Tertia Pars. Quaestio 76. Over de wijze, waarop Christus in dit Sacrament tegenwoordig is .
Prooemium
Deinde considerandum est de modo quo Christus existit in hoc sacramento. Et circa
hoc quaeruntur octo. Primo, utrum totus Christus sit sub hoc sacramento. Secundo,
utrum totus Christus sit sub utraque specie sacramenti. Tertio, utrum totus Christus
sit sub qualibet parte specierum. Quarto, utrum dimensiones corporis Christi totae
sint in hoc sacramento. Quinto, utrum corpus Christi sit in hoc sacramento localiter.
Sexto, utrum corpus Christi moveatur ad motum hostiae vel calicis post consecrationem.
Septimo, utrum corpus Christi sub hoc sacramento possit ab aliquo oculo videri. Octavo,
utrum verum corpus Christi remaneat in hoc sacramento quando miraculose apparet sub
specie pueri vel carnis. (IIIa q. 76 pr.)
Nu moeten wij gaan handelen over de wijze, waarop Christus in dit Sacrament tegenwoordig
is. Hieromtrent stellen wij acht vragen. 1. Is de hele Christus in dit Sacrament tegenwoordig?
2. Is de hele Christus onder de beide gedaanten van dit Sacrament tegenwoordig? 3.
Is de hele Christus onder elk deel van de gedaanten tegenwoordig? 4. Zijn de hele
afmetingen van het Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig? 5. Is het Lichaam
van Christus in dit Sacrament op plaatselijke wijze tegenwoordig? 6. Verandert het
Lichaam van Christus van plaats bij plaatsverandering van hostie of kelk na de consecratie?
7. Kan het Lichaam van Christus in dit Sacrament door enig oog gezien worden? 8. Blijft
het waarachtig Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig, als het zich op
wonderbaarlijke wijze vertoont onder de gedaante van een kind of van vlees?
Articulus 1. Is de hele Christus in dit Sacrament vervat?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod non totus Christus contineatur sub hoc sacramento.
Christus enim incipit esse in hoc sacramento per conversionem panis et vini. Sed manifestum
est quod panis et vinum non possunt converti neque in divinitatem Christi, neque in
eius animam. Cum ergo Christus existat ex tribus substantiis, scilicet divinitate,
anima et corpore, ut supra habitum; videtur quod Christus totus non sit in hoc sacramento. (IIIa q. 76 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat niet de hele Christus in dit Sacrament is vervat. Want Christus begint
in dit Sacrament tegenwoordig te zijn door de verandering van het brood en de wijn.
Nu is het duidelijk, dat het brood en de wijn niet kunnen veranderen in de Godheid
van Christus en ook niet in Zijn ziel. Gezien dus dat Christus uit drie zelfstandigheden
bestaat t.w. uit de Godheid, de ziel en het lichaam, gelijk boven is uiteengezet (2°
Kw. 5° Art.; 5° Kw. 1° en 3° Art.), schijnt de hele Christus in dit Sacrament niet
tegenwoordig te zijn.
Praeterea, Christus est in hoc sacramento secundum quod competit refectioni fidelium,
quae in cibo et potu consistit, sicut supra dictum est. Sed dominus dicit, Ioan. VI,
caro mea vere est cibus, et sanguis meus vere est potus. Ergo solum caro et sanguis
Christi continetur in hoc sacramento. Sunt autem multae aliae partes corporis Christi,
puta nervi et ossa et alia huiusmodi. Non ergo totus Christus continetur sub hoc sacramento. (IIIa q. 76 a. 1 arg. 2)
2 — Christus is in dit Sacrament tegenwoordig om er het voedsel van de gelovigen te zijn,
dat bestaat in spijs en drank, zoals boven is gezegd (74° Kw. 1° Art.). Nu zegt de
Heer bij Johannes (6. 56): « Mijn Vlees is waarlijk spijs en Mijn Bloed is waarlijk
drank ». Dus is alleen het Vlees en het Bloed van Christus in dit Sacrament vervat.
Maar er zijn nog vele andere delen van het Lichaam van Christus, zoals spieren, beenderen
e.d. Dus is niet de hele Christus in dit Sacrament vervat.
Praeterea, corpus maioris quantitatis non potest totum contineri sub minoris quantitatis
mensura. Sed mensura panis et vini consecrati est multo minor quam propria mensura
corporis Christi. Non potest ergo esse quod totus Christus sit sub hoc sacramento. (IIIa q. 76 a. 1 arg. 3)
3 — Een groter lichaam kan niet in zijn geheel vervat zijn onder de afmeting van een kleine
hoeveelheid. Nu is de afmeting van het geconsacreerde brood en de geconsacreerde wijn
veel geringer dan de afmeting van het Lichaam van Christus. Dus kan het niet zijn,
dat de hele Christus in dit Sacrament tegenwoordig is.
Sed contra est quod Ambrosius dicit, in libro de Offic., in illo sacramento Christus
est. (IIIa q. 76 a. 1 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat Ambrosius zegt: « in dit sacrament is Christus ».
Respondeo dicendum quod omnino necesse est confiteri secundum fidem Catholicam quod
totus Christus sit in hoc sacramento. Sciendum tamen quod aliquid Christi est in hoc
sacramento dupliciter, uno modo, quasi ex vi sacramenti; alio modo, ex naturali concomitantia.
Ex vi quidem sacramenti, est sub speciebus huius sacramenti id in quod directe convertitur
substantia panis et vini praeexistens, prout significatur per verba formae, quae sunt
effectiva in hoc sacramento sicut et in ceteris, puta cum dicitur, hoc est corpus
meum, hic est sanguis meus. Ex naturali autem concomitantia est in hoc sacramento
illud quod realiter est coniunctum ei in quod praedicta conversio terminatur. Si enim
aliqua duo sunt realiter coniuncta, ubicumque est unum realiter, oportet et aliud
esse, sola enim operatione animae discernuntur quae realiter sunt coniuncta. (IIIa q. 76 a. 1 co.)
Volgens het katholiek geloof moet volstrekt beleden worden, dat de hele Christus in
dit Sacrament tegenwoordig is. Men dient evenwel te weten, dat iets van Christus op
een van de twee volgende manieren in dit Sacrament tegenwoordig is: ofwel als het
ware uit de kracht van het Sacrament, ofwel uit natuurlijke verbondenheid. Uit de
kracht van het Sacrament is onder de gedaanten van dit Sacrament tegenwoordig datgene,
waarin onmiddellijk de voorafbestaande zelfstandigheid van het brood en de wijn veranderd
wordt, zoals wordt aangegeven door de woorden van de vorm, die in dit evenals in de
andere Sacramenten werkdadig zijn: dus door de woorden: « Dit is Mijn Lichaam, Dit
is Mijn Bloed ». Uit natuurlijke verbondenheid daarentegen is in dit Sacrament tegenwoordig
datgene, wat in de werkelijkheid verbonden is met het eindpunt van voornoemde verandering.
Want wanneer twee dingen in de werkelijkheid met elkaar verbonden zijn, moet het ene
zijn, waar het andere is: immers dingen, die in de werkelijkheid verbonden zijn, worden
slechts door een werking van de geest gescheiden.
Ad primum ergo dicendum quod, quia conversio panis et vini non terminatur ad divinitatem
vel animam Christi, consequens est quod divinitas vel anima Christi non sit in hoc
sacramento ex vi sacramenti, sed ex reali concomitantia. Quia enim divinitas corpus
assumptum nunquam deposuit, ubicumque est corpus Christi, necesse est et eius divinitatem
esse. Et ideo in hoc sacramento necesse est esse divinitatem Christi concomitantem
eius corpus. Unde in symbolo Ephesino legitur, participes efficimur corporis et sanguinis
Christi, non ut communem carnem percipientes, nec viri sanctificati et verbo coniuncti
secundum dignitatis unitatem, sed vere vivificatricem, et ipsius verbi propriam factam.
Anima vero realiter separata fuit a corpore, ut supra dictum est. Et ideo, si in illo
triduo mortis fuisset hoc sacramentum celebratum, non fuisset ibi anima, nec ex vi
sacramenti nec ex reali concomitantia. Sed quia Christus resurgens ex mortuis iam
non moritur, ut dicitur Rom. VI, anima eius semper est realiter corpori unita. Et
ideo in hoc sacramento corpus quidem Christi est ex vi sacramenti, anima autem ex
reali concomitantia. (IIIa q. 76 a. 1 ad 1)
1 — Omdat de verandering van het brood en de wijn haar eindpunt niet heeft in de Godheid
of in de Ziel van Christus, is bijgevolg de Godheid en de Ziel in dit Sacrament niet
tegenwoordig uit de kracht van het Sacrament, maar uit verbondenheid in de werkelijkheid.
Daar immers de Godheid het aangenomen Lichaam nooit heeft afgelegd, moet de Godheid
overal zijn, waar het Lichaam is. En daarom moet in dit Sacrament de Godheid van Christus
tegenwoordig zijn als verbonden met het Lichaam. Daarom leest men ook in de Geloofsbelijdenis
van Ephese: « Wij worden deelachtig aan het Lichaam en Bloed van Christus, terwijl
wij het ontvangen niet als gewoon vlees, noch als het vee van een man, die geheiligd
is en met het Woord is verbonden volgens eenheid voor waardigheid, maar als waarlijk
levendmakend en het eigen geworden Vlees van het Woord Zelf ». De Ziel echter is eens
in werkelijkheid gescheiden geweest van het Lichaam, zoals boven is gezegd (50° Kw.
5° Art.). Indien derhalve in die drie dagen van dood zijn dit Sacrament zou zijn gevierd,
dan was de Ziel niet erin tegenwoordig geweest, noch uit kracht van het Sacrament
noch uit verbondenheid in de werkelijkheid. Doch daar « Christus verrijzend uit de
doden niet meer sterft », zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (6. 9), is
Zijn Ziel voortaan altijd in de werkelijkheid met het Lichaam verbonden. En dus is
in dit Sacrament het Lichaam van Christus tegenwoordig uit de kracht van het Sacrament,
maar de Ziel uit verbondenheid in de werkelijkheid.
