Prima Pars. Quaestio 107. De gesprekken der engelen .
Prooemium
Deinde considerandum est de locutionibus Angelorum. Et circa hoc quaeruntur quinque.
Primo, utrum unus Angelus loquatur alii. Secundo, utrum inferior superiori. Tertio,
utrum Angelus Deo. Quarto, utrum in locutione Angeli aliquid distantia localis operetur.
Quinto, utrum locutionem unius Angeli ad alterum omnes cognoscant. (Ia q. 107 pr.)
Vervolgens moeten we handelen over de gesprekken der engelen, en hieromtrent stellen
we vijf vragen: 1) Spreekt de ene engel tot de andere? 2) Ook de lagere tot de hogere?
3) Ook de engel tot God? 4) Doet plaatselijke afstand iets af aan de gesprekken der
engelen? 5) Verstaan allen het spreken van de ene engel tot de ander?
Articulus 1. Spreekt de ene engel tot de andere?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod unus Angelus alteri non loquatur. Dicit enim
Gregorius, XVIII Moral., quod in statu resurrectionis uniuscuiusque mentem ab alterius
oculis membrorum corpulentia non abscondit. Multo igitur minus mens unius Angeli absconditur
ab altero. Sed locutio est ad manifestandum alteri quod latet in mente. Non igitur
oportet quod unus Angelus alteri loquatur. (Ia q. 107 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de ene engel niet tot de andere spreekt. — Gregorius zegt immers,
dat “na de verrijzenis de stoffelijkheid onzer ledematen iemands gedachten niet voor
de ogen van een ander verbergt”. Veel minder dus zijn de gedachten van de ene engel
voor de andere verborgen. Maar de spraak dient om aan een ander bekend te maken, wat
in het verstand verborgen is. De ene engel behoeft dus niet tot de ander te spreken.
Praeterea, duplex est locutio, interior, per quam aliquis sibi ipsi loquitur; et exterior,
per quam aliquis loquitur alteri. Exterior autem locutio fit per aliquod sensibile
signum, puta voce vel nutu vel aliquo corporis membro, puta lingua vel digito, quae
Angelis competere non possunt. Ergo unus Angelus alteri non loquitur. (Ia q. 107 a. 1 arg. 2)
2 — De spraak is tweevoudig: innerlijk, waardoor iemand tot zichzelf spreekt; en uitwendig,
waardoor hij tot een ander spreekt. De uitwendige spraak echter geschiedt door een
zintuiglijk teken b.v. door de stem of een knik of een lidmaat, als tong of vinger,
wat de engelen niet hebben. De ene engel spreekt dus niet tot de ander.
Praeterea, loquens excitat audientem ut attendat suae locutioni. Sed non videtur per
quid unus Angelus excitet alium ad attendendum, hoc enim fit apud nos aliquo sensibili
signo. Ergo unus Angelus non loquitur alteri. (Ia q. 107 a. 1 arg. 3)
3 — De spreker wekt de hoorder op om naar hem te luisteren. Maar het is niet te zien waardoor
de ene engel de andere opwekt om te luisteren: bij ons gebeurt dat immers door een
zinnelijk waarneembaar teken. Dus spreekt de ene engel niet tot de andere.
Sed contra est quod dicitur I Cor. XIII, si linguis hominum loquar et Angelorum. (Ia q. 107 a. 1 s. c.)
Daartegenover staat echter wat in de Eerste Brief aan de Corinthiërs gezegd wordt
(13, 1): “Al sprak ik de talen van mensen en engelen”.
Respondeo dicendum quod in Angelis est aliqua locutio, sed, sicut dicit Gregorius
II Moral., dignum est ut mens nostra, qualitatem corporeae locutionis excedens, ad
sublimes atque incognitos modos locutionis intimae suspendatur. Ad intelligendum igitur
qualiter unus Angelus alii loquatur, considerandum est quod, sicut supra diximus cum
de actibus et potentiis animae ageretur, voluntas movet intellectum ad suam operationem.
Intelligibile autem est in intellectu tripliciter, primo quidem, habitualiter, vel
secundum memoriam, ut Augustinus dicit; secundo autem, ut in actu consideratum vel
conceptum; tertio, ut ad aliud relatum. Manifestum est autem quod de primo gradu in
secundum transfertur intelligibile per imperium voluntatis, unde in definitione habitus
dicitur, quo quis utitur cum voluerit. Similiter autem et de secundo gradu transfertur
in tertium per voluntatem, nam per voluntatem conceptus mentis ordinatur ad alterum,
puta vel ad agendum aliquid, vel ad manifestandum alteri. Quando autem mens convertit
se ad actu considerandum quod habet in habitu, loquitur aliquis sibi ipsi, nam ipse
conceptus mentis interius verbum vocatur. Ex hoc vero quod conceptus mentis angelicae
ordinatur ad manifestandum alteri, per voluntatem ipsius Angeli, conceptus mentis
unius Angeli innotescit alteri, et sic loquitur unus Angelus alteri. Nihil est enim
aliud loqui ad alterum, quam conceptum mentis alteri manifestare. (Ia q. 107 a. 1 co.)
