QuaestioArticulus

Tertia Pars. Quaestio 29.
Over de verloving der Moeder Gods .

Prooemium

Deinde considerandum est de desponsatione matris Dei. Et circa hoc quaeruntur duo. Primo, utrum Christus debuerit de desponsata nasci. Secundo, utrum fuerit verum matrimonium inter matrem domini et Ioseph. (IIIa q. 29 pr.)

Vervolgens moeten we spreken over de verloving van de Moeder Gods. Hierover worden twee vragen gesteld: 1. Moest Christus geboren worden uit een maagd, die verloofd was? 2. Was het huwelijk tussen de Moeder des Heren en Joseph een waarachtig huwelijk?

Articulus 1.
Moest Christus geboren worden uit een maagd, die verloofd was?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod Christus non debuerit de virgine desponsata nasci. Desponsatio enim ad carnalem copulam ordinatur. Sed mater domini nunquam voluit carnali viri copula uti, quia hoc derogaret virginitati mentis ipsius. Ergo non debuit esse desponsata. (IIIa q. 29 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus niet moest geboren worden uit een maagd, die verloofd was. De verloving toch heeft tot doel de gemeenschap des vleses. Maar de Moeder des Heren wilde nooit gebruik maken van vleselijke gemeenschap met een man; want dit wil afbreuk doen aan de maagdelijkheid van haar geest. Bijgevolg moest zij niet verloofd zijn.

Praeterea, quod Christus ex virgine nasceretur, miraculum fuit, unde Augustinus dicit, in epistola ad Volusianum, ipsa Dei virtus per inviolata matris virginea viscera membra infantis eduxit, quae per clausa ostia membra iuvenis introduxit. Huius si ratio quaeritur, non erit mirabile, si exemplum poscitur, non erit singulare. Sed miracula, quae fiunt ad confirmationem fidei, debent esse manifesta. Cum igitur per desponsationem hoc miraculum fuerit obumbratum, videtur non fuisse conveniens quod Christus de desponsata nasceretur. (IIIa q. 29 a. 1 arg. 2)

2 — Dat Christus uit een maagd geboren werd, was een wonder; vandaar dan ook schrijft Augustinus in een Brief aan Volusianus (137e Brief): « Gods eigen kracht bracht, door de ongeschonden maagdelijke schoot der moeder heen, het lichaam van het kind te voorschijn, dezelfde kracht, die het lichaam van de jonge man door gesloten deuren heen, binnen deed treden. Vraagt men naar de reden hiervan, dan zal het geen verwondering wekken; vraagt men naar een voorbeeld, dan staat dit niet alleen ». De wonderen nu, die tot bevestiging des geloofs geschieden, moeten duidelijk kenbaar zijn. Daar echter dit wonder door de verloving minder kenbaar werd gemaakt, was het dus, naar men beweert, niet passend, dat Christus geboren werd uit een maagd, die verloofd was.

Praeterea, Ignatius martyr, ut dicit Hieronymus, super Matth., hanc causam assignat desponsationis matris Dei, ut partus eius celaretur Diabolo, dum eum putat non de virgine, sed de uxore generatum. Quae quidem causa nulla esse videtur. Tum quia Diabolus ea quae corporaliter fiunt perspicacitate sensus cognoscit. Tum quia per multa evidentia signa postmodum Daemones aliqualiter Christum cognoverunt, unde dicitur Marc. I, quod homo in spiritu immundo exclamavit, dicens, quid nobis et tibi, Iesu Nazarene? Venisti perdere nos? Scio quia sis sanctus Dei. Non ergo videtur conveniens fuisse quod mater Dei fuisset desponsata. (IIIa q. 29 a. 1 arg. 3)

3 — Zoals Hieronymus schrijft in zijn Uitleg op Mattheus (1e B., op Mattheus, 1, 18), geeft de Martelaar Ignatius als reden van Maria's verloving aan, « opdat Christus' geboorte aan de duivel onbekend zou blijven, terwijl hij meent, dat deze mens niet uit een maagd, doch uit een getrouwde vrouw geboren werd ». Doch, zo beweert men, dit is geen reden. Niet slechts, wijl de duivel krachtens zijn scherpzinnigheid toch alles weet, wat er op stoffelijk gebied gebeurt. Maar ook wijl de duivelen de Christus door de vele klaarblijkelijke tekenen later toch erkenden, zoals blijkt uit Marcus (1, 23, 24): « dat een man met een onreine geest uitriep: « Wat hebt Gij met ons te maken, Jezus van Nazareth? Zijt Gij gekomen, om ons te verderven? Ik weet, wie Gij zijt: de Heilige Gods ». Bijgevolg, zo beweert men, is het niet passend, dat de Moeder Gods zich verloofde.

