QuaestioArticulus

Tertia Pars. Quaestio 10.
Over de zalige wetenschap van Christus’ ziel .

Prooemium

Deinde considerandum est de qualibet praedictarum scientiarum. Sed quia de scientia divina dictum est in prima parte, restat nunc videre de aliis, primo, de scientia beata; secundo, de scientia indita; tertio, de scientia acquisita. Sed quia de scientia beata, quae in Dei visione consistit, plura dicta sunt in prima parte, ideo hic sola illa videntur dicenda quae pertinent ad animam Christi. Circa hoc quaeruntur quatuor. Primo, utrum anima Christi comprehenderit verbum, sive divinam essentiam. Secundo, utrum cognoverit omnia in verbo. Tertio, utrum anima Christi in verbo cognoverit infinita. Quarto, utrum videat verbum, vel divinam essentiam, clarius qualibet alia creatura. (IIIa q. 10 pr.)

*(Vier Artikels.)* Vervolgens moeten wij over iedere van genoemde wetenschappen afzonderlijk spreken. Maar omdat in het eerste deel reeds over de goddelijke wetenschap gesproken is, blijven nu de anderen nog te beschouwen; ten eerste de zalige wetenschap, ten tweede de ingestorte, ten derde de aangeleerde. Maar omdat in het eerste deel reeds verschillende punten van de zalige wetenschap, die in het aanschouwen van God bestaat, behandeld zijn, moeten hier alleen die punten onderzocht worden, die betrekking hebben op Christus’ ziel. Hierover stellen wij ons vier vragen: 1. Doorgrondde Christus’ ziel het Woord of het Goddelijk Wezen? 2. Kende zij alles in het Woord? 3. Kende Christus’ ziel in het Woord het oneindige? 4. Kende zij het Woord of het Goddelijk Wezen duidelijker dan enig ander schepsel?

Articulus 1.
Doorgrondde en doorgrondt Christus’ ziel het Woord of het Goddelijk Wezen?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod anima Christi comprehenderit et comprehendat verbum, sive divinam essentiam. Dicit enim Isidorus quod Trinitas sibi soli nota est, et homini assumpto. Igitur homo assumptus communicat cum sancta Trinitate in illa notitia sui quae est sanctae Trinitatis propria. Huiusmodi autem est notitia comprehensionis. Ergo anima Christi comprehendit divinam essentiam. (IIIa q. 10 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus ziel het Woord of het Goddelijk Wezen doorgrondde en doorgrondt. Want Isidorus zegt, dat « de Drievuldigheid aan zichzelf bekend is en aan de aangenomen mens ». Dus heeft de aangenomen mens te samen met de Drievuldigheid die kennis, die aan de Heilige Drievuldigheid eigen is. En dit is een doorgrondende kennis. Dus doorgrondde Christus’ ziel het Goddelijk Wezen.

Praeterea, magis est uniri Deo secundum esse personale quam secundum visionem. Sed, sicut Damascenus dicit, in III libro, tota divinitas, in una personarum, est unita humanae naturae in Christo. Multo igitur magis tota natura divina videtur ab anima Christi. Et ita videtur quod anima Christi comprehendat divinam essentiam. (IIIa q. 10 a. 1 arg. 2)

2 — Het is meer met God in het persoonlijk zijn verenigd te worden dan door Hem te aanschouwen. Maar nu zegt Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 6e H.) : « De gehele godheid is in een der personen verenigd met de menselijke natuur ». Des te meer wordt dus de gehele goddelijke natuur door Christus’ ziel aanschouwd. En zo schijnt Christus’ ziel het goddelijk wezen te doorgronden.

Praeterea, illud quod convenit filio Dei per naturam, convenit filio hominis per gratiam, ut Augustinus dicit, in libro de Trinitate. Sed comprehendere divinam essentiam competit filio Dei per naturam. Ergo filio hominis competit per gratiam. Et ita videtur quod anima Christi per gratiam verbum comprehendat. (IIIa q. 10 a. 1 arg. 3)

3 — « Wat aan Gods Zoon van nature toekomt, komt de mensenzoon door genade toe », zoals Augustinus zegt in het boek Over de Drievuldigheid (1e B., 13e H.). Nu komt het Gods Zoon van nature toe het goddelijk wezen te doorgronden. Dus komt dat de mensenzoon door genade toe. En zo schijnt Christus’ ziel door de genade het Woord te doorgronden.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in libro octogintatrium quaest., quod se comprehendit, finitum est sibi. Sed essentia divina non est finita in comparatione ad animam Christi, cum in infinitum eam excedat. Ergo anima Christi non comprehendit verbum. (IIIa q. 10 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt in het boek Over de 83 Vraagstukken (15e Vr.) : « Wat zichzelf doorgrondt, is voor zichzelf begrensd ». Maar het goddelijk wezen is vergeleken met Christus’ ziel niet begrensd, omdat zij haar in het oneindige te boven gaat. Dus doorgrondt Christus’ ziel het Woord niet.

Respondeo dicendum quod, sicut ex supra dictis patet, sic facta est unio naturarum in persona Christi quod tamen proprietas utriusque naturae inconfusa permansit, ita scilicet quod increatum mansit increatum, et creatum mansit infra limites creaturae, sicut Damascenus dicit, in III libro. Est autem impossibile quod aliqua creatura comprehendat divinam essentiam, sicut in prima parte dictum est, eo quod infinitum non comprehenditur a finito. Et ideo dicendum quod anima Christi nullo modo comprehendit divinam essentiam. (IIIa q. 10 a. 1 co.)

Zoals uit het boven gezegde blijkt, kwam de vereniging der naturen in Christus' persoon zo tot stand, dat de eigenschappen van iedere der beide naturen onvermengd bleven bestaan, nl. zo, dat « Wat ongeschapen was, ongeschapen bleef, en dat wat geschapen was, binnen de grenzen van het geschapene bleef », zoals Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 3e H.). Nu is het onmogelijk dat het schepsel het goddelijk wezen doorgrondt, zoals in het eerste deel is gezegd (12e Kw., 7e Art.), omdat het oneindige niet door het eindige wordt omvat. En dus moeten wij zeggen, dat Christus' ziel het goddelijk wezen in het geheel niet doorgrondde.

