Tertia Pars. Quaestio 67. Over de bedienaars door wie het doopsel wordt toegediend .
Prooemium
Deinde considerandum est de ministris per quos traditur sacramentum Baptismi. Et circa
hoc quaeruntur octo. Primo, utrum ad diaconum pertineat baptizare. Secundo, utrum
pertineat ad presbyterum, vel solum ad episcopum. Tertio, utrum laicus possit sacramentum
Baptismi conferre. Quarto, utrum hoc possit facere mulier. Quinto, utrum non baptizatus
possit baptizare. Sexto, utrum plures possint simul baptizare unum et eundem. Septimo,
utrum necesse sit esse aliquem qui baptizatum de sacro fonte recipiat. Octavo, utrum
suscipiens aliquem de sacro fonte obligetur ad eius instructionem. (IIIa q. 67 pr.)
Verder moet gesproken worden over de bedienaars door wie het doopsel wordt toegediend.
Dienaangaande komen acht vragen ter bespreking. 1. Komt het aan de diakens toe het
doopsel toe te dienen? 2. Komt het aan de priesters toe, ofwel enkel en alleen aan
de bisschoppen? 3. Mag een leek het sacrament van het doopsel toedienen? 4. Mag een
vrouw het doopsel toedienen? 5. Mag een ongedoopte het doopsel toedienen? 6. Mogen
verschillende mensen samen, een en dezelfde mens dopen? 7. Is het noodig dat iemand
de gedoopte, boven de doopvont houdt? 8. Is degene die de gedoopte uit de doopvont
opneemt verplicht hem te onderrichten?
Articulus 1. Komt het aan de diakens toe het doopsel toe te dienen?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod ad officium diaconi pertineat baptizare. Simul
enim iniungitur a domino officium praedicandi et baptizandi, secundum illud Matth.
ult., euntes, docete omnes gentes, baptizantes eos, et cetera. Sed ad officium diaconi
pertinet evangelizare. Ergo videtur quod etiam ad officium diaconi pertineat baptizare. (IIIa q. 67 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat het aan de diakens toekomt het doopsel toe te dienen. Blijkens hetgeen
bij Matt. (28, 19) staat: « Gaat en onderwijs alle volkeren, ze dopend enz. » heeft
de Heer het bevel het Evangelie te verkondigen en het doopsel toe te dienen samen
gegeven. Welnu, de diakens komt het toe het evangelie te verkondigen. Dus komt het
hun insgelijks toe het doopsel toe te dienen.
Praeterea, secundum Dionysium, V cap. Eccl. Hier., purgare pertinet ad officium diaconi.
Sed purgatio a peccatis maxime fit per Baptismum, secundum illud Ephes. V, mundans
eam lavacro aquae in verbo vitae. Ergo videtur quod baptizare pertineat ad diaconem. (IIIa q. 67 a. 1 arg. 2)
2 — Volgens hetgeen Dionysius in zijn Boek « Over de Kerkelijke Hierarchie » (5) schrijft,
komt het de diakens toe de mensen te zuiveren. Welnu, vooral door het doopsel worden
de mensen van hun zonden gereinigd; de Brief aan de Ephesiërs, zegt immers (5, 26):
« God reinigt ons in het Woord des levens, als in een waterbad. » Zo hoort het dus
de diakens toe het doopsel toe te dienen.
Praeterea, de beato Laurentio legitur quod, cum ipse esset diaconus, plurimos baptizabat.
Ergo videtur quod ad diacones pertinet baptizare. (IIIa q. 67 a. 1 arg. 3)
3 — Van de gelukzalige Laurentius wordt er verteld dat hij, toen hij nog diaken was, verschillende
mensen gedoopt heeft. Zo is het dus wel degelijk het ambt van de diaken het doopsel
toe te dienen.
Sed contra est quod Gelasius Papa dicit, et habetur in decretis, XCIII dist., diacones
propriam constituimus observare mensuram. Et infra, absque episcopo vel presbytero
baptizare non audeant, nisi, praedictis ordinibus longius constitutis, necessitas
extrema compellat. (IIIa q. 67 a. 1 s. c.)
Daartegenover echter staat wat paus Gelasius bevolen heeft (9e Epist. 7 Kap.) en wat
in de Decretaliën geboekt staat (CXIII Dist. 13 kap.): «We bevelen het dat de diakens
de grenzen van hun macht niet zouden overschrijden en zonder verlof van een bisschop
of van een priester mogen ze, behalve wanneer deze te ver verwijderd zijn en uiterste
nood er toe dwingt, niet dopen.»
Respondeo dicendum quod, sicut caelestium ordinum proprietates et eorum officia ex
eorum nominibus accipiuntur, ut dicit Dionysius, VII cap. Cael. Hier.; ita etiam ex
nominibus ecclesiasticorum ordinum accipi potest quid ad unumquemque pertineat ordinem.
Dicuntur autem diacones quasi ministri, quia videlicet ad diacones non pertinet aliquod
sacramentum principaliter et quasi ex proprio officio praebere, sed ministerium adhibere
aliis maioribus in sacramentorum exhibitione. Et sic ad diaconem non pertinet quasi
ex proprio officio tradere sacramentum Baptismi, sed in collatione huius sacramenti
et aliorum assistere et ministrare maioribus. Unde Isidorus dicit, ad diaconum pertinet
assistere et ministrare sacerdotibus in omnibus quae aguntur in sacramentis Christi,
in Baptismo scilicet, in chrismate, in patena et calice. (IIIa q. 67 a. 1 co.)
Net als de namen der hemelse koren ons, zoals Dyonisius in zijn Boek over de Kerkelijke
Hierarchie (Kap. 7) zegt, hun eigenschappen en ambten te kennen geven, kunnen we uit
de naam van de verschillende kerkelijke orden afleiden, wat aan iedere van hen toekomt.
Het woord « Diaken » nu betekent « bedienaar ». Het komt niet aan de diakens toe als
hoofdbedienaars en alsof dit hun ambt was sacramenten toe te dienen, maar wel de hogere
orden in het toedienen van de heilige sacramenten bij te staan. Zo komt het een diaken
niet alsof dit zijn eigen ambt was toe het sacrament van het doopsel toe te dienen,
maar alleen bij het toedienen van dit en andere sacramenten de hogere bedienaars bij
te staan en te helpen. Daarom zegt de heilige Isidorus in een Brief aan Ludifredus:
« De diaken moet de priester bij alles wat omtrent de sacramenten van Jezus Christus
gedaan wordt, wat namelijk het doopsel, wat het chrisma, de pateen of ook de kelk
betreft bijstaan en helpen. »
Ad primum ergo dicendum quod ad diaconum pertinet recitare Evangelium in Ecclesia,
et praedicare ipsum per modum catechizantis, unde et Dionysius dicit quod diaconi
habent officium super immundos, inter quos ponit catechumenos. Sed docere, id est
exponere Evangelium, pertinet proprie ad episcopum, cuius actus est perficere, secundum
Dionysium, V cap. Eccl. Hier.; perficere autem idem est quod docere. Unde non sequitur
quod ad diacones pertineat officium baptizandi. (IIIa q. 67 a. 1 ad 1)
1 — De diaken komt het toe in de Kerk het evangelie voor te lezen en het door catechizatie
aan de gelovigen te verkondigen. Daarom zegt Dyonisius in zijn kerkelijke Hierarchie
(kap. 3) dat de diakens macht hebben over de onzuiveren en daarmee bedoelt hij de
catechumenen. Onderwijzen echter, dat is het evangelie uitleggen, komt eigenlijk toe
aan de bisschoppen die, zoals Dyonisius in hetzelfde werk (5e kap.) zegt voor taak
hebben te vervolmaken. Vervolmaken nu en onderrichten zijn een en hetzelfde. Daaruit
volgt dus niet dat het aan de diakens toekomt het doopsel toe te dienen.
Ad secundum dicendum quod, sicut Dionysius dicit, II cap. Eccl. Hier., Baptismus non
solum habet vim purgativam, sed etiam illuminativam virtutem. Et ideo excedit officium
diaconi, ad quem pertinet solum purgare, scilicet vel repellendo immundos, vel disponendo
eos ad sacramenti susceptionem. (IIIa q. 67 a. 1 ad 2)
2 — Dionysius zegt in zijn Kerkelijke Hierarchie (2e Kap.) dat het doopsel niet alleen
reinigt maar ook licht schenkt, en bijgevolg gaat dit het ambt van de diaken te boven;
hem komt immers enkel toe, hetzij door de onzuiveren te verjagen, hetzij door ze tot
het heilig doopsel voor te bereiden, te reinigen.
