Tertia Pars. Quaestio 54. Over de hoedanigheid van de verrijzende Christus .
Prooemium
Deinde considerandum est de qualitate Christi resurgentis. Et circa hoc quaeruntur
quatuor. Primo, utrum post resurrectionem Christus habuerit verum corpus. Secundo,
utrum resurrexit cum corporis integritate. Tertio, utrum corpus eius fuerit gloriosum.
Quarto, de eius cicatricibus in corpore apparentibus. (IIIa q. 54 pr.)
Vervolgens moeten wij handelen over de hoedanigheid van de verrijzende Christus, en
hieromtrent stellen wij vier vragen: 1. Bezat Christus na zijn verrijzenis een echt
lichaam? 2. Verrees Hij in lichamelijke ongeschondenheid? 3. Was zijn lichaam glorievol?
4. Over de wonden, die zich in zijn lichaam vertoonden.
Articulus 1. Bezat Christus na zijn verrijzenis een echt lichaam?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod Christus post resurrectionem non habuerit verum
corpus. Verum enim corpus non potest simul esse cum alio corpore in eodem loco. Sed
corpus Christi post resurrectionem fuit simul cum alio corpore in eodem loco, intravit
enim ad discipulos ianuis clausis, ut dicitur Ioan. XX. Ergo videtur quod Christus
post resurrectionem non habuerit verum corpus. (IIIa q. 54 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat Christus na zijn verrijzenis geen echt lichaam bezat. Een echt lichaam
kan niet met een ander lichaam tegelijk in dezelfde plaats zijn. Maar het lichaam
van Christus was na de verrijzenis tegelijk met een ander lichaam in dezelfde plaats;
Hij trad immers bij zijn leerlingen binnen « terwijl de deuren gesloten waren, » zoals
gezegd wordt bij Joannes (20. 26). Dus had Christus na zijn verrijzenis geen echt
lichaam.
Praeterea, verum corpus non evanescit ab aspectu intuentium, nisi forte corrumpatur.
Sed corpus Christi evanuit ab oculis discipulorum eum intuentium, ut dicitur Luc.
ult. Ergo videtur quod Christus post resurrectionem non habuerit verum corpus. (IIIa q. 54 a. 1 arg. 2)
2 — Een echt lichaam verdwijnt niet uit het gezicht der toeschouwers, tenzij het misschien
bederft. Maar het lichaam van Christus « verdween uit de ogen, » der leerlingen, die
Hem aanzagen, zoals gezegd wordt bij Lucas (24. 31). Dus had Christus na zijn verrijzenis
geen echt lichaam.
Praeterea, cuiuslibet veri corporis est determinata figura. Sed corpus Christi apparuit
discipulis in alia effigie, ut patet Marci ult. Ergo videtur quod Christus post resurrectionem
non habuerit verum corpus humanum. (IIIa q. 54 a. 1 arg. 3)
3 — Elk echt lichaam heeft een bepaalde figuur. Het lichaam van Christus verscheen echter
aan de leerlingen « in een andere gedaante, » zoals blijkt bij Marcus (16. 12). Dus
bezat Christus na zijn verrijzenis geen echt menselijk lichaam.
Sed contra est quod dicitur Luc. ult., quod Christo discipulis apparente, conturbati
et conterriti, existimabant se spiritum videre, scilicet ac si non haberet verum corpus,
sed phantasticum. Ad quod removendum, ipse postea subdit, palpate et videte, quia
spiritus carnem et ossa non habet, sicut me videtis habere. Non ergo habuit corpus
phantasticum, sed verum. (IIIa q. 54 a. 1 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt bij Lucas (24. 37) dat, terwijl Christus
aan de leerlingen verscheen « zij verward en verschrikt waren en meenden een geest
te zien, » als had Hij geen echt, maar een schijnlichaam. En om dit tegen te gaan
laat Hij zelf erop volgen (v. 39) : « Voel en zie; want een geest heeft geen vlees
en beenderen zoals gij ziet, dat Ik heb. » Dus had Hij geen schijn-, maar een echt
lichaam.
Respondeo dicendum quod, sicut Damascenus dicit, in IV libro, illud resurgere dicitur
quod cecidit. Corpus autem Christi per mortem cecidit, inquantum scilicet fuit ab
eo anima separata, quae erat eius formalis perfectio. Unde oportuit, ad hoc quod esset
vera Christi resurrectio, ut idem corpus Christi iterato eidem animae uniretur. Et
quia veritas naturae corporis est ex forma, consequens est quod corpus Christi post
resurrectionem et verum corpus fuerit, et eiusdem naturae cuius fuerat prius. Si autem
eius corpus fuisset phantasticum, non fuisset vera resurrectio, sed apparens. (IIIa q. 54 a. 1 co.)
Zoals Damascenus opmerkt, « spreekt men van opstaan bij iets, wat gevallen is. » Het
lichaam van Christus nu viel door de dood, in zover namelijk de ziel daarvan werd
afgescheiden, die zijn vormelijke perfectie was. En daarom was het voor een ware verrijzenis
van Christus nodig, dat hetzelfde lichaam van Christus wederom met dezelfde ziel verenigd
werd. En aangezien de echtheid van de natuur van een lichaam voortkomt uit de vorm,
daarom was bijgevolg na de verrijzenis het lichaam van Christus een echt lichaam en
van dezelfde natuur als het eerst was. Als zijn lichaam echter iets fantastisch was
geweest, dan zou het ook geen echte, maar een schijnverrijzenis geweest zijn.