Ad primum ergo dicendum quod homo assumptus connumeratur divinae Trinitati in sui cognitione, non ratione comprehensionis, sed ratione cuiusdam excellentissimae cognitionis prae ceteris creaturis. (IIIa q. 10 a. 1 ad 1)

1 — De aangenomen mens wordt in zijn kennis met de goddelijke Drievuldigheid op een lijn gesteld, niet omdat hij Haar doorgrondt, maar om een kennis, die boven die der andere schepsels uitsteekt.

Ad secundum dicendum quod nec etiam in unione quae est secundum esse personale, natura humana comprehendit verbum Dei, sive naturam divinam, quae quamvis tota unita fuerit humanae naturae in una persona filii, non tamen fuit tota virtus divinitatis ab humana natura quasi circumscripta. Unde Augustinus dicit, in epistola ad Volusianum, scire te volo non hoc Christianam habere doctrinam, quod ita Deus infusus sit carni ut curam gubernandae universitatis vel deseruerit vel amiserit, vel ad illud corpusculum quasi contractam collectamque transtulerit. Et similiter anima Christi totam essentiam Dei videt, non tamen eam comprehendit, quia non totaliter eam videt, idest, non ita perfecte sicut visibilis est, ut in prima parte expositum est. (IIIa q. 10 a. 1 ad 2)

2 — Zelfs in de vereniging naar het persoonlijk zijn omvat de menselijke natuur Gods Woord of het goddelijk Wezen niet; want al was dit gehele wezen met de menselijke natuur verenigd in de persoon van de Zoon, toch werd de gehele kracht der godheid niet door de menselijke natuur als het ware in beslag genomen. Daarom zegt Augustinus in de Brief aan Volusianus (137e Br.): « Ik wil, dat gij weet, dat de Christelijke leer niet dit bevat, dat God zo in het vlees is gekomen, dat Hij de zorg voor het bestuur van het heelal naliet of verloor, of haar als het ware samentrok en overbracht en enkel wijdde aan dat lichaampje ». En zo zag Christus’ ziel de gehele goddelijke natuur, maar zij doorgrondde haar niet, omdat zij haar niet geheel en al zag, dwz. niet in alle volmaaktheid, waarin zij gezien kan worden, zoals in het eerste deel is gezegd.

Ad tertium dicendum quod verbum illud Augustini est intelligendum de gratia unionis, secundum quam omnia quae dicuntur de filio Dei secundum naturam divinam, dicuntur de filio hominis, propter identitatem suppositi. Et secundum hoc, vere potest dici quod filius hominis est comprehensor divinae essentiae, non quidem secundum animam, sed secundum divinam naturam. Per quem etiam modum potest dici quod filius hominis est creator. (IIIa q. 10 a. 1 ad 3)

3 — Dit woord van Augustinus moet men laten slaan op de genade der vereniging, waardoor alles wat van Gods Zoon naar de goddelijke natuur wordt gezegd, van de mensenzoon wordt gezegd om de eenheid van drager. En op deze manier kan men zeggen, dat de mensenzoon de goddelijke natuur doorgrondt, maar niet naar de ziel, doch krachtens de goddelijke natuur. Op dezelfde manier kan men ook zeggen, dat de mensenzoon schepper is.

Articulus 2.
Kende Christus’ ziel alles in het Woord?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod anima Christi in verbo non cognoscat omnia. Dicitur enim Marci XIII, de die autem illa nemo scit, neque Angeli in caelo neque filius, nisi pater. Non igitur omnia scit in verbo. (IIIa q. 10 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus’ ziel in het Woord niet alles kende. Want bij Marcus wordt gezegd (13, 32): « Dien dag echter kent niemand, noch de engelen in de hemel, noch de Zoon, maar alleen de Vader ». Dus kende Hij niet alles in het Woord.

Praeterea, quanto aliquis perfectius cognoscit aliquod principium, tanto plura in illo principio cognoscit. Sed Deus perfectius videt essentiam suam quam anima Christi. Ergo plura cognoscit in verbo quam anima Christi. Non ergo anima Christi in verbo cognoscit omnia. (IIIa q. 10 a. 2 arg. 2)

2 — Naarmate iemand een beginsel volmaakter kent, kent hij meer dingen in dat beginsel. Nu kent God Zijn eigen wezen volmaakter dan Christus’ ziel. Dus kent Hij meer in het Woord dan Christus’ ziel. Dus kent Christus’ ziel in het Woord niet alles.

Praeterea, quantitas scientiae attenditur secundum quantitatem scibilium. Si ergo anima Christi sciret in verbo omnia quae scit verbum, sequeretur quod scientia animae Christi aequaretur scientiae divinae, creatum videlicet increato. Quod est impossibile. (IIIa q. 10 a. 2 arg. 3)

3 — De grootheid van een kennis wordt afgemeten naar het aantal kenbare dingen. Als dus Christus’ ziel in het Woord evenveel kende als het Woord zelf, zou daaruit volgen, dat de wetenschap van Christus’ ziel gelijk was aan de goddelijke wetenschap, en dus het geschapene aan het ongeschapene. En dat is onmogelijk.

Sed contra est quod, super illud Apoc. V, dignus est agnus qui occisus est accipere divinitatem et scientiam, Glossa dicit, idest, omnium cognitionem. (IIIa q. 10 a. 2 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat de Glossa bij het woord van de Apocalyps (5, 12): « Waardig is het Lam, dat geslacht is, godheid en wetenschap te ontvangen », zegt: « Dat wil zeggen, iedere kennis ».

