QuaestioArticulus

Tertia Pars. Quaestio 12.
Over de door ondervinding verworven wetenschap van Christus’ ziel .

Prooemium

Deinde considerandum est de scientia animae Christi acquisita vel experimentali. Et circa hoc quaeruntur quatuor. Primo, utrum secundum hanc scientiam Christus cognoverit omnia. Secundo, utrum in hac scientia profecerit. Tertio, utrum aliquid ab homine didicerit. Quarto, utrum acceperit aliquid ab Angelis. (IIIa q. 12 pr.)

(Vier Artikels.) Hierna moeten wij de wetenschap bespreken, die Christus’ ziel door ondervinding verkregen had. En hierover stellen wij ons vier vragen: 1. Kende Christus met deze wetenschap alles? 2. Ging Hij in deze wetenschap vooruit? 3. Leerde Hij iets van een mens? 4. Kreeg Hij iets van de engelen?

Articulus 1.
Kende Christus met Zijn door ondervinding verworven wetenschap alles?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod secundum hanc scientiam Christus non omnia cognovit. Huiusmodi enim scientia per experientiam acquiritur. Sed Christus non omnia expertus est. Non igitur omnia secundum hanc scientiam scivit. (IIIa q. 12 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert dat Christus met deze wetenschap niet alles kende. Want dit soort wetenschap krijgt men door ondervinding. Nu had Christus geen ondervinding van alles. Dus kende Hij met deze wetenschap niet alles.

Praeterea, scientiam acquirit homo per sensum. Sed non omnia sensibilia sensibus corporalibus Christi fuerunt subiecta. Non igitur secundum hanc scientiam omnia cognovit. (IIIa q. 12 a. 1 arg. 2)

2 — De mens verkrijgt de wetenschap door de zintuigen. Maar niet alles, wat met de zintuigen waarneembaar is, kwam onder het bereik van Christus’ lichamelijke zintuigen. Dus kende Hij met die wetenschap niet alles.

Praeterea, quantitas scientiae attenditur secundum scibilia. Si igitur secundum hanc scientiam Christus omnia scivisset, esset in eo scientia acquisita aequalis scientiae infusae et scientiae beatae, quod est inconveniens. Non ergo secundum hanc scientiam Christus omnia scivit. (IIIa q. 12 a. 1 arg. 3)

3 — De grootheid van een wetenschap wordt afgemeten naar de kenbare dingen. Kende Christus dus met deze wetenschap alles, dan zou er in Hem een verworven wetenschap zijn geweest, die gelijk zou zijn aan de ingestorte wetenschap en die der zaligen; en dat past niet. Dus kende Christus met deze wetenschap niet alles.

Sed contra est quod nihil imperfectum fuit in Christo quantum ad animam. Fuisset autem imperfecta haec eius scientia, si secundum eam non scivisset omnia, quia imperfectum est cui potest fieri additio. Ergo secundum hanc scientiam Christus omnia scivit. (IIIa q. 12 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat er in Christus, wat Zijn ziel betreft, niets onvolmaakts was. Maar deze wetenschap van Hem zou onvolmaakt zijn geweest, als Hij er niet alles mee gekend had; want datgene, waaraan nog iets aan toegevoegd kan worden, is onvolmaakt. Dus kende Christus met deze wetenschap alles.

Respondeo dicendum quod scientia acquisita ponitur in anima Christi, ut supra dictum est, propter convenientiam intellectus agentis, ne eius actio sit otiosa, qua facit intelligibilia actu, sicut etiam scientia indita vel infusa ponitur in anima Christi ad perfectionem intellectus possibilis. Sicut autem intellectus possibilis est quo est omnia fieri, ita intellectus agens est quo est omnia facere, ut dicitur in III de anima. Et ideo, sicut per scientiam inditam scivit anima Christi omnia illa ad quae intellectus possibilis est quocumque modo in potentia, ita per scientiam acquisitam scivit omnia illa quae possunt sciri per actionem intellectus agentis. (IIIa q. 12 a. 1 co.)

