QuaestioArticulus

Tertia Pars. Quaestio 25.
Over het aanbidden van Christus .

Prooemium

Deinde considerandum est de his quae pertinent ad Christum in comparatione ad nos. Et primo, de adoratione Christi, qua scilicet nos eum adoramus; secundo, de hoc quod est mediator noster ad Deum. Circa primum quaeruntur sex. Primo, utrum una et eadem adoratione sit adoranda divinitas Christi et eius humanitas. Secundo, utrum caro eius sit adoranda adoratione latriae. Tertio, utrum adoratio latriae sit exhibenda imagini Christi. Quarto, utrum sit exhibenda cruci Christi. Quinto, utrum sit exhibenda matri eius. Sexto, de adoratione reliquiarum sanctorum. (IIIa q. 25 pr.)

Vervolgens moeten wij over de dingen spreken, die Christus toekomen om Zijn verhouding tot ons. En wel vooreerst over de aanbidding van Christus, die namelijk waarmee wij Hem aanbidden; ten tweede over het feit, dat Hij middelaar is van ons bij God. Over het eerste punt stellen wij ons zes vragen: 1. Moeten Christus’ godheid en mensheid met dezelfde soort aanbidding aanbeden worden? 2. Moet Zijn vlees aanbeden worden met godsvereering? 3. Moet men die aanbidding brengen aan Zijn afbeeldingen? 4. Moet men haar brengen aan Zijn kruis? 5. Moet men haar brengen aan Zijn Moeder? 6. Over de vereering van de overblijfselen der Heiligen.

Articulus 1.
Moeten Christus’ godheid en mensheid met dezelfde soort aanbidding aanbeden worden?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod non eadem adoratione adoranda sit humanitas Christi et eius divinitas. Divinitas enim Christi est adoranda, quae est communis patri et filio, unde dicitur Ioan. V, omnes honorificent filium sicut honorificant patrem. Sed humanitas Christi non est communis ei et patri. Ergo non eadem adoratione adoranda est humanitas Christi et eius divinitas. (IIIa q. 25 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus’ godheid en mensheid niet met dezelfde soort aanbidding aanbeden moeten worden. Want Christus’ godheid moet aanbeden worden in zover Hij haar gemeenschappelijk met de Vader bezit, zodat bij Joannes (5, 23) wordt gezegd: « Allen eren de Zoon zoals zij de Vader vereren ». Maar Christus heeft Zijn mensheid niet met de Vader gemeen. Dus moeten Zijn godheid en mensheid niet met dezelfde soort aanbidding aanbeden worden.

Praeterea, honor est proprie praemium virtutis, ut philosophus dicit, in IV Ethic. Meretur autem virtus praemium suum per actum. Cum igitur in Christo sit alia operatio divinae et humanae naturae, ut supra habitum est, videtur quod alio honore sit adoranda humanitas Christi, et alio eius divinitas. (IIIa q. 25 a. 1 arg. 2)

2 — De eer is in eigenlijke zin « het loon der deugd », zoals de Filosoof in het 4e boek Over de Zedeleer (3e H., n. 15) zegt. Nu verdient de deugd door daden haar loon. Omdat er nu zoals boven is gezegd (19e Kw., 1e Art.) in Christus verschil is tussen de werkzaamheid van de goddelijke en menselijke natuur, schijnt Christus’ godheid met andere eerbewijzen aanbeden te moeten worden dan Zijn mensheid.

Praeterea, anima Christi, si non esset verbo unita, esset veneranda propter excellentiam sapientiae et gratiae quam habet. Sed nihil dignitatis est ei subtractum per hoc quod est unita verbo. Ergo natura humana est quadam propria veneratione adoranda, praeter venerationem quae exhibetur divinitati ipsius. (IIIa q. 25 a. 1 arg. 3)

3 — Als Christus’ ziel niet met het Woord verenigd was, zou zij vereerd moeten worden om de uitstekende wijsheid en genade, die zij bezit. Nu is haar door de vereniging met het Woord niets ontrokken, wat tot haar waardigheid bijdraagt. Dus is de menselijke natuur met een eigen soort eer te vereren buiten de vereering om, die aan Zijn goddelijke natuur wordt gebracht.

Sed contra est quod in capitulis quintae synodi sic legitur, si quis in duabus naturis adorari dicit Christum, ex quo duae adorationes introducuntur, sed non una adoratione Deum verbum incarnatum cum propria ipsius carne adorat, sicut ab initio Dei Ecclesiae traditum est, talis anathema sit. (IIIa q. 25 a. 1 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat wij in de kapittels van de Vijfde Kerkvergadering dit lezen: « Als iemand beweert, dat Christus in twee naturen vereerd moet worden en zo over twee aanbiddingen begint te spreken, maar niet zoals het vanaf het begin in Gods Kerk overgeleverd is met een enkele aanbidding God, het mensgeworden Woord, met Zijn eigen Vlees aanbidt, die zij gebannen ».

Respondeo dicendum quod in eo qui honoratur, duo possumus considerare, scilicet eum cui honor exhibetur, et causam honoris. Proprie autem honor exhibetur toti rei subsistenti, non enim dicimus quod manus hominis honoretur, sed quod homo honoretur. Et si quandoque contingat quod dicatur honorari manus vel pes alicuius, hoc non dicitur ea ratione quod huiusmodi partes secundum se honorentur, sed quia in istis partibus honoratur totum. Per quem etiam modum aliquis homo potest honorari in aliquo exteriori, puta in veste, aut in imagine, aut in nuntio. Causa autem honoris est id ex quo ille qui honoratur habet aliquam excellentiam, nam honor est reverentia alicui exhibita propter sui excellentiam, ut in secunda parte dictum est. Et ideo, si in uno homine sunt plures causae honoris, puta praelatio, scientia et virtus, erit quidem illius hominis unus honor ex parte eius qui honoratur, plures tamen secundum causas honoris, homo enim est qui honoratur et propter scientiam, et propter virtutem. Cum igitur in Christo una sit tantum persona divinae et humanae naturae, et etiam una hypostasis et unum suppositum, est quidem una eius adoratio et unus honor ex parte eius qui adoratur, sed ex parte causae qua honoratur, possunt dici esse plures adorationes, ut scilicet alio honore honoretur propter sapientiam increatam, et propter sapientiam creatam. Si autem ponerentur in Christo plures personae seu hypostases, sequeretur quod simpliciter essent plures adorationes. Et hoc est quod in synodis reprobatur. Dicitur enim in capitulis Cyrilli, si quis audet dicere assumptum hominem coadorari oportere Deo verbo, quasi alterum alteri, et non magis una adoratione honorificat Emmanuelem, secundum quod factum est caro verbum, anathema sit. (IIIa q. 25 a. 1 co.)

