QuaestioArticulus

Prima Pars. Quaestio 111.
De inwerking der engelen op de mensen .

Prooemium

Deinde considerandum est de actione Angelorum in homines. Et primo, quantum possint eos immutare sua virtute naturali; secundo, quomodo mittantur a Deo ad ministerium hominum; tertio, quomodo custodiant homines. Circa primum quaeruntur quatuor. Primo, utrum Angelus possit illuminare intellectum hominis. Secundo, utrum possit immutare affectum eius. Tertio, utrum possit immutare imaginationem eius. Quarto, utrum possit immutare sensum eius. (Ia q. 111 pr.)

Vervolgens moeten we de inwerking der engelen op de mensen nagaan. En wel vooreerst in hoever zij hen door hun natuurlijke kracht kunnen beïnvloeden; vervolgens, hoe zij door God gezonden worden tot bediening der mensen; ten derde, hoe zij de mensen beschermen. Omtrent het eerste punt stellen we vier vragen: 1. Kan de engel het menselijk verstand verlichten? 2. Kan hij het affect beïnvloeden? 3. Kan hij de verbeelding beïnvloeden? 4. Kan hij de zinnen beïnvloeden?

Articulus 1.
Kan de engel het menselijk verstand verlichten?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod Angelus non possit illuminare hominem. Homo enim illuminatur per fidem, unde Dionysius, in Eccles. Hier., illuminationem attribuit Baptismo, qui est fidei sacramentum. Sed fides immediate est a Deo; secundum illud ad Ephes. II, gratia estis salvati per fidem, et non ex vobis; Dei enim donum est. Ergo homo non illuminatur ab Angelo, sed immediate a Deo. (Ia q. 111 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de engel de mens niet kan verlichten. — De mens wordt immers verlicht door het geloof, waarom ook Dionysius de verlichting toekent aan de doop, die het Sacrament des geloofs is. Maar het geloof komt onmiddellijk van God, naar het woord uit de Brief aan de Efeziërs (2, 8) “Want uit genade zijt ge gered door het geloof. Niet uit uzelf: Gods gave is het”. Dus wordt de mens niet verlicht door een engel, maar onmiddellijk door God.

Praeterea, super illud Rom. I, Deus illis manifestavit, dicit Glossa quod non solum ratio naturalis ad hoc profuit ut divina hominibus manifestarentur, sed etiam Deus illis revelavit per opus suum, scilicet per creaturam. Sed utrumque est a Deo immediate, scilicet ratio naturalis, et creatura. Ergo Deus immediate illuminat hominem. (Ia q. 111 a. 1 arg. 2)

2 — Naar aanleiding van het woord uit de Brief aan de Romeinen (1, 19): “God heeft het hun geopenbaard”, zegt de Glossa, dat “niet slechts de natuurlijke rede van nut was om het goddelijke aan de mensen bekend te maken, maar God openbaarde het hun ook door zijn werk”, nl. door de schepping. Maar beide zijn onmiddellijk van God: natuurlijke rede en schepping. Dus verlicht God onmiddellijk de mens.

Praeterea, quicumque illuminatur, cognoscit suam illuminationem. Sed homines non percipiunt se ab Angelis illuminari. Ergo non illuminantur ab eis. (Ia q. 111 a. 1 arg. 3)

3 — Alwie verlicht wordt, kent zijn verlichting. Maar de mensen nemen niet waar, dat zij door engelen verlicht worden. Dus worden zij niet door hen verlicht.

Sed contra est quod Dionysius probat, in IV cap. Cael. Hier., quod revelationes divinorum perveniunt ad homines mediantibus Angelis. Huiusmodi autem revelationes sunt illuminationes, ut supra dictum est. Ergo homines illuminantur per Angelos. (Ia q. 111 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Dionysius bewijst, dat de goddelijke openbaringen tot de mensen komen door middel van engelen. Dergelijke openbaringen zijn, zoals boven gezegd is (106e Kw. 1e Art.; 107e Kw. 2e Art.), verlichtingen. Dus worden de mensen door de engelen verlicht.

