QuaestioArticulus

Tertia Pars. Quaestio 39.
Over den doop van Christus .

Prooemium

Deinde considerandum est de baptizatione Christi. Et circa hoc quaeruntur octo. Primo, utrum Christus debuerit baptizari. Secundo, utrum debuerit baptizari Baptismo Ioannis. Tertio, de tempore Baptismi. Quarto, de loco. Quinto, de hoc quod sunt ei caeli aperti. Sexto, de spiritu sancto apparente in specie columbae. Septimo, utrum illa columba fuerit verum animal. Octavo, de voce paterni testimonii. (IIIa q. 39 pr.)

Hierna handelen we over de doop van Christus, en we stellen ons daaromtrent acht vragen. 1. Had Christus gedoopt moeten worden? 2. Had Hij met het doopsel van Joannes moeten gedoopt worden? 3. Over de tijd waarop Hij gedoopt werd. 4. Waar Hij gedoopt werd. 5. Over het feit dat zich de hemelen voor Hem openden. 6. Over de Heilige Geest, die in de gedaante van een duif nederdaalde. 7. Was die duif een werkelijk dier? 8. Over de stem, waarin het getuigenis van de Vader klonk.

Articulus 1.
Behoorde Christus wel gedoopt te worden?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod non fuerit conveniens Christum baptizari. Baptizari enim est ablui. Sed Christo non convenit ablui, in quo nulla fuit impuritas. Ergo videtur quod Christum non decuerit baptizari. (IIIa q. 39 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het niet passend geweest is, dat Christus gedoopt is geworden. Gedoopt worden, betekent immers afgewassen worden. Maar Christus behoort niet afgewassen te worden, daar in Hem geen onreinheid is. Dus schijnt het wel, dat Christus niet had behoren gedoopt te worden.

Praeterea, Christus circumcisionem suscepit ut impleret legem. Sed Baptismus non pertinebat ad legem. Ergo non debebat baptizari. (IIIa q. 39 a. 1 arg. 2)

2 — Christus ontving de besnijdenis ten einde de wet na te komen. Maar het doopsel behoorde niet tot de wet. Dus moest Hij niet gedoopt worden.

Praeterea, primum movens in quolibet genere est immobile secundum illum motum, sicut caelum, quod est primum alterans, non est alterabile. Sed Christus est primum baptizans, secundum illud, super quem videris spiritum descendentem et manentem, hic est qui baptizat. Ergo Christum non decuit baptizari. (IIIa q. 39 a. 1 arg. 3)

3 — In iedere orde van dingen, is, wat in die orde de eerste beweger is, zelf onbewogen wat die beweging betreft: zoals de hemel, die het eerst zekere veranderingen teweegbrengt, zelf niet als zodanig veranderd kan worden. Maar nu is Christus de eerste onder de dopenden, volgens Joannes (1, 33): « Op wien ge de Geest ziet nederdalen en rusten, Hij is het die doopt ». Dus behoorde Christus niet gedoopt te worden.

Sed contra est quod dicitur Matth. III, quod venit Iesus a Galilaea in Iordanem ad Ioannem, ut baptizaretur ab eo. (IIIa q. 39 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter wat Mattheus zegt (3, 13): « Toen kwam ook Jezus van Galilea naar de Jordaan tot Joannes, om zich door hem te laten dopen ».

Respondeo dicendum quod conveniens fuit Christum baptizari. Primo quidem quia, ut Ambrosius dicit, super Luc., baptizatus est dominus, non mundari volens, sed mundare aquas, ut, ablutae per carnem Christi, quae peccatum non cognovit, Baptismatis vim haberent, et ut sanctificatas relinqueret postmodum baptizandis, sicut Chrysostomus dicit. Secundo, sicut Chrysostomus dicit, super Matth., quamvis Christus non esset peccator, tamen naturam suscepit peccatricem, et similitudinem carnis peccati. Propterea, etsi pro se Baptismate non indigebat, tamen in aliis carnalis natura opus habebat. Et, sicut Gregorius Nazianzenus dicit, baptizatus est Christus ut totum veteranum Adam immergat aquae. Tertio, baptizari voluit, sicut Augustinus dicit, in sermone de Epiphania, quia voluit facere quod faciendum omnibus imperavit. Et hoc est quod ipse dicit, sic decet nos adimplere omnem iustitiam. Ut enim Ambrosius dicit, super Luc., haec est iustitia, ut quod alterum facere velis, prius ipse incipias, et tuo alios horteris exemplo. (IIIa q. 39 a. 1 co.)

Het was passend dat Christus gedoopt werd. En wel ten eerste, omdat, zoals Ambrosius zegt (Verklaring van Lucas, 3, 21, 2° B., N° 83): « Christus is gedoopt, niet omdat Hij gezuiverd wilde worden, maar om de wateren te zuiveren, opdat deze, gereinigd door het lichaam van Christus, dat geen zonde heeft gekend, de kracht zouden bezitten om te kunnen dopen », en « om ze daarna geheiligd aan de dopelingen over te laten », zoals Chrysostomus zegt (in zijn onvoltooid gebleven Verklaring van Mattheus, 4° Homelie.) Ten tweede: Chrysostomus zegt (t. a. p.): « Ofschoon Christus geen zondaar was, nam Hij toch de zondige natuur aan en « de gedaante van het zondige vlees ». En daarom: ofschoon Hij voor zichzelf het doopsel niet behoefde, had toch de vleselijke natuur in anderen er behoefte aan ». En Gregorius van Nazianze zegt (39° Redevoering): « Christus werd gedoopt, om de gehele oude Adam in het water onder te dompelen ». En ten derde wilde Hij gedoopt worden, omdat, zoals Augustinus zegt in een Preek op Driekoningen: « Hij zelf wilde doen, wat Hij aan allen te volbrengen heeft opgelegd ». En dit slaat op wat Hij zelf zegt: « Zo betaamt het ons, alle gerechtigheid te vervullen ». (Matth., 3, 15) Want zoals Ambrosius zegt (in zijn Verklaring van Lucas, 3, 21: 2° B., N° 90): « De gerechtigheid bestaat hierin, dat ge met datgene, wat ge wilt dat een ander doet, eerst zelf begint en door uw eigen voorbeeld anderen aanspoort ».

Ad primum ergo dicendum quod Christus non fuit baptizatus ut ablueretur, sed ut ablueret, sicut dictum est. (IIIa q. 39 a. 1 ad 1)

1 — Christus werd niet gedoopt om afgewassen te worden, maar om af te wassen zoals gezegd is (in de Leerstelling).

Ad secundum dicendum quod Christus non solum debebat implere ea quae sunt legis veteris, sed etiam inchoare ea quae sunt novae. Et ideo non solum voluit circumcidi, sed etiam baptizari. (IIIa q. 39 a. 1 ad 2)

2 — Christus moest niet alleen de voorschriften van de oude wet nakomen, maar ook voorgaan met het vervullen van de voorschriften van de nieuwe wet. En daarom wilde Hij niet alleen besneden, maar ook gedoopt worden.

Ad tertium dicendum quod Christus est primum baptizans spiritualiter. Et sic non est baptizatus, sed solum in aqua. (IIIa q. 39 a. 1 ad 3)

3 — Christus is de eerste die geestelijk doopt. En zo werd Hij niet gedoopt, maar alleen met water.

Articulus 2.
Betaamde het wel, dat Christus met het doopsel van Joannes gedoopt werd?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod Christum non decuerit baptizari Baptismo Ioannis. Baptismus enim Ioannis fuit Baptismus poenitentiae. Sed poenitentia Christo non convenit, quia nullum habuit peccatum. Ergo videtur quod non debuit baptizari Baptismo Ioannis. (IIIa q. 39 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het niet betaamd was, dat Christus met het doopsel van Joannes gedoopt werd. Het doopsel immers van Joannes was een doopsel van boetvaardigheid (Marc, 1, 4; Lucas, 3, 4). Maar het komt Christus niet toe, boetvaardigheid te verrichten, daar Hij geen zonde had. Dus schijnt het wel, dat Hij niet moest gedoopt worden met het doopsel van Joannes.

Praeterea, Baptismus Ioannis, sicut dicit Chrysostomus, medium fuit inter Baptismum Iudaeorum et Baptismum Christi. Sed medium sapit naturam extremorum. Cum ergo Christus non fuerit baptizatus Baptismate Iudaico, nec etiam Baptismate suo, videtur quod, pari ratione, Baptismate Ioannis baptizari non debuerit. (IIIa q. 39 a. 2 arg. 2)

2 — Het doopsel van Joannes hield, zoals Chrysostomus zegt (Homelie Over het doopsel van Christus, N° 3): het midden tussen het doopsel der Joden en het doopsel van Christus. Maar wat in het midden staat, heeft de natuur der uitersten (Aristoteles Over de delen der dieren, 3° B., 1° H.) Omdat Christus derhalve niet gedoopt is geworden met een Joods doopsel, en ook niet met zijn eigen doopsel, heeft het er de schijn van dat Hij om die reden evenmin met het doopsel van Joannes had moeten gedoopt worden.

Praeterea, omne quod in rebus humanis est optimum, debet attribui Christo. Sed Baptismus Ioannis non tenet supremum locum inter Baptismata. Ergo non convenit Christum baptizari Baptismo Ioannis. (IIIa q. 39 a. 2 arg. 3)

3 — Alles wat in de dingen der mensen het schoonste is moet aan Christus toegeschreven worden. Nu bekleedt het doopsel van Johannes niet de hoogste plaats onder de doopsels. Dus past het niet, dat Christus gedoopt wordt met het doopsel van Johannes.

Sed contra est quod dicitur Matth. III, quod venit Iesus in Iordanem ut baptizaretur a Ioanne. (IIIa q. 39 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter wat Mattheus zegt (3, 13): « Toen kwam Jezus naar de Jordaan, om zich door Johannes te laten dopen ».

Respondeo dicendum quod, sicut Augustinus dicit, super Ioan., baptizatus dominus baptizabat non Baptismate quo baptizatus est. Unde, cum ipse baptizaret Baptismo proprio, consequens est quod non fuerit baptizatus suo Baptismate, sed Baptismate Ioannis. Et hoc fuit conveniens, primo quidem, propter conditionem Baptismi Ioannis, qui non baptizavit in spiritu, sed solum in aqua. Christus autem spirituali Baptismate non indigebat, qui a principio suae conceptionis gratia spiritus sancti repletus fuit, ut patet ex dictis. Et haec est ratio Chrysostomi. Secundo, ut Beda dicit, baptizatus est Baptismo Ioannis, ut Baptismo suo Baptismum Ioannis comprobaret. Tertio, sicut Gregorius Nazianzenus dicit, accedit Iesus ad Baptismum Ioannis sanctificaturus Baptismum. (IIIa q. 39 a. 2 co.)