In hem, die geëerd wordt, kunnen wij twee dingen beschouwen, namelijk wie geëerd wordt en de reden waarom. In eigenlijke zin nu wordt eer bewezen aan het gehele zelfstandig bestaande ding, want wij zeggen niet, dat de hand van de mens geëerd wordt, maar de mens. En zegt men toevallig, dat iemands hand of voet wordt geëerd, dan is dat niet met deze bedoeling, dat deze delen op zichzelf worden geëerd, maar dat in deze delen het geheel wordt geëerd. Op deze manier kan een mens ook in een buiten hem staand ding worden geëerd, bijvoorbeeld in zijn kleeding of beeld of een afgezant. De reden van de eer nu is datgene, waardoor hij die geëerd wordt, boven anderen uitsteekt, omdat eer de iemand om zijn uitstekendheid bewezen hulde is, zoals in het tweede deel (IIa-IIae, 103e Kw., 1e Art.) is gezegd. En zijn er dus in een mens meerdere redenen om hem te eren, bij waardigheid, wetenschap en deugd, dan zal er één vereering zijn van die mens, gezien van de kant van hem die geëerd wordt, maar meerdere wat de redenen van vereering betreft, want het is de mens, die en om de wetenschap en om de deugd wordt geëerd. Omdat er dus in Christus maar een persoon is in de goddelijke en de menselijke natuur en maar een hypostase en een drager, is er maar een aanbidding en vereering van Hem, bezien van de kant van wie aanbeden wordt, maar van de kant van de reden om te eren kan men van meerdere aanbiddingen spreken, in zover Hij met een andere eer wordt vereerd om de ongeschapen en om de geschapen wijsheid. Zou men echter in Christus meerdere personen of hypostases aannemen, dan waren er zonder beperking meerdere aanbiddingen. En dat wordt op de kerkvergaderingen verworpen. Want in de kapittels van Cyrillus wordt gezegd: « Als iemand het waagt te zeggen, dat de aangenomen mens te samen met Gods Woord moet aanbeden worden als de ene persoon met de andere, en niet liever met een enkele aanbidding de Emmanuel vereert, in zover het Woord is Vlees geworden, die zij gebannen ».

Ad primum ergo dicendum quod in Trinitate sunt tres qui honorantur, sed una est causa honoris. In mysterio autem incarnationis est e converso. Et ideo alio modo est unus honor Trinitatis, et alio modo est unus honor Christi. (IIIa q. 25 a. 1 ad 1)

1 — In de Drievuldigheid zijn er Drie die vereerd worden, maar een reden om hen te vereren, doch bij het geheim der menswording is het omgekeerd. En dus is de vereering der Drievuldigheid op een andere manier één dan die van Christus.

Ad secundum dicendum quod operatio non est quae honoratur, sed est ratio honoris. Et ideo per hoc quod in Christo sunt duae operationes, non ostenditur quod sint duae adorationes, sed quod sint duae adorationis causae. (IIIa q. 25 a. 1 ad 2)

2 — De werkzaamheid is niet datgene wat geëerd wordt, maar de reden om te eren. En daarom volgt uit het feit dat er in Christus twee werkzaamheden zijn niet, dat er twee aanbiddingen zijn, maar wel twee redenen ervan.

Ad tertium dicendum quod anima Christi, si non esset unita Dei verbo esset id quod est principalissimum in homine illo. Et ideo sibi praecipue deberetur honor, quia homo est quod est potissimum in eo. Sed quia anima Christi est unita personae digniori, illi personae praecipue debetur honor cui anima Christi unitur. Nec per hoc tamen diminuitur dignitas animae Christi, sed augetur ut supra dictum est. (IIIa q. 25 a. 1 ad 3)

3 — Was Christus’ ziel niet met het Woord verenigd, dan was zij het voornaamste in die mens. Daarom zou de eer voornamelijk aan haar moeten worden gebracht, omdat de mens datgene is wat het voornaamste in hem is. Omdat zij echter met een in waardigheid hogere persoon is verenigd, moet aan de persoon, waarmee Christus’ ziel verbonden is, voornamelijk eer worden gebracht. Hierdoor wordt echter aan de waardigheid van Christus’ ziel niet te kort gedaan, maar zij wordt zoals boven is gezegd (2° Kw., 2° Art., Antw. op de 2° B.), nog vermeerderd.

Articulus 2.
Moet Christus’ mensheid met godsverering aanbeden worden?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod humanitas Christi non sit adoranda adoratione latriae. Quia super illud Psalmi, adorate scabellum pedum eius quoniam sanctum est, dicit Glossa, caro a verbo Dei assumpta sine impietate adoratur a nobis, quia nemo spiritualiter carnem eius manducat nisi prius adoret; non illa dico adoratione quae latria est, quae soli creatori debetur. Caro autem est pars humanitatis. Ergo humanitas Christi non est adoranda adoratione latriae. (IIIa q. 25 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus’ mensheid niet met godsvereering aanbeden moet worden. Want bij de Psalmtekst (Ps. 98, 5): « Aanbidt de voetbank van Zijn voeten, omdat deze heilig is », zegt de Glossa: « Wij zijn niet goddeloos, als wij het door Gods Woord aangenomen vlees aanbidden, omdat niemand geestelijk Zijn vlees eet, die het niet eerst aanbidt; maar ik spreek niet van de aanbidding met godsvereering, die alleen aan de Schepper moet worden gebracht ». Dus moet men Christus’ mensheid niet met godsvereering aanbidden.

Praeterea, cultus latriae nulli creaturae debetur, ex hoc enim reprobantur gentiles quod coluerunt et servierunt creaturae, ut dicitur Rom. I. Sed humanitas Christi est creatura. Ergo non est adoranda adoratione latriae. (IIIa q. 25 a. 2 arg. 2)

2 — Geen schepsel heeft recht op de godsvereering, want aan de heidenen wordt juist verweten, dat zij « schepselen dienden en vereerden », zoals in de Romeinenbrief (1, 25) wordt gezegd. Nu is Christus’ mensheid een schepsel. Dus moet men haar niet met godsvereering aanbidden.

Praeterea, adoratio latriae debetur Deo in recognitionem maximi dominii, secundum illud Deut. VI, dominum Deum tuum adorabis, et illi soli servies. Sed Christus, secundum quod homo, est minor patre. Ergo humanitas eius non est adoratione latriae adoranda. (IIIa q. 25 a. 2 arg. 3)

3 — God heeft op de godsvereering recht als erkenning van Zijn hoogste heerschappij volgens Deuteronomium (6, 13): « De Heer uw God zult u aanbidden en Hem alleen dienen ». Nu staat Christus als mens lager dan de Vader. Dus moet men Zijn mensheid niet met godsvereering aanbidden.

