QuaestioArticulus

Prima Pars. Quaestio 116.
Het noodlot .

Prooemium

Deinde considerandum est de fato. Et circa hoc quaeruntur quatuor. Primo, an fatum sit. Secundo, in quo sit. Tertio, utrum sit immobile. Quarto, utrum omnia subsint fato. (Ia q. 116 pr.)

Vervolgens dient het noodlot beschouwd. En hierover stellen we vier vragen: 1. Is er een noodlot? 2. Waarin is het? 3. Is het onwrikbaar? 4. Valt alles onder het noodlot?

Articulus 1.
Is er een noodlot?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod fatum nihil sit. Dicit enim Gregorius, in homilia Epiphaniae, absit a fidelium cordibus ut fatum esse aliquid dicant. (Ia q. 116 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het noodlot een niets is. — Gregorius zegt immers: “Het zij verre van de gelovigen te zeggen, dat het noodlot iets is”.

Praeterea, ea quae fato aguntur, non sunt improvisa, quia, ut Augustinus dicit V de Civ. Dei, fatum a fando dictum intelligimus, idest a loquendo; ut ea fato fieri dicantur, quae ab aliquo determinante sunt ante praelocuta. Quae autem sunt provisa, non sunt fortuita neque casualia. Si igitur res fato aguntur, excludetur casus et fortuna a rebus. (Ia q. 116 a. 1 arg. 2)

2 — Wat door het noodlot gebeurt, is met onvoorzien, want zoals Augustinus zegt: “De naam noodlot (fatum) wordt naar ons begrip ontleend aan spreken (fari)”, zodat men van die dingen zegt, dat ze door het noodlot gebeuren, die door iemand, die ze bepaalde, van te voren gezegd zijn. Wat echter voorzien is, is niet op goed geluk of toevallig. Als dus de dingen door het noodlot gebeuren, wordt alle toeval en geluk uitgesloten.

Sed contra quod non est, non definitur. Sed Boetius, in IV de Consol., definit fatum, dicens quod fatum est inhaerens rebus mobilibus dispositio, per quam providentia suis quaeque nectit ordinibus. Ergo fatum aliquid est. (Ia q. 116 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat wat niet is, niet bepaald wordt. Maar Boëtius bepaalt het noodlot aldus: “Het noodlot is de dispositie in de veranderlijke dingen, waardoor de Voorzienigheid alles in eigen volgorde samenbindt”. Dus is het noodlot iets.

