Tertia Pars. Quaestio 71. Over de voorbereidselen die tot het doopsel vereist worden .
Prooemium
Deinde considerandum est de praeparatoriis quae simul currunt cum Baptismo. Et circa
hoc quaeruntur quatuor. Primo, utrum catechismus debeat praecedere Baptismum. Secundo,
utrum Baptismum debeat praecedere exorcismus. Tertio, utrum ea quae aguntur in catechismo
et exorcismo aliquid efficiant, vel solum significent. Quarto, utrum baptizandi debeant
catechizari vel exorcizari per sacerdotes. (IIIa q. 71 pr.)
Thans moeten we ook nog over de voorbereidselen tot het doopsel spreken en dienaangaande
moeten vier verschillende zaken behandeld worden. Ten eerste: moet de catechismus
vóór het doopsel worden aangeleerd? Ten tweede: dient de duivelbezwering het doopsel
vooraf te gaan? Ten derde: wat bij de catechisering en bij de duivelbezwering verricht
wordt, heeft het enkel een zinnebeeldige betekenis of werkt het ook iets uit? Ten
vierde: behoren bewuste catechisering en duivelbezwering door de priesters gedaan
te worden?
Articulus 1. Dient de catechisering het doopsel vooraf te gaan?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod catechismus non debeat praecedere Baptismum.
Per Baptismum enim regenerantur homines ad vitam spiritualem. Sed prius accipit homo
vitam quam doctrinam. Non ergo prius debet homo catechizari, idest doceri, quam baptizari. (IIIa q. 71 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert dat de catechisering het doopsel niet dient vooraf te gaan. Door het doopsel
worden de mensen tot het geestelijke leven wedergeboren. Welnu, eerst ontvangt de
mens het leven, daarna het onderwijs. Zo behoort dus de mens niet eerst onderwezen
en daarna gedoopt te worden.
Praeterea, Baptismus exhibetur non solum adultis, sed etiam pueris, qui non sunt doctrinae
perceptibiles, eo quod non habent usum rationis. Ergo ridiculum est eos catechizari. (IIIa q. 71 a. 1 arg. 2)
2 — Het doopsel wordt niet alleen aan volwassenen maar ook aan kinderen, die, omdat ze
nog niet het gebruik van hun verstand hebben, een onderwijs kunnen ontvangen toegediend.
Zo is het dus ongerijmd ze te onderwijzen.
Praeterea, in catechismo confitetur catechizatus suam fidem. Confiteri autem fidem
suam non potest puer, neque per seipsum, neque etiam aliquis alius pro eo, tum quia
nullus potest alium ad aliquid obligare; tum quia non potest aliquis scire utrum puer,
cum ad legitimam aetatem pervenerit, assentiat fidei. Non ergo debet catechismus praecedere
Baptismum. (IIIa q. 71 a. 1 arg. 3)
3 — Bij de voorbereiding moet de catechumeen zijn geloof belijden. Welnu, kinderen kunnen
niet door zichzelf het geloof belijden en anderen kunnen het evenmin voor hen; niemand
kan immers een ander tot iets verplichten, en daarbij weet niemand of die kinderen
later, wanneer ze eens tot wettelijke ouderdom zullen gekomen zijn, het geloof zullen
aanhangen. Zo dient dus de catechisering niet het doopsel vooraf te gaan.
Sed contra est quod Rabanus, de institutione clericorum, dicit, ante Baptismum, catechizandi
debet hominem praevenire officium, ut fidei primum catechumenus accipiat rudimentum. (IIIa q. 71 a. 1 s. c.)
Daartegenover staat echter wat Rabanus in zijn « Priestervorming » (1, 23) zegt: Vóór
het doopsel moet de mens, opdat hij als catechumeen de eerste vereisten van het geloof
zou leren kennen, onderricht worden. »
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, Baptismus est fidei sacramentum,
cum sit quaedam professio fidei Christianae. Ad hoc autem quod aliquis fidem accipiat,
requiritur quod de fide instruatur, secundum illud Rom. X, quomodo credent quem non
audierunt? Quomodo autem audient sine praedicante? Et ideo ante Baptismum convenienter
praecedit catechismus. Unde et dominus, praeceptum baptizandi discipulis tradens,
praemittit doctrinam Baptismo, dicens, euntes, docete omnes gentes, baptizantes eos,
et cetera. (IIIa q. 71 a. 1 co.)