Sed contra est quod Damascenus dicit, in IV libro, adoratur autem caro Christi, incarnato Deo verbo, non propter seipsam, sed propter unitum ei secundum hypostasim verbum Dei. Et super illud Psalmi, adorate scabellum pedum eius, dicit Glossa, qui adorat corpus Christi, non terram intuetur, sed illum potius cuius scabellum est, in cuius honore scabellum adorat. Sed verbum incarnatum adoratur adoratione latriae. Ergo etiam corpus eius, sive eius humanitas. (IIIa q. 25 a. 2 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat Damascenus in het 4e boek (Over het Ware Geloof, 3e H.) zegt: « Nu Gods Woord is mens geworden, wordt Christus’ vlees aanbeden, niet om zichzelf maar om het in hypostase ermee verenigde Woord Gods ». En bij het Psalmwoord: « Aanbidt de voetbank van Zijn voeten », zegt de Glossa: « Wie Christus’ lichaam aanbidt beziet de aarde niet, maar eerder Hem wiens voetbank zij is, en ter ere van Hem aanbidt hij de voetbank ». Nu moet men het mensgeworden Woord met godsvereering aanbidden. Dus ook Zijn lichaam of mensheid.

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, honor adorationis debetur hypostasi subsistenti, tamen ratio honoris potest esse aliquid non subsistens, propter quod honoratur persona cui illud inest. Adoratio igitur humanitatis Christi dupliciter potest intelligi. Uno modo, ut sit eius sicut rei adoratae. Et sic adorare carnem Christi nihil est aliud quam adorare verbum Dei incarnatum, sicut adorare vestem regis nihil est aliud quam adorare regem vestitum. Et secundum hoc, adoratio humanitatis Christi est adoratio latriae. Alio modo potest intelligi adoratio humanitatis Christi quae fit ratione humanitatis Christi perfectae omni munere gratiarum. Et sic adoratio humanitatis Christi non est adoratio latriae, sed adoratio duliae. Ita scilicet quod una et eadem persona Christi adoretur adoratione latriae propter suam divinitatem et adoratione duliae propter perfectionem humanitatis. Nec hoc est inconveniens. Quia ipsi Deo patri debetur honor latriae propter divinitatem, et honor duliae propter dominium quo creaturas gubernat. Unde super illud Psalmi, domine Deus meus in te speravi, dicit Glossa, domine omnium per potentiam, cui debetur dulia. Deus omnium per creationem, cui debetur latria. (IIIa q. 25 a. 2 co.)

Zoals boven is gezegd (Vorig Artikel), moet men de eer der aanbidding aan de zelfstandig bestaande hypostase brengen; maar de reden om te eren kan iets niet zelfstandig bestaands zijn, waarom de persoon in wie het is geëerd wordt. Dus kan men de aanbidding van Christus’ mensheid dubbel opvatten. Ten eerste alsof zij Haar als het aanbeden ding toekwam. En zo is het aanbidden van Christus’ vlees niets anders als het aanbidden van het mensgeworden Woord Gods, zoals het eren van het kleed van de koning niets anders is dan het eren van de gekleede koning. En zo is het aanbidden van Christus’ mensheid het aanbidden met godsvereering. Het aanbidden van Christus’ mensheid kan ook zo begrepen worden als wat gebeurt om Christus’ mensheid, die met alle genadegaven volmaakt is. En zo is de vereering van Christus’ mensheid geen aanbidding met godsvereering, maar de hulde van godsdienstige vereering. Maar dat moet zó zijn, dat een en dezelfde persoon van Christus om Zijn godheid met godsvereering wordt aanbeden en om de volmaaktheid der mensheid met godsdienstige vereering vereerd. Dat is niet ongepast. Want God de Vader zelf heeft recht op godsvereering om de godheid en op godsdienstige vereering om Zijn heerschappij, waarmee Hij de schepselen bestuurt. Daarom zegt de Glossa op het Psalmwoord (Ps. 7, 1): « Heer, mijn God, op U heb ik gehoopt », « Heer van allen door macht, die recht hebt op godsdienstige vereering, Heer van allen door de schepping, die recht hebt op godsvereering ».

Ad primum ergo dicendum quod Glossa illa non est sic intelligenda quasi seorsum adoretur caro Christi ab eius divinitate, hoc enim posset contingere solum hoc modo, si esset alia hypostasis Dei et hominis. Sed quia, ut dicit Damascenus, si dividas subtilibus intelligentiis quod videtur ab eo quod intelligitur, inadorabilis est ut creatura, scilicet adoratione latriae. Et tunc sic intellectae ut separatae a Dei verbo, debetur sibi adoratio duliae, non cuiuscumque, puta quae communiter exhibetur aliis creaturis; sed quadam excellentiori, quam hyperduliam vocant. (IIIa q. 25 a. 2 ad 1)

1 — Deze glossa moet men niet zo opvatten, dat Christus’ vlees buiten verband met Zijn godheid zou aanbeden worden, want dat zou alleen kunnen geschieden, als er verschil was tussen de hypostase van God en mens. Maar het is hierom, zoals Damascenus zegt (t. a. pl.), « dat als gij een scherpzinnig onderscheid maakt tussen wat gij ziet en wat gij begrijpt, Hij als schepsel niet kan aanbeden worden », namelijk met godsvereering. En beschouwt men de mensheid dus als gescheiden van Gods Woord, dan heeft zij recht op godsdienstige vereering, maar niet een gewone die in het algemeen aan alle schepselen wordt gebracht, maar een bijzondere die hyperdulia wordt genoemd. Hieruit blijkt ook, wat op de tweede en derde bedenking te antwoorden is. Want godsvereering wordt aan Christus’ mensheid niet om haarzelf gebracht, maar om de godheid, waarmee zij verenigd is, en krachtens deze is Christus niet minder dan de Vader.

Et per hoc etiam patet responsio ad secundum et tertium. Quia adoratio latriae non exhibetur humanitati Christi ratione sui ipsius, sed ratione divinitatis cui unitur, secundum quam Christus non est minor patre. (IIIa q. 25 a. 2 ad 2)

Articulus 3.
Moet een beeld van Christus met godsverering aanbeden worden?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod imago Christi non sit adoranda adoratione latriae. Dicitur enim Exod. XX, non facies tibi sculptile, neque omnem similitudinem. Sed nulla adoratio est facienda contra Dei praeceptum. Ergo imago Christi non est adoranda adoratione latriae. (IIIa q. 25 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat een beeld van Christus niet met godsvereering aanbeden moet worden. Want in *Exodus* (20, 4) wordt gezegd: « Gij zult U geen beeld of afbeelding maken ». Nu moet men niets aanbidden tegen Gods gebod in. Dus moet men een beeld van Christus niet met godsvereering aanbidden.