Respondeo dicendum quod in rebus inferioribus videntur quaedam a fortuna vel casu provenire. Contingit autem quandoque quod aliquid, ad inferiores causas relatum, est fortuitum vel casuale, quod tamen, relatum ad causam aliquam superiorem, invenitur esse per se intentum. Sicut si duo servi alicuius domini mittantur ab eo ad eundem locum, uno de altero ignorante; concursus duorum servorum, si ad ipsos servos referatur, casualis est, quia accidit praeter utriusque intentionem; si autem referatur ad dominum, qui hoc praeordinavit, non est casuale, sed per se intentum. Fuerunt igitur aliqui qui huiusmodi casualia et fortuita, quae in his inferioribus accidunt, in nullam superiorem causam reducere voluerunt. Et hi fatum et providentiam negaverunt; ut de Tullio Augustinus recitat in V de Civ. Dei. Quod est contra ea quae superius de providentia dicta sunt. Quidam vero omnia fortuita et casualia quae in istis inferioribus accidunt, sive in rebus naturalibus sive in rebus humanis, reducere voluerunt in superiorem causam, idest in caelestia corpora. Et secundum hos, fatum nihil aliud est quam dispositio siderum in qua quisque conceptus est vel natus. Sed hoc stare non potest, propter duo. Primo quidem, quantum ad res humanas. Quia iam ostensum est quod humani actus non subduntur actioni caelestium corporum, nisi per accidens et indirecte. Causa autem fatalis, cum habeat ordinationem super ea quae fato aguntur, necesse est quod sit directe et per se causa eius quod agitur. Secundo, quantum ad omnia quae per accidens aguntur. Dictum est enim supra quod id quod est per accidens, non est proprie ens neque unum. Omnis autem naturae actio terminatur ad aliquid unum. Unde impossibile est quod id quod est per accidens, sit effectus per se alicuius naturalis principii agentis. Nulla ergo natura per se hoc facere potest, quod intendens fodere sepulcrum, inveniat thesaurum. Manifestum est autem quod corpus caeleste agit per modum naturalis principii, unde et effectus eius in hoc mundo sunt naturales. Impossibile est ergo quod aliqua virtus activa caelestis corporis sit causa eorum quae hic aguntur per accidens, sive a casu sive a fortuna. Et ideo dicendum est quod ea quae hic per accidens aguntur, sive in rebus naturalibus sive in rebus humanis, reducuntur in aliquam causam praeordinantem, quae est providentia divina. Quia nihil prohibet id quod est per accidens, accipi ut unum ab aliquo intellectu, alioquin intellectus formare non posset hanc propositionem, fodiens sepulcrum invenit thesaurum. Et sicut hoc potest intellectus apprehendere, ita potest efficere, sicut si aliquis sciens in quo loco sit thesaurus absconditus, instiget aliquem rusticum hoc ignorantem, ut ibi fodiat sepulcrum. Et sic nihil prohibet ea quae hic per accidens aguntur, ut fortuita vel casualia, reduci in aliquam causam ordinantem, quae per intellectum agat; et praecipue intellectum divinum. Nam solus Deus potest voluntatem immutare, ut supra habitum est. Et per consequens ordinatio humanorum actuum, quorum principium est voluntas, soli Deo attribui debet. Sic igitur inquantum omnia quae hic aguntur, divinae providentiae subduntur, tanquam per eam praeordinata et quasi praelocuta, fatum ponere possumus, licet hoc nomine sancti doctores uti recusaverint, propter eos qui ad vim positionis siderum hoc nomen retorquebant. Unde Augustinus dicit, in V de Civ. Dei, si propterea quisquam res humanas fato tribuit, quia ipsam Dei voluntatem vel potestatem fati nomine appellat, sententiam teneat, linguam corrigat. Et sic etiam Gregorius fatum esse negat. (Ia q. 116 a. 1 co.)