Respondeo dicendum quod, cum divinae providentiae ordo habeat ut actionibus superiorum inferiora subdantur, ut supra dictum est; sicut inferiores Angeli illuminantur per superiores, ita homines qui sunt Angelis inferiores, per eos illuminantur. Sed modus utriusque illuminationis quodammodo est similis, et quodammodo diversus. Dictum est enim supra quod illuminatio, quae est manifestatio divinae veritatis, secundum duo attenditur, scilicet secundum quod intellectus inferior confortatur per actionem intellectus superioris; et secundum quod proponuntur intellectui inferiori species intelligibiles quae sunt in superiori, ut capi possint ab inferiori. Et hoc quidem in Angelis fit, secundum quod superior Angelus veritatem universalem conceptam dividit secundum capacitatem inferioris Angeli, ut supra dictum est. Sed intellectus humanus non potest ipsam intelligibilem veritatem nudam capere, quia connaturale est ei ut intelligat per conversionem ad phantasmata, ut supra dictum est. Et ideo intelligibilem veritatem proponunt Angeli hominibus sub similitudinibus sensibilium; secundum illud quod dicit Dionysius, I cap. Cael. Hier., quod impossibile est aliter nobis lucere divinum radium, nisi varietate sacrorum velaminum circumvelatum. Ex alia vero parte, intellectus humanus, tanquam inferior, fortificatur per actionem intellectus angelici. Et secundum haec duo attenditur illuminatio qua homo illuminatur ab Angelo. (Ia q. 111 a. 1 co.)

Daar zoals boven gezegd is (109e Kw. 2e Art.; 110e Kw. 1e Art.), in het plan der goddelijke Voorzienigheid besloten is, dat het lagere aan de inwerking van het hogere is onderworpen, worden de mensen, zoals de lagere engelen door de hogere, door hen verlicht. Maar de manier van deze beide verlichtingen is in zeker opzicht gelijk en in ander opzicht verschillend. Boven is nl. gezegd (106 Kw. 1e Art.), dat de verlichting, als openbaring der goddelijke Waarheid, met betrekking tot twee punten gezien wordt: nl. voor zover het lagere verstand versterkt wordt door de werking van het hogere; en vervolgens voor zover de kenbeelden, die in het hogere verstand zijn, aan het lagere zo worden voorgesteld, dat ze begrepen worden door het lagere. En dit geschiedt bij de engelen, zoals boven gezegd is (106e Kw. 1e Art.), doordat de hogere engel, de door hem begrepen algemene waarheid naar het bevattingsvermogen van de lagere verdeelt. Maar het menselijk intellect kan de begrijpbare waarheid niet zonder meer vatten: want het is in overeenstemming met zijn natuur, dat hij, zoals boven gezegd is (84e Kw. 7e Art.), begrijpt door gebruikmaking van fantasiebeelden, naar het woord van Dionysius, dat “de goddelijke lichtstraal voor ons onmogelijk anders lichten kan dan bedekt door de verscheidenheid der heilige sluiers”. — Vanden anderen kant wordt het menselijk verstand als lager dan het verstand van de engel, door de werking daarvan versterkt. En naar deze beide wordt de verlichting gezien, waardoor de mens door de engel verlicht wordt.

Ad primum ergo dicendum quod ad fidem duo concurrunt. Primo quidem habitus intellectus, quo disponitur ad obediendum voluntati tendenti in divinam veritatem, intellectus enim assentit veritati fidei, non quasi convictus ratione, sed quasi imperatus a voluntate; nullus enim credit nisi volens, ut Augustinus dicit. Et quantum ad hoc, fides est a solo Deo. Secundo requiritur ad fidem, quod credibilia proponantur credenti. Et hoc quidem fit per hominem, secundum quod fides est ex auditu, ut dicitur Rom. X; sed per Angelos principaliter, per quos hominibus revelantur divina. Unde Angeli operantur aliquid ad illuminationem fidei. Et tamen homines illuminantur ab Angelis non solum de credendis, sed etiam de agendis. (Ia q. 111 a. 1 ad 1)

1 — Antwoord op de Bedenkingen. — Twee dingen behoren tot het geloof. Vooreerst, de hebbelijkheid van het verstand, waardoor het gedisponeerd wordt om gehoor te geven aan de wil, die naar de goddelijke Waarheid streeft: het verstand tuigt, maar op bevel van de wil: “Niemand” immers “gelooft, dan hij die wil geloven”, zoals Augustinus zegt. En wat dit aangaat, is het geloof van God alleen. — Vervolgens wordt er voor het geloof gevraagd, dat de te geloven waarheden aan de gelovige worden voorgesteld. En dit gebeurt door de mens, voor zover, naar in de Brief aan de Romeinen (10, 17) gezegd wordt, “het geloof uit het gehoor is”; maar voornamelijk geschiedt het door de engelen, door wie de goddelijke dingen aan de mensen geopenbaard worden. Dus de engelen doen iets voor de verlichting des geloofs. — En toch worden de mensen door de engelen niet alleen over hetgeen te geloven is verlicht, maar ook over wat gedaan moet worden.