Ad secundum dicendum quod ex vi sacramenti sub hoc sacramento continetur, quantum
ad species panis, non solum caro, sed totum corpus Christi, idest ossa et nervi et
alia huiusmodi. Et hoc apparet ex forma huius sacramenti, in qua non dicitur, haec
est caro mea, sed, hoc est corpus meum. Et ideo, cum dominus dixit, Ioan. VI, caro
mea vere est cibus, caro ponitur ibi pro toto corpore, quia, secundum consuetudinem
humanam, videtur esse magis manducationi accommodata, prout scilicet homines carnibus
animalium vescuntur communiter, non ossibus vel aliis huiusmodi. (IIIa q. 76 a. 1 ad 2)
2 — Wat de gedaante van brood betreft, is in dit Sacrament uit de kracht van het Sacrament
niet alleen het Vlees maar heel het Lichaam van Christus vervat d.i. de beenderen
en de spieren e.d. Dit blijkt uit de vorm van het Sacrament, waarin niet gezegd wordt:
« Dit is Mijn Vlees », maar: « Dit is Mijn Lichaam ». Wanneer dus de Heer zegt: «
Mijn Vlees is waarlijk spijs » (Joan. 6, 56), staat er Vlees in plaats van het hele
Lichaam, omdat vlees volgens de gewoonte van de mensen méér voor voedsel geschikt
lijkt: de mensen immers eten gewoonlijk het vlees der dieren, niet de beenderen e.d.
Ad tertium dicendum quod, sicut dictum est, facta conversione panis in corpus Christi
vel vini in sanguinem, accidentia utriusque remanent. Ex quo patet quod dimensiones
panis vel vini non convertuntur in dimensiones corporis Christi, sed substantia in
substantiam. Et sic substantia corporis Christi vel sanguinis est in hoc sacramento
ex vi sacramenti, non autem dimensiones corporis vel sanguinis Christi. Unde patet
quod corpus Christi est in hoc sacramento per modum substantiae, et non per modum
quantitatis. Propria autem totalitas substantiae continetur indifferenter in parva
vel magna quantitate, sicut tota natura aeris in magno vel parvo aere, et tota natura
hominis in magno vel parvo homine. Unde et tota substantia corporis Christi et sanguinis
continetur in hoc sacramento post consecrationem, sicut ante consecrationem continebatur
ibi substantia panis et vini. (IIIa q. 76 a. 1 ad 3)
3 — Zoals gezegd is (75° Kw. 5° Art.), blijven na de verandering van het brood in het
Lichaam van Christus en van de wijn in het Bloed de bijkomstigheden van beide over.
Dus is het duidelijk, dat de afmetingen van het brood en de wijn niet veranderen in
de afmetingen van het Lichaam van Christus, maar de zelfstandigheid in de zelfstandigheid.
En daarom is de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus of van het Bloed in dit
Sacrament tegenwoordig uit de kracht van het Sacrament, maar niet de afmetingen van
het Lichaam of het Bloed van Christus. Hieruit blijkt dat het Lichaam van Christus
in dit Sacrament tegenwoordig is op de wijze van een zelfstandigheid en niet op de
wijze van een hoogte. Nu wordt de eigen heelheid van een zelfstandigheid vervat in,
om het even, een grote of kleine hoogte: zoals de hele natuur van lucht in veel of
weinig lucht en de hele mensennatuur in een grote of kleine mens. Daarom is ook de
hele zelfstandigheid van het Lichaam van Christus en van het Bloed na de consecratie
in dit Sacrament vervat, gelijk er vóór de consecratie de zelfstandigheid van het
brood en de wijn vervat werd.
Articulus 2. Is de hele Christus onder beide gedaanten van dit Sacrament?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod non sub utraque specie huius sacramenti totus
Christus contineatur. Hoc enim sacramentum ad salutem fidelium ordinatur, non virtute
specierum, sed virtute eius quod sub speciebus continetur, quia species erant etiam
ante consecrationem, ex qua est virtus huius sacramenti. Si ergo nihil continetur
sub una specie quod non contineatur sub alia, et totus Christus continetur sub utraque,
videtur quod altera illarum superfluat in hoc sacramento. (IIIa q. 76 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de hele Christus niet vervat is onder beide gedaanten van dit Sacrament.
Dit Sacrament is immers op het heil van de gelovigen gericht, niet door de kracht
van de gedaanten maar door de kracht van wat onder de gedaanten is vervat: de gedaanten
waren toch al vóór de consecratie, vanwaar de kracht van dit Sacrament afkomstig is.
Indien er dus niets vervat is onder de ene gedaante, wat niet onder de andere vervat
is en de hele Christus onder beide is, schijnt een van beide gedaanten in dit Sacrament
overbodig te zijn.
Praeterea, dictum est quod sub nomine carnis omnes aliae partes corporis continentur,
sicut ossa, nervi et alia huiusmodi. Sed sanguis est una partium humani corporis,
sicut patet per Aristotelem, in libro animalium. Si ergo sanguis Christi continetur
sub specie panis, sicut continentur ibi aliae partes corporis, non deberet seorsum
sanguis consecrari, sicut neque seorsum consecratur alia pars corporis. (IIIa q. 76 a. 2 arg. 2)
2 — Er is gezegd (1° Art. 1° Antw.), dat onder de naam Vlees alle andere delen van het
Lichaam zijn vervat zoals beenderen, spieren e. d. Nu is het bloed een van de delen
van het menselijk lichaam, zoals blijkt bij Aristoteles. Als dus het Bloed van Christus
vervat is onder de gedaante van brood, evenals de andere delen eronder zijn vervat,
moest het Bloed niet afzonderlijk geconsacreerd worden, evenmin als ieder ander deel
van het Lichaam afzonderlijk wordt geconsacreerd.
Praeterea, quod iam factum est, iterum fieri non potest. Sed corpus Christi iam incoepit
esse in hoc sacramento per consecrationem panis. Ergo non potest esse quod denuo incipiat
esse per consecrationem vini. Et ita sub specie vini non continebitur corpus Christi;
et per consequens nec totus Christus. Non ergo sub utraque specie totus Christus continetur. (IIIa q. 76 a. 2 arg. 3)
3 — Wat reeds gebeurd is, kan niet opnieuw gebeuren. Nu is het Lichaam van Christus reeds
begonnen in dit Sacrament tegenwoordig te zijn door de consecratie van het brood.
Dus kan het niet opnieuw beginnen tegenwoordig te zijn door de consecratie van de
wijn. Derhalve zal onder de gedaante van wijn niet het Lichaam van Christus vervat
zijn en bijgevolg niet de hele Christus. Dus is niet onder beide gedaanten de hele
Christus vervat.
Sed contra est quod, I Cor. XI, super illud, calicem, dicit Glossa quod sub utraque
specie, scilicet panis et vini, idem sumitur. Et ita videtur quod sub utraque specie
totus Christus sit. (IIIa q. 76 a. 2 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat bij het woord *kelk* in de Eerste Brief aan de Corinthiërs
(11. 25) de Glossa zegt, dat « onder beide gedaanten » d. i. van brood en van wijn
« hetzelfde genutigd wordt ». En dus schijnt onder beide gedaanten de hele Christus
tegenwoordig te zijn.
Respondeo dicendum certissime ex supra dictis tenendum esse quod sub utraque specie
sacramenti totus est Christus, aliter tamen et aliter. Nam sub speciebus panis est
quidem corpus Christi ex vi sacramenti, sanguis autem ex reali concomitantia, sicut
supra dictum est de anima et divinitate Christi. Sub speciebus vero vini est quidem
sanguis Christi ex vi sacramenti, corpus autem Christi ex reali concomitantia, sicut
anima et divinitas, eo quod nunc sanguis Christi non est ab eius corpore separatus,
sicut fuit tempore passionis et mortis. Unde, si tunc fuisset hoc sacramentum celebratum,
sub speciebus panis fuisset corpus Christi sine sanguine, et sub specie vini sanguis
sine corpore, sicut erat in rei veritate. (IIIa q. 76 a. 2 co.)
Overeenkomstig het boven gezegde (1e Art.) dient allerzekerst gehouden te worden,
dat onder beide gedaanten van het Sacrament de hele Christus tegenwoordig is, maar
niet op gelijke wijze. Want onder de gedaante van brood is het Lichaam van Christus
uit de kracht van het Sacrament, het Bloed echter uit verbondenheid in de werkelijkheid,
zoals boven (1e Art. 1e Antw.) gezegd is van de Ziel en de Godheid: thans is immers
het Bloed van Christus niet gescheiden van Zijn Lichaam, zoals dit het geval is geweest
ten tijde van het lijden en de dood. Indien daarom toen dit Sacrament zou zijn gevierd,
zou onder de gedaante van brood het Lichaam van Christus zonder het Bloed zijn geweest
en onder de gedaante van wijn het Bloed zonder het Lichaam: zoals het was in de werkelijkheid.
Ad primum ergo dicendum quod, quamvis totus Christus sit sub utraque specie, non tamen
frustra. Nam primo quidem, hoc valet ad repraesentandam passionem Christi, in qua
seorsum sanguis fuit a corpore. Unde et in forma consecrationis sanguinis fit mentio
de eius effusione. Secundo, hoc est conveniens usui huius sacramenti, ut seorsum exhibeatur
fidelibus corpus Christi in cibum, et sanguis in potum. Tertio, quantum ad effectum,
secundum quod supra dictum est quod corpus exhibetur pro salute corporis, sanguis
pro salute animae. (IIIa q. 76 a. 2 ad 1)
1 — Hoewel de hele Christus onder beide gedaanten tegenwoordig is, heeft dit toch zijn
reden. Want vooreerst is dit dienstig tot afbeelding van het lijden, waarbij het Bloed
gescheiden was van het Lichaam. Vandaar dat in de vorm van de consecratie van het
Bloed, melding wordt gemaakt van het vergieten van dat Bloed. Ten tweede is dit nuttig
voor het gebruik van dit Sacrament: dat namelijk aan de gelovigen afzonderlijk het
Lichaam van Christus tot spijs en het Bloed tot drank wordt gegeven. Ten derde met
betrekking tot het uitwerksel: naar wat boven (74° Kw. 1° Art.) gezegd is, dat « het
Lichaam wordt gegeven tot heil van het lichaam, het Bloed tot heil van de ziel ».
Ad secundum dicendum quod in passione Christi, cuius hoc sacramentum est memoriale,
non fuerunt aliae partes corporis ab invicem separatae, sicut sanguis, sed corpus
indissolutum permansit, secundum quod legitur Exod. XII, os non comminuetis ex eo.
Et ideo in hoc sacramento seorsum consecratur sanguis a corpore, non autem alia pars
ab alia. (IIIa q. 76 a. 2 ad 2)
2 — Bij het lijden van Christus, waarvan dit Sacrament de herinnering is, zijn de andere
delen van het Lichaam niet van elkaar gescheiden zoals het Bloed, maar bleef het Lichaam
in zijn geheel: zoals men leest in het Boek van de Uittocht (12. 46): « Gij zult geen
been ervan verbrijzelen ». Daarom wordt in dit Sacrament het Bloed en het Lichaam
afzonderlijk geconsacreerd, maar gebeurt dat niet met de andere delen onderling.
