Deinde considerandum est de singulis sacramentis in speciali. Et primo, de Baptismo;
secundo, de confirmatione; tertio, de Eucharistia; quarto, de poenitentia; quinto,
de extrema unctione; sexto, de ordine; septimo, de matrimonio. Circa primum occurrit
duplex consideratio, prima, de ipso Baptismo; secunda, de praeparatoriis Baptismi.
Circa primum quatuor consideranda occurrunt, primo, de his quae pertinent ad sacramentum
Baptismi; secundo, de ministro huius sacramenti; tertio, de recipientibus hoc sacramentum;
quarto, de effectu huius sacramenti. Circa primum quaeruntur duodecim. Primo, quid
sit Baptismus, utrum sit ablutio. Secundo, de institutione huius sacramenti. Tertio,
utrum aqua sit propria materia huius sacramenti. Quarto, utrum requiratur aqua simplex.
Quinto, utrum haec sit conveniens forma huius sacramenti, ego te baptizo in nomine
patris et filii et spiritus sancti. Sexto, utrum sub hac forma possit aliquis baptizari,
ego te baptizo in nomine Christi. Septimo, utrum immersio sit de necessitate Baptismi.
Octavo, utrum requiratur trina immersio. Nono, utrum Baptismus possit iterari. Decimo,
de ritu Baptismi. Undecimo, de distinctione Baptismatum. Duodecimo, de comparatione
Baptismatum. (IIIa q. 66 pr.)
Nu moeten we tot de beschouwing van iedere sacrament in het bijzonder overgaan. Zo
zal het ten eerste over het doopsel gaan, ten tweede over het vormsel, ten derde over
de Eucharistie, ten vierde over de biecht, ten vijfde over het heilig oliesel, ten
zesde over het priesterschap, ten zevende eindelijk over het huwelijk. Twee dingen
moeten in het doopsel besproken worden, voor-eerst namelijk het doopsel zelf, verder
de voorbereiding tot het doopsel. Wat nu het doopsel zelf betreft komen vier dingen
ter beschouwing. Ten eerste: Wat er tot het sacrament van het doopsel behoort. Ten
tweede: De bedienaar van het sacrament. Ten derde: Degene die het sacrament ontvangen.
Ten vierde: Het uitwerksel van het sacrament. Bij het eerste onder deze vier punten
hebben we het over de twaalf volgende vraagstukken: 1. Is het doopsel een wassing?
2. Over de instelling van het doopsel. 3. Is water de eigenlijke stof van dit sacrament?
4. Wordt er zuiver en onvermengd water vereist? 5. Is de vereiste vorm van bewust
sacrament: « Ik doop u in de naam des Vaders, en des Zoons en des Heiligen Geestes
»? 6. Mag iemand gedoopt worden onder de volgende vorm: « Ik doop u in Christus naam
»? 7. Wordt er voor de geldigheid van het doopsel een indompelen vereist? 8. Is een
drievoudige indompeling onontbeerlijk? 9. Mag het doopsel een tweede maal worden toegediend?
10. Over de ritus van het doopsel. 11. Bestaan er verschillende soorten van doopsel?
12. Hoe staan ze tegenover elkaar?
Articulus 1. Is het doopsel een wassing?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod Baptismus non sit ipsa ablutio. Ablutio enim
corporalis transit. Baptismus autem permanet. Ergo Baptismus non est ipsa ablutio,
sed potius regeneratio et sigillum et custodia et illuminatio, ut Damascenus dicit,
in IV libro. (IIIa q. 66 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert dat het doopsel eigenlijk niet in de wassing bestaat. Een lichamelijke
wassing gaat voorbij, het doopsel echter blijft. Zo is het doopsel dus geen wassing,
maar eerder “een wedergeboorte en een zegel, een bewaring en een verlichting.” Dit
zegt St. Joannes Damascenus in zijn Boek “Over het Rechtzinnig geloof”. (4, 10)
Praeterea, Hugo de sancto Victore dicit quod Baptismus est aqua diluendis criminibus
sanctificata per verbum Dei. Aqua autem non est ipsa ablutio, sed ablutio est quidam
usus aquae. (IIIa q. 66 a. 1 arg. 2)
2 — Hugo van St. Victor beweert in zijn boek « De Sacramenten » (2, 6, 1) dat het doopsel:
« water is dat geheiligd wordt door het woord Gods en van de zonden reinigt. » — Het
water echter is niet de eigenlijke wassing, maar de wassing is het gebruik van water.
Dus is het doopsel geen wassing.
Praeterea, Augustinus dicit, super Ioan., accedit verbum ad elementum et fit sacramentum.
Elementum autem est ipsa aqua. Ergo Baptismus est ipsa aqua, non autem ablutio. (IIIa q. 66 a. 1 arg. 3)
3 — St. Augustinus zegt in zijn Commentaar op Joan. (80e traktaat) : « Het woord komt
even maar tot de stof en het sacrament ontstaat. » — De stof echter van het doopsel
is het water en zo is dus het doopsel in het water en niet in de wassing gelegen.
Sed contra est quod dicitur Eccli. XXXIV, qui baptizatur a mortuo et iterum tangit
mortuum, quid proficit lotio eius? Videtur ergo quod Baptismus sit ipsa ablutio, sive
lotio. (IIIa q. 66 a. 1 s. c.)
Daartegenover staat echter hetgeen gezegd wordt, in Eccli. (34, 30): « Wie zich reinigt
ter oorzaak van een dode en die opnieuw aanraakt, wat baat hem zijn reiniging. » Zo
is het doopsel dus wel de wassing zelf.
Respondeo dicendum quod in sacramento Baptismi est tria considerare, aliquid scilicet
quod est sacramentum tantum; aliquid autem quod est res et sacramentum; aliquid autem
quod est res tantum. Sacramentum autem tantum est aliquid visibile exterius existens,
quod scilicet est signum interioris effectus, hoc enim pertinet ad rationem sacramenti.
Exterius autem suppositum sensui est et ipsa aqua, et usus eius, qui est ablutio.
Quidam ergo existimaverunt quod ipsa aqua sit sacramentum. Quod quidem sonare videntur
verba Hugonis de sancto Victore. Nam ipse in communi definitione sacramenti dicit
quod est materiale elementum, et in definitione Baptismi dicit quod est aqua. Sed
hoc non est verum. Cum enim sacramenta novae legis sanctificationem quandam operentur,
ibi perficitur sacramentum ubi perficitur sanctificatio. In aqua autem non perficitur
sanctificatio, sed est ibi quaedam sanctificationis virtus instrumentalis, non permanens,
sed fluens in hominem, qui est verae sanctificationis subiectum. Et ideo sacramentum
non perficitur in ipsa aqua, sed in applicatione aquae ad hominem, quae est ablutio.
Et ideo Magister, in III dist. IV Sent., dicit quod Baptismus est ablutio corporis
exterior facta sub forma praescripta verborum. Res autem et sacramentum est character
baptismalis, qui est res significata per exteriorem ablutionem, et est signum sacramentale
interioris iustificationis. Quae est res tantum huius sacramenti, scilicet, significata
et non significans. (IIIa q. 66 a. 1 co.)
In het sacrament van het doopsel vallen drie verschillende dingen te onderscheiden,
hetgeen namelijk enkel en alleen teken is, hetgeen zaak en teken is, en hetgeen enkel
en alleen zaak is. Wat uitsluitend teken is, is wat uiterlijk te merken valt en teken
is van het innerlijke uitwerksel; dit behoort immers tot het begrip van een teken.
Wat nu de zintuigen uiterlijk aandoet is het water en het gebruik van water om de
wassing. Daarom dachten sommigen dat het water zelf het sacrament is, wat Hugo van
St. Victor overigens in zijn boek « Over de Sacramenten » (1, 9, 2), schijnt te willen
bevestigen; in zijn algemene bepaling van het sacrament zegt hij namelijk dat het
stoffelijk element het sacrament is en in zijn bepaling van het doopsel dat het sacrament
het water is. Dit gaat echter niet aan; aangezien immers de sacramenten van de nieuwe
wet de heiligmaking bewerken, zal het sacrament tot stand komen, daar waar de heiligmaking
voltrokken wordt. Die heiligmaking nu wordt niet in het water voltrokken, maar in
het water schuilt er een werktuigelijke heiligmakende kracht, die er niet blijft,
maar de mens die subject is van de heiligmaking aandoet. Zo wordt dan het sacrament
niet door het water alleen voltrokken maar wel door het gebruik dat de mens van het
water maakt, en dit is ten slotte niets anders dan de wassing. Daarom zegt ook de
Meester der Sententien (4° Sent., 3) dat het doopsel een uiterlijke wassing is van
het lichaam die onder het uitspreken van bepaalde woorden verricht wordt. — Zaak en
teken eindelijk is het merkteken van het doopsel dat door de uiterlijke wassing betekend
wordt en zelf sacramenteel teken is van de innerlijke rechtvaardigheid die zij, zaak
van het sacrament, dat wil zeggen hetgeen betekend wordt, niet hetgeen zelf iets te
kennen geeft is.
Ad primum ergo dicendum quod id quod est sacramentum et res, scilicet character, et
id quod est res tantum, scilicet interior iustificatio, permanent, sed character permanet
indelebiliter, ut supra dictum est; iustificatio autem permanet, sed amissibiliter.
Damascenus ergo Baptismum definivit, non quantum ad id quod exterius agitur, quod
est sacramentum tantum, sed quantum ad id quod est interius. Unde posuit duo pertinentia
ad characterem, scilicet sigillum et custodiam, inquantum ipse character, qui sigillum
dicitur, quantum est de se, custodit animam in bono. Duo etiam ponit pertinentia ad
ultimam rem sacramenti, scilicet regenerationem, quae ad hoc pertinet quod per Baptismum
homo inchoat novam vitam iustitiae; et illuminationem, quae pertinet specialiter ad
fidem, per quam homo spiritualem vitam accipit, secundum illud Habacuc II, iustus
autem ex fide vivit; Baptismus autem est quaedam fidei protestatio. Unde dicitur fidei
sacramentum. Et similiter Dionysius Baptismum definivit per ordinem ad alia sacramenta,
dicens, II cap. Eccles. Hier., quod est quoddam principium sanctissimorum mandatorum
sacrae actionis, ad eorum susceptivam opportunitatem formans nostros animales habitus.
Et iterum in ordine ad caelestem gloriam, quae est universalis finis sacramentorum,
cum subdit, ad supercaelestis quietis anagogen nostrum iter faciens. Et iterum quantum
ad principium spiritualis vitae, per hoc quod subdit, sacrae et divinissimae nostrae
regenerationis traditio. (IIIa q. 66 a. 1 ad 1)
1 — Wat in het doopsel uitsluitend teken is gaat voorbij, wat integendeel én zaak is én
teken, het merkteken namelijk blijft, wat eindelijk uitsluitend zaak is, de innerlijke
rechtvaardigheid namelijk blijft insgelijks. Alleen blijft het merkteken onuitwischbaar
bestaan, we toonden het hierboven reeds aan (63° Kw., 5° art.), — terwijl daarentegen
de rechtvaardigheid ook als ze blijft immer kan verloren gaan. — De heilige Joannes
Damascenus nu heeft het doopsel niet naar hetgeen uiterlijk geschiedt en uitsluitend
teken is bepaald, maar wel naar wat het innerlijk veroorzaakt. Zo sprak hij dan van
twee eigenschappen die het merkteken toekomen, een zegel te zijn namelijk en te bewaren;
het merkteken namelijk dat ook een zegel is behoudt, in zover er van buiten niets
in de weg komt de ziel in het goede; in zijn bepaling spreekt hij ook van twee uitwerkselen
die op de uiterste zaak van het sacrament teruggaan, van de wedergeboorte namelijk
— door het doopsel begint immers de mens een nieuw leven van gerechtigheid, — en van
de verlichting die vooral aan het geloof, waardoor de mens op geestelijke wijze begint
te leven, te danken valt; *Profeet Abacuc* (2, 4) zegt namelijk: « de rechtvaardige
leeft van zijn geloof. » — Het doopsel is overigens in een zekere mate een geloofsbelijdenis,
daarom ook spreekt men van geloofssacramenten. Dionysius heeft insgelijks het sacrament
met betrekking tot de overige sacramenten bepaald, wanneer hij in zijn boek de « Kerkelijke
Hierarchie » (2) zei: « dat het doopsel het beginsel is van de vrome verrichtingen
ener sacramentele handeling, het maakt namelijk de dierlijk aangelegde mens er toe
geschikt de overige sacramenten ten goede te ontvangen. » — en op dezelfde wijze zegt
Dionysius sprekend over de sacramenten en de hemelse glorie, laatste doel der sacramenten,
dat « het doopsel ons de weg baant naar de hogere sferen der hemelse rust. » — Ten
derde zegt hij nog wanneer hij het heeft over de beginselen van ons geestelijk leven:
« dat het doopsel ons brengt tot de heilige en goddelijke wedergeboorte. »
Ad secundum dicendum quod, sicut dictum est, opinionem Hugonis de sancto Victore in
hac parte sequi non oportet. Potest tamen verificari ut Baptismus dicatur aqua esse,
quia aqua est materiale Baptismi principium. Et sic erit praedicatio per causam. (IIIa q. 66 a. 1 ad 2)
2 — Zoals we in de leerstelling zeiden, moeten we ons hier niet naar de opvatting van
Hugo van St. Victor schikken. Niettemin heeft hij, wanneer hij zegt dat het water
het doopsel is, inzover gelijk dat het water het stoffelijk beginsel is van het doopsel
en dan is zulks een benaming naar de oorzaak.
Ad tertium dicendum quod, accedente verbo ad elementum fit sacramentum, non quidem
in ipso elemento, sed in homine, cui adhibetur elementum per usum ablutionis. Et hoc
etiam significat ipsum verbum quod accedit ad elementum, cum dicitur, ego te baptizo,
et cetera. (IIIa q. 66 a. 1 ad 3)
3 — Wanneer het woord tot de stof komt, komt het sacrament niet in de stof, maar in de
mens die door wassing de stof ten nutte maakt, tot stand. Dit geeft overigens het
woord dat, wanneer gezegd wordt « ik doop u... enz. » tot de stof gericht wordt, duidelijk
te kennen.
Articulus 2. Werd het doopsel na het lijden van Christus ingesteld?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod Baptismus fuerit institutus post Christi
passionem. Causa enim praecedit effectum. Sed passio Christi operatur in sacramentis
novae legis. Ergo passio Christi praecedit institutionem sacramentorum novae legis.
Et praecipue institutionem Baptismi, cum apostolus dicat, Rom. VI, quicumque baptizati
sumus in Christo Iesu, in morte ipsius baptizati sumus, et cetera. (IIIa q. 66 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert dat het doopsel na het lijden van Christus werd ingesteld. Een oorzaak
gaat haar uitwerkelijk voor. Welnu het lijden van Christus is het dat in de sacramenten
der nieuwe wet de genade bewerkt, zo gaat dus het lijden van Christus de instelling
van de sacramenten der nieuwe wet en vooral de instelling van het doopsel vooraf;
de Apostel zegt toch in zijn Brief aan de Romeinen (6) : « Allen zoveel we gedoopt
zijn in Christus Jezus werden gedoopt in zijn Dood, enz... »
Praeterea, sacramenta novae legis efficaciam habent ex mandato Christi. Sed Christus
mandatum baptizandi dedit discipulis post passionem et resurrectionem suam, dicens,
euntes, docete omnes gentes, baptizantes eos in nomine patris, etc., ut habetur Matth.
ult. Ergo videtur quod post passionem Christi Baptismus fuerit institutus. (IIIa q. 66 a. 2 arg. 2)
2 — De sacramenten der nieuwe wet hebben dankzij het bevel van Christus kracht ontvangen.
Christus nu heeft zijn discipelen bevel gegeven om na zijn lijden en na zijn verrijzenis
het doopsel toe te dienen; hij zei namelijk, zoals bij Mattheüs, laatste hoofdstuk,
geschreven staat: « Gaat en onderwijst alle volkeren en doopt ze in de naam des Vaders,
des Zoons, en des Heiligen Geestes. enz... » Zo werd dus het doopsel na het lijden
van Christus ingesteld.
Praeterea, Baptismus est sacramentum necessitatis, ut supra dictum est, et ita videtur
quod ex quo Baptismus institutus fuit, homines obligarentur ad Baptismum. Sed ante
passionem Christi homines non obligabantur ad Baptismum, quia adhuc circumcisio suam
virtutem habebat, in cuius loco successit Baptismus. Ergo videtur quod Baptismus non
fuerit institutus ante passionem Christi. (IIIa q. 66 a. 2 arg. 3)
3 — Het doopsel is een sacrament dat, zoals werd aangetoond (62e kw., 1e artikel) voor
de zaligheid nodig is; zo kan het niet anders of zodra het werd ingesteld moeten de
mensen verplicht geweest zijn het te ontvangen. Welnu, voor het lijden van Christus
waren de mensen niet verplicht het doopsel te ontvangen; de besnijdenis in de plaats
waarvan naderhand het doopsel gekomen is was namelijk nog ten volle van kracht. Zo
werd dus het doopsel niet voor het lijden van Christus ingesteld.
Sed contra est quod Augustinus dicit, in quodam sermone Epiphaniae, ex quo Christus
in aquis immergitur, ex eo omnium peccata abluit aqua. Sed hoc fuit ante Christi passionem.
Ergo Baptismus ante Christi passionem fuit institutus. (IIIa q. 66 a. 2 s. c.)
Daartegenover staat echter hetgeen Sint Augustinus zegt in een sermoon over Driekoningen:
« doordat Christus in de wateren gedompeld werd, waste het water alle zonden weg.
» Daar dit nu voor het lijden van Christus geschiedde, werd dus het doopsel voor het
lijden van Christus ingesteld.
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est supra, sacramenta ex sui institutione habent
quod conferant gratiam. Unde tunc videtur aliquod sacramentum institui, quando accipit
virtutem producendi suum effectum. Hanc autem virtutem accepit Baptismus quando Christus
est baptizatus. Unde tunc vere Baptismus institutus fuit, quantum ad ipsum sacramentum.