Ad tertium dicendum quod, quia Baptismus est sacramentum necessitatis, permittitur
diaconibus, necessitate urgente in absentia maiorum, baptizare, sicut patet ex auctoritate
Gelasii super inducta. Et hoc modo beatus Laurentius, diaconus existens, baptizavit. (IIIa q. 67 a. 1 ad 3)
3 — Omdat het doopsel onontbeerlijk is, daarom wordt er de diaken toe gelaten wanneer
de nood dringt en de hogere bedienaar afwezig is te dopen; dit blijkt overigens uit
bovenvermeld beschikbaar van Gelasius, en op die wijze heeft de gelukzalige Laurentius
als diaken het doopsel toegediend.
Articulus 2. Komt het de priesters toe het doopsel toe te dienen?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod baptizare non pertineat ad officium presbyterorum,
sed solum episcoporum. Quia, sicut dictum est, sub eodem praecepto iniungitur, Matth.
ult., officium docendi et baptizandi. Sed docere, quod est perficere, pertinet ad
officium episcopi, ut patet per Dionysium, V et VI cap. Eccl. Hier. Ergo et baptizare
pertinet tantum ad officium episcopi. (IIIa q. 67 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert dat het niet aan de priesters, doch enkel en alleen aan de bisschoppen
toekomt, het doopsel toe te dienen. Zoals in het vorige artikel gezegd werd, werd
door eenzelfde bevel aangeplicht te dopen en te onderwijzen (Matt. 28, 19). Welnu,
zoals Dyonisius in zijn Kerkelijke Hierarchie zegt (5° en 6° kap.) is onderwijzen
dat met vervolmaken gelijk staat de taak van de bisschoppen.
Praeterea, per Baptismum annumeratur aliquis populo Christiano, quod quidem videtur
ad officium solius principis pertinere. Sed principatum in Ecclesia tenent episcopi,
ut dicitur in Glossa Luc. X, qui etiam tenent locum apostolorum, de quibus dicitur
in Psalmo, constitues eos principes super omnem terram. Ergo videtur quod baptizare
pertineat solum ad officium episcopi. (IIIa q. 67 a. 2 arg. 2)
2 — Door het doopsel wordt iemand bij het christen volk opgenomen, taak die de vorst van
dit volk is weggelegd. Welnu de bisschoppen zijn de prinsen der heilige kerk, en nemen
de plaats van de apostelen in. Dit zegt de heilige Beda in een glossa op de woorden
van St. Lucas 10° kap.; en daarbij zegt de psalmist (4, 17): «Als vorsten zult ge
ze aanstellen over de hele aarde.» Zo is dopen dus de taak van de bisschoppen.
Praeterea, Isidorus dicit quod ad episcopum pertinet basilicarum consecratio, unctio
altaris, et confectio chrismatis, ipse ordines ecclesiasticos distribuit, et sacras
virgines benedicit. Sed his omnibus maius est sacramentum Baptismi. Ergo videtur quod
multo magis ad officium solius episcopi pertinet baptizare. (IIIa q. 67 a. 2 arg. 3)
3 — De heilige Isidorus zegt dat het aan de bisschoppen toekomt basilieken te consacreren,
altaren te wijden en het chrisma te bereiden. De kerkelijke orden dienen ze toe, en
de vrome maagden zegenen ze. Welnu, het sacrament des doopsels is meer nog dan dit
alles en zo komt het veeleer aan de bisschoppen toe het doopsel toe te dienen.
Sed contra est quod Isidorus dicit, in libro de officiis, constat Baptisma solis sacerdotibus
esse traditum. (IIIa q. 67 a. 2 s. c.)
Daartegenover staat echter, wat St. Isidorus zegt in zijn boek « Over de Ambten »
(2, 24): « Het staat vast dat het doopsel enkel en alleen aan de priesters werd opgedragen.
»
Respondeo dicendum quod sacerdotes ad hoc consecrantur ut sacramentum corporis Christi
conficiant, sicut supra dictum est. Illud autem est sacramentum ecclesiasticae unitatis,
secundum illud apostoli, I Cor. X, unus panis et unum corpus multi sumus, omnes qui
de uno pane et de uno calice participamus. Per Baptismum autem aliquis fit particeps
ecclesiasticae unitatis, unde et accipit ius accedendi ad mensam domini. Et ideo,
sicut ad sacerdotem pertinet consecrare Eucharistiam, ad quod principaliter ordinatur
sacerdotium, ita ad proprium officium sacerdotis pertinet baptizare, eiusdem enim
videtur esse operari totum, et partem in toto disponere. (IIIa q. 67 a. 2 co.)
De priesters worden zoals hierboven werd aangetoond (55° Kw., 3° art.) gewijd om het
sacrament van Christus lichaam te voltrekken; dit is immers het sacrament van de kerkelijke
eenheid. De apostel zegt namelijk in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (10, 17) :
« Dewijl dit slechts één brood is, zijn wij met velen slechts één lichaam, wij allen
die deel hebben aan dit ene brood en aan de ene kelk. » Door het doopsel nu wordt
iemand in de kerkelijke eenheid ingelijfd en ontvangt aldus het recht tot de tafel
des Heren te naderen. Zoals het dus de priester toekomt de Eucharistie te consacreren,
— daar is toch het priesterschap op berekend, — zo ook komt het van ambtswege toe
aan priesters te dopen; eenzelfde komt het immers toe een geheel uit te werken en
een deel van dit geheel op te schikken.
Ad primum ergo dicendum quod utrumque officium, scilicet docendi et baptizandi, dominus
apostolis iniunxit, quorum vicem gerunt episcopi, aliter tamen et aliter. Nam officium
docendi commisit eis Christus ut ipsi per se illud exercerent, tanquam principalissimum,
unde et ipsi apostoli dixerunt, Act. VI, non est aequum nos relinquere verbum Dei
et ministrare mensis. Officium autem baptizandi commisit apostolis ut per alios exercendum,
unde et apostolus dicit, I Cor. I, non misit me Christus baptizare, sed evangelizare.
Et hoc ideo quia in baptizando nihil operatur meritum et sapientia ministri, sicut
in docendo, ut patet ex supra dictis. In cuius etiam signum, nec ipse dominus baptizavit,
sed discipuli eius, ut dicitur Ioan. IV. Nec tamen per hoc excluditur quin episcopi
possint baptizare, quia quod potest potestas inferior, potest et superior. Unde et
apostolus ibidem dicit se quosdam baptizasse. (IIIa q. 67 a. 2 ad 1)
1 — Door de Heer werd aan de apostelen het dubbele ambt te onderwijzen en te dopen opgedragen.
Nu nemen de bisschoppen wel de plaats van de apostelen in, maar hun taak nemen ze
op tweevoudige wijze waar. De taak immers te onderwijzen heeft Christus hun opgedragen,
opdat ze haar als eerste hun toegewezen werk zouden waarnemen en daarom zeiden de
Apostelen in de Handelingen (6, 2): « Het betaamt niet dat wij het woord Gods om de
bediening der tafel veronachtzamen. » De taak integendeel te dopen, heeft hij de apostelen
opgedragen om haar door anderen te laten waarnemen. Daarom zei de Apostel in zijn
Eerste Brief aan de Korinthiërs (1, 17): « Want Christus zond mij niet om te dopen
maar om het evangelie te verkondigen. » De reden nu daarvan ligt hier, dat bij het
doopsel de verdienste en de wijsheid van de bedienaar niets tot stand brengen, terwijl
het er bij het predikambt zoals hierboven reeds werd aangetoond (64° Kw., 6° en 7°
art.) anders toegaat. Hier kan men ook laten gelden dat Christus niet zelf gedoopt
heeft, maar wel zijn leerlingen (Johannes 4, 2). Daardoor wordt echter nog niet uitgesloten
dat ook de bisschoppen mogen dopen, want waar een mindere macht toe bestand is, zal
ook een hogere macht toe bestand zijn. Daarvandaan dat de Apostel in zijn brieven
ook zegt, dat hij sommige mensen gedoopt heeft.
Ad secundum dicendum quod in qualibet republica ea quae sunt minora, pertinent ad
minora officia, maiora vero maioribus reservantur, secundum illud Exod. XVIII, quidquid
maius fuerit, referent ad te, et ipsi tantummodo minora iudicent. Et ideo ad minores
principes civitatis pertinet disponere de infimo populo, ad summos autem pertinet
disponere ea quae pertinent ad maiores civitatis. Per Baptismum autem non adipiscitur
aliquis nisi infimum gradum in populo Christiano. Et ideo baptizare pertinet ad minores
principes Ecclesiae, idest presbyteros, qui tenent locum septuaginta duorum discipulorum
Christi, ut dicit Glossa Luc. X. (IIIa q. 67 a. 2 ad 2)
2 — In iedere staat zijn mindere aangelegenheden op de lagere ambtenaren, de zwaardere
daarentegen op meer vooraanstaande ambtenaren aangewezen. Het boek van de Uittocht
(18, 22) zegt immers: « Al wat echter van meer belang mocht zijn, zullen zij voor
u brengen en alleen het geringere zullen ze zelf beredderen ». Daarom zullen de geringere
ambtenaren zich met het geringe volk onledig houden. Meer vooraanstaanden integendeel
komt het toe zich met de hogere standen in te laten. Door het doopsel nu verkrijgt
iemand in de kristenheid amper de laatste plaats en daarom wordt het de geringere
bedienaars der kerk, de priesters namelijk, die zoals de glossa zegt (Luc. 10) de
plaats van de 72 leerlingen van Christus innemen overgelaten het doopsel toe te dienen.