Augustinus zegt in zijn 13e Verhandeling op Joannes: « De Heer doopte na zijn eigen doop niet met het doopsel waarmee Hij zelf gedoopt was ». Daar Hij dus zelf met zijn eigen doopsel doopte, volgt dat Hij niet met zijn eigen doopsel gedoopt is, maar met het doopsel van Joannes. En dat was passend en wel ten eerste, om de aard van het doopsel van Joannes, die niet met de Geest doopte, maar alleen met water (Matth., 3, 11). Christus echter behoefde geen geestelijk doopsel, daar Hij van het begin van zijn ontvangenis af vervuld was geweest met de genade van de Heilige Geest, zoals uit het vroeger gezegde blijkt (34e Kw., 1e Art.). En dit is het argument van Chrysostomus. Ten tweede werd Hij gedoopt met het doopsel van Joannes, zoals Beda zegt (Verklaring van Marcus, 1, 9): « om door zijn eigen doop het doopsel van Joannes te bekrachtigen ». En ten derde « naderde Jesus tot het doopsel van Joannes », zoals Gregorius van Nazianze zegt (39e Redevoering) « om het doopsel te heiligen ».

Ad primum ergo dicendum quod, sicut supra dictum est, Christus baptizari voluit ut nos suo exemplo induceret ad Baptismum. Et ideo, ad hoc quod esset efficacior eius inductio, voluit baptizari Baptismo quo manifeste non indigebat, ut homines ad Baptismum accederent quo indigebant. Unde Ambrosius dicit, super Luc., nemo refugiat lavacrum gratiae, quando Christus lavacrum poenitentiae non refugit. (IIIa q. 39 a. 2 ad 1)

1 — Zoals in het 1e artikel gezegd is, wilde Christus gedoopt worden, om ons door zijn voorbeeld tot het doopsel te brengen. En om nu zijn aansporing nog meer kracht bij te zetten, wilde Hij gedoopt worden met een doopsel, waar Hij klaarblijkelijk geen behoefte aan had, opdat de mensen tot een doopsel zouden naderen waar ze wél behoefte aan hadden. Vandaar zegt Ambrosius (Verklaring van Lucas, 3, 21): « Niemand ontvlucht het bad der genade, nu Christus het bad van boetwaardigheid niet ontvlucht is ».

Ad secundum dicendum quod Baptismus Iudaeorum in lege praeceptus, erat solum figuralis; Baptismus autem Ioannis aliqualiter erat realis, inquantum inducebat homines ad abstinendum a peccatis; Baptismus autem Christi habet efficaciam mundandi a peccato et gratiam conferendi. Christus autem neque indigebat percipere remissionem peccatorum, quae in eo non erant; neque recipere gratiam, qua plenus erat. Similiter etiam, cum ipse sit veritas, non competebat ei id quod in sola figura gerebatur. Et ideo magis congruum fuit quod baptizaretur Baptismo medio quam aliquo extremorum. (IIIa q. 39 a. 2 ad 2)

2 — Het doopsel der Joden, in de wet voorgeschreven, was alleen figuurlijk; het doopsel van Joannes was in zekere zin werkelijk, in zoverre het de mensen ertoe wilde brengen zich van zonden te onthouden; het doopsel van Christus echter bezit de kracht van zonde te zuiveren en genade mede te delen. Christus nu behoefde geen vergeving van zonden te ontvangen, daar die in Hem niet waren; en evenmin genade te ontvangen, daar Hij daarvan vervuld was. En evenzo kwam Hem, die zelf de waarheid is (Joan., 14, 6), ook niet toe wat slechts figuurlijke zin had. En dus was het beter, dat Hij gedoopt werd met het middelste doopsel, dan met een der uitersten.

Ad tertium dicendum quod Baptismus est quoddam spirituale remedium. Quanto autem est aliquid magis perfectum, tanto minori remedio indiget. Unde ex hoc ipso quod Christus est maxime perfectus, conveniens fuit quod non baptizaretur perfectissimo Baptismo, sicut ille qui est sanus, non indiget efficaci medicina. (IIIa q. 39 a. 2 ad 3)

3 — Het doopsel is een soort geestelijk geneesmiddel. Hoe volmaakter nu iets is, zoveel te minder in kracht het geneesmiddel is, waaraan het behoefte heeft. Uit het feit dus dat Christus allervolmaaktst is, volgt dat het passend was, dat Hij niet met het allervolmaaktste doopsel gedoopt werd, evenals iemand die gezond is, geen krachtige medicijn nodig heeft.

Articulus 3.
Is Christus op den geschikten tijd gedoopt geworden?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod non convenienti tempore Christus fuerit baptizatus. Ad hoc enim Christus baptizatus est ut suo exemplo alios ad Baptismum provocaret. Sed fideles Christi laudabiliter baptizantur, non solum ante trigesimum annum, sed etiam in infantili aetate. Ergo videtur quod Christus non debuit baptizari in aetate triginta annorum. (IIIa q. 39 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus niet op de geschikte tijd is gedoopt geworden. Christus is immers gedoopt, om anderen door zijn voorbeeld op te wekken, zich ook te laten dopen. Nu is het echter prijzenswaardig, dat de gelovigen niet alleen vóór hun dertigste levensjaar, maar ook op jeugdige leeftijd gedoopt worden. Dus schijnt het wel, dat Christus niet gedoopt moest worden, toen Hij dertig jaar oud was.

Praeterea, Christus non legitur docuisse, vel miracula fecisse, ante Baptismum. Sed utilius fuisset mundo si pluri tempore docuisset, incipiens a vigesimo anno, vel etiam prius. Ergo videtur quod Christus, qui pro utilitate hominum venerat, ante trigesimum annum debuerat baptizari. (IIIa q. 39 a. 3 arg. 2)

2 — Er staat nergens te lezen, dat Christus vóór zijn doopsel geleerd heeft, of wonderen heeft gedaan. Maar het zou voor de wereld voordeliger zijn geweest, als Hij langer geleerd had, en op zijn twintigste jaar of nog eerder er mee begonnen was. Dus schijnt het wel, dat Christus, die tot voordeel der mensen gekomen was, vóór zijn dertigste jaar zich had moeten laten dopen.

Praeterea, indicium sapientiae divinitus infusae maxime debuit manifestari in Christo. Est autem manifestatum in Daniele tempore suae pueritiae, secundum illud Dan. XIII, suscitavit dominus spiritum sanctum pueri iunioris, cui nomen Daniel. Ergo multo magis Christus in sua pueritia debuit baptizari vel docere. (IIIa q. 39 a. 3 arg. 3)

3 — Een aanwijzing van door God ingestorte wijsheid, had bovenal in Christus zichtbaar moeten zijn. Ze was zichtbaar in Daniël in zijn jeugd, volgens het woord uit het Boek Daniël (13, 45): « De Heer wekte de Heilige Geest op van een jonge man, wiens naam was Daniël ». Dus had nog veel eerder Christus in zijn jeugd moeten gedoopt worden.

Praeterea, Baptismus Ioannis ordinatur ad Baptismum Christi sicut ad finem. Sed finis est prior in intentione, et postremum in executione. Ergo vel debuit primus baptizari a Ioanne, vel ultimus. (IIIa q. 39 a. 3 arg. 4)

4 — Het doopsel van Joannes is op het doopsel van Christus gericht als op zijn einddoel. Nu is het doel het eerst in de gedachte en het laatst in de uitvoering. Hij had dus ofwel het eerst, ofwel het laatst door Joannes moeten gedoopt worden.

Sed contra est quod dicitur Luc. III, factum est, cum baptizaretur omnis populus, et Iesu baptizato et orante, et infra, et ipse Iesus erat incipiens quasi annorum triginta. (IIIa q. 39 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter wat Lucas zegt (3, 21): « Toen nu al het volk zich liet dopen, en ook Jezus gedoopt was en bad... » en verderop (v. 23): « Toen Jezus nu optrad, was Hij ongeveer dertig jaar oud ».

Respondeo dicendum quod Christus convenienter fuit in trigesimo anno baptizatus. Primo quidem, quia Christus baptizabatur quasi ex tunc incipiens docere et praedicare, ad quod requiritur perfecta aetas, qualis est triginta annorum. Unde et Gen. XLI legitur quod triginta annorum erat Ioseph quando suscepit regimen Aegypti. Similiter etiam II Reg. V legitur de David quod triginta annorum erat cum regnare coepisset. Ezechiel etiam in anno trigesimo coepit prophetare, ut habetur Ezech. I. Secundo quia, sicut Chrysostomus dicit, super Matth., futurum erat ut post Baptismum Christi lex cessare inciperet. Et ideo hac aetate Christus ad Baptismum venit quae potest omnia peccata suscipere, ut, lege servata, nullus dicat quod ideo eam solvit quod implere non potuit. Tertio, quia per hoc quod Christus in aetate perfecta baptizatur, datur intelligi quod Baptismus parit viros perfectos, secundum illud Ephes. IV, donec occurramus omnes in unitatem fidei et agnitionis filii Dei, in virum perfectum, in mensuram aetatis plenitudinis Christi. Unde et ipsa proprietas numeri ad hoc pertinere videtur. Consurgit enim tricenarius numerus ex ductu ternarii in denarium; per ternarium autem intelligitur fides Trinitatis, per denarium autem impletio mandatorum legis; et in his duobus perfectio vitae Christianae consistit. (IIIa q. 39 a. 3 co.)

Het was heel passend, dat Christus zich in zijn dertigste levensjaar heeft laten dopen. En wel ten eerste, daar Christus zich liet dopen, omdat Hij van toen af begon te leren en te preken: waartoe een volmaakte leeftijd vereist wordt, wat het dertigste levensjaar is. Vandaar ook lezen we in het Boek Genesis (41, 46) dat Joseph dertig jaar oud was, toen hij het bestuur van Egypte op zich nam. Zo staat er ook van David geschreven (2e Boek der Koningen, 5, 4), dat hij dertig jaar oud was, toen hij begon te regeren. Ook Ezechiel begon in zijn dertigste levensjaar te profeteren, zoals geschreven staat in het Boek Ezechiel (1, 1). Ten tweede, omdat, zoals Chrysostomus zegt (10e Homelie op Mattheus), « nà Christus' doop, de wet zou beginnen op te houden. En daarom kwam Christus op zo'n leeftijd tot het doopsel, die voor alle zonden vatbaar is: opdat niemand die de wet onderhouden had, zou zeggen, dat Hij haar daarom ophief, omdat Hij haar zelf niet kon onderhouden ». Ten derde, omdat door het feit, dat Christus zich liet dopen toen Hij de volmaakte leeftijd bereikt had, te verstaan gegeven wordt, dat het doopsel volmaakte mannen voortbrengt, volgens de Brief aan de Ephesiers (4, 13): « Tot de tijd, dat we allen tot de eenheid des geloofs en der kennis van Gods Zoon zijn gekomen, een volwassen man zijn geworden, en de mannenmaat van de volmaakte Christus hebben bereikt ». Daarop schijnt dan ook de eigenschap van het getal te slaan. Want het getal dertig ontstaat door drie met tien te vermenigvuldigen; onder het getal drie nu wordt verstaan het geloof in de Drievuldigheid, onder het getal tien de vervulling van de voorschriften der wet; en uit deze twee bestaat de volmaaktheid van het Christelijk leven.