Zoals hierboven in de vorige kwestie (1° art.) gezegd werd, is het doopsel het sacrament
van het christelijk geloof. Opdat nu iemand het geloof zou ontvangen, wordt daartoe
vereist dat hij in het geloof zou onderwezen worden; in de brief aan de Romeinen (10,
14) staat immers: « Hoe zouden zij in Hem geloven als zij van Hem niet gehoord hebben?
en hoe zouden zij horen, als niemand predikt? » Daarom is het dan nodig vóór het doopsel
te onderrichten. De Heer zelf heeft overigens, wanneer Hij aan zijn discipelen het
bevel gaf het doopsel toe te dienen, dit door de waarschuwing de mensen eerst te onderwijzen:
« Gaat en onderwijst alle volkeren, ze dopend... » doen voorafgaan.
Ad primum ergo dicendum quod vita gratiae, in qua regeneratur aliquis, praesupponit
vitam naturae rationalis, in qua potest homo particeps esse doctrinae. (IIIa q. 71 a. 1 ad 1)
1 — Het leven der genade waartoe de mens door het doopsel wordt wedergeboren veronderstelt
het leven van een redelijke natuur die aan kennis kan deelachtig gemaakt worden.
Ad secundum dicendum quod, sicut mater Ecclesia, ut supra dictum est, accommodat pueris
baptizandis aliorum pedes ut veniant, et aliorum cor ut credant, ita etiam accommodat
eis aliorum aures ut audiant, et intellectum ut per alios instruantur. Et ideo eadem
ratione sunt catechizandi qua sunt baptizandi. (IIIa q. 71 a. 1 ad 2)
2 — In de 59e kw. 6e art. 3e antwoord, hebben we gezegd dat onze moeder de H. Kerk aan
kindertjes die moeten gedoopt worden de voeten van andere mensen geeft om tot het
doopsel te naderen en het hart van andere mensen om te geloven; welnu zover leent
ze hen ook andermans oren om te horen en andermans verstand om onderwezen te worden.
Zo is het dan dezelfde reden die er ons toe noopt onderwezen te worden en gedoopt
te worden.
Ad tertium dicendum quod ille qui pro puero baptizato respondet, credo, non praedicit
puerum crediturum cum ad legitimos annos pervenerit, alioquin diceret, credet, sed
profitetur fidem Ecclesiae in persona pueri, cui communicatur, cuius sacramentum ei
attribuitur, et ad quam obligatur per alium. Non est enim inconveniens quod aliquis
obligetur per alium in his quae sunt de necessitate salutis. Similiter etiam patrinus
pro puero respondens promittit se operam daturum ad hoc quod puer credat. Quod tamen
non sufficeret in adultis usum rationis habentibus. (IIIa q. 71 a. 1 ad 3)
3 — Degene die in de plaats van het kind antwoordt «Ik geloof» voorspelt niet dat het
kind later, wanneer het de jaren van verstand zal bereikt hebben werkelijk zal geloven;
anders toch zou hij zeggen « het zal geloven ». — Hij die het kind vertegenwoordigt
belijdt integendeel het geloof van de H. Kerk, waardoor het kind het sacrament van
het geloof ontvangt en de verplichtingen er van door bemiddeling van iemand anders
op zich neemt. Onredelijk is het immers niet dat iemand zich door bemiddeling van
een ander mens tot hetgeen voor de zaligheid onontbeerlijk is zou verplichten. Evenzo
belooft de peter die voor het kind antwoordt te doen wat hij kan opdat het kind zou
geloven; alleen zou zulks voor volwassenen die het gebruik van hun verstand hebben,
niet volstaan.
Articulus 2. Dient de duivelbezwering het doopsel vooraf te gaan?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod exorcismus non debeat praecedere Baptismum.
Exorcismus enim est contra energumenos, idest arreptitios, ordinatus. Sed non omnes
sunt tales. Ergo exorcismus non debet praecedere Baptismum. (IIIa q. 71 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert dat de duivelbezwering het doopsel niet dient vooraf te gaan. De duivelbezwering
wordt tegen bezeten aangewend. Welnu niet alle dopelingen verkeren in die toestand.
Zo dient dus de duivelbezwering het doopsel niet vooraf te gaan.
Praeterea, quandiu homo subiacet peccato, Diabolus in eo potestatem habet, ut dicitur
Ioan. VIII, qui facit peccatum, servus est peccati. Sed peccatum tollitur per Baptismum.
Non ergo ante Baptismum sunt homines exorcizandi. (IIIa q. 71 a. 2 arg. 2)
2 — Zolang de mens aan de zonde onderworpen blijft, heeft de duivel macht over hem; Joannes
zegt immers (8, 34): « Wie zonde bedrijft is slaaf van de zonde. » Welnu, het doopsel
bevrijdt ons van de zonde. Zo dienen dus de mensen vóór het doopsel niet bezworen
te worden.