Wij nemen, zoals boven is gezegd (9e Kw., 4e Art.), in Christus een verworven wetenschap aan, omdat het aan het werkende verstand past, dat zijn arbeid niet nutteloos is, waarmee het dingen metterdaad kenbaar maakt; precies zoals wij in Christus’ ziel een ingegeven of ingestorte wetenschap aannemen om de volmaaktheid van het ontvangende verstand. Maar zoals het ontvangende verstand datgene is, waaraan het toekomt « alles te worden », zoals in het 3e boek Over de Ziel (5e H., n. 1) wordt gezegd, zo komt het aan het werkende verstand toe « alles te maken ». Daarom wist Christus’ ziel evenals zij door de ingestorte wetenschap alles kende, waartoe het ontvangende verstand hoe dan ook het vermogen heeft, ook door de verworven wetenschap alles, wat gekend kan worden door de arbeid van het werkende verstand.

Ad primum ergo dicendum quod scientia rerum acquiri potest non solum per experientiam ipsarum, sed etiam per experientiam quarundam aliarum rerum, cum ex virtute luminis intellectus agentis possit homo procedere ad intelligendum effectus per causas, et causas per effectus, et similia per similia, et contraria per contraria. Sic igitur, licet Christus non fuerit omnia expertus, ex his tamen quae expertus est, in omnium devenit notitiam. (IIIa q. 12 a. 1 ad 1)

1 — Kennis van dingen kan niet alleen verworven worden door van die dingen zelf ondervinding op te doen, maar ook door ondervinding met welke andere dingen ook, daar de mens door het licht van het werkend verstand van het begrijpen der gevolgen kan komen tot de oorzaken, en van de oorzaken tot gevolgen en van gelijken tot gelijken en van het een van twee tegengestelden tot het ander. Al had Christus dus geen ondervinding van alles, kon Hij toch zo uit hetgeen Hij wel ondervonden had, komen tot kennis van alles.

Ad secundum dicendum quod, licet corporalibus sensibus Christi non fuerint subiecta omnia sensibilia, fuerunt tamen sensibus eius subiecta aliqua sensibilia ex quibus, propter excellentissimam vim rationis eius, potuit in aliorum notitiam devenire per modum praedictum. Sicut, videndo corpora caelestia, potuit comprehendere eorum virtutes, et effectus quos habent in istis inferioribus, qui eius sensibus non subiacebant. Et, eadem ratione, ex quibuscumque aliis in aliorum notitiam devenire potuit. (IIIa q. 12 a. 1 ad 2)

2 — Al viel niet al het zintuiglijk waarneembare onder het bereik van Christus’ lichamelijke zintuigen, toch vielen sommige dingen ervan wel onder Zijn bereik; en door de bijzondere kracht van Zijn verstand kon Hij op bovengenoemde manier (Antw. op de 1e B.) door het begrijpen daarvan komen tot het begrip van de rest. Zo kon Hij door het zien van de hemellichamen hun krachten begrijpen en wat zij onder de lagere dingen, die niet onder Zijn zintuigen vielen, teweegbrengen. En om dezelfde reden kon Hij uit allerlei andere dingen komen tot het begrijpen van de rest.

Ad tertium dicendum quod secundum istam scientiam anima Christi non simpliciter cognovit omnia, sed illa omnia quae per lumen intellectus agentis hominis sunt cognoscibilia. Unde per hanc scientiam non cognovit essentias substantiarum separatarum; nec etiam singularia praeterita vel futura. Quae tamen cognovit per scientiam inditam, ut supra dictum est. (IIIa q. 12 a. 1 ad 3)

3 — Christus’ ziel kende met deze wetenschap niet alles zonder meer, maar al datgene wat door het licht van het menselijk werkend verstand kenbaar is. Dus kende Hij met deze wetenschap het wezen van de lichaamloze dingen niet en evenmin de enkelingen in het verleden of de toekomst. Maar dat kende Hij door de ingestorte wetenschap, zoals boven is gezegd (Vorige Kw., 1e Art., Antw. op 2e en 3e B.).

Articulus 2.
Ging Christus vooruit in de door ondervinding verkregen wetenschap?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod secundum hanc scientiam Christus non profecerit. Sicut enim secundum scientiam beatitudinis vel secundum scientiam infusam Christus cognovit omnia, ita secundum hanc scientiam acquisitam, ut ex dictis patet. Sed secundum illas scientias non profecit. Ergo nec secundum istam. (IIIa q. 12 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert dat Christus in deze wetenschap niet vooruitging. Want zoals Christus met de ingestorte en zalige wetenschap alles kende, kende Hij ook alles met deze verkregen wetenschap; dat blijkt uit wat is gezegd. Nu ging Hij in die andere wetenschappen niet vooruit. Dus ook niet in deze.