Sed necessitas utendi hoc sacramento indicta fuit hominibus post passionem et resurrectionem.
Tum quia in passione Christi terminata sunt figuralia sacramenta, quibus succedit
Baptismus et alia sacramenta novae legis. Tum etiam quia per Baptismum configuratur
homo passioni et resurrectioni Christi, inquantum moritur peccato et incipit novam
iustitiae vitam. Et ideo oportuit Christum pati prius et resurgere quam hominibus
indiceretur necessitas se configurandi morti et resurrectioni eius. (IIIa q. 66 a. 2 co.)
Zoals werd aangetoond (62° Kw., 1° Art.) hebben de sacramenten bij hun instelling
kracht ontvangen om de genade te verlenen. Zo lijkt een sacrament op het ogenblik
dat het kracht ontvangt om een uitwerksel te bewerken, te worden ingesteld. Het doopsel
nu erlangde bewuste kracht bij het doopsel van Christus en werd dus op dit ogenblik
als sacrament ingesteld. Alleen werd de verplichting om van dit sacrament gebruik
te maken, de mensen eerst na het lijden en na de verrijzenis van Christus bekend gemaakt,
dit én omdat bij het lijden van Christus de zinnebeeldige sacramenten der oude wet
voor het doopsel en de andere sacramenten der nieuwe wet opbraken, én omdat door het
doopsel de mens aan Christus in zijn lijden en verrijzenis gelijkvormig wordt, Hij
sterft namelijk voor de zonden en begint een nieuw leven van gerechtigheid. Daarom
nu was het nodig dat Christus vooraleer aan de mensen de verplichting werd opgelegd
Hem in zijn dood en verrijzenis gelijkvormig te worden zelf zou lijden en verrijzen.
Ad primum ergo dicendum quod etiam ante passionem Christi Baptismus habebat efficaciam
a Christi passione, inquantum eam praefigurabat, aliter tamen quam sacramenta veteris
legis. Nam illa erant figurae tantum, Baptismus autem ab ipso Christo virtutem habebat
iustificandi, per cuius virtutem etiam ipsa passio salutifera fuit. (IIIa q. 66 a. 2 ad 1)
1 — Reeds voor het lijden van Christus betrok het doopsel, daar het toch dit lijden voorafbeeldde,
zijn kracht van het lijden van Christus. Niettemin gebeurde dit op een andere manier
dan voor de sacramenten der oude wet; deze waren immers enkel voorafbeeldingen, terwijl
het doopsel kracht had om door Christus zelf rechtvaardig te maken. Het valt namelijk
aan de kracht van Christus te danken dat zijn lijden de zaligheid heeft kunnen bewerken.
Ad secundum dicendum quod homines non debebant multiplicibus figuris arctari per Christum,
qui venerat sua veritate figuras impletas auferre. Et ideo ante passionem suam Baptismum
institutum non posuit sub praecepto, sed voluit ad eius exercitium homines assuefieri;
et praecipue in populo Iudaeorum, apud quem omnia facta figuralia erant, ut Augustinus
dicit, contra Faustum. Post passionem vero et resurrectionem, non solum Iudaeis, sed
etiam gentilibus suo praecepto necessitatem Baptismi imposuit, dicens, euntes, docete
omnes gentes. (IIIa q. 66 a. 2 ad 2)
2 — Het ging niet aan wanneer Christus de zinnebeelden, nu ze door zijn waarheid waren
in vervulling gegaan, deed opbreken, andermaal de mensen met allerlei zinnebeelden
te benauwen, daarom legde hij vóór zijn lijden het reeds ingestelde doopsel niet als
verplichting op, maar Hij wat dat de mensen en vooral de Joden bij wie, zoals Augustinus
in zijn « Boek tegen Faustus » (4, 2) zegt, alles er op zinnebeeldige wijze was toegegaan,
er door het gebruik stilaan zouden aan wennen. Na zijn lijden en verrijzenis heeft
Hij echter de verplichting van het doopsel niet alleen voor de Joden maar voor alle
volkeren gehandhaafd, toen Hij zei: « Gaat en onderwijst alle volkeren. »
Ad tertium dicendum quod sacramenta non sunt obligatoria nisi quando sub praecepto
ponuntur. Quod quidem non fuit ante passionem, ut dictum est. Quod enim dominus ante
passionem Nicodemo dixit, Ioan. III, nisi quis renatus fuerit ex aqua et spiritu sancto,
non potest introire in regnum Dei, magis videtur ad futurum respicere quam ad praesens
tempus. (IIIa q. 66 a. 2 ad 3)
3 — De sacramenten zijn dan alleen verplichtend wanneer zij door een gebod worden aangeplicht.
Dit nu geschiedde (zoals gezegd werd in de leerstelling) niet voor het lijden; wat
de Heer vóór zijn lijden aan Nicodemus zei: « Indien iemand niet herboren wordt uit
het water en de H. Geest, kan hij het rijk Gods niet ingaan » (3, 5) heeft immers
meer betrekking tot de toekomst dan tot het tegenwoordige.
Articulus 3. Is het water de eigenlijke stof van het doopsel?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod aqua non sit propria materia Baptismi. Baptismus
enim, secundum Dionysium et Damascenum, habet vim illuminativam. Sed illuminatio maxime
competit igni. Ergo Baptismus magis debet fieri in igne quam in aqua, praesertim cum
Ioannes Baptista, praenuntians Christi Baptismum, dicat, ille vos baptizabit in spiritu
sancto et igni. (IIIa q. 66 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert dat het water niet de eigenlijke stof is van het doopsel. Dionysius en
Damascenus zeggen, de eerste in de « Kerkelijke Hierarchie » (2) en de tweede in «
Het rechtzinnig geloof » (4, 10), dat het doopsel licht schenkt. Welnu de verlichting
komt eerst en vooral aan het vuur toe. Zo moet dus het doopsel, vooral door Joannes
de Doper wanneer hij het doopsel van Christus voorspelde, gezegd hebben: Hij zal u
roepen in de H. Geest en in vuur. (Matt. 3, 11) eerder door vuur dan wel door water
worden toegediend.
Praeterea, in Baptismo significatur ablutio peccatorum. Sed multa alia sunt ablutiva
quam aqua, sicut vinum et oleum et alia huiusmodi. Ergo etiam in his potest fieri
Baptismus. Non ergo aqua est propria materia Baptismi. (IIIa q. 66 a. 3 arg. 2)
2 — Het doopsel verbeeldt reiniging van zonde. Welnu, daar zijn behalve water nog heel
wat stoffen waarmee kan gewassen worden, aldus wijn, olie, en andere dergelijke, en
bijgevolg kan het doopsel ook met die stoffen worden toegediend. Zo is het water dus
niet de eigenlijke stof van het doopsel.
Praeterea, sacramenta Ecclesiae fluxerunt de latere Christi pendentis in cruce, ut
supra dictum est. Sed inde fluxit non solum aqua, sed etiam sanguis. Ergo videtur
quod etiam in sanguine possit fieri Baptismus. Quod etiam magis videtur convenire
cum effectu Baptismi, quia dicitur Apoc. I, lavit nos a peccatis nostris in sanguine
suo. (IIIa q. 66 a. 3 arg. 3)
3 — De sacramenten der kerk vloeiden zoals gezegd werd, 362° Kw., 5° art.) wanneer Hij
aan het kruis hing, uit de zijde van Christus. Welnu daaruit vloeide niet alleen water
maar ook bloed, en zo mag het doopsel dus ook met bloed worden toegediend; ja zelfs
zou zulks meer met oorzaak en uitwerking van het doopsel overeenstemmen. In het Boek
der Openbaring (1, 5) wordt immers gezegd: « Hij heeft onze zonden afgewassen met
zijn bloed. »
Praeterea, sicut Augustinus et Beda dicunt, Christus tactu suae mundissimae carnis
vim regenerativam et purgativam contulit aquis. Sed non omnis aqua continuatur cum
aqua Iordanis, quam Christus tetigit sua carne. Ergo videtur quod non in omni aqua
possit fieri Baptismus. Et ita aqua, inquantum huiusmodi, non est propria materia
Baptismi. (IIIa q. 66 a. 3 arg. 4)
4 — St. Augustinus (36° Sermoen over het Tijdeigen) en de eerbiedwaardige Beda (87 Lucas,
3° Kapt.) zeggen dat Christus door de aanraking met zijn allerzuiverste vlees aan
de wateren een levenwekkende en louterende kracht schonk. Welnu niet alle water komt
van de Jordaan, waar Christus met zijn lichaam het water aanraakte, zo kan dus het
doopsel niet met gelijk welk water worden toegediend, en daarom is het water als water
niet de eigenlijke stof van het doopsel.
Praeterea, si aqua secundum se esset propria Baptismi materia, non oporteret aliquid
aliud fieri circa aquam, ad hoc quod in ea Baptismus fieret. Sed in solemni Baptismo
aqua in qua debet celebrari Baptismus, exorcizatur et benedicitur. Ergo videtur quod
aqua secundum se non sit propria materia Baptismi. (IIIa q. 66 a. 3 arg. 5)
5 — Moest het water aan zich de eigenlijke stof zijn van het doopsel, dan zou het om er
mee te mogen dopen niet nodig zijn nog een en ander aan dat water te verrichten. Welnu,
bij een plechtige doop wordt het water waarmede het doopsel moet geschieden bezworen
en gezegend. Zo is dus het water aan zich niet de eigenlijke stof van het doopsel.
Sed contra est quod dominus dicit, Ioan. III, nisi quis renatus fuerit ex aqua et
spiritu sancto, non potest introire in regnum Dei. (IIIa q. 66 a. 3 s. c.)
Daartegenover echter staat dat de Heer bij Joannes (3, 5) zegt: « Indien iemand niet
wedergeboren wordt uit het water en de H. Geest, dan kan hij het rijk Gods niet ingaan.
»
Respondeo dicendum quod ex institutione divina aqua est propria materia Baptismi.
Et hoc convenienter. Primo quidem, quantum ad ipsam rationem Baptismi, qui est regeneratio
in spiritualem vitam, quod maxime congruit aquae. Unde et semina, ex quibus generantur
omnia viventia, scilicet plantae et animalia, humida sunt, et ad aquam pertinent.
Propter quod quidam philosophi posuerunt aquam omnium rerum principium. Secundo, quantum
ad effectus Baptismi, quibus competunt aquae proprietates. Quae sua humiditate lavat,
ex quo conveniens est ad significandum et causandum ablutionem peccatorum. Sua frigiditate
etiam temperat superfluitatem caloris, et ex hoc competit ad mitigandum concupiscentiam
fomitis. Sua diaphanitate est luminis susceptiva, unde competit Baptismo inquantum
est fidei sacramentum. Tertio, quia convenit ad repraesentandum mysteria Christi,
quibus iustificamur. Ut enim dicit Chrysostomus, super illud Ioan., nisi quis renatus
fuerit etc., sicut in quodam sepulcro, in aqua, submergentibus nobis capita, vetus
homo sepelitur, et submersus deorsum occultatur, et deinde novus rursus ascendit.
Quarto, quia ratione suae communitatis et abundantiae est conveniens materia necessitati
huius sacramenti, potest enim ubique de facili haberi. (IIIa q. 66 a. 3 co.)
Door goddelijke instelling is het water de eigenlijke stof van het doopsel. Dit is
overigens ook redelijk. Van huis uit is immers het doopsel een wedergeboorte tot het
geestelijke leven. Dit nu komt zeer goed met het gebruik van water overeen; het zaad
toch waaruit alle levende wezens, planten en dieren worden voortgebracht is vochtig
en deelt de natuur van het water. Daarom ook beweerden sommige wijsgeren dat het water
het beginsel is van alle wezens. Ten tweede komen de eigenschappen van het water met
het uitwerksel van het doopsel overeen. Het water wast en daarom is het geschikt om
de reiniging van de zonden te kennen te geven en teweeg te brengen; door zijn koudheid
doet het buitensporige warmte afnemen en aldus komt het het water toe dan haard van
begeerlijkheid in bedwang te houden; dankzij zijn doorschijnendheid kan het water
het licht ondervangen en ook daarom is het op het doopsel, in zover het een geloofssacrament
is, aangewezen. Ten derde stelt het water de mysteries van Christus voor waardoor
wij worden rechtvaardig gemaakt. Bij de woorden van Joannes (3, 5) : « Wie niet herboren
wordt, enz... » zegt immers de H. Chrysostomus dat « de oude mens in het water als
in een graf begraven wordt, dat ons hoofd wordt ondergedompeld, en dat de mens eerst
verborgen daarna andermaal te voorschijn komt. » Ten vierde is zulks redelijk omdat
het water zo algemeen en in overvloed wordt aangetroffen, en dus, gezien zijn noodzakelijkheid,
best bij dit sacrament past; water toch is overal makkelijk te krijgen.
Ad primum ergo dicendum quod illuminatio pertinet ad ignem active. Ille autem qui
baptizatur, non efficitur illuminans, sed illuminatus per fidem, quae est ex auditu,
ut dicitur Rom. X. Et ideo magis competit aqua Baptismo quam ignis. Quod autem dicitur,
baptizabit vos in spiritu sancto et igni, potest per ignem, ut Hieronymus dicit, intelligi
spiritus sanctus, qui super discipulos in igneis linguis apparuit, ut dicitur Act.
II. Vel per ignem potest intelligi tribulatio, ut Chrysostomus dicit, super Matth.,
quia tribulatio peccata purgat, et concupiscentiam diminuit. Vel quia, ut Hilarius
dicit, super Matth., baptizatis in spiritu sancto reliquum est consummari igne iudicii. (IIIa q. 66 a. 3 ad 1)
1 — Zelf te verlichten komt het vuur toe. Degene echter die gedoopt wordt verlicht niet
maar wordt integendeel door het geloof, dat hij, zoals in de Brief aan de Romeinen
(10, 17) staat, « kent door er te horen over spreken, » verlicht, en daarom is water
beter geschikt om te dopen dan vuur. Wordt er nu gezegd dat Christus zal dopen in
de H. Geest en in vuur, dan moet dit van de H. Geest die, zoals beschreven staat in
de Hand. der Apost. (2) in vurige tongen over de discipelen verscheen, verstaan worden.
Zo legt het overigens de H. Hieronymus uit (in zijn commentaar op Matt.). Verder kan
men door het vuur de beproeving verstaan en in die zin begrijpt het St. Joannes Chrysostomus
(in zijn commentaar op Matt.), de beproeving reinigt namelijk van zonde en doet de
begeerlijkheid afnemen. Ofwel kan men het begrijpen zoals de H. Hilarius (in zijn
commentaar op Matt.) die zegt dat degene die in de H. Geest gedoopt worden door het
vuur van het oordeel zullen verslonden worden.
Ad secundum dicendum quod vinum et oleum communiter non sumuntur ad usum ablutionis,
sicut aqua. Nec etiam ita perfecte abluunt, quia ex illorum ablutione remanet aliqua
infectio quantum ad odorem, quod non contingit de aqua. Illa etiam non ita communiter
et abundanter habentur sicut aqua. (IIIa q. 66 a. 3 ad 2)
2 — Wijn en olie worden gewoonlijk niet zoals water gebruikt om te wassen. Ook wassen
die stoffen niet zo goed als water, na hun gebruik blijft er namelijk een zekere geur
over. Eindelijk komen ze niet zo veelvuldig en zo overvloedig voor als water.
Ad tertium dicendum quod ex latere Christi fluxit aqua ad abluendum, sanguis autem
ad redimendum. Et ideo sanguis competit sacramento Eucharistiae, aqua autem sacramento
Baptismi. Qui tamen habet vim ablutivam ex virtute sanguinis Christi. (IIIa q. 66 a. 3 ad 3)
3 — Uit Christus’ zijde vloeide water om te wassen, bloed om vrij te kopen en daarom is
het bloed op de Eucharistie, het water daarentegen op het doopsel dat door de kracht
van Christus’ Bloed vermag te reinigen aangewezen.
Ad quartum dicendum quod virtus Christi derivata est ad omnem aquam, non propter continuitatem
loci, sed propter similitudinem speciei, ut dicit Augustinus, in quodam sermone Epiphaniae,
quae de salvatoris Baptismate benedictio fluxit, tanquam fluvius spiritalis, omnium
gurgitum tractus, universorum fontium venas implevit. (IIIa q. 66 a. 3 ad 4)
4 — De kracht van Christus werd, niet alsof dit water aan dat van de Jordaan raakte, maar
wel omdat het tot eenzelfde soort behoort aan alle water geschonken. Daarover nu zegt
St. Augustinus in een sermoen over Driekoningen (36e over het tijdeigen): « De zegen
die van het doopsel van de Verlosser voortkwam heeft als een geestelijke stroom alle
beddingen en alle bronaderen vervuld. »
Ad quintum dicendum quod illa benedictio quae adhibetur aquae, non est de necessitate
Baptismi, sed pertinet ad quandam solemnitatem, per quam excitatur devotio fidelium,
et impeditur astutia Daemonis, ne impediat Baptismi effectum. (IIIa q. 66 a. 3 ad 5)
5 — De zegen die over het water gegeven wordt, is niet tot de geldigheid van het doopsel
vereist, maar behoort tot de plechtigheid van het doopsel en moet dienen om de godsvrucht
van de gelovigen aan te wakkeren en de duivels te beletten door hun sluwheid de uitwerkingen
van het doopsel te verhinderen.
Articulus 4. Wordt voor de geldigheid van het doopsel zuiver water vereist?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod ad Baptismum non requiratur aqua simplex.
Aqua enim quae apud nos est, non est aqua pura, quod praecipue apparet de aqua maris,
in qua plurimum admiscetur de terrestri, ut patet per philosophum, in libro Meteorol.
Et tamen in tali aqua potest fieri Baptismus. Ergo non requiritur aqua simplex et
pura ad Baptismum. (IIIa q. 66 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert dat voor het doopsel geen zuiver water vereist wordt. Het water dat we
gewoonlijk gebruiken is vooral wanneer het zeewater geldt dat, zoals de Wijsgeer in
zijn Boek over de sterren (2, 3) aantoont, veel zand bevat geen zuiver water. Niettemin
mag het doopsel met zeewater worden toegediend en zo wordt dus bij het doopsel geen
zuiver en onvermengd water vereist.