Ad tertium dicendum quod, sicut dictum est, corpus Christi non est sub specie vini
ex vi sacramenti, sed ex reali concomitantia. Et ideo per consecrationem vini non
fit ibi corpus Christi per se, sed concomitanter. (IIIa q. 76 a. 2 ad 3)
3 — Zoals gezegd is (in de Leerst.), is het Lichaam van Christus onder de gedaante van
wijn niet uit kracht van het Sacrament maar uit verbondenheid in de werkelijkheid.
Daarom komt door de consecratie van de wijn het Lichaam er niet op zich maar door
verbondenheid.
Articulus 3. Is de hele Christus tegenwoordig onder elk deel van de gedaanten van brood en wijn?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod non sit totus Christus sub qualibet parte
specierum panis vel vini. Species enim illae dividi possunt in infinitum. Si ergo
Christus totus est sub qualibet parte specierum praedictarum, sequeretur quod infinities
esset in hoc sacramento. Quod est inconveniens, nam infinitum non solum repugnat naturae,
sed etiam gratiae. (IIIa q. 76 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de hele Christus niet tegenwoordig is onder elk deel van de gedaanten
van brood en wijn. Deze gedaanten kunnen immers tot in het oneindige worden verdeeld.
Indien dus de hele Christus onder elk deel van de genoemde gedaanten tegenwoordig
was, zou volgen, dat Hij oneindig maal in dit sacrament tegenwoordig was. Dit is onmogelijk:
het oneindige toch strijdt niet alleen met de natuur, maar ook met de genade.
Praeterea, corpus Christi, cum sit organicum, habet partes determinate distantes,
est enim de ratione organici corporis determinata distantia singularum partium ad
invicem, sicut oculi ab oculo, et oculi ab aure. Sed hoc non posset esse si sub qualibet
parte specierum esset totus Christus, oporteret enim quod sub qualibet parte esset
quaelibet pars; et ita, ubi esset una pars, esset et alia. Non ergo potest esse quod
totus Christus sit sub qualibet parte hostiae vel vini contenti in calice. (IIIa q. 76 a. 3 arg. 2)
2 — Daar het Lichaam van Christus organisch is, heeft het delen op bepaalde afstand van
elkaar: tot het wezen immers van een organisch lichaam hoort een bepaalde onderlinge
afstand van de afzonderlijke delen zoals tussen oog en oog en tussen oog en oor. Maar
dit zou onmogelijk zijn, indien onder elk deel van de gedaanten de hele Christus tegenwoordig
was: want dan moest elk deel zijn onder elk deel; en op die manier zou het ene deel
zijn, waar het andere was. Dus kan de hele Christus niet tegenwoordig zijn onder elk
deel van de hostie of van de in de kelk vervatte wijn.
Praeterea, corpus Christi semper veram retinet corporis naturam, nec unquam mutatur
in spiritum. Sed de ratione corporis est ut sit quantitas positionem habens, ut patet
in praedicamentis. Sed ad rationem huius quantitatis pertinet quod diversae partes
in diversis partibus loci existant. Non ergo potest esse, ut videtur, quod totus Christus
sit sub qualibet parte specierum. (IIIa q. 76 a. 3 arg. 3)
3 — Het Lichaam van Christus behoudt altijd de waarachtige natuur van een lichaam en verandert
nooit in een geest. Nu behoort het tot het wezen van een lichaam, dat het is « een
hoegrootheid met bepaalde ligging », zoals blijkt in de Praedica menta. Maar tot het
wezen van deze hoegrootheid behoort het, dat de verschillende delen zich bevinden
in verschillende delen van de plaats. Dus schijnt het onmogelijk te zijn, dat de hele
Christus tegenwoordig is onder elk deel van de gedaanten.
Sed contra est quod Augustinus dicit, in quodam sermone, singuli accipiunt Christum
dominum, et in singulis portionibus totus est, nec per singulas minuitur, sed integrum
se praebet in singulis. (IIIa q. 76 a. 3 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: « Allen afzonderlijk ontvangen de
Heer Christus: en in de afzonderlijke gedeelten is Hij geheel, Hij wordt niet minder
in de afzonderlijke gedeelten, maar geeft Zich er geheel ».
Respondeo dicendum quod, sicut ex supra dictis patet, quia in hoc sacramento substantia
corporis Christi est ex vi sacramenti, quantitas autem dimensiva ex vi realis concomitantiae,
corpus Christi est in hoc sacramento per modum substantiae, idest, per modum quo substantia
est sub dimensionibus, non autem per modum dimensionum, idest, non per illum modum
quo quantitas dimensiva alicuius corporis est sub quantitate dimensiva loci. Manifestum
est autem quod natura substantiae tota est sub qualibet parte dimensionum sub quibus
continetur, sicut sub qualibet parte aeris est tota natura aeris, et sub qualibet
parte panis est tota natura panis. Et hoc indifferenter sive dimensiones sint actu
divisae, sicut cum aer dividitur vel panis secatur, vel etiam sint actu indivisae,
divisibiles vero potentia. Et ideo manifestum est quod Christus totus est sub qualibet
parte specierum panis, etiam hostia integra manente, et non solum cum frangitur, sicut
quidam dicunt, ponentes exemplum de imagine quae apparet in speculo, quae una apparet
in speculo integro, infracto autem speculo apparent singulae in singulis partibus.
Quod quidem non est omnino simile. Quia multiplicatio huiusmodi imaginum accidit in
speculo fracto propter diversas reflexiones ad diversas partes speculi, hic autem
non est nisi una consecratio propter quam corpus Christi est in sacramento. (IIIa q. 76 a. 3 co.)
Uit het boven gezegde (1e Art. 3e Antw.) blijkt dat, omdat in dit Sacrament de zelfstandigheid
van het Lichaam van Christus tegenwoordig is uit kracht van het Sacrament, de meetbare
hoegrootheid echter uit kracht van verbondenheid in de werkelijkheid, het Lichaam
van Christus in dit Sacrament tegenwoordig is op de wijze van een zelfstandigheid
d. i. op de wijze, waarop een zelfstandigheid onder de afmetingen is: niet echter
op de wijze van afmetingen, d. i. niet op die wijze, waarop de meetbare hoogte van
een lichaam onder de meetbare hoogte van een plaats is. Nu is het duidelijk, dat de
hele natuur van een zelfstandigheid tegenwoordig is onder elk deel van de afmetingen:
zoals onder elk deel van lucht de hele natuur van lucht en onder elk deel van brood
de hele natuur van brood is. En dit onverschillig of de afmetingen metterdaad zijn
verdeeld, zoals wanneer lucht wordt verdeeld of brood wordt gesneden, of metterdaad
onverdeeld, in vermogen echter verdeelbaar zijn. En dus is het duidelijk, dat de hele
Christus tegenwoordig is onder elk deel van de gedaante van brood, ook wanneer de
hostie heel blijft — niet alleen wanneer zij gebroken wordt, zoals sommigen zeggen
onder aanvoering van het voorbeeld van het in de spiegel verschijnende beeld, dat
éénig verschijnt in de spiegel, als deze heel is, maar dat bij breking van de spiegel
zo vaak verschijnt als er delen zijn. Die vergelijking gaat niet helemaal op. Want
de vermenigvuldiging van dergelijke beelden heeft in de gebroken spiegel plaats tengevolge
van de verschillende weerkaatsingen op de verschillende delen van de spiegel: maar
hier is er slechts één consecratie als oorzaak van de tegenwoordigheid van het Lichaam
van Christus in het Sacrament.
Ad primum ergo dicendum quod numerus sequitur divisionem. Et ideo, quandiu quantitas
manet indivisa actu, neque substantia alicuius rei est pluries sub dimensionibus propriis,
neque corpus Christi sub dimensionibus panis. Et per consequens neque infinities,
sed toties in quot partes dividitur. (IIIa q. 76 a. 3 ad 1)
1 — Het getal volgt de verdeling. Zolang derhalve de hoogtehoed metterdaad onverdeeld
blijft, is de zelfstandigheid van een zaak niet meerdere malen onder de eigen afmetingen
noch het Lichaam van Christus onder de afmetingen van het brood. En bijgevolg ook
niet oneindig maal, maar zoveel maal, als er delen worden gemaakt.
Ad secundum dicendum quod illa determinata distantia partium in corpore organico fundatur
super quantitatem dimensivam ipsius, ipsa autem natura substantiae praecedit etiam
quantitatem dimensivam. Et quia conversio substantiae panis directe terminatur ad
substantiam corporis Christi, secundum cuius modum proprie et directe est in hoc sacramento
corpus Christi, talis distantia partium est quidem in ipso corpore Christi vero, sed
non secundum hanc distantiam comparatur ad hoc sacramentum, sed secundum modum suae
substantiae, ut dictum est. (IIIa q. 76 a. 3 ad 2)
2 — Die bepaalde afstand van de delen in een organisch lichaam berust op zijn meetbare
hoogte: de natuur zelf van de zelfstandigheid gaat echter nog aan de meetbare hoogte
vooral. En omdat nu de verandering van de zelfstandigheid van het brood haar onmiddellijke
eindpunt vindt in de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus, op wier wijze het
Lichaam van Christus eigenlijk en onmiddellijk in dit Sacrament tegenwoordig is, daarom
is genoemde afstand van de delen wel in het waarachtig Lichaam van Christus op zich,
maar verhoudt dit zich niet tot dit Sacrament volgens die afstand maar volgens de
wijze van zijn zelfstandigheid, gelijk gezegd is (in de Leerst. en 1e Art. en 3e Antw.).
Ad tertium dicendum quod ratio illa procedit de natura corporis quam habet secundum
quantitatem dimensivam. Dictum est autem quod corpus Christi non comparatur ad hoc
sacramentum ratione quantitatis dimensivae, sed ratione substantiae, ut dictum est. (IIIa q. 76 a. 3 ad 3)
3 — Die redenering gaat uit van de natuur, welke een lichaam heeft volgens zijn meetbare
hoogte. Maar er is gezegd (in de Leerst. en 2e Antw.), dat het Lichaam van Christus
zich niet tot dit Sacrament verhoudt volgens zijn meetbare hoogte maar volgens zijn
zelfstandigheid, zoals gezegd is (t.a.p.).
Articulus 4. Is de hele meetbare hoegrootheid van het Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod non tota quantitas dimensiva corporis Christi
sit in hoc sacramento. Dictum est enim quod totum corpus Christi continetur sub qualibet
parte hostiae consecratae. Sed nulla quantitas dimensiva tota continetur in aliquo
toto et in qualibet parte eius. Est ergo impossibile quod tota quantitas dimensiva
corporis Christi contineatur in hoc sacramento. (IIIa q. 76 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de hele meetbare hoogte van het Lichaam van Christus niet in dit
Sacrament tegenwoordig is. Er is immers gezegd (3e Art.), dat het hele Lichaam van
Christus vervat is onder elk deel van de geconsacreerde hostie. Nu is geen enkele
meetbare hoogte in haar geheel vervat in een of ander geheel en in elk deel ervan.