Ad secundum dicendum quod ratio naturalis, quae est immediate a Deo, potest per Angelum confortari, ut dictum est. Et similiter ex speciebus a creaturis acceptis, tanto altior elicitur intelligibilis veritas, quanto intellectus humanus fuerit fortior. Et sic per Angelum adiuvatur homo, ut ex creaturis perfectius in divinam cognitionem deveniat. (Ia q. 111 a. 1 ad 2)

2 — De natuurlijke rede, die onmiddellijk van God is, kan als gezegd is (in de Leerstelling), door de engel versterkt worden. — En eveneens wordt uit de kenbeelden, aan de dingen ontnomen, des te hoger begrijpbare waarheid ontleend, naargelang het verstand sterker is. En zo wordt de mens door de engel geholpen om uit de schepselen tot volkomener goddelijke kennis te komen.

Ad tertium dicendum quod operatio intellectualis, et illuminatio, dupliciter possunt considerari. Uno modo, ex parte rei intellectae, et sic quicumque intelligit vel illuminatur, cognoscit se intelligere vel illuminari; quia cognoscit rem sibi esse manifestam. Alio modo, ex parte principii, et sic non quicumque intelligit aliquam veritatem, cognoscit quid sit intellectus, qui est principium intellectualis operationis. Et similiter non quicumque illuminatur ab Angelo, cognoscit se ab Angelo illuminari. (Ia q. 111 a. 1 ad 3)

3 — Verstandswerking en verlichting kunnen tweevoudig beschouwd worden. Vooreerst van de kant van de begrepen zaak: en zo weet ieder, die begrijpt of verlicht wordt, dat hij begrijpt of volgens van de kant van het beginsel: en zo weet niet ieder, die een waarheid begrijpt, wat het verstand is, dat het beginsel der verstandswerking is. En op dezelfde manier weet niet ieder, die door een engel verlicht wordt, dat hij door een engel verlicht wordt.

Articulus 2.
Kan hij het affect beïnvloeden?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod Angeli possint immutare voluntatem hominis. Quia super illud Heb. I, qui facit Angelos suos spiritus, et ministros suos flammam ignis, dicit Glossa quod ignis sunt, dum spiritu fervent, et vitia nostra urunt. Sed hoc non esset, nisi voluntatem immutarent. Ergo Angeli possunt immutare voluntatem. (Ia q. 111 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de engelen de menselijke wil kunnen beïnvloeden. — 1. Want naar aanleiding van het woord uit de Brief aan de Hebreen (1, 7): “Die zijn engelen geesten maakt, en zijn dienaren vlammend vuur”, zegt de Glossa, dat “zij vuur zijn, daar zij vurig zijn van geest, en onze ondeugden uitbranden”. Maar dit zou niet zijn, als ze de wil niet beïnvloeden.

Praeterea, Beda dicit quod Diabolus non est immissor malarum cogitationum, sed incensor. Damascenus autem ulterius dicit quod etiam est immissor, dicit enim in II libro, quod omnis malitia et immundae passiones ex Daemonibus excogitatae sunt, et immittere homini sunt concessi. Et pari ratione, Angeli boni immittunt et incendunt bonas cogitationes. Sed hoc non possent facere, nisi immutarent voluntatem. Ergo immutant voluntatem. (Ia q. 111 a. 2 arg. 2)

2 — Beda zegt, dat “de duivel geen boze gedachten ingeef maar er toe aanzet”. Damascenus zegt bovendien nog, dat hij ze ingeeft; hij zegt nl. dat “iedere boosheid en onzuivere hartstocht door de duivels zijn uitgedacht, en het hun toegelaten wordt die aan de mens in te geven”. Om dezelfde reden geven dus de goede engelen goede gedachten in, en zetten ertoe aan. Maar dit zouden ze niet kunnen doen zonder de wil te beïnvloeden. Dus beïnvloeden ze de wil. Zoals gezegd is (vorig Art.), verlicht de engel het menselijk verstand door middel van de fantasiebeelden. Maar zoals de fantasie, die het verstand dient, door de engel kan beïnvloed worden, zo ook de zinnelijke begeerte, die de wil dient: want ook deze is een kracht die gebruikt maakt van een lichamelijk orgaan. Zoals dus de engel het verstand verlicht, heeft hij ook invloed op de wil.