Praeterea, in solemni celebratione Baptismi aquae infunditur chrisma. Sed hoc videtur
impedire puritatem et simplicitatem aquae. Ergo aqua pura et simplex non requiritur
ad Baptismum. (IIIa q. 66 a. 4 arg. 2)
2 — Bij een plechtig doopsel wordt het chrisma in het water gegoten. Welnu, dit neemt
de zuiverheid en de onvermengdheid van het water weg. Zo wordt dan bij het doopsel
geen zuiver en onvermengd water vereist.
Praeterea, aqua fluens de latere Christi pendentis in cruce fuit significativa Baptismi,
ut dictum est. Sed aqua illa non videtur fuisse aqua pura, eo quod in corpore mixto,
cuiusmodi fuit corpus Christi, non sunt elementa in actu. Ergo videtur quod non requiratur
aqua pura vel simplex ad Baptismum. (IIIa q. 66 a. 4 arg. 3)
3 — Het water dat, wanneer Hij aan het kruis hing uit de zijde van Christus vloeide was,
zoals gezegd werd (vorig artikel en 62° Kw., 5° art.) een teken van het doopsel. Dit
water nu was, daar toch in een samengesteld lichaam als het lichaam van Christus de
grondstoffen niet metterdaad enkelvoudig voorkomen, geen zuiver water. Zo wordt dus
bij het doopsel geen zuiver water vereist.
Praeterea, lixivium non videtur esse aqua pura, habet enim contrarias proprietates
aquae, scilicet calefaciendi et desiccandi. Et tamen in lixivio videtur posse fieri
Baptismus, sicut et in aquis balneorum, quae transeunt per venas sulphureas, sicut
et lixivium colatur per cineres. Ergo videtur quod aqua simplex non requiratur ad
Baptismum. (IIIa q. 66 a. 4 arg. 4)
4 — Loogwater is lang geen zuiver water, het heeft immers eigenschappen die met water
tegenstrijdig zijn zoals te verwarmen en te drogen. Niettemin mag het doopsel met
loogwater, evenals ook met water uit badplaatsen waar solferige bronnen voorkomen
worden toegediend; ja zelfs hindert het niet dat loogwater tussen de aschen doormoet.
Zo wordt dus bij het doopsel geen onvermengd water vereist. Rozewater wordt net als
alle chemische waters uit verschillende stoffen uit rozen gesublimeerd. Welnu met
dergelijk water mag het doopsel worden toegediend; het mag immers toch met regenwater
dat alleen een sublimaat van damp is. Daar nu dergelijk water niet zuiver en onvermengd
is, zo is het dus duidelijk dat bij het doopsel geen zuiver en onvermengd water vereist
wordt.
Praeterea, aqua rosacea generatur per sublimationem a rosis, sicut etiam aquae alchimicae
generantur per sublimationem ab aliquibus corporibus. Sed in his aquis, ut videtur,
potest fieri Baptismus, sicut et in aquis pluvialibus, quae per sublimationem vaporum
generantur. Cum igitur huiusmodi aquae non sint purae et simplices, videtur quod aqua
pura et simplex non requiratur ad Baptismum. (IIIa q. 66 a. 4 arg. 5)
Sed contra est quod propria materia Baptismi est aqua, ut dictum est. Sed speciem
aquae non habet nisi aqua simplex. Ergo aqua pura et simplex ex necessitate requiritur
ad Baptismum. (IIIa q. 66 a. 4 s. c.)
Daartegenover staat echter dat, zoals in het vorige artikel gezegd werd water de eigenlijke
stof is van het doopsel. Welnu, alleen zuiver en onvermengd water heeft de natuur
van water. Zo wordt tot de geldigheid van het doopsel dus zuiver en onvermengd water
vereist.
Respondeo dicendum quod aqua suam puritatem et simplicitatem potest amittere dupliciter,
uno modo, per mixtionem alterius corporis; alio modo, per alterationem. Utrumque autem
horum contingit fieri dupliciter, scilicet per artem, et per naturam. Ars autem deficit
ab operatione naturae, quia natura dat formam substantialem, quod ars facere non potest,
sed omnes formae artificiales sunt accidentales; nisi forte apponendo proprium agens
ad propriam materiam, sicut ignem combustibili, per quem modum a quibusdam quaedam
animalia per putrefactionem generantur. Quaecumque igitur transmutatio circa aquam
facta est per artem, sive commiscendo sive alterando, non transmutatur species aquae.
Unde in tali aqua potest fieri Baptismus, nisi forte aqua admisceatur per artem in
tam parva quantitate alicui corpori quod compositum magis sit aliud quam aqua; sicut
lutum magis est terra quam aqua, et vinum lymphatum magis est vinum quam aqua. Sed
transmutatio quae fit a natura, quandoque quidem speciem aquae solvit, et hoc fit
quando aqua efficitur per naturam de substantia alicuius corporis mixti; sicut aqua
conversa in liquorem uvae est vinum, unde non habet speciem aquae. Aliquando autem
fit per naturam transmutatio aquae sine solutione speciei, et hoc tam per alterationem,
sicut patet de aqua calefacta a sole; quam etiam per mixtionem, sicut patet de aqua
fluminis turbida ex permixtione terrestrium partium. Sic igitur dicendum est quod
in qualibet aqua, qualitercumque transmutata, dummodo non solvatur species aquae,
potest fieri Baptismus. Si autem solvatur species aquae, non potest fieri Baptismus. (IIIa q. 66 a. 4 co.)
Het water kan zijn zuiverheid en onvermengdheid op tweeërlei wijze verliezen. Ten
eerste door vermenging met een andere stof, en ten tweede door verandering. Verder
kunnen die beiden insgelijks op twee manieren tot stand komen, kunstmatig namelijk
en natuurlijk. Nu kan de kunst de natuur niet bijhouden, de natuur schenkt immers
een zelfstandige vorm, terwijl de kunst zulks niet vermag. Behalve wanneer men een
eigenlijke bewerkende oorzaak met de stof waarop ze is aangewezen, aldus vuur en brandstof
samenbrengt, of wanneer een mens door verrotting allerlei dieren in het leven roept,
zijn namelijk alle kunstmatige vormen bijkomstigheden. Zo brengt dus een verandering
die, hetzij door vermenging hetzij door een andere bewerking aan water geschiedt,
geen wijziging in de natuur van dat water, en daarom mag, uitgezonderd wanneer water
in zo bitter kleine hoeveelheid kunstmatig met iets anders vermengd wordt dat het
mengsel eerder iets anders is dan wel water, met dergelijk water het doopsel worden
toegediend. Slijk is echter eerder aarde dan water, wijn die met water gemengd werd,
eerder wijn dan water; wat nu veranderingen die door toedoen van de natuur geschieden
betreft, zulke verdrijven weleens de eigen natuur van het water, en dit gebeurt, wanneer
de natuur in de zelfstandigheid van een samengesteld lichaam water verwerkt; zo wordt
water, dat tot druivensap werd omgezet wijn, en behoudt dus niet langer de eigen natuur
van het water. Soms echter geschiedt er een natuurverandering zonder dat daarom de
soort veranderd wordt, en dit geschiedt evenzeer door verandering, zo bijvoorbeeld
wanneer water door de zon verwarmd wordt, alswel door vermenging, zo bij voorbeeld
vertroebelt de aanwezigheid van aarde het water van een stroom. We moeten dus besluiten
dat alle water, hoe het ook moge veranderd worden, zolang de natuur van het eigenlijke
water behouden blijft, voor het doopsel mag gebruikt worden. Wordt integendeel de
natuur van het water prijsgegeven, dan kan er geen doopsel zijn.
Ad primum ergo dicendum quod transmutatio facta in aqua maris, et in aliis aquis quae
penes nos sunt, non est tanta quae solvat speciem aquae. Et ideo in huiusmodi aquis
potest fieri Baptismus. (IIIa q. 66 a. 4 ad 1)
1 — De veranderingen welke zeewater en ook andere wateren die in onze streken voorkomen,
ondergaan zijn niet zo groot dat ze de natuur van water zouden wegnemen, en daarom
mag men met zulk water het doopsel toedienen.
Ad secundum dicendum quod admixtio chrismatis non solvit speciem aquae. Sicut nec
etiam aqua decoctionis carnium, aut aliorum huiusmodi, nisi forte sit facta tanta
resolutio corporum lixatorum in aqua quod liquor plus habeat de aliena substantia
quam de aqua; quod ex spissitudine perspici potest. Si tamen ex liquore sic inspissato
exprimatur aqua subtilis, potest in ea fieri Baptismus, sicut et in aqua quae exprimitur
ex luto, licet in luto Baptismus fieri non possit. (IIIa q. 66 a. 4 ad 2)
2 — De vermenging met chrisma neemt de natuur van water niet weg; ja behalve wanneer die
afgekookte stoffen zozeer worden opgelost, dat de vloeistof voortaan meer vreemde
stoffen dan wel water bedraagt, — en dit valt aan de vastheid te merken, — schiet
water wanneer men er vlees of iets anders mee kookt er zijn natuur niet bij in. Ook
mag, wanneer door die dikke vloeistof water wordt afgescheiden, of nog wanneer uit
slik water gewonnen wordt, met dit water het doopsel worden toegediend; met slik echter
mag men niet dopen.
Ad tertium dicendum quod aqua fluens de latere Christi pendentis in cruce non fuit
humor phlegmaticus, ut quidam dixerunt. In tali enim humore non posset fieri Baptismus,
sicut nec in sanguine animalis, aut in vino, aut in quocumque liquore alicuius plantae.
Fuit autem aqua pura miraculose egrediens a corpore mortuo, sicut et sanguis, ad comprobandam
veritatem dominici corporis, contra Manichaeorum errorem, ut scilicet per aquam, quae
est unum quatuor elementorum, ostenderetur corpus Christi vere fuisse compositum ex
quatuor elementis; per sanguinem vero ostenderetur esse compositum ex quatuor humoribus. (IIIa q. 66 a. 4 ad 3)
3 — Het water dat wanneer Hij aan het kruis hing, uit Christus zijde vloeide was niet
zoals sommigen beweren een limfatische vloeistof, met dergelijk vocht mag immers evenmin
als met het bloed van dieren, met wijn of met gelijk welk vocht dat uit planten gevloeid
is, het doopsel worden toegediend. Uit het lichaam van Christus vloeide integendeel,
om tegen de Manicheërs de werkelijkheid van Christus lichaam te betogen, op wonderbare
wijze echt water met bloed vermengd. Uit dit water, een der vier grondstoffen, moest
namelijk blijken dat het lichaam van Christus uit de vier grondstoffen, uit het bloed
dat het lichaam van Christus, uit de vier lichaamsvochten was samengesteld.
Ad quartum dicendum quod in lixivio, et in aquis sulphureorum balneorum, potest fieri
Baptismus, quia tales aquae non incorporantur per artem vel naturam aliquibus corporibus
mixtis, sed solum alterationem quandam recipiunt ex hoc quod transeunt per aliqua
corpora. (IIIa q. 66 a. 4 ad 4)
4 — Met loogwater en met solferwater uit de badplaatsen, mag omdat dergelijke waters noch
op natuurlijke, noch op kunstmatige wijze met andere stoffen vermengd worden, het
doopsel worden toegediend. Alleen ondergaan ze met door die verschillende stoffen
heen te vloeien een lichte wijziging.
Ad quintum dicendum quod aqua rosacea est liquor rosae resolutus. Unde in ea non potest
fieri Baptismus. Et, eadem ratione, nec in aquis alchimicis, sicut in vino. Nec est
eadem ratio de aquis pluvialibus, quae generantur ex maiori parte ex subtiliatione
vaporum resolutorum ex aquis, minimum autem ibi est de liquoribus corporum mixtorum,
qui tamen per huiusmodi sublimationem, virtute naturae, quae est fortior arte, resolvuntur
in veram aquam, quod ars facere non potest. Unde aqua pluvialis nullam proprietatem
retinet alicuius corporis mixti, quod de aquis rosaceis et de aquis alchimicis dici
non potest. (IIIa q. 66 a. 4 ad 5)
5 — Rozewater is opgelost rozenvocht, en zo mag daarmee niet gedoopt worden. Hetzelfde
bezwaar geldt voor alchemisch water en voor wijn, echter niet voor regenwater; dit
laatste toch is voor het grootste deel een sublimaat van damp, die op zijn beurt zelf
van water voortkomt. Zo is in regenwater een minimum vermengde vloeistoffen aanwezig,
die zij door de natuur die krachtiger ingrijpt dan welke kunstmatige bewerking ook,
in echt water werden opgelost. Dit nu kan niet op kunstmatige wijze geschieden en
zo biedt bijgevolg regenwater niet de eigenschappen van samengestelde lichamen. Van
rozewater en van alchemische waters integendeel kan zulks niet worden gezegd.
Articulus 5. Zijn de woorden « Ik doop u in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes
» voor het doopsel een passende vorm?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod haec non sit conveniens forma Baptismi, ego
te baptizo in nomine patris et filii et spiritus sancti. Actus enim magis debet attribui
principali agenti quam ministro. Sed in sacramento minister agit ut instrumentum,
ut supra dictum est, principale autem agens in Baptismo est Christus, secundum illud
Ioan. I, super quem videris spiritum descendentem et manentem, hic est qui baptizat.
Inconvenienter ergo minister dicit, ego te baptizo, praesertim quia in hoc quod dicitur
baptizo, intelligitur ego, et sic videtur superflue apponi. (IIIa q. 66 a. 5 arg. 1)
1 — Men beweert dat de woorden: « Ik doop u in de naam des Vaders, des Zoons en des heiligen
Geestes » voor het doopsel geen passende vorm zijn. Een daad moet eerder aan de bewerkende
hoofdoorzaak dan wel aan de bedienaar worden toegeschreven. In de sacramenten nu,
werkt de bedienaar, zoals hierboven (64° Kw., 1° Art.) werd aangetoond enkel als een
werktuig. Daar nu in het doopsel de bewerkende hoofdoorzaak Christus is, — we lezen
toch in het Evangelie van Joan. (1, 33): « Op wie gij de Geest zult zien nederdalen,
en rusten, die is het die in de heilige Geest doopt. », — zo past het niet dat de
bedienaar zou zeggen: « Ik doop u »; daarbij komt nog dat in het woord: « Baptizo
» het woordje « ik » reeds bevat ligt en zo wordt het hier dus zonder reden bijgevoegd.
Praeterea, non oportet quod ille qui aliquem actum exercet, de actu exercito faciat
mentionem, sicut ille qui docet, non oportet quod dicat, ego vos doceo. Dominus autem
simul tradidit praeceptum baptizandi et docendi, dicens, euntes, docete omnes gentes,
et cetera. Ergo non oportet quod in forma Baptismi fiat mentio de actu Baptismi. (IIIa q. 66 a. 5 arg. 2)
2 — Wanneer men juist met iets bezig is, is het overbodig uitdrukkelijk te zeggen wat
men verricht; zo bijvoorbeeld dient iemand, als hij onderwijst niet te zeggen: « Ik
onderwijs u. » De Heer echter heeft op hetzelfde ogenblik het bevel gegeven te dopen
en te onderwijzen. Hij zei namelijk bij Mt. (28, 19): Gaat en onderwijst alle volkeren...
enz... » Zo is het dus overbodig in de vorm van het doopsel van de doophandeling melding
te maken.
Praeterea, ille qui baptizatur, quandoque non intelligit verba, puta si sit surdus
aut puer. Frustra autem ad talem sermo dirigitur, secundum illud Eccli., ubi non est
auditus, non effundas sermonem. Ergo inconvenienter dicitur, ego te baptizo, sermone
directo ad eum qui baptizatur. (IIIa q. 66 a. 5 arg. 3)
3 — Hij die gedoopt wordt verstaat weleens de woorden niet, zo bijvoorbeeld een dove of
een klein kind dat gedoopt wordt. Tot zulke is het dus overbodig te spreken; de Eccl.
(32, 6) zegt immers: « Waar men u niet horen kan, daar moet je ook niet spreken. »
— Zo is het dan overbodig tot degenen die men doopt te zeggen: « Ik doop u. »
Praeterea, contingit simul plures baptizari a pluribus, sicut apostoli baptizaverunt
una die tria millia, et alia die quinque millia, ut dicitur Act. II et IV. Non ergo
debet forma Baptismi determinari in singulari numero, ut dicatur, ego te baptizo,
sed potest dici, nos vos baptizamus. (IIIa q. 66 a. 5 arg. 4)
4 — Het kan gebeuren dat vele samen en wel door verschillenden gedoopt worden; zo gebeurde
bijvoorbeeld wanneer de apostelen naar hetgeen in de Hand. der Apost. (2, 41) en 4,
4) geschreven staat op één dag drie duizend mensen doopten en op een andere dag vijf
duizend. Zo moet de vorm van het doopsel niet tot het enkelvoud beperkt blijven, zo
dat men zou zeggen: « Ik doop u » maar men mag evengoed zeggen: Wij dopen u ».
Praeterea, Baptismus virtutem habet a passione Christi. Sed per formam Baptismus sanctificatur.
Ergo videtur quod in forma Baptismi debeat fieri mentio de passione Christi. (IIIa q. 66 a. 5 arg. 5)
5 — Het doopsel betrekt zijn kracht van het lijden van Christus. Welnu, daar het doopsel
door de vorm geheiligd wordt, zo moet in de vorm van het doopsel, van het lijden van
Christus melding gemaakt worden.
Praeterea, nomen designat proprietatem rei. Sed tres sunt proprietates personales
divinarum personarum, ut in prima parte dictum est. Non ergo debet dici, in nomine
patris et filii et spiritus sancti, sed, in nominibus. (IIIa q. 66 a. 5 arg. 6)
6 — Een naam geeft de eigenschappen van iets te kennen. Welnu, bij de goddelijke personen
zijn er, zoals overigens uit hetgeen we in het Eerste Deel (32e Kw., 3e Art.) zegden
blijkt, drie persoonlijke eigenschappen. Zo moet men dus niet zeggen « in naam » maar
wel : « in de namen ».
