mannen soms te kort schieten, dat ze nl. iets doen om gezien te worden.
En op de derde plaats kwam, dat hij de bekoring opvoerde tot dat, wat geen geestelijke
mannen meer doen, maar wel vleselijke en dat is, dat ze de rijkdommen en de eer der
wereld begeren, tot Godsverachting toe. En daarom zeide hij bij de twee eerste bekoringen:
indien Gij de Zoon Gods zijt; wat hij niet meer deed bij de derde, daar deze bij geestelijke
mannen, die door aanneming zonen Gods zijn, niet te pas kan komen, zoals wèl de twee
eersten. Christus verzette zich echter tegen die bekoringen, door de getuigenissen
der wet en niet door macht en kracht, « om daardoor zoowel de mens meer te verheerlijken,
als de tegenstander zwaarder te straffen, daar nu de vijand van het mensdom, niet
als door God, maar als door de mens werd overwonnen », zoals Paus Leo zegt (1e Preek
Over de Vastentijd, 3e H.).
Ad primum ergo dicendum quod uti necessariis ad sustentationem non est peccatum gulae,
sed quod ex desiderio huius sustentationis homo aliquid inordinatum faciat, ad vitium
gulae pertinere potest. Est autem inordinatum quod aliquis, ubi potest haberi recursus
ad humana subsidia, pro solo corpore sustentando miraculose sibi cibum quaerere velit.
Unde et dominus filiis Israel miraculose manna praebuit in deserto, ubi aliunde cibus
haberi non potuit. Et similiter Christus in deserto turbas pavit miraculose, ubi aliter
cibi haberi non poterant. Sed Christus ad subveniendum fami poterat aliter sibi providere
quam miracula faciendo, sicut et Ioannes Baptista fecit, ut legitur Matth. III; vel
etiam ad loca proxima properando. Et ideo reputabat Diabolus quod Christus peccaret,
si ad subveniendum fami miracula facere attentaret, si esset purus homo. (IIIa q. 41 a. 4 ad 1)
1 — Gebruiken wat nodig is voor het levensonderhoud, is geen zonde van gulzigheid: maar
als de mens uit verlangen naar dit levensonderhoud iets ongeregelds doet, dat kan
tot de ondeugd van gulzigheid horen. Het is echter iets ongeregelds, dat iemand, waar
hij zijn toevlucht kan nemen tot menselijke hulpmiddelen, zich alleen maar voor de
instandhouding van zijn lichaam, op een wonderdadige wijze voedsel wil verschaffen.
Vandaar dan ook, dat de Heer aan de kinderen Israëls in de woestijn door een wonder
manna verstrekte, waar op een andere manier geen voedsel kon verkregen worden (Exodus,
16). En evenzo spijzigde Christus de scharen in de woestijn op een wonderdadige wijze,
daar er anders geen voedsel had kunnen verkregen worden. Maar Christus had zich om
zijn honger te stillen ook wel op een andere manier eten kunnen verschaffen, dan door
wonderen te doen: zoals ook Joannes de Doper deed, gelijk te lezen staat bij Mattheus
(3, 4); of ook met naar de naastbijgelegen plaatsen toe te gaan. En daarom meende
de duivel, dat Christus zou zondigen, als Hij, voor het geval Hij alleen maar mens
was, het zou wagen wonderen te doen, om zijn honger te stillen.
Ad secundum dicendum quod per humiliationem exteriorem frequenter quaerit aliquis
gloriam qua exaltetur circa spiritualia bona. Unde Augustinus dicit, in libro de sermone
domini in monte, animadvertendum est non in solo rerum corporearum nitore atque pompa,
sed etiam in ipsis sordibus lutosis esse posse iactantiam. Et ad hoc significandum,
Diabolus Christo suasit ut, ad quaerendum gloriam spiritualem, corporaliter mitteret
se deorsum. (IIIa q. 41 a. 4 ad 2)
2 — Iemand zoekt heel dikwijls door zich uitwendig te vernederen de glorie die hem in
het geestelijke zal verheffen. Vandaar zegt Augustinus in zijn werk Over de bergrede
des Heren (2e B., 12e H.): «Het verdient de aandacht, dat er niet alleen praalzucht
kan gelegen liggen in de glans en de luister der dingen van het lichaam, maar ook
zelfs in vuile kleren». En om dit aan te duiden, overreedde de duivel Christus zich,
ten einde geestelijke glorie te zoeken, lichamelijk naar beneden te werpen.