Ad primum ergo dicendum quod corpus Christi post resurrectionem, non ex miraculo,
sed ex conditione gloriae, sicut quidam dicunt, clausis ianuis ad discipulos introivit,
simul cum alio corpore in eodem loco existens. Sed utrum hoc facere possit corpus
gloriosum ex aliqua proprietate sibi indita, ut simul cum alio corpore in eodem loco
existat, inferius discutietur, ubi agetur de resurrectione communi. Nunc autem, quantum
ad propositum sufficit, dicendum est quod non ex natura corporis, sed potius ex virtute
divinitatis unitae, illud corpus ad discipulos, licet verum esset, ianuis clausis
introivit. Unde Augustinus dicit, in quodam sermone paschali, quod quidam sic disputant,
si corpus erat, si hoc surrexit de sepulcro quod pependit in ligno, quomodo per ostia
clausa intrare potuit? Et respondet, si comprehendis modum, non est miraculum. Ubi
deficit ratio, ibi est fidei aedificatio. Et super Ioan., dicit, moli corporis ubi
divinitas erat, ostia clausa non obstiterunt, ille quippe non eis apertis intrare
potuit, quo nascente virginitas matris inviolata permansit. Et idem dicit Gregorius,
in quadam homilia de octava Paschae. (IIIa q. 54 a. 1 ad 1)
1 — Zoals sommigen zeggen trad het lichaam van Christus na de verrijzenis niet door een
mirakel, maar krachtens de toestand, die voortkomt uit de glorie, bij de leerlingen
binnen, terwijl de deuren gesloten waren, zodat het tegelijk met een ander lichaam
op dezelfde plaats was. Maar of het voor een verheerlijk lichaam krachtens een eigenschap,
die het ontvangen heeft, mogelijk is tegelijk met een ander lichaam zich op dezelfde
plaats te bevinden, dat zal later besproken worden (Suppl. 83e Kw. 2e Art.), waar
het gaat over de algemene verrijzenis. Voor onze opzet is het op het ogenblik echter
voldoende te zeggen, dat dit lichaam niet krachtens de lichamelijke natuur, maar veeleer
uit kracht van de Godheid, die er mee verenigd was, ondanks de gesloten deuren bij
de leerlingen binnentrad, ofschoon het een echt lichaam was. Daarom zegt Augustinus,
dat sommigen aldus opwerpen: « Indien het een lichaam was, indien dat wat aan het
kruis hing, uit het graf verrees, hoe kon het dan door de gesloten deuren binnentreden?
» En hij antwoordt: « Als gij de wijze, waarop het gebeurde, zoudt begrijpen, dan
is het geen mirakel; waar het verstand te kort schiet, daar groeit het geloof. » En
elders zegt hij: « Waar de Godheid aanwezig was, vormden de gesloten deuren geen hindernis
voor de massa van het lichaam; zonder dat zij geopend werden, kon Hij binnentreden,
die bij zijn geboorte de maagdelijkheid der moeder ongeschonden liet. » Hetzelfde
zegt ook Gregorius.
Ad secundum dicendum quod, sicut dictum est, Christus resurrexit ad immortalem gloriae
vitam. Haec est autem dispositio corporis gloriosi, ut sit spirituale, idest subiectum
spiritui, ut apostolus dicit, I Cor. XV. Ad hoc autem quod sit omnino corpus subiectum
spiritui, requiritur quod omnis actio corporis subdatur spiritus voluntati. Quod autem
aliquid videatur, fit per actionem visibilis in visum, ut patet per philosophum, in
II de anima. Et ideo quicumque habet corpus glorificatum, in potestate sua habet videri
quando vult, et, quando non vult, non videri. Hoc tamen Christus habuit non solum
ex conditione corporis gloriosi, sed etiam ex virtute divinitatis, per quam fieri
potest ut etiam corpora non gloriosa miraculose non videantur; sicut praestitum fuit
miraculose beato Bartholomaeo, ut, si vellet, videretur, non autem videretur si non
vellet. Dicitur ergo quod Christus ab oculis discipulorum evanuit, non quia corrumperetur
aut resolveretur in aliqua invisibilia, sed quia sua voluntate desiit ab eis videri,
vel eo praesente, vel etiam eo abscedente per dotem agilitatis. (IIIa q. 54 a. 1 ad 2)
2 — Zoals gezegd is (in de vorige Kw. 3e Art.), verrees Christus tot het onsterfelijke
leven der glorie. De gesteltenis van een verheerlijk lichaam is echter deze, dat het
« geestelijk » is, d. i. onderworpen aan de geest, zoals de Apostel zegt in de Eerste
Brief aan de Corinthiërs (15. 44). Voor het volledig onderworpen zijn van een lichaam
aan de geest wordt echter vereist, dat elke daad van het lichaam onderworpen is aan
de wil van de geest. Wanneer nu iets gezien wordt, dan geschiedt dit door een inwerking
van het zichtbare op het gezichtsvermogen, zoals blijkt bij de Wijsgeer in De Anima.
Bijgevolg heeft hij, die een verheerlijk lichaam bezit, het in zijn macht, om gezien
te worden, wanneer hij het wil, en om niet gezien te worden, wanneer hij het niet
wil. Dit nu bezat Christus niet alleen krachtens de gesteltenis van zijn verheerlijk
lichaam, maar ook uit kracht der Godheid, die bewerken kan, dat ook niet verheerlijkte
lichamen op mirakeleuze wijze niet gezien worden; zoals het op mirakeleuze wijze aan
de H. Bartholomeus gegeven was, om zichtbaar te zijn, wanneer hij dat wilde, en niet
gezien te worden, als hij het niet wilde. Van Christus wordt derhalve gezegd, dat
Hij uit de oogen der leerlingen verdween, niet doordat Hij tot bederf overging of
in iets onzichtbaars werd opgelost, maar doordat Hij door toedoen van zijn eigen wil
niet meer door hen gezien werd, hetzij Hij dan daar tegenwoordig bleef, hetzij Hij
snel vandaar wegging krachtens de gave der snelle bewegelijkheid.