Respondeo dicendum quod, cum quaeritur an Christus cognoscat omnia in verbo, dicendum est quod ly omnia potest dupliciter accipi. Uno modo, proprie, ut distribuat pro omnibus quae quocumque modo sunt vel erunt vel fuerunt, vel facta vel dicta vel cogitata a quocumque, secundum quodcumque tempus. Et sic dicendum est quod anima Christi in verbo cognoscit omnia. Unusquisque enim intellectus creatus in verbo cognoscit, non quidem omnia simpliciter, sed tanto plura quanto perfectius videt verbum, nulli tamen intellectui beato deest quin cognoscat in verbo omnia quae ad ipsum spectant. Ad Christum autem, et ad eius dignitatem, spectant quodammodo omnia, inquantum ei subiecta sunt omnia. Ipse est etiam omnium iudex constitutus a Deo, quia filius hominis est, ut dicitur Ioan. V. Et ideo anima Christi in verbo cognoscit omnia existentia secundum quodcumque tempus, et etiam hominum cogitatus, quorum est iudex, ita quod de eo dicitur, Ioan. II, ipse enim sciebat quid esset in homine; quod potest intelligi non solum quantum ad scientiam divinam, sed etiam quantum ad scientiam animae eius quam habet in verbo. Alio modo ly omnia potest accipi magis large, ut extendatur non solum ad omnia quae sunt actu secundum quodcumque tempus, sed etiam ad omnia quaecumque sunt in potentia nunquam reducta ad actum. Horum autem quaedam sunt solum in potentia divina. Et huiusmodi non omnia cognoscit in verbo anima Christi. Hoc enim esset comprehendere omnia quae Deus potest facere, quod esset comprehendere divinam virtutem, et per consequens divinam essentiam; virtus enim quaelibet cognoscitur per cognitionem eorum in quae potest. Quaedam vero sunt non solum in potentia divina, sed etiam in potentia creaturae. Et huiusmodi omnia cognoscit anima Christi in verbo. Comprehendit enim in verbo omnis creaturae essentiam, et per consequens potentiam et virtutem, et omnia quae sunt in potentia creaturae. (IIIa q. 10 a. 2 co.)

Als gevraagd wordt, of Christus in het Woord alles kende, moeten wij opmerken, dat dit alles op twee manieren kan opgevat worden. Ten eerste in eigenlijke zin en dan slaat het op alles, wat op welke manier ook bestaat of was of zal zijn, dingen of woorden of gedachten van wie dan ook en in elke tijd. En in die zin moeten wij zeggen, dat Christus’ ziel in het Woord alles kende. Want iedere geschapen verstand kent in het Woord wel niet alles zonder meer, maar zoveel te meer, naarmate het het Woord volmaakter ziet; geen verstand van een gelukzalige mist echter het kennen in het Woord van datgene, dat met hem in verband staat. Nu staat in zekere zin alles in verband met Christus en Zijn waardigheid in zover « alles aan Hem onderworpen is » (I° Br. aan de Korinthiërs, 15, 27). Want Hij is « door God aangesteld als rechter over alles, omdat Hij de mensenzoon is », zoals bij Johannes (5, 27) wordt gezegd. En dus kende Christus’ ziel in het Woord alles, wat in welke tijd ook bestaat en ook de gedachten der mensen, waarvan Hij rechter is, zodat van Hem bij Johannes wordt gezegd (2, 25): « Hij echter wist, wat er in de mens is »; wat men niet alleen op de goddelijke wetenschap kan laten slaan, maar ook op de wetenschap, die Zijn ziel in het Woord bezit. In een andere betekenis kan men het alles ruimer opvatten, zodat het zich niet alleen uitstrekt tot alles wat in welke tijd ook bestaat, maar ook tot alles, wat daartoe een vermogen heeft, dat nooit tot daadwerkelijkheid wordt gebracht. Sommige dingen hiervan bestaan alleen in Gods kunnen. En al deze dingen kent Christus’ ziel in het Woord niet. Want dat zou betekenen alles te omvatten, wat God kan doen, en dat is het doorgronden van de goddelijke kracht en dus ook van het goddelijk wezen; want iedere kracht wordt gekend door het kennen van die dingen, waar zij macht over heeft. Andere dingen echter bestaan niet alleen in het goddelijk kunnen, maar ook in het vermogen van een schepsel. En al deze dingen kende Christus’ ziel in het Woord. Want in het Woord omvat zij het wezen van ieder schepsel; en dientengevolge het vermogen en de kracht en alles, wat in het vermogen van een schepsel ligt.

Ad primum ergo dicendum quod illud verbum intellexerunt Arius et Eunomius, non quantum ad scientiam animae, quam in Christo non ponebant, ut supra dictum est, sed quantum ad divinam cognitionem filii, quem ponebant esse minorem patre quantum ad scientiam. Sed istud stare non potest. Quia per verbum Dei facta sunt omnia, ut dicitur Ioan. I, et, inter alia, facta sunt etiam per ipsum omnia tempora. Nihil autem per ipsum factum est quod ab eo ignoretur. Dicitur ergo nescire diem et horam iudicii, quia non facit scire, interrogatus enim ab apostolis super hoc, Act. I, hoc eis noluit revelare. Sicut e contrario legitur Gen. XXII, nunc cognovi quod timeas Deum, idest, nunc cognoscere feci. Dicitur autem pater scire, eo quod huiusmodi cognitionem tradidit filio. Unde in hoc ipso quod dicitur, nisi pater, datur intelligi quod filius cognoscat, non solum quantum ad divinam naturam, sed etiam quantum ad humanam. Quia, ut Chrysostomus argumentatur, si Christo homini datum est ut sciat qualiter oporteat iudicare, quod est maius; multo magis datum est ei scire quod est minus, scilicet tempus iudicii. Origenes tamen hoc exponit de Christo secundum corpus eius, quod est Ecclesia, quae hoc ipsum tempus ignorat. Quidam autem dicunt hoc esse intelligendum de filio Dei adoptivo, non de naturali. (IIIa q. 10 a. 2 ad 1)