Praeterea, aliam rationem assignat Hieronymus, ne lapidaretur mater Dei a Iudaeis sicut adultera. Haec autem ratio nulla esse videtur, si enim non esset desponsata, non posset de adulterio condemnari. Et ita non videtur rationabile fuisse quod Christus de desponsata nasceretur. (IIIa q. 29 a. 1 arg. 4)

4 — Een andere reden geeft Hieronymus aan (t. a. p.), nl. « opdat de Moeder van God door de Joden niet als een overspelige vrouw zou worden gestenigd ». Maar ook deze reden bewijst niets; want, zo zij niet verloofd was, kon zij ook niet om overspel veroordeeld worden. Bijgevolg, zo beweert men, was het niet redelijk, dat Christus geboren werd uit een maagd, die verloofd was.

Sed contra est quod dicitur Matth. I, cum esset desponsata mater eius Maria Ioseph; et Luc. I, missus est Gabriel Angelus ad Mariam, virginem desponsatam viro cui nomen erat Ioseph. (IIIa q. 29 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter hetgeen we lezen bij Mattheus (1, 18): « Toen Maria, zijn moeder, verloofd was met Joseph », en bij Lucas (1, 26, 27): « De engel Gabriël werd door God gezonden tot een maagd, die verloofd was aan een man, die Joseph heette ».

Respondeo dicendum quod conveniens fuit Christum de desponsata virgine nasci, tum propter ipsum; tum propter matrem; tum etiam propter nos. Propter ipsum quidem Christum, quadruplici ratione. Primo quidem, ne ab infidelibus tamquam illegitime natus abiiceretur. Unde Ambrosius dicit, super Luc., quid Iudaeis, quid Herodi posset adscribi, si natum viderentur ex adulterio persecuti? Secundo, ut consueto modo eius genealogia per virum describeretur. Unde dicit Ambrosius, super Luc., qui in saeculum venit, saeculi debuit more describi. Viri autem persona quaeritur, qui in senatu et reliquis curiis civitatum generis asserit dignitatem. Consuetudo etiam nos instruit Scripturarum, quae semper viri originem quaerit. Tertio, ad tutelam pueri nati, ne Diabolus contra eum vehementius nocumenta procurasset. Et ideo Ignatius dicit ipsam fuisse desponsatam ut partus eius Diabolo celaretur. Quarto, ut a Ioseph nutriretur. Unde et pater eius dictus est, quasi nutritius. Fuit etiam conveniens ex parte virginis. Primo quidem, quia per hoc redditur immunis a poena, ne scilicet lapidaretur a Iudaeis tanquam adultera, ut Hieronymus dicit. Secundo, ut per hoc ab infamia liberaretur. Unde dicit Ambrosius super Luc., quod desponsata est ne temeratae virginitatis adureretur infamia, cui gravis alvus corruptelae videretur insigne praeferre. Tertio, ut ei a Ioseph ministerium exhiberetur, ut Hieronymus dicit. Ex parte etiam nostra hoc fuit conveniens. Primo quidem, quia testimonio Ioseph comprobatum est Christum ex virgine natum. Unde Ambrosius dicit, super Luc., locupletior testis pudoris maritus adhibetur, qui posset et dolere iniuriam et vindicare opprobrium si non agnosceret sacramentum. Secundo, quia ipsa verba virginis magis credibilia redduntur, suam virginitatem asserentis. Unde Ambrosius dicit, super Luc., fides Mariae verbis magis asseritur, et mendacii causa removetur. Videtur enim culpam obumbrare voluisse mendacio innupta praegnans, causam autem mentiendi desponsata non habuit, cum coniugii praemium et gratia nuptiarum partus sit feminarum. Quae quidem duo pertinent ad firmitatem fidei nostrae. Tertio, ut tolleretur excusatio virginibus quae, propter incautelam suam, non vitant infamiam. Unde Ambrosius dicit, non decuit virginibus sinistra opinione viventibus velamen excusationis relinqui, quod infamia mater quoque domini ureretur. Quarto, quia per hoc significatur universa Ecclesia, quae, cum virgo sit, desponsata tamen est uni viro Christo, ut Augustinus dicit, in libro de sancta virginitate. Potest etiam quinta ratio esse quia, quod mater domini fuit desponsata et virgo, in persona ipsius et virginitas et matrimonium honoratur, contra haereticos alteri horum detrahentes. (IIIa q. 29 a. 1 co.)