Praeterea, proficere est imperfecti, quia perfectum additionem non recipit. Sed in Christo non est ponere scientiam imperfectam. Ergo secundum hanc scientiam Christus non profecit. (IIIa q. 12 a. 2 arg. 2)

2 — Vooruitgaan behoort bij het onvolmaakte, want bij het volmaakte kan niet bijgevoegd worden. Nu mogen wij in Christus geen onvolmaakte wetenschap aannemen. Dus ging Christus in deze wetenschap niet vooruit.

Praeterea, Damascenus dicit, qui proficere dicunt Christum sapientia et gratia ut additamentum suscipientem, non venerantur unionem. Non venerari autem unionem est impium. Ergo impium est dicere quod scientia eius additamentum acceperit. (IIIa q. 12 a. 2 arg. 3)

3 — « Wie beweert, dat Christus in dezen zin in genade en wijsheid vooruitging, dat Hij er iets bij krijgt, heeft geen eerbied voor de vereniging », zegt Damascenus (Over het ware Geloof, 3e B., 22e H.). Maar het is goddeloos voor de vereniging geen eerbied te hebben. Dus is het goddeloos te zeggen, dat er iets bij Zijn wetenschap kwam.

Sed contra est quod habetur Luc. II, quod Iesus proficiebat sapientia et aetate et gratia, apud Deum et homines. Et Ambrosius dicit quod proficiebat secundum sapientiam humanam. Humana autem sapientia est quae humano modo acquiritur, scilicet per lumen intellectus agentis. Ergo Christus secundum hanc scientiam profecit. (IIIa q. 12 a. 2 s. c.)

Maar daar staat tegenover, wat wij bij Lucas (2, 52) lezen, dat « Jesus vooruitging in wijsheid en ouderdom en behagelijkheid bij God en de mensen ». En Ambrosius (Over het geheim der menswording, 7e H.) zegt, dat « Hij vooruitging naar de menselijke wetenschap ». De menselijke wetenschap nu is die, welke op de gewone menselijke manier verkregen wordt, namelijk door het licht van het werkende verstand. Dus ging Christus volgens deze wetenschap vooruit.

Respondeo dicendum quod duplex est profectus scientiae. Unus quidem secundum essentiam, prout scilicet ipse habitus scientiae augetur. Alius autem secundum effectum, puta si aliquis, secundum eundem et aequalem scientiae habitum, primo minora aliis demonstret, et postea maiora et subtiliora. Hoc autem secundo modo, manifestum est quod Christus in scientia et gratia profecit, sicut et in aetate, quia scilicet, secundum augmentum aetatis, opera maiora faciebat, quae maiorem sapientiam et gratiam demonstrabant. Sed quantum ad ipsum habitum scientiae, manifestum est quod habitus scientiae infusae in eo non est augmentatus, cum a principio plenarie sibi fuerit omnis scientia infusa. Et multo minus scientia beata in eo augeri potuit. De scientia autem divina quod non possit augeri, supra in prima parte dictum est. Si igitur, praeter habitum scientiae infusum, non sit in anima Christi habitus aliquis scientiae acquisitae, ut quibusdam videtur, et mihi aliquando visum est; nulla scientia in Christo augmentata fuit secundum suam essentiam, sed solum per experientiam, idest per conversionem specierum intelligibilium inditarum ad phantasmata. Et secundum hoc, dicunt quod scientia Christi profecit secundum experientiam, convertendo scilicet species intelligibiles inditas ad ea quae de novo per sensum accepit. Sed quia inconveniens videtur quod aliqua naturalis actio intelligibilis Christo deesset, cum extrahere species intelligibiles a phantasmatibus sit quaedam naturalis actio hominis secundum intellectum agentem, conveniens videtur hanc etiam actionem in Christo ponere. Et ex hoc sequitur quod in anima Christi aliquis habitus scientiae fuit qui per huiusmodi abstractionem specierum potuerit augmentari, ex hoc scilicet quod intellectus agens, post primas species intelligibiles abstractas a phantasmatibus, poterat etiam alias abstrahere. (IIIa q. 12 a. 2 co.)