Dus is het onmogelijk, dat de hele meetbare hoogte van het Lichaam van Christus in
dit Sacrament tegenwoordig is.
Praeterea, impossibile est duas quantitates dimensivas esse simul, etiam si una sit
separata et alia in corpore naturali, ut patet per philosophum, in III Metaphys. Sed
in hoc sacramento remanet quantitas dimensiva panis, ut sensu apparet. Non ergo est
ibi quantitas dimensiva corporis Christi. (IIIa q. 76 a. 4 arg. 2)
2 — Twee meetbare hoogheden kunnen onmogelijk samen zijn, óók niet als de ene afzonderlijk
bestaat en de andere in een natuurlijk lichaam is, zoals blijkt bij de Wijsgeer. Nu
blijft in dit Sacrament de meetbare hoogte van het brood, zoals zintuigelijk vaststaat.
Dus is er niet de meetbare hoogte van het Lichaam van Christus.
Praeterea, si duae quantitates dimensivae inaequales iuxta se ponantur, maior extenditur
ultra minorem. Sed quantitas dimensiva corporis Christi est multo maior quam quantitas
dimensiva hostiae eius consecratae, secundum omnem dimensionem. Si ergo in hoc sacramento
sit quantitas dimensiva corporis Christi cum quantitate dimensiva hostiae, quantitas
dimensiva corporis Christi extendetur ultra quantitatem hostiae. Quae tamen non est
sine substantia corporis Christi. Ergo substantia corporis Christi erit in hoc sacramento
etiam praeter species panis. Quod est inconveniens, cum substantia corporis Christi
non sit in hoc sacramento nisi per consecrationem panis, ut dictum est. Impossibile
est ergo quod tota quantitas corporis Christi sit in hoc sacramento. (IIIa q. 76 a. 4 arg. 3)
3 — Wanneer twee ongelijke meetbare hoogten van de heetbaar geplaatst worden, steekt de
grotere buiten de kleinere uit. Nu is de meetbare hoogte van het Lichaam van Christus
veel groter dan de meetbare hoogte van de geconsacreerde hostie, volgens elke afmeting.
Indien dus in dit Sacrament de meetbare hoogte van het Lichaam van Christus tezamen
is met de andere meetbare hoogte van de hostie, zal de meetbare hoogte van het Lichaam
van Christus uitsteken buiten de hoogte van de hostie. Maar zij is niet zonder de
zelfstandigheid van het Lichaam van Christus. Dus zal de zelfstandigheid van het Lichaam
van Christus in dit Sacrament buiten de gedaante van het brood zijn. Dit is echter
onaannemelijk, want de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus is in dit Sacrament
alleen maar door de consecratie van het brood, gelijk gezegd is (2° Art.). Dus kan
onmogelijk de hele hoogte van het Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig
zijn.
Sed contra est quod quantitas dimensiva corporis alicuius non separatur secundum esse
a substantia eius. Sed in hoc sacramento est tota substantia corporis Christi, ut
supra habitum est. Ergo tota quantitas dimensiva corporis Christi est in hoc sacramento. (IIIa q. 76 a. 4 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat de meetbare hoogte van een lichaam naar het zijn niet
gescheiden wordt van zijn zelfstandigheid. Nu is in dat Sacrament de hele zelfstandigheid
van het Lichaam van Christus, zoals boven is aangetoond (1° en 3° Art.). Dus is in
dit Sacrament de hele meetbare hoogte van het Lichaam van Christus.
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, dupliciter aliquid Christi est in
hoc sacramento, uno modo, ex vi sacramenti; alio modo, ex naturali concomitantia.
Ex vi quidem sacramenti quantitas dimensiva corporis Christi non est in hoc sacramento.
Ex vi enim sacramenti est in hoc sacramento illud in quod directe conversio terminatur.
Conversio autem quae fit in hoc sacramento, terminatur directe ad substantiam corporis
Christi, non autem ad dimensiones eius. Quod patet ex hoc quod quantitas dimensiva
remanet facta consecratione, sola substantia panis transeunte. Quia tamen substantia
corporis Christi realiter non denudatur a sua quantitate dimensiva et ab aliis accidentibus,
inde est quod, ex vi realis concomitantiae, est in hoc sacramento tota quantitas dimensiva
corporis Christi, et omnia alia accidentia eius. (IIIa q. 76 a. 4 co.)
Zoals boven is gezegd (1° Art.), is iets van Christus in dit Sacrament op een van
de volgende twee manieren tegenwoordig: ofwel uit de kracht van het Sacrament ofwel
uit natuurlijke verbondenheid. De meetbare hoogte van het Lichaam van Christus is
niet in dit Sacrament tegenwoordig uit de kracht van het Sacrament. Uit de kracht
immers van het Sacrament is in dit Sacrament tegenwoordig datgene, waarin de verandering
haar onmiddellijke eindpunt heeft. De verandering nu, die in dit Sacrament plaats
vindt, heeft haar onmiddellijke eindpunt in de zelfstandigheid van het Lichaam van
Christus, niet in de afmetingen ervan. Hetgeen blijkt uit het feit, dat na de de consecratie
de meetbare hoogte blijft, terwijl alleen de zelfstandigheid van het brood verdwijnt.
— Daar evenwel de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus niet ontdaan wordt
van de meetbare hoogte en van de andere bijkomstigheden, daarom zijn in dit Sacrament
uit kracht van verbondenheid in de werkelijkheid de hele meetbare hoogte van het Lichaam
van Christus en al de andere bijkomstigheden ervan tegenwoordig.
Ad primum ergo dicendum quod modus existendi cuiuslibet rei determinatur secundum
illud quod est ei per se, non autem secundum illud quod est ei per accidens, sicut
corpus est in visu secundum quod est album, non autem secundum quod est dulce, licet
idem corpus sit album et dulce. Unde et dulcedo est in visu secundum modum albedinis,
et non secundum modum dulcedinis. Quia igitur ex vi sacramenti huius est in altari
substantia corporis Christi, quantitas autem dimensiva eius est ibi concomitanter
et quasi per accidens, ideo quantitas dimensiva corporis Christi est in hoc sacramento,
non secundum proprium modum, ut scilicet sit totum in toto et singulae partes in singulis
partibus; sed per modum substantiae, cuius natura est tota in toto et tota in qualibet
parte. (IIIa q. 76 a. 4 ad 1)
1 — De zijnswijze van elk ding wordt bepaald naar wat op zich eraan toekomt, niet naar
wat er toevallig aan is: zoals een lichaam in het oog is als wit, niet als zoet, hoewel
een en hetzelfde lichaam wit en zoet is. Daarom is ook de zoetheid in het oog op de
wijze van de witheid en niet op de wijze van de zoetheid. Omdat derhalve uit de kracht
van dit sacrament op het altaar de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus tegenwoordig
is, terwijl de meetbare hoogte ervan aldaar aanwezig is door verbondenheid en als
het ware toevallig, daarom is de meetbare hoogte van het Lichaam van Christus in dit
sacrament niet op haar eigen wijze tegenwoordig d. i. geheel in het geheel en volgens
afzonderlijke delen in de afzonderlijke delen, maar op de wijze van de zelfstandigheid,
wier natuur geheel is in het geheel en geheel in elk deel.
Ad secundum dicendum quod duae quantitates dimensivae non possunt naturaliter simul
esse in eodem ita quod utraque sit secundum proprium modum quantitatis dimensivae.
In hoc autem sacramento quantitas dimensiva panis est secundum proprium modum, scilicet
secundum commensurationem quandam, non autem quantitas dimensiva corporis Christi,
sed est ibi per modum substantiae, ut dictum est. (IIIa q. 76 a. 4 ad 2)
2 — Twee meetbare hoogten kunnen niet natuurlijkerwijs te zamen in hetzelfde zijn, zóó
dat elk van beide aanwezig is volgens de eigen wijze van de meetbare hoogte. Maar
in dit Sacrament is de meetbare hoogte van het brood op haar eigen wijze tegenwoordig
d. i. volgens een zekere aanmeting: de meetbare hoogte van het Lichaam van Christus
is er echter niet aldus tegenwoordig maar op de wijze van de zelfstandigheid, gelijk
gezegd is (1° Antw.).
Ad tertium dicendum quod quantitas dimensiva corporis Christi non est in hoc sacramento
secundum modum commensurationis, qui est proprius quantitati, ad quem pertinet quod
maior quantitas extendatur ultra minorem, sed est ibi per modum iam dictum. (IIIa q. 76 a. 4 ad 3)
3 — De meetbare hoogte van het Lichaam van Christus is in dit Sacrament niet tegenwoordig
op de wijze van aanmeting, welke eigen is aan de hoogte, waaraan toekomt dat de grotere
hoogte buiten de andere uitsteekt, maar zij is er tegenwoordig op de reeds gezegde
wijze (1° en 2° Antw.).
Articulus 5. Is het Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig op plaatselijke wijze?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod corpus Christi sit in hoc sacramento sicut
in loco. Esse enim in aliquo definitive vel circumscriptive est pars eius quod est
esse in loco. Sed corpus Christi videtur esse definitive in hoc sacramento, quia ita
est ubi sunt species panis vel vini, quod non est in alio loco altaris. Videtur etiam
ibi esse circumscriptive, quia ita continetur superficie hostiae consecratae quod
nec excedit nec exceditur. Ergo corpus Christi est in hoc sacramento sicut in loco. (IIIa q. 76 a. 5 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig is op plaatselijke
wijze. Immers, ergens tegenwoordig zijn op uitsluitende of omgrensde wijze is een
deel van op een plaats zijn. Nu schijnt het Lichaam van Christus op uitsluitende wijze
in dit Sacrament tegenwoordig te zijn: want het is zóó op de plaats van de gedaanten
van brood en wijn, dat het niet op een andere plaats van het altaar is. Het schijnt
er ook op omgrensde wijze te zijn, daar het zóó door de oppervlakte van de geconsacreerde
hostie wordt bevat, dat het er niet buiten uitsteekt noch omgekeerd. Dus is het Lichaam
van Christus in dit Sacrament op plaatselijke wijze tegenwoordig.
Praeterea, locus specierum panis non est vacuus, natura enim non patitur vacuum. Nec
est ibi substantia panis, ut supra habitum est, sed est ibi solum corpus Christi.