Praeterea, operibus gentilium non debemus communicare, ut apostolus dicit, Ephes. V. Sed gentiles de hoc praecipue inculpantur, quia commutaverunt gloriam incorruptibilis Dei in similitudinem imaginis corruptibilis hominis, ut dicitur Rom. I. Ergo imago Christi non est adoranda adoratione latriae. (IIIa q. 25 a. 3 arg. 2)

2 — Wij moeten geen deel hebben aan de werken der heidenen, zoals de Apostel in de Ephesiërsbrief (5, 11) zegt. Nu wordt dit vooral aan de heidenen verweten, dat zij « de glorie van de onsterfelijke God hebben verruild voor een beeld, dat op een mens gelijkt », zoals we lezen in de Brief aan de Romeinen (1, 23). Dus moet men een beeld van Christus niet met godsvereering aanbidden.

Praeterea, Christo debetur adoratio latriae ratione divinitatis, non ratione humanitatis. Sed imagini divinitatis eius, quae animae rationali est impressa, non debetur adoratio latriae. Ergo multo minus imagini corporali, quae repraesentat humanitatem ipsius Christi. (IIIa q. 25 a. 3 arg. 3)

3 — Christus heeft om Zijn godheid en niet om Zijn mensheid recht op godsvereering. Nu heeft het beeld van Zijn godheid, dat in de redelijke ziel is ingedrukt, geen recht op godsvereering. Dus het lichamelijke beeld, dat Zijn mensheid afbeeldt, nog veel minder.

Praeterea, nihil videtur in cultu divino faciendum nisi quod est a Deo institutum, unde et apostolus, I Cor. XI, traditurus doctrinam de sacrificio Ecclesiae, dicit, ego accepi a domino quod et tradidi vobis. Sed nulla traditio in Scriptura invenitur de adorandis imaginibus. Ergo imago Christi non est adoratione latriae adoranda. (IIIa q. 25 a. 3 arg. 4)

4 — Men schijnt in de godsvereering niets anders te moeten doen dan wat door God is ingesteld, en daarom zegt de Apostel, als hij in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (11, 23) de leer over het offer der Kerk meedeelt: « Ik lever u over, wat ik van God ontvangen heb ». Nu wordt er in de Schrift niets van het vereren van beelden vermeld. Dus moet men een beeld van Christus niet met godsvereering aanbidden.

Sed contra est quod Damascenus inducit Basilium dicentem, imaginis honor ad prototypum pervenit, idest exemplar. Sed ipsum exemplar, scilicet Christus, est adorandus adoratione latriae. Ergo et eius imago. (IIIa q. 25 a. 3 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat Damascenus (Over het Ware Geloof, 4e B., 16e H.) de tekst van Basilius aanhaalt: « De vereering van een beeld gaat op het afgebeelde of het voorbeeld ervan over ». Nu moet men het voorbeeld nl. Christus met godsvereering aanbidden. Dus ook de afbeeldingen van Hem.

Respondeo dicendum quod, sicut philosophus dicit, in libro de Mem. et Remin., duplex est motus animae in imaginem, unus quidem in imaginem ipsam secundum quod est res quaedam; alio modo, in imaginem inquantum est imago alterius. Et inter hos motus est haec differentia, quia primus motus, quo quis movetur in imaginem prout est res quaedam, est alius a motu qui est in rem, secundus autem motus, qui est in imaginem inquantum est imago, est unus et idem cum illo qui est in rem. Sic igitur dicendum est quod imagini Christi inquantum est res quaedam, puta lignum sculptum vel pictum, nulla reverentia exhibetur, quia reverentia debetur non nisi rationali naturae. Relinquitur ergo quod exhibeatur ei reverentia solum inquantum est imago. Et sic sequitur quod eadem reverentia exhibeatur imagini Christi et ipsi Christo. Cum igitur Christus adoretur adoratione latriae, consequens est quod eius imago sit adoratione latriae adoranda. (IIIa q. 25 a. 3 co.)

Zoals de filosoof in het boek Over het Geheugen en de Herinnering (1e H.) zegt, bestaat er een dubbele zielshouding ten opzichte van een beeld; ten eerste van het beeld in zover het zelf een ding, en daarnaast in zover het beeld is van een ander ding. En daartussen bestaat dit verschil, dat de eerste houding, die het beeld als een ding beschouwt, anders is dan die ten opzichte van het afgebeelde ding, maar de tweede ten opzichte van het beeld als beeld is een en dezelfde als die ten opzichte van het ding zelf. Men moet dus zeggen, dat aan een beeld van Christus, in zover dit een ding is, bijvoorbeeld gesneden of beschilderd hout, geen enkele eer wordt gebracht, omdat eer alleen aan een redelijk schepsel wordt gebracht. Er blijft dus over, dat er eer aan wordt gebracht alleen in zover het een beeld is. En zo volgt, dat dezelfde eer aan Christus’ beeld wordt gebracht als aan Christus zelf. Waar nu Christus met godsvereering aanbeden wordt, moet daarom ook zijn beeld daarmee aanbeden worden.

Ad primum ergo dicendum quod non prohibetur illo praecepto facere quamcumque sculpturam vel similitudinem, sed facere ad adorandum, unde subdit non adorabis ea neque coles. Et quia, sicut dictum est, idem est motus in imaginem et in rem, eo modo prohibetur adoratio quo prohibetur adoratio rei cuius est imago. Unde ibi intelligitur prohiberi adoratio imaginum quas gentiles faciebant in venerationem deorum suorum, idest Daemonum, ideoque praemittitur, non habebis deos alienos coram me. Ipsi autem Deo vero, cum sit incorporeus, nulla imago corporalis poterat poni, quia, ut Damascenus dicit, insipientiae summae est et impietatis figurare quod est divinum. Sed quia in novo testamento Deus factus est homo, potest in sua imagine corporali adorari. (IIIa q. 25 a. 3 ad 1)

1 — Door dit verbod wordt niet iedere maken van een beeld of afbeelding verboden, maar alleen om het te aanbidden, en daarom wordt eraan toegevoegd: « Gij zult hen aanbidden noch vereren ». En omdat, zoals werd gezegd (in de Leerstelling), de houding ten opzichte van beeld en ding hetzelfde is, wordt de vereering precies zo verboden als die van het ding, waarvan het een beeld is. Men moet dus begrijpen, dat daar het vereren verboden werd van de beelden, die de heidenen maakten om hun goden te vereren, namelijk de duivels; en daarom gaat eraan vooraf: « Gij zult geen vreemde goden voor Mijn ogen hebben ». Maar omdat Godzelf zonder lichaam is, kon er geen lichamelijk beeld van Hem worden gemaakt; want zoals Damascenus zegt (t. a. pl.), « is het een teken van grootste dwaasheid en goddeloosheid het goddelijke af te beelden ». Omdat God echter in het Nieuwe Verbond mens geworden is, kan Hij in een stoffelijk beeld aanbeden worden.