1 — Dit woord vatten Eunomius en Arius niet op van de wetenschap der ziel, die zij in Christus niet aannamen, zoals boven is gezegd (5° Kw., 3° Art.); maar van de goddelijke wetenschap, waarin volgens hun bewering de Zoon kleiner was dan de Vader. — Maar dat mag men niet houden. Want « Door Gods Woord is alles gemaakt », zoals bij Johannes (1, 3) wordt gezegd, en onder anderen zijn door Hem ook alle tijden gemaakt. Maar niets is door Hem gemaakt, dat Hij niet kent. Daarom wordt van Hem gezegd, dat Hij dag en uur niet weet, omdat Hij niet doet weten; want toen Hij door de Apostelen daarover werd ondervraagd, zoals in de Handelingen (1, 6 en 7) staat, wilde Hij het hun niet openbaren. Zoals in het tegenovergestelde geval in het boek der Schepping wordt gezegd (22, 12): « Nu weet ik, dat gij God vreest », dwz. « heb ik duidelijk doen zien ». Van de Vader wordt echter gezegd, dat Hij het weet, omdat Hij het de Zoon heeft medegedeeld. Daarom wordt in wat gezegd wordt: « behalve de Vader », te verstaan gegeven, dat de Zoon het weet, niet alleen wat Zijn goddelijke natuur betreft, maar ook wat Zijn menselijke. Want Chrysostomus redeneert terecht (22° Hom.): « Als het aan Christus als mens gegeven is te weten, hoe Hij recht moet spreken, wat van meer belang is, is het Hem zoveel te meer gegeven te weten wat van minder belang is, nl. het tijdstip van het oordeel ». Origenes legt het echter uit van Christus, wat « zijn lichaam, dat de Kerk is, betreft », die namelijk dit tijdstip niet kent. Anderen zeggen, dat het moet opgevat worden van Gods aangenomen, niet van Gods natuurlijke Zoon.

Ad secundum dicendum quod Deus perfectius cognoscit suam essentiam quam anima Christi, quia eam comprehendit. Et ideo cognoscit omnia non solum quae sunt in actu secundum quodcumque tempus, quae dicitur cognoscere scientia visionis; sed etiam omnia quaecumque ipse potest facere, quae dicitur cognoscere per simplicem intelligentiam, ut in primo habitum est. Scit ergo anima Christi omnia quae Deus in seipso cognoscit per scientiam visionis, non tamen omnia quae Deus in seipso cognoscit per scientiam simplicis intelligentiae. Et ita plura scit Deus in seipso quam anima Christi. (IIIa q. 10 a. 2 ad 2)

2 — God kent Zijn Wezen op volmaaktere wijze dan Christus’ ziel, omdat Hij het doorgrondt. En daarom kent Hij alles, niet alleen wat daadwerkelijk in een of andere tijd bestaat, welke kennis “de wetenschap van aanschouwen” wordt genoemd, maar ook alles wat Hij zelf kan maken, wat de “kennis van eenvoudig begrijpen” wordt genoemd, zoals in het eerste deel (14e Kw., 9e Art.) is behandeld. Christus’ ziel kent dus alles, wat God in zichzelf kent met de kennis van aanschouwen; maar niet, wat God in zichzelf kent met de wetenschap van eenvoudig begrijpen. En daarom ziet God in zichzelf meer dan Christus’ ziel.

Ad tertium dicendum quod quantitas scientiae non solum attenditur secundum numerum scibilium, sed etiam secundum claritatem cognitionis. Quamvis igitur scientia animae Christi quam habet in verbo, parificetur scientiae visionis quam Deus habet in seipso quantum ad numerum scibilium; scientia tamen Dei excedit in infinitum, quantum ad claritatem cognitionis, scientiam animae Christi. Quia lumen increatum divini intellectus in infinitum excedit lumen creatum quodcumque receptum in anima Christi, non solum quantum ad modum cognoscendi, sed etiam quantum ad numerum scibilium, ut dictum est. (IIIa q. 10 a. 2 ad 3)

3 — De grootheid van een wetenschap wordt niet alleen afgemeten naar het aantal kenbare dingen, maar ook naar de duidelijkheid der kennis. Al zou dus de kennis, die Christus’ ziel in het Woord heeft, gelijk zijn aan de wetenschap van aanschouwen, die God in zichzelf heeft, wat het aantal kenbare dingen betreft, toch gaat Gods wetenschap wat de duidelijkheid der kennis betreft die van Christus’ ziel oneindig te boven. Want het ongeschapen licht van Gods verstand gaat ieder geschapen en in Christus’ ziel ontvangen licht oneindig te boven, niet alleen wat de manier van kennen betreft, maar ook, zoals gezegd is (in de Leerstelling en in Antw. op 2° B.), het aantal kenbare dingen.

Articulus 3.
Kende Christus’ ziel het oneindige in het Woord?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod anima Christi non possit cognoscere infinita in verbo. Quod enim infinitum cognoscatur, repugnat definitioni infiniti, prout dicitur in III Physic. quod infinitum est cuius quantitatem accipientibus semper est aliquid extra accipere. Impossibile autem est definitionem a definito separari, quia hoc esset contradictoria esse simul. Ergo impossibile est quod anima Christi sciat infinita. (IIIa q. 10 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus’ ziel in het Woord het oneindige niet kon kennen. Want dat het oneindige gekend zou worden, strijdt met het begrip oneindig, zoals in het 3° boek *Over de Physica* (6° H., n. 8) wordt gezegd, dat « oneindig is datgene, aan wiens grootheid hij die haar begrijpt, altijd nog iets meer moet toevoegen ». Maar nu is de omschrijving onscheidbaar aan wat omschreven wordt verbonden; want scheiding zou betekenen, dat tegenovergestelde dingen tegelijk bestonden. Dus is het onmogelijk, dat Christus’ ziel het oneindige zou begrijpen.