Onder de engelen wordt gesproken, maar zoals Gregorius zegt: “Het is billijk, dat
als onze geest zich verheft boven de wijze van onze zintuiglijke spraak, tot de verheven
en ongekende wijzen der innerlijke spraak, hij maat houde”. Om dus te begrijpen, hoe
de ene engel tot de andere spreekt, moet men bedenken, dat, zoals boven, toen we handelden
over de daden en vermogens der ziel, gezegd is (82e Kw. 4 Art.), de wil het verstand
tot zijn daad beweegt. Het begrijpelijke is op drie manieren in ons verstand: eerstens
habitueel, ofwel in het geheugen, zoals Augustinus zegt; ten tweede als actueel beschouwd
of begrepen; ten derde als geordend tot iets anders. Het is echter duidelijk, dat
het van de eerste naar de tweede graad wordt overgebracht door het wilsbevel: vandaar
wordt in de definitie van hebbelijkheid gezegd: “wat men gebruikt als men wil”. Eveneens
wordt het van de tweede naar een derde graad overgebracht door de wil: want door de
wil wordt verstandsbegrip tot iets anders geordend b.v. om iets te doen of aan een
ander kenbaar te maken. — Wanneer echter de geest in zich keert om actueel te beschouwen,
wat hij habitueel kent, spreekt hij tot zichzelf: want wat het verstand vat, wordt
het innerlijk woord genoemd. Doordat echter het begrip van de engel door de wil van
de engel zelf gericht wordt op kenbaarmaking aan de ander, wordt het begrip van de
ene engel kenbaar aan de andere: en zo spreekt de een tot de ander. Spreken toch is
niets anders dan zijn begrip aan een ander kenbaar maken.
Ad primum ergo dicendum quod in nobis interior mentis conceptus quasi duplici obstaculo
clauditur. Primo quidem, ipsa voluntate, quae conceptum intellectus potest retinere
interius, vel ad extra ordinare. Et quantum ad hoc, mentem unius nullus alius potest
videre nisi solus Deus; secundum illud I Cor. II, quae sunt hominis, nemo novit nisi
spiritus hominis, qui in ipso est. Secundo autem clauditur mens hominis ab alio homine
per grossitiem corporis. Unde cum etiam voluntas ordinat conceptum mentis ad manifestandum
alteri, non statim cognoscitur ab alio, sed oportet aliquod signum sensibile adhibere.
Et hoc est quod Gregorius dicit, II Moral., alienis oculis intra secretum mentis,
quasi post parietem corporis stamus, sed cum manifestare nosmetipsos cupimus, quasi
per linguae ianuam egredimur, ut quales sumus intrinsecus, ostendamus. Hoc autem obstaculum
non habet Angelus. Et ideo quam cito vult manifestare suum conceptum, statim alius
cognoscit. (Ia q. 107 a. 1 ad 1)
1 — Bij ons wordt de inwendige gedachte als door een dubbel beletsel versloten. Vooreerst
door de wil zelf, die wat het verstand vat, inwendig kan vasthouden, ofwel op wat
uitwendig is, richten. En wat dit aangaat, kan niemand dan alleen God iemands geest
zien, naar het woord uit de Eerste Brief aan de Corinthiërs (2, 11): “De verborgenheden
des mensen, kent niemand tenzij de geest des mensen, die in hem is”. — Vervolgens
wordt de geest des mensen voor de ander gesloten door het lichaam. Vandaar dat ook
als de wil, wat het verstand vat, richt op kenbaarmaking aan anderen, het nog niet
onmiddellijk door de ander gekend wordt, maar het nodig is een zinnelijk waarneembaar
teken te gebruiken. En dit is wat Gregorius zegt: “Voor vreemde ogen staan we in het
geheim van onze geest als achter de muur van ons lichaam (verborgen); maar als we
ons openbaren willen, gaan we als door de deur van onze tong naar buiten, om te tonen
hoe we van binnen zijn”. Dit bezwaar heeft een engel niet. En dus zodra hij zijn gedachte
wil openbaren, kent de ander onmiddellijk.