Ad secundum dicendum quod apostolus prohibet communicare operibus infructuosis gentilium, communicare autem eorum utilibus operibus apostolus non prohibet. Adoratio autem imaginum est inter infructuosa opera computanda quantum ad duo. Primo quidem, quantum ad hoc quod quidam eorum adorabant ipsas imagines ut res quasdam, credentes in eis aliquid numinis esse, propter responsa quae Daemones in eis dabant, et alios mirabiles huiusmodi effectus. Secundo, propter res quarum erant imagines, statuebant enim imagines aliquibus creaturis, quas in eis veneratione latriae venerabantur. Nos autem adoramus adoratione latriae imaginem Christi, qui est verus Deus, non propter ipsam imaginem, sed propter rem cuius imago est, ut dictum est. (IIIa q. 25 a. 3 ad 2)

2 — De Apostel verbiedt te delen in de nutteloze werken der heidenen, maar niet in hun nuttige. Nu kan men het vereren van beelden in twee punten onder de nutteloze werken rekenen. Ten eerste in dit opzicht, dat sommigen de beelden als dingen vereerden, in de mening dat er iets goddelijks in hen zat om de antwoorden, die de duivels door hen gaven en andere wonderlijke feiten meer. Ten tweede om de dingen, waarvan het afbeeldingen waren: want zij maakten beelden ter ere van sommige schepsels, die zij daarin met godsvereering aanbaden. Maar wij aanbidden met godsvereering een beeld van Christus, die de ware God is, niet om het beeld zelf, maar om datgene waarvan het een beeld is, zoals gezegd is (in de Leerstelling).

Ad tertium dicendum quod creaturae rationali debetur reverentia propter seipsam. Et ideo, si creaturae rationali, in qua est imago, exhiberetur adoratio latriae posset esse erroris occasio, ut scilicet motus adorantis in homine sisteret inquantum est res quaedam, et non ferretur in Deum, cuius est imago. Quod non potest contingere de imagine sculpta vel picta in materia insensibili. (IIIa q. 25 a. 3 ad 3)

3 — Een redelijk schepsel heeft om zichzelf recht op eer. En wordt dus aan dat redelijke schepsel, waarin Gods beeld ligt, de godsvereering gebracht, dan is er gelegenheid om te dwalen, omdat namelijk de gevoelens van de aanbidder konden blijven staan bij de mens als een ding en niet tot God, waarvan hij een beeld is, zouden gaan. Dat kan echter niet gebeuren bij een in dode stof gesneden of geverfd beeld.

Ad quartum dicendum quod apostoli, familiari instinctu spiritus sancti, quaedam Ecclesiis tradiderunt servanda quae non reliquerunt in scriptis, sed in observatione Ecclesiae per successionem fidelium sunt ordinata. Unde ipse dicit, II Thess. II, state, et tenete traditiones quas didicistis, sive per sermonem, scilicet ab ore prolatum, sive per epistolam, scilicet scripto transmissam. Et inter huiusmodi traditiones est imaginum Christi adoratio. Unde et beatus Lucas dicitur depinxisse imaginem Christi, quae Romae habetur. (IIIa q. 25 a. 3 ad 4)

4 — Door de hun eigen inwerking van de H. Geest lieten de Apostelen enige geboden aan de kerken na om te onderhouden, die zij niet in schrift optekenden, maar die in de kerkelijke gewoonten door de geslachten der gelovigen heen geregeld zijn. Daarom zegt Paulus zelf in de Tweede Brief aan de Thessalonicensen (2, 14): « Staat pal en houdt u aan de overleveringen, die gij het zij door ons woord (dus mondeling) of ons schrijven (dus schriftelijk) geleerd hebt ». Onder deze overleveringen valt de vereering der beelden van Christus. Daarom zegt men ook, dat de H. Lucas het te Rome bewaarde beeld van Christus heeft geschilderd.

Articulus 4.
Moet men Christus’ kruis met godsverering aanbidden?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod crux Christi non sit adoranda adoratione latriae. Nullus enim pius filius veneratur contumeliam patris sui, puta flagellum quo flagellatus est, vel lignum in quo erat suspensus, sed magis illud abhorret. Christus autem in ligno crucis est opprobriosissimam mortem passus, secundum illud Sap. II, morte turpissima condemnemus eum. Ergo non debemus crucem venerari, sed magis abhorrere. (IIIa q. 25 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat men Christus’ kruis niet met godsvereering moet aanbidden. Want geen liefdevolle zoon vereert de schande van zijn vader, bijvoorbeeld de geesel, waarmee hij gegeeseld of het hout, waaraan hij opgehangen is, maar heeft daar eerder een afschuw van. Nu heeft Christus aan het kruishout de schandelijkste dood ondergaan volgens het boek der Wijsheid (2, 20): « Laten wij hem tot de schandelijkste dood veroordelen ». Dus moeten wij het kruis niet vereren, maar verafschuwen.

Praeterea, humanitas Christi adoratione latriae adoratur inquantum est unita filio Dei in persona. Quod de cruce dici non potest. Ergo crux Christi non est adoranda adoratione latriae. (IIIa q. 25 a. 4 arg. 2)

2 — Christus' mensheid wordt met Godsvreugde vereerd in zover zij met Gods Zoon in persoon verenigd is. Dit kan men van het kruis niet zeggen. Dus moet het niet met Godsvreugde worden vereerd.

Praeterea, sicut crux Christi fuit instrumentum passionis eius et mortis, ita etiam et multa alia, puta clavi, corona et lancea, quibus tamen non exhibemus latriae cultum. Ergo videtur quod crux Christi non sit adoratione latriae adoranda. (IIIa q. 25 a. 4 arg. 3)

3 — Zoals Christus’ kruis een werktuig is van Zijn lijden en dood, zijn dat ook veel andere dingen als de spijkers, de kroon en de lans; en daaraan brengen wij geen godsvoering. Dus moet men schijnbaar ook Christus’ kruis niet met godsvoering aanbidden.