Praeterea, persona patris non solum significatur nomine patris, sed etiam nomine innascibilis
et genitoris; filius etiam significatur nomine verbi et imaginis et geniti; spiritus
etiam sanctus potest significari nomine doni et amoris, et nomine procedentis. Ergo
videtur quod etiam his nominibus utendo perficitur Baptismus. (IIIa q. 66 a. 5 arg. 7)
7 — De persoon van God de Vader wordt niet enkel aangeduid door de naam: « Vader », maar
ook door de naam: « Ongeborene » en « Voortbrenger ». De persoon van de Zoon door
« Woord », « Beeltenis », en « Voortgebrachte»; de H. Geest eindelijk kan men « Gave
» of ook « Voortkomende liefde » noemen. Zo kan dus ook als men die namen gebruikt
het doopsel worden toegediend.
Sed contra est quod dominus dicit, Matth. ult., euntes, docete omnes gentes, baptizantes
eos in nomine patris et filii et spiritus sancti. (IIIa q. 66 a. 5 s. c.)
Daartegenover staat echter wat de Heer gezegd heeft bij Mat. (28, 19): « Gaat en onderwijs
alle volkeren, ze dopend in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes.
»
Respondeo dicendum quod Baptismus per suam formam consecratur, secundum illud Ephes.
V, mundans eam lavacro aquae in verbo vitae, et Augustinus dicit, in libro de unico
Baptismo, quod Baptismus verbis evangelicis consecratur. Et ideo oportet quod in forma
Baptismi exprimatur causa Baptismi. Est autem eius duplex causa, una quidem principalis,
a qua virtutem habet, quae est sancta Trinitas; alia autem est instrumentalis, scilicet
minister, qui tradit exterius sacramentum. Et ideo debet in forma Baptismi de utraque
fieri mentio. Minister autem tangitur cum dicitur, ego te baptizo, causa autem principalis,
cum dicitur, in nomine patris et filii et spiritus sancti. Unde haec est conveniens
forma Baptismi, ego te baptizo in nomine patris et filii et spiritus sancti. (IIIa q. 66 a. 5 co.)
In de Brief aan de Ephesiërs (5, 26) staat geschreven dat het doopsel door zijn vorm
« met n.l. de kerk met behulp van een bad van water in het woord des levens te reinigen
» geheiligd wordt. En de heilige Augustinus, zegt in zijn Boek « Over het Doopsel
tegen de Donatisten » (4, 5 en 6, 25) dat: « Het doopsel door de evangelische woorden
geheiligd wordt. » Daarom is het nodig dat de oorzaak van het doopsel in de vorm zou
aangeduid worden. Het doopsel nu heeft een dubbele oorzaak, een hoofdoorzaak waarvan
het zijn kracht betrekt, de heilige Drievuldigheid nl., en een werktuigelijke oorzaak,
de bedienaar nl. die uiterlijk het sacrament toedient. Zo moet dan ook in de vorm
van het doopsel van beiden gesproken worden; de bedienaar wordt nl. aangeduid, wanneer
men zegt: « Ik doop », de hoofdoorzaak wanneer men zegt « in de naam des Vaders en
des Zoons en des heiligen Geestes ». En zo is dus de behoorlijke vorm van het doopsel:
« Ik doop u in de naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes ».
Ad primum ergo dicendum quod actio attribuitur instrumento sicut immediate agenti,
attribuitur autem principali agenti sicut in cuius virtute instrumentum agit. Et ideo
in forma Baptismi convenienter significatur minister ut exercens actum Baptismi, per
hoc quod dicitur, ego te baptizo, et ipse dominus baptizandi actum attribuit ministris,
dicens, baptizantes eos, et cetera. Causa autem principalis significatur ut in cuius
virtute sacramentum agitur, per hoc quod dicitur, in nomine patris et filii et spiritus
sancti, non enim Christus baptizat sine patre et spiritu sancto. Graeci autem non
attribuunt actum Baptismi ministris, ad evitandum antiquorum errorem, qui virtutem
Baptismi Baptistis attribuebant, dicentes, ego sum Pauli, et ego Cephae. Et ideo dicunt,
baptizetur servus Christi talis in nomine patris, et cetera. Et quia exprimitur actus
exercitus per ministrum cum invocatione Trinitatis, verum perficitur sacramentum.
Quod autem additur ego in forma nostra, non est de substantia formae, sed ponitur
ad maiorem expressionem intentionis. (IIIa q. 66 a. 5 ad 1)
1 — De handeling wordt aan het werktuig als aan de onmiddellijk bewerkende oorzaak, aan
de bewerkende hoofdoorzaak als aan hem, met wiens kracht het werktuig handelt toegeschreven.
Zo wordt dan de bedienaar die de daad te dopen stelt, door de woorden « Ik doop u
» naar behoren aangeduid; zo toch heeft de Heer zelf, zeggende « ze dopende enz. »
de bedienaar gemachtigd om te dopen. De hoofdoorzaak integendeel wordt met de woorden
« in de naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes » aangeduid als zij uit
wier naam het sacrament nawerkt; Christus doopt immers zonder de Vader noch zonder
de heilige Geest. De Grieken echter kennen de daad te dopen niet aan de bedienaren
toe, dit om die dwaling van de ouden, die de kracht van het doopsel aan degenen die
doopten toeschreven en zeiden: « Ik ben van Paulus en ik ben van Cephas » te keer
te gaan. Daarom zeggen ze dan: « dat deze dienaar van Christus gedoopt worde in de
naam des Vaders enz. » en omdat hier het werk van de bedienaar onder aanroeping van
de heilige Drievuldigheid uitdrukkelijk wordt aangeduid, daarom wordt aldus het doopsel
waarachtig toegediend. Dat nu in onze vorm het woordje « Ik » wordt ingelascht betreft
niet de zelfstandigheid van de vorm, maar dit wordt alleen gedaan om het opzet meer
klem bij te zetten.
Ad secundum dicendum quod, quia ablutio hominis in aqua propter multa fieri potest,
oportet quod determinetur in verbis formae ad quid fiat. Quod quidem non fit per hoc
quod dicitur, in nomine patris et filii et spiritus sancti, quia omnia in tali nomine
facere debemus, ut habetur Coloss. III. Et ideo, si non exprimatur actus Baptismi,
vel per modum nostrum vel per modum Graecorum, non perficitur sacramentum, secundum
illam decretalem Alexandri III, si quis puerum ter in aquam merserit in nomine patris
et filii et spiritus sancti amen, et non dixerit, ego te baptizo in nomine patris
et filii et spiritus sancti amen, non est puer baptizatus. (IIIa q. 66 a. 5 ad 2)
2 — Omdat een wassing met water tot allerlei doeleinden kan geschieden, daarom is het
noodig in de woorden van de vorm te bepalen waartoe ze wordt aangewend. Dit gebeurt
echter niet wanneer men zegt « In de naam des Vaders en des Zoons en des heiligen
Geestes », want in die naam moeten we feitelijk alles doen; zo staat er toch geschreven
in de Brief aan de Colossenzen (3. 17). Daarom ook wordt, wanneer de daad te dopen
niet, hetzij zoals bij de latijnen, hetzij zoals bij de grieken wordt uitgedrukt,
het doopsel ongeldig toegediend. Paus Alexander de derde zegt immers (Van het doopsel
en zijn uitwerksels, Decretaal « Si Quis ») : « Indien men het kind driemaal in de
naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes Amen. in het water dompelt, en
niet zegt dopend ik doop u in de naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes
Amen, dan is het kind niet gedoopt. »
Ad tertium dicendum quod verba quae proferuntur in formis sacramentorum, non pronuntiantur
solum causa significandi, sed etiam causa efficiendi, inquantum habent efficaciam
ab illo verbo per quod facta sunt omnia. Et ideo convenienter diriguntur non solum
ad homines, sed etiam ad creaturas insensibiles, ut cum dicitur, exorcizo te, creatura
salis. (IIIa q. 66 a. 5 ad 3)
3 — De woorden die in de vorm van de sacramenten worden uitgesproken, worden dit niet
alleen om iets te kennen te geven, maar ook om, in zover ze hun kracht van het « Woord
» waardoor alles gemaakt werd betrekken, iets te weeg brengen. Daarom is het zelfs
passend, niet alleen tot mensen die ze niet begrijpen, maar ook tot levenloze wezens
te richten, zo bijvoorbeeld wanneer gezegd wordt: « Ik bezweer u, zout dat geschapen
is. »
Ad quartum dicendum quod plures simul non possunt unum baptizare, quia actus multiplicatur
secundum multiplicationem agentium, si perfecte ab unoquoque agatur. Et sic, si convenirent
duo quorum unus esset mutus, qui non posset proferre verba, et alius carens manibus,
qui non posset exercere actum, non possent ambo simul baptizare, uno dicente verba
et alio exercente actum. Possunt autem, si necessitas exigit, plures simul baptizari,
quia nullus eorum recipiet nisi unum Baptismum. Sed tunc oportebit dicere, ego baptizo
vos. Nec erit mutatio formae, quia vos nihil aliud est quam te et te. Quod autem dicitur
nos, non est idem quod ego et ego, sed, ego et tu, et sic iam mutaretur forma. Similiter
autem mutaretur forma si diceretur, ego baptizo me. Et ideo nullus potest baptizare
seipsum. Propter quod etiam Christus a Ioanne voluit baptizari, ut dicitur extra,
de Baptismo et eius effectu, cap. debitum. (IIIa q. 66 a. 5 ad 4)
4 — Het gaat niet aan dat velen samen één mens zouden dopen; de menselijke daden worden
immers als elk alles naar behoren doet overeenkomstig het aantal mensen die handelend
optreden vermenigvuldigd, ook zouden indien twee mensen samen kwamen, en de eerste
stom was, en de woorden niet kon uitspreken, terwijl de andere geen handen had, en
de doopdaad niet kon stellen, dan zouden, indien de ene de woorden uitsprak en de
andere doopte, beiden samen, niet het doopsel toedienen. Daarentegen kunnen wanneer
er nood is velen samen gedoopt worden, elk van hen ontvangt immers maar één enkel
doopsel. In dat geval moet echter gezegd worden: « Ik doop Ulieden. » — dat brengt
overigens geen wijziging in de vorm mee, het woordje « Ulieden » betekent immers niets
anders dan U en U. Wat nu het woordje wij betreft, dat is niet hetzelfde als ik en
ik, maar het betekent ik en gij, en zo is er hier wel vormverandering. Zo ook als
men zegt: « Ik doop mij ». Niemand mag dus zich zelf dopen, en daarom wilde, zoals
in Innocentius de derde in de Decretaliën getuigt, Christus door Johannes gedoopt
worden.
Ad quintum dicendum quod passio Christi, etsi sit principalis causa respectu ministri,
est tamen causa instrumentalis respectu sanctae Trinitatis. Et ideo potius commemoratur
Trinitas quam passio Christi. (IIIa q. 66 a. 5 ad 5)
5 — Al is het lijden van Christus ten opzichte van de bedienaar hoofdoorzaak, in de verhouding
tot de heilige Drievuldigheid is het enkel werktuig, en daarom is het meer geraden
aan de heilige Drievuldigheid, dan wel aan het lijden van Christus te herinneren.
Ad sextum dicendum quod, etsi sint tria nomina personalia trium personarum, est tamen
unum nomen essentiale. Virtus autem divina, quae operatur in Baptismo, ad essentiam
pertinet. Et ideo dicitur in nomine, et non in nominibus. (IIIa q. 66 a. 5 ad 6)
6 — Alhoewel de drie personen elk een verschillende persoonsnaam hebben, toch hebben ze
maar één wezensnaam. Welnu, de goddelijke kracht die in het doopsel werkzaam is, gaat
op de wezenheid terug, en daarom zegt men « in de naam » en niet « in de namen ».
Ad septimum dicendum quod, sicut aqua sumitur ad Baptismum quia eius usus est communior
ad abluendum, ita ad significandum tres personas in forma Baptismi assumuntur illa
nomina quibus communius consueverunt nominari personae in illa lingua. Nec in aliis
nominibus perficitur sacramentum. (IIIa q. 66 a. 5 ad 7)
7 — Zoals men, omdat dit gewoonlijk gebruikt wordt, om te wassen, bij het doopsel water
gebruikt, zo ook gebruikt men in de vorm van het doopsel om de drie personen te kennen
te geven de namen waarmee in een bepaalde taal doorgaans die personen worden aangeduid,
en met andere namen wordt het sacrament ongeldig toegediend.
Articulus 6. Mag het doopsel in de naam van Christus worden toegediend?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod in nomine Christi possit dari Baptismus. Sicut
enim una est fides, et unum Baptisma, ut dicitur Ephes. IV. Sed Act. VIII dicitur
quod in nomine Iesu Christi baptizabantur viri et mulieres. Ergo etiam nunc potest
dari Baptismus in nomine Christi. (IIIa q. 66 a. 6 arg. 1)
1 — Men beweert dat het doopsel in de naam van Christus mag worden toegediend. Zoals er
maar één geloof is, zo is er ook, naar hetgeen in de Brief aan de Ephesiërs (4, 5)
gezegd wordt, maar één doopsel. Welnu in de Handelingen der Apostelen (8, 12) staat
er geschreven, dat « mannen en vrouwen gedoopt werden in de naam van Christus. » Zo
mag men dus ook nog op onze dagen in de naam van Christus het doopsel toedienen.
Praeterea, Ambrosius dicit, si Christum dicas, et patrem, a quo unctus est, et ipsum
qui unctus est, filium, et spiritum, quo unctus est, designasti. Sed in nomine Trinitatis
potest fieri Baptismus. Ergo et in nomine Christi. (IIIa q. 66 a. 6 arg. 2)
2 — In zijn Boek « Over de Heilige Geest » (13) zegt St. Ambrosius het volgende: « Zodra
je Christus vernoemt, maakt je van de Vader die Christus zalfde, van de Zoon die gezalfd
werd, en van de heilige Geest, door wie Christus gezalfd werd melding. » — Welnu,
het doopsel mag in de naam der heilige Drievuldigheid worden toegediend. Dus ook in
de naam van Christus.
Praeterea, Nicolaus Papa, ad consulta Bulgarorum respondens, dicit, qui in nomine
sanctae Trinitatis, vel tantum in nomine Christi, sicut in actibus apostolorum legitur,
baptizati sunt, unum quippe idemque est, ut sanctus ait Ambrosius, rebaptizari non
debent. Rebaptizarentur autem si in hac forma baptizati sacramentum Baptismi non reciperent.
Ergo potest consecrari Baptismus in nomine Christi sub hac forma, ego te baptizo in
nomine Christi. (IIIa q. 66 a. 6 arg. 3)
3 — Paus Nikolaas de eerste, antwoordde in de Decretaliën (CIV° Antwoord, 4° dist. de
consecr. cap. A. quodam) op een vraag van de Bulgaren het volgende: « Degenen die
zoals we in de Handelingen der Apostelen lezen in naam der Heilige Drievuldigheid
of enkel in naam van Christus gedoopt zijn, — dat komt immers na de H. Ambrosius zegt,
overeen uit, — moeten niet herdoopt worden. » — Welnu, indien die doopvorm het doopsel
ongeldig maakte, dan zouden we moeten herdoopt worden. Zo mag het doopsel dus met
deze vorm « Ik doop u in de naam van Christus » in de naam van Christus worden toegediend.
Sed contra est quod Pelagius Papa scribit Gaudentio episcopo, si hi qui in locis dilectionis
tuae vicinis commorari dicuntur, se solummodo in nomine domini baptizatos fuisse confitentur,
sine cuiusquam dubitationis ambiguo, eos ad fidem Catholicam venientes in sanctae
Trinitatis nomine baptizabis. Didymus etiam dicit, in libro de spiritu sancto, licet
quis possit existere mentis alienae qui ita baptizaret ut unum de praedictis nominibus,
scilicet trium personarum, praetermittat, sine perfectione baptizabit. (IIIa q. 66 a. 6 s. c.)
Daartegenover staat echter wat Paus Pelagius in de Decretaliën (4° Dist. De consecr.
Cap. Si revera.) aan Bisschop Gaudentius schreef: « Indien degenen die op plaatsen
wonen die u nauw aan het hart liggen getuigen dat ze enkel in de naam des Heren gedoopt
werden, dan meen ik dat ze zonder de minste twijfel, wanneer ze tot het katholiek
geloof terug komen, moeten in naam der heilige Drievuldigheid herdoopt worden. » Didymus
zegt overigens in zijn Boek over de H. Geest (2° Boek): « Indien iemand zo verhard
en zo verblind was, bij het doopsel een van de drie namen der heilige Drievuldigheid
over te slaan, dan ware dit doopsel ongeldig. »
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, sacramenta habent efficaciam ab institutione
Christi. Et ideo, si praetermittatur aliquid eorum quae Christus instituit circa aliquod
sacramentum, efficacia caret, nisi ex speciali dispensatione eius, qui virtutem suam
sacramentis non alligavit. Christus autem instituit sacramentum Baptismi dari cum
invocatione Trinitatis. Et ideo quidquid desit ad invocationem plenam Trinitatis,
tollit integritatem Baptismi. Nec obstat quod in nomine unius personae intelligitur
alia, sicut in nomine patris intelligitur filius; aut quod ille qui nominat unam solam
personam, potest habere rectam fidem de tribus. Quia ad sacramentum, sicut requiritur
materia sensibilis, ita et forma sensibilis. Unde non sufficit intellectus vel fides
Trinitatis ad perfectionem sacramenti, nisi sensibilibus verbis Trinitas exprimatur.
Unde et in Baptismo Christi, ubi fuit origo sanctificationis nostri Baptismi, affuit
Trinitas sensibilibus, scilicet pater in voce, filius in humana natura, spiritus sanctus
in columba. (IIIa q. 66 a. 6 co.)