Ad primum ergo dicendum quod, sicut Gregorius Nazianzenus dicit, Christus non est baptizatus quasi indigeret purgatione, nec aliquod illi immineret periculum differendo Baptismum. Sed cuivis alii non in parvum redundat periculum, si exeat ex hac vita non indutus veste incorruptionis, scilicet gratia. Et licet bonum sit post Baptismum munditiam custodire, potius tamen est, ut ipse dicit, interdum paulisper maculari, quam gratia omnino carere. (IIIa q. 39 a. 3 ad 1)

1 — Volgens Gregorius van Nazianze (40e Preek op het H. Doopsel) heeft Christus zich niet laten dopen, alsof Hij reiniging nodig had, en evenmin alsof Hem, als Hij het doopsel zou uitstellen, een of ander gevaar boven het hoofd zou zweven. Maar voor iedere ander zou het een niet gering gevaar opleveren, als hij dit leven zou verlaten, niet omkleed met het kleed der onvergankelijkheid, d. i. de genade. En al is het dan goed, na het doopsel de reinheid te bewaren, het is echter beter, zoals hij zegt (t. a. p., N° 19) soms een weinig besmet te worden, dan de genade helemaal te moeten missen.

Ad secundum dicendum quod utilitas quae a Christo provenit hominibus praecipue est per fidem et humilitatem, ad quorum utrumque valet quod Christus non in pueritia vel in adolescentia coepit docere, sed in perfecta aetate. Ad fidem quidem, quia per hoc ostenditur in eo vera humanitas, quod per temporum incrementa corporaliter profecit, et ne huiusmodi profectus putaretur esse phantasticus, noluit suam sapientiam et virtutem manifestare ante perfectam corporis aetatem. Ad humilitatem vero, ne ante perfectam aetatem aliquis praesumptuose praelationis gradum et docendi officium assumat. (IIIa q. 39 a. 3 ad 2)

2 — Het voordeel, dat de mensen van Christus hebben, komt hoofdzakelijk van het geloof en de nederigheid: en voor beide is het goed, dat Christus niet in zijn jeugd, of toen Hij jongeling was, maar in volmaakte leeftijd is begonnen te leren. Voor het geloof omdat daardoor de waarachtige menselijke natuur in Hem bewezen wordt, welke natuur bij het groeien der jaren volmaakter werd: en opdat men nu niet zou menen, dat die wasdom maar een waanbeeld was, wilde Hij zijn wijsheid en kracht niet tonen, voordat zijn lichaam de volmaakte leeftijd bereikt had. Voor de nederigheid nu, opdat niet iemand zich overmoedig een rang van prelaat of leeraarsambt zou aanmatigen.

Ad tertium dicendum quod Christus proponebatur hominibus in exemplum omnium. Et ideo oportuit in eo ostendi id quod competit omnibus secundum legem communem, ut scilicet in aetate perfecta doceret. Sed, sicut Gregorius Nazianzenus dicit, non est lex Ecclesiae quod raro contingit, sicut nec una hirundo ver facit. Aliquibus enim, ex quadam speciali dispensatione, secundum divinae sapientiae rationem, concessum est, praeter legem communem, ut ante perfectam aetatem officium vel praesidendi vel docendi haberent, sicut Salomon, Daniel et Ieremias. (IIIa q. 39 a. 3 ad 3)

3 — Christus werd aan de mensen voorgesteld, ten voorbeeld voor allen. En daarom moest in Hem te zien zijn, wat volgens de algemene wet aan allen toekomt en wel dat Hij pas op volmaakte leeftijd leeraarde. Maar, zoals Gregorius van Nazianze zegt (39° Redevoering) wat zelden voorvalt, is geen herlijke wet: zoals evenmin « één zwaluw de lente maakt ». Want aan sommigen is, met bijzondere dispensatie, naar het plan der goddelijke wijsheid buiten de algemene wet om toegestaan, een officië te hebben, hetzij om te besturen, hetzij om te leeraren, zoals aan Salomon, Daniel en Jeremias.

Ad quartum dicendum quod Christus nec primus nec ultimus debuit a Ioanne baptizari. Quia, ut Chrysostomus dicit, super Matth., Christus ad hoc baptizatur ut confirmaret praedicationem et Baptismum Ioannis; et ut testimonium acciperet a Ioanne. Non autem creditum fuisset testimonio Ioannis nisi postquam multi fuerunt baptizati ab ipso. Et ideo non debuit primus a Ioanne baptizari. Similiter etiam nec ultimus. Quia, sicut ipse ibidem subdit, sicut lux solis non expectat occasum Luciferi, sed eo procedente egreditur, et suo lumine obscurat illius candorem; sic et Christus non expectavit ut cursum suum Ioannes impleret, sed, adhuc eo docente et baptizante, apparuit. (IIIa q. 39 a. 3 ad 4)

4 — Christus behoorde noch als eerste noch als laatste door Joannes gedoopt te worden, omdat, zoals Chrysostomus zegt (4° Homelie van een onvoltooid gebleven Verklaring van Matthaeus) Christus zich daarom liet dopen, ten einde de prediking en het doopsel van Joannes te bekrachtigen; en om een getuigenis te ontvangen van Joannes. Aan Joannes’ getuigenis zou men echter eerst dan pas geloof gaan hechten, als er velen door hem gedoopt waren. En dus moest Hij niet het eerst door Joannes gedoopt worden. — Evenzo ook niet het laatst: omdat, zoals hij er t. a. p. aan toevoegt, evenals het licht der zon de ondergang der Morgenster niet afwacht, maar door haar voorafgegaan uittreedt, en haar glans door haar eigen licht verduistert; zo wachtte Christus niet, totdat Joannes zijn loop zou voleindigd hebben, maar verscheen reeds, toen hij nog leerde en doopte.

Articulus 4.
Had Christus in den Jordaan gedoopt moeten worden?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod Christus non debuerit baptizari in Iordane. Veritas enim debet respondere figurae. Sed figura Baptismi praecessit in transitu maris rubri, ubi Aegyptii sunt submersi, sicut peccata delentur in Baptismo. Ergo videtur quod Christus magis debuerit baptizari in mari quam in flumine Iordanis. (IIIa q. 39 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus niet in de Jordaan had gedoopt moeten worden. — I. De werkelijkheid immers, moet aan de voorafbeelding beantwoorden. Maar de voorafbeelding van het doopsel ging vooraf bij de overtocht der Rode Zee, waarin de Egyptenaren verdronken, zoals de zonden gedelgd worden in het doopsel. Dus schijnt het wel, dat Christus veeleer in de zee had gedoopt moeten worden, dan in de rivier de Jordaan.

Praeterea, Iordanis interpretatur descensus. Sed per Baptismum aliquis plus ascendit quam descendit, unde et Matth. III dicitur quod baptizatus Iesus confestim ascendit de aqua. Ergo videtur inconveniens fuisse quod Christus in Iordane baptizaretur. (IIIa q. 39 a. 4 arg. 2)

2 — Jordaan betekent neerdaling. (Hieronymus, 78° Brief Over de 42 verblijven, 41° Verbl.). Maar door het doopsel stijgt iemand meer op, dan dat hij afdaalt: vandaar zegt Mattheus ook (3, 16) dat Jezus nadat Hij de doop had ontvangen, onmiddellijk uit het water steeg. Dus schijnt het niet passend te zijn geweest, dat Christus in de Jordaan gedoopt werd.

Praeterea, transeuntibus filiis Israel, aquae Iordanis conversae sunt retrorsum, ut legitur Iosue IV, et sicut in Psalmo dicitur. Sed illi qui baptizantur, non retrorsum, sed in antea progrediuntur. Non ergo fuit conveniens ut Christus in Iordane baptizaretur. (IIIa q. 39 a. 4 arg. 3)

3 — Bij de overtocht der kinderen Israëls weken de wateren van de Jordaan terug, zoals bij Josué te lezen staat (3, 16, 17) en in het Boek der Psalmen (113, 3-5). Maar die zich laten dopen, gaan niet achteruit doch vooruit. Het was dus niet passend, dat Christus in de Jordaan gedoopt werd.

Sed contra est quod dicitur Marci I, quod baptizatus est Iesus a Ioanne in Iordane. (IIIa q. 39 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Marcus zegt (1, 9), dat Jezus door Johannes in de Jordaan gedoopt werd.

Respondeo dicendum quod fluvius Iordanis fuit per quem filii Israel in terram promissionis intraverunt. Hoc autem habet Baptismus Christi speciale prae omnibus Baptismatibus, quod introducit in regnum Dei, quod per terram promissionis significatur, unde dicitur Ioan. III, nisi quis renatus fuerit ex aqua et spiritu sancto, non potest introire in regnum Dei. Ad quod etiam pertinet quod Elias divisit aquas Iordanis, qui erat in curru igneo rapiendus in caelum, ut dicitur IV Reg. II, quia scilicet transeuntibus per aquam Baptismi, per ignem spiritus sancti patet aditus in caelum. Et ideo conveniens fuit ut Christus in Iordane baptizaretur. (IIIa q. 39 a. 4 co.)

Het was de rivier de Jordaan, waardoor de kinderen Israëls het beloofde land binnentraden. (Josue, 3° en 4° H.). Wat nu het doopsel van Christus vóór heeft op alle andere doopsels is dit, dat het binnenleidt in het rijk Gods, dat door het beloofde land betekend wordt. Vandaar zegt Joannes (3, 5): « Zo iemand niet geboren wordt uit water en de Heilige Geest, kan hij niet ingaan in het koninkrijk Gods ». Hierop slaat ook, dat Elias de wateren van de Jordaan verdeelde, toen hij op het punt stond om in een vurige wagen weggevoerd te worden naar de hemel, zoals geschreven staat in het 4e Boek der Koningen (2, 7 vlg.) : omdat nl. voor hen, die door het water des doopsels gaan, door het vuur van de Heilige Geest de toegang tot de hemel openstaat. En dus was het passend, dat Christus in de Jordaan gedoopt werd.