Praeterea, Angelus, sicut est dictum, illuminat intellectum hominis mediantibus phantasmatibus. Sed sicut phantasia, quae deservit intellectui, potest immutari ab Angelo; ita et appetitus sensitivus qui deservit voluntati, quia et ipse etiam est vis utens organo corporali. Ergo sicut illuminat intellectum, ita potest immutare voluntatem. (Ia q. 111 a. 2 arg. 3)

Sed contra est quod immutare voluntatem est proprium Dei; secundum illud Prov. XXI, cor regis in manu domini; quocumque voluerit, vertet illud. (Ia q. 111 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de wil beïnvloeden het eigene is van God, naar het woord uit het Boek der Spreuken (21, 1): “Het hart des konings is in de hand des Heeren, verwaarts Hij wil, buigt Hij het”.

Respondeo dicendum quod voluntas potest immutari dupliciter. Uno modo, ab interiori. Et sic cum motus voluntatis non sit aliud quam inclinatio voluntatis in rem volitam, solius Dei est sic immutare voluntatem, qui dat naturae intellectuali virtutem talis inclinationis. Sicut enim inclinatio naturalis non est nisi a Deo qui dat naturam; ita inclinatio voluntaria non est nisi a Deo, qui causat voluntatem. Alio modo movetur voluntas ab exteriori. Et hoc in Angelo est quidem uno modo tantum, scilicet a bono apprehenso per intellectum. Unde secundum quod aliquis est causa quod aliquid apprehendatur ut bonum ad appetendum, secundum hoc movet voluntatem. Et sic etiam solus Deus efficaciter potest movere voluntatem; Angelus autem et homo per modum suadentis, ut supra dictum est. Sed praeter hunc modum, etiam aliter movetur in hominibus voluntas ab exteriori, scilicet ex passione existente circa appetitum sensitivum; sicut ex concupiscentia vel ira inclinatur voluntas ad aliquid volendum. Et sic etiam Angeli, inquantum possunt concitare huiusmodi passiones, possunt voluntatem movere. Non tamen ex necessitate, quia voluntas semper remanet libera ad consentiendum vel resistendum passioni. (Ia q. 111 a. 2 co.)

De wil kan op twee wijzen beïnvloed worden. Enerzijds van binnenuit.. En daar aldus wilsbeweging niets anders is dan de neiging van de wil naar het gewilde voorwerp, komt deze wijze van beïnvloeding alleen toe aan God, die aan de verstandelijke natuur het vermogen van zulke neiging geeft. Zoals de natuurlijke neiging niet dan van God is, die de natuur schenkt, zo is ook de wilsneiging niet dan van God, die de wil veroorzaakt. Anderzijds wordt de wil bewogen van buitenaf. En dit is bij de engel slechts op één manier, nl. door het door het verstand waargenomen goed. Voor zover iemand dus er oorzaak van is, dat iets waargenomen wordt als begeerbaar goed, in zover beïnvloedt hij de wil. En zo ook kan alleen God effectief de wil beïnvloeden; de engel en de mens echter, zoals boven gezegd is (106e Kw. 2e Art.), slechts bij wijze van overreding. — Bij de mensen echter wordt de wil, behalve op deze wijze, ook nog op een andere manier van buitenaf beïnvloed, nl. door de hartstocht, die in het zinnelijk streefvermogen is opgewekt: uit begeerlijkheid en toorn wordt de wil geneigd iets te willen. En zo kunnen dus de engelen, in zover ze dergelijke hartstochten kunnen opwekken, de wil beïnvloeden. Niet echter noodzakelijk, want de wil blijft altijd vrij om aan de hartstocht toe te geven of eraan te weerstaan.

Ad primum ergo dicendum quod ministri Dei, vel homines vel Angeli, dicuntur urere vitia, et inflammare ad virtutes, per modum persuasionis. (Ia q. 111 a. 2 ad 1)

1 — Men zegt van de dienaren Gods, mensen of engelen, dat ze de ondeugden uitbranden en tot deugd ontvlammen bij wijze van overreding.