In de lagere dingen schijnen er sommige door geluk of toeval te gebeuren. Maar het gebeurt soms, dat iets met lagere oorzaken vergeleken, gelukkig of toevallig is, wat echter met een hogere oorzaak vergeleken, opzettelijk blijkt. Zoals wanneer twee knechten door hun meester naar dezelfde plaats gestuurd worden, terwijl de een van de ander niets weet; het samentreffen van beide knechten is, als men het met henzelf vergelijkt, toevallig, omdat het buiten beider bedoeling gebeurt; maar vergeleken met de meester, die dit zo regelde, is het niet toevallig, doch opzettelijk. Nu zijn er geweest, die dergelijk toeval en geluk in de lagere dingen tot geen enkele hogere oorzaak wilden terugbrengen. En dezen hebben zowel het noodlot als de Voorzienigheid ontkend, zoals Augustinus van Tullius verhaalt. — Maar dit is tegenstrijdig met hetgeen boven over de Voorzienigheid gezegd is (22e Kw. 2e Art.). Sommigen echter wilden alle toeval en geluk, in de lagere dingen, hetzij in de natuurdingen, hetzij in menselijke aangelegenheden, tot een hogere oorzaak, nl. de hemellichamen, terugbrengen. En volgens dezen is het noodlot niets anders dan de dispositie der sterren, waaronder eenieder ontvangen of geboren is. Maar om twee redenen kan dit niet blijven staan. Vooreerst wat de menselijke aangelegenheden aangaat. Want er is reeds aangetoond (115e Kw. 4e Art.), dat de menselijke handelingen niet dan alleen bijkomstig en indirect, aan de inwerking der hemellichamen onderhevig zijn. Maar een fatale oorzaak moet, daar zij de regeling heeft van al wat door het noodlot gebeurt, noodzakelijk direct en op zich oorzaak zijn van hetgeen gebeurt. — Vervolgens wat betreft al wat bijkomstig gebeurt. Boven is toch gezegd (t.a.p. 6C Art.), dat datgene wat bijkomstig is, geen echt ding en geen echte eenheid is. Vandaar is het onmogelijk dat wat bijkomstig is, op zich gevolg is van een natuurlijk werkbeginsel. Geen enkele natuur kan dus op zich maken, dat iemand die een graf bedoelt te graven, een schat vindt. Het is echter klaar, dat een hemellichaam werkt op de wijze van een natuurlijk beginsel, zodat zijn gevolgen in deze wereld natuurlijk zijn. Het is dus onmogelijk, dat de actieve kracht van een hemellichaam oorzaak is van hetgeen hier bijkomstig, hetzij door toeval of geluk, gebeurt. Vandaar dienen we te zeggen, dat al wat hier bijkomstig, hetzij in natuurdingen hetzij in menselijke aangelegenheden, gebeurt, teruggebracht moet worden tot een voorafregelende oorzaak, die de goddelijke Voorzienigheid is. Niets belet immers, dat wat bijkomstig is, door een verstand als eenheid wordt opgevat, anders zou het verstand niet deze zin kunnen vormen: een grafdelver vindt een schat. En zoals het verstand dit kan begrijpen, zo kan het het ook maken: zoals wanneer iemand wetend waar een schat verborgen ligt, een boer, die dit niet weet, aanspoort om daar een gat te graven. En zo belet niets om wat hier bijkomstig gebeurt, als geluk of toeval, terug te brengen tot een regelende oorzaak, die met verstand werkt, en vooral met goddelijk verstand. Want alleen God kan, zoals boven gezegd is (105e Kw. 4e Art.; 106e Kw. 2e Art.; 111e Kw. 2e Art.), de menselijken wil beïnvloeden. En bijgevolg moet de regeling der menselijke handelingen, waar de wil beginsel van is, alleen aan God worden toegekend. In zover dus alles wat hier gebeurt, aan de goddelijke Voorzienigheid onderworpen is, als door haar geregeld en voorzegd, kunnen we een noodlot aannemen, ofschoon de H. Leeraars het gebruik van die naam geweigerd hebben om willen van hen, die naam verdraaiden lot een kracht der sterrenconstellatie. Vandaar zegt Augustinus: “Als iemand de menselijke aangelegenheden alleen aan het noodlot toeschrijft, omdat hij de wil en de macht van God zelf met de naam noodlot noemt, blijve hij bij zijn mening, maar corrigeere zijn taal”. En zo ook Gregorius het bestaan van het noodlot.

Unde patet solutio ad primum. (Ia q. 116 a. 1 ad 1)

Ad secundum dicendum quod nihil prohibet aliqua esse fortuita vel casualia per comparationem ad causas proximas, non tamen per comparationem ad divinam providentiam, sic enim nihil temere fit in mundo, ut Augustinus dicit in libro octoginta trium quaest. (Ia q. 116 a. 1 ad 2)

2 — En hieruit blijkt het antwoord op de eerste bedenking. Er is niets op tegen, dat sommige dingen met betrekking tot de naaste oorzaken gelukkig of toevallig zijn, maar niet met betrekking tot de goddelijke Voorzienigheid: zo immers u gebeurt er zoals Augustinus zegt, “niets blindelings in de wereld”.

Articulus 2.
Waarin is het noodlot?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod fatum non sit in rebus creatis. Dicit enim Augustinus, V de Civ. Dei, quod ipsa Dei voluntas vel potestas fati nomine appellatur. Sed voluntas et potestas Dei non est in creaturis, sed in Deo. Ergo fatum non est in rebus creatis, sed in Deo. (Ia q. 116 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het noodlot niet in de geschapen dingen is. — Augustinus zegt immers, dat “de Wil of de Macht van God zelf met de naam noodlot wordt aangeduid”. Maar de Wil en de Macht van God zijn met in de schepselen, maar in God. Dus is het noodlot met in de geschapen dingen, maar in God.

Praeterea, fatum comparatur ad ea quae ex fato aguntur, ut causa; ut ipse modus loquendi ostendit. Sed causa universalis per se eorum quae hic per accidens aguntur, est solus Deus, ut supra dictum est. Ergo fatum est in Deo, et non in rebus creatis. (Ia q. 116 a. 2 arg. 2)

2 — Het noodlot wordt met wat door het noodlot gebeurt, vergeleken als oorzaak, zoals de manier van spreken zelf aanduidt. Maar wat op zich algemene oorzaak is van wat hier bijkomstig gebeurt, is, zoals boven gezegd is (vorig Art.), alleen God. Dus is het noodlot in God, en niet in de geschapen dingen.