Sed contra, illi exhibemus adorationem latriae in quo ponimus spem salutis. Sed in cruce Christi ponimus spem, cantat enim Ecclesia, o crux, ave, spes unica, hoc passionis tempore, auge piis iustitiam, reisque dona veniam. Ergo crux Christi est adoranda adoratione latriae. (IIIa q. 25 a. 4 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat wij de aanbidding der godsvereering aan Hem brengen, op Wien wij hopen voor ons heil. Nu stellen wij onze hoop in Christus’ kruis, want de Kerk zingt: « Wees gegroet, o kruis, onze enige hoop in deze passietijd; geef meer rechtvaardigheid aan de godvruchtigen en aan de schuldigen vergiffenis ». Dus moet men Christus’ kruis met godsvereering aanbidden.

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, honor seu reverentia non debetur nisi rationali creaturae, creaturae autem insensibili non debetur honor vel reverentia nisi ratione naturae rationalis. Et hoc dupliciter, uno modo, inquantum repraesentat naturam rationalem; alio modo, inquantum ei quocumque modo coniungitur. Primo modo consueverunt homines venerari regis imaginem, secundo modo, eius vestimentum. Utrumque autem venerantur homines eadem veneratione qua venerantur et regem. Si ergo loquamur de ipsa cruce in qua Christus crucifixus est, utroque modo est a nobis veneranda, uno modo scilicet inquantum repraesentat nobis figuram Christi extensi in ea; alio modo, ex contactu ad membra Christi, et ex hoc quod eius sanguine est perfusa. Unde utroque modo adoratur eadem adoratione cum Christo, scilicet adoratione latriae. Et propter hoc etiam crucem alloquimur et deprecamur, quasi ipsum crucifixum. Si vero loquamur de effigie crucis Christi in quacumque alia materia, puta lapidis vel ligni, argenti vel auri, sic veneramur crucem tantum ut imaginem Christi, quam veneramur adoratione latriae, ut supra dictum est. (IIIa q. 25 a. 4 co.)

Zoals boven werd gezegd (3e Art.), heeft alleen het redelijke schepsel recht op hulde en eer, maar een onredelijk schepsel alleen om een redelijke. En dat op twee wijzen; ten eerste in zover het de redelijke natuur vertegenwoordigt; en ten tweede in zover het daarmee hoe dan ook verenigd is. Op de eerste manier zijn de mensen gewend het beeld van de koning te vereren en op de tweede zijn kleed. Maar beide dingen eren de mensen met dezelfde hulde als de koning. Spreken wij dus van het kruis zelf waarop Christus gekruisigd is, dan moeten wij het op beide manieren vereren, omdat het namelijk ten eerste de gedaante van Christus, die erop uitgestrekt was afbeeldt; en ten tweede, omdat het door Christus’ ledematen aangeraakt en met Zijn bloed besproeid is. Op beide wijzen wordt het dus vereerd met dezelfde vereering als Christus, dus met godsvereering. En daarom spreken en smeeken wij ook tot het kruis als tot de Gekruisigde zelf. Spreken wij echter van een afbeelding van Zijn kruis in welke andere stof ook, bv. steen of hout, zilver of goud, dan vereren wij het kruis als beeld van Christus en wel met de aanbidding van godsvereering, zoals boven is gezegd.

Ad primum ergo dicendum quod in cruce Christi, quantum ad opinionem vel intentionem infidelium, consideratur opprobrium Christi, sed quantum ad effectum nostrae salutis, consideratur virtus divina ipsius, qua de hostibus triumphavit, secundum illud Coloss. II, ipsum tulit de medio, affigens illud cruci, et spolians principatus et potestates, traduxit confidenter, palam triumphans illos in semetipso. Et ideo dicit apostolus, I Cor. I, verbum crucis pereuntibus quidem stultitia est, his autem qui salvi fiunt, idest nobis, virtus Dei est. (IIIa q. 25 a. 4 ad 1)

1 — Volgens de mening of bedoeling der ongelovigen moet men in Christus’ Kruis een smaad zien, maar in zover het ons heil bewerkte zien wij er Zijn goddelijke kracht in, waardoor Hij over de vijanden zegevierde naar de Colossensenbrief (2, 14 en 15): « Hij heeft het vernietigd door het aan het kruis te hechten; de heerschappijen en machten ontmaskerd en tentoongesteld hen door het Kruis overwinnend ». En daarom zegt de Apostel in de Eerste Korinthiërsbrief (1, 18): « De prediking van het kruis is wel een dwaasheid voor hen die verloren gaan, maar voor ons die behouden worden is zij een kracht Gods ».

Ad secundum dicendum quod crux Christi, licet non fuerit unita verbo Dei in persona, fuit tamen ei unita aliquo alio modo, scilicet per repraesentationem et contactum. Et hac sola ratione exhibetur ei reverentia. (IIIa q. 25 a. 4 ad 2)

2 — Al was Christus’ kruis niet in persoon met Gods Woord verenigd, het was daarmee toch wel enigszins verenigd, namelijk door af te beelden en door aanraking. En alleen daarom wordt er eer aan bewezen.

Ad tertium dicendum quod, quantum ad rationem contactus membrorum Christi, adoramus non solum crucem, sed etiam omnia quae sunt Christi. Unde Damascenus dicit, in IV libro, pretiosum lignum, ut sanctificatum contactu sancti corporis et sanguinis, decenter adorandum; clavos, indumenta, lanceam; et sacra eius tabernacula. Ista tamen non repraesentant imaginem Christi, sicut crux, quae dicitur signum filii hominis, quod apparebit in caelo, ut dicitur Matth. XXIV. Ideoque mulieribus dixit Angelus, Iesum quaeritis Nazarenum crucifixum, non dixit, lanceatum, sed, crucifixum. Et inde est quod imaginem crucis Christi veneramur in quacumque materia, non autem imaginem clavorum, vel quorumcumque huiusmodi. (IIIa q. 25 a. 4 ad 3)

3 — Om de aanraking van Christus’ ledematen vereren wij niet alleen Christus’ kruis, maar alles wat van Hem is. Daarom zegt Damascenus in het 4e boek (Over het Ware Geloof, 11e H.): « Het kostbare hout, geheiligd door de aanraking van het heilige lichaam en bloed, moet passend aanbeden worden, ook de spijkers, de klederen, de lans en Zijn heilige woonplaats ». Deze dingen echter beelden niet als het kruis Christus af; want dat wordt « het beeld van de mensenzoon, dat op de wolken zal verschijnen » genoemd bij Matthaeus (24, 30). Daarom ook zei de Engel tot de vrouwen (Marcus, 16, 6): « Gij zoekt Jesus van Nazareth de gekruiste », en niet de doorboorde, maar de gekruiste. Daarom vereren wij het beeld van Christus’ Kruis in iedere stof, maar niet het beeld der spijkers en dergelijke.