Er is een dubbele vooruitgang in de wetenschap. En wel een wezenlijke, als namelijk de hebbelijkheid zelf Kw, 12, A. 2. 375 der wetenschap groter wordt. Daarnaast is er een in de uitwerkse len, bijvoorbeeld als iemand met dezelfde en gelijke hebbelijkheid van wetenschap eerst anderen het mindere toont en daarna het grotere en fijnere. Nu is het duidelijk, dat Christus op de tweede manier in genade en wetenschap evenals in leeftijd vooruitging, omdat Hij naar het toenemen in jaren grotere werken verrichtte, die van een grotere wijsheid en genade getuigden. Maar het is duidelijk, dat de hebbelijkheid der ingestorte wetenschap wat de hebbelijkheid zelf betreft in Hem niet toegenomen is, omdat vanaf het begin alle wetenschap Hem ten volle was ingestort. En veel minder nog kon de wetenschap der zaligen in Hem groter worden. In het eerste deel (14° Kw., 15° Art., Antw. op de 2° B.) is al over de goddelijke wetenschap gezegd, dat zij niet groeien kon. Was er dus behalve de hebbelijkheid der ingestorte wetenschap geen andere hebbelijkheid van een aangeleerde wetenschap in Christus' ziel geweest, zoals sommigen beweren en ook ik vroeger gehouden heb (Sent. 3° B., 14° D., 3° Art.; 18° D., 3° Art.), dan zou er in Christus geen enkele wetenschap naar haar wezen toegenomen zijn, maar alleen door de ondervinding, dwz. door het toepassen van de ingestorte kenbeelden op de beelden der fantasie. En in dezen zin zeggen sommigen, dat Christus' wetenschap door ondervinding groter werd, namelijk door het toepassen van de ingestorte verstandsbeelden op het nieuwe, dat Hij van de zintuigen kreeg. Maar omdat het niet paste, dat Christus een natuurlijke verdaad miste en het abstraheren van de verstandsbeelden uit de fantasiebeelden een natuurlijke daad van de mens is krachtens het werkende verstand, schijnt het gepast ook deze werkzaamheid in Christus aan te nemen. En daaruit volgt, dat er in Christus' ziel een gewoonte van wetenschap was, die door het abstraheren van dergelijke kenbeelden groter kon worden, namelijk hierdoor, dat het werkende verstand, nadat het de eerste kenbeelden uit de fantasiebeelden geabstraheerd had, nog andere kon abstraheren.

Ad primum ergo dicendum quod tam scientia infusa animae Christi, quam scientia beata, fuit effectus agentis infinitae virtutis, qui potest simul totum operari, et ita in neutra scientia Christus profecit, sed a principio habuit eam perfectam. Sed scientia acquisita est tantum ab intellectu agente, qui non simul totum operatur, sed successive. Et ideo secundum hanc scientiam Christus non a principio scivit omnia, sed paulatim et post aliquod tempus, scilicet in perfecta aetate. Quod patet ex hoc quod Evangelista simul dicit eum profecisse scientia et aetate. (IIIa q. 12 a. 2 ad 1)

1 — Zowel de ingestorte wetenschap van Christus’ ziel als die der zaligen waren een gevolg van de oorzaak met oneindige kracht, die alles ineens kan uitwerken; en daarom ging Christus in geen van beide wetenschappen vooruit, maar bezat hen volmaakt vanaf het begin. Maar de aangeleerde wetenschap komt maar van het werkende verstand, dat niet alles ineens, doch achtereenvolgens uitwerkt. En daarom wist Christus met deze wetenschap niet van het begin af alles, maar langzaam aan en na enige tijd, namelijk toen Hij de volmaakte leeftijd had bereikt. En dat blijkt hieruit, dat de Evangelist in een adem zegt dat Hij « toenam in wijsheid en jaren ».

Ad secundum dicendum quod haec etiam scientia in Christo fuit semper perfecta secundum tempus, licet non fuerit perfecta simpliciter et secundum naturam. Et ideo potuit habere augmentum. (IIIa q. 12 a. 2 ad 2)

2 — Deze wetenschap was in Christus altijd volmaakt in verhouding tot de leeftijd, al was zij niet zonder meer en naar haar natuur volmaakt. En daarom kon zij groter worden.

Ad tertium dicendum quod verbum Damasceni intelligitur quantum ad illos qui dicunt simpliciter factam fuisse additionem scientiae Christi, scilicet secundum quamcumque eius scientiam; et praecipue secundum infusam, quae causatur in anima Christi ex unione ad verbum. Non autem intelligitur de augmento scientiae quae ex naturali agente causatur. (IIIa q. 12 a. 2 ad 3)

3 — Het woord van Damascenus slaat op hen, die beweren, dat er zonder beperking iets aan Christus’ wetenschap is toegevoegd, namelijk naar al Zijn wetenschap, en vooral naar de ingestorte, die in Christus’ ziel door de vereniging met het Woord veroorzaakt werd. Maar het slaat niet op het toenemen in wetenschap, die door een natuurlijke oorzaak teweeg wordt gebracht.