Ergo corpus Christi replet locum illum. Sed omne quod replet locum aliquem, est in
eo localiter. Ergo corpus Christi est in hoc sacramento localiter. (IIIa q. 76 a. 5 arg. 2)
2 — De plaats van de gedaante van het brood is niet leeg: de natuur immers laat geen leegte
toe. Er is ook niet de zelfstandigheid van het brood, gelijk boven is aangetoond (75°
Kw. 2° Art.), maar alleen het Lichaam van Christus. Dus vult het Lichaam van Christus
die plaats. Maar alles wat een plaats vult is er op plaatselijke wijze. Dus is het
Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig op plaatselijke wijze.
Praeterea, in hoc sacramento, sicut dictum est, corpus Christi est cum sua quantitate
dimensiva et cum omnibus suis accidentibus. Sed esse in loco est accidens corporis,
unde et ubi connumeratur inter novem genera accidentium. Ergo corpus Christi est in
hoc sacramento localiter. (IIIa q. 76 a. 5 arg. 3)
3 — Zoals gezegd is (4° Art.), is in dit Sacrament het Lichaam van Christus tegenwoordig
met zijn meetbare hoogte van het al zijn bijkomstigheden. Nu is in een plaats een
bijkomstigheid van het lichaam: vandaar ook dat waar meegeteld wordt onder de negen
geslachten van de bijkomstigheden. Dus is het Lichaam van Christus in dit Sacrament
tegenwoordig op plaatselijke wijze.
Sed contra est quod oportet locum et locatum esse aequalia, ut patet per philosophum,
in IV Physic. Sed locus ubi est hoc sacramentum, est multo minor quam corpus Christi.
Ergo corpus Christi non est in hoc sacramento sicut in loco. (IIIa q. 76 a. 5 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat de plaats en het geplaatste gelijk moeten zijn, zoals
blijkt bij de Wijsgeer. Maar de plaats, waar dit Sacrament is, is veel kleiner dan
het Lichaam van Christus. Dus is het Lichaam van Christus niet in dit Sacrament tegenwoordig
als in een plaats.
Respondeo dicendum quod, sicut iam dictum est, corpus Christi non est in hoc sacramento
secundum proprium modum quantitatis dimensivae, sed magis secundum modum substantiae.
Omne autem corpus locatum est in loco secundum modum quantitatis dimensivae, inquantum
scilicet commensuratur loco secundum suam quantitatem dimensivam. Unde relinquitur
quod corpus Christi non est in hoc sacramento sicut in loco, sed per modum substantiae,
eo scilicet modo quo substantia continetur a dimensionibus. Succedit enim substantia
corporis Christi in hoc sacramento substantiae panis. Unde, sicut substantia panis
non erat sub suis dimensionibus localiter, sed per modum substantiae, ita nec substantia
corporis Christi. Non tamen substantia corporis Christi est subiectum illarum dimensionum,
sicut erat substantia panis. Et ideo panis ratione suarum dimensionum localiter erat
ibi, quia comparabatur ad locum mediantibus propriis dimensionibus. Substantia autem
corporis Christi comparatur ad locum illum mediantibus dimensionibus alienis, ita
quod e converso dimensiones propriae corporis Christi comparantur ad locum illum mediante
substantia. Quod est contra rationem corporis locati. Unde nullo modo corpus Christi
est in hoc sacramento localiter. (IIIa q. 76 a. 5 co.)
Gelijk reeds gezegd is (1° Art. 3° Antw.; 3° Art.), is het Lichaam van Christus niet
in dit Sacrament tegenwoordig volgens de eigen wijze van de meetbare hoogte, maar
veeleer volgens de wijze van de zelfstandigheid. Elk geplaatst lichaam nu is in de
plaats volgens de wijze van de meetbare hoogte, voorzover het namelijk aangemeten
is aan de plaats volgens zijn meetbare hoogte. Hieruit volgt, dat het Lichaam van
Christus niet in dit Sacrament tegenwoordig is als in een plaats maar op de wijze
van de zelfstandigheid: d. i. op die wijze, waarop de zelfstandigheid vervat is onder
de afmetingen. Want de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus volgt in dit Sacrament
de zelfstandigheid van het brood op. Evenals daarom de zelfstandigheid van het brood
niet tegenwoordig was onder de afmetingen op plaatselijke wijze maar op de wijze van
de zelfstandigheid, zo ook niet de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus. Evenwel
is de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus niet het subject van die afmetingen,
zoals de zelfstandigheid van het brood dat was. En daarom was het brood er op plaatselijke
wijze door zijn afmetingen, omdat het zich betrok op de plaats door middel van zijn
eigen afmetingen. Daarentegen betrekt de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus
zich op die plaats door middel van de afmetingen van iets anders: zóó dat integendeel
de eigen afmetingen van het Lichaam van Christus zich op die plaats betrekken door
middel van de zelfstandigheid. Iets wat tegen het wezen is van een geplaatst lichaam.
Dus is op geen enkele wijze het Lichaam van Christus in dit Sacrament plaatselijk
tegenwoordig.
Ad primum ergo dicendum quod corpus Christi non est in hoc sacramento definitive,
quia sic non esset alibi quam in hoc altari ubi conficitur hoc sacramentum; cum tamen
sit et in caelo in propria specie, et in multis aliis altaribus sub specie sacramenti.
Similiter etiam patet quod non est in hoc sacramento circumscriptive, quia non est
ibi secundum commensurationem propriae quantitatis, ut dictum est. Quod autem non
est extra superficiem sacramenti, nec est in alia parte altaris, non pertinet ad hoc
quod sit ibi definitive vel circumscriptive, sed ad hoc quod incoepit ibi esse per
consecrationem et conversionem panis et vini, ut supra dictum est. (IIIa q. 76 a. 5 ad 1)
1 — Het Lichaam van Christus is niet in dit Sacrament op uitsluitende wijze tegenwoordig:
zóó toch zou het nergens anders zijn dan op dit altaar, waar dit Sacrament wordt voltrokken;
terwijl het daarentegen in de hemel in eigen gedaante tegenwoordig is en op vele andere
altaren onder de gedaante van het Sacrament. Eveneens blijkt het niet op omgrensde
wijze in dit Sacrament tegenwoordig te zijn: het is er immers niet volgens de aanmeting
van de eigen hoogte, gelijk gezegd is (in de Leerst.). Dat het niet buiten de oppervlakte
van het Sacrament noch in een ander deel van het altaar is, komt niet van een aldaar
op uitsluitende of omgrensde wijze tegenwoordig zijn maar van het feit, dat het daar
aanwezig begon te zijn door de consecratie en door de verandering van het brood en
de wijn, gelijk boven gezegd is (1° Art.; 75° Kw. 2° Art. vv.).
Ad secundum dicendum quod locus ille in quo est corpus Christi, non est vacuus. Neque
tamen proprie est repletus substantia corporis Christi, quae non est ibi localiter,
sicut dictum est. Sed est repletus speciebus sacramentorum, quae habent replere locum
vel propter naturam dimensionum; vel saltem miraculose, sicut et miraculose subsistunt
per modum substantiae. (IIIa q. 76 a. 5 ad 2)
2 — Die plaats, waarin het Lichaam van Christus is, is niet leeg. Toch wordt zij niet
gevuld door de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus, die er niet op plaatselijke
wijze tegenwoordig is, gelijk gezegd is (in de Leerst.). Zij is gevuld door de gedaanten
van de Sacramenten, welke een plaats kunnen vullen ofwel door haar natuur van afmetingen,
of althans op wonderbare wijze, zoals zij ook op wonderbare wijze op zichzelf bestaan
op zelfstandigheidsmanier.
Ad tertium dicendum quod accidentia corporis Christi sunt in hoc sacramento, sicut
supra dictum est, secundum realem concomitantiam. Et ideo illa accidentia corporis
Christi sunt in hoc sacramento quae sunt ei intrinseca. Esse autem in loco est accidens
per comparationem ad extrinsecum continens. Et ideo non oportet quod Christus sit
in hoc sacramento sicut in loco. (IIIa q. 76 a. 5 ad 3)
3 — De bijkomstigheden van het Lichaam van Christus zijn in dit Sacrament, zoals boven
gezegd is (4° Art.), volgens verbondenheid in de werkelijkheid. Daarom zijn die bijkomstigheden
van het Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig, welke er innerlijk aan
toekomen. Op een plaats zijn is echter een bijkomstigheid met betrekking tot de uitwendige
omgeving. Daarom is het niet noodzakelijk, dat Christus in dit Sacrament tegenwoordig
is als in een plaats.
Articulus 6. Is het Lichaam van Christus in dit Sacrament veranderlijk?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod corpus Christi sit mobiliter in hoc sacramento.
Dicit enim philosophus, in II Topic., quod, moventibus nobis, moventur ea quae in
nobis sunt. Quod quidem verum est etiam de spirituali substantia animae. Sed Christus
est in hoc sacramento, ut supra habitum est. Ergo movetur ad motum ipsius. (IIIa q. 76 a. 6 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het Lichaam van Christus in dit Sacrament veranderlijk is. De wijsgeer
zegt immers dat « wanneer wij van plaats veranderen, van plaats verandert wat in ons
is ». Hetgeen ook waar is van de geestelijke zelfstandigheid van de ziel. Nu is Christus
in dit Sacrament, zoals boven is aangetoond (74° Kw. 1° Art.). Dus verandert Hij van
plaats, wanneer dat van plaats verandert.
Praeterea, veritas debet respondere figurae. Sed de agno paschali, qui erat figura
huius sacramenti, non remanebat quidquam usque mane, sicut praecipitur Exod. XII.
Ergo neque etiam, si hoc sacramentum reservetur in crastinum, erit ibi corpus Christi.
Et ita non est immobiliter in hoc sacramento. (IIIa q. 76 a. 6 arg. 2)
2 — De werkelijkheid moet beantwoorden aan de voorafbeelding. Van het paaslam nu, dat
een voorafbeelding van dit sacrament was, « bleef niets over tot de volgende dag »,
zoals bevolen wordt in het Boek van de Uittocht (12. 10). Dus zal er ook niets meer
van het Lichaam van Christus zijn, indien dit sacrament tot de volgende dag bewaard
wordt. En dus is het niet onveranderlijk in dit sacrament.
Praeterea, si corpus Christi remaneat sub hoc sacramento etiam in crastino, pari ratione
remanebit et per totum sequens tempus, non enim potest dici quod desinat ibi esse
cessantibus speciebus, quia esse corporis Christi non dependet a speciebus illis.
Non autem remanet sub hoc sacramento Christus per totum tempus futurum. Videtur ergo
quod statim in crastino, vel post modicum tempus, desinat esse sub hoc sacramento.