Ad tertium dicendum quod, sicut Severianus dicit in sermone paschali, nemo putet Christum
sua resurrectione sui vultus effigiem commutasse. Quod est intelligendum quantum ad
lineamenta membrorum, quia nihil inordinatum et deforme fuerat in corpore Christi,
per spiritum sanctum concepto, quod in resurrectione corrigendum esset. Accepit tamen
in resurrectione gloriam claritatis. Unde idem subdit, sed mutatur effigies dum efficitur
ex mortali immortalis, ut hoc sit acquisivisse vultus gloriam, non vultus substantiam
perdidisse. Nec tamen illis discipulis in specie gloriosa apparuit, sed, sicut in
potestate eius erat ut corpus suum videretur vel non videretur, ita in potestate eius
erat ut ex eius aspectu formaretur in oculis intuentium vel forma gloriosa, vel non
gloriosa, aut etiam commixta, vel qualitercumque se habens. Modica tamen differentia
sufficit ad hoc quod aliquis videatur in aliena effigie apparere. (IIIa q. 54 a. 1 ad 3)
3 — Severianus zegt: « Niemand houdt, dat Christus bij zijn verrijzenis het voorkomen
van zijn gelaat veranderd heeft. » Dit moet men echter verstaan van de lijn der ledematen;
aangezien aan het lichaam van Christus, dat ontvangen werd van de H. Geest, niets
onregelmatig of vervormd was, dat bij de verrijzenis zou moeten hersteld worden. Hij
ontving echter wel bij zijn verrijzenis de glorie der heerlijkheid. Daarom laat dezelfde
daarop volgen: « Maar zijn voorkomen veranderde, toen Hij van sterfelijk onsterfelijk
werd; en dit betekent dat Hij de glorie van het aanschijn er bij ontving, niet dat
Hij het wezen van het voorkomen verloor. » Bovendien verscheen Hij aan die leerlingen
niet in zijn glorieuze gedaante; maar evenals het in zijn macht lag om zijn lichaam
te laten zien of niet, zo had Hij het ook in zijn macht, of, wanneer men Hem zag,
in de ogen der toeschouwers een glorievol of niet glorievol beeld, of een gemengd
of welk beeld dan ook werd gevormd. Een klein verschil echter is voldoende, om de
schijn te wekken, dat iemand in een vreemde gedaante verschijnt.
Articulus 2. Is het lichaam van Christus ongeschonden verrezen?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod corpus Christi non resurrexerit gloriosum.
Corpora enim gloriosa sunt fulgentia, secundum illud Matth. XIII, fulgebunt iusti
sicut sol in regno patris eorum. Sed corpora fulgida videntur secundum rationem lucis,
non autem secundum rationem coloris. Cum ergo corpus Christi visum fuerit sub coloris
specie, sicut et prius videbatur, videtur quod non fuerit gloriosum. (IIIa q. 54 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het lichaam van Christus niet ongeschonden verrezen is. Tot de volkomenheid
van het menselijk lichaam behoort immers vlees en bloed. En deze schijnt Christus
niet te hebben gehad: wan de Eeerste Brief aan de Corinthiërs (15, 10) wordt gezegd:
« Vlees en bloed zullen het rijk Gods niet bezitten. » Christus nu verrees in de glorie
van het rijk Gods. Dus had Hij geen vlees en bloed.
Praeterea, corpus gloriosum est incorruptibile. Sed corpus Christi non videtur fuisse
incorruptibile. Fuit enim palpabile, sicut ipse dicit, Luc. ult., palpate et videte.
Dicit autem Gregorius, in quadam homilia, quod corrumpi necesse est quod palpatur,
et palpari non potest quod non corrumpitur. Non ergo corpus Christi fuit gloriosum. (IIIa q. 54 a. 2 arg. 2)
2 — Het bloed is een van de vier vochten. Als Christus dus bloed had, dan bezat Hij om
dezelfde reden ook de andere vochten, waardoor het bederf n de dierlijke lichamen
veroorzaakt wordt. Zo zou dus volgen, dat het lichaam van Christus bederfelijk was.
En dit is niet passend. Dus bezat Christus geen vlees en bloed.
Praeterea, corpus gloriosum non est animale, sed spirituale, ut patet I Cor. XV. Sed
corpus Christi videtur animale fuisse post resurrectionem, quia cum discipulis manducavit
et bibit, ut legitur Luc. ult., et Ioan. ult. Ergo videtur quod corpus Christi non
fuerit gloriosum. (IIIa q. 54 a. 2 arg. 3)
3 — Christus' lichaam, dat verrees, steeg op ten hemel. Iets van zijn bloed echter wordt
in sommige kerken als relikwie bewaard. Dus verrees het lichaam van Christus niet
volkomen met al zijn delen.
Sed contra est quod apostolus dicit, Philipp. III, reformabit corpus humilitatis nostrae,
configuratum corpori claritatis suae. (IIIa q. 54 a. 2 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat de Heer bij Lucas (24. 39) zegt, sprekende tot zijn
leerlingen na zijn verrijzenis: « Een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals gij
ziet, dat Ik heb. »
Respondeo dicendum quod corpus Christi in resurrectione fuit gloriosum. Et hoc apparet
triplici ratione. Primo quidem, quia resurrectio Christi fuit exemplar et causa nostrae
resurrectionis, ut habetur I Cor. XV. Sancti autem in resurrectione habebunt corpora
gloriosa, sicut dicitur ibidem, seminatur in ignobilitate, surget in gloria. Unde,
cum causa sit potior causato et exemplar exemplato, multo magis corpus Christi resurgentis
fuit gloriosum. Secundo, quia per humilitatem passionis meruit gloriam resurrectionis.