Zoals we in het tweede artikel dezer Kw. zeiden, betrekken de sacramenten hun kracht
van hun instelling door Christus. Wordt dus iets van wat Christus omtrent de sacramenten
bepaalde overgeslagen, dan hebben deze, behalve wanneer hij zelf die zijn macht niet
aan bewuste sacramenten aanbond ontslaging geeft, geen kracht. Welnu, Christus heeft
bevolen het doopsel onder aanroeping van de heilige Drievuldigheid toe te dienen,
en bijgevolg neemt alles wat de aanroeping van de heilige Drievuldigheid onvolledig
maakt, de geldigheid van het doopsel weg. Dat nu zoals de naam van de Vader de naam
van de Zoon, de naam van één persoon, de naam van de andere personen, veronderstelt,
doet niets ter zake; dat hij die maar één persoon vermeldt best kan omtrent alle drie
een rechtzinnig geloof hebben, evenmin. Zoals immers voor een sacrament een zintuigelijk
waarneembare stof vereist wordt, zo ook is er een zintuigelijke waarneembare vorm
nodig. Zo kan dan, behalve wanneer de heilige Drievuldigheid met zintuigelijk waarneembare
woorden vernoemd wordt, kennis van noch geloof aan de heilige Drievuldigheid, voor
de kennis van het sacrament volstaan. Daarom was ook bij het doopsel van Christus,
waar ons doopsel geheiligd werd, de heilige Drievuldigheid in zintuigelijk waarneembare
tekenen, de Vader namelijk in de stem die sprak, de Zoon in de menselijke natuur,
en de heilige Geest in een duif aanwezig.
Ad primum ergo dicendum quod ex speciali Christi revelatione apostoli in primitiva
Ecclesia in nomine Christi baptizabant, ut nomen Christi, quod erat odiosum Iudaeis
et gentibus, honorabile redderetur, per hoc quod ad eius invocationem spiritus sanctus
dabatur in Baptismo. (IIIa q. 66 a. 6 ad 1)
1 — Op grond van een bijzondere openbaring van Christus, doopten in de primitieve Kerk
de apostelen in naam van Christus. Aldus moest namelijk de naam van Christus, die
door Joden en Heidenen gehaat werd, nu bij het doopsel de heilige Geest onder aanroeping
van die naam gegeven werd, eerbiedwaardig worden.
Ad secundum dicendum quod Ambrosius assignat rationem quare convenienter talis dispensatio
fieri potuit in primitiva Ecclesia, quia scilicet in nomine Christi tota Trinitas
intelligitur; et ideo servabatur ad minus integritate intelligibili forma quam Christus
tradidit in Evangelio. (IIIa q. 66 a. 6 ad 2)
2 — De heilige Ambrosius geeft de reden aan, waarom het bij de aanvang van de kerk paste,
een dergelijke ontslaging te verlenen: de hele heilige Drievuldigheid, was nl. in
de naam van Christus begrepen. Zo bewaarde men dus de vorm die Christus in het Evangelie
had achtergelaten, op zijn minst met een begrijpelijke volkomenheid.
Ad tertium dicendum quod Nicolaus Papa dictum suum confirmat ex duobus praemissis.
Et ideo eius responsio patet ex primis duabus solutionibus. (IIIa q. 66 a. 6 ad 3)
3 — Paus Nicolaas de I°, steunt bij zijn bevestiging op de twee hier even aangegeven gronden
en bijgevolg ligt hier de oplossing in de twee vorige antwoorden besloten.
Articulus 7. Wordt de dompeling in het water voor de geldigheid van het doopsel vereist?
Ad septimum sic proceditur. Videtur quod immersio in aqua sit de necessitate Baptismi.
Ut enim dicitur Ephes. IV, una fides, unum Baptisma. Sed apud multos communis modus
baptizandi est per immersionem. Ergo videtur quod non possit esse Baptismus sine immersione. (IIIa q. 66 a. 7 arg. 1)
1 — Men beweert dat de waterindompeling voor de geldigheid van het doopsel een vereiste
is. In de Brief aan de Ephesiërs, (4, 6) staat er geschreven: « Daar is maar één geloof
en één doopsel. » Welnu, bij velen is de gewone manier van dopen de indompeling, en
zo kan dus zonder indompeling het doopsel niet geldig worden toegediend.
Praeterea, apostolus dicit, Rom. VI, quicumque baptizati sumus in Christo Iesu, in
morte ipsius baptizati sumus, consepulti enim sumus cum illo per Baptismum in morte.
Sed hoc fit per immersionem, dicit enim Chrysostomus, super illud Ioan. III, nisi
quis renatus fuerit ex aqua et spiritu sancto, etc., sicut in quodam sepulcro, in
aqua, submergentibus nobis capita, vetus homo sepelitur, et submersus deorsum occultatur,
deinde novus rursus ascendit. Ergo videtur quod immersio sit de necessitate Baptismi. (IIIa q. 66 a. 7 arg. 2)
2 — De Apostel zegt in de Brief aan de Romeinen (6, 3) : « Of weet gij niet dat we allen
die in Christus-Jezus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt zijn? Begraven zijn we dan
met Hem door het doopsel in de dood. » Welnu, dit geschiedt door indompeling; op de
woorden van Joannes : « Indien iemand niet uit het water en de heilige Geest wordt
wedergeboren enz... » zegt immers de heilige Joannes Chrysostomus (Homil. 34) : «
De oude mens wordt in het water dat zijn hoofd bedekt als in een graf begraven, en
ondergedompeld blijft hij verborgen, tot hij als nieuw mens weer naar boven komt.
» Zo wordt dus voor het doopsel de indompeling vereist.
Praeterea, si sine immersione totius corporis posset fieri Baptismus, sequeretur quod
pari ratione sufficeret quamlibet partem aqua perfundi. Sed hoc videtur inconveniens,
quia originale peccatum, contra quod praecipue datur Baptismus, non est in una tantum
corporis parte. Ergo videtur quod requiratur immersio ad Baptismum, et non sufficiat
sola aspersio. (IIIa q. 66 a. 7 arg. 3)
3 — Indien zonder indompeling van het hele lichaam het doopsel mogelijk was, dan zou het
om die reden ook volstaan, om het even welk lichaamsdeel met water te begieten. Welnu,
dit is onmogelijk; de erfzonde toch waartegen het doopsel vooral werd ingesteld hoort
in het hele lichaam thuis. Zo wordt dan bij het doopsel de indompeling vereist en
is een besproeing zonder meer niet voldoende.
Sed contra est quod Heb. X dicitur, accedamus ad eum vero corde in plenitudine fidei,
aspersi corda a conscientia mala, et abluti corpus aqua munda. (IIIa q. 66 a. 7 s. c.)
Daartegenover staat echter wat in de Brief aan de Hebreërs (10, 22) gezegd wordt :
« Laten wij met een oprecht hart in een voldragen geloof vooruit treden, met een hart
nl. dat van een boos geweten gereinigd werd en met een lichaam dat met zuiver water
gewassen is. »
Respondeo dicendum quod aqua assumitur in sacramento Baptismi ad usum ablutionis corporalis,
per quam significatur interior ablutio peccatorum. Ablutio autem fieri potest per
aquam non solum per modum immersionis, sed etiam per modum aspersionis vel effusionis.
Et ideo, quamvis tutius sit baptizare per modum immersionis, quia hoc habet communior
usus; potest tamen fieri Baptismus per modum aspersionis; vel etiam per modum effusionis,
secundum illud Ezech. XXXVI, effundam super vos aquam mundam, sicut et beatus Laurentius
legitur baptizasse. Et hoc praecipue propter necessitatem. Vel quia est magna multitudo
baptizandorum, sicut patet Act. II et IV, ubi dicitur quod crediderunt una die tria
millia, et alia quinque millia. Quandoque autem potest imminere necessitas propter
paucitatem aquae; vel propter debilitatem ministri, qui non potest sustentare baptizandum;
vel propter debilitatem baptizandi, cui posset imminere periculum mortis ex immersione.
Et ideo dicendum est quod immersio non est de necessitate Baptismi. (IIIa q. 66 a. 7 co.)
Het water wordt in het sacrament van het doopsel gebruikt om het lichaam te wassen,
en daardoor wordt de innerlijke rein-wassing van zonde betekend. De wassing met water
kan echter niet alleen door indompeling maar ook door besproeiing en begieting geschieden,
en zo kan het doopsel, — hoewel het veiliger is door indompeling te dopen, dit is
immers de gebruikelijke manier, — volgens de woorden van de Profeet Ezechiël (36,
25) : « Ik zal over u zuiver water doen vloeien », niettemin ook door besproeiing
en door begieting worden toegediend. Zo wordt bv. gezegd dat de gelukzalige Laurentius
op die wijze het doopsel toediende. Dit geschiedt dan meestal om een dringende noodzakelijkheid
: ofwel omdat een grote menigte moet gedoopt worden, zo bv. wordt in de Handelingen
der Apostelen (2, 41 en 4, 4) gezegd dat op één dag het aantal gelovigen met 3.000
steeg, en op een andere dag met 5.000, — ofwel kan er ook naar aanleiding van schaarste
van water nood zijn, of nog omdat de bedienaar niet krachtig genoeg is om de gedoopte
te ondersteunen, of eindelijk ook omdat de dopeling uit hoofde van zwakheid zou gevaar
lopen de indompeling te besterven. Zo mag dus gezegd worden dat de indompeling voor
de geldigheid van het doopsel niet vereist wordt.
Ad primum ergo dicendum quod ea quae sunt per accidens, non variant substantiam rei.
Per se autem requiritur ad Baptismum corporalis ablutio per aquam, unde et Baptismus
lavacrum nominatur, secundum illud Ephes. V, mundans eam lavacro aquae in verbo vitae.
Sed quod fiat ablutio hoc vel illo modo, accidit Baptismo. Et ideo talis diversitas
non tollit unitatem Baptismi. (IIIa q. 66 a. 7 ad 1)
1 — Wat alleen het bijkomstige betreft wijzigt de zelfstandigheid niet. Welnu, op grond
van zijn geaardheid wordt voor het doopsel een lichamelijke wassing met water vereist,
daarom toch wordt het doopsel overeenkomstig de woorden uit de Brief aan de Ephesiërs
(5, 25): « Door haar met het woord des levens in een waterbad te reinigen. », een
waterbad genoemd. Dat nu die wassing op die of gene manier geschiedt is voor het doopsel
van bijkomstig belang, en daarom doet die verscheidenheid de eenheid van het doopsel
lang niet te niet.
Ad secundum dicendum quod in immersione expressius repraesentatur figura sepulturae
Christi, et ideo hic modus baptizandi est communior et laudabilior. Sed in aliis modis
baptizandi repraesentatur aliquo modo, licet non ita expresse, nam, quocumque modo
fiat ablutio, corpus hominis, vel aliqua pars eius, aquae supponitur, sicut corpus
Christi fuit positum sub terra. (IIIa q. 66 a. 7 ad 2)
2 — Door indompeling wordt Christus' begrafenis meer gelijkend weergegeven en daarom is
die manier van dopen meer in zwang en verdient ze ook meer lof. Door de andere manieren
waarop het doopsel wordt toegediend, wordt dit echter ook te kennen gegeven, maar
niet zo uitdrukkelijk; om het even immers op welke wijze een wassing geschiedt, steeds
wordt het lichaam van de mens of een deel ervan, zoals het lichaam van Christus bedekt
werd met water overgoten.
Ad tertium dicendum quod principalis pars corporis, praecipue quantum ad exteriora
membra, est caput, in quo vigent omnes sensus et interiores et exteriores. Et ideo,
si totum corpus aqua non possit perfundi, propter aquae paucitatem vel propter aliquam
aliam causam, oportet caput perfundere, in quo manifestatur principium animalis vitae.
Et licet per membra quae generationi deserviunt peccatum originale traducatur, non
tamen sunt membra illa potius aspergenda quam caput, quia per Baptismum non tollitur
transmissio originalis in prolem per actum generationis, sed liberatur anima a macula
et reatu peccati quod incurrit. Et ideo debet praecipue lavari illa pars corporis
in qua manifestantur opera animae. In veteri tamen lege remedium contra originale
peccatum institutum erat in membro generationis, quia adhuc ille per quem originale
erat amovendum, nasciturus erat ex semine Abrahae, cuius fidem circumcisio significabat,
ut dicitur Rom. IV. (IIIa q. 66 a. 7 ad 3)
3 — Het bijzonderste deel van het lichaam is, vooral wanneer het om de uiterlijke ledematen
gaat, het hoofd, waar alle zintuigen, zo inwendige als uitwendige voorkomen. Wanneer
bijgevolg om reden van gebrek aan water of om een andere reden niet het gehele lichaam
kan gewassen worden, dan is het voldoende het hoofd, waar het beginsel van het zintuigelijke
leven zich openbaart, te wassen. Ja, wordt de erfzonde door de lichaamsdelen die op
de voortplanting aangewezen zijn overgemaakt, dan volgt nog niet dat die lichaamsdelen
eerder dan het hoofd moeten gewassen worden: de voortzetting van de erfzonde in het
nageslacht door de voortplanting wordt immers door het doopsel niet weggenomen, maar
alleen wordt de ziel van de vlek en van de schuld van zonden die ze opliep bevrijd.
Daarom dan moet vooral dit deel van het lichaam gewassen worden, waar de werking der
ziel openbaar wordt, en werd onder de oude wet het geneesmiddel tegen de erfzonde
aan het geslachtsdeel aangebracht, dan was zulks omdat Hij door wiens toedoen de erfzonde
moest verdelgd worden, nog uit het geslacht van Abraham moest geboren worden. De besnijdenis
toch, betekende naar hetgeen in de Brief aan de Romeinen (4, 11) geschreven staat
het geloof in Abraham.
Articulus 8. Wordt er voor de geldigheid van het doopsel een driedubbele indompeling vereist?
Ad octavum sic proceditur. Videtur quod trina immersio sit de necessitate Baptismi.
Dicit enim Augustinus, in quodam sermone de symbolo ad baptizatos, recte tertio mersi
estis, quia accepistis Baptismum in nomine Trinitatis. Recte tertio mersi estis, quia
accepistis Baptismum in nomine Iesu Christi, qui tertia die resurrexit a mortuis.
Illa enim tertio repetita immersio typum dominicae exprimit sepulturae, per quam Christo
consepulti estis in Baptismo. Sed utrumque videtur ad necessitatem Baptismi pertinere,
scilicet et quod significetur in Baptismo Trinitas personarum; et quod fiat configuratio
ad sepulturam Christi. Ergo videtur quod trina immersio sit de necessitate Baptismi. (IIIa q. 66 a. 8 arg. 1)
1 — Men beweert dat er voor de geldigheid van het doopsel, een driedubbele indompeling
vereist wordt. De heilige Augustinus zegt (2 Hom. Aan de nieuw gedoopten) : « Het
is niet zonder reden dat ge driemaal ingedompeld werd, gij hebt immers het doopsel
in de naam van de heilige Drievuldigheid ontvangen. Met reden werd ge dus een derde
maal ingedompeld, gij die in naam van Jezus-Christus die de derde dag van uit de doden
is opgestaan, het doopsel ontvangen hebt. Die driedubbele indompeling verzinnebeeldt
toch de begrafenis van de Heer, waardoor ge met Christus in het doopsel begraven zijt.
» Zo lijken dan voor het doopsel die beiden onmisbaar te zijn, dat namelijk in het
doopsel de Drievuldigheid der personen zou worden te kennen gegeven, en dat we zouden
aan de begraven Christus gelijkvormig worden.
Praeterea, sacramenta ex mandato Christi efficaciam habent. Sed trina immersio est
ex mandato Christi, scripsit enim Pelagius Papa Gaudentio episcopo, evangelicum praeceptum,
ipso domino Deo et salvatore nostro Iesu Christo tradente, nos admonet in nomine Trinitatis,
trina etiam immersione, sanctum Baptismum unicuique tribuere. Ergo, sicut baptizare
in nomine Trinitatis est de necessitate Baptismi, ita baptizare trina immersione videtur
esse de necessitate Baptismi. (IIIa q. 66 a. 8 arg. 2)
2 — De sacramenten betrekken hun kracht van het bevel van Christus. Welnu, de driedubbele
indompeling werd door Christus vereist. Paus Pelagius schrijft immers naar Bisschop
Gaudentius: « Het Evangelisch gebod dat ons door de Heer God en zaligmaker Christus
zelf werd aangeplicht, zegt ons dat we eenieder het heilig doopsel in naam der heilige
Drievuldigheid met een driedubbele onderdompeling moeten toedienen. » Zo is dus de
driedubbele indompeling evenzeer als het dopen in naam der heilige Drievuldigheid
voor de geldigheid nodig.
Praeterea, si trina immersio non sit de necessitate Baptismi, ergo ad primam immersionem
aliquis Baptismi consequitur sacramentum. Si vero addatur secunda et tertia, videtur
quod secundo vel tertio baptizetur, quod est inconveniens. Non ergo una immersio sufficit
ad sacramentum Baptismi, sed trina videtur esse de necessitate ipsius. (IIIa q. 66 a. 8 arg. 3)
3 — Indien er geen driedubbele indompeling vereischt wordt, dan is iemand bij de eerste
reeds gedoopt. En als men er dan een tweede en een derde indompeling bijvoegt, wordt
hij een tweede maal en een derde maal gedoopt. Dit nu gaat niet aan, en zo is bij
het sacrament van het doopsel een indompeling niet voldoende, maar voor de geldigheid
wordt een driedubbele indompeling vereischt.
Sed contra est quod Gregorius scribit Leandro episcopo, reprehensibile esse nullatenus
potest infantem in Baptismate vel tertio vel semel immergere, quoniam et in tribus
immersionibus personarum Trinitas, et una potest divinitatis singularitas designari. (IIIa q. 66 a. 8 s. c.)
Daartegenover staat echter wat St. Gregorius aan Bisschop Leander schreef (Regist,
1, 41): « Niemand kan worden ten laste gelegd dat hij bij het dopen een of driemaal
het kind in het water dompelt; de driedubbele indompeling herinnert ons immers aan
de personen van de heilige Drievuldigheid, de ene indompeling daarentegen aan de eenheid
van de godheid.