Articulus 5.
Moeten wij Gods Moeder met godsverering aanbidden?

Ad quintum sic proceditur. Videtur quod mater Dei sit adoranda adoratione latriae. Videtur enim idem honor exhibendus esse matri regis et regi, unde dicitur III Reg. II quod positus est thronus matri regis, quae sedit ad dexteram eius. Et Augustinus dicit, in sermone de Assumpt., thronum Dei, thalamum domini caeli, atque tabernaculum Christi, dignum est ibi esse ubi est ipse. Sed Christus adoratur adoratione latriae. Ergo et mater eius. (IIIa q. 25 a. 5 arg. 1)

1 — Men beweert, dat wij Gods Moeder met godsvereering moeten aanbidden. Want dezelfde eer schijnt aan de moeder van de koning te worden bewezen als aan de koning, zodat in het 3° boek der Koningen (2, 19) staat, dat « er een troon werd geplaatst voor de moeder van de koning, die aan zijn rechterhand kwam te zitten ». En Augustinus zegt in een preek Over de Tenhemelopneming : « Het behoort, dat Gods troon, de woontent van Christus en de bruidskamer van de Heer des hemels daar is, waar Hij zelf is ». Nu wordt Christus met godsvereering aanbeden en dus Zijn Moeder ook.

Praeterea, Damascenus dicit, in IV libro, quod honor matris refertur ad filium. Sed filius adoratur adoratione latriae. Ergo et mater. (IIIa q. 25 a. 5 arg. 2)

2 — Damascenus zegt in het 4e boek (Over het Ware Geloof, 16e H.), dat « de eer aan de moeder gebracht op de zoon terugkomt ». Nu wordt de Zoon met godsvereering aanbeden en dus de moeder ook.

Praeterea, coniunctior est Christo mater eius quam crux. Sed crux adoratur adoratione latriae. Ergo et mater eadem adoratione est adoranda. (IIIa q. 25 a. 5 arg. 3)

3 — Christus’ moeder is meer met Hem verenigd dan het kruis. Nu wordt het kruis met godsverering aanbeden en de Moeder dus evenzeer.

Sed contra est quod mater Dei est pura creatura. Non ergo ei debetur adoratio latriae. (IIIa q. 25 a. 5 s. c.)

Maar daartegenover staat dat de Moeder Gods niets meer dan een schepsel is. Dus heeft Ze geen recht op godsvereering.

Respondeo dicendum quod, quia latria soli Deo debetur, non debetur creaturae prout creaturam secundum se veneramur. Licet autem creaturae insensibiles non sint capaces venerationis secundum seipsas, creatura tamen rationalis est capax venerationis secundum seipsam. Et ideo nulli purae creaturae rationali debetur cultus latriae. Cum ergo beata virgo sit pure creatura rationalis, non debetur ei adoratio latriae, sed solum veneratio duliae, eminentius tamen quam ceteris creaturis, inquantum ipsa est mater Dei. Et ideo dicitur quod debetur ei, non qualiscumque dulia, sed hyperdulia. (IIIa q. 25 a. 5 co.)

Alleen God heeft recht op godsvereering, geen schepsel in zover wij dat op zichzelf eren. Al kunnen de redeloze schepsels echter niet krachtens zichzelf worden vereerd, dan kan dat toch met de redelijke geschieden. En daarom heeft geen redelijk schepsel, dat niets meer dan dat is, recht op godsvereering, maar alleen op godsdienstige vereering. Daar de Heilige Maagd dit nu is, heeft zij geen recht op godsvereering, maar alleen op godsdienstige vereering, doch op een boven de anderen uitstekende manier, omdat Zij Moeder Gods is. Daarom zegt men, dat zij niet recht heeft op een gewone maar op een buitengewone godsdienstige vereering of hyperdulia.

Ad primum ergo dicendum quod matri regis non debetur aequalis honor honori qui debetur regi. Debetur tamen ei quidam honor consimilis, ratione cuiusdam excellentiae. Et hoc significant auctoritates inductae. (IIIa q. 25 a. 5 ad 1)

1 — De eer waarop de moeder van een koning recht heeft is niet gelijk aan die van de koning. Maar omdat zij boven anderen uitsteekt, heeft zij recht op een eer die erop gelijkt. En dat geven de aangehaalde teksten te kennen.

Ad secundum dicendum quod honor matris refertur ad filium, quia ipsa mater est propter filium honoranda. Non tamen eo modo quo honor imaginis refertur ad exemplar, quia ipsa imago, prout in se consideratur ut res quaedam, nullo modo est veneranda. (IIIa q. 25 a. 5 ad 2)

2 — De aan de moeder gebrachte eer valt op de zoon terug, omdat de moeder om de zoon geëerd moet worden. Maar dat is niet op dezelfde manier als de aan een beeld gebrachte eer op het voorbeeld terugslaat; want het beeld als een ding beschouwd heeft in het geheel geen recht op eer.

Ad tertium dicendum quod crux, prout ipsa in se consideratur, ut dictum est, non est capax honoris. Sed beata virgo est secundum seipsam capax venerationis. Et ideo non est similis ratio. (IIIa q. 25 a. 5 ad 3)

3 — Zoals werd gezegd (in de Leerstelling, en 4e Artikel), kan het kruis in zichzelf beschouwd geen eer ontvangen. Maar de Heilige Maagd op zichzelf wel; en daarom is het niet hetzelfde.

Articulus 6.
Moeten de overblijfselen der Heiligen enigszins vereerd worden?

Ad sextum sic proceditur. Videtur quod sanctorum reliquiae nullo modo sint adorandae. Non enim est aliquid faciendum quod possit esse erroris occasio. Sed adorare mortuorum reliquias videtur ad errorem gentilium pertinere, qui mortuis hominibus honorificentiam impendebant. Ergo non sunt sanctorum reliquiae honorandae. (IIIa q. 25 a. 6 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de overblijfselen van heiligen in het geheel niet vereerd moeten worden. Want men moet niets doen wat aanleiding kan geven tot dwaling. Nu schijnt het vereren van de overblijfselen van doden onder de dwalingen der heidenen te vallen, die eer brachten aan dode mensen. Dus moet men de overblijfselen van heiligen niet vereren.