Praeterea, si fatum est in creaturis, aut est substantia, aut accidens, et quodcumque horum detur, oportet quod multiplicetur secundum creaturarum multitudinem. Cum ergo fatum videatur esse unum tantum, videtur quod fatum non sit in creaturis, sed in Deo. (Ia q. 116 a. 2 arg. 3)

3 — Als het noodlot in de dingen is, is het ofwel een zelfstandigheid ofwel een bijkomstigheid: en wat van deze het zij, het vermenigvuldigd worden volgens de veelheid der dingen. Daar dus het noodlot slechts één schijnt te zijn, schijnt het niet in de schepselen, maar in God te zijn.

Sed contra est quod Boetius dicit, in IV de Consol. quod fatum est dispositio rebus mobilibus inhaerens. (Ia q. 116 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter, wat Boëtius zegt, dat “het noodlot de dispositie is in de veranderlijke dingen”.

Respondeo dicendum quod, sicut ex praedictis patet, divina providentia per causas medias suos effectus exequitur. Potest ergo ipsa ordinatio effectuum dupliciter considerari. Uno modo, secundum quod est in ipso Deo, et sic ipsa ordinatio effectuum vocatur providentia. Secundum vero quod praedicta ordinatio consideratur in mediis causis a Deo ordinatis ad aliquos effectus producendos, sic habet rationem fati. Et hoc est quod Boetius dicit, IV de Consol., sive famulantibus quibusdam providentiae divinae spiritibus fatum exercetur; seu anima, seu tota inserviente natura, sive caelestibus siderum motibus, seu angelica virtute, seu Daemonum varia solertia, seu aliquibus eorum, seu omnibus, fatalis series texitur, de quibus omnibus per singula in praecedentibus dictum est. Sic ergo est manifestum quod fatum est in ipsis causis creatis, inquantum sunt ordinatae a Deo ad effectus producendos. (Ia q. 116 a. 2 co.)

Zoals uit het bovenstaande (22e Kw. 3e Art.; 103e Kw. 6e Art.) duidelijk is, voert de goddelijke Voorzienigheid haar gevolgen uit door tussenoorzaken. Men kan dus op twee manieren de volgorde van gevolgen bezien. Voor zover deze in God is: en zo wordt de ordening der gevolgen Voorzienigheid genoemd. Voor zover echter voornoemde bezien wordt in de door God tot het voortbrengen van bepaalde gevolgen verordende tussenoorzaken, heeft zij het karakter van noodlot. En dit is wat Boëtius zeide: “Hetzij het noodlot uitgevoerd wordt door sommige de goddelijke Voorzienigheid dienende geesten, of door de ziel, of de gehele dienende natuur, hetzij door de hemelbewegingen der sterren, of de kracht der engelen, of de verschillende listigheden der duivels, hetzij door sommige van deze hetzij door alle, steeds wordt de fatale reeks geweven”. En over dit alles is in het voorgaande afzonderlijk gesproken (vorig Art.; 104e Kw. 1e Art.; 110e Kw. 1e Art.; 113e en 114e Kw.). Zo is het dus klaar, dat het noodlot in de geschapen dingen zelf is, in zover ze door God tot het voortbrengen van gevolgen geordend zijn.

Ad primum ergo dicendum quod ipsa ordinatio causarum secundarum, quam Augustinus seriem causarum nominat, non habet rationem fati, nisi secundum quod dependet a Deo. Et ideo causaliter Dei potestas vel voluntas dici potest fatum. Essentialiter vero fatum est ipsa dispositio seu series, idest ordo, causarum secundarum. (Ia q. 116 a. 2 ad 1)

1 — De volgorde der tweede oorzaken, die Augustinus “oorzakenreeks” noemt, heeft alleen het karakter van noodlot, voor zover zij van God afhangt. En daarom kan oorzakelijk Gods Macht en Wil noodlot genoemd worden. Maar wezenlijk is het noodlot de dispositie of reeks, dat is volgorde, der tweede oorzaken.