Ad primum ergo dicendum quod transitus maris rubri praefiguravit Baptismum quantum ad hoc quod Baptismus delet peccata. Sed transitus Iordanis quantum ad hoc quod aperit ianuam regni caelestis, qui est principalior effectus Baptismi, et per solum Christum impletus. Et ideo convenientius fuit quod Christus in Iordane quam in mari baptizaretur. (IIIa q. 39 a. 4 ad 1)

1 — De overtocht van de Rode Zee verzinnebeeldde het doopsel wat de uitdelging der zonden betreft. Maar de overtocht van de Jordaan, in zover het de deur van het hemelrijk opent: wat het voornaamste gevolg van het doopsel is, dat door Christus alleen vervuld is. En daarom was het beter, dat Christus in de Jordaan en niet in de zee gedoopt werd.

Ad secundum dicendum quod in Baptismo est ascensus per profectum gratiae, qui requirit humilitatis descensum, secundum illud Iac. IV, humilibus autem dat gratiam. Et ad talem descensum referendum est nomen Iordanis. (IIIa q. 39 a. 4 ad 2)

2 — Er is een opstijgen in het doopsel, door een vooruitgang in genade, wat een afdalen in nederigheid vereist, volgens het woord van Jacobus (4, 6): « Aan de nederigen echter geeft Hij genade ». En op dat afdalen slaat de naam: Jordaan.

Ad tertium dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in sermone de Epiphania, sicut antea aquae Iordanis retrorsum conversae fuerant, ita modo, Christo baptizato, peccata retrorsum conversa sunt. Vel etiam per hoc significatur quod, contra descensum aquarum, benedictionum fluvius sursum ferebatur. (IIIa q. 39 a. 4 ad 3)

3 — Hierop is te antwoorden met de woorden van Augustinus, in een Preek op Driekoningen (10e Pr.): « Gelijk vroeger de wateren van de Jordaan terugweken, zo wijken nu, na de doop van Christus, de zonden terug ». Of ook zoo: daardoor wordt betekend, dat, in tegenstelling met het afvloeien der wateren, de stroom van zegeningen opliep.

Articulus 5.
Moesten de hemelen zich openen, toen Christus gedoopt was?

Ad quintum sic proceditur. Videtur quod Christo baptizato non debuerunt caeli aperiri. Illi enim aperiendi sunt caeli qui indiget intrare in caelum, quasi extra caelum existens. Sed Christus semper erat in caelo, secundum illud Ioan. III, filius hominis qui est in caelo. Ergo videtur quod non debuerint ei caeli aperiri. (IIIa q. 39 a. 5 arg. 1)

1 — Men beweert, dat toen Christus gedoopt was, de hemelen zich niet hadden moeten openen. Voor hem immers moeten de hemelen zich openen, die, omdat hij buiten de hemel staat, de hemel binnen moet treden. Maar Christus was altijd in de hemel, volgens het woord van Joannes (3, 13): « De mensenzoon, die in de hemel is ». Dus hadden zich de hemelen voor Hem niet behoeven te openen.

Praeterea, apertio caelorum aut intelligitur corporaliter, aut spiritualiter. Sed non potest intelligi corporaliter, quia corpora caelestia sunt impassibilia et infrangibilia, secundum illud Iob XXXVII, tu forsitan fabricatus es caelos, qui solidissimi quasi aere fusi sunt? Similiter etiam nec potest intelligi spiritualiter, quia ante oculos filii Dei caeli antea clausi non fuerant. Ergo inconvenienter videtur dici quod baptizato Christo aperti fuerunt caeli. (IIIa q. 39 a. 5 arg. 2)

2 — Het opengaan der hemelen moet ofwel lichamelijk of geestelijk verstaan worden. Maar het kan niet lichamelijk verstaan worden, omdat de hemellichamen onlijdelijk en onbreekbaar zijn, volgens het woord uit het Boek Job (37, 18): « Hebt gij misschien de hemelen gemaakt, die vast staan, als waren zij van koper gegoten? ». Evenmin kan het geestelijk verstaan worden, omdat de hemelen voor de ogen van de Zoon Gods van tevoren niet gesloten waren. Bijgevolg schijnt het helemaal niet goed uitgedrukt te zijn, dat de hemelen zich openden toen Christus gedoopt was.

Praeterea, fidelibus caelum apertum est per Christi passionem, secundum illud Heb. X, habemus fiduciam in introitum sanctorum in sanguine Christi. Unde etiam nec baptizati Baptismo Christi, si qui ante eius passionem decesserunt, caelos intrare potuerunt. Ergo magis debuerunt aperiri caeli Christo patiente, quam eo baptizato. (IIIa q. 39 a. 5 arg. 3)

3 — Voor de gelovigen is de hemel door Christus' lijden geopend, volgens het woord uit de Brief aan de Hebreeën (10, 19): « We hebben de vaste zekerheid, dat door het bloed van Jezus de weg tot het heiligdom ons openstaat ». Vandaar ook, als er enigen van hen, die met het doopsel van Christus gedoopt waren, vóór zijn lijden zijn komen te sterven, dan konden zij de hemelen niet binnentreden. Bijgevolg hadden zich veeleer de hemelen moeten openen, toen Christus leed, dan toen Hij gedoopt was.

Sed contra est quod dicitur Luc. III, Iesu baptizato et orante, apertum est caelum. (IIIa q. 39 a. 5 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Lucas zegt (3, 21): « Toen Jezus gedoopt was, ging, terwijl Hij aan het bidden was, de hemel open ».

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, Christus baptizari voluit ut suo Baptismo consecraret Baptismum quo nos baptizaremur et ideo in Baptismo Christi ea demonstrari debuerunt quae pertinent ad efficaciam nostri Baptismi. Circa quam tria sunt consideranda. Primo quidem, principalis virtus ex qua Baptismus efficaciam habet, quae quidem est virtus caelestis. Et ideo baptizato Christo apertum est caelum, ut ostenderetur quod de cetero caelestis virtus Baptismum sanctificaret. Secundo, operatur ad efficaciam Baptismi fides Ecclesiae et eius qui baptizatur, unde et baptizati fidem profitentur, et Baptismus dicitur fidei sacramentum. Per fidem autem inspicimus caelestia, quae sensum et rationem humanam excedunt. Et ad hoc significandum, Christo baptizato aperti sunt caeli. Tertio, quia per Baptismum Christi specialiter aperitur nobis introitus regni caelestis, qui primo homini praeclusus fuerat per peccatum. Unde baptizato Christo aperti sunt caeli, ut ostenderetur quod baptizatis patet via in caelum. Post Baptismum autem necessaria est homini iugis oratio, ad hoc quod caelum introeat, licet enim per Baptismum remittantur peccata, remanet tamen fomes peccati nos impugnans interius, et mundus et Daemones qui impugnant exterius. Et ideo signanter dicitur Luc. III quod, Iesu baptizato et orante, apertum est caelum, quia scilicet fidelibus necessaria est oratio post Baptismum. Vel ut detur intelligi quod hoc ipsum quod per Baptismum caelum aperitur credentibus, est ex virtute orationis Christi. Unde signanter dicitur, Matth. III, quod apertum est ei caelum, idest, omnibus propter eum, sicut si imperator alicui pro alio petenti dicat, ecce, hoc beneficium non illi do, sed tibi, idest, propter te illi; ut Chrysostomus dicit, super Matth. (IIIa q. 39 a. 5 co.)

Zoals gezegd (1° Art.; 38° Kw., 1° Art.), wilde Christus gedoopt worden, om door zijn doopsel het doopsel, waarmee wij zouden gedoopt worden, te heiligen. En daarom moesten in Christus’ doop die dingen aangetoond worden, die tot de kracht van het doopsel behoren. En daaromtrent zijn drie dingen te beschouwen. En wel ten eerste, de hoofdkracht waaraan het doopsel zijn werking ontleent: en dat nu is een kracht uit de hemel. En dus werd de hemel geopend toen Christus gedoopt was, als om aan te tonen, dat voortaan een kracht van de hemel het doopsel zou heiligen. Ten tweede werken het geloof der Kerk en van degenen die gedoopt wordt er toe mee, dat het doopsel zijn uitwerking heeft: daarom belijden de gedoopten ook hun geloof en wordt het doopsel een sacrament des geloofs genoemd (Augustinus in zijn brief Aan Bonifacius). Door het geloof echter krijgen wij zicht op de hemelse dingen, die de zintuigen en het verstand van de mens te boven gaan. En om dit te betekenen werden de hemelen, toen Christus gedoopt was, geopend. Ten derde, omdat door het doopsel vooral ons de toegang tot het hemelrijk geopend wordt, welke eerst voor de mens door de zonde gesloten was. En daarom werden de hemelen geopend toen Christus gedoopt was, als om aan te duiden, dat de gedoopten de weg naar de hemel open staat. Na het doopsel is voor de mens om in de hemel te komen nog noodig een aanhoudend gebed: want ofschoon door het doopsel de zonden vergeven worden, blijven toch nog over de zondehaard, die ons inwendig bestrijdt, en de wereld en de duivelen, die ons van buiten af aanvallen. En daarom zegt Lucas heel terecht dat de hemel zich opende toen Jezus gedoopt was en Hij aan het bidden was, omdat namelijk voor de gelovigen het gebed na het doopsel noodzakelijk is. — Of ook wel om daardoor te verstaan te geven, dat het feit, dat de hemel voor de gelovigen geopend wordt, te danken is aan de kracht van Christus’ gebed. Vandaar zegt Mattheus zo tekenend, dat de hemel zich voor Hem opende, d. i. voor allen, terwille van Hem: evenals wanneer een keizer aan iemand, die voor een ander iets vraagt, zou zeggen: « Ziet eens, deze gunst geef ik niet aan hem, maar aan u, d. i. aan hem terwille van u », zoals Chrysostomus zegt (4° Homelie van zijn onvoltooid gebleven Verklaring van Mattheus).

Ad primum ergo dicendum quod, sicut Chrysostomus dicit, super Matth., sicut Christus secundum dispensationem humanam baptizatus est, quamvis propter se Baptismo non indigeret; sic secundum humanam dispensationem aperti sunt ei caeli, secundum autem naturam divinam semper erat in caelis. (IIIa q. 39 a. 5 ad 1)

1 — Hierop is te antwoorden met de woorden van Chrysostomus (t. a. p.): « Evenals Christus, ofschoon Hij voor zichzelf het doopsel niet nodig had, gedoopt werd, als ook vallend onder het bestuur, dat over de mensen staat, zo ook en om de zelfde reden, werden Hem de hemelen geopend, ofschoon Hij als Goddelijk wezen, voortdurend in de hemelen was ».