Ad tertium dicendum quod, sicut supra dictum est, sacramentum Baptismi est potissimum
necessitate, sed quantum ad perfectionem, sunt quaedam alia potiora, quae episcopis
reservantur. (IIIa q. 67 a. 2 ad 3)
3 — Het doopsel is wat zoals we hierboven deden uitkomen (65° Kw., 3° art. in de leerstel.
en in het antwoord op de 4° bedenk.), wanneer het om de noodzakelijkheid der sacramenten
gaat, het voornaamste sacrament, wat echter de volmaaktheid betreft, zijn er andere
sacramenten die voorgaan en aan de bisschoppen worden voorbehouden.
Articulus 3. Mag een leek het doopsel toedienen?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod laicus baptizare non possit. Baptizare enim,
sicut dictum est, proprie pertinet ad ordinem sacerdotalem. Sed ea quae sunt ordinis,
non possunt committi non habenti ordinem. Ergo videtur quod laicus, qui non habet
ordinem, baptizare non possit. (IIIa q. 67 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert dat een leek het doopsel niet mag toedienen. Dopen komt, zoals in het
vorig artikel gezegd is aan de priesters toe. Welnu, wat van het priesterschap deel
uitmaakt, mag niet aan diegenen die geen orden ontvangen hebben worden toevertrouwd.
Zo mag dus een leek die de priesterorden niet ontvangen heeft, niet dopen.
Praeterea, maius est baptizare quam alia sacramentalia Baptismi perficere, sicut catechizare
et exorcizare et aquam baptismalem benedicere. Sed haec non possunt fieri a laicis,
sed solum a sacerdotibus. Ergo videtur quod multo minus laici possint baptizare. (IIIa q. 67 a. 3 arg. 2)
2 — Dopen is van meer belang dan de sacramenten van het doopsel zoals catechiseren, duivel
bezweren en het doopwater te zegenen voltrekken. Daar nu die dingen niet door leken
maar enkel door priesters kunnen gedaan worden, zo mogen leken nog veel minder dopen.
Praeterea, sicut Baptismus est sacramentum necessitatis, ita et poenitentia. Sed laicus
non potest absolvere in foro poenitentiali. Ergo neque potest baptizare. (IIIa q. 67 a. 3 arg. 3)
3 — Het doopsel is even onontbeerlijk als de biecht. Een leek echter kan in de biecht
de absolutie niet uitspreken, zo kan hij dus evenmin het doopsel toedienen.
Sed contra est quod Gelasius Papa et Isidorus dicunt, quod baptizare, necessitate
imminente, laicis Christianis plerumque conceditur. (IIIa q. 67 a. 3 s. c.)
Daartegenover echter staat, wat Paus Gelasius en St. Isidorus zeggen: « De leken der
christenheid mogen wanneer de nood dringt dopen. »
Respondeo dicendum quod ad misericordiam eius qui vult omnes homines salvos fieri,
pertinet ut in his quae sunt de necessitate salutis, homo de facili remedium inveniat.
Inter omnia autem alia sacramenta maximae necessitatis est Baptismus, qui est regeneratio
hominis in vitam spiritualem, quia pueris aliter subveniri non potest; et adulti non
possunt aliter quam per Baptismum plenam remissionem consequi et quantum ad culpam
et quantum ad poenam. Et ideo, ut homo circa remedium tam necessarium defectum pati
non possit, institutum est ut et materia Baptismi sit communis, scilicet aqua, quae
a quolibet haberi potest; et minister Baptismi etiam sit quicumque, etiam non ordinatus;
ne propter defectum Baptismi homo salutis suae dispendium patiatur. (IIIa q. 67 a. 3 co.)
Het strookt ten zeerste met de barmhartigheid van degenen, die alle mensen wil zaligmaken,
dat ze voor wat voor de zaligheid onontbeerlijk is makkelijk zouden een uitweg vinden.
Onder alle sacramenten nu is het doopsel, omdat het de wedergeboorte is tot het geestelijke
leven, het meest onontbeerlijk; op geen andere manier kan immers kinderen worden ter
hulp gekomen, en op geen andere manier kunnen volwassenen volledige kwijtschelding
van zondeschuld en van zondestraf erlangen. Opdat dan een zo onontbeerlijk heilig
middel voor de mens niet zou in gebreke blijven werd het zo ingesteld dat de stof
van het doopsel makkelijk zou te vinden zijn, en dat, opdat de mens niet zou bij gebrek
aan doopsel van zijn heil verstoken blijven, om het even wie, ook als hij niet gewijd
is, als bedienaar van het doopsel mag optreden.
Ad primum ergo dicendum quod baptizare pertinet ad ordinem sacerdotalem secundum quandam
convenientiam et solemnitatem, non autem hoc est de necessitate sacramenti. Unde etiam
si extra necessitatis articulum laicus baptizet, peccat quidem, tamen sacramentum
Baptismi confert, nec est rebaptizandus ille qui sic est baptizatus. (IIIa q. 67 a. 3 ad 1)
1 — Om welvoeglijkheidsgronden en om de plechtigheid komt het een priester toe het doopsel
toe te dienen. Dit is echter voor het sacrament niet onontbeerlijk en, moest een leek
zonder dat het noodzakelijk is dopen, dan zou hij weliswaar zondigen, maar niet te
min zou hij het doopsel toedienen, en degene die aldus gedoopt werd, moet niet herdoopt
worden.
Ad secundum dicendum quod illa sacramentalia Baptismi pertinent ad solemnitatem, non
autem ad necessitatem Baptismi. Et ideo fieri non debent nec possunt a laico, sed
solum a sacerdote, cuius est solemniter baptizare. (IIIa q. 67 a. 3 ad 2)
2 — Die sacramentaliën van het doopsel, horen bij de plechtigheid, maar worden niet tot
de geldigheid vereist. Daarom moet en mogen ze niet door een leek, maar alleen door
een priester die het toekomt plechtig te dopen, volvoerd worden.
Ad tertium dicendum quod, sicut supra dictum est, poenitentia non est tantae necessitatis
sicut Baptismus, potest enim per contritionem suppleri defectus sacerdotalis absolutionis
quae non liberat a tota poena, nec etiam pueris adhibetur. Et ideo non est simile
de Baptismo, cuius effectus per nihil aliud suppleri potest. (IIIa q. 67 a. 3 ad 3)
3 — Zoals gezegd werd (65° Kw., 3° en 4° art.) is de biecht niet even onontbeerlijk als
het doopsel. De absolutie van de priester kan immers in nood door het berouw vervangen
worden en scheldt overigens niet alle straf kwijt; daarbij kan de absolutie voor kinderen
niet gebruikt worden. Daarom valt dan ook de biecht niet met het doopsel, waarvan
het uitwerksel door niets anders kan vervangen worden, gelijk te stellen.
Articulus 4. Mag een vrouw het doopsel toedienen?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod mulier non possit baptizare. Legitur enim
in Carthaginensi Concilio, mulier, quamvis docta et sancta, viros in conventu docere,
vel alios baptizare non praesumat. Sed nullo modo licet mulieri docere in conventu,
secundum illud I Cor. XIV, turpe est mulieri in Ecclesia loqui. Ergo videtur quod
nec etiam aliquo modo liceat mulieri baptizare. (IIIa q. 67 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert dat een vrouw het doopsel niet mag toedienen. In de kerkvergadering van
Carthago (99° en 100° Can.) wordt gezegd: « Dat de vrouw hoe geleerd en hoe heilig
ze ook weze, de mannen in de vergaderingen niet mag onderwijzen, en het niet mag op
zich nemen ze te dopen. » Zo is het dan ook aan een vrouw niet geoorloofd om het even
op welke wijze het doopsel toe te dienen.
Praeterea, baptizare pertinet ad officium praelationis, unde a sacerdotibus habentibus
curam animarum debet accipi Baptismus. Sed hoc non potest competere feminae, secundum
illud I Tim. II, docere mulieri non permitto, nec dominari in viros, sed subditam
esse. Ergo mulier baptizare non potest. (IIIa q. 67 a. 4 arg. 2)
2 — Het doopsel toedienen is het werk van een overste, en daarom moet men het doopsel
van priesters, die ziellast hebben ontvangen. Vrouwen integendeel kan zulks niet toekomen;
in de eerste Brief aan Timotheüs (2, 12) staat immers geschreven: « Aan de vrouw laat
ik niet toe dat zij onderwijze, noch over de man heersche, maar ze moet zwijgen. »
Zo mag dus een vrouw niet het doopsel toedienen.