Ad tertium dicendum quod divitias et honores mundi appetere peccatum est, quando huiusmodi
inordinate appetuntur. Hoc autem praecipue manifestatur ex hoc quod pro huiusmodi
adipiscendis homo aliquid inhonestum facit. Et ideo non fuit contentus Diabolus persuadere
cupiditatem divitiarum et honorum, sed induxit ad hoc quod propter huiusmodi adipiscenda
Christus eum adoraret, quod est maximum scelus, et contra Deum. Nec solum dixit, si
adoraveris me, sed addidit, si cadens, quia, ut dicit Ambrosius, habet ambitio domesticum
periculum, ut enim dominetur aliis, prius servit; et curvatur obsequio ut honore donetur;
et, dum vult esse sublimior, fit remissior. Et similiter etiam in praecedentibus tentationibus
ex appetitu unius peccati in aliud peccatum inducere est conatus, sicut ex desiderio
cibi conatus est inducere in vanitatem sine causa miracula faciendi; et ex cupiditate
gloriae conatus est ducere ad tentandum Deum per praecipitium. (IIIa q. 41 a. 4 ad 3)
3 — De rijkdommen en de eerbewijzen der wereld zoeken is zonde, wanneer die dingen ongeregeld
begeerd worden. En dit komt vooral hierin tot uiting, dat de mens, om die dingen te
kunnen krijgen, iets onedels verricht. En dus was de duivel er niet tevreden mee,
met te trachten (Christus) over te halen tot begeerte naar rijkdommen en eerbewijzen,
maar hij trachtte Hem er toe te brengen om, ten einde die dingen te kunnen krijgen,
hem te aanbidden: wat de grootste misdaad is, en (zonde) tegen God. — En hij zeide
niet alleen: als Gij mij aanbidt, maar hij voegde er aan toe: zo Gij neervalt; omdat,
zoals Ambrosius zegt (in zijn Verklaring van Lucas, 4, 5; 4° B.) « het gevaarlijke
van de eerzucht, in het inwendige gelegen is: want om over anderen te kunnen heersen,
zal ze eerst dienen; en om geëerd te worden, buigt ze zich in onderdanigheid neer;
en terwijl ze veel hoger wil komen, wordt ze geringer ». En evenzo heeft hij ook bij
de voorafgaande bekoringen getracht, van de ene begeerte tot de andere te brengen.
Zo trachtte hij van de begeerte naar spijs over te halen tot ijdelheid van nl. zonder
reden wonderen te doen; en van de begeerte naar glorie trachtte hij (Hem) er toe te
brengen God op de proef te stellen, met zich naar beneden te werpen.
Ad quartum dicendum quod, sicut dicit Ambrosius, super Luc., non dixisset Scriptura
quod, consummata omni tentatione, Diabolus recessit ab illo, nisi in tribus praemissis
esset omnium materia delictorum. Quia causae tentationum causae sunt cupiditatum,
scilicet carnis oblectatio, spes gloriae, et aviditas potentiae. (IIIa q. 41 a. 4 ad 4)
4 — Hierop is te antwoorden met de woorden van Ambrosius (t. a. p. Lucas, 4, 13): « De
Schrift zou niet gezegd hebben, dat de duivel van Hem heenging, nadat alle bekoringen
waren uit geput, als niet in die drie opgenoemden het voorwerp gevonden wordt van
alle zonden. Want de oorzaken der bekoringen zijn de oorzaken der begeerten: en wel
de lust des vleses, de hoop op glorie en de zucht naar macht ».