Ad secundum dicendum quod, sicut Hieronymus dicit, super Matth., caeli aperti sunt Christo baptizato, non reseratione elementorum, sed spiritualibus oculis, sicut et Ezechiel in principio voluminis sui caelos apertos esse commemorat. Et hoc probat Chrysostomus, super Matth., dicens quod, si ipsa creatura, scilicet caelorum, rupta fuisset, non dixisset, aperti sunt ei, quia quod corporaliter aperitur, omnibus est apertum. Unde et Marci I expresse dicitur quod Iesus statim ascendens de aqua, vidit caelos apertos, quasi ipsa apertio caelorum ad visionem Christi referatur. Quod quidem aliqui referunt ad visionem corporalem, dicentes quod circa Christum baptizatum tantus splendor fulsit in Baptismo ut viderentur caeli aperti. Potest etiam referri ad imaginariam visionem, per quem modum Ezechiel vidit caelos apertos, formabatur enim ex virtute divina et voluntate rationis talis visio in imaginatione Christi, ad significandum quod per Baptismum caeli aditus hominibus aperitur. Potest etiam ad visionem intellectualem referri, prout Christus vidit, Baptismo iam sanctificato, apertum esse caelum hominibus; quod tamen etiam ante viderat fiendum. (IIIa q. 39 a. 5 ad 2)

2 — Hierop is met Hieronymus te antwoorden (Verklaring van Mattheus, 3, 16, 17, 3° B.): « Toen Christus gedoopt was, openden zich de hemelen voor zijn geestesoog, en niet in die zin, dat de elementen zich van elkaar deden: en dat bedoelt ook Ezechiel, als hij in het begin van zijn boek er melding van maakt dat de hemelen geopend waren ». En dat bewijst Chrysostomus (t. a. p.) met te zeggen, dat, indien de geschapen hemel geopend was geweest, dan zou hij (d. i. Mattheus) niet gezegd hebben: « Hem werden geopend »: omdat wat in letterlijken zin geopend wordt, voor allen open staat ». En daarom zegt ook Marcus uitdrukkelijk (1, 10), dat op hetzelfde ogenblik, dat Jesus opsteeg uit het water, Hij de hemel geopend zag: als om die opening der hemelen in verband te brengen met het zien van Christus. Sommigen nu brengen het in verband met het lichamelijk zien, en zeggen dan, dat er zo’n gloed om Christus straalde, toen Hij gedoopt werd, dat de hemelen wel geopend schenen. Het kan ook in verband gebracht worden, met een zien der fantasie, op dezelfde manier als waarop Ezechiel de hemelen geopend zag: door Gods kracht immers en de invloed van zijn eigen redelijke wil werd er een dergelijke voorstelling in Christus’ fantasie gevormd, als om aan te geven, dat door het doopsel voor de mensen de toegang naar de hemel geopend wordt. Het kan ook nog in verband gebracht worden met een verstandelijk zien, in zover Christus zag, dat, nu het doopsel geheiligd was, voor de mensen de hemel open stond; maar van tevoren had Hij ook al gezien, dat dit zou geschieden.

Ad tertium dicendum quod per passionem Christi aperitur caelum hominibus sicut per causam communem apertionis caelorum. Oportet tamen hanc causam singulis applicari, ad hoc quod caelum introeant. Quod quidem fit per Baptismum, secundum illud Rom. VI, quicumque baptizati sumus in Christo Iesu, in morte ipsius baptizati sumus. Et ideo potius fit mentio de apertione caelorum in Baptismo quam in passione. Vel, sicut Chrysostomus dicit, super Matth., baptizato Christo caeli tantum sunt aperti, postquam vero tyrannum vicit per crucem, quia non erant portae necessariae caelo nunquam claudendo, non dicunt Angeli, aperite portas, sed, tollite portas. Per quod dat intelligere Chrysostomus quod obstacula quibus prius obsistentibus animae defunctorum introire non poterant caelos, sunt totaliter per passionem ablata, sed in Baptismo Christi sunt aperta, quasi manifestata iam via per quam homines in caelum erant intraturi. (IIIa q. 39 a. 5 ad 3)

3 — Het lijden van Christus is de algemene grond, waarom voor de mensen de hemel geopend wordt. Opdat ze nu echter de hemel kunnen binnengaan, moet deze oorzaak op ieder in het bijzonder toegepast worden. En dit gebeurt door het doopsel, volgens het woord van de Brief aan de Romeinen (6. 3): « Wij allen, die in Christus Jesus gedoopt zijn, zijn in zijn dood gedoopt ». En daarom wordt liever bij de doop dan bij het lijden melding gemaakt van de opening der hemelen. Men kan op deze bedenking ook nog antwoorden met de woorden van Chrysostomus (t. a. p.): « De hemelen werden, toen Christus gedoopt was, alleen maar geopend: toen Hij echter door het kruis de tiran overwonnen had, toen zeiden de Engelen niet « Opent de poorten », maar « Neemt de poorten weg », omdat een hemel, die zich nooit meer zal sluiten, geen poorten meer nodig heeft ». En hierdoor geeft Chrysostomus te verstaan, dat de hinderpalen, welke aanvankelijk verhinderden, dat de zielen der afgestorvenen de hemelen konden binnengaan, geheel en al weggenomen zijn door het lijden: maar ze werden bij de doop van Christus geopend, omdat toen de weg aangewezen was, waarlangs de mensen de hemel zouden binnengaan.

Articulus 6.
Is het wel passend wat er gezegd wordt, dat de Heilige Geest op Christus, na diens doop, onder de gedaante van een duif neerdaalde?

Ad sextum sic proceditur. Videtur quod inconvenienter spiritus sanctus super Christum baptizatum dicatur in specie columbae descendisse. Spiritus enim sanctus habitat in homine per gratiam. Sed in homine Christo fuit plenitudo gratiae a principio suae conceptionis, quo fuit unigenitus a patre, ut ex supra dictis patet ergo non debuit spiritus sanctus ad eum mitti in Baptismo. (IIIa q. 39 a. 6 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het niet passend is, wat er gezegd wordt, dat de Heilige Geest op Christus na zijn doop, onder de gedaante van een duif neerdaalde. De Heilige Geest immers, woont in de mensen door de genade. Maar in de mens Christus was, van het eerste ogenblik van zijn ontvangenis af, de volheid der genade, omdat Hij de Eengeborene uit de Vader was, zoals blijkt uit wat boven gezegd is (7e Kw., 12e Art.; 34e Kw., 1e Art.). Dus moest de Heilige Geest niet bij zijn doop tot Hem gezonden worden.

Praeterea, Christus dicitur in mundum descendisse per mysterium incarnationis, quando exinanivit semetipsum, formam servi accipiens. Sed spiritus sanctus non est incarnatus. Ergo inconvenienter dicitur quod spiritus sanctus descenderit super eum. (IIIa q. 39 a. 6 arg. 2)

2 — Men kan zeggen, dat Christus in de wereld neerdaalde, door het geheim der menswording, toen Hij zich zelf vernietigde, door de gestalte van een slaaf aan te nemen (Brief aan de Philippenzen, 2, 7). De Heilige Geest is echter geen vlees geworden. En zo is het dus niet passend wat er gezegd wordt, dat namelijk de Heilige Geest op Hem nederdaalde.

Praeterea, in Baptismo Christi ostendi debuit, sicut in quodam exemplari, id quod fit in nostro Baptismo. Sed in nostro Baptismo non fit aliqua missio visibilis spiritus sancti. Ergo nec in Baptismo Christi debuit fieri visibilis missio spiritus sancti. (IIIa q. 39 a. 6 arg. 3)

3 — In Christus’ doop moest, als in een soort voorbeeld, aangetoond worden, wat bij ons doopsel plaats heeft. Maar bij ons doopsel heeft er geen zichtbare zending van de Heilige Geest plaats. Dus had er ook niet bij de doop van Christus een zichtbare zending van de Heilige Geest moeten plaats hebben.

Praeterea, spiritus sanctus a Christo in omnes alios derivatur, secundum illud Ioan. I, de plenitudine eius nos omnes accepimus. Sed super apostolos spiritus sanctus descendit, non in specie columbae, sed in specie ignis. Ergo nec super Christum in specie columbae descendere debuit, sed in specie ignis. (IIIa q. 39 a. 6 arg. 4)

4 — De Heilige Geest vloeit van Christus op alle anderen over, volgens het woord van Joannes (1, 16): « Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen ». Maar de Heilige Geest daalde over de apostelen neer, niet onder de gedaante van een duif, maar onder de gedaante van vuur. Dus moest Hij ook niet over Christus neerdalen onder de gedaante van een duif, maar onder de gedaante van vuur.

Sed contra est quod dicitur Luc. III, descendit spiritus sanctus corporali specie sicut columba in ipsum. (IIIa q. 39 a. 6 s. c.)

Daartegenover staat echter wat Lucas zegt (3, 22): « De Heilige Geest daalde in lichamelijke gedaante als een duif op Hem neer ».

Respondeo dicendum quod hoc quod circa Christum factum est in eius Baptismo, sicut Chrysostomus dicit, super Matth., pertinet ad mysterium omnium qui postmodum fuerant baptizandi. Omnes autem qui Baptismo Christi baptizantur, spiritum sanctum recipiunt, nisi ficti accedant, secundum illud Matth. III, ipse vos baptizabit in spiritu sancto. Et ideo conveniens fuit ut super baptizatum dominum spiritus sanctus descenderet. (IIIa q. 39 a. 6 co.)

Wat er met Christus bij zijn doop gebeurd is, behoort, zoals Chrysostomus zegt (4e Homelie van een onvoltooid gebleven Verklaring van Mattheus) bij het mysterie dat zich in allen voltrekt, die naderhand zouden gedoopt worden. Al degenen nu, die met het doopsel van Christus gedoopt worden, ontvangen, behalve dan wanneer ze in schijn er toe naderen, de Heilige Geest, zoals blijkt uit Mattheus (3, 11): « Hij zal u dopen met de Heilige Geest ». En dus was het passend, dat op de Heer na zijn doopsel, de Heilige Geest nederdaalde.