Praeterea, in spirituali regeneratione videtur aqua habere locum materni uteri, ut
Augustinus dicit, super illud Ioan. III, nunquid homo potest in ventrem matris suae
iterato introire et renasci? Ille autem qui baptizat, videtur magis habere patris
officium. Sed hoc non competit mulieri. Ergo mulier baptizare non potest. (IIIa q. 67 a. 4 arg. 3)
3 — Voor de geestelijke wedergeboorte is het doopsel hetzelfde als voor een kind de baarmoeder.
Dit is toch hetgeen St. Augustinus bij de tekst: « kan de mens dan in de schoot van
zijn moeder binnengaan en andermaal geboren worden? » aanstipt. Welnu, hij die doopt
neemt veeleer het ambt van een vader waar, en dit past zeker niet voor een vrouw.
Zo mag dus een vrouw niet het doopsel toedienen.
Sed contra est quod Urbanus Papa dicit, et habetur in decretis, XXX, qu. III, super
quibus consuluit nos tua dilectio, hoc videtur nobis hac sententia respondendum, ut
Baptismus sit si, necessitate instante, femina puerum in nomine Trinitatis baptizaverit. (IIIa q. 67 a. 4 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat Paus Urbanus II in een brief aan een zekere Vitalis
het volgende zegt: « Uw liefde heeft ons aangaande zeker geval geraadpleegd, daarop
antwoorden we dat het doopsel wanneer het in een geval van dringende nood door een
vrouw in naam der heilige Drievuldigheid wordt toegediend, geldig wordt toegediend.
»
Respondeo dicendum quod Christus est qui principaliter baptizat, secundum illud Ioan.
I, super quem videris spiritum descendentem et manentem, hic est qui baptizat. Dicitur
autem Coloss. III quod in Christo non est masculus neque femina. Et ideo, sicut masculus
laicus potest baptizare, quasi minister Christi, ita etiam et femina. Quia tamen caput
mulieris est vir, et caput viri Christus, ut dicitur I Cor. XI; non debet mulier baptizare
si adsit copia viri. Sicut nec laicus praesente clerico, nec clericus praesente sacerdote.
Qui tamen potest baptizare praesente episcopo, eo quod hoc pertinet ad officium sacerdotis. (IIIa q. 67 a. 4 co.)
Blijkens wat Joannes in zijn Evangelie (1, 33) zegt: « Op wien gij de Geest zult zien
nederdalen en boven hem zult zien rusten, die is het die in de heilige Geest doopt
», is het vooral Christus die bij het doopsel werkzaam is. Welnu, in de Brief aan
de Galaten (3, 28) zegt de Apostel: « In Christus Jezus bestaat geen onderscheid tussen
man en vrouw. » — Zoals dus een leek van het mannelijke geslacht als bedienaar van
Christus het doopsel mag toedienen, zo mag het ook een vrouw. Daar echter zoals in
de Eerste Brief aan de Korinthiërs (11, 3) staat, het hoofd van de vrouw de man is,
en het hoofd van de man Christus, zo past het dat wanneer er mannen aanwezig zijn
een vrouw niet het doopsel toediene. Wanneer immers iemand uit de klerus aanwezig
is, mag een leek het, en wanneer een priester aanwezig is, een lagere wijding evenmin.
Een priester daarentegen, mag, daar het toch het ambt van een priester is te dopen,
ook in het bijzijn van een bisschop dopen.
Ad primum ergo dicendum quod, sicut mulieri non permittitur publice docere, potest
tamen privata doctrina vel monitione aliquem instruere; ita non permittitur publice
et solemniter baptizare, sed tamen potest baptizare in necessitatis articulo. (IIIa q. 67 a. 4 ad 1)
1 — Alhoewel het een vrouw niet toegestaan wordt in het openbaar te onderwijzen, toch
kan ze bij een privaat onderhoud iemand onderrichten of waarschuwen. Welnu, evenzo
wordt haar niet toegestaan in het openbaar en met plechtigheid te dopen, maar niettemin
mag ze in geval van nood het doopsel toedienen.
Ad secundum dicendum quod, quando Baptismus solemniter et ordinate celebratur, debet
aliquis sacramentum Baptismi suscipere a presbytero curam animarum habente, vel ab
aliquo vice eius. Hoc tamen non requiritur in articulo necessitatis, in quo potest
mulier baptizare. (IIIa q. 67 a. 4 ad 2)
2 — Wanneer het doopsel zoals gewoonlijk gebeurt, plechtig gecelebreerd wordt, dan moet
men het van een priester die zielelast draagt, of van iemand die hem vervangt, ontvangen.
Wanneer er echter nood is, wordt zulks niet vereist en dan kan een vrouw het doopsel
toedienen.
Ad tertium dicendum quod in generatione carnali masculus et femina operantur secundum
virtutem propriae naturae, et ideo femina non potest esse principium generationis
activum, sed passivum tantum. Sed in generatione spirituali neuter operatur virtute
propria, sed instrumentaliter tantum per virtutem Christi. Et ideo eodem modo potest
et vir et mulier in casu necessitatis baptizare. Si tamen mulier extra casum necessitatis
baptizaret, non esset rebaptizandus, sicut et de laico dictum est. Peccaret tamen
ipsa baptizans, et alii qui ad hoc cooperarentur, vel Baptismum ab ea suscipiendo,
vel ei baptizandum aliquem offerendo. (IIIa q. 67 a. 4 ad 3)
3 — Bij de vleeselijke voortplanting werken man en vrouw overeenkomstig de kracht van
elk van beider naturen samen, en daarom kan de vrouw bij de voortplanting geen werkend
maar enkel een lijdend beginsel zijn. Bij de geestelijke voortplanting daarentegen,
werkt geen van beiden uit eigen kracht, maar enkel als werktuig, door de kracht van
Christus, namelijk. En daarom mogen in geval van nood man en vrouw op dezelfde manier
dopen. Moest nu zonder noodzakelijkheid een vrouw het doopsel toedienen, dan zou,
zoals we in het vorig artikel ook van de leken zeiden, die mens niet moeten herdoopt
worden. Zij die doopt en al degenen die mee hielpen zouden echter, hetzij met van
haar het doopsel te ontvangen, hetzij met iemand aan te bieden om hem door haar te
laten dopen, zich aan zonden schuldig maken.
Articulus 5. Mag een ongedoopte het doopsel toedienen?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod ille qui non est baptizatus, non possit sacramentum
Baptismi conferre. Nullus enim dat quod non habet. Sed nonbaptizatus non habet sacramentum
Baptismi. Ergo non potest ipsum conferre. (IIIa q. 67 a. 5 arg. 1)
1 — Men beweert, dat iemand die niet gedoopt is, het doopsel niet mag toedienen. Niemand
geeft wat hij zelf niet heeft. Welnu, hij die niet gedoopt is heeft het doopsel niet,
en kan het dus evenmin toedienen.
Praeterea, sacramentum Baptismi confert aliquis inquantum est minister Ecclesiae.
Sed ille qui non est baptizatus, nullo modo pertinet ad Ecclesiam, scilicet nec re
nec sacramento. Ergo non potest sacramentum Baptismi conferre. (IIIa q. 67 a. 5 arg. 2)
2 — Het doopsel wordt door iemand alleen toegediend, voorzover hij in de heilige Kerk
bedienaar is. Welnu, hij die niet gedoopt is behoort noch in werkelijkheid noch door
het sacramentale leven tot de heilige Kerk en kan dus het doopsel niet toedienen.
Praeterea, maius est sacramentum conferre quam suscipere. Sed nonbaptizatus non potest
alia sacramenta suscipere. Ergo multo minus potest aliquod sacramentum conferre. (IIIa q. 67 a. 5 arg. 3)
3 — Een sacrament toe te dienen, heeft heel wat meer te betekenen dan het te ontvangen.
Welnu, een ongedoopte kan geen andere sacramenten ontvangen, en kan dus nog veel minder
sacramenten toedienen.
Sed contra est quod Isidorus dicit, Romanus pontifex non hominem iudicat qui baptizat,
sed spiritum Dei subministrare gratiam Baptismi, licet Paganus sit qui baptizat. Sed
ille qui est baptizatus, non dicitur Paganus. Ergo non baptizatus potest conferre
sacramentum Baptismi. (IIIa q. 67 a. 5 s. c.)
Daartegenover echter staat hetgeen Isidorus zegt: « De paus van Rome oordeelt dat
het niet een mens is die doopt, maar dat de geest van God ook als een heiden het sacrament
toedient, de genade van het doopsel verwekt. » (Decreet. 4° Dist. Cap. Romanus.) Hij
nu die gedoopt is, is geen heiden en zo mag ook een ongedoopte het sacrament van het
doopsel toedienen.