Dat Christus geboren werd uit een maagd, die verloofd was, was passend, zowel om Hemzelf, als om zijn moeder en tevens om ons. Om Christus zelf, krachtens een viervoudige reden. 1° namelijk, opdat Hij door de ongelovigen niet als een onwettig geborene zou worden afgewezen. Daarom dan ook schrijft Ambrosius in zijn Uitleg op Lucas (2° B., op Lucas, 1, 26, 27): « Wat zou men de Joden, of wat zou men Herodes kunnen verwijten, indien zij iemand schenen te achtervolgen, die uit overspel geboren was? » — 2°, opdat zijn stamboom, overeenkomstig de gebruikelijke wijze, naar de mannelijke tak kon worden beschreven. Vandaar dan ook schrijft Ambrosius in zijn Uitleg op Lucas (3° B., op Lucas, 3, 23): « Hij, die in de wereld kwam, moest ook worden ingeschreven op de wijze, die in de wereld gebruikelijk is. Daar nu vraagt men naar de persoon van de man, want hij vertegenwoordigt, zowel in de senaat als in de overige vergaderplaatsen der gemeenten, de waardigheid van het menselijk geslacht. Ook de gewoonte der H. Schrift leert ons dit; steeds vraagt zij naar de afkomst van de man ». — 3°, ter bescherming van het geboren kind, opdat de duivel niet nog heftiger zou trachten het kind moeilijkheden te bezorgen. En daarom schrijft Ignatius, dat zij verloofd was, opdat zijn geboorte aan de duivel onbekend zou blijven. — 4°, opdat Hij door Joseph zou worden opgevoed. Daarom dan ook wordt hij zijn vader genoemd (Lucas, 2, 33, 48), als het ware zijn voedster-vader. Tevens was dit passend van de kant der H. Maagd. En wel 1°, wijl zij daardoor aan straf ontkwam, namelijk « opdat zij door de joden niet als een overspelige vrouw zou worden gestenigd », gelijk Hieronymus opmerkt (Vgl. de 4° Bedenking). — 2°, opdat zij geen slechte naam zou krijgen. Daarom dan ook schrijft Ambrosius in zijn Uitleg op Lucas (2° .B, op Lucas, 1, 26, 27), « dat zij verloofd was, opdat zij, wier zwangere schoot het opvallende, teken van geschondenheid scheen te verkondigen, niet zou worden gebrandmerkt met de slechte naam van ontwijde maagd. — 3°, opdat Joseph haar behulpzaam zou kunnen wezen, gelijk Hieronymus zegt (t. a. p.). Ook om onzentwil was dit passend. — 1°, namelijk omdat het getuigenis van Joseph nog eens afzonderlijk bewijst, dat Christus geboren werd uit een maagd. Vandaar, dat Ambrosius schrijft in zijn Uitleg op Lucas (t. a. p.): « Als een sterker sprekend getuige voor haar zuiverheid treedt de echtgenoot op, die zowel het hem aangedane onrecht kon betreuren als zijn schande kon wreken, zo zij de huwelijkstrouw verbroken had ». — 2°, omdat de woorden der H. Maagd, waar zijzelf haar maagdelijkheid betuigt, geloofwaardiger worden. Zo dan ook schrijft Ambrosius in zijn Uitleg op Lucas (t. a. p.): « Maria's trouw wordt door die woorden des te meer bevestigd en de gedachte aan leugen uitgesloten. Want een zwangere, ongetrouwde vrouw zou, naar het schijnt, haar schuldigheid door een leugen hebben willen verbloemen; maar een getrouwde vrouw heeft geen reden, er om te liegen, daar de bevalling der vrouw de bekroning is van het huwelijksleven en het gunstbetoon der bruiloft ». Deze beide redenen nu strekken tot versterking van ons geloof. — 3°, om de maagden, die door haar onvoorzichtigheid niet voorkomen, dat zij een slechte naam krijgen, geen verontschuldiging in de hand te geven. Ambrosius zegt dan ook (t. a. p.): « Het paste niet, dat aan maagden, wier leven ongunstige vermoedens doen ontstaan, nog een schijn van verontschuldiging overbleef, daar toch ook de Moeder des Heren met een slechte naam gebrandmerkt werd ». — 4°, omdat hierdoor de gehele Kerk betekend werd, die, « hoewel zij maagd is, toch verloofd is aan één man : Christus », zoals Augustinus schrijft in zijn werk Over de Heilige Maagdelijkheid (12° H.). — Als vijfde reden kan gelden, dat, daar de H. Maagd, de Moeder des Heren niet alleen maagd maar tevens verloofd was, in haar persoon zowel de maagdelijkheid als het huwelijk geëerbiedigd wordt; dit tegen de ketters, die een van beide trachten neer te halen.