Ad secundum dicendum quod Daemones non possunt immittere cogitationes, interius eas causando, cum usus cogitativae virtutis subiaceat voluntati. Dicitur tamen Diabolus incensor cogitationum, inquantum incitat ad cogitandum, vel ad appetendum cogitata, per modum persuadentis, vel passionem concitantis. Et hoc ipsum incendere Damascenus vocat immittere, quia talis operatio interius fit. Sed bonae cogitationes attribuuntur altiori principio, scilicet Deo; licet Angelorum ministerio procurentur. (Ia q. 111 a. 2 ad 2)

2 — De duivels kunnen geen boze gedachten ingeven, door die inwendig te veroorzaken, daar het gebruik van de cogitativa aan de wil onderworpen is. Men zegt echter dat de duivel gedachten opwekt, in zover hij bij wijze van overreding of door het opwekken van hartstochten, aanzet tot gedachten, of tot het begeeren der gedachte dingen. En dit opwekken noemt Damascenus ingeven, omdat zulke werking inwendig plaats heeft. — Maar de goede gedachten worden aan een hoger beginsel toegeschreven, nl. aan God, ofschoon ze door de bediening der goede engelen worden verzorgd.

Ad tertium dicendum quod intellectus humanus, secundum praesentem statum, non potest intelligere nisi convertendo se ad phantasmata; sed voluntas humana potest aliquid velle ex iudicio rationis, non sequendo passionem appetitus sensitivi. Unde non est simile. (Ia q. 111 a. 2 ad 3)

3 — Het menselijk verstand kan in de huidige toestand niet begrijpen zonder gebruikmaking van de fantasiebeelden; maar de menselijke wil kan iets willen volgens het verstandsoordeel zonder de hartstocht van het zinnelijke streefvermogen te volgen, zodat dit niet hetzelfde is.

Articulus 3.
Kan hij de verbeelding beïnvloeden?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod Angelus non possit immutare imaginationem hominis. Phantasia enim, ut dicitur in libro de anima, est motus factus a sensu secundum actum. Sed si fieret per immutationem Angeli, non fieret a sensu secundum actum. Ergo est contra rationem phantasiae, quae est actus imaginativae virtutis, ut sit per immutationem Angeli. (Ia q. 111 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de duivel de verbeelding niet kan beïnvloeden. — De fantasie is immers, zoals in De Anima gezegd wordt, “een beweging ontstaan door de waarnemende zinnen”. Maar indien dit geschiedde door de invloed van een engel, geschiedde het niet door de zinnen. Het is dus tegen de eigen aard van de fantasie, die de actualiteit van de verbeeldingskracht is, dat zij door de invloed van een engel ontstaat.

Praeterea, formae quae sunt in imaginatione, cum sint spirituales, sunt nobiliores formis quae sunt in materia sensibili. Sed Angelus non potest imprimere formas in materia sensibili, ut dictum est. Ergo non potest imprimere formas in imaginatione. Et ita non potest eam immutare. (Ia q. 111 a. 3 arg. 2)

2 — Daar de vormen, die in de verbeelding zijn, onstoffelijk zijn, zijn ze nobeler dan de vormen, die in de zinnelijk waarneembare stof zijn. Maar een engel kan, zoals gezegd is (110e Kw. 2e Art.), geen vormen indrukken in de zinnelijk waarneembare stof. Dus kan hij ook geen vormen indrukken in de verbeelding. En zo kan hij deze niet beïnvloeden.

Praeterea, secundum Augustinum, XII super Gen. ad Litt., commixtione alterius spiritus fieri potest ut ea quae ipse scit, per huiusmodi imagines ei cui miscetur ostendat, sive intelligenti, sive ut ab alio intellecta pandantur. Sed non videtur quod Angelus possit misceri imaginationi humanae; neque quod imaginatio possit capere intelligibilia, quae Angelus cognoscit. Ergo videtur quod Angelus non possit mutare imaginationem. (Ia q. 111 a. 3 arg. 3)

3 — Volgens Augustinus kan het gebeuren, dat “door de intrede van een anderen geest, deze datgene wat hij zelf weet door dergelijke beelden aan dengene, bij wien hij intreedt toont, hetzij om ie begrijpen, hetzij om het begrepene te verbreiden”. Maar de engel schijnt toch niet in de menselijke verbeelding te kunnen binnentreden, noch schijnt de verbeelding de verstandelijke kenbare dingen die de engel kent, te kunnen vatten. Het schijnt dus, dat de engel de verbeelding niet kan beïnvloeden.

Praeterea, in visione imaginaria homo adhaeret similitudinibus rerum quasi ipsis rebus. Sed in hoc est quaedam deceptio. Cum ergo Angelus bonus non possit esse causa deceptionis, videtur quod non possit causare imaginariam visionem, imaginationem immutando. (Ia q. 111 a. 3 arg. 4)

4 — In een visioen, dat alleen in de verbeelding bestaat, houdt de mens aan de beelden der dingen als aan de dingen zelf vast. Maar hierin is zeker bedrog. Daar echter de goede engel geen oorzaak van bedrog kan zijn, schijnt hij geen dergelijk visioen te kunnen veroorzaken door beïnvloeding van de verbeelding.