Articulus 3.
Leerde Christus iets van de mensen?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod Christus aliquid ab hominibus didicerit. Dicitur enim Luc. II quod invenerunt eum in templo in medio doctorum, interrogantem illos et respondentem. Interrogare vero et respondere est addiscentis. Ergo Christus ab hominibus aliquid didicit. (IIIa q. 12 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus iets van de mensen leerde. Want bij Lucas (2, 46 en 67) wordt gezegd, dat « zij Hem in de Tempel vonden te midden der leeraren, hen ondervragend en antwoordend ». Nu is wie ondervraagt en antwoordt iemand die leert. Dus heeft Christus iets van de mensen geleerd.

Praeterea, acquirere scientiam ab homine docente videtur esse nobilius quam acquirere a sensibus, quia in anima hominis docentis sunt species intelligibiles in actu, in rebus autem sensibilibus sunt species intelligibiles solum in potentia. Sed Christus accipiebat scientiam experimentalem ex rebus sensibilibus, ut dictum est. Ergo multo magis poterat accipere scientiam addiscendo ab hominibus. (IIIa q. 12 a. 3 arg. 2)

2 — Wetenschap te krijgen van een mens, die onderwijst, schijnt hoger te staan dan haar van de zintuigen te krijgen, omdat de verstandsbeelden daadwerkelijk bestaan in de ziel van de mens, die onderricht geeft, en zij in de zintuiglijk waarneembare dingen alleen naar het vermogen bestaan. Nu kreeg Christus door ondervinding wetenschap van de zintuiglijk waarneembare dingen zoals gezegd is. (Vorig Artikel; 9° Kw., 4° Artikel). Dus kon Hij zoveel te meer wetenschap krijgen door haar van de mensen te leren.

Praeterea, Christus secundum scientiam experimentalem a principio non omnia scivit, sed in ea profecit, ut dictum est. Sed quilibet audiens sermonem significativum alicuius, potest addiscere quod nescit. Ergo Christus potuit ab hominibus aliqua addiscere quae secundum hanc scientiam nesciebat. (IIIa q. 12 a. 3 arg. 3)

3 — Christus wist door de wetenschap der ondervinding van het begin af niet alles, maar ging daarin vooruit, zoals is gezegd (Vorig Art.). Maar wie iemand met een bedoeling hoort spreken, kan leren wat hij nog niet weet. Dus kon Christus iets van de mensen leren, wat Hij met deze wetenschap nog niet wist.

Sed contra est quod dicitur Isaiae LV, ecce, testem populis dedi eum, ducem ac praeceptorem gentibus. Praeceptoris autem non est doceri, sed docere. Ergo Christus non accepit aliquam scientiam per doctrinam alicuius hominis. (IIIa q. 12 a. 3 s. c.)

Maar daartegenover staat, wat bij Isaïas wordt gezegd (55, 4): « Ziet, Ik heb Hem de volken als getuige gegeven, aan de stammen als leider en leeraar ». Nu ontvangt een leeraar geen onderricht, maar geeft het. Dus kreeg Christus geen wetenschap door de leer van een mens.

Respondeo dicendum quod in quolibet genere id quod est primum movens non movetur secundum illam speciem motus, sicut primum alterans non alteratur. Christus autem constitutus est caput Ecclesiae, quinimmo omnium hominum, ut supra dictum est, ut non solum omnes homines per ipsum gratiam acciperent, sed etiam ut omnes ab eo doctrinam veritatis reciperent. Unde ipse dicit, Ioan. XVIII, in hoc natus sum, et ad hoc veni in mundum, ut testimonium perhibeam veritati. Et ideo non fuit conveniens eius dignitati ut a quocumque hominum doceretur. (IIIa q. 12 a. 3 co.)