Et ita videtur quod Christus mobiliter sit in hoc sacramento. (IIIa q. 76 a. 6 arg. 3)
3 — Indien het Lichaam van Christus tot de volgende dag in dit Sacrament blijft, zal het
op gelijke wijze heel de volgende tijd blijven: men kan immers niet zeggen, dat het
ophoudt er te zijn bij ophouden van de gedaanten, want het zijn van het Lichaam van
Christus hangt niet af van die gedaanten. Nu blijft Christus niet de hele toekomstige
tijd in dit Sacrament. Dus schijnt Hij terstond op de volgende dag of na korte tijd
op te houden in dit Sacrament te zijn. En dus schijnt Christus in dit Sacrament veranderlijk
te zijn.
Sed contra, impossibile est idem esse motum et quietum, quia sic contradictoria verificarentur
de eodem. Sed corpus Christi in caelo quietum residet. Non ergo est mobiliter in hoc
sacramento. (IIIa q. 76 a. 6 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat eenzelfde ding onmogelijk kan veranderen en onveranderd
blijven: zóó toch zouden als ja en nee tegenovergestelde beweringen van hetzelfde
ding bewaarheid worden. Welnu, het Lichaam van Christus blijft in de hemel in onveranderlijke
rust. Dus is het niet veranderlijk in dit Sacrament.
Respondeo dicendum quod, cum aliquid est unum subiecto et multiplex secundum esse,
nihil prohibet secundum aliquid moveri et secundum aliud immobile permanere, sicut
corpori aliud est esse album, et aliud est esse magnum, unde potest moveri secundum
albedinem, et permanere immobile secundum magnitudinem. Christo autem non est idem
esse secundum se, et esse sub sacramento, quia per hoc ipsum quod dicimus ipsum esse
sub sacramento, significatur quaedam habitudo eius ad hoc sacramentum. Secundum igitur
hoc esse non movetur Christus per se secundum locum, sed solum per accidens. Quia
Christus non est in hoc sacramento sicut in loco, sicut praedictum est, quod autem
non est in loco, non movetur per se in loco, sed solum ad motum eius in quo est. Similiter
autem neque per se movetur, secundum esse quod habet in hoc sacramento, quacumque
alia mutatione, puta quantum ad hoc quod desinat esse sub hoc sacramento. Quia illud
quod de se habet esse indeficiens, non potest esse deficiendi principium, sed, alio
deficiente, hoc desinit esse in eo; sicut Deus, cuius esse est indeficiens et immortale,
desinit esse in aliqua creatura corruptibili per hoc quod creatura corruptibilis desinit
esse. Et hoc modo, cum Christus habeat esse indeficiens et incorruptibile, non desinit
esse sub sacramento neque per hoc quod ipsum desinat esse, neque etiam per motum localem
sui, ut ex dictis patet, sed solum per hoc quod species huius sacramenti desinunt
esse. Unde patet quod Christus, per se loquendo, immobiliter est in hoc sacramento. (IIIa q. 76 a. 6 co.)
Wanneer iets één is naar subject en veelvoudig naar zijn, is er niets op tegen, dat
het in enig opzicht verandert en in een ander opzicht onveranderd blijft: zoals het
voor een lichaam iets anders is wit te zijn, iets anders groot te zijn; vandaar kan
het veranderen wat de witheid betreft en onveranderd blijven wat de grootte betreft.
Voor Christus nu is het niet hetzelfde op Zich te zijn en te zijn in het Sacrament:
want, als wij zeggen, dat Hij in het Sacrament is, geven wij een verhouding van Hem
tot het Sacrament aan. Volgens dit zijn dan verandert Christus niet op Zich van plaats
maar alleen door iets anders. Want Christus is niet in dit Sacrament als op een plaats,
zoals vroeger gezegd is (5° Art.) : wat nu niet in een plaats is verandert niet op
zich van plaats maar alleen bij plaatsverandering van datgene, waarin het is. En evenmin
verandert Hij op Zich, naar het zijn, dat Hij in dit Sacrament heeft, door enig andere
verandering: b.v. wat betreft, dat Hij ophoudt in dit Sacrament te zijn. Datgene immers,
wat uit zich een onvergankelijk zijn heeft, kan niet beginsel van vergaan zijn, maar
houdt op te zijn in iets, wanneer dit vergaat; zoals God, Wiens zijn onvergankelijk
en onsterfelijk is, ophoudt in een of ander vergankelijk schepsel te zijn, doordat
dit vergankelijk schepsel ophoudt te zijn. Op deze wijze dan houdt Christus, omdat
Hij een onvergankelijk en onsterfelijk zijn heeft, op in dit Sacrament te zijn, niet
doordat Hijzelf ophoudt te zijn noch door eigen plaatsverandering, gelijk uit het
gezegde blijkt, maar alleen doordat de gedaanten van dit Sacrament ophouden te zijn.
Zo blijkt dat, op zich gesproken, Christus onveranderlijk is in dit Sacrament.
Ad primum ergo dicendum quod ratio illa procedit de motu per accidens, quo ad motum
nostri moventur ea quae in nobis sunt. Aliter tamen ea quae per se possunt esse in
loco, sicut corpora, et aliter ea quae per se non possunt esse in loco, sicut formae
et spirituales substantiae. Ad quem modum potest reduci quod dicimus Christum moveri
per accidens secundum esse quod habet in hoc sacramento, in quo non est sicut in loco. (IIIa q. 76 a. 6 ad 1)
1 — Die redenering betrekt zich op de plaatsverandering door iets anders, zoals bij onze
plaatsverandering ook van plaats verandert wat in ons is. Maar dit gebeurt niet op
dezelfde wijze met dingen, die op zich in een plaats kunnen zijn zoals lichamen, én
met dingen, die op zich niet in een plaats kunnen zijn zoals vormen en geestelijke
zelfstandigheden. Tot die wijze kan herleid worden wat wij van Christus zeggen, dat
Hij namelijk, volgens het zijn, dat Hij heeft in dit Sacrament, waarin Hij niet is
als in een plaats, door iets anders van plaats verandert.
Ad secundum dicendum quod hac ratione moti videntur fuisse quidam ponentes quod corpus
Christi non remanet sub hoc sacramento si in crastinum reservetur. Contra quos Cyrillus
dicit, insaniunt quidam dicentes mysticam benedictionem a sanctificatione cessare
si quae reliquiae remanserint eius in diem subsequentem. Non enim mutabitur sacrosanctum
corpus Christi, sed virtus benedictionis et vivificativa gratia iugis in eo est. Sicut
et omnes aliae consecrationes immobiliter manent, permanentibus rebus consecratis,
propter quod non iterantur. Veritas autem licet figurae respondeat, tamen figura non
potest eam adaequare. (IIIa q. 76 a. 6 ad 2)
2 — Door deze redenering schijnen sommigen gedreven te zijn geweest bewerende, dat het
Lichaam van Christus niet in dit Sacrament blijft, als het tot de volgende dag bewaard
wordt. Tegen hen zegt Cyrillus: « Er zijn sommige dwazen, die zeggen, dat de mystieke
zegening haar heilige uitwerking verliest, wanneer er enige resten overblijven tot
de volgende dag. Het hoogheilige Lichaam van Christus zal immers niet veranderen,
maar de kracht der zegening en de levendmakende genade is er altijd in ». Zoals ook
alle andere consecraties onveranderlijk voortduren bij voortduring van het geconsacreerde.
— De werkelijkheid beantwoordt wel aan de voorafbeelding, maar deze kan haar niet
evenaren.
Ad tertium dicendum quod corpus Christi remanet in hoc sacramento non solum in crastinum,
sed etiam in futurum, quousque species sacramentales manent. Quibus cessantibus, desinit
esse corpus Christi sub eis, non quia ab eis dependeat, sed quia tollitur habitudo
corporis Christi ad illas species. Per quem modum Deus desinit esse dominus creaturae
desinentis. (IIIa q. 76 a. 6 ad 3)
3 — Het Lichaam van Christus blijft in dit Sacrament niet alleen tot de volgende dag maar
ook daarna, zolang de sacramentale gedaanten voortduren. Verdwijnen deze, dan houdt
het Lichaam van Christus eronder op, niet omdat het Lichaam van Christus ervan zou
afhangen, maar omdat de betrekking van het Lichaam van Christus tot die gedaanten
verdwijnt. Op gelijke wijze als God ophoudt de Heer te zijn van een verdwijnend schepsel.
Articulus 7. Kan het Lichaam van Christus, zoals het in dit Sacrament is, door enig oog, althans
door het verheerlijkt oog, gezien worden?
Ad septimum sic proceditur. Videtur quod corpus Christi prout est in hoc sacramento,
possit videri ab aliquo oculo, saltem glorificato. Oculus enim noster impeditur a
visione corporis Christi in hoc sacramento existentis, propter species sacramentales
ipsum circumvelantes. Sed oculus glorificatus non potest ab aliquo impediri, quin
corpora quaelibet videat prout sunt. Ergo oculus glorificatus potest videre corpus
Christi prout est in hoc sacramento. (IIIa q. 76 a. 7 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het Lichaam van Christus, zoals het in dit Sacrament is, door enig
oog, althans door het verheerlijkt oog, gezien kan worden. Want ons oog wordt verhinderd
het in dit Sacrament tegenwoordige Lichaam van Christus te zien door de sacramentale
gedaanten, die het bedekken. Maar het verheerlijkt oog kan door niets verhinderd worden
de lichamen, welke dan ook, te zien, zoals zij zijn. Dus kan het verheerlijkt oog
het Lichaam van Christus zien, zoals het in dit Sacrament is.
Praeterea, corpora gloriosa sanctorum erunt configurata corpori claritatis Christi,
ut dicitur Philipp. III. Sed oculus Christi videt seipsum prout est in hoc sacramento.
Ergo pari ratione quilibet alius oculus glorificatus potest ipsum videre. (IIIa q. 76 a. 7 arg. 2)
2 — De verheerlijkte lichamen der heiligen zullen “ gelijkvormig zijn aan het Lichaam
der heerlijkheid van Christus ”, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Philippensen
(3. 21). Nu ziet het oog van Christus zichzelf, zoals het in dit Sacrament is. Dus
kan op gelijke wijze ieder ander verheerlijkt oog het zien.
Praeterea, sancti in resurrectione erunt aequales Angelis, ut dicitur Luc. XX. Sed
Angeli vident corpus Christi prout est in hoc sacramento, quia etiam Daemones inveniuntur
huic sacramento reverentiam exhibere, et ipsum timere. Ergo pari ratione oculus glorificatus
potest ipsum videre prout est in hoc sacramento. (IIIa q. 76 a. 7 arg. 3)
3 — De heiligen zullen bij de verrijzenis “aan de engelen gelijk” zijn, zoals gezegd wordt
bij Lucas (20. 36). Welnu, de engelen zien het Lichaam van Christus, zoals het in
dit Sacrament is, want men vindt zelfs dat duivels dit Sacrament eer bewijzen en vrezen.