Unde et ipse dicebat, nunc anima mea turbata est, quod pertinet ad passionem, et postea
subdit, pater, clarifica nomen tuum, in quo petit gloriam resurrectionis. Tertio quia,
sicut supra habitum est, anima Christi a principio suae conceptionis fuit gloriosa
per fruitionem divinitatis perfectam. Est autem dispensative factum, sicut supra dictum
est, ut ab anima gloria non redundaret in corpus, ad hoc quod mysterium nostrae redemptionis
sua passione impleret. Et ideo, peracto hoc mysterio passionis et mortis Christi,
anima Christi statim in corpus, in resurrectione resumptum, suam gloriam derivavit.
Et ita factum est corpus illud gloriosum. (IIIa q. 54 a. 2 co.)
Ad primum ergo dicendum quod omne quod recipitur in aliquo, recipitur in eo secundum
modum recipientis. Quia igitur gloria corporis derivatur ab anima, ut Augustinus dicit
in epistola ad Dioscorum, fulgor seu claritas corporis gloriosi est secundum colorem
humano corpori naturalem, sicut vitrum diversimode coloratum recipit splendorem ex
illustratione solis secundum modum sui coloris. Sicut autem in potestate hominis glorificati
est ut corpus eius videatur vel non videatur, sicut dictum est; ita in potestate eius
est quod claritas eius videatur vel non videatur. Unde potest in suo colore sine aliqua
claritate videri. Et hoc modo Christus discipulis post resurrectionem suam apparuit. (IIIa q. 54 a. 2 ad 1)
1 — « Vlees en bloed » wordt daar niet verstaan van de natuur van vlees en bloed, maar
of van de schuld van vlees en bloed, zoals Gregorius zegt, of van het bederf van vlees
en bloed: aangezien « er daar, » zoals Augustinus zegt, « geen bederf en sterfelijkheid
van vlees en bloed meer zal zijn. » Het vlees als zelfstandigheid opgevat, bezit dus
wel het rijk Gods, zoals gezegd is (vgl. het Tegenargument): « 'n Geest heeft geen
vlees en beenderen, zoals gij ziet, dat ik heb. » Het vlees echter genomen voor bederf,
zal het niet bezitten. Vandaar wordt onmiddellijk in de woorden van de Apostel toegevoegd:
« Noch het bederf de onbederfelijkheid. »
Ad secundum dicendum quod corpus aliquod dicitur esse palpabile, non solum ratione
resistentiae, sed ratione spissitudinis suae. Ad rarum autem et spissum sequuntur
grave et leve, calidum et frigidum, et alia huiusmodi contraria, quae sunt principia
corruptionis corporum elementarium. Unde corpus quod est palpabile humano tactu, est
naturaliter corruptibile. Si autem sit aliquod corpus resistens tactui quod non sit
dispositum secundum praedictas qualitates, quae sunt propria obiecta tactus humani,
sicut est corpus caeleste, tale corpus non potest dici palpabile. Corpus autem Christi
vere post resurrectionem fuit ex elementis compositum, habens in se tangibiles qualitates,
secundum quod requirit natura corporis humani, et ideo naturaliter erat palpabile.
Et si nihil aliud habuisset supra corporis humani naturam, fuisset etiam corruptibile.
Habuit autem aliquid aliud quod ipsum incorruptibile reddidit, non quidem naturam
caelestis corporis, ut quidam dicunt, de quo infra magis inquiretur; sed gloriam redundantem
ab anima beata; quia, ut Augustinus dicit, ad Dioscorum, tam potenti natura Deus fecit
animam ut ex eius plenissima beatitudine redundet in corpus plenitudo sanitatis, idest
incorruptionis vigor. Et ideo, sicut dicit Gregorius, ibidem, ostenditur corpus Christi
post resurrectionem fuisse eiusdem naturae, sed alterius gloriae. (IIIa q. 54 a. 2 ad 2)
2 — Augustinus zegt: « Misschien zal naar aanleiding van het bloed een vrij lastige onderzoeker
ons in het nauw brengen en zeggen: Als in het lichaam » van de verrijzende Christus
« bloed was, waarom dan geen slijm, » d. i. flegma, « waarom ook geen gele gal, »
d. i. cholera, « en zwarte gal, » d. i. melancholie, « door welke vier vochten de
natuur van het vlees beheerst wordt, zoals ook de medicijnleer getuigt? Maar wat iemand
er ook aan moge toevoegen, hij wachtte zich wel er bederf bij te doen, om niet de
gezondheid en reinheid van zijn geloof te bederven. De goddelijke kracht kan immers
van die zichtbare en tastbare lichamelijke natuur, met instandhouding van sommige
kwaliteiten, andere wegnemen welke zij wil verwijderen, opdat de ineenstorting » nl.
van het bederf, « zou uitblijven, en toch het voorkomen aanwezig zou zijn; de beweging
er zou zijn, maar de vermoeienis ontbreken; het vermogen om te eten aanwezig zou zijn;
en toch niet de noodzakelijkheid om honger te voelen. »
Ad tertium dicendum quod, sicut Augustinus dicit, XIII de Civ. Dei, salvator noster,
post resurrectionem, iam quidem in spirituali carne, sed tamen vera, cibum ac potum
cum discipulis sumpsit, non alimentorum indigentia, sed ea qua hoc poterat potestate.
Ut enim Beda dicit, super Luc., aliter absorbet aquam terra sitiens, aliter solis
radius calens, illa indigentia, iste potentia. Manducavit ergo post resurrectionem,
non quasi cibo indigens, sed ut eo modo naturam corporis resurgentis adstrueret. Et
propter hoc, non sequitur quod fuerit eius corpus animale, quod est indigens cibo. (IIIa q. 54 a. 2 ad 3)
3 — Al het bloed, dat uit het lichaam van Christus vloeide, verrees in het lichaam van
Christus, daar het behoort tot de waarachtige menselijke natuur. En datzelfde gaat
op van alle deeltjes, die door een echte en ongeschonden menselijke natuur worden
geëist. Het bloed echter, dat in sommige kerken als relikwieën bewaard wordt, vloeide
niet uit de zijde van Christus, maar daarvan zegt men, dat het op wonderbare wijze
vloeide uit een stukgeslagen beeld van Christus.