Praeterea, ad arcendum Daemonum potestatem est introducta aqua benedicta. Non ergo
ad hoc oportebat aliud remedium adhiberi per exorcismos. (IIIa q. 71 a. 2 arg. 3)
3 — Om de kracht van de duivel te stuiten gebruikt men wijwater. Overbodig is het dus
daar nog de duivelbezwering bij te voegen.
Sed contra est quod Caelestinus Papa dicit, sive parvuli sive iuvenes ad regenerationis
veniant sacramentum, non prius fontem vitae adeant quam exorcismis et exsufflationibus
clericorum spiritus immundus ab eis abiiciatur. (IIIa q. 71 a. 2 s. c.)
Daartegenover staat echter wat Paus Celestinus zegt (2° epist. 9° hoofdstuk): « Kinderen
of jongelingen die het sacrament der wedergeboorte willen ontvangen moeten vooraleer
ze tot de bron des levens mogen naderen door duivelbezweringen en inblazingen van
de priesters, van de onreine geest verlost worden. »
Respondeo dicendum quod quicumque opus aliquod sapienter facere proponit, prius removet
impedimenta sui operis, unde dicitur Ierem. IV, novate vobis novale, et nolite serere
super spinas. Diabolus autem hostis est humanae salutis, quae homini per Baptismum
acquiritur; et habet potestatem aliquam in homine ex hoc ipso quod subditur originali
peccato, vel etiam actuali. Unde etiam convenienter ante Baptismum expelluntur Daemones
per exorcismos, ne salutem hominis impediant. Quam quidem expulsionem significat exsufflatio.
Benedictio autem, cum manus impositione, praecludit expulso viam ne redire possit.
Sal autem in os missum, et narium et aurium sputo linitio, significat receptionem
doctrinae fidei quantum ad aures, et approbationem quantum ad nares, et confessionem
quantum ad os. Olei vero inunctio significat aptitudinem hominis ad pugnandum contra
Daemones. (IIIa q. 71 a. 2 co.)
Als iemand wijs is en een werk wil ten uitvoer brengen, dan begint hij eerst met de
hinderpalen uit de weg te ruimen. Daarom zegt de profeet Jeremias (4, 3) : « Bereidt
u een nieuw land voor en zaait niet onder de doornen. » De duivel nu is de vijand
van de zaligheid die de mens bij het doopsel erlangt, en wanneer de mens aan de erfzonde
of aan de dadelijke zonde onderworpen is heeft de duivel macht over hem. Bijgevolg
moeten, opdat ze de zaligheid van de mens niet zouden verhinderen, vóór het doopsel
eerst de duivels verdreven worden en die uitdrijving wordt door inblazingen afgebeeld.
Verder versperren de zegening en de handenoplegging, opdat hij niet zou kunnen terugkeren,
de weg aan de uitgedreven geest. Het zout daarentegen dat in de mond gelegd wordt
en het inwrijven van neus en oren met speeksel verzinnebeelden dat de oren de geloofsleer
ontvangen, dat de neus haar goedkeurt en dat de mond die leer zal belijden. Eindelijk
geeft de instrijking met olie te kennen dat de mens voortaan ertoe zal bestand zijn
de duivelen te bevechten.
Ad primum ergo dicendum quod energumeni dicuntur quasi interius laborantes extrinseca
operatione Diaboli. Et quamvis non omnes accedentes ad Baptismum corporaliter ab eo
vexentur, omnes tamen non baptizati potestati Daemonum subiiciuntur, saltem propter
reatum originalis peccati. (IIIa q. 71 a. 2 ad 1)
1 — De bezetenen zijn diegenen die innerlijk onder de werking van de duivel in hen lijden.
Alhoewel nu niet allen die het doopsel ontvangen lichamelijk door de duivel gekweld
worden, toch zijn alle ongedoopten ten minste door de schuld van de erfzonde onder
de macht van de duivel.
Ad secundum dicendum quod in Baptismo per ablutionem excluditur potestas Daemonis
ab homine quantum ad hoc quod impedit eum a perceptione gloriae. Sed exorcismi excludunt
potestatem Daemonis inquantum impedit hominem a perceptione sacramenti. (IIIa q. 71 a. 2 ad 2)
2 — Door de mens van zijn zonden te zuiveren, bevrijdt het doopsel de mens uit de klauwen
van de duivel die hem van de hemelse glorie wil onthouden. Welnu, de duivelbezwering
vernietigt de macht van de duivel die de mens zou willen beletten het doopsel te ontvangen.