Respondeo dicendum quod hanc quaestionem Augustinus indeterminatam reliquit. Dicit
enim, in II contra epistolam Parmeniani, haec quidem alia quaestio est, utrum et ab
his qui nunquam fuerunt Christiani, possit Baptismus dari, nec aliquid hinc temere
affirmandum est, sine auctoritate tanti sacri Concilii quantum tantae rei sufficit.
Postmodum vero per Ecclesiam determinatum est quod nonbaptizati, sive sint Iudaei
sive Pagani, possunt sacramentum Baptismi conferre, dummodo in forma Ecclesiae baptizent.
Unde Nicolaus Papa respondet ad consulta Bulgarorum, a quodam nescitis Christiano
an Pagano, multos in patria vestra baptizatos asseritis. Hi si in nomine Trinitatis
baptizati sunt, rebaptizari non debent. Si autem forma Ecclesiae non fuerit observata,
sacramentum Baptismi non confertur. Et sic intelligendum est quod Gregorius II scribit
Bonifacio episcopo, quos a Paganis baptizatos asseruisti, scilicet Ecclesiae forma
non servata, ut de novo baptizes in nomine Trinitatis, mandamus. Et huius ratio est
quia, sicut ex parte materiae, quantum ad necessitatem sacramenti, sufficit quaecumque
aqua, ita etiam sufficit ex parte ministri quicumque homo. Et ideo etiam nonbaptizatus
in articulo necessitatis baptizare potest. Ut sic duo nonbaptizati se invicem baptizent,
dum prius unus baptizaret alium, et postea baptizaretur ab eodem, et consequeretur
uterque non solum sacramentum, sed etiam rem sacramenti. Si vero extra articulum necessitatis
hoc fieret, uterque graviter peccaret, scilicet baptizans et baptizatus, et per hoc
impediretur Baptismi effectus, licet non tolleretur ipsum sacramentum. (IIIa q. 67 a. 5 co.)
Die kwestie heeft de H. Augustinus niet opgelost. In zijn boek « Tegen Parmenianus
» (2, 13) zegt hij immers: « Iets heel anders is het te weten, of degenen die nooit
Christen geweest zijn het doopsel mogen toedienen. Daarom zal men het niet aandurven
dit zonder het gezag van een kerkvergadering, die alleen zo’n gewichtige zaak kan
uitmaken, in te roepen, lichtvaardig bevestigen. » Naderhand werd door de heilige
Kerk bepaald dat niet gedoopten, zo heidenen als joden, als ze maar met die vorm die
in de heilige kerk in gebruik is doopten, het sacrament van het doopsel kunnen toedienen.
Op de volgende wijze antwoordde Paus Nicolaas de eerste op een vraag van de Bulgaren
(Can. 104 Decreet. De Consecr. 4° Dist. 24 K. A quodam Judeao.) : « Gij zegt dat in
uw vaderland veel mensen door een of andere van wien ge niet wist of hij heiden dan
wel Christen was gedoopt werden, en ge vraagt me wat daarmee aangevangen. Als die
mensen in de naam van de heilige Drievuldigheid gedoopt werden, dan moeten ze niet
herdoopt worden; werd echter de vorm van de heilige Kerk niet in acht genomen, dan
werd het sacrament van het doopsel niet eens toegediend. » Zo valt dan te begrijpen
dat Gregorius de tweede aan Bisschop Bonifacius schreef: « We bevelen, diegenen die
zonder de vorm der heilige Kerk door heidenen gedoopt werden in naam der H. Drievuldigheid
te herdopen. » De reden daarvan is dat het, evenzeer als het voldoende is wat de stof
betreft water te gebruiken, wat de bedienaar van het doopsel betreft, voldoende is
dat deze een mens zij. Zo mag dus een ongedoopte in nood het doopsel toedienen. Wanneer
nu twee ongedoopten elkaar zouden dopen, en een eerst zou dopen en daarna zelf van
de andere het doopsel ontvangen, dan zouden beiden geldig gedoopt zijn, en niet alleen
het sacrament maar ook het uitwerksel van het sacrament ontvangen. Moesten ze echter,
wanneer geen nood dwingt aldus handelen, dan zouden beiden, de doper en de doopling
dodelijk zondigen, en zo zou, alhoewel het sacrament zelf zou blijven bestaan, het
uitwerksel van het doopsel verhinderd worden.
Ad primum ergo dicendum quod homo baptizans adhibet tantum exterius ministerium, sed
Christus est qui interius baptizat, qui potest uti omnibus hominibus ad quodcumque
voluerit. Et ideo nonbaptizati possunt baptizare, quia, ut Nicolaus Papa dicit, Baptismus
non est illorum, scilicet baptizantium, sed eius, scilicet Christi. (IIIa q. 67 a. 5 ad 1)
1 — De mens, die doopt, neemt enkel een uiterlijke bediening waar. Christus is het immers
die innerlijk doopt, en daartoe kan Hij naar goeddunken alle mensen gebruiken. Zo
kunnen dus ook ongedoopten dopen, paus Nicolaas zegt toch: « Het doopsel dat ze toedienen,
behoort niet hen, maar Christus toe. »
Ad secundum dicendum quod ille qui non est baptizatus, quamvis non pertineat ad Ecclesiam
re vel sacramento, potest tamen ad eam pertinere intentione et similitudine actus,
inquantum scilicet intendit facere quod facit Ecclesia, et formam Ecclesiae servat
in baptizando, et sic operatur ut minister Christi, qui virtutem suam non alligavit
baptizatis, sicut nec etiam sacramentis. (IIIa q. 67 a. 5 ad 2)
2 — Alhoewel hij die niet gedoopt is noch op werkelijke, noch op sacramentale wijze tot
de heilige Kerk behoort, kan hij nochtans, wanneer hij namelijk het opzet heeft te
doen wat de heilige Kerk doet, en de vorm die in de heilige Kerk in zwang is, bij
het doopsel nakomt, door zijn opzet en door de aangepastheid van zijn daad, lid zijn
van de heilige Kerk. Op die wijze dan zal hij als bedienaar van Christus, die zijn
macht evenmin als aan de sacramenten aan de gedoopten aanbond, handelen.
Ad tertium dicendum quod alia sacramenta non sunt tantae necessitatis sicut Baptismus.
Et ideo magis conceditur quod nonbaptizatus possit baptizare, quam quod possit alia
sacramenta suscipere. (IIIa q. 67 a. 5 ad 3)
3 — De andere sacramenten zijn niet even onontbeerlijk als het doopsel, en daarom wordt
veeleer toegestaan dat een ongedoopte zou dopen, dan dat hij de andere sacramenten
zou mogen ontvangen.
Articulus 6. Kunnen verschillende mensen samen een en dezelfde mens dopen?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod plures possint simul baptizare. In multitudine
enim continetur unum, sed non convertitur. Unde videtur quod quidquid potest facere
unus, possint facere multi, et non e converso, sicut multi trahunt navem quam unus
trahere non posset. Sed unus homo potest baptizare. Ergo et plures possunt simul unum
baptizare. (IIIa q. 67 a. 6 arg. 1)
1 — Men beweert, dat verschillende mensen samen een en dezelfde mens kunnen dopen. De
enkeling maakt deel uit van de gemeenschap en niet andersom, daarom kunnen verschillende
mensen samen doen wat een enkeling alleen verricht, en niet andersom. Zo bijvoorbeeld
kunnen velen samen een schip voortslepen, wat één niet kan. Daar nu een mens kan alleen
dopen, kunnen ook verschillende mensen samen een en dezelfde mens dopen.
Praeterea, difficilius est quod unum agens agat in plura quam quod plures agentes
agant simul in unum. Sed unus homo potest simul baptizare plures. Ergo multo magis
plures possunt simul unum baptizare. (IIIa q. 67 a. 6 arg. 2)
2 — Het gaat moeilijker aan voor een en dezelfde bewerkende oorzaak op verschillende zaken
invloed uit te oefenen, dan wel voor verschillende bewerkende oorzaken op eenzelfde
gegeven in te werken. Welnu, daar een mens alleen verschillende mensen kan dopen,
zo kunnen des te gemakkelijker verschillende mensen samen een en dezelfde mens dopen.
Praeterea, Baptismus est sacramentum maximae necessitatis. Sed in aliquo casu videtur
esse necessarium quod plures simul unum baptizarent, puta si aliquis parvulus esset
in articulo mortis, et adessent duo quorum alter esset mutus, et alter manibus et
brachiis careret; tunc enim oporteret quod mutilatus verba proferret, et mutus Baptismum
exerceret. Ergo videtur quod plures possint simul unum baptizare. (IIIa q. 67 a. 6 arg. 3)
3 — Het doopsel is een alleronontbeerlijkste sacrament. In sommige gevallen nu, kan het
nodig zijn, dat verschillenden samen, een en dezelfde mens dopen; moesten bijvoorbeeld
bij een klein kind dat in stervensnood verkeert, twee mensen aanwezig zijn, van wie
de ene stom is en de andere armen noch benen heeft, dan zou terwijl de andere het
water uitstort, de gebrekkige moeten de woorden uitspreken. Zo kunnen dus verschillende
mensen samen een en dezelfde mens dopen.