Respondeo dicendum quod, sicut prius dictum est, ad Baptismum per se requiritur ablutio
aquae, quae est de necessitate sacramenti, modus autem ablutionis per accidens se
habet ad sacramentum. Et ideo, sicut ex praedicta auctoritate Gregorii patet, quantum
est de se, utrumque licite fieri potest, scilicet et semel et ter immergere, quia
unica immersione significatur unitas mortis Christi, et unitas deitatis; per trinam
autem immersionem significatur triduum sepulturae Christi, et etiam Trinitas personarum.
Sed diversis ex causis, secundum ordinationem Ecclesiae, quandoque institutus est
unus modus, quandoque alius. Quia enim a principio nascentis Ecclesiae quidam de Trinitate
male sentiebant, Christum purum hominem aestimantes, nec dici filium Dei et Deum nisi
per meritum eius, quod praecipue fuit in morte, ideo non baptizabant in nomine Trinitatis,
sed in commemorationem mortis Christi, et una immersione. Quod reprobatum fuit in
primitiva Ecclesia. Unde in canonibus apostolorum legitur, si quis presbyter aut episcopus
non trinam immersionem unius ministerii, sed semel mergat in Baptismate, quod dari
a quibusdam dicitur in morte domini, deponatur, non enim nobis dixit dominus, in morte
mea baptizate, sed, in nomine patris et filii et spiritus sancti. Postmodum vero inolevit
quorundam schismaticorum et haereticorum error homines rebaptizantium, sicut de Donatistis
Augustinus narrat, super Ioan. Et ideo, in detestationem erroris eorum, fuit statutum
in Concilio Toletano quod fieret una sola immersio, ubi sic legitur, propter vitandum
schismatis scandalum, vel haeretici dogmatis usum, simplam teneamus Baptismi immersionem.
Sed, cessante tali causa, communiter observatur in Baptismo trina immersio. Et ideo
graviter peccaret aliter baptizans, quasi ritum Ecclesiae non observans. Nihilominus
tamen esset Baptismus. (IIIa q. 66 a. 8 co.)
Zoals in het vorige artikel gezegd werd (antwoord op de 1e bedenking) wordt onvoorwaardelijk
de wassing met water voor het doopsel vereist, ze is immers voor de geldigheid van
het sacrament van node; de manier daarentegen waarop gewassen wordt, is van bijkomstig
belang. Zo is het dan, wanneer we alleen de aard der dingen zelf in acht nemen, evenals
Gregorius zegt, veroorloofd zowel één- als driemaal in te dompelen, door de ene indompeling
worden immers de eenheid van Christus' dood en de eenheid der godheid te kennen gegeven,
door de driedubbele indompeling daarentegen de drie dagen die Christus in het graf
doorbracht, en ook de drie personen der heilige Drievuldigheid. Ook werd om verschillende
redenen, overeenkomstig de besluiten der heilige kerk, nu eens de ene, dan weer de
andere manier aangewend. Reeds bij de aanvang der kerk waren er immers mensen die
over de heilige Drievuldigheid verkeerd dachten, en meenden dat Christus louter mens
was, en dat men hem alleen om de verdiensten die hij vooral bij zijn dood heeft ingezameld
mocht God en zo van God noemen. Zulken doopten dus niet in de naam der heilige Drievuldigheid,
maar door een indompeling, ter herinnering aan de dood van Christus, en dit werd in
de primitieve kerk afgekeurd. — Zo komt het dat in de wetgeving der apostelen (Can.
48 en 150) het volgende te lezen staat : « Als een priester of bisschop de driedubbele
indompeling van het ene doopmysterie niet celebreert, maar integendeel bij het doopsel
slechts eens indompelt, (sommigen zeggen immers dat aldus het doopsel in de dood van
de Heer gegeven wordt,) dan moet hij worden afgesteld. De Heer heeft immers niet gezegd
dat we moeten dopen in zijn dood, maar in de naam des Vaders en des Zoons, en des
heiligen Geestes. » — Daarna ontstond de dwaling van sommige scheurmakers en ketters
die zeiden dat de mensen moeten herdoopt worden; dit vertelt St. Augustinus van de
Donatisten in zijn Commentaar op St. Jan. (11e Trakt) Uit verfoeiing voor de dwaling
werd dan in de kerkvergadering van Toledo (4, 5) beslist dat er voortaan maar één
enkele indompeling zou geschieden. Daar leest men nl. het volgende : « Om de ergernis
door de scheurmakers veroorzaakt te keer te gaan, en het kettersch misbruik van dit
geloofspunt zullen wij het met één enkele indompeling stellen. » Daar echter voor
het oogenblik zo een reden niet meer bestaat, zo moet men bij het doopsel gewoonlijk
de driedubbele indompeling gebruiken, en hij die op een andere manier zou dopen, zou,
daar hij de ritus der heilige kerk niet zou in acht nemen, dodelijk zondigen; niettemin
zou echter dit doopsel geldig zijn.
Ad primum ergo dicendum quod Trinitas est sicut agens principale in Baptismo. Similitudo
autem agentis pervenit ad effectum secundum formam, et non secundum materiam. Et ideo
significatio Trinitatis fit in Baptismo per verba formae. Nec est de necessitate quod
significetur Trinitas per usum materiae, sed hoc fit ad maiorem expressionem. Similiter
etiam mors Christi figuratur sufficienter in unica immersione. Triduum autem sepulturae
non est de necessitate nostrae salutis, quia etiam si una die fuisset sepultus vel
mortuus, suffecisset ad perficiendam nostram redemptionem; sed triduum illud ordinatur
ad manifestandam veritatem mortis, ut supra dictum est. Et ideo patet quod trina immersio
nec ex parte Trinitatis, nec ex parte passionis Christi, est de necessitate sacramenti. (IIIa q. 66 a. 8 ad 1)
1 — In het doopsel treedt de heilige Drievuldigheid als bewerkende hoofdoorzaak op. Welnu,
de gelijkenis met de bewerkende hoofdoorzaak wordt een uitwerksel niet door bemiddeling
van de stof, maar wel door de vorm ingestort. Zo wordt dan in het doopsel de heilige
Drievuldigheid door de woorden van de vorm te kennen gegeven. Dat de heilige Drievuldigheid
ook door het gebruik van de stof zou worden te kennen gegeven is niet nodig, dit geschiedt
immers alleen tot meer duidelijkheid. Wat nu de dood van Christus betreft, ook deze
wordt door een indompeling voldoende verzinnebeeld; het hoefde immers niet voor onze
zaligheid, dat hij drie dagen zou begraven blijven; ja zelfs indien Christus maar
een dag in het graf gebleven was, of een dag dood geweest was, zou zulks om onze verlossing
te bewerken volstaan hebben; de drie dagen toch moesten zoals we het hierboven aantoonden
(51e Kw., 4e art. en 53e Kw., 2e art.) alleen de waarachtigheid van Christus' dood
klaarblijkelijk maken. Zo is het dan duidelijk dat de drievoudige indompeling, noch
van de kant van de heilige Drievuldigheid, noch van de kant van het lijden van Christus
tot de geldigheid van het sacrament van doen is.
Ad secundum dicendum quod Pelagius Papa intelligit trinam immersionem esse ex mandato
Christi in suo simili, in hoc scilicet quod Christus praecepit baptizari in nomine
patris et filii et spiritus sancti. Non tamen est similis ratio de forma et de usu
materiae, ut dictum est. (IIIa q. 66 a. 8 ad 2)
2 — Paus Pelagius meent dat Christus, wanneer hij ons geboden heeft te dopen in de naam
des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes, de driedubbele indompeling met behulp
van iets dat er mee gelijk staat heeft voorgeschreven. Zoals we hierboven hebben aangewezen,
(in antwoord op de 1e bedenking) geldt echter niet voor het gebruik van de stof dezelfde
wet als voor de vorm.
Ad tertium dicendum quod, sicut supra dictum est, intentio requiritur ad Baptismum.
Et ideo ex intentione ministri Ecclesiae, qui intendit unum Baptismum dare trina immersione,
efficitur unum Baptisma. Unde Hieronymus dicit, super epistolam ad Philipp., licet
ter baptizetur, idest immergatur, propter mysterium Trinitatis, tamen unum Baptisma
reputatur. Si vero intenderet ad unamquamque immersionem unum Baptisma dare, ad singulas
immersiones repetens verba formae, peccaret, quantum in se est, pluries baptizans. (IIIa q. 66 a. 8 ad 3)
3 — Zoals we gezegd hebben (64° Kw., 8° art.) wordt ook het opzet van de doper voor het
doopsel vereist, en daarom komt er om het opzet van de bedienaar der heilige kerk,
met een driedubbele indompeling één doopsel toe te dienen, maar een doopsel tot stand;
daarvandaan dat de heilige Hieronymus op de Brief aan de Ephesiërs het volgende schrijft:
« Alhoewel men omwille van het mysterie der heilige Drievuldigheid driemaal ingedompeld
wordt, toch is er maar één doopsel. Moest echter de bedienaar het opzet hebben bij
iedere indompeling het doopsel toe te dienen, en moest hij bij iedere indompeling
de formulier vernieuwen, dan zou hij, daar hij verschillende keren zou dopen, ook
zondigen. »
Articulus 9. Mag het doopsel hernieuwd worden?
Ad nonum sic proceditur. Videtur quod Baptismus possit iterari. Baptismus enim videtur
institutus ad ablutionem peccatorum. Sed peccata iterantur. Ergo multo magis Baptismus
debet iterari, quia misericordia Christi transcendit hominis culpam. (IIIa q. 66 a. 9 arg. 1)
1 — Men beweert dat het doopsel mag hernieuwd worden. Het doopsel werd tot reiniging van
zonden ingesteld. Daar nu de mens in de zonden hervalt, zo mag het doopsel, aangezien
toch de barmhartigheid van Christus tegen de schuld van de mens opweegt, nog veel
vaker hernieuwd worden.
Praeterea, Ioannes Baptista praecipue fuit a Christo commendatus, cum de eo dictum
sit, Matth. XI, inter natos mulierum non surrexit maior Ioanne Baptista. Sed baptizati
a Ioanne iterum rebaptizantur, ut habetur Act. XIX, ubi dicitur quod Paulus baptizavit
eos qui erant baptizati Baptismo Ioannis. Ergo multo fortius illi qui sunt baptizati
ab haereticis vel peccatoribus, sunt rebaptizandi. (IIIa q. 66 a. 9 arg. 2)
2 — Joannes de Doper werd op een bijzondere manier door Christus geprezen, deze heeft
namelijk van Joannes gezegd: « Onder degenen die uit vrouwen geboren zijn is geen
grooter opgestaan dan Joannes de Doper. » (Mat. 11, 11) Welnu, de mensen die door
Joannes gedoopt werden, werden herdoopt; de Handelingen der Apostelen, stippen immers
aan dat Paulus diegene die met het doopsel van Joannes gedoopt waren herdoopte. Zo
moeten dus nog veel eerder diegenen, die door ketters of zondaars gedoopt werden,
worden herdoopt.
Praeterea, in Nicaeno Concilio statutum est, si quis confugeret ad Ecclesiam Catholicam
de Paulianistis et Cataphrygis, baptizari eos debere. Videtur autem esse eadem ratio
de haereticis aliis. Ergo baptizati ab haereticis debent esse rebaptizati. (IIIa q. 66 a. 9 arg. 3)
3 — In de Kerkvergadering van Nicea (19 Can.) werd beslist dat degenen die van de Pauliniasten
of van de Cataphrygers naar de katholieke Kerk overgingen volstrekt moesten worden
herdoopt. Dezelfde reden nu, geldt ook voor andere ketters, degenen die namelijk door
ketters gedoopt worden, moeten worden herdoopt.
Praeterea, Baptismus est necessarius ad salutem. Sed de quibusdam baptizatis aliquando
dubitatur an sint baptizati. Ergo videtur quod debeant iterum rebaptizari. (IIIa q. 66 a. 9 arg. 4)
4 — Het doopsel is voor de zaligheid noodzakelijk. Welnu soms wordt er getwijfeld of iemand
wel degelijk gedoopt is, zulke moeten dan ook herdoopt worden.
Praeterea, Eucharistia est perfectius sacramentum quam Baptismus, ut supra dictum
est. Sed sacramentum Eucharistiae iteratur. Ergo multo magis Baptismus potest iterari. (IIIa q. 66 a. 9 arg. 5)
5 — Zoals in de vorige kwestie (4e art.) werd aangetoond, is de Eucharistie een volmaakter
sacrament dan het doopsel. Welnu, de Eucharistie mag meermalen ontvangen worden. Zo
mag dus nog veel eerder het doopsel hernieuwd worden.
Sed contra est quod dicitur Ephes. IV, una fides, unum Baptisma. (IIIa q. 66 a. 9 s. c.)
Daartegenover echter staat wat in de Brief aan de Ephesiërs (4, 5) gezegd wordt: “Eén
geloof, één doopsel.”
Respondeo dicendum quod Baptismus iterari non potest. Primo quidem, quia Baptismus
est quaedam spiritualis regeneratio, prout scilicet aliquis moritur veteri vitae,
et incipit novam vitam agere. Unde dicitur Ioan. III, nisi quis renatus fuerit ex
aqua et spiritu sancto, non potest videre regnum Dei. Unius autem non est nisi una
generatio. Et ideo non potest Baptismus iterari, sicut nec carnalis generatio. Unde
Augustinus dicit, super illud Ioan. III, nunquid potest in ventrem matris suae iterato
introire et renasci, sic tu, inquit, intellige nativitatem spiritus, quo modo intellexit
Nicodemus nativitatem carnis. Quo modo enim uterus non potest repeti, sic nec Baptismus.
Secundo, quia in morte Christi baptizamur, per quam morimur peccato et resurgimus
in novitatem vitae. Christus autem semel tantum mortuus est. Et ideo nec Baptismus
iterari debet. Propter quod, Heb. VI, contra quosdam rebaptizari volentes dicitur,
rursus crucifigentes sibimetipsis filium Dei, ubi Glossa dicit, una Christi mors unum
Baptisma consecravit. Tertio, quia Baptismus imprimit characterem, qui est indelebilis,
et cum quadam consecratione datur. Unde, sicut aliae consecrationes non iterantur
in Ecclesia, ita nec Baptismus. Et hoc est quod Augustinus dicit, in II contra epistolam
Parmeniani, quod character militaris non repetitur; et quod non minus haeret sacramentum
Christi quam corporalis haec nota, cum videamus nec apostatas carere Baptismate, quibus
utique per poenitentiam redeuntibus non restituitur. Quarto, quia Baptismus principaliter
datur contra originale peccatum. Et ideo, sicut originale peccatum non iteratur, ita
etiam nec Baptismus iteratur, quia, ut dicitur Rom. V, sicut per unius delictum in
omnes homines in condemnationem, sic per unius iustitiam in omnes homines in iustificationem
vitae. (IIIa q. 66 a. 9 co.)
Het doopsel mag vooreerst niet hernieuwd worden, omdat het een geestelijke wedergeboorte
is. Men sterft namelijk voor een vorig leven, en men begint een nieuw leven. Daarom
zegt St. Jan (3, 5): « Indien iemand niet uit water en de heilige Geest wordt wedergeboren,
kan hij het rijk der hemelen niet binnengaan. » Welnu, een en dezelfde mens wordt
maar eens geboren en bijgevolg kan het doopsel evenmin als de lichamelijke geboorte
hernieuwd worden. Zo komt het dat Augustinus op de woorden bij St. Jan (3, 4): « Kan
de mens dan terug in de schoot van zijn moeder gaan en andermaal geboren worden, »
het volgende schrijft (11e Tract. op St. Jan.): « op de wijze waarop Nicodemus de
geboorte van het lichaam begrijpt, op die wijze moet gij de geboorte van de geest
begrijpen; zoals men niet terug in de baarmoeder kan ingaan, zo kan het doopsel niet
hernieuwd worden. » Ten tweede omdat we gedoopt worden in de dood van Christus, waardoor
we sterven voor de zonden, en tot een nieuw leven verrijzen. Welnu, Jezus-Christus
is maar eenmaal gestorven. Daarom mag het doopsel dan ook niet hernieuwd worden. Daarvandaan
dat de apostel in de brief aan de Hebreërs (6, 6) aan diegenen die het doopsel wilden
vernieuwen zegt: « De Zoon van God wilt ge om u, andermaal kruisigen. » En daarop
zegt de glossa: « de ene dood van Christus heeft het ene doopsel gewijd. » Ten derde,
omdat het doopsel een merkteken inprent dat onuitwischbaar is en met een zekere wijding
wordt toegediend. Bijgevolg wordt, evenmin als in de heilige kerk andere wijdingen
vernieuwd worden, het doopsel vernieuwd. Dit is overigens de mening welke St. Augustinus
zelf in zijn geschriften tegen Parinenianus (2, 13) toegedaan is: « Een krijgsteken
wordt niet hernieuwd, welnu het sacrament van Christus kleeft niet minder aan de zielen
vast dan het lichamelijk teken; we zien immers dat geloofsverzakers wanneer ze door
boetvaardigheid terug in de kerk binnen treden van het doopsel niet geroofd geacht
en niet herdoopt worden. » Ten vierde, omdat het doopsel op bijzondere wijze tegen
de erfzonde gericht is. Zoals nu de erfzonde niet kan vernieuwd worden, zo kan het
dus het doopsel evenmin; in de brief aan de Romeinen staat immers geschreven (5, 18):
« Evenals door de schuld van één op alle mensen de veroordeling gevallen is, zo ook
komt door de gerechtigheid van Eén over alle mensen de rechtvaardigmaking die leven
voortbrengt. »
Ad primum ergo dicendum quod Baptismus operatur in virtute passionis Christi, sicut
supra dictum est. Et ideo, sicut peccata sequentia virtutem passionis Christi non
auferunt, ita etiam non auferunt Baptismum, ut necesse sit ipsum iterari, sed, poenitentia
superveniente, tollitur peccatum, quod impediebat effectum Baptismi. (IIIa q. 66 a. 9 ad 1)
1 — Het doopsel werkt zoals hierboven bewezen werd (2° Art. dezer Kw.) uit kracht van
Christus lijden. Zoals dus toekomstige zonden de kracht van Christus lijden niet kunnen
wegnemen, zo kunnen ze evenmin het doopsel dermate te niet doen, dat men zou moeten
herdopen, maar de zonden die het uitwerksel van het doopsel in de weg staan worden
door de biecht weggenomen.