Ad tertium dicendum quod aqua benedicta datur contra impugnationes Daemonum quae sunt
ab exteriori. Sed exorcismus ordinatur contra impugnationes Daemonum quae sunt ab
interiori, unde, energumeni dicuntur, quasi interius laborantes, illi qui exorcizantur.
Vel dicendum quod, sicut remedium contra peccatum secundo datur poenitentia, quia
Baptismus non iteratur; ita in remedium contra impugnationes Daemonum secundo datur
aqua benedicta, quia exorcismi baptismales non iterantur. (IIIa q. 71 a. 2 ad 3)
3 — Wijwater wordt tegen uiterlijke aanvechtingen van de duivel aangewend, de duivelbezwering
daarentegen tegen zijn innerlijke aanvechtingen. Zo worden dan degenen die bezworen
worden, daar zij innerlijk door iemand bezeten worden, bezeten genoemd. Ook mag gezegd
worden dat, net zoals na het doopsel de biecht een nieuwe redplank is, — het doopsel
wordt immers niet hernieuwd, — zo ook wijwater, omdat de duivelbezwering van het doopsel
niet hernieuwd wordt, tegen de aanvechtingen van de duivel een tweede geneesmiddel
is.
Articulus 3. Werkt de duivelbezwering iets bepaalds uit?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod ea quae aguntur in exorcismo non efficiant
aliquid, sed solum significent. Si enim puer post exorcismos moriatur ante Baptismum,
salutem non consequitur. Sed ad hoc ordinatur effectus eorum quae in sacramentis aguntur,
ut homo consequatur salutem, unde et Marc. ult. dicitur, qui crediderit et baptizatus
fuerit, salvus erit. Ergo ea quae aguntur in exorcismo nihil efficiunt, sed solum
significant. (IIIa q. 71 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert dat wat bij de duivelbezwering geschiedt niets uitwerkt, maar alleen als
zinnebeeld bedoeld wordt. Indien een kind vóór het doopsel en na de duivelbezwering
komt te sterven, dan wordt het niet zalig. Welnu, alles wat omtrent de Sacramenten
geschiedt, moest als uitwerksel de zaligheid bewerken. De H. Mattheus zegt immers
in zijn *Evangelie* (16, 16): « Wie gelooft en gedoopt wordt, zal zalig worden. »
Zo werkt dus wat bij de duivelbezwering geschiedt niets uit, maar heeft enkel een
zinnebeeldige betekenis.
Praeterea, hoc solum requiritur ad sacramentum novae legis ut sit signum et causa,
sicut supra dictum est. Si ergo ea quae aguntur in exorcismo aliquid efficiant, videtur
quod singula sint quaedam sacramenta. (IIIa q. 71 a. 3 arg. 2)
2 — De sacramenten der nieuwe wet zijn zoals hierboven gezegd werd (62° Kw. art. 1, par.
2) teken en oorzaak, moest dus wat bij de duivelbezweering gedaan wordt iets uitwerken,
dan zou daaruit volgen dat de duivelbezweering een sacrament is.
Praeterea, sicut exorcismus ordinatur ad Baptismum, ita, si aliquid in exorcismo efficitur,
ordinatur ad effectum Baptismi. Sed dispositio ex necessitate praecedit formam perfectam,
quia forma non recipitur nisi in materia disposita. Sequeretur ergo quod nullus posset
consequi effectum Baptismi nisi prius exorcizatus, quod patet esse falsum. Non ergo
ea quae aguntur in exorcismis aliquem effectum habent. (IIIa q. 71 a. 3 arg. 3)
3 — Zoals de duivelbezwering op het doopsel berekend is, zo is wat bij de duivelbezwering
gedaan wordt op het uitwerksel van het doopsel berekend. Welnu, geschiktheid tot iets
moet de vormelijke volmaaktheid voorafgaan, de vorm kan immers enkel in een geschikte
stof ontvangen worden. — Daaruit zou echter volgen dat niemand, zonder eerst bezworen
geweest te zijn het uitwerksel van het doopsel kan erlangen; dit nu is volkomen vals
en zo heeft dus wat bij de duivelbezwering gedaan wordt geen uitwerksel.
Praeterea, sicut quaedam aguntur in exorcismo ante Baptismum, ita etiam quaedam aguntur
post Baptismum, sicut quod sacerdos baptizatum ungit in vertice. Sed ea quae post
Baptismum aguntur non videntur aliquid efficere, quia secundum hoc, effectus Baptismi
esset imperfectus. Ergo nec ea quae ante Baptismum aguntur in exorcismo. (IIIa q. 71 a. 3 arg. 4)
4 — Zoals sommige handelingen van de duivelbezwering vóór het doopsel plaats grijpen,
zo ook geschieden sommige na het doopsel; zo b. v. balsemt de priester de dopeling
tussen de schouders met chrisma in. Welnu wat na het doopsel geschiedt werkt niets
uit; moest dit immers iets uitwerken dan zou het doopsel onvolmaakt zijn. Zo werkt
dus wat bij de duivelbezwering vóór het doopsel geschiedt evenmin iets uit.