Op gelijke wijze dus kan het verheerlijkt oog het zien, zoals het in dit Sacrament
is.
Sed contra, nihil idem existens potest simul ab eodem videri in diversis speciebus.
Sed oculus glorificatus semper videt Christum prout est in sua specie, secundum illud
Isaiae XXXIII, regem in decore suo videbunt. Ergo videtur quod non videat Christum
prout est sub specie huius sacramenti. (IIIa q. 76 a. 7 s. c.)
Daartegenover staat echter dat een en hetzelfde ding niet tegelijkertijd door dezelfde
gezien kan worden onder verschillende gedaanten. Nu ziet het verheerlijkt oog voortdurend
Christus, zoals Hij in eigen gedaante is: volgens het woord van Isaïas (33. 17): «
Zij zullen de Koning in Zijn glorie zien ». Dus schijnt het Christus niet te zien,
zoals Hij onder de gedaante van dit Sacrament is.
Respondeo dicendum quod duplex est oculus, scilicet corporalis, proprie dictus; et
intellectualis, qui per similitudinem dicitur. A nullo autem oculo corporali corpus
Christi potest videri prout est in hoc sacramento. Primo quidem, quia corpus visibile
per sua accidentia immutat medium. Accidentia autem corporis Christi sunt in hoc sacramento
mediante substantia, ita scilicet quod accidentia corporis Christi non habent immediatam
habitudinem neque ad hoc sacramentum, neque ad corpora quae ipsum circumstant. Et
ideo non possunt immutare medium, ut sic ab aliquo corporali oculo videri possint.
Secundo quia, sicut supra dictum est, corpus Christi est in hoc sacramento per modum
substantiae. Substantia autem, inquantum huiusmodi, non est visibilis oculo corporali,
neque subiacet alicui sensui, neque imaginationi, sed soli intellectui, cuius obiectum
est quod quid est, ut dicitur in III de anima. Et ideo, proprie loquendo, corpus Christi,
secundum modum essendi quem habet in hoc sacramento, neque sensu neque imaginatione
perceptibile est, sed solo intellectu, qui dicitur oculus spiritualis. Percipitur
autem diversimode a diversis intellectibus. Quia enim modus essendi quo Christus est
in hoc sacramento, est penitus supernaturalis, a supernaturali intellectu, scilicet
divino, secundum se visibilis est, et per consequens ab intellectu beato vel Angeli
vel hominis, qui secundum participatam claritatem divini intellectus videt ea quae
supernaturalia sunt, per visionem divinae essentiae. Ab intellectu autem hominis viatoris
non potest conspici nisi per fidem, sicut et cetera supernaturalia. Sed nec etiam
intellectus angelicus, secundum sua naturalia, sufficit ad hoc intuendum. Unde Daemones
non possunt videre per intellectum Christum in hoc sacramento, nisi per fidem, cui
non voluntate assentiunt, sed ad eam signorum evidentia convincuntur, prout dicitur,
Iac. II, quod Daemones credunt et contremiscunt. (IIIa q. 76 a. 7 co.)
Er is een dubbel oog: nl. het lichamelijke, het eigenlijk gezegde; en het verstandelijke,
dat overdrachtelijk aldus wordt genoemd. Nu kan door geen enkel lichamelijk oog het
Lichaam van Christus gezien worden, zoals het in dit Sacrament is. Vooreerst omdat
een zichtbaar lichaam door zijn bijkomstigheden het midden verandert. De bijkomstigheden
echter van het Lichaam van Christus zijn in dit Sacrament door tussenkomst van de
zelfstandigheid: zóó dat de bijkomstigheden van het Lichaam van Christus geen onmiddellijke
betrekking hebben noch met dit Sacrament noch met de omringende lichamen. En derhalve
kunnen zij het midden niet veranderen, opdat zij zóó door enig lichamelijk oog zouden
kunnen worden gezien. Ten tweede omdat, gelijk boven gezegd is (1° Art. 3° Antw.;
3° Art.), het Lichaam van Christus in dit Sacrament is op de wijze van de zelfstandigheid.
De zelfstandigheid nu is als zoodanig niet zichtbaar voor een lichamelijk oog, zij
valt niet onder enig zintuig, noch onder de verbeelding, maar alleen onder het verstand,
waarvan het voorwerp is «het wat iets is», gelijk gezegd wordt in De Anima. Daarom
is, eigenlijk gesproken, het Lichaam van Christus, volgens de zijnswijze, die het
in dit Sacrament heeft, noch voor het zintuig noch voor de verbeelding waarneembaar:
maar alleen voor het verstand, dat het geestelijk oog genoemd wordt. Het wordt echter
op verschillende wijze door de verschillende verstanden waargenomen. Omdat immers
de zijnswijze, waarop Christus in dit Sacrament is, volstrekt bovennatuurlijk is,
is Hij door een bovennatuurlijk verstand nl. het goddelijke in Zich zichtbaar: en
gevolgelijk ook zo door het gezaligd verstand van een engel of mens, die krachtens
een deelname aan de scherpte van het goddelijk verstand het bovennatuurlijke ziet
door het gezicht van de goddelijke wezenheid. Door het verstand echter van de mens
op aarde kan Hij alleen maar gezien worden door het geloof zoals ook het overige bovennatuurlijke.
Zelfs het engelenverstand is volgens zijn natuurlijke krachten niet voldoende om dit
te aanschouwen. Daarom kunnen de duivels met hun verstand Christus in dit Sacrament
niet zien tenzij door het geloof, waaraan zij niet vrijwillig toegeven, maar waartoe
zij overtuigd worden door de klaarblijkelijkheid van de tekenen, zoals gezegd wordt
in de Brief van Jacobus (2. 19), dat « de duivels geloven en beven ».
Ad primum ergo dicendum quod oculus noster corporeus per species sacramentales impeditur
a visione corporis Christi sub eis existentis, non solum per modum tegumenti, sicut
impedimur videre id quod est velatum quocumque corporali velamine, sed quia corpus
Christi non habet habitudinem ad medium quod circumstat hoc sacramentum mediantibus
propriis accidentibus sed mediantibus speciebus sacramentalibus. (IIIa q. 76 a. 7 ad 1)
1 — Ons lichamelijk oog wordt door de sacramentale gedaanten verhinderd het eronder tegenwoordige
Lichaam van Christus te zien, niet alleen als door een bedekking, zoals wij verhinderd
worden te zien al wat door enig lichamelijk omhulsel is bedekt, maar omdat het Lichaam
van Christus tot het midden, dat dit Sacrament omringt, geen betrekking heeft door
tussenkomst van de eigen bijkomstigheden maar door tussenkomst van de sacramentale
gedaanten.
Ad secundum dicendum quod oculus corporalis Christi videt seipsum sub sacramento existentem,
non tamen potest videre ipsum modum essendi quo est sub sacramento, quod pertinet
ad intellectum. Nec tamen est simile de alio oculo glorioso, quia et ipse oculus Christi
est sub hoc sacramento; in quo non conformatur ei alius oculus gloriosus. (IIIa q. 76 a. 7 ad 2)
2 — Het lichamelijke oog van Christus ziet zichzelf in dit Sacrament tegenwoordig: maar
het kan niet de wijze van zijn zien, waarop het in dit Sacrament is: dat hoort bij
het verstand. Een ander verheerlijkt oog staat hier echter niet mee gelijk: want het
oog van Christus is zelf ook in dit Sacrament, iets waarin een ander verheerlijkt
oog er niet aan gelijkvormig is.
Ad tertium dicendum quod Angelus bonus vel malus non potest aliquid videre oculo corporeo,
sed solum oculo intellectuali. Unde non est similis ratio, ut ex dictis patet. (IIIa q. 76 a. 7 ad 3)
3 — De goede of kwade engel kan niet iets zien met een lichamelijk oog maar alleen met
een verstandelijk oog. Dus gaat de vergelijking niet op, zoals uit het gezegd (in
de Leerst.) blijkt.
Articulus 8. Wanneer in dit Sacrament op wonderbare wijze vlees of een kind verschijnt, is er dan
het waarachtig Lichaam van Christus?
Ad octavum sic proceditur. Videtur quod, quando in hoc sacramento miraculose apparet
vel caro vel puer, quod non sit ibi vere corpus Christi. Corpus enim Christi desinit
esse sub hoc sacramento quando desinunt esse species sacramentales, ut dictum est.
Sed quando apparet caro vel puer, desinunt esse species sacramentales. Ergo non est
ibi vere corpus Christi. (IIIa q. 76 a. 8 arg. 1)
1 — Men beweert dat, wanneer in dit Sacrament op wonderbare wijze vlees of een kind verschijnt,
er niet het waarachtig Lichaam van Christus is. Het Lichaam van Christus houdt immers
in dit Sacrament op, wanneer de sacramentale gedaanten ophouden, zoals gezegd is (6e
Artikel). Welnu, wanneer vlees of een kind verschijnt, houden de sacramentale gedaanten
op. Dus is er dan niet het waarachtig Lichaam van Christus.
Praeterea, ubicumque est corpus Christi, vel est ibi sub specie propria, vel sub specie
sacramenti. Sed quando tales apparitiones fiunt, manifestum est quod non est ibi Christus
sub specie propria, quia in hoc sacramento totus Christus continetur, qui permanet
integer in forma qua ascendit in caelum; cum tamen id quod miraculose apparet in hoc
sacramento, quandoque videatur ut quaedam parva caro, quandoque autem ut parvus puer.
Manifestum est etiam quod non est ibi sub specie sacramenti, quae est species panis
vel vini. Ergo videtur quod corpus Christi nullo modo sit ibi. (IIIa q. 76 a. 8 arg. 2)
2 — Telkens als het Lichaam van Christus ergens is, is het er ofwel in eigen gedaante
ofwel onder de gedaante van het Sacrament. Wanneer nu dergelijke verschijningen plaats
hebben, is het duidelijk, dat Christus daar niet is in eigen gedaante: in dit Sacrament
toch wordt de hele Christus vervat, die ongeschonden blijft in de vorm, waarin Hij
ten hemel is gestegen, terwijl datgene wat op wonderbare wijze in dit Sacrament verschijnt
nu eens als een weinig vlees, dan weer als een klein kind gezien wordt. Het is ook
duidelijk, dat Hij er niet is onder de gedaante van het Sacrament, welke de gedaante
is van brood en wijn. Dus schijnt het Lichaam van Christus er volstrekt niet te zijn.