Sed contra est quod ea quae apparent in somnis, videntur imaginaria visione. Sed Angeli revelant aliqua in somnis; ut patet Matth. I et II, de Angelo qui Ioseph in somnis apparuit. Ergo Angelus potest imaginationem movere. (Ia q. 111 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat droomgezichten gezien worden door verbeeldingsvisioenen. Maar de engelen openbaren sommige dingen in droomen, zoals bij Mattheus (1,20 en 2,13, 19) duidelijk is van de engel, die aan Joseph in een droom verscheen. Dus kan een engel de verbeelding beïnvloeden.

Respondeo dicendum quod Angelus, tam bonus quam malus, virtute naturae suae potest movere imaginationem hominis. Quod quidem sic considerari potest. Dictum est enim supra quod natura corporalis obedit Angelo ad motum localem. Illa ergo quae ex motu locali aliquorum corporum possunt causari, subsunt virtuti naturali Angelorum. Manifestum est autem quod apparitiones imaginariae causantur interdum in nobis ex locali mutatione corporalium spirituum et humorum. Unde Aristoteles, in Lib. de Somn. et Vig., assignans causam apparitionis somniorum, dicit quod, cum animal dormit, descendente plurimo sanguine ad principium sensitivum, simul descendunt motus, idest impressiones relictae ex sensibilium motionibus, quae in spiritibus sensualibus conservantur, et movent principium sensitivum, ita quod fit quaedam apparitio, ac si tunc principium sensitivum a rebus ipsis exterioribus mutaretur. Et tanta potest esse commotio spirituum et humorum, quod huiusmodi apparitiones etiam vigilantibus fiant; sicut patet in phreneticis, et in aliis huiusmodi. Sicut igitur hoc fit per naturalem commotionem humorum; et quandoque etiam per voluntatem hominis, qui voluntarie imaginatur quod prius senserat, ita etiam hoc potest fieri virtute Angeli boni vel mali, quandoque quidem cum alienatione a corporeis sensibus, quandoque autem absque tali alienatione. (Ia q. 111 a. 3 co.)

Zowel de goede als de boze engel kan door eigen natuurlijke kracht de menselijke verbeelding beïnvloeden. Wat aldus kan beredeneerd worden. Boven is gezegd (1 10'“ Kw. 3‘‘ Art.), dat de lichamelijke natuur aan de engelen gehoorzaamd met betrekking tot plaatselijke beweging. Al dus wat veroorzaakt worden kan door plaatselijke beweging van lichamen, valt onder de natuurlijke kracht van de engel. Nu is het duidelijk, dat visioenen van de verbeelding bij ons somtijds hun oorzaak vinden in plaatselijke beweging van de gassen en vochten van ons lichaam. Vandaar dat Aristoteles de oorzaak van dergelijke droomgezichten besprekend zegt, dat “als het dier slaapt, en veel bloed bij het beginsel der zinnen samenkomt, ook tegelijk bewegingen plaats hebben”, d.i. indrukken uit de zinnelijke bewegingen overgebleven, die in de gassen bewaard bleven, “en het beginsel der zinnen bewegen”, zodat zekere verschijning plaats heeft, alsof dan het beginsel der zinnen door de uitwendige dingen zelf beroerd wordt. En die beweging van gassen en vochten kan zo sterk zijn, dat ook in wakenden toestand dergelijke gezichten kunnen plaats hebben; zoals blijkt bij waanzinnigen en zulken. Zoals dit gebeurt door de natuurlijke beweging der vochten, en soms ook door de wil van de mens, die zich vrijwillig in de verbeelding voorstelt, wat hij vroeger heeft waargenomen, zo kan dit ook gebeuren door de kracht van een goeden of bozen engel, soms met bewusteloosheid soms ook zonder.