Ad primum ergo dicendum quod beata virgo mater Dei ex familiari instinctu spiritus sancti credenda est desponsari voluisse, confidens de divino auxilio quod nunquam ad carnalem copulam perveniret, hoc tamen divino commisit arbitrio. Unde nullum passa est virginitatis detrimentum. (IIIa q. 29 a. 1 ad 1)

1 — Men moet aannemen, dat de H. Maagd en Moeder Gods zich, krachtens een bijzondere ingeving des H. Geestes, heeft willen verloven, vertrouwend op Gods hulp, dat het nooit tot lichamelijke gemeenschap zou komen; dit echter liet zij aan Gods Raadsbesluit over. Aan haar maagdelijkheid werd dus niet de minste afbreuk gedaan.

Ad secundum dicendum quod, sicut Ambrosius dicit, super Luc., maluit dominus aliquos de suo ortu quam de matris pudore dubitare. Sciebat enim teneram esse virginis verecundiam, et lubricam famam pudoris, nec putavit ortus sui fidem matris iniuriis adstruendam. Sciendum tamen quod miraculorum Dei quaedam sunt de quibus est fides, sicut miraculum virginei partus, et resurrectionis domini, et etiam sacramenti altaris. Et ideo dominus voluit ista occultiora esse, ut fides eorum magis meritoria esset. Quaedam vero miracula sunt ad fidei comprobationem. Et ista debent esse manifesta. (IIIa q. 29 a. 1 ad 2)

2 — Gelijk Ambrosius in zijn Uitleg op Lucas (2° B., op Lucas, 1, 26, 27) schrijft, « had de Heer liever, dat sommigen aan Zijn voorthomst zouden twijfelen dan aan de zuiverheid Zijner moeder. Want Hij wist, dat de achting voor een maagd iets teeders is, en dat de goede naam harer zuiverheid snel kan verdwijnen; Hij meende het geloof aan Zijn voorthomst dan ook niet te moeten laten steunen op onrecht jegens Zijn moeder ». Toch moet men bedenken, dat sommige van Gods wonderen juist een geloofspunt zijn: zoals het wonder der maagdelijke geboorte, of het wonder van 's Heren Verrijzenis en ook het wonder van het H. Sacrament des Altaars. En juist daarom wilde de Heer, dat deze wonderen minder zichtbaar zouden zijn, opdat het geloof daaraan verdienstelijker zou zijn. — Andere wonderen echter dienen tot bevestiging des geloofs. En deze moeten duidelijk kenbaar zijn.

Ad tertium dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in III de Trin., Diabolus multa potest virtute suae naturae, a quibus tamen prohibetur virtute divina. Et hoc modo potest dici quod virtute suae naturae Diabolus cognoscere poterat matrem Dei non fuisse corruptam, sed virginem, prohibebatur tamen a Deo cognoscere modum partus divini. Quod autem postmodum eum aliqualiter cognovit Diabolus esse filium Dei, non obstat, quia iam tempus erat ut Christus suam virtutem contra Diabolum ostenderet, et persecutionem ab eo concitatam pateretur. Sed in infantia oportebat impediri malitiam Diaboli, ne eum acrius persequeretur, quando Christus nec pati disposuerat, nec virtutem suam ostendere, sed in omnibus aliis infantibus se similem exhibebat. Unde Leo Papa, in sermone de Epiphania, dicit quod magi invenerunt puerum Iesum quantitate parvum, alienae opis indigentem, fandi impotentem, et in nullo ab humanae infantiae generalitate discretum. Ambrosius tamen, super Luc., videtur magis referre ad membra Diaboli. Praemissa enim hac ratione, scilicet de fallendo principem mundi, subdit, sed tamen magis fefellit principes saeculi. Daemonum enim malitia facile etiam occulta deprehendit, at vero qui saecularibus vanitatibus occupantur, scire divina non possunt. (IIIa q. 29 a. 1 ad 3)