In alle soorten wordt de eerste beweger zelf niet in dat soort beweging bewogen, zoals de eerste, die iets verandert, zelf niet veranderd wordt. Nu is Christus gesteld tot Hoofd der Kerk, nl. van alle mensen, zoals boven is gezegd (8e Kw., 3e Art.), opdat alle mensen niet alleen door Hem de genade zouden ontvangen, maar ook de leer der waarheid van Hem zouden horen. Daarom zegt Hijzelf bij Johannes (18, 37): « Hiertoe ben Ik geboren en ben Ik in de wereld gekomen, om getuigenis af te leggen voor de waarheid ». En dus paste het niet bij Zijn waardigheid, dat Hij van een mens onderricht ontving.

Ad primum ergo dicendum quod, sicut Origenes dicit, super Luc., dominus interrogabat, non ut aliquid disceret, sed ut interrogatus erudiret. Ex uno quippe doctrinae fonte manat et interrogare et respondere sapienter. Unde et ibidem in Evangelio sequitur quod stupebant omnes qui eum audiebant super prudentia et responsis eius. (IIIa q. 12 a. 3 ad 1)

1 — Het is zoals Origenes zegt in zijn Commentaar op Lucas (19e Hom.): « De Heer ondervroeg, niet om iets te leren, maar om door Zijn ondervraging te onderrichten. Want uit dezelfde bron van leer vloeit het voort in wijsheid zowel te ondervragen als te antwoorden ». Daarom volgt op diezelfde plaats in het Evangelie (47), dat « allen, die Hem hoorden, verstomd stonden over Zijn wijsheid en antwoorden ».

Ad secundum dicendum quod ille qui addiscit ab homine non accipit inmediate scientiam a speciebus intelligibilibus quae sunt in mente ipsius, sed mediantibus sensibilibus vocibus, tanquam signis intellectualium conceptionum. Sicut autem voces ab homine formatae sunt signa intellectualis scientiae ipsius, ita creaturae a Deo conditae sunt signa sapientiae eius, unde Eccli. I dicitur quod Deus effudit sapientiam suam super omnia opera sua. Sicut igitur dignius est doceri a Deo quam ab homine, ita dignius est accipere scientiam per sensibiles creaturas quam per hominis doctrinam. (IIIa q. 12 a. 3 ad 2)

2 — Wie van een mens leert, krijgt zijn wetenschap niet onmiddellijk van de verstandsbeelden, die in zijn geest zijn; maar door de onder de zintuigen vallende woorden, die de tekens zijn van de begrippen van het verstand. Zoals nu de door de mens gevormde woorden tekens zijn van de wetenschap van zijn verstand, zo heeft God ook de schepsels gemaakt als tekenen van Zijn wijsheid, zoodat in het boek Ecclesiasticus (7, 10) wordt gezegd, dat God « Zijn wijsheid heeft uitgestort over al Zijn werken ». En zoals het dus hoger in waarde staat door God onderricht te worden als door een mens, zo staat het ook hoger wetenschap te krijgen van de onder de zintuigen vallende schepselen dan door de leer van een mens.

Ad tertium dicendum quod Iesus proficiebat in scientia experimentali sicut etiam in aetate, ut dictum est. Sicut autem aetas opportuna requiritur ad hoc quod homo accipiat scientiam per inventionem, ita etiam ad hoc quod accipiat scientiam per disciplinam. Dominus autem nihil fecit quod non congrueret eius aetati. Et ideo audiendis doctrinae sermonibus non accommodavit auditum nisi illo tempore quo poterat etiam per viam experientiae talem scientiae gradum attigisse. Unde Gregorius dicit, super Ezech., duodecimo anno aetatis suae dignatus est homines interrogare in terra, quia, iuxta rationis usum, doctrinae sermo non suppetit nisi in aetate perfecta. (IIIa q. 12 a. 3 ad 3)

3 — Jesus ging vooruit in de wetenschap der ondervinding zoals in jaren, naar boven is gezegd (Vorig Art). Evenals er nu een bepaalde leeftijd wordt vereist om door eigen vinding wetenschap te verkrijgen, is dat ook nodig om door onderricht wetenschap te verwerven. Nu deed de Heer niets, wat niet bij Zijn leeftijd paste. En daarom schonk Hij geen aandacht aan het luisteren naar de woorden van een leerling dan op de leeftijd, dat Hij ook langs de weg der ondervinding die graad van wetenschap bereikt kon hebben. Daarom zegt Gregorius in zijn Commentaar op Ezechiël (1° B., 2° Hom.): « Op de leeftijd van twaalf jaar verwaardigde Hij zich op aarde de mensen te ondervragen, omdat door het gebruik van het verstand het verstandig spreken pas komt op de volmaakte leeftijd ».