Ad primum ergo dicendum quod primum principium phantasiae est a sensu secundum actum, non enim possumus imaginari quae nullo modo sensimus, vel secundum totum vel secundum partem; sicut caecus natus non potest imaginari colorem. Sed aliquando imaginatio informatur, ut actus phantastici motus consurgat, ab impressionibus interius conservatis, ut dictum est. (Ia q. 111 a. 3 ad 1)

1 — Het eerste beginsel van de fantasie komt van de waarnemende zinnen: we kunnen ons immers niets verbeelden wat we op geen enkele manier hetzij in zijn geheel hetzij ten deele, hebben waargenomen, zoals een blindgeborene zich geen kleur kan verbeelden. Maar soms krijgt de verbeelding, zoals gezegd is (in de Leerstelling), door inwendig bewaarde indrukken vorming, zodat beweging van de fantasie ontstaat.

Ad secundum dicendum quod Angelus transmutat imaginationem, non quidem imprimendo aliquam formam imaginariam nullo modo per sensum prius acceptam (non enim posset facere quod caecus imaginaretur colores), sed hoc facit per motum localem spirituum et humorum, ut dictum est. (Ia q. 111 a. 3 ad 2)

2 — De engel beïnvloedt de verbeelding niet door het indrukken van eenig fantasiebeeld, dat op geen enkele wijze door de zintuigen is ontvangen (hij zou immers niet kunnen maken, dat een blindgeborene zich kleuren verbeelde), maar hij doet dat, zoals gezegd is (in de Leerstelling), door plaatselijke beweging der gassen en vochten.

Ad tertium dicendum quod commixtio illa spiritus angelici ad imaginationem humanam, non est per essentiam, sed per effectum quem praedicto modo in imaginatione facit; cui demonstrat quae ipse novit, non tamen eo modo quo ipse novit. (Ia q. 111 a. 3 ad 3)

3 — Dat binnengaan van de engel in de menselijke verbeelding is niet door zijn wezen, maar door het gevolg, dat hij op voorzegde wijze in de verbeelding voortbrengt; hij toont eraan wat hij zei kent, maar niet op dezelfde wijze waarop hij het kent.

Ad quartum dicendum quod Angelus causans aliquam imaginariam visionem, quandoque quidem simul intellectum illuminat, ut cognoscat quid per huiusmodi similitudines significetur, et tunc nulla est deceptio. Quandoque vero per operationem Angeli solummodo similitudines rerum apparent in imaginatione, nec tamen tunc causatur deceptio ab Angelo, sed ex defectu intellectus eius cui talia apparent. Sicut nec Christus fuit causa deceptionis in hoc quod multa turbis in parabolis proposuit, quae non exposuit eis. (Ia q. 111 a. 3 ad 4)

4 — De engel, die een gezicht in de verbeelding opwekt, verlicht somtijds tegelijk het verstand, zodat het weet, wat door dergelijke beelden wordt betekend, en dan is er geen enkel bedrog. Soms echter ontstaan door de inwerking van de engel alleen de beelden der dingen in de fantasie: maar daarom wordt er geen bedrog door de engel veroorzaakt, maar is er vergissing door ontoereikendheid van het verstand, waaraan dergelijke dingen verschijnen. Zoals ook Christus geen oorzaak van bedrog was door het feit, dat Hij veel aan de scharen in beeldspraak voorhield, wat Hij haar met verder uitlegde.

Articulus 4.
Kan hij de zinnen beïnvloeden?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod Angelus non possit immutare sensum humanum. Operatio enim sensitiva est operatio vitae. Huiusmodi autem operatio non est a principio extrinseco. Non ergo operatio sensitiva potest causari ab Angelo. (Ia q. 111 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de engel de menselijke zinnen niet kan beïnvloeden. — De werking der zinnen is een levenswerking. Dergelijke werking komt niet van een uitwendig beginsel. Dus kan de werking der zinnen niet door een engel veroorzaakt worden.

Praeterea, virtus sensitiva est nobilior quam nutritiva. Sed Angelus, ut videtur, non potest mutare virtutem nutritivam; sicut nec alias formas naturales. Ergo neque virtutem sensitivam immutare potest. (Ia q. 111 a. 4 arg. 2)

2 — Het zinnelijk vermogen is nobeler dan de groeikracht. Maar de engel kan, naar het schijnt, de groeikracht niet beïnvloeden, evenmin als de andere natuurlijke vormen. Dus kan hij ook het zinnelijk vermogen niet beïnvloeden.

Praeterea, sensus naturaliter movetur a sensibili. Sed Angelus non potest immutare naturae ordinem, ut supra dictum est. Ergo Angelus non potest immutare sensum, sed semper sensus a sensibili immutatur. (Ia q. 111 a. 4 arg. 3)

3 — De zinnen worden natuurlijkerwijze door het zinnelijk waarneembare beïnvloed. Maar, zoals boven gezegd is (110e Kw. 4e Art.), kan de engel de natuurlijke orde niet veranderen. Dus kan de engel de zinnen niet beïnvloeden, maar deze worden altijd beïnvloed door het zinnelijk waarneembare.