Ad primum ergo dicendum quod, sicut Augustinus dicit, XV de Trin., absurdissimum est dicere quod Christus, cum esset iam triginta annorum, accepisset spiritum sanctum, sed venit ad Baptismum, sicut sine peccato, ita non sine spiritu sancto. Si enim de Ioanne scriptum est quod replebitur spiritu sancto ab utero matris suae, quid de homine Christo dicendum est, cuius carnis ipsa conceptio non carnalis, sed spiritualis fuit? Nunc ergo, idest in Baptismo, corpus suum, idest Ecclesiam, praefigurare dignatus est, in qua baptizati praecipue accipiunt spiritum sanctum. (IIIa q. 39 a. 6 ad 1)

1 — Hierop moet geantwoord worden met de woorden van Augustinus (15e B. van zijn werk Over de Drievuldigheid, 26e H.): « Het is te dwaas om te beweren, dat Christus de Heilige Geest eerst ontving, toen Hij dertig jaar oud was: maar kwam Hij tot het doopsel zonder zonde, evenzo niet zonder de Heilige Geest. Want, zo al van Johannes geschreven staat, dat hij « reeds van de schoot zijner moeder af vervuld zal worden van de Heilige Geest », wat moet dan niet te zeggen zijn van de mens Christus, wiens lichaam niet op vleselijke, maar op geestelijke wijze ontvangen was? Nù derhalve d. i. bij zijn doopsel, verwaardigde Hij zich zijn lichaam d. i. de Kerk, te voorafbeelden, waarin de gedoopten voornamelijk de Heilige Geest ontvangen ».

Ad secundum dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in II de Trin., spiritus sanctus descendisse dicitur super Christum specie corporali sicut columba, non quia ipsa substantia spiritus sancti videretur, quae est invisibilis. Neque ita quod illa visibilis creatura in unitatem personae divinae assumeretur, neque enim dicitur quod spiritus sanctus sit columba, sicut dicitur quod filius Dei est homo, ratione unionis. Neque etiam hoc modo spiritus sanctus visus est in specie columbae sicut Ioannes vidit agnum occisum in Apocalypsi, ut habetur Apoc. V, illa enim visio facta fuit in spiritu per spirituales imagines corporum; de illa vero columba nullus unquam dubitavit quin oculis visa sit. Nec etiam hoc modo in specie columbae spiritus sanctus apparuit sicut dicitur, I Cor. X, petra autem erat Christus, illa enim iam erat in creatura, et per actionis modum nuncupata est nomine Christi, quem significabat illa autem columba ad hoc tantum significandum repente extitit et postea cessavit, sicut flamma quae in rubo apparuit Moysi. Dicitur ergo spiritus sanctus descendisse super Christum, non ratione unionis ad columbam, sed vel ratione ipsius columbae significantis spiritum sanctum, quae descendendo super Christum venit; vel etiam ratione spiritualis gratiae, quae a Deo per modum cuiusdam descensus in creaturam derivatur, secundum illud Iac. I, omne datum optimum, et omne donum perfectum, desursum est, descendens a patre luminum. (IIIa q. 39 a. 6 ad 2)

2 — Volgens Augustinus, in zijn werk Over de Drievuldigheid (2° B., 5° en 6° H.) kan men niet zeggen, dat de Heilige Geest in lichamelijke gedaante als een duif, op Christus is neergedaald, omdat het wezen zelf van de Heilige Geest gezien werd: want dat is onzichtbaar. Evenmin kan men zeggen, dat dat zichtbare schepsel opgenomen werd in de eenheid der goddelijke persoon: want men kan niet zeggen, dat de Heilige Geest een duif is, zoals men wel, op grond van de vereniging, kan zeggen, dat de Zoon Gods mens is. Ook werd de Heilige Geest niet op dezelfde wijze gezien onder de gedaante van een duif, zoals Joannes in het Boek der Openbaring het geslachte lam zag, zoals vermeld staat in het Boek der Openbaring (5, 6); want dit gezicht werd in de geest teweeg gebracht door geestelijke beelden van lichamen; niemand heeft er echter ooit aan getwijfeld, of die duif wel met de ogen gezien is. En de Heilige Geest verscheen ook niet op die wijze onder de gedaante van een duif, zoals gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (10, 4): « En die rots was Christus ». « Want die rots was al iets geschapens en haar werd, om haar manier van doen, de naam: Christus gegeven, die zij betekende; die duif echter, ontstond eensklaps en hield later op te bestaan, alleen maar om dat aan te duiden, evenals de vlam, die in het braambosch aan Mozes verscheen ». Men kan derhalve zeggen, dat de Heilige Geest op Christus neergedaald is, niet op grond van een vereniging met de duif: maar ofwel op grond van de duif zelf, die de Heilige Geest betekende en die al neerdalende op Christus kwam, of ook wel op grond van de geestelijke genade, die van God, bij wijze van een soort nederdaling, op het schepsel overvloeit, naar het woord van Jacobus (1, 17): « Alle goede gift en volmaakte gave komt van boven en daalt neer van de Vader der lichten ».

Ad tertium dicendum quod, sicut Chrysostomus dicit, super Matth., in principiis spiritualium rerum semper sensibiles apparent visiones, propter eos qui nullam intelligentiam incorporalis naturae suscipere possunt, ut, si postea non fiant, ex his quae semel facta sunt, recipiant fidem. Et ideo circa Christum baptizatum corporali specie spiritus sanctus visibiliter descendit, ut super omnes baptizatos postea invisibiliter credatur descendere. (IIIa q. 39 a. 6 ad 3)

3 — Hierop moet geantwoord worden met de woorden van Chrysostomus (12e Homelie op Mattheus): « Als geestelijke dingen een aanvang nemen, verschijnen immer zintuigelijk waarneembare gezichten, ter wille van hen, die niet vatbaar zijn voor het begrip van een niet-lichamelijk wezen: en het doel hiervan is, dat, als ze later niet meer voorkomen, men zou geloven, om datgene wat er eens wel geschied is ». En dus daalde bij Christus’ doop de Heilige Geest in lichamelijke gedaante zichtbaar neer, opdat men zou geloven, dat Hij later onzichtbaar op de gedoopten zou neerdalen.

Ad quartum dicendum quod spiritus sanctus in specie columbae apparuit super Christum baptizatum, propter quatuor. Primo quidem, propter dispositionem quae requiritur in baptizato, ut scilicet non fictus accedat, quia, sicut dicitur Sap. I, spiritus sanctus disciplinae effugiet fictum. Columba enim est animal simplex, astutia et dolo carens, unde dicitur Matth. X, estote simplices sicut columbae. Secundo, ad designandum septem dona spiritus sancti, quae columba suis proprietatibus significat. Columba enim secus fluenta habitat, ut, viso accipitre, mergat se et evadat. Quod pertinet ad donum sapientiae, per quam sancti secus Scripturae divinae fluenta resident, ut incursum Diaboli evadant. Item columba meliora grana eligit. Quod pertinet ad donum scientiae, qua sancti sententias sanas, quibus pascantur, eligunt. Item columba alienos pullos nutrit. Quod pertinet ad donum consilii, quo sancti homines, qui fuerunt pulli, idest imitatores, Diaboli, doctrina nutriunt et exemplo. Item columba non lacerat rostro. Quod pertinet ad donum intellectus, quo sancti bonas sententias lacerando non pervertunt, haereticorum more. Item columba felle caret. Quod pertinet ad donum pietatis, per quam sancti ira irrationabili carent. Item columba in cavernis petrae nidificat. Quod pertinet ad donum fortitudinis, qua sancti in plagis mortis Christi, qui est petra firma, nidum ponunt, idest, suum refugium et spem. Item columba gemitum pro cantu habet. Quod pertinet ad donum timoris, quo sancti delectantur in gemitu pro peccatis. Tertio, apparuit spiritus sanctus in specie columbae propter effectum proprium Baptismi, qui est remissio peccatorum et reconciliatio ad Deum, columba enim est animal mansuetum. Et ideo, sicut Chrysostomus dicit, super Matth., in diluvio apparuit hoc animal, ramum ferens olivae et communem orbis terrarum tranquillitatem annuntians, et nunc etiam columba apparet in Baptismo, liberationem nobis demonstrans. Quarto, apparuit spiritus sanctus in specie columbae super dominum baptizatum, ad designandum communem effectum Baptismi, qui est constructio ecclesiasticae unitatis. Unde dicitur Ephes. V, quod Christus tradidit semetipsum ut exhiberet sibi gloriosam Ecclesiam, non habentem maculam aut rugam aut aliquid huiusmodi, lavans eam lavacro aquae in verbo vitae. Et ideo convenienter spiritus sanctus in Baptismo demonstratus est in specie columbae, quae est animal amicabile et gregale. Unde et Cantic. VI dicitur de Ecclesia, una est columba mea. Super apostolos autem in specie ignis spiritus sanctus descendit, propter duo. Primo quidem, ad ostendendum fervorem quo corda eorum erant commovenda, ad hoc quod Christum ubicumque inter pressuras praedicarent. Et ideo etiam in igneis linguis apparuit. Unde Augustinus dicit, super Ioan., duobus modis ostendit visibiliter dominus spiritum sanctum, scilicet per columbam, super dominum baptizatum; per ignem, super discipulos congregatos. Ibi simplicitas, hic fervor ostenditur. Ergo, ne per spiritum sanctificati dolum habeant, in columba demonstratus est, et ne simplicitas frigida remaneat, in igne demonstratus est. Nec moveat, quia linguae divisae sunt, unitatem in columba cognosce. Secundo quia, sicut Chrysostomus dicit, cum oportebat delictis ignoscere, quod fit in Baptismo, mansuetudo necessaria erat, quae demonstratur in columba. Sed ubi adepti sumus gratiam, restat iudicii tempus, quod significatur per ignem. (IIIa q. 39 a. 6 ad 4)