Sed contra est quod Augustinus dicit, in libro de symbolo, parvuli exsufflantur et
exorcizantur, ut pellatur ab eis Diaboli potestas inimica, quae decepit hominem. Nihil
autem agitur frustra per Ecclesiam. Ergo per huiusmodi exsufflationes hoc agitur ut
Daemonum potestas expellatur. (IIIa q. 71 a. 3 s. c.)
Daartegenover staat echter wat St. Augustinus in zijn Boek « Het Symbolum » (1, 1)
zegt: « Over de kinderen worden, om de duivel die de mens bedrogen heeft te verjagen
inblazingen en bezweringen gedaan. » De H. Kerk doet immers niets zonder reden. Zo
wordt dus door die inblazingen de kracht van de duivelen gestuit.
Respondeo dicendum quod quidam dicunt ea quae in exorcismo aguntur nihil efficere,
sed solum significare. Sed hoc patet esse falsum, per hoc quod Ecclesia in exorcismis
imperativis verbis utitur ad expellendum Daemonis potestatem, puta cum dicit, ergo,
maledicte Diabole, exi ab eo, et cetera. Et ideo dicendum est quod aliquem effectum
habent, differenter tamen ab ipso Baptismo. Nam per Baptismum datur homini gratia
ad plenam remissionem culparum. Per ea vero quae in exorcismo aguntur, excluditur
duplex impedimentum gratiae salutaris percipiendae. Quorum unum est impedimentum extrinsecum,
prout Daemones salutem hominis impedire conantur. Et hoc impedimentum excluditur per
exsufflationes, quibus potestas Daemonis repellitur, ut patet ex inducta auctoritate
Augustini, quantum scilicet ad hoc quod non praestet impedimentum sacramento suscipiendo.
Manet tamen potestas Daemonis in homine quantum ad maculam peccati et reatum poenae,
quousque peccatum per Baptismum tollatur. Et secundum hoc Cyprianus dicit, scias Diaboli
nequitiam posse remanere usque ad aquam salutarem, in Baptismo autem omnem nequitiam
amittere. Aliud autem impedimentum est intrinsecum, prout scilicet homo ex infectione
originalis peccati habet sensus praeclusos ad percipienda salutis mysteria. Unde Rabanus,
de institutione clericorum, dicit quod per salivam typicam et sacerdotis tactum sapientia
et virtus divina salutem catechumenis operatur, ut aperiantur eis nares ad recipiendum
odorem notitiae Dei, ut aperiantur aures ad audiendum mandata Dei, ut aperiantur illis
sensus in intimo corde ad respondendum. (IIIa q. 71 a. 3 co.)
Sommigen beweerden dat de duivelbezwering niets kan uitwerken, maar enkel iets voorafbeeldt.
Welnu, zo een opvatting is volkomen verkeerd; de H. Kerk spreekt immers bij de duivelbezweringen
om de duivel te verdrijven op gebiedende wijze; zo b.v. wanneer ze zegt: « Vermaledijde
duivel, ga van hier uit ». — Daarom moet dan ook gezegd worden dat de duivelbezwering
een uitwerking heeft die van hetgeen bij het doopsel geschiedt verschilt; bij het
doopsel krijgt de mens nl. de genade tot vergiffenis van zijn zonden, bij de duivelbezwering
integendeel worden de twee hinderpalen om de heiligmakende ge- nade te ontvangen uit
de weg geruimd. — Het eene beletsel is uiterlijk, dat nl. de duivel de zaligheid van
de mens tracht te verhinderen, en deze hinderpaal wordt zoals uit hetgeen St. Augustinus
gezegd heeft blijkt, door de inblazingen, waardoor de kracht van de duivel gestuit
wordt, weggenomen; hij kan nl. niet meer beletten dat de mens het doopsel zou ontvangen.