3 — Zoals Augustinus in zijn werk Over de Drievuldigheid (3° B., 9° H.) leert, vermag de duivel vele dingen, waarin hij echter door Gods kracht wordt belet. En aldus kan men zeggen, dat de duivel door zijn natuurlijke kracht kon weten, dat de Moeder Gods niet geschonden was, doch een maagd; God verhinderde echter dat hij de wijze der Goddelijke geboorte kende. Dat echter de duivel later wel enigszins wist, dat Hij de Zoon Gods was, is geen bezwaar; omdat toen de tijd reeds was aangebroken, dat Christus zijn kracht tegen de duivel zou tonen, en waarop Hij de door Hem uitgelokte vervolging zou ondergaan. Maar in zijn kindsheid moest de kwaadwilligheid des duivels worden belet, opdat hij het Kind niet nog heftiger zou vervolgen, daar Christus beschikte toen nog niet te lijden, noch zijn macht te tonen, maar in alles toonde Hij zich gelijk aan de overige kinderen. Daarom dan ook zegt Paus Leo in zijn toespraak op het feest van 's Heren Verschijning: « de Wijzen vonden het Kind Jezus: klein van gestalte, de hulp behoevend van een vrouw, niet kunnende spreken, en in niets onderscheiden van alle andere mensenkinderen ». Ambrosius echter laat in zijn Uitleg op Lucas (t. a. p.) deze woorden, naar het schijnt, meer slaan op de ledematen des duivels. Want na deze reden, (nl. over het bedriegen van de vorst der wereld) te hebben laten voorafgaan, laat hij volgen: « Méér echter bedroog hij de vorsten dezer wereld. De sluwheid toch der duivels ontdekt gemakkelijk hetgeen verborgen is; maar zij, die zich bezig houden met wereldsche ijdelheden, kunnen het Goddelijke niet weten ».

Ad quartum dicendum quod iudicio adulterorum lapidabatur secundum legem non solum illa quae iam erat desponsata vel nupta, sed etiam illa quae in domo patris custodiebatur ut virgo quandoque nuptura. Unde dicitur Deut. XXII, si non est in puella inventa virginitas, lapidibus obruent eam viri civitatis illius, et morietur, quia fecit nefas in Israel, ut fornicaretur in domo patris sui. Vel potest dici, secundum quosdam, quod beata virgo erat de stirpe sive parentela Aaron, unde erat cognata Elisabeth, ut dicitur Luc. I. Virgo autem de genere sacerdotali propter stuprum occidebatur, legitur enim Levit. XXI, sacerdotis filia si deprehensa fuerit in stupro, et violaverit nomen patris sui, flammis exuretur. Quidam referunt verbum Hieronymi ad lapidationem infamiae. (IIIa q. 29 a. 1 ad 4)

4 — Krachtens het vonnis tegen de overspeligen werd volgens de Wet niet alleen zij gestenigd, die reeds verloofd of gehuwd was, maar ook zij, die in het huis haar vaders verbleef als een maagd, die ooit zou trouwen. Vandaar het voorschrift in het Boek Deuteronomium (22, 20, 21): « wanneer bij een meisje de maagdelijkheid niet wordt bevonden, dan zullen de mannen dier stad haar stenigen, en zij zal sterven, omdat zij een schanddaad heeft begaan in Israël door ontucht te plegen in het huis haar vaders ». Ofwel, volgens anderen kan men antwoorden, dat de H. Maagd van het geslacht of van de verwantschap van Aaron was; vandaar, dat zij een bloedverwante van Elisabeth was, blijkens Lucas (1, 36). Een maagd nu van de priesterlijke stam werd om gepleegde ontucht gedood; wij lezen immers in het Boek Leviticus (21, 9): « Indien de dochter eens priesters op ontucht wordt betrapt en de naam haar vaders onteerd heeft, zal zij in de vlammen worden verbrand ». Sommigen vatten Hieronymus' woorden op, alsof de slechte naam, die zij gekregen zou hebben, een steniging zou zijn geweest.