Articulus 3. Is het lichaam van Christus glorierijk verrezen?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod corpus Christi non resurrexerit integrum.
Sunt enim de integritate humani corporis caro et sanguis. Quae Christus non videtur
habuisse, dicitur enim I Cor. XV, caro et sanguis regnum Dei non possidebunt. Christus
autem resurrexit in gloria regni Dei. Ergo videtur quod non habuerit carnem et sanguinem. (IIIa q. 54 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het lichaam van Christus niet glorierijk verrezen is. Glorieuze lichamen
immers zijn vol schittering, volgens het woord van Mattheus (13. 43): « De rechtvaardigen
zullen schitteren als de zon, in het rijk van hun Vader. » De stralende lichamen echter
worden gezien als verlicht, echter niet als gekleurd. Daar nu het lichaam van Christus
werd gezien met een kleur-uiterlijk, zoals het eerst gezien werd, was het niet glorieus.
Praeterea, sanguis est unus de quatuor humoribus. Si ergo Christus habuit sanguinem,
pari ratione habuit alios humores, ex quibus causatur corruptio in corporibus animalium.
Sic ergo sequeretur quod corpus Christi fuerit corruptibile. Quod est inconveniens.
Non igitur habuit carnem et sanguinem. (IIIa q. 54 a. 3 arg. 2)
2 — Een verheerlijkt lichaam is onbederfelijk. Maar het lichaam van Christus schijnt niet
onbederfelijk geweest te zijn. Het was immers tastbaar, gelijk Hijzelf zegt bij Lucas
(24. 39): « Tast en ziet. » Gregorius echter zegt, dat « wat tastbaar is, noodzakelijk
bederft, en wat niet bederft, is niet tastbaar. » Dus was het lichaam van Christus
niet glorieus.
Praeterea, corpus Christi quod resurrexit, in caelum ascendit. Sed aliquid de sanguine
eius in quibusdam Ecclesiis reservatur pro reliquiis. Non ergo resurrexit Christi
corpus cum integritate omnium suarum partium. (IIIa q. 54 a. 3 arg. 3)
3 — Een verheerlijkt lichaam is niet dierlijk, maar geestelijk, zoals blijkt in de Eerste
Brief aan de Corinthiërs (15. 35 vlg.). Het lichaam van Christus echter was dierlijk
na de verrijzenis, daar Hij met de leerlingen at en dronk, zoals we lezen bij Lucas
(24. 41 vlg.) en Joannes (21. 9 vlg.). Dus was het lichaam van Christus niet glorievol.
Sed contra est quod dominus dicit, Luc. ult., post resurrectionem discipulis loquens,
spiritus carnem et ossa non habet, sicut me videtis habere. (IIIa q. 54 a. 3 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat de Apostel in de Brief aan de Philippenzen (3. 21)
zegt: « Hij zal ons vernederd lichaam herscheppen, gelijkvormig aan zijn verheerlijk
lichaam. »
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, corpus Christi in resurrectione fuit
eiusdem naturae, sed alterius gloriae. Unde quidquid ad naturam corporis humani pertinet,
totum fuit in corpore Christi resurgentis. Manifestum est autem quod ad naturam corporis
humani pertinent carnes et ossa et sanguis, et alia huiusmodi. Et ideo omnia ista
in corpore Christi resurgentis fuerunt. Et etiam integraliter, absque omni diminutione,
alioquin non fuisset perfecta resurrectio, si non fuisset redintegratum quidquid per
mortem ceciderat. Unde et dominus fidelibus suis promittit dicens, Matth. X, vestri
autem et capilli capitis omnes numerati sunt. Et Luc. XXI dicitur, capillus de capite
vestro non peribit. Dicere autem quod corpus Christi carnem et ossa non habuerit,
et alias huiusmodi partes humano corpori naturales, pertinet ad errorem Eutychii,
Constantinopolitanae urbis episcopi, qui dicebat quod corpus nostrum in illa resurrectionis
gloria erit impalpabile, et ventis aereque subtilius; et quod dominus, post confirmata
corda discipulorum palpantium, omne illud quod in eo palpari potuit, in subtilitatem
aliquam redegit. Quod ibidem improbat Gregorius, quia corpus Christi post resurrectionem
immutatum non fuit, secundum illud Rom. VI, Christus resurgens ex mortuis iam non
moritur. Unde et ille quae dixerat, in morte retractavit. Si enim inconveniens est
ut Christus alterius naturae corpus in sua conceptione acciperet, puta caeleste, sicut
Valentinus asseruit; multo magis inconveniens est quod in resurrectione alterius naturae
corpus reassumpserit, quia corpus in resurrectione resumpsit ad vitam immortalem,
quod in conceptione acceperat ad vitam mortalem. (IIIa q. 54 a. 3 co.)
Het lichaam van Christus was bij zijn verrijzenis glorievol. En dit blijkt uit een
drievoudige redenering. — Vooreerst, omdat de verrijzenis van Christus het voorbeeld
en de oorzaak van onze verrijzenis was, zoals gezegd wordt in de Eerste Brief aan
de Corinthiërs (15. 12 vlg.). De heiligen nu zullen bij de verrijzenis verheerlijkte
lichamen dragen, zoals daar gezegd wordt (v. 43): « Het wordt gezaaid in oneer, het
verrijst in heerlijkheid. » En omdat nu de oorzaak sterker is dan het veroorzaakte,
en het voorbeeld sterker dan het afgebeelde, was nog veel meer Christus’ lichaam vol
heerlijkheid. — Ten tweede, omdat Hij door de vernedering van zijn lijden de glorie
der verrijzenis verdiend heeft. Daarom zegt Hij ook zelf bij Johannes (12. 27): «
Nu is Mijn ziel in verwarring, » wat sloeg op zijn lijden; en vervolgens laat Hij
volgen (v. 28): « Vader, verheerlijk Uwen naam; » waarmede Hij vroeg om de glorie
der verrijzenis. — Ten derde, omdat, zoals boven gezegd is (34° Kw. 4° Art.) de ziel
van Christus van het begin zijner ontvangenis af glorievol was vanwege de volmaakte
Godsgenieting. Zoals echter boven gezegd is (14° Kw. 1° Art. 2° Antw.), was het zóó
beschikt, dat de heerlijkheid niet van de ziel op het lichaam overging, ten einde
het geheim onzer verlossing door zijn lijden te voltrekken. En daarom liet de ziel,
toen dit mysterie van het lijden en de dood van Christus voltrokken was, terstond
haar glorie doorstralen in het lichaam, dat zij bij de verrijzenis weer aannam. En
zo werd dat lichaam glorievol.