4 — Om vier redenen daalde de Heilige Geest onder de gedaante van een duif op Christus neer toen Hij gedoopt was. En wel ten eerste, om de gestalte die in de doopling vereist wordt: hij mag namelijk niet in schijn (tot het doopsel) naderen, omdat, zoals in het Boek der Wijsheid gezegd wordt (1, 5): « De Heilige Geest der tucht vliedt wat geveinsd is ». Want de duif is een eenvoudig dier, zonder list en bedrog: vandaar zegt Mattheus (10, 16): « weest eenvoudig als de duiven ». Ten tweede, om de zeven gaven van de Heilige Geest aan te geven, welke de duif door haar eigenschappen betekent. De duif immers huist bij stromen om als er een havik in zicht komt, zich onder te dompelen en te ontsnappen. En dit duidt op de gave der wijsheid, waardoor de heiligen zich neerzetten aan de stromen der heilige Schrift ten einde aan de aanvallen van de duivel te ontkomen. — De duif zoekt vervolgens de beste graankorrels uit. En dit behoort bij de gave van wetenschap, waardoor de heiligen de bezonnen meningen uitkiezen, waar ze zich mee voeden. — Ook voedt de duif andere jongen. En dit slaat op de gave van raad, waardoor heiligen die mensen, welke kinderen, dat wil zeggen navolgers van de duivel, waren, door hun leer en voorbeeld spijzigen. — Verder verscheurt de duif niet met haar snavel. En dit houdt verband met de gave van verstand, waardoor de heiligen de goede sententies niet, zoals de ketters doen, verderven met ze in stukken te scheuren. — Ook heeft de duif geen gal. Wat op de gave van godsvrucht betrekking heeft, waardoor de heiligen vrij zijn van onredelijke toorn. — En verder bouwt de duif zijn nest in rotsholen. En dit houdt verband met de gave van sterkte, waardoor de heiligen hun zetel, dat wil zeggen hun toevlucht en hoop vestigen op de wonden van de dood van Christus, die een vaste rots is. — En vervolgens weeklaagt de duif in plaats van te zingen. Wat op de gave van vrees slaat, waardoor de heiligen hun behagen vinden in weeklachten om de zonden. Ten derde verscheen de Heilige Geest onder de gedaante van een duif, om het eigen gevolg van het doopsel, namelijk de vergiffenis der zonden en de verzoening met God: de duif immers is een zachtaardig dier. En daarom verscheen zoals Chrysostomus zegt (12e Homelie op Mattheus) dit dier bij de zondvloed met een olijftak bij zich en de algehele rust der wereld aankondigend: en ook nu weer verschijnt de duif bij het doopsel, om aan te tonen, dat er voor ons verlossing is. Ten vierde verscheen de Heilige Geest onder de gedaante van een duif boven de Heer toen Hij gedoopt was, om het meer algemene gevolg van het doopsel aan te geven namelijk de vorming der kerkelijke eenheid. Vandaar staat er in de Brief aan de Ephesiërs (5, 25) dat Christus zich voor haar heeft overgeleverd, om zich een heerlijke Kerk te bereiden, zonder vlek of rimpel of iets van die aard en haar te reinigen door het waterbad vergezeld van het woord. En dus werd heel passend de Heilige Geest bij het doopsel aangewezen onder de gedaante van een duif, wat een trouwhartig en in zwermen levend dier is. Vandaar wordt er ook in het Hooglied (6, 8) aangaande de Kerk gezegd: « Een enige is mijn duif ». Om twee redenen daalde de Heilige Geest echter over de Apostelen neer onder de gedaante van vuur. En wel ten eerste om de gloed aan te geven waardoor hun harten moesten aangegrepen worden, om Christus overal onder verdrukkingen nog te kunnen prediken. En daarom verscheen Hij ook in vurige tongen. Vandaar zegt Augustinus in zijn 6e Verhandeling op Joannes (N° 3): « Op twee manieren toonde de Heer de Heilige Geest op zichtbare wijze: en wel door een duif boven de Heer, na zijn doop; door vuur boven de vergaderde Apostelen. Daar wordt gewezen op de eenvoud, hier op de gloed. Opdat ze dus niet, geheiligd door de Geest, vol bedrog zouden zijn, werd Hij in een duif getoond; en opdat hun eenvoud niet koud zou blijven, in vuur. Laat het u niet verontrusten, dat de tongen verdeeld waren: herken de eenheid in de duif ». En ten tweede, omdat er, zoals Chrysostomus zegt (Gregorius 30° Homelie op het Evangelie) misdaden moesten vergeven worden, wat in het doopsel gebeurt, was er lankmoedigheid noodig: wat in de duif aangetoond wordt. Maar wanneer we genade gekregen hebben, blijft nog de tijd van het oordeel over: wat door het vuur betekend wordt.

Articulus 7.
Was de duif, waarin de Heilige Geest verscheen, een werkelijk dier?

Ad septimum sic proceditur. Videtur quod illa columba in qua spiritus sanctus apparuit, non fuerit verum animal. Illud enim videtur specie tenus apparere quod secundum similitudinem apparet sed Luc. III dicitur quod descendit spiritus sanctus corporali specie sicut columba in ipsum. Non ergo fuit vera columba, sed quaedam similitudo columbae. (IIIa q. 39 a. 7 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de duif, waarin de Heilige Geest verscheen, geen werkelijk dier was. Datgene immers lijkt alleen maar in schijn te verschijnen, wat in beeld verschijnt. Maar Lucas zegt (3, 22) dat de Heilige Geest op Hem neerdaalde in lichamelijke gedaante als een duif. Het was dus geen echte duif, maar iets wat op een duif leek.

Praeterea, sicut natura nihil facit frustra, ita nec Deus, ut dicitur in I de caelo. Sed cum columba illa non advenerit nisi ut aliquid significaret atque praeteriret, ut Augustinus dicit, in II de Trin., frustra fuisset vera columba, quia hoc ipsum fieri poterat per columbae similitudinem. Non ergo illa columba fuit verum animal. (IIIa q. 39 a. 7 arg. 2)

2 — Evenals de natuur niets maakt wat geen zin heeft, zoals gezegd wordt in het 1° Boek Over de Hemel (4° H., N° 8) zo ook God niet. Maar omdat nu die duif alleen maar optrad om iets te betekenen en voorbij te gaan zoals Augustinus zegt in zijn werk Over de Drievuldigheid (2e B., 6e H.) zou een echte duif geen zin gehad hebben, omdat hetzelfde had kunnen geschieden met iets wat op een duif gelijkt. Die duif was dus geen werkelijk dier.

Praeterea, proprietates cuiuslibet rei ducunt in cognitionem naturae illius rei. Si ergo fuisset illa columba verum animal, proprietates columbae significassent naturam veri animalis, non autem effectus spiritus sancti. Non ergo videtur quod illa columba fuerit verum animal. (IIIa q. 39 a. 7 arg. 3)

3 — Van iedere zaak leiden de eigenschappen tot de kennis der natuur van die zaak. Indien derhalve die duif een werkelijk dier geweest was, dan zouden de eigenschappen der duif de natuur van een werkelijk dier betekend hebben, en niet de uitwerkingen van de Heilige Geest. Het schijnt dus wel, dat die duif geen werkelijk dier is geweest.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in libro de agone Christiano, neque hoc ita dicimus ut dominum Iesum Christum dicamus solum verum corpus habuisse, spiritum autem sanctum fallaciter apparuisse oculis hominum, sed ambo illa corpora vera esse credimus. (IIIa q. 39 a. 7 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt, in zijn werk Over de Strijd van de Christen: « En wij drukken dat daarom niet zo uit, ten einde te kunnen beweren, dat Onze Heer Jezus Christus alleen maar een werkelijk lichaam heeft gehad, en de Heilige Geest slechts in schijn voor de ogen der mensen verschenen is: maar wij geloven dat beide lichamen werkelijkheid waren ».

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, non decebat ut filius Dei, qui est veritas patris, aliqua fictione uteretur, et ideo non phantasticum, sed verum corpus accepit. Et quia spiritus sanctus dicitur spiritus veritatis, ut patet Ioan. XVI, ideo etiam ipse veram columbam formavit in qua appareret, licet non assumeret ipsam in unitatem personae. Unde post praedicta verba Augustinus subdit, sicut non oportebat ut homines falleret filius Dei, sic etiam non oportebat ut falleret spiritus sanctus. Sed omnipotenti Deo, qui universam creaturam ex nihilo fabricavit, non erat difficile verum corpus columbae sine aliarum columbarum ministerio figurare, sicut non fuit ei difficile verum corpus in utero Mariae sine virili semine fabricare, cum creatura corporea et in visceribus feminae ad formandum hominem, et in ipso mundo ad formandum columbam, imperio domini voluntatique serviret. (IIIa q. 39 a. 7 co.)

Zoals vroeger gezegd (5e Kw., 1e Art.), paste het niet, dat de Zoon Gods, die de Waarheid des Vaders is, van een of andere fictie zou gebruik maken; en daarom nam Hij geen schijn-, maar een werkelijk lichaam aan. En omdat de Heilige Geest de Geest van Waarheid genoemd wordt, zoals blijkt uit Joannes (16, 13), daarom vormde ook Hij een werkelijke duif om daarin te verschijnen, alhoewel Hij haar niet opnam in de eenheid van zijn persoon. Vandaar voegt Augustinus nog aan de geciteerde woorden toe: « Zoals het niet betaamde, dat de Zoon Gods de mensen bedroog, evenmin betaamde het, dat de Heilige Geest ze zou bedriegen. Het was echter niet zo moeilijk voor de almachtige God, die de hele schepping uit niets gemaakt heeft; om, zonder hulp van andere duiven, een echt duiven-lichaam te vormen, zoals het ook niet lastig voor Hem geweest is, in Maria’s schoot een werkelijk lichaam te maken zonder mannelijk zaad. Een lichamelijk schepsel moet immers evenzeer aan het bevel en de wil des Heren gehoorzamen, om een mens te vormen in de schoot ener vrouw, en een duif te vormen in het heelal ».

Ad primum ergo dicendum quod spiritus sanctus dicitur descendisse in specie vel similitudine columbae, non ad excludendam veritatem columbae, sed ad ostendendum quod non apparuit in specie suae substantiae. (IIIa q. 39 a. 7 ad 1)

1 — De Heilige Geest wordt gezegd neergedaald te zijn onder de gedaante of in de gelijkenis van een duif, niet om uit te sluiten dat het een werkelijke duif was, maar om aan te tonen, dat Hij niet verscheen in de gedaante van zijn eigen wezen.

Ad secundum dicendum quod non fuit superfluum formare veram columbam ut in ea spiritus sanctus appareret, quia per ipsam veritatem columbae significatur veritas spiritus sancti et effectuum eius. (IIIa q. 39 a. 7 ad 2)

2 — Het was niet overbodig een duif te vormen, om daarin de Heilige Geest te laten verschijnen, omdat door de werkelijkheid van de duif, de werkelijkheid van de Heilige Geest en zijn uitwerkingen betekend wordt.

Ad tertium dicendum quod proprietates columbae eodem modo ducunt ad significandam naturam columbae, et ad designandos effectus spiritus sancti. Per hoc enim quod columba habet tales proprietates, contingit quod columba significat spiritum sanctum. (IIIa q. 39 a. 7 ad 3)

3 — De eigenschappen der duif leiden er op dezelfde wijze toe, om de natuur van een duif aan te geven, als om de uitwerkingen van de Heilige Geest te beduiden. Doordat immers de duif dusdanige eigenschappen heeft, kan zij de Heilige Geest betekenen.