Praeterea, infinitorum scientia est infinita. Sed scientia animae Christi non potest esse infinita, est enim capacitas eius finita, cum sit creatura. Non ergo anima Christi potest cognoscere infinita. (IIIa q. 10 a. 3 arg. 2)

2 — Het weten van iets oneindigs is zelf oneindig. Nu kan de wetenschap van Christus’ ziel niet oneindig zijn, want haar opnemingsvermogen is, omdat zij een schepsel is, eindig. Dus kon Christus’ ziel het oneindige niet kennen.

Praeterea, infinito non potest esse aliquid maius. Sed plura continentur in scientia divina, absolute loquendo, quam in scientia animae Christi, ut dictum est. Ergo anima Christi non cognoscit infinita. (IIIa q. 10 a. 3 arg. 3)

3 — Niets kan grooter zijn dan het oneindige. Maar absoluut gesproken, wordt door de goddelijke wetenschap meer omvat dan door die van Christus’ ziel, zoals gezegd is (in het vorig artikel). Dus kent Christus’ ziel niets oneindigs.

Sed contra, anima Christi cognoscit totam suam potentiam, et omnia in quae potest. Potest autem in emundationem infinitorum peccatorum, secundum illud I Ioan. II, ipse est propitiatio pro peccatis nostris, non autem pro nostris tantum, sed etiam totius mundi. Ergo anima Christi cognoscit infinita. (IIIa q. 10 a. 3 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat Christus’ ziel haar eigen vermogen en alles, waarover zij macht heeft, kent. Maar zij heeft vermogen om oneindig veel zonden weg te nemen, volgens de Eerste Brief van Johannes (2, 2): « Hij is de verzoening voor onze zonden, maar niet voor de onze alleen, doch ook voor die van de gehele wereld ». Dus kent Christus’ ziel een oneindig aantal dingen.

Respondeo dicendum quod scientia non est nisi entis, eo quod ens et verum convertuntur. Dupliciter autem dicitur aliquid ens, uno modo, simpliciter, quod scilicet est ens actu; alio modo, secundum quid, quod scilicet est ens in potentia. Et quia, ut dicitur in IX Metaphys., unumquodque cognoscitur secundum quod est actu, non autem secundum quod est in potentia, scientia primo et principaliter respicit ens actu. Secundario autem respicit ens in potentia, quod quidem non secundum seipsum cognoscibile est, sed secundum quod cognoscitur illud in cuius potentia existit. Quantum igitur ad primum modum scientiae, anima Christi non scit infinita. Quia non sunt infinita in actu, etiam si accipiantur omnia quaecumque sunt in actu secundum quodcumque tempus, eo quod status generationis et corruptionis non durat in infinitum; unde est certus numerus non solum eorum quae sunt absque generatione et corruptione, sed etiam generabilium et corruptibilium. Quantum vero ad alium modum sciendi, anima Christi in verbo scit infinita. Scit enim, ut dictum est, omnia quae sunt in potentia creaturae. Unde, cum in potentia creaturae sint infinita, per hunc modum scit infinita, quasi quadam scientia simplicis intelligentiae, non autem scientia visionis. (IIIa q. 10 a. 3 co.)

Wetenschap gaat alleen over wat bestaat, omdat bestaan en waar onkeerbaar zijn. Nu noemt men in dubbele zin iets bestaand: ten eerste zonder beperking, nl. datgene wat daadwerkelijk bestaat; ten tweede in zekere zin, nl. datgene wat het vermogen heeft om te bestaan. En omdat, zoals in het 9e boek *Over de Metaphysiek* wordt gezegd, iets gekend wordt, in zover iets daadwerkelijk iets is, niet in zover het iets kan zijn, gaat de wetenschap op de eerste plaats en voornamelijk over wat daadwerkelijk bestaat. Op de tweede plaats houdt zij zich bezig met wat kan bestaan, en dat is in zichzelf niet kenbaar, maar in zover datgene wordt gekend, in welks vermogen het besloten ligt. Wat nu de eerste soort wetenschap betreft, kent Christus’ ziel geen oneindig aantal dingen. Want daadwerkelijk bestaat er geen oneindig aantal dingen, ook al neemt men alles bijeen, wat daadwerkelijk bestaat in welke tijd ook; en dit is hierom, dat de toestand van worden en vergaan niet in het oneindige voortduurt; daarom is er een bepaald getal niet alleen van de dingen, die aan worden en vergaan niet onderhevig zijn, maar ook van wat wordt en vergaat. — Maar wat de andere soort van wetenschap aangaat, kent Christus’ ziel in het Woord een oneindig aantal dingen. Want zij kent, zoals gezegd is (in het vorige Artikel), alles wat in het vermogen der schepselen ligt. En omdat er een oneindig aantal dingen onder het vermogen der schepselen valt, kent zij zo een oneindig aantal dingen als met een wetenschap van eenvoudig begrijpen, maar niet met een wetenschap van aanschouwen.

Ad primum ergo dicendum quod infinitum, sicut in prima parte dictum est, dupliciter dicitur. Uno modo, secundum rationem formae. Et sic dicitur infinitum negative, scilicet id quod est forma vel actus non limitatus per materiam vel subiectum in quo recipiatur. Et huiusmodi infinitum, quantum est de se, est maxime cognoscibile, propter perfectionem actus, licet non sit comprehensibile a potentia finita creaturae, sic enim dicitur Deus infinitus. Et tale infinitum anima Christi cognoscit, licet non comprehendat. Alio modo dicitur infinitum secundum potentiam materiae. Quod quidem dicitur privative, ex hoc scilicet quod non habet formam quam natum est habere. Et per hunc modum dicitur infinitum in quantitate. Tale autem infinitum ex sui ratione est ignotum, quia scilicet est quasi materia cum privatione formae, ut dicitur in III Physic.; omnis autem cognitio est per formam vel actum. Sic igitur, si huiusmodi infinitum cognosci debeat secundum modum ipsius cogniti, impossibile est quod cognoscatur, est enim modus ipsius ut accipiatur pars eius post partem, ut dicitur in III Physic. Et hoc modo verum est quod eius quantitatem accipientibus, scilicet parte accepta post partem, semper est aliquid extra accipere. Sed sicut materialia possunt accipi ab intellectu immaterialiter, et multa unite, ita infinita possunt accipi ab intellectu non per modum infiniti, sed quasi finite, ut sic ea quae sunt in seipsis infinita, sint intellectui cognoscentis finita. Et hoc modo anima Christi scit infinita, inquantum scilicet scit ea, non discurrendo per singula, sed in aliquo uno; puta in aliqua creatura in cuius potentia praeexistunt infinita; et principaliter in ipso verbo. (IIIa q. 10 a. 3 ad 1)