Articulus 2.
Was het huwelijk tussen Maria en Joseph een waarachtig huwelijk?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod inter Mariam et Ioseph non fuerit verum matrimonium. Dicit enim Hieronymus, contra Helvidium, quod Ioseph Mariae custos fuit, potius quam maritus eius. Sed si fuisset verum matrimonium, vere Ioseph maritus eius fuisset. Ergo videtur quod non fuerit verum matrimonium inter Mariam et Ioseph. (IIIa q. 29 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het huwelijk tussen Maria en Joseph geen echt huwelijk was. Want Hieronymus schrijft in zijn werk *Tegen Helvidius* (N° 4), « dat Joseph méér de beschermer van Maria dan haar echtgenoot was ». Maar, zo het een waar huwelijk was geweest, dan was Joseph ook werkelijk haar echtgenoot. Derhalve, zo beweert men, was het huwelijk tussen Joseph en Maria geen waar huwelijk.

Praeterea, super illud Matth. I, Iacob genuit Ioseph virum Mariae, dicit Hieronymus, cum virum audieris, suspicio tibi non subeat nuptiarum, sed recordare consuetudinis Scripturarum, quod sponsi viri et sponsae vocantur uxores. Sed verum matrimonium non efficitur ex sponsalibus, sed ex nuptiis. Ergo non fuit verum matrimonium inter beatam virginem et Ioseph. (IIIa q. 29 a. 2 arg. 2)

2 — In zijn Uitleg op de woorden van *Mattheus* (1, 16): « Jacob won Joseph, de man van Maria », schrijft Hieronymus: « Wanneer gij hier van « man » hoort spreken, denk dan niet aan een bruiloftsviering; maar herinner u de gewoonte der H. Schrift, die de bruidegom « haar man » en de bruid diens « vrouw » noemt ». Een waar huwelijk nu ontstaat niet krachtens de ondertrouw of trouwbeloften, maar krachtens de bruiloftsviering. Bijgevolg was het huwelijk tussen Maria en Joseph geen echt huwelijk.

Praeterea, Matth. I dicitur, Ioseph, vir eius, cum esset iustus, et nollet eam traducere, idest, in domum suam ad cohabitationem assiduam, voluit eam occulte dimittere, idest, tempus nuptiarum mutare, ut Remigius exponit. Ergo videtur quod, nondum nuptiis celebratis, nondum esset verum matrimonium, praesertim cum, post matrimonium contractum, non liceat alicui sponsam dimittere. (IIIa q. 29 a. 2 arg. 3)

3 — In Mattheus (1, 19) staat: « Daar Joseph, haar man, een rechtvaardige was, en haar niet wilde overbrengen » d. w. z. « naar zijn eigen huis ter blijvende samenwoning, wilde hij haar in stilte wegzenden », d. w. z. de datum der huwelijksviering verzetten, gelijk Remigius uitlegt. Bijgevolg, zo beweert men, daar de bruiloft nog niet gevierd was, bestond er nog geen waar huwelijk; temeer, wijl niemand de bruid mag wegzenden nadat het huwelijk gesloten is.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in II de consensu Evangelist., non est fas ut Ioseph ob hoc a coniugio Mariae separandum Evangelista putaret (cum dixit Ioseph virum Mariae), quod non ex eius concubitu, sed virgo peperit Christum. Hoc enim exemplo manifeste insinuatur fidelibus coniugatis, etiam servata pari consensu continentia, posse permanere vocarique coniugium, non permixto corporis sexu. (IIIa q. 29 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus schrijft in zijn werk Over de Overeenstemming der Evangelisten (2° B., 1° H.): « Het kwam niet te pas, dat de Evangelist in de mening zou verkeren, dat Joseph hierom van Maria had moeten scheiden (hij noemde immers Joseph de man van Maria; vgl. Matth., 1, 16), omdat zij als maagd de Christus had gebaard en niet krachtens gemeenschap met hem. Door dit voorbeeld toch wordt aan de gelovigen, die getrouwd zijn, duidelijk te verstaan gegeven, dat, ook al leven zij met wederzijdse toestemming in onthouding, dit toch een huwelijk kan blijven en een huwelijk kan worden genoemd, zonder dat er huwelijksgemeenschap plaats heeft ».