Ad secundum dicendum quod intantum fatum habet rationem causae, inquantum et ipsae causae secundae, quarum ordinatio fatum vocatur. (Ia q. 116 a. 2 ad 2)

2 — Het noodlot heeft in zover karakter van oorzaak, als de tweede oorzaken zelf, wier reeks noodlot genoemd wordt.

Ad tertium dicendum quod fatum dicitur dispositio, non quae est in genere qualitatis; sed secundum quod dispositio designat ordinem, qui non est substantia, sed relatio. Qui quidem ordo, si consideretur per comparationem ad suum principium, est unus, et sic dicitur unum fatum. Si autem consideretur per comparationem ad effectus, vel ad ipsas causas medias, sic multiplicatur, per quem modum poeta dixit, te tua fata trahunt. (Ia q. 116 a. 2 ad 3)

3 — Het noodlot wordt geen dispositie genoemd, die in hel geslacht kwaliteit is, maar die reeks betekent; deze is geen ze standigheid maar betrekking. En deze reeks is naar haar eigense beschouwd, één, en zo is er slechts één noodlot. Wordt ze echter bezien met betrekking tot de gevolgen of tot de tussenoorzaken zelf, dan wordt ze veelvoudig: en op deze manier zeide e ie ter. “Uw noodlotten trekken u”.

Articulus 3.
Is het noodlot onwrikbaar?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod fatum non sit immobile. Dicit enim Boetius, in IV de Consol., uti est ad intellectum ratiocinatio, ad id quod est id quod gignitur, ad aeternitatem tempus, ad punctum medium circulus; ita est fati series mobilis ad providentiae stabilem simplicitatem. (Ia q. 116 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het noodlot niet onwrikbaar is. — Boëtius zegt immers: “Wat ten opzichte van het verstand de redenering is; van wat is, dat wat wordt; van het middelpunt de cirkel; dat is de bewegelijke fatale reeks ten opzichte van de stabiele eenvoud der voorzienigheid”.

Praeterea, sicut philosophus dicit in II Topic., motis nobis, moventur ea quae in nobis sunt. Sed fatum est dispositio inhaerens rebus mobilibus, ut Boetius dicit. Ergo fatum est mobile. (Ia q. 116 a. 3 arg. 2)

2 — Zoals de Wijsgeer zegt, “wordt als wij bewogen worden. al wat in ons is, bewogen”. Maar het noodlot is, zoals Boëtius zegt, de dispositie in de veranderlijke dingen. Dus is het noodlot veranderlijk.

Praeterea, si fatum est immobile, ea quae subduntur fato, immobiliter et ex necessitate eveniunt. Sed talia maxime videntur esse contingentia, quae fato attribuuntur. Ergo nihil erit contingens in rebus, sed omnia ex necessitate evenient. (Ia q. 116 a. 3 arg. 3)

3 — Als het noodlot onwrikbaar is, zal alles wat aan het noodlot onderworpen is, onveranderlijk en noodzakelijk gebeuren. Maar juist wat aan het noodlot wordt toegekend, schijnt in de hoogste mate te gebeuren al naar het uitvalt. Dus zal er niets in de dingen al naar het uitvalt gebeuren, maar alles noodzakelijk geschieden.

Sed contra est quod Boetius dicit, quod fatum est immobilis dispositio. (Ia q. 116 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat wat Boëtius zegt, dat het noodlot een onwrikbare dispositie is.

Respondeo dicendum quod dispositio secundarum causarum, quam fatum dicimus, potest dupliciter considerari, uno modo, secundum ipsas causas secundas, quae sic disponuntur seu ordinantur; alio modo, per relationem ad primum principium a quo ordinantur, scilicet Deum. Quidam ergo posuerunt ipsam seriem seu dispositionem causarum esse secundum se necessariam, ita quod omnia ex necessitate contingerent; propter hoc, quod quilibet effectus habet causam, et causa posita necesse est effectum poni. Sed hoc patet esse falsum, per ea quae supra dicta sunt. Alii vero e contrario posuerunt fatum esse mobile, etiam secundum quod a divina providentia dependet. Unde Aegyptii dicebant quibusdam sacrificiis fatum posse mutari, ut Gregorius Nyssenus dicit. Sed hoc supra exclusum est, quia immobilitati divinae providentiae repugnat. Et ideo dicendum est quod fatum, secundum considerationem secundarum causarum, mobile est, sed secundum quod subest divinae providentiae, immobilitatem sortitur, non quidem absolutae necessitatis, sed conditionatae; secundum quod dicimus hanc conditionalem esse veram vel necessariam, si Deus praescivit hoc futurum, erit. Unde cum Boetius dixisset fati seriem esse mobilem, post pauca subdit, quae cum ab immobilis providentiae proficiscatur exordiis, ipsam quoque immutabilem esse necesse est. (Ia q. 116 a. 3 co.)