1 — Zoals in het eerste deel (7e Kw., 1e Art.) gezegd is, spreekt men in dubbele zin van oneindig. Ten eerste naar de aard van de vorm. En zo wordt iets ontkennend oneindig genoemd, namelijk datgene wat een vorm of act is, die niet begrensd wordt door een stof of drager, waarin zij ontvangen wordt. Zo iets oneindigs is van zijn kant bezien in hoogste mate kenbaar om de volmaaktheid van de act, al kan het niet doorgrond worden door het eindige vermogen van een schepsel; zo noemen wij God oneindig. En zo iets oneindigs kende Christus’ ziel, al doorgrondde zij het niet. Daarnaast wordt iets oneindig genoemd om het vermogen van de stof. En hierbij noemt men een gebrek, omdat het namelijk de vorm niet heeft, die het van nature hebben moet. En op deze manier spreekt men van het oneindige in hoeveelheid. Maar zo iets oneindigs is bij begrip onkenbaar, want het is als het ware een stof, die de vorm mist, zoals in het 3e boek Over de Physica (6e H., n. 10) wordt gezegd; en iedere kennis komt van een vorm of een act. En als dus zo iets oneindigs volgens de eigen aard van het voorwerp der kennis gekend moet worden, is het onkenbaar, want die eigen aard is, dat het ene deel ervan na het andere waargenomen wordt, zoals in het 3e boek Over de Physica (6e H., n. 2 en 3) staat. En zo is het waar, dat « als iemand zijn hoeveelheid begrijpt », namelijk door het ene deel na het andere te nemen, « hij er altijd nog iets bij moet nemen ». Zoals echter de stoffelijke dingen door het verstand onstoffelijk kunnen worden opgevat en wat veel is als een eenheid, zo kan ook het oneindige door het verstand worden opgevat niet als oneindig, maar als het ware eindig, zodat zo wat in zichzelf oneindig is, voor het verstand van de kenner eindig is. En op die manier kent Christus’ ziel een oneindig aantal dingen, in zover het hen namelijk niet kent door hen een voor een af te gaan, maar in iets eens, bijvoorbeeld in een schepsel, in welks vermogen zij te voren bestaan, en vooral in het Woord zelf.

Ad secundum dicendum quod nihil prohibet aliquid esse infinitum uno modo quod est alio modo finitum, sicut si imaginemur in quantitatibus superficiem quae sit secundum longitudinem infinita secundum latitudinem autem finita. Sic igitur, si essent infiniti homines numero, haberent quidem infinita esse secundum aliquid, scilicet secundum multitudinem, secundum tamen rationem essentiae non haberent infinitatem, eo quod omnis essentia esset limitata sub ratione unius speciei. Sed illud quod est simpliciter infinitum secundum essentiae rationem, est Deus, ut in prima parte dictum est, proprium autem obiectum intellectus est quod quid est, ut dicitur in III de anima, ad quod pertinet ratio speciei. Sic igitur anima Christi, propter hoc quod habet capacitatem finitam, id quod est simpliciter infinitum secundum essentiam, scilicet Deum, attingit quidem, sed non comprehendit, ut dictum est. Id autem infinitum quod in creaturis est in potentia, potest comprehendi ab anima Christi, quia comparatur ad ipsam secundum essentiae rationem, ex qua parte infinitatem non habet. Nam etiam intellectus noster intelligit universale, puta naturam generis vel speciei, quod quodammodo habet infinitatem, inquantum potest de infinitis praedicari. (IIIa q. 10 a. 3 ad 2)

2 — Niets belet dat iets op een manier eindig en op een andere oneindig is, zoals wij ons bij de hoeveelheden een oppervlak voorstellen dat in de lengte oneindig, maar in breedte eindig is. Als de mensen dus oneindig in aantal waren, zouden zij in hun bestaan in een opzicht de oneindigheid hebben, namelijk in menigte; maar naar de aard van hun wezen zouden zij geen oneindigheid hebben, omdat ieder wezen begrensd is, daar het de aard van maar een soort had. Maar wat zonder meer oneindig is naar de wezensaard, is God, zoals in het eerste deel (7° Kw., 2° Art.) is gezegd. Nu is het eigen voorwerp van het verstand “dat wat iets is”, zoals in het 3° boek Over de Ziel wordt gezegd; daartoe behoort de wezensaard. Zo bereikt dus Christus’ ziel, omdat zij een begrensd vermogen heeft, dat wat naar Zijn wezen zonder meer oneindig is, namelijk God, wel, maar doorgrondt Het niet, zoals werd gezegd (1° Art.). Maar het oneindige, dat in het vermogen der schepselen bestaat, kan door Christus’ ziel omvat worden, want het verhoudt zich tot haar volgens de wezensaard, en van die kant bezit het geen oneindigheid. Want ons verstand begrijpt ook wel het algemene, namelijk de soortelijke of geslachtelijke natuur, die ook in zekeren zin een oneindigheid bezit, in zover het van een oneindig aantal dingen kan worden gezegd.