Ad secundum dicendum quod, sicut Augustinus dicit, super illud Ioan. I, sed ego nesciebam
eum, ecce, post Ioannem baptizatum est, post homicidam non est baptizatum, quia Ioannes
dedit Baptismum suum, homicida dedit Baptismum Christi; quia sacramentum tam sanctum
est ut nec homicida ministrante polluatur. (IIIa q. 66 a. 9 ad 2)
2 — Bij die woorden uit Sint Jan’s Evangelie (1, 31): « Ik kende hem niet. » zegt de heilige
Augustinus (5e Tract.): « Nadat Sint Jan het doopsel had toegediend, werd het andermaal
toegediend, doch nadat een moordenaar het doopsel heeft toegediend, wordt het niet
andermaal toegediend. » Dit omdat Sint Jan zijn eigen doopsel toediende, een moordenaar
daarentegen het doopsel van Christus. Het doopsel nu is zo heilig, dat het zelfs wanneer
een moordenaar er de bedienaar van is, niet kan besmet worden.
Ad tertium dicendum quod Pauliani et Cataphrygae non baptizabant in nomine Trinitatis.
Unde Gregorius dicit, scribens Quirico episcopo, hi haeretici qui in Trinitatis nomine
minime baptizantur, sicut sunt Bonosiani et Cataphrygae, qui scilicet idem sentiebant
cum Paulianis, quia et isti Christum Deum non credunt, existimantes scilicet ipsum
esse purum hominem, et isti, scilicet Cataphrygae, spiritum sanctum perverso sensu
esse purum hominem, Montanum scilicet, credunt, qui cum ad sanctam Ecclesiam veniunt,
baptizantur, quia Baptisma non fuit quod, in errore positi, sanctae Trinitatis nomine
minime perceperunt. Sed, sicut in regulis ecclesiasticis dicitur, si qui apud illos
haereticos baptizati sunt qui in sanctae Trinitatis confessione baptizant, et veniunt
ad Catholicam fidem, recipiantur ut baptizati. (IIIa q. 66 a. 9 ad 3)
3 — De Pauliniasten en de Cataphrygers doopten niet in naam van de heilige Drievuldigheid.
Zo komt het dat de heilige Paus Gregorius wanneer hij aan Bisschop Quirinus schreef
(Regist. 9, 61) zei: « Die ketters, die niet in de naam van de heilige Drievuldigheid
doopten, zijn er net als de Bonosianen en de Cataphrygers, die hetzelfde als de Pauliniasten
geloofden, aan toe. Ze geloven namelijk niet dat Christus God is, maar denken dat
hij enkel een mens was; ja zij menen met verkeerde denkbeelden dat de heilige Geest
een zekere Montanus een boos mens is. Wanneer nu die ketters tot de heilige Kerk komen,
worden ze gedoopt; vroeger is er immers, omdat ze het doopsel niet in naam van de
heilige Drievuldigheid ontvangen hebben, zolang ze in hun ketterij bleven volharden,
geen doopsel geweest. » Er wordt echter in de kerkelijke wetten, (De Eccl. 52) ook
op gewezen dat: « indien er onder bewuste ketters gevonden worden die met de belijdenis
der heilige Drievuldigheid gedoopt werden, deze wanneer ze tot de katholieke Kerk
overkomen, als gedoopten mogen ontvangen worden. »
Ad quartum dicendum quod, sicut dicit decretalis Alexandri III, de quibus dubium est
an baptizati fuerint, baptizentur his verbis praemissis, si baptizatus es, non te
rebaptizo, sed si non baptizatus es, ego te baptizo, et cetera. Non enim videtur iterari
quod nescitur esse factum. (IIIa q. 66 a. 9 ad 4)
4 — Het Decreet van Alexander de IIIe zegt ons dat als er twijfel bestaat of iemand wel
degelijk gedoopt is, deze moet gedoopt worden, alleen moeten dan de volgende woorden
voorafgaan: « Indien je reeds gedoopt zijt, dan doop ik u niet; doch als je niet gedoopt
zijt, dan doop ik u. » Iets waarvan men niet weet dat het reeds geschied is, wordt
immers niet vernieuwd.
Ad quintum dicendum quod utrumque sacramentum, scilicet Baptismi et Eucharistiae,
est repraesentativum dominicae mortis et passionis, aliter tamen et aliter. Nam in
Baptismo commemoratur mors Christi inquantum homo Christo commoritur ut in novam vitam
regeneretur. Sed in sacramento Eucharistiae commemoratur mors Christi inquantum ipse
Christus passus exhibetur nobis quasi paschale convivium, secundum illud I Cor. V,
Pascha nostrum immolatus est Christus, itaque epulemur. Et quia homo semel nascitur,
multoties autem cibatur, semel tantum datur Baptismus, multoties autem Eucharistia. (IIIa q. 66 a. 9 ad 5)
5 — De beide sacramenten van het doopsel en van de Eucharistie, geven allebei de dood
en het lijden des Heren te kennen, dit echter op verschillende wijze. Bij het doopsel
wordt namelijk de dood van Christus herdacht, omdat de mens samen met Christus sterft
om tot een nieuw leven te worden herboren. De Eucharistie daarentegen herinnert aan
de dood van Christus, omdat overeenkomstig de woorden uit de Eerste brief aan de Corinthiërs
(5, 7): « Christus ons paaslam is geslacht, laten wij dan feest vieren. » de geslachtofferde
Christus ons als paaslam aangeboden wordt. Omdat nu de mens maar eenmaal geboren wordt,
maar zich integendeel dikwijls moet voeden, daarom wordt het doopsel maar één keer
toegediend, de Eucharistie integendeel meermalen.
Articulus 10. Is de ritus die de heilige Kerk bij het doopsel gebruikt goed gekozen?
Ad decimum sic proceditur. Videtur quod non sit conveniens ritus quo Ecclesia utitur
in baptizando. Ut enim dicit Chrysostomus, nunquam aquae Baptismi purgare peccata
credentium possent, nisi tactu dominici corporis sanctificatae fuissent. Hoc autem
factum fuit in Baptismo Christi, qui celebratur in festo Epiphaniae. Ergo magis deberet
celebrari solemnis Baptismus in festo Epiphaniae quam in vigilia Paschae et in vigilia
Pentecostes. (IIIa q. 66 a. 10 arg. 1)
1 — Men beweert dat de ritus die de heilige Kerk bij het doopsel gebruikt geen behoorlijke
ritus is. De heilige Chrysostomus zegt dat het water van het doopsel nooit de kracht
zou hebben de zonden van de gelovigen uit te wissen; moest dit water niet geheiligd
geweest zijn door de aanraking met het lichaam des Heren. Welnu, dit geschiedde met
het doopsel van Christus, dat op het feest van Driekoningen gevierd wordt. Zo zou
dus de plechtigheid veeleer op het feest van Driekoningen dan op de vigilie van Pasen
of Pinksteren moeten gevierd worden.
Praeterea, ad idem sacramentum non videtur pertinere diversarum materierum usus. Sed
ab Baptismum pertinet ablutio aquae. Inconvenienter igitur ille qui baptizatur bis
inungitur oleo sancto, primum in pectore, deinde inter scapulas, tertio, chrismate
in vertice. (IIIa q. 66 a. 10 arg. 2)
2 — Het gebruik van verschillende stoffen kan niet tot een en hetzelfde sacrament behoren.
Welnu, tot het doopsel behoort de wassing met water. Zo is het dus ongepast degene
die gedoopt wordt, eerst op de borst, dan tussen de schouders met heilige olie en
verder nog met heilig Chrisma op het hoofd te balsamen.
Praeterea, in Christo Iesu non est masculus neque femina, barbarus et Scytha, et eadem
ratione nec aliquae aliae huiusmodi differentiae. Multo igitur minus diversitas vestium
aliquid operatur in fide Christi. Inconvenienter ergo baptizatis traditur candida
vestis. (IIIa q. 66 a. 10 arg. 3)
3 — Voor Christus Jezus bestaat er noch man noch vrouw, noch barbaar, noch Scyth en om
eenzelfde reden evenmin andere dergelijke verschilpunten, zo zal nog veel minder het
verschil van klederen op het geloof in Christus nawerken, en daarom past het niet
de gelovigen een wit kleed te overhandigen.
Praeterea, sine huiusmodi observantiis potest Baptismus celebrari. Haec igitur quae
dicta sunt, videntur esse superflua, et ita inconvenienter ab Ecclesia instituta esse
in ritu Baptismi. (IIIa q. 66 a. 10 arg. 4)
4 — Het doopsel mag zonder al die ceremoniën worden toegediend. Zo blijkt dus alles wat
even vernoemd werd overbodig te zijn, en bijgevolg ten onrechte door de heilige Kerk
als ritus van het doopsel bepaald te zijn.
Sed contra est quod Ecclesia regitur spiritu sancto, qui nihil inordinatum operatur. (IIIa q. 66 a. 10 s. c.)
Daartegenover staat echter dat de heilige Kerk door de heilige Geest die niets ongeregelds
bewerkt geleid wordt.
Respondeo dicendum quod in sacramento Baptismi aliquid agitur quod est de necessitate
sacramenti, et aliquid est quod ad quandam solemnitatem sacramenti pertinet. De necessitate
quidem sacramenti est et forma, quae designat principalem causam sacramenti; et minister,
qui est causa instrumentalis; et usus materiae, scilicet ablutio in aqua, quae designat
principalem sacramenti effectum. Cetera vero omnia quae in ritu baptizandi observat
Ecclesia, magis pertinent ad quandam solemnitatem sacramenti. Quae quidem adhibentur
sacramento propter tria. Primo quidem, ad excitandam devotionem fidelium, et reverentiam
ad sacramentum. Si enim simpliciter fieret ablutio in aqua, absque solemnitate, de
facili ab aliquibus aestimaretur quasi quaedam communis ablutio. Secundo, ad fidelium
instructionem. Simplices enim, qui litteris non erudiuntur, oportet erudire per aliqua
sensibilia signa, puta per picturas, et aliqua huiusmodi. Et per hunc modum per ea
quae in sacramentis aguntur, vel instruuntur, vel sollicitantur ad quaerendum de his
quae per huiusmodi sensibilia signa significantur. Et ideo, quia, praeter principalem
sacramenti effectum, oportet quaedam alia scire circa Baptismum, conveniens fuit ut
etiam quibusdam exterioribus signis repraesentarentur. Tertio, quia per orationes
et benedictiones et alia huiusmodi cohibetur vis Daemonis ab impedimento sacramentalis
effectus. (IIIa q. 66 a. 10 co.)
In het doopsel wordt behalve wat tot de geldigheid nodig is, ook nog een en ander
dat tot de plechtigheid van het sacrament bijdraagt verricht. Tot de geldigheid van
het sacrament behoren de vorm die de hoofdoorzaak van het sacrament te kennen geeft,
de bedienaar die werktuigelijke oorzaak is, en het gebruik van de stof, de afwassing
met water namelijk die het bijzonderste uitwerksel van het sacrament te kennen geeft.
Al het overige dat door de heilige Kerk als ritus van het doopsel wordt in acht genomen
behoort eerder tot de plechtigheid van het sacrament, en wordt bij het toedienen van
het sacrament om drie verschillende redenen gebruikt. Voor eerst om de godsvrucht
van de geloovigen aan te wakkeren en het eerbied voor het sacrament in de hand te
werken; moest immers de wassing met water eenvoudig en zonder enige plechtigheid geschieden
dan zouden sommigen kunnen denken dat het alleen om een gewone wassing gaat. Ten tweede
tot onderrichting van de geloovigen; eenvoudige mensen die niet geletterd zijn moeten
namelijk met behulp van zichtbaar waarneembare tekenen bij voorbeeld met schilderijen
en andere dergelijke onderwezen worden. Aldus worden ze door hetgeen in de sacramenten
wordt afgedaan onderricht, of althans ertoe aangezet wat door die zintuigelijk waarneembare
tekenen wordt te kennen gegeven, na te zoeken. Daarom dan, omdat het nodig is behalve
het voornaamste uitwerksel van het sacrament omtrent het doopsel ook nog andere dingen
te weten, is het goed dat die door uiterlijke tekenen worden te kennen gegeven. Ten
derde nog, omdat door die gebeden en zegeningen en andere dergelijke de kracht van
de duivel in zijn pogen om het sacramentele uitwerksel te verhinderen wordt in bedwang
gehouden.
Ad primum ergo dicendum quod Christus in Epiphania baptizatus est Baptismo Ioannis,
ut supra dictum est, quo quidem Baptismo non baptizantur fideles, sed potius Baptismo
Christi. Qui quidem habet efficaciam ex passione Christi, secundum illud Rom. VI,
quicumque baptizati sumus in Christo Iesu, in morte ipsius baptizati sumus; et ex
spiritu sancto, secundum illud Ioan. III, nisi quis renatus fuerit ex aqua et spiritu
sancto. Et ideo solemnis Baptismus agitur in Ecclesia et in vigilia Paschae, quando
fit commemoratio dominicae sepulturae, et resurrectionis eiusdem; propter quod et
dominus post resurrectionem praeceptum de Baptismo discipulis dedit, ut habetur Matth.
ult., et in vigilia Pentecostes, quando incipit celebrari solemnitas spiritus sancti;
unde et apostoli leguntur ipso die Pentecostes, quo spiritum sanctum receperant, tria
millia baptizasse. (IIIa q. 66 a. 10 ad 1)
1 — Christus werd zoals gezegd werd, (2° Art. dezer Kw.) op Driekoningen met het doopsel
van Joannes gedoopt. De gelovigen nu worden niet met dit doopsel gedoopt, doch veeleer
met het doopsel van Christus, dat zijn kracht van het lijden van Christus betrekt.
In de Brief aan de Romeinen, (6, 3) lezen we toch: « Alwie gedoopt wordt in Christus
Jezus wordt gedoopt in zijn dood. » Het doopsel betrekt ook kracht van de heilige
Geest, aldus Sint Jan (3, 5): « Indien iemand niet uit water en de heilige Geest wordt
wedergeboren kan hij het rijk der hemelen niet binnengaan. » Daarom dan wordt het
plechtig doopsel in de heilige Kerk én op de vigilie van Paschen, wanneer men nl.
Christus begrafenis en verrijzenis herdenkt, toegediend, — om die reden gaf de Heer
na de verrijzenis aan zijn leerlingen het bevel te dopen, — én ook op de vigiliedag
van Pinksteren, wanneer men nl. begint de plechtigheid van de heilige Geest te vieren.
Zo komt het overigens dat de Apostelen op Pinksteren 3.000 mensen hebben gedoopt.
Ad secundum dicendum quod usus aquae adhibetur in Baptismo quasi pertinens ad substantiam
sacramenti, sed usus olei vel chrismatis adhibetur ad quandam solemnitatem. Nam primo,
baptizandus inungitur oleo sancto et in pectore et in scapulis, quasi athleta Dei,
ut Ambrosius dicit, in libro de sacramentis, sicut pugiles inungi consueverunt. Vel,
sicut Innocentius dicit, in quadam decretali de sacra unctione, baptizandus in pectore
inungitur, ut spiritus sancti donum recipiat, errorem abiiciat et ignorantiam, et
fidem rectam suscipiat, quia iustus ex fide vivit; inter scapulas autem inungitur,
ut spiritus sancti gratiam induat, exuat negligentiam et torporem, et bonam operationem
exerceat; ut per fidei sacramentum sit munditia cogitationum in pectore, et fortitudo
laborum in scapulis. Post Baptismum vero, ut Rabanus dicit, statim signatur in cerebro
a presbytero cum sacro chrismate, sequente simul et oratione, ut Christi regni particeps
fiat, et a Christo Christianus possit vocari. Vel, sicut Ambrosius dicit, unguentum
super caput effunditur, quia sapientis sensus in capite eius, ut scilicet sit paratus
omni petenti de fide reddere rationem. (IIIa q. 66 a. 10 ad 2)
2 — Water wordt bij het doopsel gebruikt omdat het tot de zelfstandigheid van het sacrament
behoort, olie en chrisma daarentegen om de plechtigheid op te luisteren; de gedoopte
wordt nl. eerst als een goddelijke atleet met heilige olie op de borst en tussen de
schouders gebalsemd. De H. Ambrosius zegt ten andere in zijn Boek over de Sacramenten
(1, 2) dat: « De gedoopten evenals vuistvechters met olie worden ingestreken. » en
Innocentius de IIIe zegt in een decreet over de heilige zalving (kap. Cum. venisset)
dat de gedoopte op de borst met olie wordt ingestreken, opdat hij door de gave van
de heilige Geest onwetendheid en dwaling zou verwerpen en het ware geloof ontvangen;
de rechtvaardige immers leeft van het geloof. Tussen de schouders wordt hij met olie
bestreken, opdat hij door de genade van de heilige Geest nalatigheid en lauwheid zou
overwinnen en goede werken beoefenen, zonder de werken toch is het geloof dood. Verder
geschiedt die inbalseming ook opdat door het sacrament van het geloof reinheid van
gedachten ons inborst, en werkkracht onze schouders zou kenmerken. » Nog schrijft
Rabanus Maurus het volgende (De Inst. Cleric., 1, 28): « Na het doopsel wordt de nieuw
gedoopte aanstonds door de priester op het hoofd met het heilig chrisma getekend,
en de priester spreekt een gebed over hem uit opdat hij aan het rijk van Christus
zou deelachtig worden en naar Christus, een Christen zou genoemd worden. » en eindelijk
zegt de H. Ambrosius (De Sacram. 3, 1) : « Balsem wordt op zijn hoofd uitgestort omdat
de wijsheid van de mens in het hoofd zetelt, en opdat hij aan iedereen die het vraagt
zou kunnen rekenschap geven van zijn geloof. »
Ad tertium dicendum quod vestis illa candida traditur baptizato, non quidem ea ratione
quod non liceat ei aliis vestibus uti, sed in signum gloriosae resurrectionis, ad
quam homines per Baptismum regenerantur; et ad designandam puritatem vitae, quam debent
post Baptismum observare, secundum illud Rom. VI, in novitate vitae ambulemus. (IIIa q. 66 a. 10 ad 3)
3 — Dit witte kleed wordt aan de gedoopten overhandigd, niet alsof hij geen andere klederen
mocht dragen, maar als teken van de heerlijke verrijzenis waartoe de mensen door het
doopsel worden wedergeboren; verder nog om de zuiverheid van leven die na het doopsel
overeenkomstig wat geschreven staat in de Brief aan de Romeinen (6, 4) : « We moeten
wandelen in een nieuwheid van leven », moet worden in acht genomen, te kennen te geven.