Ad primum ergo dicendum quod caro et sanguis ibi non accipitur pro natura carnis et
sanguinis, sed vel pro culpa carnis et sanguinis, sicut Gregorius dicit, in XIV Moral.;
vel pro corruptione carnis et sanguinis, quia, ut Augustinus dicit, ad Consentium,
de resurrectione carnis, non ibi erit corruptio et mortalitas carnis et sanguinis.
Caro ergo secundum substantiam possidet regnum Dei, secundum quod dictum est, spiritus
carnem et ossa non habet, sicut me videtis habere. Caro autem cum secundum corruptionem
intelligitur, non possidebit. Unde continuo additum est in verbis apostoli, neque
corruptio incorruptelam. (IIIa q. 54 a. 3 ad 1)
1 — Alles wat ergens in opgenomen wordt, wordt naar de aard van de opnemer opgenomen.
Aangezien nu de glorie van het lichaam voortvloeit uit de ziel, zoals Augustinus zegt,
is de schittering of klaarheid van het verheerlijkte lichaam in de trant van de kleur,
die het menselijk lichaam eigen is; zoals het venster, dat verschillend gekleurd is,
de schittering van de stralende zon opneemt naar de aard van zijn kleur. Gelijk de
verheerlijkte mens het echter in zijn macht heeft, dat zijn lichaam gezien of niet
gezien wordt, zoals gezegd is (1° Art. van deze Kw. 2° Antw.), zo heeft hij het ook
in zijn macht of zijn heerlijkheid gezien wordt of niet. Vandaar kan Hij in zijn kleur
zonder enige heerlijkheid gezien worden. En op die manier verscheen Christus na zijn
verrijzenis aan zijn leerlingen.
Ad secundum dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in eodem libro, fortassis, accepta
occasione sanguinis, urgebit nos molestior persecutor, et dicet, si sanguis in corpore
Christi resurgentis fuit, cur non et pituita, idest phlegma; cur non et fel flavum,
idest cholera, et fel nigrum, idest melancholia; quibus quatuor humoribus naturam
carnis temperari etiam medicinae disciplina testatur? Sed, quodlibet quisque addat,
corruptionem addere caveat, ne suae fidei sanitatem castitatemque corrumpat. Valet
enim divina potentia de ista visibili atque tractabili natura corporum, quibusdam
manentibus, auferre quas voluerit qualitates, ut absit labes, scilicet corruptionis,
adsit effigies; adsit motio, absit fatigatio; adsit vescendi potestas, absit esuriendi
necessitas. (IIIa q. 54 a. 3 ad 2)
2 — Een lichaam noemt men tastbaar niet alleen om zijn weerstand, maar ook om zijn vastheid.
Uit ijlheid en vastheid volgen zwaar en licht gewicht, warm en koud en andere dergelijke
tegenstellingen, die het beginsel zijn der corruptie der elementen. Vandaar is een
lichaam, dat tastbaar is voor een menselijke aanraking, van nature bederfelijk. Wanneer
echter een lichaam niet vatbaar is voor aanraking, doordat het niet met voornoemde
kwaliteiten is uitgerust, die het eigenlijke voorwerp zijn van menselijke aanraking,
zoals een hemels lichaam er een is, dan kan men niet zeggen, dat zo’n lichaam tastbaar
is. Het lichaam van Christus nu was waarlijk na de verrijzenis een samenstelling uit
elementen, en bezat in zich tastbare kwaliteiten, zoals dat de natuur van een menselijk
lichaam vereist, en dus was het natuurlijkerwijze tastbaar. En zo het niet iets anders
bezeten had, dat boven de menselijke natuur uitgaat, zou het ook bederfelijk geweest
zijn. Het bezat echter nog iets anders, dat het onbederfelijk maakte, wel niet de
natuur van een hemels lichaam, zoals sommigen zeggen, welk punt later breder onderzocht
zal worden (Zie 't Suppl. 82° Kw. 1° Art.); maar de glorie, welke voortvloeide uit
de gezaligde ziel; aangezien, zoals Augustinus zegt, « God de ziel zulk een sterke
natuur gaf, dat uit haar volledigste gelukzaligheid, de volledigste gezondheid in
het lichaam voortvloeide, d. i. de kracht der onbederfelijkheid. » En aldus « blijkt,
» zoals Gregorius zegt, « dat het lichaam van Christus na de verrijzenis van dezelfde
natuur was, maar van een hogere glorie. »
Ad tertium dicendum quod totus sanguis qui de corpore Christi fluxit, cum ad veritatem
humanae naturae pertineat, in Christi corpore resurrexit. Et eadem ratio est de omnibus
particulis ad veritatem et integritatem humanae naturae pertinentibus. Sanguis autem
ille qui in quibusdam Ecclesiis pro reliquiis observatur, non fluxit de latere Christi,
sed miraculose dicitur effluxisse de quadam imagine Christi percussa. (IIIa q. 54 a. 3 ad 3)
3 — Augustinus zegt: « Onze Zaligmaker gebruikt na zijn verrijzenis in zijn wel geestelijk,
maar toch waarachtig vlees, spijs en drank met zijn leerlingen, niet uit behoefte
aan voedsel, maar met die macht, waarmede Hij dit kon. » Want, zoals Beda zegt, «
slurpt de dorstige aarde het water anders op dan de warme zonnestraal; de eerste doet
dit uit behoeftigheid, de tweede uit kracht. » Hij at derhalve na zijn verrijzenis,
« niet alsof Hij spijs behoefde, maar om op die wijze de natuur van zijn verrijzend
lichaam duidelijk te tonen. » En daarom volgt daaruit niet, dat zijn lichaam een dierlijk
lichaam was, dat behoefte heeft aan spijs.