De reeks der tweede oorzaken, die wij noodlot noemen, kan op twee wijzen bezien worden: eerst naar de tweede oorzaken zelf, die aldus worden gedisponeerd of geordend; vervolgens naar het eerste beginsel, waardoor ze geordend worden, nl. God. Sommigen hebben gemeend dat de oorzakenreeks of volgorde op zich beschouwd noodzakelijk is, zó dat alles noodzakelijk gebeurt, en wel hierom, daar ieder gevolg een oorzaak heeft; en eenmaal de oorzaak aangenomen, ook het gevolg aangenomen moet worden. — Maar dit blijkt uit hetgeen boven gezegd is (115e Kw. 6e Art.), vals. Anderen daarentegen meenden, dat het noodlot veranderlijk was, ook voor zover het van de goddelijke Voorzienigheid afhangt. Vandaar zeiden, zoals Gregorius van Nyssa zegt, de Egyptenaren, dat door sommige offers het noodlot kon veranderd worden. — Maar dit is boven uitgesloten (23e Kw. 8e Art.), daar, met de onwrikbaarheid der goddelijke Voorzienigheid in strijd is. En daarom moet men zeggen, dat het noodlot gezien de tweede oorzaken — veranderlijk is; maar voor zover het van de goddelijke Voorzienigheid afhangt, een onwrikbaarheid krijgt, die niet absoluut noodzakelijk is, maar voorwaardelijk; zoals we ook zeggen, dat deze voorwaardelijke zin waar of noodzakelijk is. Als God dit vooruit als toekomstig heeft gekend, zal het zijn. Vandaar dat Boëtius, na gezegd te hebben, dat de fatale reeks veranderlijk is, een weinig later toevoegt: “Daar die (reeks) van een onwrikbare Voorzienigheid uitgaat, moet zij ook zelf onwrikbaar zijn”. En hiermede is het antwoord op de bedenkingen duidelijk

Et per hoc patet responsio ad obiecta. (Ia q. 116 a. 3 ad arg.)

Articulus 4.
Valt alles onder het noodlot?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod omnia fato subdantur. Dicit enim Boetius, in IV de Consol., series fati caelum et sidera movet, elementa in se invicem temperat, et alterna format transmutatione; eadem nascentia occidentiaque omnia per similes foetuum seminumque renovat progressus; haec actus fortunasque hominum indissolubili causarum connexione constringit. Nihil ergo excipi videtur, quod sub fati serie non contineatur. (Ia q. 116 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat alles onder het noodlot valt. — Boëtius zegt immers: “De fatale reeks beweegt de hemel en de sterren, matigt de elementen ten opzichte van elkaar, en vormt ze door wederzijdse verandering; hernieuwt al wat ontstaat en vergaat door gelijke ontwikkeling van vrucht en zaad; en bindt de daden en het geluk der mensen door een onoplosbaren band van oorzaken”. Niets schijnt dus uitgezonderd te worden, wat niet onder de fatale reeks zou vallen.

Praeterea, Augustinus dicit, in V de Civ. Dei, quod fatum aliquid est, secundum quod ad voluntatem et potestatem Dei refertur. Sed voluntas Dei est causa omnium quae fiunt, ut Augustinus dicit in III de Trin. Ergo omnia subduntur fato. (Ia q. 116 a. 4 arg. 2)

2 — Augustinus zegt, dat het noodlot iets is, in zover het tot Gods Wil en Macht wordt teruggebracht. Maar Gods Wil is, naar Augustinus zegt, de oorzaak van al wat gebeurt. Alles valt dus onder het noodlot.