Niettemin heeft de duivel een zekere macht over de mens, de mens toch is nog schuldig,
en heeft totdat hij helemaal door het doopsel zal gezuiverd zijn, nog straf voor zijn
zonden uit te boeten, zegt de H. Cyprianus. Daarom dat de kwaadwilligheid van de duivel
tot aan het doopsel kan blijven voortbestaan, doch dat hij bij het doopsel alle kracht
verliest. Het tweede beletsel is een innerlijk beletsel dat door de besmetting van
de erfzonde de wil van de mens van de zaligende mysteriën afzondert. Daarvandaan dat
Rabanus Maurus in zijn « Priestervorming » (1, 27) zegt: « De Wijsheid van God en
zijn goddelijke kracht verlossen de catechumeen door het geheimzinnig speeksel en
door de handenoplegging van de priester; zo gaan zijn neusgaten open en kunnen ze
ruiken, zijn oren gaan open en nemen de geboden Gods waar, zijn innerlijke zintuigen
eindelijk gaan in het binnenste van zijn hart open om het geloof te belijden. »
Ad primum ergo dicendum quod per ea quae aguntur in exorcismo non tollitur culpa,
propter quam homo punitur post mortem, sed solum tolluntur impedimenta recipiendi
remissionem culpae per sacramentum. Unde post mortem exorcismus non valet sine Baptismo.
Praepositinus autem dicit quod pueri exorcizati, si moriantur ante Baptismum, minores
tenebras patientur. Sed hoc non videtur verum, quia tenebrae illae sunt carentia divinae
visionis, quae non recipit magis et minus. (IIIa q. 71 a. 3 ad 1)
1 — De duivelbezwering neemt de schuld waarvoor de mens na de dood gestraft wordt niet
weg, alleen neemt ze de beletselen die de vergiffenis door het sacrament zouden verhinderen
weg, en zo werkt dus na de dood zonder het doopsel de duivelbezwering niets uit. Praepositivus
zegt echter dat kinderen die vóór het doopsel sterven als ze reeds de duivelbezwering
ontvangen hebben, minder duisternis zullen te verduren hebben, maar daarmee zijn wij
het niet eens; die duisternis toch is niets anders dan het verstoken blijven van de
goddelijke beschouwing, waar van minder en meer niet kan sprake zijn.
Ad secundum dicendum quod de ratione sacramenti est quod perficiat principalem effectum,
qui est gratia remittens culpam, vel supplens aliquem hominis defectum. Quod quidem
non fit per ea quae aguntur in exorcismo, sed solum huiusmodi impedimenta tolluntur.
Et ideo non sunt sacramenta, sed sacramentalia quaedam. (IIIa q. 71 a. 3 ad 2)
2 — Tot het wezen van een sacrament behoort genade, die toch het bijzonderste uitwerksel
van een sacrament is, van schuld ontslaat of bij de mens een gebrek komt goed maken,
te verwekken. Dit alles nu geschiedt niet bij de duivelbezwering, deze immers beoogt
enkel de beletselen weg te nemen. Daarom is de duivelbezwering geen sacrament maar
enkel een sacramentaal.
Ad tertium dicendum quod dispositio sufficiens ad suscipiendam gratiam baptismalem
est fides et intentio, vel propria eius qui baptizatur, si sit adultus, vel Ecclesiae,
si sit parvulus. Ea vero quae aguntur in exorcismo, ordinantur ad removendum impedimenta.
Et ideo sine eis potest aliquis consequi effectum Baptismi. Non tamen sunt huiusmodi
praetermittenda, nisi in necessitatis articulo. Et tunc, cessante periculo, debent
suppleri, ut servetur uniformitas in Baptismo. Nec frustra supplentur post Baptismum,
quia, sicut impeditur effectus Baptismi antequam percipiatur, ita potest impediri
postquam fuerit perceptus. (IIIa q. 71 a. 3 ad 3)
3 — De gesteltenis die om de genade van het doopsel te ontvangen vereischt wordt komt
neer op geloof en een goed opzet, ofwel indien de dopeling nog een kind is, bij de
H. Kerk. Welnu wat bij de duivelbezwering geschiedt is er op berekend de beletselen
tot de genade weg te nemen en daarom kan men ook zonder duivelbezwering de uitwerkselen
van het doopsel erlangen. Niettemin mag ze, behalve wanneer er gevaar van sterven
is, niet worden achterwege gelaten. Wanneer dan dit gevaar geweken is moet, om de
toediening van het doopsel overal éénvormig te houden, wat nog ontbrak worden aangevuld.
Na het doopsel aan te vullen is immers niet overbodig; want zoals de uitwerkselen
van het doopsel vooraleer het doopsel te ontvangen, kunnen verhinderd worden zo ook
kunnen die uitwerkselen eens dat men reeds het doopsel ontvangen heeft, belet worden.