Articulus 4.
Kreeg Christus wetenschap van de Engelen?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod Christus ab Angelis scientiam acceperit. Dicitur enim Luc. XXII quod apparuit Christo Angelus de caelo confortans eum. Sed confortatio fit per verba exhortatoria docentis, secundum illud Iob IV, ecce, docuisti plurimos, et manus lassas roborasti, vacillantes confirmaverunt sermones tui. Ergo Christus ab Angelis doctus est. (IIIa q. 12 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus van de Engelen wetenschap kreeg. Want bij Lucas (22, 43) wordt gezegd, dat « een Engel van de hemel aan Christus verscheen, die Hem versterkte ». Nu wordt iemand versterkt door de opwekkende woorden van hem, die onderricht geeft volgens Job. (4, 3-4): « Ziet, gij hebt velen onderricht en de vermoeide handen hebt gij versterkt; uw woorden bevestigen de wankelenden ». Dus kreeg Christus onderricht van de Engelen.

Praeterea, Dionysius dicit, IV cap. Cael. Hier., video enim quod et ipse Iesus, supercaelestium substantiarum supersubstantialis substantia, ad nostram intransmutabiliter veniens, obedienter subiicitur patris et Dei per Angelos formationibus. Videtur igitur quod ipse Christus ordinationi legis divinae subiici voluerit, per quam homines, mediantibus Angelis, erudiuntur. (IIIa q. 12 a. 4 arg. 2)

2 — Dionysius zegt in het boek *Over de Hemelse Hiërarchieën* (4° H.): « Ik zie, dat Jesus, de bovenzelfstandige zelfstandigheid der bovenhemelse zelfstandigheden, toen Hij onveranderd tot ons kwam, zich gehoorzaam onderwierp aan de vorming van God de Vader door de Engelen ». Het schijnt dus, dat Christus zelf zich wilde onderwerpen aan de verordening der goddelijke wet, volgens welke de mensen door middel der Engelen onderricht worden.

Praeterea, sicut corpus humanum naturali ordine subiicitur corporibus caelestibus, ita etiam humana mens angelicis mentibus. Sed corpus Christi subiectum fuit impressionibus caelestium corporum, passus est enim calorem in aestate et frigus in hieme, sicut et alias humanas passiones. Ergo et eius mens humana subiacebat illuminationibus supercaelestium spirituum. (IIIa q. 12 a. 4 arg. 3)

3 — Zoals het menselijk lichaam volgens de natuurlijke orde aan de hemellichamen onderworpen is, is ook de menselijke geest aan de engelachtige geesten onderworpen. Nu was Christus lichaam onderworpen aan de invloed der hemellichamen, want Hij leed van de hitte in de zomer en van de koude in de winter als van het andere, dat de mens ondergaat. Dus stond ook Zijn menselijke geest onder de verlichting der bovenhemelse geesten.

Sed contra est quod Dionysius dicit, VII cap. Cael. Hier., quod supremi Angeli ad ipsum Iesum quaestionem faciunt, et ipsius divinae operationis pro nobis scientiam discunt, et eas ipse Iesus sine medio docet. Non est autem eiusdem docere et doceri. Ergo Christus non accepit scientiam ab Angelis. (IIIa q. 12 a. 4 s. c.)

Maar daartegenover staat, wat Dionysius zegt in het boek Over de Hemelse Hiërarchieën (7e H.): « De hoogste Engelen stellen vragen aan Jesus zelf en leren voor ons de wetenschap over Zijn goddelijke werken, en Jesus zelf onderricht hen zonder tussenpersoon ». Maar wie onderricht geeft en het ontvangt, is niet dezelfde persoon. Dus kreeg Jesus geen onderricht van de Engelen.

Respondeo dicendum quod anima humana, sicut media inter substantias spirituales et res corporales existit, ita duobus modis nata est perfici, uno quidem modo, per scientiam acceptam ex rebus sensibilibus; alio modo, per scientiam inditam sive impressam ex illuminatione spiritualium substantiarum. Utroque autem modo anima Christi fuit perfecta, ex sensibilibus quidem, secundum scientiam experimentalem, ad quam quidem non requiritur lumen angelicum, sed sufficit lumen intellectus agentis; ex impressione vero superiori, secundum scientiam infusam, quam est immediate adeptus a Deo. Sicut enim supra communem modum creaturae anima illa unita est verbo in unitate personae, ita, supra communem modum hominum, immediate ab ipso Dei verbo repleta est scientia et gratia, non autem mediantibus Angelis, qui etiam ex influentia verbi rerum scientiam in sui principio acceperunt, sicut in II libro super Gen. ad Litt. Augustinus dicit. (IIIa q. 12 a. 4 co.)