Praeterea, fatum, secundum Boetium, est dispositio rebus mobilibus inhaerens. Sed omnes creaturae sunt mutabiles, et solus Deus vere immutabilis, ut supra habitum est. Ergo in omnibus creaturis est fatum. (Ia q. 116 a. 4 arg. 3)

3 — Het noodlot is volgens Boëtius, “de dispositie in de veranderlijke dingen”. Maar zoals boven gezegd is (9e Kw. 2e Art.), zijn alle schepselen veranderlijk, en is God alleen waarlijk Onveranderlijk. Dus is onder alle schepselen noodlot.

Sed contra est quod Boetius dicit, in IV de Consol., quod quaedam quae sub providentia locata sunt, fati seriem superant. (Ia q. 116 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter, wat Boëtius zegt, “dat sommige dingen, die onder de voorzienigheid geplaatst zijn, de fatale reeks te boven gaan”.

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, fatum est ordinatio secundarum causarum ad effectus divinitus provisos. Quaecumque igitur causis secundis subduntur, ea subduntur et fato. Si qua vero sunt quae immediate a Deo fiunt, cum non subdantur secundis causis, non subduntur fato; sicut creatio rerum, glorificatio spiritualium substantiarum, et alia huiusmodi. Et hoc est quod Boetius dicit, quod ea quae sunt primae divinitati propinqua, stabiliter fixa, fatalis ordinem mobilitatis excedunt. Ex quo etiam patet quod quanto aliquid longius a prima mente discedit, nexibus fati maioribus implicatur; quia magis subiicitur necessitati secundarum causarum. (Ia q. 116 a. 4 co.)

Het noodlot is, zoals boven gezegd is (2e Art.), de volgorde der tweede oorzaken, voor de van Godswege voorziene gevolgen. Al wat dus onder tweede oorzaken valt, valt onder het noodlot. Maar zijn er dingen, die onmiddellijk door God gebeuren, dan vallen ze met onder het noodlot, omdat ze niet onder de tweede oorzaken vallen: zoals de schepping der dingen, de verheerlijking der geestelijke zelfstandigheden, e. d. En dit is wat Boëtius zegt, dat “wat stabiel bevestigd, de eerste God nabij is, de fatale veranderlijke orde te boven gaat”. Waaruit ook duidelijk is dat “hoe meer iets zich verder van het eerste verstand verwijdert, het des te meer verstrikt wordt in de handen van het noodlot”: want dan is het meer onderworpen aan de noodzaak der tweede oorzaken.

Ad primum ergo dicendum quod omnia illa quae ibi tanguntur, fiunt a Deo mediantibus causis secundis; et ideo sub fati serie continentur. Sed non est eadem ratio de omnibus aliis, ut supra dictum est. (Ia q. 116 a. 4 ad 1)

1 — Alles wat in deze bedenking wordt aangeraakt, geschiedt door God door middel van tussenoorzaken, en valt dus onder de fatale reeks. Maar datzelfde geldt niet, zoals boven gezegd is (in de Leerstelling), voor alle andere dingen.

Ad secundum dicendum quod fatum refertur ad voluntatem et potestatem Dei, sicut ad primum principium. Unde non oportet quod quidquid subiicitur voluntati divinae vel potestati, subiiciatur fato, ut dictum est. (Ia q. 116 a. 4 ad 2)

2 — Het noodlot wordt tot de Wil en de Macht Gods als tot zijn eerste beginsel teruggebracht. Daarom is het, zoals boven gezegd, (in de Leerstelling), niet nodig dat al wat aan de Wil en de Macht Gods onderworpen is, ook aan het noodlot onderworpen is.

Ad tertium dicendum quod, quamvis omnes creaturae sint aliquo modo mutabiles, tamen aliquae earum non procedunt a causis creatis mutabilibus. Et ideo non subiiciuntur fato, ut dictum est. (Ia q. 116 a. 4 ad 3)

3 — Mogen ook alle schepselen eengszins veranderlijk zijn, niet alle komen van veranderlijke geschapen oorzaken voort. En dus zijn deze, zoals gezegd is (in de Leerstelling), niet aan het noodlot onderworpen.