Ad tertium dicendum quod id quod est infinitum omnibus modis, non potest esse nisi unum, unde et philosophus dicit, in I de caelo et mundo, quod quia corpus est ad omnem partem dimensionatum, impossibile est plura esse corpora infinita. Si tamen aliquid esset infinitum uno modo tantum, nihil prohiberet esse plura talia infinita, sicut si intelligeremus plures lineas infinitas secundum longitudinem protractas in aliqua superficie finita secundum latitudinem. Quia igitur infinitum non est substantia quaedam, sed accidit rebus quae dicuntur infinitae, ut dicitur in III Physic.; sicut infinitum multiplicatur secundum diversa subiecta, ita necesse est quod proprietas infiniti multiplicetur, ita quod conveniat unicuique eorum secundum illud subiectum. Est autem quaedam proprietas infiniti quod infinito non sit aliquid maius. Sic igitur, si accipiamus unam lineam infinitam, in illa non est aliquid maius infinito. Et similiter, si accipiamus quamcumque aliarum linearum infinitarum, manifestum est quod uniuscuiusque earum partes sunt infinitae. Oportet igitur quod omnibus illis infinitis non sit aliquid maius in illa linea, tamen in alia linea et in tertia erunt plures partes, etiam infinitae, praeter istas. Et hoc etiam videmus in numeris accidere, nam species numerorum parium sunt infinitae, et similiter species numerorum imparium; et tamen numeri et pares et impares sunt plures quam pares. Sic igitur dicendum quod infinito simpliciter quoad omnia, nihil est maius, infinito autem secundum aliquid determinatum, non est aliquid maius in illo ordine, potest tamen accipi aliquid maius extra illum ordinem. Per hunc igitur modum infinita sunt in potentia creaturae, et tamen plura sunt in potentia Dei quam in potentia creaturae. Et similiter anima Christi scit infinita scientia simplicis intelligentiae, plura tamen scit Deus secundum hunc intelligentiae modum. (IIIa q. 10 a. 3 ad 3)

3 — Want in alle opzichten oneindig is, kan maar een ding zijn: daarom zegt de Filosoof in het 1e boek Over Hemel en Aarde (7e H., n. 5), dat het onmogelijk is, dat er meerdere oneindige lichamen bestaan, omdat een lichaam aan alle kanten afmetingen heeft. Maar als iets maar op een manier oneindig zou zijn, was er niets tegen, dat er meer van die oneindige dingen waren; zoals wij ons meerdere lijnen zouden kunnen voorstellen oneindig in lengte, die getrokken waren op een in de breedte begrensd vlak. Omdat dus het oneindige geen zelfstandigheid is, maar een bijkomstigheid van de dingen, die oneindig worden genoemd, naar het 3e boek Over de Physica (5e H., n. 3 en 4), moet men wel zeggen, dat zoals het oneindige vermenigvuldigd wordt door de verschillende dragers, zo ook de eigenschappen van het oneindige vermenigvuldigd worden en dus aan elk ervan toekomen volgens die drager. Nu is het een van de eigenschappen van het oneindige, dat niets groter kan zijn dan het oneindige. Nemen wij dus een oneindige lijn, dan kan er in haar niets groter zijn dan het oneindige. En nemen wij evenzo ieder van de andere oneindige lijnen, dan is het duidelijk, dat de delen van ieder oneindig in aantal zijn. Bij al die oneindige dingen is het dus nodig, dat er in die lijn niets grooters is, maar in een andere en derde lijn zullen er daarbuiten meer delen, ook oneindig zijn. Dat zien wij ook bij getallen gebeuren; want er zijn oneindig veel soorten even getallen en eveneens oneven getallen; en toch zijn er meer even en oneven getallen te samen dan even getallen. Wij moeten daarom zeggen, dat er niets groter is dan wat zonder meer in alle opzichten oneindig is; maar groter dan iets, wat in een bepaald opzicht oneindig is, is er niets in datzelfde opzicht, maar wel kan men iets groters vinden buiten die orde. En zo liggen er een oneindig aantal dingen in het vermogen der schepselen; en toch ligt er meer in Gods vermogen dan in dat van het schepsel. Evenzo ook kent Christus’ ziel een oneindig aantal dingen met de wetenschap van eenvoudig begrijpen; toch kent God er op deze manier meer.

Articulus 4.
Kent Christus’ ziel het Woord volmaakter dan welk ander schepsel ook?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod anima Christi non perfectius videat verbum quam quaelibet alia creatura. Perfectio enim cognitionis est secundum medium cognoscendi, sicut perfectior est cognitio quae habetur per medium syllogismi demonstrativi, quam quae habetur per medium syllogismi dialectici. Sed omnes beati vident verbum immediate per ipsam divinam essentiam, ut in prima parte dictum est. Ergo anima Christi non perfectius videt verbum quam quaelibet alia creatura. (IIIa q. 10 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat Christus’ ziel het Woord niet volmaakter kent dan welk ander schepsel ook. Want de volmaaktheid der kennis ligt aan het kenmiddel; zoals de kennis door middel van een de reden aangevend syllogisme volmaakter is dan die door middel van een op waarschijnlijkheden steunend syllogisme. Nu zien alle zaligen het Woord onmiddellijk door het goddelijk wezen zelf, zoals in het eerste deel is gezegd (12° Kw., 2° Art.). Dus ziet Christus’ ziel het Woord niet volmaakter dan een ander schepsel.

Praeterea, perfectio visionis non excedit potentiam visivam. Sed potentia rationalis animae, qualis est anima Christi, est infra potentiam intellectivam Angeli, ut patet per Dionysium, IV cap. Cael. Hier. Ergo anima Christi non perfectius videt verbum quam Angeli. (IIIa q. 10 a. 4 arg. 2)

2 — De volmaaktheid van het aanschouwen gaat het vermogen om te aanschouwen niet te boven. Nu staat het vermogen van een redelijke ziel als die van Christus lager dan het begripsvermogen van een engel, zoals Dionysius bewijst in het boek Over de Hemelse Hiërarchieën (4° en 7° H.). Dus ziet Christus’ ziel het Woord niet volmaakter dan de engelen.