Sed contra est quod unius agentis una est actio. Si ergo plures unum baptizarent,
videretur sequi quod essent plures Baptismi. Quod est contra id quod dicitur Ephes.
IV, una fides, unum Baptisma. (IIIa q. 67 a. 6 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat waar een bewerkende oorzaak optreedt ook een daad
voor handen is. Moesten dus verschillende samen een en hetzelfde doopsel toedienen,
dan zouden er verschillende doopsel zijn; dat nu is in strijd met wat in de Brief
aan de Ephesiërs (4, 5) staat: « Eén geloof, één doopsel. »
Respondeo dicendum quod sacramentum Baptismi praecipue habet virtutem ex forma, quam
apostolus nominat verbum vitae, Ephes. V. Et ideo considerare oportet, si plures unum
simul baptizarent, qua forma uterentur. Si enim dicerent, nos te baptizamus in nomine
patris et filii et spiritus sancti, dicunt quidam quod non conferretur sacramentum
Baptismi eo quod non servaretur forma Ecclesiae, quae sic habet, ego te baptizo in
nomine patris et filii et spiritus sancti. Sed hoc excluditur per formam baptizandi
qua utitur Ecclesia Graecorum. Possent enim dicere, baptizatur servus Christi n. in
nomine patris et filii et spiritus sancti, sub qua forma Graeci Baptismum suscipiunt,
quae tamen forma multo magis dissimilis est formae qua nos utimur, quam si diceretur,
nos te baptizamus. Sed considerandum est quod ex tali forma, nos te baptizamus, exprimitur
talis intentio quod plures conveniunt ad unum Baptismum conferendum. Quod quidem videtur
esse contra rationem ministerii, homo enim non baptizat nisi ut minister Christi et
vicem eius gerens; unde, sicut unus est Christus, ita oportet esse unum ministrum
qui Christum repraesentet. Propter quod signanter apostolus dicit, Ephes. IV, unus
dominus, una fides, unum Baptisma. Et ideo contraria intentio videtur excludere Baptismi
sacramentum. Si vero uterque diceret, ego te baptizo in nomine patris et filii et
spiritus sancti, uterque exprimeret suam intentionem quasi ipse singulariter Baptismum
conferret. Quod posset contingere in eo casu in quo contentiose uterque aliquem baptizare
conaretur. Et tunc manifestum est quod ille qui prius verba proferret, daret Baptismi
sacramentum. Alius vero, quantumcumque ius baptizandi haberet, etsi verba pronuntiare
praesumeret, esset puniendus tanquam rebaptizator. Si autem omnino simul verba proferrent
et hominem immergerent aut aspergerent, essent puniendi de inordinato modo baptizandi,
et non de iteratione Baptismi, quia uterque intenderet nonbaptizatum baptizare, et
uterque, quantum est in se, baptizaret. Nec traderent aliud et aliud sacramentum,
sed Christus, qui est unus interius baptizans, unum sacramentum per utrumque conferret. (IIIa q. 67 a. 6 co.)
Het sacrament van het doopsel betrekt zijn kracht vooral van de vorm, die de apostel
in de Brief aan de Ephesiërs (5, 26): « Een levens-woord. » noemt. Zo valt er dus
na te gaan, welke vorm men zou gebruiken, indien verschillende mensen samen, een en
hetzelfde doopsel toedienen. Moesten ze immers zeggen: wij dopen in de naam des Vaders,
des Zoons en des Heiligen Geestes, dan zou naar sommigen zeggen het doopsel ongeldig
zijn; dan zou men namelijk de vorm van de heilige kerk die aldus luidt : « Ik doop
u in de naam des Vaders, des Zoons en des heiligen Geestes », niet meer gebruiken.
Wanneer we echter nagaan welke vorm in de Grieksche kerk in gebruik is, dan gaat dit
bezwaar niet op; men zou immers zoals de Grieken kunnen zeggen : « Laat de dienaar
van Christus gedoopt worden in de naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes
», wat nochtans meer van de gebruikelijke vorm verschilt dan : « Wij dopen u ». We
moeten er echter op wijzen dat de vorm : « Wij dopen u » het opzet met velen tot een
en hetzelfde doopsel samen te werken te kennen geeft. Dit nu is in strijd met de bediening
van het doopsel. De mens doopt namelijk enkel als bedienaar van Christus en in zijn
plaats. Zoals er dus maar één Christus is, zo ook mag er maar één bedienaar zijn die
Christus verbeeldt. Daarom zegt de Apostel uitdrukkelijk in zijn Brief aan de Ephesiërs
(4, 5) : « Eén Heer, één geloof, één doopsel. » en zo zou het tegenovergestelde opzet,
de geldigheid van het sacrament in de weg staan. Moesten verder allebei zeggen « Ik
doop u in de naam des Vaders, des Zoons en des H. Geestes », en allebei hun opzet
individueel het doopsel toe te dienen, te kennen geven, het zou immers kunnen dat
bij een twist elk van beide iemand zou trachten te dopen, dan is het duidelijk dat
degene die het eerste de woorden zou uitspreken het sacrament van het doopsel zou
toedienen, de andere daarentegen zou, alhoewel hij het recht zou hebben te dopen,
niets doen en moest hij het aandurven de woorden uit te spreken, dan zou hij als wederdoper
moeten gestraft worden. Moesten ze eindelijk beide juist terzelfder tijd de woorden
uitspreken en eenzelfde mens in het water dompelen of besproeien, dan zouden ze, daar
ze het doopsel op ongeregelde wijze zouden hebben toegediend en niet wegens wederdoop
dienen gestraft te worden; beide toch zouden het opzet gehad hebben een ongedoopte
te dopen en in de mate van het mogelijke zouden ook beide gedoopt hebben. Ook zouden
ze niet twee sacramenten hebben toegediend maar Christus die een is en innerlijk doopt
zou door beide bediening een sacrament hebben toegediend.
Ad primum ergo dicendum quod ratio illa locum habet in his quae agunt propria virtute.
Sed homines non baptizant propria virtute, sed virtute Christi, qui, cum sit unus,
per unum ministrum perficit suum opus. (IIIa q. 67 a. 6 ad 1)
1 — Voor mensen die uit eigen kracht handelen kan die reden gelden. Nu dopen echter de
mensen niet uit eigen kracht maar door de kracht van Christus die, omdat hij eeuwig
is, door een enkele bedienaar zijn werk voltrekt.
Ad secundum dicendum quod in casu necessitatis unus posset simul plures baptizare
sub hac forma, ego vos baptizo, puta si immineret ruina aut gladius aut aliquid huiusmodi,
quod moram omnino non pateretur, si singillatim omnes baptizarentur. Nec per hoc diversificaretur
forma Ecclesiae, quia plurale non est nisi singulare geminatum, praesertim cum pluraliter
dicatur, Matth. ult., baptizantes eos, et cetera. Nec est simile de baptizante et
baptizato. Quia Christus, qui principaliter baptizat, est unus, sed multi per Baptismum
efficiuntur unum in Christo. (IIIa q. 67 a. 6 ad 2)
2 — Wanneer de nood dringt mag een mens verschillende mensen dopen met deze vorm: « Ik
doop u lieden » zo bijvoorbeeld wanneer een ongeluk dreigt of doodsgevaar of iets
dergelijks dat geen tijd overlaat om allen afzonderlijk te dopen voor handen is. Daardoor
wordt echter de vorm van de H. Kerk niet gewijzigd; dit meervoud is immers enkel een
herhaald enkelvoud, vooral daar ook bij Mattheus (28, 19) het meervoud gebruikt wordt:
« Ze dopende... enz. » Nu geldt echter voor de doper en de dopeling niet dezelfde
reden; Christus toch die als hoofdbedienaar het doopsel toedient is enig, maar door
het doopsel worden in de enige Christus velen verenigd.