Ad quartum dicendum quod eorum quae aguntur post Baptismum circa baptizatum, aliquid
est quod non solum significat, sed efficit, puta inunctio quae fit in vertice, quae
operatur conservationem gratiae baptismalis. Aliquid autem est quod nihil efficit,
sed solum significat, sicut quod datur eis vestis candida, ad significandam novitatem
vitae. (IIIa q. 71 a. 3 ad 4)
4 — Onder de ceremoniën die na het doopsel geschieden zijn er die niet alleen iets verbeelden
maar ook iets uitwerken; zo b.v. bewerkt de instrijking met olie op het hoofd het
behoud van de genade van het doopsel; andere dingen bewerken niets maar verzinnebeelden
enkel iets, zo b.v. wanneer men de dopeling om nieuwheid van leven te verbeelden een
nieuw kleed aantrekt.
Articulus 4. Behoren de catechisering en duivelbezwering door priesters gedaan te worden?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod non sit sacerdotis catechizare et exorcizare
baptizandum. Ad officium enim ministrorum pertinet habere operationem super immundos,
ut Dionysius, V cap. Eccl. Hier., dicit. Sed catechumeni, qui instruuntur in catechismo,
et energumeni, qui purgantur in exorcismo, computantur inter immundos, ut Dionysius
ibidem dicit. Ergo catechizare et exorcizare non pertinet ad officium sacerdotis,
sed potius ministrorum. (IIIa q. 71 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert dat het niet aan priesters voorbehouden is de doopling te onderrichten
en te bezweren. Alles wat omtrent onzuivere personen geschiedt is, zoals Dionysius
in het V° kap. van zijn *Kerkelijke Hierarchie* zegt, het werk van mindere bedienaars.
Welnu de catechumenen die in de catechismus onderricht worden en de bezetenen die
bij de duivelbezwering verlost worden horen, zoals Dionysius op dezelfde plaats zegt,
onder de onzuivere personen. Zo is te catechiseren en te bezweren dus niet het ambt
van de priesters maar wel van mindere bedienaars.
Praeterea, catechumeni instruuntur de fide per sacram Scripturam, quae in Ecclesia
per ministros recitatur, sicut enim per lectores in Ecclesia legitur vetus testamentum,
ita etiam per diacones et subdiacones legitur novum. Et sic ad ministros pertinet
catechizare. Similiter etiam et exorcizare, ut videtur, ad ministros pertinet. Dicit
enim Isidorus, in quadam epistola, ad exorcistam pertinet exorcismos memoriter retinere,
manusque super energumenos et catechumenos in exorcismo imponere. Non ergo pertinet
ad officium sacerdotis catechizare et exorcizare. (IIIa q. 71 a. 4 arg. 2)
2 — De catechumenen worden aan de hand van de H. Schrift die in de Kerk door mindere bedienaars
voorgelezen wordt in geloofszaken onderricht. Zoals immers het Oude Testament door
de lezers wordt voorgelezen, zo wordt het Nieuwe Testament door onderdiakens en diakens
voorgelezen, en daarom komt het aan de bedienaars toe te catechiseren. Wat nu de duivelbezwe-ring
betreft ook deze blijkt aan mindere bedienaars toe te komen; Isidorus zegt immers
in zijn Brief aan Ludefridus: « Aan de bezweerders komt het toe de bezwering uit het
hoofd te kennen en bezetenen en catechumenen gedurende de bezwering de handen op te
leggen. » Zo behoort dus de priester noch te catechiseren noch te bezweren.
Praeterea, catechizare idem est quod docere, et hoc idem est quod perficere. Quod
ad officium episcoporum pertinet, ut dicit Dionysius, V cap. Eccl. Hier. Non ergo
pertinet ad officium sacerdotis. (IIIa q. 71 a. 4 arg. 3)
3 — Te onderrichten is hetzelfde als te catechiseren en komt op een soort van vervolmaking
neer. Dit nu is, zoals Dionysius in zijn Kerkelijke Hierarchie (5) zegt het ambt van
de bisschop. Zo behoort dus de priester niet te catechiseren.
Sed contra est quod Nicolaus Papa dicit, catechismi baptizandorum a sacerdotibus uniuscuiusque
Ecclesiae fieri possunt. Gregorius etiam, super Ezech., dicit, sacerdotes, cum per
exorcismi gratiam manum credentibus imponunt, quid aliud faciunt nisi quod Daemonia
eiiciuntur. (IIIa q. 71 a. 4 s. c.)