Praeterea, Deus in infinitum perfectius videt verbum suum quam anima. Sunt ergo infiniti gradus medii inter modum quo Deus videt verbum suum, et inter modum quo anima Christi videt ipsum. Ergo non est asserendum quod anima Christi perfectius videat verbum, vel essentiam divinam, quam quaelibet alia creatura. (IIIa q. 10 a. 4 arg. 3)

3 — God ziet Zijn woord oneindig veel volmaakter dan de ziel. Dus liggen er een oneindig aantal trappen tussen de wijze, waarop God Zijn Woord ziet en die, waarop Christus’ ziel het ziet. Dus moet men niet beweren, dat Christus’ ziel het Woord of het goddelijk Wezen volmaakter ziet dan een ander schepsel.

Sed contra est quod apostolus dicit, Ephes. I, quod Deus constituit Christum in caelestibus super omnem principatum et potestatem et virtutem et dominationem, et omne nomen quod nominatur, non solum in hoc saeculo, sed etiam in futuro. Sed in caelesti gloria tanto aliquis est superior quanto perfectius cognoscit Deum. Ergo anima Christi perfectius videt Deum quam quaevis alia creatura. (IIIa q. 10 a. 4 s. c.)

Maar daartegenover staat, dat de Apostel in de Brief aan de Ephesiërs zegt (1, 20 en 21): « God plaatste Christus in de hemel boven alle macht en kracht en heerlijkheid en heerschappij, en boven iedere naam, die genoemd wordt niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomstige ». Nu staat iemand hoger in de hemelse heerlijkheid naarmate hij God volmaakter kent. Dus kent Christus’ ziel God volmaakter dan enig ander schepsel.

Respondeo dicendum quod divinae essentiae visio convenit omnibus beatis secundum participationem luminis derivati ad eos a fonte verbi Dei, secundum illud Eccli. I, fons sapientiae verbum Dei in excelsis. Huic autem verbo Dei propinquius coniungitur anima Christi, quae est unita verbo in persona, quam quaevis alia creatura. Et ideo plenius recipit influentiam luminis in quo Deus videtur ab ipso verbo, quam quaecumque alia creatura. Et ideo prae ceteris creaturis perfectius videt ipsam primam veritatem, quae est Dei essentia. Et ideo dicitur Ioan. I, vidimus gloriam eius, quasi unigeniti a patre, plenum non solum gratiae, sed etiam veritatis. (IIIa q. 10 a. 4 co.)

Alle zaligen bezitten het aanschouwen van Gods Wezen doordat zij een licht ontvangen, dat op hun afstraalt uit de bron, die Gods Woord is; volgens het boek Ecclesiasticus (1, 5): « De bron der wijsheid is Gods Woord in de hoge ». Nu is Christus’ ziel inniger dan iedere ander schepsel verenigd met Gods Woord, omdat zij er in persoon mee verenigd is. En dus ontvangt zij de invloed van het licht, waarin God gezien wordt door het Woord zelf, vollediger dan een ander schepsel. Daarom ziet zij volmaakter dan de andere schepselen de eerste waarheid, die Gods Wezen is. Daarom lezen wij bij Johannes (1, 14): « Wij hebben Zijn heerlijkheid gezien als van de Eeniggeborene des Vaders, vol » niet alleen « van genade », maar ook « van waarheid ».

Ad primum ergo dicendum quod perfectio cognitionis, quantum est ex parte cogniti, attenditur secundum medium, sed quantum est ex parte cognoscentis, attenditur secundum potentiam vel habitum. Et inde est quod etiam inter homines per unum medium unus perfectius cognoscit aliquam conclusionem quam alius. Et per hunc modum anima Christi, quae abundantiori impletur lumine, perfectius cognoscit divinam essentiam quam alii beati, licet omnes Dei essentiam videant per seipsam. (IIIa q. 10 a. 4 ad 1)

1 — De volmaaktheid der kennis, gerekend van de kant van wat gekend wordt, wordt naar het kenmiddel afgemeten; maar gerekend van de kant van de kenner, wordt zij afgemeten naar het vermogen of de gewoonte. Daarvandaan komt het ook, dat bij de mensen de een door hetzelfde kenmiddel een gevolgtrekking beter kent dan de ander. En op deze manier kent Christus’ ziel, die met een rijker licht wordt vervuld, het goddelijk wezen volmaakter dan de andere zaligen, al kennen allen Gods Wezen door dat Wezen zelf.

Ad secundum dicendum quod visio divinae essentiae excedit naturalem potentiam cuiuslibet creaturae, ut in prima parte dictum est. Et ideo gradus in ipso attenduntur magis secundum ordinem gratiae, in quo Christus est excellentissimus, quam secundum ordinem naturae, secundum quem natura angelica praefertur humanae. (IIIa q. 10 a. 4 ad 2)

2 — Het aanschouwen van Gods Wezen gaat het natuurlijke vermogen van iedere schepsel te boven, zoals in het Eerste Deel is gezegd (12° Kw., 2° Art.). Daarom moeten de trappen daarin meer gerekend worden naar de orde der genade, waarin Christus boven allen uitsteekt, dan naar de natuurlijke orde, waarin de natuur der engelen boven de menselijke staat.

Ad tertium dicendum quod, sicut supra dictum est de gratia quod non potest esse maior gratia quam gratia Christi per respectum ad unionem verbi, idem etiam dicendum est de perfectione divinae visionis, licet, absolute considerando, possit aliquis gradus esse sublimior secundum infinitatem divinae potentiae. (IIIa q. 10 a. 4 ad 3)

3 — Zoals boven wat de genade betreft gezegd is (7° Kw., 12° Art.), dat er geen grotere genade kan zijn dan die van Christus met betrekking tot de vereniging met het Woord, moeten wij hetzelfde zeggen wat de volmaaktheid van het aanschouwen van God aangaat; al zou er dan ook absoluut genomen een hogere graad kunnen zijn volgens Gods oneindige kracht.