Ad tertium dicendum quod, sicut supra dictum est, integritas Baptismi consistit in
forma verborum et in usu materiae. Et ideo neque ille qui tantum verba profert baptizat,
neque ille qui immergit. Et ideo, si unus verba proferat et alius immergit, nulla
forma verborum poterit esse conveniens. Neque enim poterit dici, ego te baptizo, cum
ipse non immergat, et per consequens non baptizet. Neque etiam poterit dicere, nos
te baptizamus, cum neuter baptizet. Si enim duo sint quorum unus unam partem libri
scribat et alius aliam, non est propria locutio, nos scripsimus librum istum, sed
synecdochica, inquantum totum ponitur pro parte. (IIIa q. 67 a. 6 ad 3)
3 — Zoals hierboven gezegd werd (66° Kw., 3° en 4° art.) bestaat de volkomenheid van het
doopsel in de vorm van de woorden en in het gebruik van de stof. Daarom doopt noch
hij die alleen de woorden uitspreekt, noch hij die de doopling onderdompelt. Wanneer
bijgevolg de ene de woorden uitspreekt en de andere de doopling in het water dompelt,
kan er geen enkele vorm voor de geldigheid van het doopsel voldoende zijn. Dan gaat
het namelijk niet aan te zeggen: « Ik doop u » — hij toch die de woorden uitspreekt
dompelt niet in, — en zo doopt hij ook niet. Het gaat evenmin aan te zeggen: « Wij
dopen u », daar geen van beiden doopt. Gesteld immers, er zijn twee mensen, de ene
schrijft een deel van een boek en de andere een ander deel, dan is het niet juist
te zeggen: « Wij hebben dit boek geschreven », maar daar dan het geheel voor een deel
ervan genomen wordt is dit een oneigenlijke uitdrukking.
Articulus 7. Wordt er vereist dat iemand de gedoopte zou uit de gewijde vont opnemen?
Ad septimum sic proceditur. Videtur quod in Baptismo non requiratur aliquis qui baptizatum
de sacro fonte levet. Baptismus enim noster per Baptismum Christi consecratur, et
ei conformatur. Sed Christus baptizatus non est ab aliquo de fonte susceptus, sed,
sicut dicitur Matth. III, baptizatus Iesus confestim ascendit de aqua. Ergo videtur
quod nec in aliorum Baptismo requiratur aliquis qui baptizatum de sacro fonte suscipiat. (IIIa q. 67 a. 7 arg. 1)
1 — Men beweert dat niet vereist wordt dat bij het doopsel iemand de gedoopte uit de gewijde
font zou opnemen. Ons doopsel wordt door het doopsel van Christus geheiligd en is
er gelijkvormig aan. Welnu, Christus werd door niemand uit het water opgenomen, maar
zoals bij *Mattheus* (3, 16) gezegd wordt: « kwam Christus wanneer hij gedoopt was
uit het water ». Zo is het dus evenmin nodig dat er bij de andere doopsel iemand weze
om de gedoopte uit de gewijde font op te nemen.
Praeterea, Baptismus est spiritualis regeneratio, ut supra dictum est. Sed in carnali
generatione non requiritur nisi principium activum, quod est pater, et principium
passivum, quod est mater. Cum igitur in Baptismo locum patris obtineat ille qui baptizat,
locum autem matris ipsa aqua Baptismi, ut Augustinus dicit, in quodam sermone Epiphaniae;
videtur quod non requiratur aliquis alius qui baptizatum de sacro fonte levet. (IIIa q. 67 a. 7 arg. 2)
2 — Het doopsel is, zoals gezegd werd (3° art. dezer Kw.) een geestelijke wedergeboorte.
Bij de lichamelijke voortplanting nu worden enkel een bedrijvig en lijdend beginsel,
een vader en een moeder bijvoorbeeld vereist. Daar dus overeenkomstig wat St. Augustinus
zegt (1° Zondag onder de oletaaf van Driekoningen) bij het doopsel degene die doopt
de vader, en het water de moeder vervangt, zo blijkt ten volle dat er niemand vereist
wordt om de doopling uit de gewijde font op te nemen.
Praeterea, in sacramentis Ecclesiae nihil derisorium fieri debet. Sed hoc derisorium
videtur, quod adulti baptizati, qui seipsos sustentare possunt et de sacro fonte exire,
ab alio suscipiantur. Ergo videtur quod non requiratur aliquis, praecipue in Baptismo
adultorum, qui baptizatum de sacro fonte levet. (IIIa q. 67 a. 7 arg. 3)
3 — In de sacramenten der heilige kerk mag niets tot lachen aanzetten. Welnu het zou belachelijk
aandoen als volwassen dopelingen die zichzelf kunnen verhelpen en alleen uit de gewijde
font stappen er door anderen werden uitgenomen. Zo wordt dus vooral bij het doopsel
van volwassenen niet vereist dat iemand de gedoopte zou uit de gewijde font opnemen.
Sed contra est quod Dionysius dicit, II cap. Eccl. Hier., quod sacerdotes, assumentes
baptizatum, tradunt adductionis susceptori et duci. (IIIa q. 67 a. 7 s. c.)
Daartegenover staat echter wat Dionysius in zijn Boek: « De kerkelijke Hierarchie
» zegt (2 k.) : « De priesters die de gedoopte aannemen dragen iemand op hem te onderrichten
en te leiden. »
Respondeo dicendum quod spiritualis regeneratio, quae fit per Baptismum, assimilatur
quodammodo generationi carnali, unde dicitur I Pet. II, sicut modo geniti infantes
rationabiles sine dolo lac concupiscite. In generatione autem carnali parvulus nuper
natus indiget nutrice et paedagogo. Unde et in spirituali generatione Baptismi requiritur
aliquis qui fungatur vice nutricis et paedagogi, informando et instruendo eum qui
est novitius in fide, de his quae pertinent ad fidem et ad vitam Christianam, ad quod
praelati Ecclesiae vacare non possunt, circa communem curam populi occupati, parvuli
enim et novitii indigent speciali cura praeter communem. Et ideo requiritur quod aliquis
suscipiat baptizatum de sacro fonte quasi in suam instructionem et tutelam. Et hoc
est quod Dionysius dicit, ult. cap. Eccl. Hier., divinis nostris ducibus, idest apostolis,
ad mentem venit et visum est suscipere infantes secundum istum modum quod parentes
pueri traderent puerum cuidam docto in divinis paedagogo, et reliquum sub ipso puer
ageret, sicut sub divino patre et salvationis sanctae susceptore. (IIIa q. 67 a. 7 co.)
De geestelijke wedergeboorte die bij het doopsel plaats grijpt mag enigszins bij de
vleselijke voortplanting vergeleken worden. Daarom zegt de H. Petrus in zijn eerste
Brief (2, 2) : « Verlangt als pasgeboren kindertjes naar geestelijke onvervalste melk.
» — Welnu, bij de opvoeding van het lichaam behoren een voedster en een leermeester.
Zo wordt er ook bij de geestelijke wedergeboorte in het doopsel vereist dat iemand
als voedster en leermeester optreedt om de nieuwgedoopte als nieuweling in het geloof,
aangaande alles wat tot het geloof en het christelijk leven behoort, te onderrichten
en op te voeden. Daarmee nu kunnen de prelaten van de heilige kerk die het met de
algemene zorg voor het hele volk al vrij druk hebben zich niet inlaten; kinderen en
nieuwelingen hebben immers behalve de algemene nog bijzondere zorgen nodig en daarom
wordt vereist dat iemand de gedoopte uit de doopvont zou opnemen om hem te onderrichten
en te beschermen. Dit is het overigens wat Dionysius in zijn Boek « De kerkelijke
Hierarchie » zegt (7e cap.) : « De apostelen, onze leiders waren de gedachten en de
mening toegedaan dat het paste de kinderen op te nemen, dat namelijk de natuurlijke
ouders van het kind dit aan iemand dienden toe te vertrouwen die de godsdienst kent,
en onder wiens leiding het als onder de hoede van een goddelijke vader die het bij
zijn vrome zaligmaking zou ondersteunen, zou worden opgevoed. »
Ad primum ergo dicendum quod Christus non est baptizatus ut ipse regeneraretur, sed
ut alios regeneraret. Et ideo ipse post Baptismum non indiguit paedagogo tanquam parvulus. (IIIa q. 67 a. 7 ad 1)
1 — Christus werd niet gedoopt om zelf te worden wedergeboren, maar om anderen te doen
wedergeboren worden. Daarom had hij ook na het doopsel zoals kinderen een opvoeder
van doen.
Ad secundum dicendum quod in generatione carnali non requiritur ex necessitate nisi
pater et mater, sed ad facilem partum, et educationem pueri convenientem, requiritur
obstetrix et nutrix et paedagogus. Quorum vicem implet in Baptismo ille qui puerum
de sacro fonte levat. Unde non est de necessitate sacramenti, sed unus solus potest
in aqua baptizare, necessitate imminente. (IIIa q. 67 a. 7 ad 2)
2 — Bij de lichamelijke voortplanting worden strikt gesproken enkel een vader en een moeder
vereist; opdat echter baren gemakkelijk zou plaatsvinden en de opvoeding van het kind
naar behoren zou geschieden, worden ook een vroedvrouw, een voedster en een opvoeder
gewenst. En de taak van dezen is het die hij, die het kind uit de gewijde font opneemt,
waarneemt. Zo wordt deze dus niet tot de geldigheid vereist en mag iemand in geval
van nood ook alleen dopen.