Articulus 8.
Was het wel passend, dat na Christus’ doop, de stem van den Vader gehoord werd om voor den Zoon te getuigen?

Ad octavum sic proceditur. Videtur quod inconvenienter, Christo baptizato, fuit vox patris audita filium protestantis. Filius enim et spiritus sanctus, secundum hoc quod sensibiliter apparuerunt, dicuntur visibiliter esse missi. Sed patri non convenit mitti, ut patet per Augustinum, in II de Trin. Ergo etiam nec apparere. (IIIa q. 39 a. 8 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het niet passend was, dat na Christus’ doop de stem van de Vader gehoord werd, om voor de Zoon te getuigen. Men kan zeggen, dat de Zoon en de Heilige Geest zichtbaar gezonden zijn, in zover ze zichtbaar verschenen. Maar de Vader komt het niet toe gezonden te worden. zoals blijkt uit Augustinus in zijn werk Over de Drievuldigheid (2° B., 5° en 12° H.). Dus ook niet om te verschijnen.

Praeterea, vox est significativa verbi in corde concepti. Sed pater non est verbum. Ergo inconvenienter manifestatur in voce. (IIIa q. 39 a. 8 arg. 2)

2 — De stem is de uitdrukking van het woord. Maar de Vader is niet het Woord. Bijgevolg past het niet, dat Hij zich openbaart in een stem.

Praeterea, homo Christus non incoepit esse filius Dei in Baptismo, sicut quidam haeretici putaverunt, sed a principio suae conceptionis fuit filius Dei. Magis ergo in nativitate debuit vox patris protestari Christi divinitatem, quam in eius Baptismo. (IIIa q. 39 a. 8 arg. 3)

3 — De mens Christus begon niet Zoon Gods te worden bij zijn doopsel, zoals enkele ketters gemeend hebben, maar van het begin van zijn ontvangenis af was Hij Zoon Gods. De stem des Vaders had dus veeleer bij de geboorte Christus’ Godheid moeten betuigen, dan bij zijn doopsel.

Sed contra est quod dicitur Matth. III, ecce, vox de caelis dicens, hic est filius meus dilectus, in quo mihi complacui. (IIIa q. 39 a. 8 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat er bij Mattheus gezegd wordt (3, 17): « En zie een stem uit de hemel sprak: Deze is mijn beminde Zoon, in wie Ik mijn welbehagen gevonden heb ».

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, in Baptismo Christi, qui fuit exemplar nostri Baptismi, demonstrari debuit quod in nostro Baptismo perficitur. Baptismus autem quo baptizantur fideles, consecratur in invocatione et virtute Trinitatis, secundum illud Matth. ult., euntes, docete omnes gentes, baptizantes eos in nomine patris et filii et spiritus sancti. Et ideo in Baptismo Christi, ut Hieronymus dicit, mysterium Trinitatis demonstratur, dominus ipse in natura humana baptizatur; spiritus sanctus descendit in habitu columbae; patris vox testimonium filio perhibentis auditur. Et ideo conveniens fuit ut in illo Baptismo pater declararetur in voce. (IIIa q. 39 a. 8 co.)

Zoals vroeger gezegd (5e Art.) moest in Christus’ doopsel, dat het voorbeeld was van ons doopsel, aangegeven worden, wat in ons doopsel tot stand gebracht wordt. Nu wordt het doopsel, waarmee de gelovigen gedoopt worden geheiligd door de aanroeping en de kracht der Drievuldigheid, volgens het woord van Mattheus (28, 19): « Gaat heen dan, onderwijst alle volken, en doopt ze in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes ». En daarom, zoals Hieronymus zegt (Verklaring van Mattheus, 3, 16, 17) wordt in het doopsel van Christus het geheim der Drievuldigheid aangetoond: de Heer zelf wordt in menselijke natuur gedoopt; de Heilige Geest daalt neer onder de gedaante van een duif; de stem van de Vader wordt vernomen, getuigenis afleggend voor de Zoon. En daarom was het passend, dat bij dat doopsel de Vader in een stem getoond werd.

Ad primum ergo dicendum quod missio visibilis addit aliquid super apparitionem, scilicet auctoritatem mittentis. Et ideo filius et spiritus sanctus, qui sunt ab alio, dicuntur non solum apparere, sed etiam visibiliter mitti. Pater autem, qui non est ab alio, apparere quidem potest, visibiliter autem mitti non potest. (IIIa q. 39 a. 8 ad 1)

1 — Het begrip: zichtbare zending, voegt iets toe aan het begrip: verschijning, en wel het gezag van degene die zendt. Dus worden de Zoon en de Heilige Geest, die van iemand anders afhangen, gezegd, niet alleen te verschijnen, maar ook zichtbaar gezonden te worden. De Vader echter, die niet van een ander afhankelijk is, kan wel verschijnen, maar niet zichtbaar gezonden worden.

Ad secundum dicendum quod pater non demonstratur in voce nisi sicut auctor vocis, vel loquens per vocem. Et quia proprium est patri producere verbum, quod est dicere vel loqui, ideo convenientissime pater per vocem manifestatus est, quae significat verbum. Unde et ipsa vox a patre emissa filiationem verbi protestatur. Et sicut species columbae, in qua demonstratus est spiritus sanctus, non est natura spiritus sancti; nec species hominis, in qua demonstratus est ipse filius, est ipsa natura filii Dei, ita etiam ipsa vox non pertinet ad naturam verbi vel patris loquentis. Unde Ioan. V dominus dicit, neque vocem eius, idest patris, unquam audistis, neque speciem eius vidistis. Per quod, sicut Chrysostomus dicit, super Ioan., paulatim eos in philosophicum dogma inducens, ostendit quoniam neque vox circa Deum est neque species, sed superior et figuris est et loquelis talibus. Et sicut columbam, et etiam humanam naturam a Christo assumptam, tota Trinitas operata est, ita etiam formationem vocis, sed tamen in voce declaratur solus pater ut loquens, sicut naturam humanam solus filius assumpsit, et sicut in columba solus spiritus sanctus demonstratus est; ut patet per Augustinum, in libro de fide ad Petrum. (IIIa q. 39 a. 8 ad 2)

2 — De Vader wordt in de stem alleen maar aangetoond, als voortbrenger van de stem of als sprekend met een stem. En omdat het eigen is aan de Vader het Woord voort te brengen, wat zeggen is, of spreken, daarom was het buitengewoon passend, dat de Vader geopenbaard werd door een stem, die de uitdrukking is van het woord. Vandaar getuigt ook de stem, welke door de Vader wordt voortgebracht, van het zoonschap van het Woord. En evenals de gedaante der duif, waarin de Heilige Geest aangetoond werd, niet de natuur is van de Heilige Geest; en ook de mensengedaante, waarin de Zoon is geopenbaard, niet de natuur zelf is van de Zoon Gods: zo behoort ook de stem niet tot de natuur van het Woord of van de Vader, die spreekt. Vandaar zegt Joannes (5, 37): « Nooit hebt ge zijn, d. i. des Vaders, stem gehoord, en nooit hebt ge zijn wezen gezien ». En hiermee geeft hij (d. i. Joannes), zoals Chrysostomus zegt (11° Homelie op Joannes), hen langzaam aan inleidend in de filosofische uitdrukkingswijze, te kennen, dat noch de stem, en evenmin de gedaante, van God is, maar dat Hij en boven vormen en boven dergelijke taal, ver verheven is. En evenals de gehele Drievuldigheid de duif en ook de door Christus aangenomen menselijke natuur gemaakt heeft, zo is ook de vorming van de stem van haar. Maar toch maakt alleen de Vader zich in de stem bekend, zoals alleen de Zoon de menselijke natuur heeft aangenomen en de Heilige Geest alleen in een duif geopenbaard werd, zoals blijkt uit het werk van Augustinus.

Ad tertium dicendum quod divinitas Christi non debuit omnibus in eius nativitate manifestari, sed magis occultari in defectibus infantilis aetatis. Sed quando iam pervenit ad perfectam aetatem, in qua oportebat eum docere et miracula facere et homines ad se convertere, tunc testimonio patris erat eius divinitas indicanda, ut eius doctrina credibilior fieret. Unde et ipse dicit, Ioan. V, qui misit me pater, ipse testimonium perhibet de me. Et hoc praecipue in Baptismo, per quem homines renascuntur in filios Dei adoptivos, filii enim Dei adoptivi instituuntur ad similitudinem filii naturalis, secundum illud Rom. VIII, quos praescivit, hos et praedestinavit conformes fieri imaginis filii sui. Unde Hilarius dicit, super Matth., quod super Iesum baptizatum descendit spiritus sanctus, et vox patris audita est dicentis, hic est filius meus dilectus, ut ex his quae consummabantur in Christo, cognosceremus, post aquae lavacrum, et de caelestibus partibus sanctum in nos spiritum avolare, et paternae vocis adoptione Dei filios fieri. (IIIa q. 39 a. 8 ad 3)

3 — De Godheid van Christus behoorde niet bij zijn geboorte aan allen bekend gemaakt te worden, maar moest veeleer onder de gebreken van een kinderleeftijd verborgen worden. Maar nu Hij tot de volmaakte leeftijd gekomen was, waarin Hij moest gaan leeraren en wonderen doen en mensen tot zich bekeren, nu moest zijn Godheid door een getuigenis van de Vader geopenbaard worden, opdat zijn leer geloofwaardiger zou worden. Vandaar zegt Hij zelf (Joannes, 5, 37): « Ook heeft de Vader, die Mij zond, zelf over Mij getuigd ». En dat wel hoofdzakelijk bij het doopsel, waardoor de mensen herboren worden tot aangenomen kinderen Gods: de aangenomen kinderen Gods immers worden gevormd naar de gelijkenis van de natuurlijke Zoon, volgens het woord uit de Brief aan de Romeinen (8, 29): « Die Hij vooruit heeft gekend, heeft Hij ook voorbestemd om gelijkvormig te worden aan het beeld van zijn Zoon ». Vandaar zegt Hilarius in zijn Verklaring op Mattheus (2° H.), dat op Jesus, na zijn doopsel, de Heilige Geest neerdaalde en de stem des Vaders gehoord werd zeggende: « Deze is mijn beminde Zoon », opdat wij uit datgene, wat er bij Christus geschiedde, zouden begrijpen, dat, na de afwassing met water, de Heilige Geest vanuit de hemelgewesten naar ons toe komt gevlogen, en wij in het woord van de Vader, aangenomen kinderen Gods worden.