Ad quartum dicendum quod ea quae pertinent ad solemnitatem sacramenti, etsi non sint
de necessitate sacramenti, non tamen sunt superflua, quia sunt ad bene esse sacramenti,
ut supra dictum est. (IIIa q. 66 a. 10 ad 4)
4 — Wat tot de plechtigheid van het sacrament behoort, is hoewel het niet tot de geldigheid
vereist wordt, daarom nog niet overbodig; het wordt namelijk, zoals in de leerstelling
gezegd werd, tot een behoorlijker toedienen van het sacrament aangewend.
Articulus 11. Worden er terecht drie verschillende doopsels onderscheiden?
Ad undecimum sic proceditur. Videtur quod inconvenienter describantur tria Baptismata,
scilicet aquae, sanguinis et flaminis, scilicet spiritus sancti. Quia apostolus dicit,
Ephes. IV, una fides, unum Baptisma. Sed non est nisi una fides. Ergo non debent tria
Baptismata esse. (IIIa q. 66 a. 11 arg. 1)
1 — Men beweert dat er ten onrechte drie verschillende doopsels onderscheiden worden,
nl. één doopsel van water, één van bloed en één van begeerte of van de heilige Geest.
De Apostel zegt in de Brief aan de Ephesiërs (4, 5) « Eén geloof, één doopsel. » Welnu
er is maar één geloof en zo moeten er dus geen drie doopsels onderscheiden worden.
Praeterea, Baptismus est quoddam sacramentum, ut ex supra dictis patet. Sed solum
Baptismus aquae est sacramentum. Ergo non debent poni alii duo Baptismi. (IIIa q. 66 a. 11 arg. 2)
2 — Zoals uit de 65e Kw., 1e Art. blijkt is het doopsel een sacrament. Welnu, alleen het
doopsel van water is een sacrament. Zo moet niet gerept worden van andere doopsel.
Praeterea, Damascenus, in IV libro, determinat plura alia genera Baptismatum. Non
ergo solum debent poni tria Baptismata. (IIIa q. 66 a. 11 arg. 3)
3 — De heilige Joannes Damascenus vermeldt in zijn boek (Over het rechtzinnig geloof,
4, 10) nog veel andere soorten van doopsel. Zo moeten er dus meer zijn dan de drie
vermelde.
Sed contra est quod, super illud Heb. VI, Baptismatum doctrinae, dicit Glossa, pluraliter
dicit, quia est Baptismus aquae, poenitentiae, et sanguinis. (IIIa q. 66 a. 11 s. c.)
Daartegenover echter staat dat de Glosse op die woorden uit de Brief aan de Hebreërs
(6; 2) : « De leer der dopen » het volgende zegt : « De Apostel spreekt in het meervoud,
omdat er drie doopsels zijn : het doopsel van water, van begeerte en van bloed. »
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, Baptismus aquae efficaciam habet
a passione Christi, cui aliquis configuratur per Baptismum; et ulterius, sicut a prima
causa, a spiritu sancto. Licet autem effectus dependeat a prima causa, causa tamen
superexcedit effectum, nec dependet ab effectu. Et ideo, praeter Baptismum aquae,
potest aliquis consequi sacramenti effectum ex passione Christi, inquantum quis ei
conformatur pro Christo patiendo. Unde dicitur Apoc. VII, hi sunt qui venerunt ex
tribulatione magna, et laverunt stolas suas et dealbaverunt eas in sanguine agni.
Eadem etiam ratione aliquis per virtutem spiritus sancti consequitur effectum Baptismi,
non solum sine Baptismo aquae, sed etiam sine Baptismo sanguinis, inquantum scilicet
alicuius cor per spiritum sanctum movetur ad credendum et diligendum Deum, et poenitendum
de peccatis; unde etiam dicitur Baptismus poenitentiae. Et de hoc dicitur Isaiae IV,
si abluerit dominus sordes filiarum Sion, et sanguinem Ierusalem laverit de medio
eius, in spiritu iudicii et spiritu ardoris. Sic igitur utrumque aliorum Baptismatum
nominatur Baptismus, inquantum supplet vicem Baptismi. Unde dicit Augustinus, in IV
libro de unico Baptismo parvulorum, Baptismi vicem aliquando implere passionem, de
latrone illo cui non baptizato dictum est, hodie mecum eris in Paradiso, beatus Cyprianus
non leve documentum assumit. Quod etiam atque etiam considerans, invenio non tantum
passionem pro nomine Christi id quod ex Baptismo deerat posse supplere, sed etiam
fidem conversionemque cordis, si forte ad celebrandum mysterium Baptismi in angustiis
temporum succurri non potest. (IIIa q. 66 a. 11 co.)
Zoals hierboven werd aangetoond (67° Kw., 5° art. en 66° Kw., 2° art.), betrekt het
doopsel van water zijn kracht van het lijden van Christus. Men wordt namelijk door
het doopsel aan de lijdende Christus gelijkvormig en verder van de eerste oorzaak
de heilige Geest. Hoewel nu het uitwerksel van de eerste oorzaak afhangt, toch gaat
de oorzaak het uitwerksel in kracht te boven, en is er lang niet afhankelijk van.
Zo kan dus iemand zonder het doopsel van water te ontvangen, dankzij het lijden van
Christus, wanneer hij namelijk met voor Christus de marteldood te onderstaan, aan
dit lijden deelachtig wordt, het uitwerksel van het sacrament erlangen. Zo staat er
overigens in het Boek der Veropenbaring (7, 14) : « Dezen zijn het die uit de groote
verdrukking komen, hun klederen hebben zij gewassen en wit gemaakt in het bloed van
het leven. » Op dezelfde wijze nu kan iemand door toedoen van de H. Geest, wanneer
namelijk zijn hart door de H. Geest bewogen wordt om te geloven, om God te beminnen
en zich over zijn zonden te berouwen het uit- werksel van het doopsel niet alleen
zonder het doopsel van water, maar ook zonder het doopsel van bloed ontvangen. Daarover
zegt Isaías (4, 4): « De Heer zal vlekken der dochters van Sion wassen en het bloed
van Jerusalem in een geest van oordeel en vurigheid uit zijn midden wegnemen. » Zo
worden die beiden doopsels in zover zij het doopsel vervangen, doopsel genoemd. Daarom
zegt de H. Augustinus in het IIe Boek 22 « Over het Doopsel » tegen de Donatisten:
« Het lijden kan soms de plaats van het doopsel innemen. » Voor de heilige Cyprianus,
was het geval van de rover aan wie gezegd werd « Vandaag zult ge met Mij zijn in het
paradijs, » een afdoend bewijs daarvan. Wat mij betreft hoemeer ik het beschouw, zoomeer
kom ik tot het besluit, dat niet alleen het lijden om de naam van Christus, maar ook
het geloof en de bekeering des harten, wanneer namelijk onveilige tijdsomstandigheden
gelegenheid om tot het celebreren van de geheimenis des doopsels zijn toevlucht te
nemen, niet gunnen, het doopsel kunnen vervangen.
Ad primum ergo dicendum quod alia duo Baptismata includuntur in Baptismo aquae, qui
efficaciam habet et ex passione Christi et ex spiritu sancto. Et ideo per hoc non
tollitur unitas Baptismatis. (IIIa q. 66 a. 11 ad 1)
1 — De twee andere doopsel zijn in het doopsel met water dat zijn kracht van het lijden
van Christus en van de heilige Geest betrekt bevat. Zo wordt dan de eenheid van het
doopsel niet weggenomen.
Ad secundum dicendum quod, sicut supra dictum est, sacramentum habet rationem signi.
Alia vero duo conveniunt cum Baptismo aquae, non quidem quantum ad rationem signi,
sed quantum ad effectum Baptismatis. Et ideo non sunt sacramenta. (IIIa q. 66 a. 11 ad 2)
2 — Zoals reeds gezegd werd (60e Kw., 1e art.) is het sacrament een teken. Nu komen de
andere doopsel wel wat het uitwerksel maar niet alsof ze tekens waren met het doopsel
van water overeen. Zo zijn ze dus geen sacramenten.
Ad tertium dicendum quod Damascenus ponit quaedam Baptismata figuralia. Sicut diluvium,
quod fuit signum nostri Baptismi quantum ad salvationem fidelium in Ecclesia, sicut
tunc paucae animae salvae factae sunt in arca, ut dicitur I Petr. III. Ponit etiam
transitum maris rubri, qui significat nostrum Baptisma quantum ad liberationem a servitute
peccati; unde apostolus dicit, I Cor. X, quod omnes baptizati sunt in nube et in mari.
Ponit etiam ablutiones diversas quae fiebant in veteri lege, praefigurantes nostrum
Baptisma quantum ad purgationem peccatorum. Ponit etiam Baptismum Ioannis, qui fuit
praeparatorius ad nostrum Baptisma. (IIIa q. 66 a. 11 ad 3)
3 — De heilige Joannes Damascenus heeft het over verschillende voorafbeeldingen van het
doopsel, zoals de zondvloed, die om de verlossing van de geloovigen in de heilige
Kerk, een teken was van ons doopsel; ook daar werden immers volgens de woorden uit
de Eerste Brief van Petrus (3, 2) weinig mensen verlost in een ark. Nog spreekt hij
van de doortocht van de rode zee die het doopsel voorafbeeldt omdat het een redding
is uit de slavernij der zonden. Daarom zegt de apostel in de Eerste Brief aan de Korinthiërs
(10, 2): « Allen werden in de wolk en in de zee gedoopt. » Verder spreekt Joannes
Damascenus ook van de verschillende wassingen die in het oude testament plaats grepen,
en die het doopsel in zijn taak van zonden te reinigen voorafbeelden. Eindelijk spreekt
hij nog van het doopsel van Joannes dat een voorbereiding was tot het doopsel van
Christus.
Articulus 12. Is het doopsel van Bloed het voortreffelijkste doopsel?
Ad duodecimum sic proceditur. Videtur quod Baptismus sanguinis non sit potissimus
inter tria Baptismata. Baptismus enim aquae imprimit characterem. Quod quidem Baptismus
sanguinis non facit. Ergo Baptismus sanguinis non est potior quam Baptismus aquae. (IIIa q. 66 a. 12 arg. 1)
1 — Men beweert dat het doopsel van bloed niet het voortreffelijkste is van de drie. Het
doopsel met water prent een merkteken in, wat het doopsel van bloed niet doet. Zo
is dus het doopsel van bloed niet voortreffelijker dan het doopsel met water.
Praeterea, Baptismus sanguinis non valet sine Baptismo flaminis, qui est per caritatem,
dicitur enim I Cor. XIII, si tradidero corpus meum ita ut ardeam, caritatem autem
non habuero, nihil mihi prodest. Sed Baptismus flaminis valet sine Baptismo sanguinis,
non enim soli martyres salvantur. Ergo Baptismus sanguinis non est potissimus. (IIIa q. 66 a. 12 arg. 2)
2 — Zonder het doopsel van begeerte dat door de liefde geschiedt, heeft het doopsel van
bloed geen waarde. De Apostel schrijft immers in zijn Eerste Brief aan de Korinthiërs
(13, 3): « Zo ik mijn lichaam overgeef om het te laten verbranden, maar geen liefde
heb, dan baat het mij niets. » Integendeel is zonder het doopsel van bloed het doopsel
van begeerte ook geldig, niet alleen immers de martelaren worden gered. Zo is dus
het doopsel van bloed niet het voortreffelijkste.
Praeterea, sicut Baptismus aquae habet efficaciam a passione Christi, cui, secundum
praedicta, respondet Baptismus sanguinis, ita passio Christi efficaciam habet a spiritu
sancto, secundum illud Heb. IX, sanguis Christi, qui per spiritum sanctum obtulit
semetipsum pro nobis, emundabit conscientias nostras ab operibus mortuis, et cetera.
Ergo Baptismus flaminis potior est quam Baptismus sanguinis. Non ergo Baptismus sanguinis
est potissimus. (IIIa q. 66 a. 12 arg. 3)
3 — Evenals het doopsel met water, waaraan zoals gezegd werd het doopsel beantwoordt,
zijn kracht van het lijden van Christus betrekt, evenzo betrekt het lijden van Christus
zijn kracht van de heilige Geest. In de Brief aan de Hebreërs (9, 14) staat immers:
« Het Bloed van Christus, die zich door toedoen van de heilige Geest, om ons aan God
heeft opgeofferd, zal ons geweten van de werken des doods reinigen enz... » Zo heeft
dus het doopsel van begeerte meer waarde dan het doopsel van bloed, en het doopsel
van bloed is dan ook niet het voortreffelijkste.
Sed contra est quod Augustinus, ad Fortunatum, loquens de comparatione Baptismatum,
dicit, baptizatus confitetur fidem suam coram sacerdote, martyr coram persecutore.
Ille post confessionem suam aspergitur aqua, hic sanguine. Ille per impositionem manus
pontificis recipit spiritum sanctum, hic templum efficitur spiritus sancti. (IIIa q. 66 a. 12 s. c.)
Daartegenover staat echter wat Augustinus in zijn boek Over de kerkelijke Dogmata
(74) zegt, wanneer hij nl. onder verschillende doopsels een vergelijking instelt:
« De gedoopte belijdt zijn geloof ten overstaan van de priester. De martelaren echter
ten overstaan van de kerkvervolger. De ene wordt na die belijdenis met water besproeid,
de andere met bloed. De ene erlangt bij de handenoplegging van de priester de H. Geest,
de andere wordt zelf een tempel van de H. Geest. »
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, effusio sanguinis pro Christo, et operatio
interior spiritus sancti, dicuntur Baptismata inquantum efficiunt effectum Baptismi
aquae. Baptismus autem aquae efficaciam habet a passione Christi et a spiritu sancto,
ut dictum est. Quae quidem duae causae operantur in quolibet horum trium Baptismatum,
excellentissime autem in Baptismo sanguinis. Nam passio Christi operatur quidem in
Baptismo aquae per quandam figuralem repraesentationem; in Baptismo autem flaminis
vel poenitentiae per quandam affectionem; sed in Baptismo sanguinis per imitationem
operis. Similiter etiam virtus spiritus sancti operatur in Baptismo aquae per quandam
virtutem latentem; in Baptismo autem poenitentiae per cordis commotionem; sed in Baptismo
sanguinis per potissimum dilectionis et affectionis fervorem, secundum illud Ioan.
XV, maiorem hac dilectionem nemo habet, ut animam suam ponat quis pro amicis suis. (IIIa q. 66 a. 12 co.)
Zoals in het vorige artikel gezegd werd, worden het vergieten van zijn bloed om Christus
en de innerlijke werking van de H. Geest, voorzover zij het uitwerksel van het doopsel
van water, namelijk de rechtvaardiging van de mens teweeg brengen, doopsel genoemd.
Het doopsel van water betrekt zoals we in het vorige artikel aantoonden, zijn kracht
van het lijden van Christus en van de heilige Geest. Die beiden oorzaken nu zijn in
de drie doopsels werkzaam, in het doopsel van bloed echter op buitengewone wijze.
In het doopsel van water werkt het lijden van Christus immers door een zinnebeeldige
voorstelling; in het doopsel van begeerte of van berouw, door een genegenheid der
ziel; in het doopsel van bloed daarentegen door echte navolging. Wat verder de kracht
van de heilige Geest betreft, deze werkt in het doopsel van water in het verborgen,
in het doopsel van begeerte door een beweging des harten, maar in het doopsel van
bloed, volgens de woorden uit het Evangelie van Sint Jan (15, 13) : « Grooter liefde
heeft niemand dan deze : dat hij zijn leven aflegt voor zijn vrienden » door een bijzondere
liefde-ijver.
Ad primum ergo dicendum quod character est res et sacramentum. Non autem dicimus quod
Baptismus sanguinis praeeminentiam habeat secundum rationem sacramenti, sed quantum
ad sacramenti effectum. (IIIa q. 66 a. 12 ad 1)
1 — Het merkteken is één ding én sacrament. Nu zeggen we niet dat het doopsel van bloed
als sacrament, wel dat het mits inachtneming van zijn uitwerking, de voorrang heeft.
Ad secundum dicendum quod effusio sanguinis non habet rationem Baptismi si sit sine
caritate. Ex quo patet quod Baptismus sanguinis includit Baptismum flaminis, et non
e converso. Unde ex hoc probatur perfectior. (IIIa q. 66 a. 12 ad 2)
2 — Bloedvergieten heeft met het doopsel geen uitstaans wanneer het zonder liefde geschiedt.
Daaruit volgt dat het doopsel van bloed het doopsel van begeerte insluit maar niet
omgekeerd, en zo blijkt het volmaakter te zijn.
Ad tertium dicendum quod Baptismus sanguinis praeeminentiam habet non solum ex parte
passionis Christi, sed etiam ex parte spiritus sancti, ut dictum est. (IIIa q. 66 a. 12 ad 3)
3 — Het doopsel van bloed heeft niet alleen om Christus lijden, maar ook zoals we in de
leerstelling zeiden, om de heilige Geest, de voorrang.