Articulus 4. Moest het lichaam van Christus met zijn wondetekenen verrijzen?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod corpus Christi cum cicatricibus resurgere
non debuerit. Dicitur enim I Cor. XV, quod mortui resurgent incorrupti. Sed cicatrices
et vulnera ad quandam corruptionem pertinent et defectum. Non ergo fuit conveniens
ut Christus, qui resurrectionis auctor est, cum cicatricibus resurgeret. (IIIa q. 54 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het lichaam van Christus niet met zijn wondetekenen verrijzen moest.
In de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 52) immers wordt gezegd, dat « de doden
verrijzen zullen in onbederfelijkheid. » Maar zowel de wondetekenen als de wonden
wijzen op een zeker bederf en gebrekkigheid. Het was derhalve niet passend, dat Christus,
die de bewerker van de verrijzenis is, verrees met de tekenen van de wonden.
Praeterea, corpus Christi integrum resurrexit, sicut dictum est. Sed aperturae vulnerum
contrariantur integritati corporis, quia per eas discontinuatur corpus. Non ergo videtur
fuisse conveniens quod in Christi corpore aperturae vulnerum remanerent, etsi remanerent
ibi quaedam vulnerum insignia, quae sufficiebant ad aspectum, ad quem Thomas credidit,
cui dictum est, quia vidisti me, Thoma, credidisti. (IIIa q. 54 a. 4 arg. 2)
2 — Het lichaam van Christus is ongeschonden verrezen, zoals gezegd werd (1° Art. van
deze Kw.). De openingen der wonden echter zijn in strijd met de ongeschondenheid van
het lichaam, wijl het lichaam daardoor wordt verscheurd. Het was derhalve niet passend,
dat in het lichaam van Christus de openingen der wonden nableven; ook al bleven er
enige tekenen der wonden, die voor het gezicht voldoende waren, op welk gezicht Thomas
geloofde, tot wien gezegd werd: « Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, hebt gij geloofd.
» (Joan. 20. 29).
Praeterea, Damascenus dicit, in IV libro, quod post resurrectionem de Christo dicuntur
quaedam vere quidem, non autem secundum naturam, sed secundum dispensationem, ad certificandum
quod ipsum quod passum est corpus resurrexit, ut cicatrices. Cessante autem causa,
cessat effectus. Ergo videtur quod, certificatis discipulis de sua resurrectione,
cicatrices ulterius non habuit. Sed non conveniebat immutabilitati gloriae quod aliquid
assumeret quod in eo perpetuo non remaneret. Videtur ergo quod non debuerit corpus
cum cicatricibus in resurrectione resumere. (IIIa q. 54 a. 4 arg. 3)
3 — Damascenus zegt, dat « na de verrijzenis sommige dingen naar waarheid van Christus
gezegd worden, die Hij niet van nature had, maar krachtens een beschikking, om aan
te tonen, dat hetzelfde lichaam, dat geleden had, ook verrees, zoals de wondetekenen.
» Wanneer de oorzaak echter wordt weggenomen, houdt ook het effect op. Dus schijnt
het, dat Hij na de leerlingen verzekerd te hebben aangaande zijn verrijzenis, verder
geen wondetekenen meer droeg. Maar het paste niet bij de onveranderlijkheid van zijn
glorie, dat Hij iets aannam, wat niet voor altijd bij Hem bleef. Dus moest Hij bij
zijn verrijzenis niet weer een lichaam aannemen met de tekenen der wonden.
Sed contra est quod dominus dicit Thomae, Ioan. XX, infer digitum tuum huc, et vide
manus meas, et affer manum tuam et mitte in latus meum. (IIIa q. 54 a. 4 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat de Heer bij Joannes (20. 27) tot Thomas zegt: « Leg
uw vinger hierin en zie Mijn handen, en kom met uw hand en leg ze in Mijn zijde, en
wees niet ongelovig, maar gelovig. »
Respondeo dicendum quod conveniens fuit animam Christi in resurrectione corpus cum
cicatricibus resumere. Primo quidem, propter gloriam ipsius Christi. Dicit enim Beda,
super Luc., quod non ex impotentia curandi cicatrices servavit, sed ut in perpetuum
victoriae suae circumferat triumphum. Unde et Augustinus dicit, in XXII de Civ. Dei,
quod fortassis in illo regno in corporibus martyrum videbimus vulnerum cicatrices
quae pro Christi nomine pertulerunt, non enim deformitas in eis, sed dignitas erit;
et quaedam, quamvis in corpore, non corporis, sed virtutis pulchritudo fulgebit. Secundo,
ad confirmandum corda discipulorum circa fidem suae resurrectionis. Tertio, ut patri,
pro nobis supplicans, quale genus mortis pro homine pertulerit, semper ostendat. Quarto,
ut sua morte redemptis quam misericorditer sint adiuti, propositis eiusdem mortis
indiciis, insinuet. Postremo, ut in iudicio quam iuste damnentur, ibidem annuntiet.