Respondeo dicendum quod matrimonium sive coniugium dicitur verum ex hoc quod suam perfectionem attingit. Duplex est autem rei perfectio, prima et secunda. Prima quidem perfectio in ipsa forma rei consistit, ex qua speciem sortitur, secunda vero perfectio consistit in operatione rei, per quam res aliqualiter suum finem attingit. Forma autem matrimonii consistit in quadam indivisibili coniunctione animorum, per quam unus coniugum indivisibiliter alteri fidem servare tenetur. Finis autem matrimonii est proles generanda et educanda, ad quorum primum pervenitur per concubitum coniugalem; ad secundum, per alia opera viri et uxoris, quibus sibi invicem obsequuntur ad prolem nutriendam. Sic igitur dicendum est quod, quantum ad primam perfectionem, omnino verum fuit matrimonium virginis matris Dei et Ioseph, quia uterque consensit in copulam coniugalem; non autem expresse in copulam carnalem, nisi sub conditione, si Deo placeret. Unde et Angelus vocat Mariam coniugem Ioseph, dicens ad Ioseph, Matth. I, noli timere accipere Mariam coniugem tuam. Quod exponens Augustinus, in libro de nuptiis et concupiscentia, dicit, coniux vocatur ex prima desponsationis fide, quam concubitu nec cognoverat, nec fuerat cogniturus. Quantum vero ad secundam perfectionem, quae est per actum matrimonii, si hoc referatur ad carnalem concubitum, per quem proles generatur, non fuit illud matrimonium consummatum. Unde Ambrosius dicit, super Luc., non te moveat quod Mariam Scriptura coniugem vocat. Non enim virginitatis ereptio, sed coniugii testificatio nuptiarum celebratio declaratur. Habuit tamen illud matrimonium etiam secundam perfectionem quantum ad prolis educationem. Unde Augustinus dicit, in libro de nuptiis et concupiscentia, omne nuptiarum bonum impletum est in illis parentibus Christi, proles, fides et sacramentum. Prolem cognoscimus ipsum dominum Iesum; fidem, quia nullum adulterium; sacramentum, quia nullum divortium. Solus ibi nuptialis concubitus non fuit. (IIIa q. 29 a. 2 co.)

Een huwelijk of echtgenootschap wordt een waar huwelijk genoemd krachtens het bereiken van zijn volmaaktheid. De volmaaktheid nu van iets is tweevoudig: de eerste en de tweede volmaaktheid. De eerste volmaaktheid, namelijk, bestaat in het eigen formeel beginsel, krachtens hetwelk iets tot dit of dat soort behoort; de tweede volmaaktheid echter bestaat in de werking van dit ding waardoor het op een bepaalde manier zijn doel bereikt. Het formeel beginsel nu van het huwelijk bestaat in het aan elkaar verbinden der zielen, waardoor de ene der echtgenoten gehouden is, onverdeeld trouw te blijven aan de andere. Het doel echter van het huwelijk is: het voortbrengen en opvoeden van kinderen; het eerste doel (het voortbrengen) wordt bereikt door de geslachtelijke gemeenschap; het tweede (de opvoeding) door andere daden van man en vrouw, waardoor zij elkaar bijstaan ter opvoeding van het kind. Daaruit volgt dus, dat het huwelijk van de H. Maagd, de Moeder Gods, en Joseph, voor wat de eerste volmaaktheid betreft, ten volle een waar huwelijk was, daar beiden toestemden in de echtelijke gemeenschap, niet uitdrukkelijk echter in de vleselijke gemeenschap, tenzij dan voorwaardelijk: zo het God behaagt. Daarom dan ook wordt Maria door de engel « vrouw van Joseph » genoemd, toen hij tot Joseph zeide (Mattheus, 1, 20): « Vrees niet, Maria uw vrouw tot u te nemen ». Hetgeen Augustinus in zijn werk Over het Huwelijk en de Begeerlijkheid (1° B., 11° H.) aldus uitlegt : « Zij wordt zijn vrouw genoemd op grond van de trouw, die zij het eerst bij de verloving had beloofd; toch had hij haar niet bekend, en evenmin zou hij haar bekennen ». Wat echter de tweede volmaaktheid betreft, die door de huwelijksdaad tot stand wordt gebracht (indien men hieronder de vleselijke gemeenschap verstaat, waardoor het kind wordt voortgebracht) dan was dit huwelijk onder dit opzicht niet voltooid. Vandaar dan ook schrijft Ambrosius in zijn Uitleg op Lucas (2° B., op Lucas, 1, 27) : « Het ontstelle u niet, dat de H. Schrift Maria zijn vrouw noemt. Want niet het verlies der maagdelijkheid wordt hiermede aangegeven, maar de betuiging van hun gehuwd-zijn, de bruiloftsviering ». — Toch bezat dit huwelijk de tweede volmaaktheid wel, voor zover het de opvoeding van het kind betreft. Daarom dan ook schrijft Augustinus in zijn werk Over het Huwelijk en de Begeerlijkheid (1° B., 11° en 12° H.) : « Al wat het huwelijk goed (mooi) maakt, vindt men in deze Ouders van Christus: nakomelingschap, trouw en het teken-zijn. De nakomelingschap kennen we : de Heer Jezus zelf; trouw, want geen sprake van overspel; het teken-zijn, want geen sprake van echtscheiding. De vleselijke gemeenschap alleen was er niet ».