Ad tertium dicendum quod baptizatus non suscipitur a patrino de sacro fonte propter
imbecillitatem corporalem, sed propter imbecillitatem spiritualem, ut dictum est. (IIIa q. 67 a. 7 ad 3)
3 — De gedoopte wordt niet om reden van lichamelijke zwakheid door zijn peter uit de gewijde
vond opgenomen, maar wel zoals hierboven in de leerstelling werd aangetoond, om reden
van zijn geestelijke zwakheid.
Articulus 8. Zijn peter en meter verplicht degene die zij uit de gewijde vont opgenomen hebben
te onderwijzen?
Ad octavum sic proceditur. Videtur quod ille qui suscipit aliquem de sacro fonte,
non obligetur ad eius instructionem. Quia nullus potest instruere nisi instructus.
Sed etiam quidam non instructi sed simplices admittuntur ad aliquem de sacro fonte
suscipiendum. Ergo ille qui suscipit baptizatum, non obligatur ad eius instructionem. (IIIa q. 67 a. 8 arg. 1)
1 — Men beweert dat iemand die een doopling uit de gewijde font opneemt niet verplicht
is hem te onderwijzen. Niemand kan zonder zelf geletterd te zijn onderwijzen. Welnu,
ook ongeletterde en eenvoudige lieden mogen iemand uit de gewijde font opnemen. Dus
is hij die de gedoopte opneemt niet verplicht hem te onderwijzen.
Praeterea, filius magis a patre instruitur quam ab alio extraneo, nam filius habet
a patre, esse et nutrimentum et disciplinam, ut philosophus dicit, VIII Ethic. Si
ergo ille qui suscipit baptizatum, tenetur eum instruere, magis esset conveniens quod
pater carnalis filium suum de Baptismo suscipiat quam alius. Quod tamen videtur esse
prohibitum, ut habetur in decretis, XXX, qu. I, cap. pervenit et dictum est. (IIIa q. 67 a. 8 arg. 2)
2 — Een kind behoort eerder door zijn vader dan door een vreemdeling te worden onderwezen;
zoals immers de Wijsgeer in Ethica (8, 12) zegt, krijgt het kind van zijn vader het
aanschijn, het voedsel en de opvoeding. Indien nu degene die de gedoopte opneemt verplicht
was hem te onderwijzen, dan zou het meer passen dat de vader naar het vlees zijn zoon
uit de fontein opneemt dan wel iemand anders. Dit wordt echter, zoals in de Decretaliën
te lezen staat (30, 1, 1) : « Pervenit et Dictum est » door het kerkelijk recht verboden.
Praeterea, plures magis possunt instruere quam unus solus. Si ergo ille qui suscipit
aliquem baptizatum, teneretur eum instruere, magis deberent plures suscipere quam
unus solus. Cuius contrarium habetur in decreto Leonis Papae, non plures, inquit,
ad suscipiendum de Baptismo infantem quam unus accedant, sive vir sive mulier. (IIIa q. 67 a. 8 arg. 3)
3 — Verschillende mensen kunnen beter samen iemand onderwijzen dan iemand alleen. Wanneer
men nu verplicht was de gedoopte die men heeft opgenomen ook te onderrichten, dan
zou het beter zijn met verschillenden dan wel iemand op te nemen. In de Decretaliën
van paus Leo (De Consecr., 4, 101) wordt echter het tegendeel gezegd: « Er mag maar
één man of één vrouw zijn om iemand na het doopsel op te nemen. »
Sed contra est quod Augustinus dicit, in quodam sermone paschali, vos ante omnia,
tam viros quam mulieres, qui filios in Baptismate suscepistis, moneo ut vos cognoscatis
fideiussores apud Deum exstitisse pro illis quos visi estis de sacro fonte suscipere. (IIIa q. 67 a. 8 s. c.)
Daartegenover staat echter wat Augustinus in een Sermoen over Paschen (VIII Beloken
Paschen) zegt: « Ik herinner u er aan mannen of vrouwen die kinderen na het doopsel
hebt opgenomen, dat je moet weten dat je bij God voor degenen die je uit de gewijde
font hebt opgenomen verantwoordelijk bent. »
Respondeo dicendum quod unusquisque obligatur ad exequendum officium quod accipit.
Dictum est autem quod ille qui suscipit aliquem de sacro fonte, assumit sibi officium
paedagogi. Et ideo obligatur ad habendam curam de ipso, si necessitas immineret, sicut
eo tempore et loco in quo baptizati inter infideles nutriuntur. Sed ubi nutriuntur
inter Catholicos Christianos, satis possunt ab hac cura excusari, praesumendo quod
a suis parentibus diligenter instruantur. Si tamen quocumque modo sentirent contrarium,
tenerentur secundum suum modum saluti spiritualium filiorum curam impendere. (IIIa q. 67 a. 8 co.)
Eenieder is verplicht het ambt dat hij op zich genomen heeft waar te nemen. Welnu,
we hebben gezegd dat degene die iemand uit de gewijde fontein opneemt de taak van
opvoeder op zich laadt. Daarom is hij dan verplicht in geval van nood, zo bijvoorbeeld
op die plaatsen en in die tijden waar de gedoopten onder de heidenen worden opgevoed
voor zijn doopkind zorg te dragen. Worden ze integendeel onder katholieke christenen
opgevoed, dan dienen ze niet zozeer die plicht in acht te nemen; dan mag immers verondersteld
dat de ouders ijverig zullen hun kinderen met de waarheden van het geloof vertrouwd
maken. Moesten ze echter om het even hoe het tegendeel ervaren, dan zouden ze in de
mate van het mogelijke de zaligheid van hun geestelijke kinderen moeten bewerken.
Ad primum ergo dicendum quod, ubi immineret periculum, oporteret esse aliquem doctum
in divinis, sicut Dionysius dicit, qui baptizandum de sacro fonte susciperet. Sed
ubi hoc periculum non imminet, propter hoc quod pueri nutriuntur inter Catholicos,
admittuntur quicumque ad hoc officium, quia ea quae pertinent ad Christianam vitam
et fidem, publice omnibus nota sunt. Et tamen ille qui non est baptizatus non potest
suscipere baptizatum, ut est declaratum in Concilio Maguntino, licet nonbaptizatus
possit baptizare, quia persona baptizantis est de necessitate sacramenti, non autem
persona suscipientis, sicut dictum est. (IIIa q. 67 a. 8 ad 1)
1 — Daar waar voor het geloof gevaar dreigt zou degene die de gedoopte uit de gewijde
font opneemt zoals Dionysius zegt (Kerk. Hier. 7), in de goddelijke wetenschappen
moeten beslagen zijn. In streken echter waar, omdat de kinderen onder de katholieken
opgevoed worden geen gevaar voor handen is wordt gelijk wie aangenomen om dit ambt
waar te nemen; daar is immers alles wat tot het christelijk leven en tot het geloof
behoort door allen openbaar gekend. Alleen mag, zoals in de kerkvergadering van Mainz
verklaard werd, hij die niet gedoopt is de doopling niet opnemen. Dopen daarentegen
mag een ongedoopte wel. De persoon die doopt toch is voor de geldigheid van het doopsel
volstrekt onontbeerlijk, hij die integendeel opneemt is, zoals gezegd werd (in het
vorig art. antw. op de 2° Bed.) niet vandoen.
Ad secundum dicendum quod, sicut est alia generatio spiritualis a carnali, ita etiam
debet esse alia disciplina, secundum illud Heb. XII, patres quidem carnis nostrae
habuimus eruditores, et reverebamur eos. Non multo magis obtemperabimus patri spirituum,
et vivemus? Et ideo alius debet esse pater spiritualis a patre carnali, nisi necessitas
contrarium exigat. (IIIa q. 67 a. 8 ad 2)
2 — Zoals de geestelijke voortplanting van de lichamelijke verschilt, zo ook verschilt
de geestelijke opvoeding van die van het lichaam; in de Brief aan de Hebreërs (12,
9) staat immers: « Voorts hebben de vaders van ons vlees ons gekastijd en wij hebben
hen ontzien: zullen wij dan niet veel liever onderworpen zijn aan de Vader der geesten
om in het leven te blijven. » Daarom dan moet de geestelijke vader, behalve wanneer
dringende noodzakelijkheid het anders vergt, een ander zijn dan die van het vlees.
Ad tertium dicendum quod confusio disciplinae esset nisi esset unus principalis instructor.
Et ideo in Baptismo unus debet esse principalis susceptor. Alii tamen possunt admitti
quasi coadiutores. (IIIa q. 67 a. 8 ad 3)
3 — Indien er geen voornaamste opvoeder was, zou er bij de opvoeding verwarring ontstaan,
en daarom mag er bij het doopsel maar één zijn die als hoofdpersoon opneemt; anderen
mogen hem echter hierbij terzijde staan.