Daartegenover staat echter wat Paus Nicolaas in zijn Catechismus (over de wijding,
4e dist.) schrijft: « De priesters van iedere kerk mogen diegenen die moeten gedoopt
worden onderrichten. » En de H. Gregorius zegt in zijn 29e homelie op de Evangelie:
« Wat doen de priesters door de kracht der duivelbezwering wanneer ze aan de gelovigen
de handen opleggen anders dan de duivel te verdrijven? »
Respondeo dicendum quod minister comparatur ad sacerdotem sicut secundarium et instrumentale
agens ad principale, ut indicat ipsum nomen ministri. Agens autem secundarium non
agit sine principali agente in operando. Quanto autem operatio est potior, tanto principale
agens indiget potioribus instrumentis. Potior autem est operatio sacerdotis inquantum
confert ipsum sacramentum, quam in praeparatoriis ad sacramentum. Et ideo supremi
ministri, qui dicuntur diacones, cooperantur sacerdoti in ipsa collatione sacramentorum,
dicit enim Isidorus quod ad diaconum pertinet assistere sacerdotibus et ministrare
in omnibus quae aguntur in sacramentis Christi, in Baptismo scilicet, in chrismate,
patena et calice. Inferiores autem ministri cooperantur sacerdoti in his quae sunt
praeparatoria ad sacramenta, sicut lectores in catechismo, exorcistae in exorcismo. (IIIa q. 71 a. 4 co.)
De mindere bedienaar is voor de priester, zoals de naam zelf van bedienaar aanduidt,
wat een bijkomstige en werktuigelijke bewerkende oorzaak voor de bewerkende hoofd-oorzaak
is. De bijkomstige oorzaak werkt namelijk zonder de hoofd-oorzaak niets uit, maar
werkt samen met de hoofd-oorzaak, en hoe groter werking, zo groter de werktuigelijke
oorzaken of bedienaars. Het werk van de priester nu is het grootste, zelf dient hij
immers de sacramenten toe en bereidt ze niet alleen voor. Daarom behoren de waardigste
bedienaars, zoals de diakens, de priesters bij het toedienen van de sacramenten bij
te staan; de H. Isidorus zegt namelijk op dezelfde plaats dat de diaken de priesters
moet bijstaan en alles wat omtrent de sacramenten moet gedaan worden moet bijbrengen;
zo bijvoorbeeld dient hij bij het doopsel het H. Chrisma, de pateen en de kelk bij
te brengen. De bedienaars van mindere rang daarentegen mogen de priesters enkel bij
de voorbereiding van de toediening van de sacramenten helpen; zo bijvoorbeeld de lezers
als ze catechiseren en de bezweerders als ze bezweren.
Ad primum ergo dicendum quod super immundos ministri habent operationem ministerialem
et quasi instrumentalem, sed sacerdos principalem. (IIIa q. 71 a. 4 ad 1)
1 — Bij die onzuivere personen hebben de mindere bedienaars een werktuigelijke bediening,
de priesters daarentegen het hoofdwerk te verrichten.
Ad secundum dicendum quod lectores et exorcistae habent officium catechizandi et exorcizandi,
non quidem principaliter, sed sicut in his sacerdoti ministrantes. (IIIa q. 71 a. 4 ad 2)
2 — Aan lezers en bezweerders komt het hoewel niet als aan bijzondere bedienaars, maar
als aan mensen die de priesters ter zijde staan, toe te catechiseren en te bezweren.
Ad tertium dicendum quod multiplex est instructio. Una conversiva ad fidem. Quam Dionysius
attribuit episcopo, in II cap. Eccl. Hier., et potest competere cuilibet praedicatori,
vel etiam cuilibet fideli. Secunda est instructio qua quis eruditur de fidei rudimentis,
et qualiter se debeat habere in susceptione sacramentorum. Et haec pertinet secundario
quidem ad ministros, principaliter autem ad sacerdotes. Tertia est instructio de conversatione
Christianae vitae. Et haec pertinet ad patrinos. Quarta est instructio de profundis
mysteriis fidei, et perfectione Christianae vitae. Et haec ex officio pertinet ad
episcopos. (IIIa q. 71 a. 4 ad 3)
3 — Het onderricht van de gelovigen is niet overal hetzelfde; het ene moet de mensen bekeren,
en dit komt volgens Dionysius in zijn *Kerkelijke Hierarchie* (2) aan de bisschoppen
toe en kan door om het even welke priester of om het even welke gelovige verstrekt
worden. Het tweede soort van onderricht waardoor iemand de geloofswaarheden leert
kennen en hoe hij zich bij het ontvangen van de sacramenten te gedragen heeft, komt
in hoofdzaak aan de priesters en op bijkomstige wijze aan mindere bedienaars toe.
Het derde soort van onderricht over het christelijke leven is op de peeters van het
doopsel aangewezen. Het vierde soort van onderricht eindelijk waardoor men de mysteriën
van het geloof en de volmaaktheid van het christelijke leven dieper nagaat is de bisschoppen
weggelegd.