De menselijke ziel houdt het midden tussen de geestelijke zelfstandigheden en de lichamelijke dingen en heeft daarom een dubbele aanleg om vervolmaakt te worden: en wel ten eerste door de wetenschap, die zij van de onder de zintuigen vallende dingen krijgt, en daarnaast door de wetenschap, die zij ingegeven of ingedrukt krijgt door de verlichting der geestelijke zelfstandigheden. Nu was Christus’ ziel op beide manieren volmaakt, en wel van de kant der onder de zintuigen vallende dingen door de wetenschap door ondervinding verkregen, waartoe namelijk het licht der Engelen niet nodig is, maar het licht van het werkend verstand volstaat; en door de inwerking van boven was Hij volmaakt naar de ingestorte wetenschap, die Hij onmiddellijk van God kreeg. Want evenals die ziel boven hetgeen in de natuur der gewone schepselen ligt met het Woord in eenheid van persoon verenigd is, werd zij ook onmiddellijk door het Woord zelf met genade en wetenschap vervuld, en niet door middel van de Engelen, die ook in het begin van hun bestaan door de invloed van het Woord kennis der dingen ontvingen, zoals Augustinus zegt in het 2e boek van zijn Commentaar op Genesis’ letterlijke betekenis (8e H.).

Ad primum ergo dicendum quod illa confortatio Angeli non fuit per modum instructionis, sed ad demonstrandum proprietatem humanae naturae. Unde Beda dicit, super Luc., in documento utriusque naturae, et Angeli ei ministrasse, et eum confortasse dicuntur. Creator enim suae creaturae non eguit praesidio, sed, homo factus, sicut propter nos tristis est, ita propter nos confortatur; ut scilicet in nobis fides incarnationis ipsius confirmetur. (IIIa q. 12 a. 4 ad 1)

1 — Deze versterking door een Engel geschiedde niet bij wijze van onderricht, maar om te wijzen op de eigen aard der menselijke natuur. Daarom zegt Beda in zijn Commentaar op Lucas (6e B. op 22, 43): « Om de echtheid van beide naturen te bewijzen wordt zowel gezegd, dat de Engelen Hem dienden als dat zij Hem versterkten. Want de Schepper had geen behoefte aan de bescherming van Zijn schepsel, maar toen Hij mens was geworden, werd Hij om ons versterkt, zoals Hij om ons bedroefd was », omdat namelijk het geloof aan Zijn menswording in ons versterkt zou worden.

Ad secundum dicendum quod Dionysius dicit Christum angelicis formationibus fuisse subiectum, non ratione sui ipsius, sed ratione eorum quae circa eius incarnationem agebantur, et circa ministrationem in infantili aetate constituti. Unde ibidem subdit quod per medios Angelos nuntiatur Ioseph a patre dispensata Iesu ad Aegyptum recessio, et rursum ad Iudaeam de Aegypto traductio. (IIIa q. 12 a. 4 ad 2)

2 — Dionysius zegt niet, dat Christus « aan de leiding der Engelen onderworpen was » om wille van Hem zelf, maar om wat er om Zijn menswording heen gebeurde en wat hun diensten betreft, toen Hij nog de leeftijd van een kind had. Daarom voegt hij er op dezelfde plaats bij, dat « door middel van Engelen aan Joseph werd bericht, dat Jesus’ vlucht naar Egypte door de Vader was bepaald, en daarna wederom Zijn terugkeer uit Egypte naar Judea ».

Ad tertium dicendum quod filius Dei assumpsit corpus passibile, ut infra dicetur, sed animam perfectam scientia et gratia. Et ideo corpus eius fuit convenienter subiectum impressioni caelestium corporum, anima vero eius non fuit subiecta impressioni caelestium spirituum. (IIIa q. 12 a. 4 ad 3)

3 — Gods Zoon nam een lichaam, dat lijden kon, aan, zoals later zal worden gezegd (14° Kw., 1° Art.), maar een ziel, die in genade en wetenschap volmaakt was. En daarom paste het, dat Zijn lichaam aan de invloed der hemellichamen onderworpen was; maar zijn ziel niet aan die der hemelse geesten.