Ad quintum dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in libro de consensu Evang., incertum
est quid prius factum sit, utrum regna terrae prius demonstrata sint ei, et postea
in pinnaculum templi locatus sit; aut hoc prius, et illud postea. Nihil tamen ad rem,
dum omnia facta esse manifestum sit. Videntur autem Evangelistae diversum ordinem
tenuisse, quia quandoque ex inani gloria venitur ad cupiditatem, quandoque e converso. (IIIa q. 41 a. 4 ad 5)
5 — Hierop is te antwoorden met de woorden van Augustinus uit het boek *Over de Overeenstemming
der Evangelien* (2e B., 16e H.): « Het is niet zeker, wat het eerst heeft plaats gehad:
of Hem eerst de koninkrijken der aarde getoond zijn, en Hij daarna op het dakterras
van de Tempel is geplaatst geworden; ofwel dit het eerst en daarna het andere. Maar
het doet niets ter zake, want het is wel duidelijk, dat dit alles geschied is ». Het
schijnt echter, dat de Evangelisten er een verschillende volgorde op na gehouden hebben,
omdat men somtijds van ijdele glorie tot begeerlijkheid komt, dan weer andersom.
Ad sextum dicendum quod Christus, cum passus fuisset tentationis iniuriam, dicente
sibi Diabolo, si filius Dei es, mitte te deorsum, non est turbatus, nec Diabolum increpavit.
Quando vero Diabolus Dei usurpavit sibi honorem, dicens, haec omnia tibi dabo si cadens
adoraveris me, exasperatus est et repulit eum, dicens, vade, Satanas, ut nos illius
discamus exemplo nostras quidem iniurias magnanimiter sustinere, Dei autem iniurias
nec usque ad auditum sufferre. (IIIa q. 41 a. 4 ad 6)
6 — Toen Christus, doordat de duivel tegen Hem zei: « Indien Gij Gods Zoon zijt, werp
U dan naar beneden », het onrecht, dat in die bekoring gelegen was, ondergaan had,
ontstelde Hij niet en viel evenmin tegen de duivel uit. Maar toen de duivel zich wederrechtelijk
Goddelijke eer aanmatigde, toen Hij zei: « Dit alles zal ik U geven, zo Gij neer valt
en mij aanbidt », werd Hij verbitterd en verdreef hem, zeggende: « Ga heen, Satan!
», opdat wij, door zijn voorbeeld zouden leren, het onrecht, dat ons aangedaan wordt,
grootmoedig te verdragen, maar het onrecht, dat God aangedaan wordt, zelfs niet te
willen horen.
Ad septimum dicendum quod, sicut Chrysostomus dicit, Diabolus sic Christum assumebat
(in pinnaculum templi) ut ab omnibus videretur, ipse autem, nesciente Diabolo, sic
agebat ut a nemine videretur. Quod autem dicit, ostendit ei omnia regna mundi et gloriam
eorum, non est intelligendum quod videret ipsa regna vel civitates vel populos, vel
aurum vel argentum, sed partes in quibus unumquodque regnum vel civitas posita est,
Diabolus Christo digito demonstrabat, et uniuscuiusque regni honores et statum verbis
exponebat. Vel, secundum Origenem, ostendit ei quomodo ipse per diversa vitia regnabat
in mundo. (IIIa q. 41 a. 4 ad 7)
7 — Hierop is te antwoorden met de woorden van Chrysostomus: « De duivel nam Christus
zo mee (naar het dakterras van de Tempel) dat Hij door allen gezien zou worden; Hij
echter bewerkte het zo, dat hij zonder dat de duivel het wist, door niemand gezien
werd ». Wat hij nu zegt: « Hij toonde Hem alle koninkrijken der wereld en hun heerlijkheid
», moet niet zó verstaan worden, dat Hij die rijken, steden of volkeren, het goud
of het zilver, zag; maar de duivel toonde met zijn vinger Christus de streken aan
waarin elk rijk of iedere stad gelegen was, en van ieder rijk beschreef hij in woorden
de waardigheden en de staat ». — Of zó, met Origenes: « Hij liet Hem zien, hoe hij
door de verschillende ondeugden heerschappij voerde over de wereld ».