Praeterea, stultum videtur rem insensibilem venerari. Sed sanctorum reliquiae sunt insensibiles. Ergo stultum est eas venerari. (IIIa q. 25 a. 6 arg. 2)

2 — Het is dwaas een ding te vereren dat niet kan waarnemen. Nu nemen de overblijfselen van heiligen niets waar. Dus is het dwaas hen te vereren.

Praeterea, corpus mortuum non est eiusdem speciei cum corpore vivo, et per consequens non videtur esse numero idem. Ergo videtur quod post mortem alicuius sancti, corpus eius non sit adorandum. (IIIa q. 25 a. 6 arg. 3)

3 — Het lichaam van een dode is niet van dezelfde soort als dat van een levende, en dus is het niet hetzelfde individu. Daarom schijnt men na de dood van een Heilige zijn lichaam niet te moeten vereren.

Sed contra est quod dicitur in libro de Ecclesiast. Dogmat., sanctorum corpora, et praecipue beatorum martyrum reliquias, ac si Christi membra, sincerissime adoranda (scilicet, credimus). Et postea subdit, si quis contra hanc sententiam velit esse, non Christianus, sed Eunomianus et Vigilantius creditur. (IIIa q. 25 a. 6 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat wij in het boek Over de Leerstukken der Kerk lezen: « Dat de lichamen der Heiligen en vooral van de zalige martelaren alsof zij van Christus waren vereerd moeten worden, (geloven wij) ». En daarna volgt: « Als iemand zich tegen deze stelling wil verklaren, geloof dan niet dat hij een Christen, maar dat hij een aanhanger van Eunomius en Vigilantius is ».

Respondeo dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in libro de Civ. Dei, si paterna vestis et anulus, ac si quid huiusmodi est, tanto carius est posteris quanto erga parentes est maior affectus, nullo modo ipsa spernenda sunt corpora, quae utique multo familiarius atque coniunctius quam quaelibet indumenta gestamus, haec enim ad ipsam naturam hominis pertinent. Ex quo patet quod qui habet affectum ad aliquem, etiam ipsa quae de ipso post mortem relinquuntur veneratur, non solum corpus aut partes corporis eius, sed etiam aliqua exteriora, puta vestes et similia. Manifestum est autem quod sanctos Dei in veneratione debemus habere, tanquam membra Christi, Dei filios et amicos, et intercessores, nostros. Et ideo eorum reliquias qualescumque honore congruo in eorum memoriam venerari debemus, et praecipue eorum corpora, quae fuerunt templum spiritus sancti, et organa spiritus sancti in eis habitantis et operantis, et sunt corpori Christi configuranda per gloriam resurrectionis. Unde et ipse Deus huiusmodi reliquias convenienter honorat, in eorum praesentia miracula faciendo. (IIIa q. 25 a. 6 co.)

Zoals Augustinus in De Stad Gods (1° B., 13° H.) zegt, « mogen wij, als de kleren of de ring van een vader en dergelijke de nakomelingen zoveel te dierbaarder zijn naarmate zij meer liefde voor hun ouders hadden, de lichamen zelf geenszins verachten, die meer nabestaand en verenigd met ons zijn dan de kleren die wij dragen, omdat zij tot de natuur zelf van de mensen behoren ». Daaruit blijkt, dat wie iemand bemint, vereert wat na de dood van hem overblijft; en niet alleen zijn lichaam en de delen ervan, maar ook buiten hem staande dingen als kleren en dergelijke. Nu is het duidelijk, dat wij Gods Heiligen moeten vereren als ledematen van Christus, zonen en vrienden van God en onze voorsprekers. En daarom moeten wij al hun overblijfselen met passende eer om hun nagedachtenis vereren en vooral hun lichamen, die tempels waren van de H. Geest en organen van de H. Geest, die in hen woonde en werkte; ook moeten zij aan Christus’ lichaam gelijk worden gemaakt door de heerlijkheid der verrijzenis. Daarom eert God zelf ook deze overblijfselen op passende manier door er wonderen bij te doen.

Ad primum ergo dicendum quod haec fuit ratio Vigilantii, cuius verba introducit Hieronymus in libro quem contra eum scripsit, dicentis, prope ritum gentilium videmus sub praetextu religionis introductum, pulvisculum nescio quem in modico vasculo, pretioso linteamine circumdatum, osculantes adorant. Contra quem Hieronymus dicit, in epistola ad Riparium, nos, non dico martyrum reliquias, sed nec solem nec lunam nec Angelos adoramus, scilicet adoratione latriae. Honoramus autem reliquias martyrum, ut eum cuius sunt martyres adoremus, honoramus servos, ut honor servorum redundet ad dominum. Sic ergo honorando reliquias sanctorum non incidimus in errorem gentilium, qui cultum latriae mortuis hominibus exhibebant. (IIIa q. 25 a. 6 ad 1)

1 — Dit was het argument van Vigilantius, wiens woorden Hieronymus aanhaalt in het boek, dat hij tegen hem schreef (Tegen Vigilantius, n. 4): « Wij zien onder het mom van godsdienst bijna de gewoonte der heidenen ingevoerd; een beetje stof in een stuk vaatwerk met kostbaar lijnwaad omwonden vereren zij met kussen ». Daartegen zegt Hieronymus in de Brief aan Riparius (109e Br.): « Wij vereren, ik noem de lichamen der martelaren niet eens, maar zelfs zon en maan en engelen niet », namelijk met godsvereering. « Maar wij eren de overblijfselen der martelaren om Hem te aanbidden, Wiens martelaren zij zijn; wij eren de dienaren opdat het eren der dienaren op God mag neerkomen ». Zo vallen wij bij het eren der martelaren niet in de dwalingen der heidenen, die de eer der godsvereering aan dode mensen brachten.

Ad secundum dicendum quod corpus insensibile non adoramus propter seipsum, sed propter animam, quae ei fuit unita, quae nunc fruitur Deo; et propter Deum, cuius fuerunt ministri. (IIIa q. 25 a. 6 ad 2)

2 — Het lichaam dat niets waarneemt eren wij niet om zichzelf, maar om de ziel die ermee verenigd was en nu van God geniet; en om God, Wiens dienaren zij waren.

Ad tertium dicendum quod corpus mortuum alicuius sancti non est idem numero quod primo fuerit dum viveret, propter diversitatem formae, quae est anima, est tamen idem identitate materiae, quae est iterum suae formae unienda. (IIIa q. 25 a. 6 ad 3)

3 — Het dode lichaam van een Heilige is niet hetzelfde individu dat het in het leven was om het verschil in vorm, die de ziel is; maar het is hetzelfde omdat de materie, die weer met haar vorm verenigd moet worden, dezelfde is.