Unde, sicut Augustinus dicit, in libro de symbolo, sciebat Christus quare cicatrices
in suo corpore servaret. Sicut enim demonstravit Thomae non credenti nisi tangeret
et videret, ita etiam inimicis vulnera demonstraturus est sua, ut convincens eos veritas
dicat, ecce hominem quem crucifixistis. Videtis vulnera quae infixistis. Agnoscitis
latus quod pupugistis. Quoniam per vos, et propter vos apertum est, nec tamen intrare
voluistis. (IIIa q. 54 a. 4 co.)
Het was passend, dat de ziel van Christus bij de verrijzenis het lichaam met zijn
wondetekenen aannam. — Vooreerst om de glorie van Christus zelf. Want Beda zegt, dat
Hij de wondetekenen behield, niet uit onvermogen om ze te genezen, maar « om voor
altijd de triomf van zijn overwinning in zich rond te dragen. » Daarom ook zegt Augustinus,
dat « wij misschien in dat rijk in de lichamen der martelaren de tekenen der wonden
zullen zien, welke zij voor Christus' naam opliepen; dit zal immers geen misvorming
voor hen zijn, maar een eer; en er zal een schoonheid schitteren, die, hoewel in het
lichaam, toch niet van het lichaam, maar van de deugd is. » — Ten tweede, om de harten
der leerlingen te bevestigen in het geloof aangaande zijn verrijzenis. — Ten derde,
om wanneer Hij de Vader voor ons smeekt, altijd te tonen, wat voor dood Hij voor de
mens verduurde. — Ten vierde, om hen, die door zijn dood verlost zijn, te laten zien,
met wat een barmhartigheid zij geholpen zijn, door hen de tekenen van zijn dood voor
ogen te stellen. — Ten slotte, om bij het oordeel te laten zien, hoe rechtvaardig
er veroordeeld worden. Daarom, gelijk Augustinus zegt, « wist Christus, waarom Hij
de wondetekenen in zijn lichaam bewaarde. Want zoals Hij ze toonde aan Thomas, die
niet geloofde, tenzij hij ze aanraakte en zag, zo zal Hij zijn wonden ook tonen aan
zijn vijanden, zodat de Waarheid, die hen overwint, dan zegt: Ziedaar de mens, die
gij gekruisigd hebt. Gij ziet de wonden, die gij geslagen hebt. Gij aanschouwt de
zijde, die gij doorboord hebt. Want door u en om u is zij geopend; en toch hebt gij
niet willen binnentreden. »
Ad primum ergo dicendum quod cicatrices illae quae in corpore Christi permanserunt,
non pertinent ad corruptionem vel defectum, sed ad maiorem cumulum gloriae, inquantum
sunt quaedam virtutis insignia. Et in illis locis vulnerum quidam specialis decor
apparebit. (IIIa q. 54 a. 4 ad 1)
1 — Die wondetekenen, die in het lichaam van Christus bleven, hebben niets uit te staan
met bederf of gebreken, maar zij strekken tot grotere overmaat van glorie, in zoverre
zij tekenen zijn van deugd. En op die wondeplekken zal een bijzondere schoonheid stralen.
Ad secundum dicendum quod illa apertura vulnerum, quamvis sit cum quadam solutione
continuitatis, totum tamen hoc recompensatur per maiorem decorem gloriae, ut corpus
non sit minus integrum, sed magis perfectum. Thomas autem non solum vidit, sed etiam
vulnera tetigit, quia, ut dicit Leo Papa, suffecit sibi ad fidem propriam vidisse
quod viderat; sed nobis operatus est ut tangeret quem videbat. (IIIa q. 54 a. 4 ad 2)
2 — Hoewel de opening der wonden in een zekere verscheuring van het doorlopend geheel
bestaat, wordt dit toch geheel en al vergoed door de grotere schittering der glorie,
zodat het lichaam niet minder ongeschonden is, maar meer volmaakt. Thomas echter zag
niet alleen de wonden, maar raakte ze ook aan, daar « het voor hem voor zijn eigen
geloof voldoende was, te zien wat hij gezien heeft, maar om ons heeft hij het gedaan,
dat hij ook aanraakte, wat hij zag, » zoals paus Leo zegt.
Ad tertium dicendum quod Christus in suo corpore voluit cicatrices vulnerum remanere,
non solum ad certificandum discipulorum fidem, sed etiam propter alias rationes. Ex
quibus apparet quod semper in eius corpore cicatrices illae remanebunt. Quia, ut Augustinus
dicit, ad Consentium de resurrectione carnis, domini corpus in caelo esse credo ut
erat quando ascendit in caelum. Et Gregorius, XIV Moral., dicit quod, si quid in corpore
Christi post resurrectionem potuit immutari, contra veridicam Pauli sententiam, post
resurrectionem dominus rediit in mortem. Quod quis dicere vel stultus praesumat, nisi
qui veram carnis resurrectionem denegat? Unde patet quod cicatrices quas Christus
post resurrectionem in suo corpore ostendit, nunquam postmodum ab illo corpore sunt
remotae. (IIIa q. 54 a. 4 ad 3)
3 — Christus wilde, dat in zijn lichaam de tekenen der wonden bleven, niet alleen om het
geloof der leerlingen te bevestigen, maar ook om andere redenen. Hieruit blijkt, dat
die wondetekenen ook altijd in zijn lichaam zullen blijven, aangezien, zoals Augustinus
zegt « ik geloof, dat 't lichaam van de Heer in de Hemel is, zoals het was, toen Hij
ten hemel opsteeg. » En Gregorius zegt, dat « als iets in het lichaam van Christus
na de verrijzenis kon veranderen, dan is, tegen de waarachtige leer van Paulus in,
de Heer na zijn verrijzenis in de dood weergekeerd. En wie zou dit durven zeggen,
tenzij de dwaas, die de ware verrijzenis des vleses ontkent? » En daaruit blijkt,
dat de wondetekenen, die Christus na zijn verrijzenis in zijn lichaam vertoonde, later
nooit uit dat lichaam zijn weggenomen.