Sed contra est quod Angeli qui subverterunt Sodomam, percusserunt Sodomitas caecitate (vel aorasia), ut ostium domus invenire non possent, ut dicitur Gen. XIX. Et simile legitur IV Reg. VI, de Syris quos Elisaeus duxit in Samariam. (Ia q. 111 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de engelen die Sodoma verwoestten, “de Sodomieten met blindheid (of aorasie) sloegen, zodal ze de deur van het huis niet vinden konden”, zoals in het Boek der Schepping (19, 11) gezegd wordt. En iets dergelijks lezen we in het Vierde Boek der Kortingen (6, 18) over de Syriërs, die Eliseus naar Samaria bracht.

Respondeo dicendum quod sensus immutatur dupliciter. Uno modo, ab exteriori; sicut cum mutatur a sensibili. Alio modo, ab interiori, videmus enim quod, perturbatis spiritibus et humoribus immutatur sensus; lingua enim infirmi, quia plena est cholerico humore, omnia sentit ut amara; et simile contingit in aliis sensibus. Utroque autem modo Angelus potest immutare sensum hominis sua naturali virtute. Potest enim Angelus opponere exterius sensui sensibile aliquod, vel a natura formatum, vel aliquod de novo formando; sicut facit dum corpus assumit, ut supra dictum est. Similiter etiam potest interius commovere spiritus et humores, ut supra dictum est, ex quibus sensus diversimode immutentur. (Ia q. 111 a. 4 co.)

Leerstelling. — De zinnen worden tweevoudig beïnvloed. Enerzijds van buiten af, zoals wanneer ze door het zinnelijk waarneembare beïnvloed worden. Anderzijds van binnen uit: we zien toch, dat bij verstoring van gassen en vochten de zinnen beïnvloed worden: de tong immers van een zieke, die vol is van bitter vocht, proeft alles bitter, en zo gebeurt het ook met andere zinnen. De engel kan op beide wijzen door zijn natuurlijke kracht de menselijke zinnen beïnvloeden. Hij kan immers van buiten af aan het zintuig een zinnelijk waarneembaar object voorstellen, dat ofwel door de natuur gevormd is, ofwel van meet af gevormd moet worden, zoals hij, naar boven gezegd is (51e Kw. 2e Art.), doet, als hij een lichaam aanneemt. Insgelijks kan hij inwendig de gassen en vochten, zoals boven gezegd is (vorig Art.), bewegen, waardoor dan op verschillende manieren de zinnen beïnvloed worden.

Ad primum ergo dicendum quod principium sensitivae operationis non potest esse absque principio interiori, quod est potentia sensitiva, sed illud interius principium potest multipliciter ab exteriori principio commoveri, ut dictum est. (Ia q. 111 a. 4 ad 1)

1 — Antwoord op de Bedenkingen. — De werking der zinnen kan niet gebeuren zonder innerlijk beginsel, wat het zinnelijk vermogen is: maar dat innerlijk beginsel kan zoals gezegd is (in de Leerstelling), op vele manieren door een uiterlijk beginsel beïnvloed worden.

Ad secundum dicendum quod etiam per commotionem interiorem spirituum et humorum, potest Angelus aliquid operari ad immutandum actum potentiae nutritivae. Et similiter potentiae appetitivae, et sensitivae, et cuiuscumque potentiae corporali organo utentis. (Ia q. 111 a. 4 ad 2)

2 — De engel kan door innerlijke beweging der gassen en vochten ook iets bijbrengen tot verandering van de groeikracht. En insgelijks van het begeervermogen en het zinnelijk vermogen, en van ieder ander vermogen, dat een lichamelijk orgaan gebruikt.

Ad tertium dicendum quod praeter ordinem totius creaturae Angelus facere non potest, sed praeter ordinem alicuius particularis naturae facere potest, cum tali ordini non subdatur. Et sic quodam singulari modo potest sensum immutare, praeter modum communem. (Ia q. 111 a. 4 ad 3)

3 — Buiten de orde der gehele schepping om, kan geen engel iets doen; maar buiten de orde van een afzonderlijke natuur om, kan hij wel iets doen, daar hij aan zulk een orde niet onderworpen is. En zo kan hij op een bijzondere wijze buiten de gewone manier om, de zinnen beïnvloeden.