Praeterea, corpus Christi incipit esse in hoc sacramento per consecrationem et conversionem,
ut supra dictum est. Sed caro aut sanguis miraculose apparens non sunt consecrata,
nec conversa in verum corpus et sanguinem Christi. Non ergo sub his speciebus est
corpus vel sanguis Christi. (IIIa q. 76 a. 8 arg. 3)
3 — Het Lichaam van Christus begint in dit Sacrament tegenwoordig te zijn door de consecratie
en de verandering, zoals boven gezegd is (1° Art.; 75° Kw. 2° Art. vv.). Het op wonderbare
wijze verschijnende vlees of bloed is evenwel niet geconsacreerd noch veranderd in
het waarachtig Lichaam en Bloed van Christus. Dus is het Lichaam of Bloed van Christus
niet onder deze gedaanten.
Sed contra est quod, tali apparitione facta, eadem reverentia exhibetur ei quod apparet,
quae et prius exhibebatur. Quod quidem non fieret si non vere esset ibi Christus,
cui reverentiam latriae exhibemus. Ergo, etiam tali apparitione facta, Christus est
sub hoc sacramento. (IIIa q. 76 a. 8 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat na zo'n verschijning dezelfde eerbied aan het verschenen
wordt bewezen, als eerst werd bewezen. Dit echter zou niet gebeuren, indien Christus,
aan wie wij goddelijke eer bewijzen, daar niet in waarheid was. Dus is Christus in
dit Sacrament ook na zo'n verschijning.
Respondeo dicendum quod dupliciter contingit talis apparitio, qua quandoque in hoc
sacramento miraculose videtur caro aut sanguis, aut etiam aliquis puer. Quandoque
enim hoc contingit ex parte videntium, quorum oculi immutantur tali immutatione ac
si expresse viderent exterius carnem aut sanguinem vel puerum, nulla tamen immutatione
facta ex parte sacramenti. Et hoc quidem videtur contingere quando uni videtur sub
specie carnis vel pueri, aliis tamen videtur, sicut et prius, sub specie panis; vel
quando eidem ad horam videtur sub specie carnis vel pueri, et postmodum sub specie
panis. Nec tamen hoc pertinet ad aliquam deceptionem, sicut accidit in magorum praestigiis,
quia talis species divinitus formatur in oculo ad aliquam veritatem figurandam, ad
hoc scilicet quod manifestetur vere corpus Christi esse sub hoc sacramento; sicut
etiam Christus absque deceptione apparuit discipulis euntibus in Emmaus. Dicit enim
Augustinus, in libro de quaestionibus Evangelii, quod, cum fictio nostra refertur
ad aliquam significationem, non est mendacium, sed aliqua figura veritatis. Et quia
per hunc modum nulla immutatio fit ex parte sacramenti, manifestum est quod non desinit
esse Christus sub hoc sacramento, tali apparitione facta. Quandoque vero contingit
talis apparitio non per solam immutationem videntium, sed specie quae videtur realiter
exterius existente. Et hoc quidem videtur esse quando sub tali specie ab omnibus videtur;
et non ad horam, sed per longum tempus ita permanet. Et in hoc casu quidam dicunt
quod est propria species corporis Christi. Nec obstat quod quandoque non videtur ibi
totus Christus, sed aliqua pars carnis; vel etiam videtur non in specie iuvenili,
sed in effigie puerili, quia in potestate est corporis gloriosi, ut infra dicetur,
quod videatur ab oculo non glorificato vel secundum totum vel secundum partem, et
in effigie vel propria vel aliena, ut infra dicetur. Sed hoc videtur esse inconveniens.
Primo quidem, quia corpus Christi non potest in propria specie videri nisi in uno
loco, in quo definitive continetur. Unde, cum videatur in propria specie et adoretur
in caelo, sub propria specie non videtur in hoc sacramento. Secundo, quia corpus gloriosum,
quod apparet ut vult, post apparitionem cum voluerit disparet, sicut dicitur, Luc.
ult., quod dominus ab oculis discipulorum evanuit. Hoc autem quod sub specie carnis
in hoc sacramento apparet, diu permanet, quinimmo quandoque legitur esse inclusum,
et multorum episcoporum consilio in pixide reservatum; quod nefas est de Christo sentire
secundum propriam speciem. Et ideo dicendum quod, manentibus dimensionibus quae prius
fuerunt, fit miraculose quaedam immutatio circa alia accidentia, puta figuram et colorem
et alia huiusmodi, ut videatur caro vel sanguis, aut etiam puer. Et, sicut prius dictum
est, hoc non est deceptio, quia fit in figuram cuiusdam veritatis, scilicet ad ostendendum
per hanc miraculosam apparitionem quod in hoc sacramento est vere corpus Christi et
sanguis. Et sic patet quod, remanentibus dimensionibus, quae sunt fundamenta aliorum
accidentium, ut infra dicetur, remanet vere corpus Christi in hoc sacramento. (IIIa q. 76 a. 8 co.)
Op twee manieren gebeurt een dergelijke verschijning, waardoor soms in dit Sacrament
op wonderbare wijze vlees of bloed of ook een kind wordt gezien. Soms toch gebeurt
dan iets bij de toeschouwers, wier ogen zo veranderd worden, als zagen zij in de buitenwereld
duidelijk bloed of een kind, hoewel er helemaal geen verandering plaats heeft in het
Sacrament. En dat schijnt het geval te zijn, wanneer de een het ziet onder de gedaante
van vlees of van een kind, terwijl de anderen het zien onder de gedaante van brood
zoals eerst; of wanneer dezelfde persoon het een ogenblik onder de gedaante van vlees
of van een kind ziet en daarna onder de gedaante van brood. Dit heeft niets uit te
staan met bedrog, zoals optreedt bij de kunsten van tovenaars: zulk een beeld immers
wordt van Godswege in het oog gevormd om een waarheid uit te beelden, opdat namelijk
moge blijken, dat het waarachtig Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig
is, zoals Christus ook zonder bedrog aan de leerlingen, die naar Emmaus gingen, is
verschenen. Want Augustinus zegt, dat «wanneer ons veinzen op een of andere betekenis
doelt, het geen leugen is maar een beeld van de waarheid». En omdat op deze wijze
geen enkele verandering plaats grijpt aan de kant van het Sacrament, is het duidelijk,
dat na zo'n verschijning Christus niet ophoudt in dit Sacrament tegenwoordig te zijn.
Soms echter gebeurt zo'n verschijning, niet eenvoudig door een verandering in de toeschouwers,
maar zo dat de gedaante, welke gezien wordt, werkelijk in de buitenwereld bestaat.
En dit schijnt het geval te zijn, wanneer zij onder die gedaante door allen wordt
gezien en niet een ogenblik maar lange tijd zo voortduurt. En in dit geval zeggen
sommigen, dat het de eigen gedaante van het Lichaam van Christus is. Het geeft geen
moeilijkheid, dat er soms niet de hele Christus wordt gezien, maar een stuk van Zijn
Vlees of dat Hij niet in de gedaante van een jonge man maar in het uiterlijk van een
kind wordt gezien: het is immers in de macht van een verheerlijkt lichaam, zoals later
gezegd zal worden (Suppl. 85° Kw. 2° Art. 3° Antw.; 3° Art.), om door een niet verheerlijkt
oog ofwel in zijn geheel ofwel naar een deel en in zijn eigen of in een vreemde gedaante
gezien te worden. Maar dit is niet aannemelijk. Vooreerst omdat het Lichaam van Christus
in eigen gedaante alleen maar in één plaats gezien kan worden, waar het op uitsluitende
wijze is vervat. Daar het derhalve in eigen gedaante gezien en aanbeden wordt in de
hemel, wordt het niet in eigen gedaante in dit Sacrament gezien. — Ten tweede omdat
een verheerlijkt lichaam, dat verschijnt naar willekeur, na de verschijning naar willekeur
verdwijnt: zoals gezegd wordt in Lucas (24. 31), dat de Heer « uit de ogen der leerlingen
verdween ». Wat echter in dit Sacrament onder de gedaante van Vlees verschijnt, blijft
lange tijd, ja men leest soms, dat het is opgesloten en volgens de uitspraak van een
groot aantal bisschoppen in de pixis is bewaard, en het zou schandelijk zijn dit te
denken van Christus in eigen gedaante. Daarom moet men zeggen, dat met voortduring
van de eerst aanwezige afmetingen er op wonderbare wijze een verandering plaats heeft
in de andere bijkomstigheden b.v. in de uiterlijke vorm en in de kleur e. d., zo dat
vlees of bloed of ook een kind gezien wordt. En evenals boven gezegd is, is dit geen
bedrog: want het gebeurt « tot uitbeelding van een waarheid » om namelijk door deze
wonderbare verschijning aan te tonen, dat in dit Sacrament het waarachtig Lichaam
en Bloed van Christus is. En zo blijkt dat, aangezien de afmetingen, die de ondergrond
van de andere bijkomstigheden zijn, zoals later zal worden gezegd (77° Kw. 2° Art.),
blijven, ook het waarachtig Lichaam van Christus in dit Sacrament blijft.
Ad primum ergo dicendum quod, facta tali apparitione, species sacramentales quandoque
quidem totaliter manent in seipsis, quandoque autem secundum illud quod est principale
in eis, ut dictum est. (IIIa q. 76 a. 8 ad 1)
1 — Na zo'n verschijning blijven soms de sacramentale gedaanten helemaal gelijk, soms
blijven zij gelijk naar wat het voornaamste in haar is, zoals gezegd is (in de Leerst.).
Ad secundum dicendum quod in huiusmodi apparitionibus, sicut dictum est, non videtur
propria species Christi, sed species miraculose formata vel in oculis intuentium,
vel etiam in ipsis sacramentalibus dimensionibus, ut dictum est. (IIIa q. 76 a. 8 ad 2)
2 — Zoals gezegd is (t.a.p.), wordt bij dergelijke verschijningen de eigen gedaante van
Christus niet gezien, maar veeleer een op wonderbare wijze in de ogen der toeschouwers
of in de sacramentale gedaanten zelf gevormd beeld, zoals gezegd is (t.a.p.).
Ad tertium dicendum quod dimensiones panis et vini consecrati manent, immutatione
circa eas miraculose facta quantum ad alia accidentia, ut dictum est. (IIIa q. 76 a. 8 ad 3)
3 — De afmetingen van het geconsecreerde brood en de geconsecreerde wijn blijven, terwijl
er ter harer opzichte op wonderbare wijze een verandering plaats heeft wat de andere
bijkomstigheden betreft, zoals gezegd is (t.a.p.).