Ad primum ergo dicendum quod Hieronymus accipit ibi maritum ab actu matrimonii consummati. (IIIa q. 29 a. 2 ad 1)

1 — Hieronymus verstaat daar onder echtgenoot dengene, die de huwelijksdaad stelde, waardoor het huwelijk voltooid wordt.

Ad secundum dicendum quod nuptias Hieronymus vocat nuptialem concubitum. (IIIa q. 29 a. 2 ad 2)

2 — Onder bruilofsviering verstaat Hieronymus hier de geslachtelijke gemeenschap.

Ad tertium dicendum quod, sicut Chrysostomus dicit, super Matth., beata virgo sic fuit desponsata Ioseph quod etiam esset domi habita. Nam sicut in ea quae in domo viri concipit, intelligitur conceptio maritalis, sic in ea quae extra domum concipit, est suspecta coniunctio. Et ita non esset sufficienter provisum famae beatae virginis per hoc quod fuit desponsata, nisi etiam fuisset domi habita. Unde quod dicit, et nollet eam traducere, melius intelligitur, idest, nollet eam diffamare in publicum, quam quod intelligatur de traductione in domum. Unde et Evangelista subdit quod voluit occulte dimittere eam. Quamvis tamen esset domi habita propter primam desponsationis fidem, nondum tamen intervenerat solemnis celebratio nuptiarum, propter quod etiam nondum carnaliter convenerant. Unde, sicut Chrysostomus dicit, non dicit Evangelista, antequam duceretur in domum sponsi, etenim intus erat in domo. Consuetudo enim erat veteribus multoties in domo desponsatas habere. Et ideo etiam Angelus dicit Ioseph, ne timeas accipere Mariam coniugem tuam, idest, ne timeas nuptias eius solemniter celebrare. Licet alii dicant quod nondum erat in domum introducta, sed solum desponsata. Primum tamen magis consonat Evangelio. (IIIa q. 29 a. 2 ad 3)

3 — Zoals Chrysostomus in zijn 1e Homelie op Mattheus schrijft, was de H. Maagd op zulk een wijze met Joseph verloofd, dat zij tevens bij hem inwoonde. « Want, zoals men bij een vrouw, die in het huis van haar man ontvangen heeft, aan een echtelijke ontvangenis denkt, zo is omgekeerd bij een vrouw, die buiten het huis van haar man verblijvend, ontvangen heeft, die zwangerschap verdacht ». Daaruit volgt, dat er niet voldoende gezorgd zou zijn geweest voor de goede naam der H. Maagd, indien zij wel verloofd was, doch niet tevens bij hem inwoonde. Men doet derhalve beter het woord « traducere », hetwelk zoowel overbrengen als overleveren kan betekenen, te verstaan als: hij wilde haar niet aan de openbare schande overleveren, dan dat men deze woorden opvat als een overbrengen naar zijn eigen huis. Vandaar ook, dat de Evangelist er aan toevoegt, dat hij haar in stilte wilde wegzenden. Hoewel zij echter bij hem inwoonde, omreden van de bij de verloving beloofde trouw, toch had de plechtige huwelijksviering nog niet plaats gehad; daarom ook hadden zij nog geen vleselijke gemeenschap gehad. Vandaar, dat, gelijk Chrysostomus in zijn 4e Homelie op Mattheus opmerkt, « de Evangelist niet zegt: « voordat zij in het huis van de bruidegom werd binnengeleid », want zij was reeds in huis. Bij de Ouden toch heerste de gewoonte, de verloofde bruiden vaak in huis te hebben. En daarom zegt de engel tot Joseph: Vrees niet, Maria uw vrouw tot u te nemen, m. a. w. Vrees niet, het huwelijk met haar plechtig te gaan vieren. — Toch houden sommigen, dat zij nog niet in zijn huis was binnengeleid, maar dat zij uitsluitend verloofd was. De eerste uitleg echter stemt meer overeen met het Evangelie.