Ad secundum dicendum quod locutio exterior quae fit per vocem, est nobis necessaria
propter obstaculum corporis. Unde non convenit Angelo, sed sola locutio interior;
ad quam pertinet non solum quod loquatur sibi interius concipiendo, sed etiam quod
ordinet per voluntatem ad alterius manifestationem. Et sic lingua Angelorum metaphorice
dicitur ipsa virtus Angeli, qua conceptum suum manifestat. (Ia q. 107 a. 1 ad 2)
2 — De uitwendige spraak, die door de stem gebeurt, is ons noodzakelijk vanwege het lichamelijk
bezwaar. Vandaar dat deze aan de engel niet toekomt, doch alleen de innerlijke spraak,
waartoe niet alleen behoort, dat hij, begrijpend, tot zich zelf spreekt, maar evenzeer
dat hij (zijn gedachte) door zijn wil richt op kenbaarmaking aan een ander. En zo
wordt het vermogen van de engel, waardoor hij zijn gedachte kenbaar maakt in beeldspraak
taal genoemd.
Ad tertium dicendum quod, quantum ad Angelos bonos, qui semper se invicem vident in
verbo, non esset necessarium ponere aliquid excitativum, quia sicut unus semper videt
alium, ita semper videt quidquid in eo est ad se ordinatum. Sed quia etiam in statu
naturae conditae sibi invicem loqui poterant, et mali Angeli etiam nunc sibi invicem
loquuntur; dicendum est quod, sicut sensus movetur a sensibili, ita intellectus movetur
ab intelligibili. Sicut ergo per signum sensibile excitatur sensus, ita per aliquam
virtutem intelligibilem potest excitari mens Angeli ad attendendum. (Ia q. 107 a. 1 ad 3)
3 — Wat de goede engelen aangaat, die in het Woord elkander altijd zien, zou het niet
nodig zijn een excitatief aan te nemen: want zoals de een de ander altijd ziet, zo
ziet hij ook altijd wat in die ander tot hem geordend is. Maar omdat zij ook in de
natuurstaat, waarin zij geschapen zijn, met elkander konden spreken, en de boze engelen
ook nu met elkaar spreken, dient gezegd te worden, dat zoals het zintuig bewogen wordt
door het zinnelijk waarneembare, zo het verstand door het begrijpbare. Zoals dus door
een zinnelijk waarneembaar teken het zintuig opgewekt wordt, zo kan door een verstandelijk
vermogen de geest van een engel tot aandacht worden opgewekt.
Articulus 2. Spreekt ook de lagere tot de hogere?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod inferior Angelus superiori non loquatur.
Quia super illud I Cor. XIII, si linguis hominum loquar et Angelorum, dicit Glossa
quod locutiones Angelorum sunt illuminationes, quibus superiores illuminant inferiores.
Sed inferiores nunquam illuminant superiores, ut supra dictum est. Ergo nec inferiores
superioribus loquuntur. (Ia q. 107 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de lagere engel niet spreekt tot de hogere. — Want bij de Eerste
Brief aan de Corinthiërs (13, 1): “Al spreek ik de talen van mensen en engelen”, zegt
de Glossa, dat “de gesprekken der engelen verlichtingen zijn, waardoor de hogere de
lagere verlichten”. Maar de lagere verlichten nooit de hogere, zoals gezegd is (106e
Kw. 3e Art.). Dus spreken de lagere ook niet tot de hogere.
Praeterea, supra dictum est quod illuminare nihil est aliud quam illud quod est alicui
manifestum, alteri manifestare. Sed hoc idem est loqui. Ergo idem est loqui, et illuminare,
et sic idem quod prius. (Ia q. 107 a. 2 arg. 2)
2 — Boven is gezegd (106e Kw. 1e Art.), dat verlichten niets anders is, dan wat iemand
bekend is, aan een ander bekend maken. Maar dit is hetzelfde als spreken. Dus hetzelfde
is spreken en verlichten, en zo volgt hetzelfde als boven.
Praeterea, Gregorius dicit, II Moral., quod Deus ad Angelos loquitur, eo ipso quod
eorum cordibus occulta sua invisibilia ostendit. Sed hoc ipsum est illuminare. Ergo
omnis Dei locutio est illuminatio. Pari ergo ratione, omnis Angeli locutio est illuminatio.
Nullo ergo modo Angelus inferior superiori loqui potest. (Ia q. 107 a. 2 arg. 3)
3 — Gregorius zegt, dat “God tot de engelen spreekt door het feit zelf, dat Hij hun zijn
verborgen en onzichtbare dingen toont”. Maar dit is verlichten. Dus al Gods spreken
is verlichten. Om dezelfde reden is al het spreken der engelen verlichten. Op geen
wijze kan dus de lagere engel tot de hogere spreken.
Sed contra est quod, sicut Dionysius exponit VII Cael. Hier., inferiores Angeli superioribus
dixerunt, quis est iste rex gloriae? (Ia q. 107 a. 2 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat, zoals Dionysius uitlegt, de lagere engelen tot de
hogere zeiden: “Wie is die Koning der glorie?”
Respondeo dicendum quod Angeli inferiores superioribus loqui possunt. Ad cuius evidentiam,
considerandum est quod omnis illuminatio est locutio in Angelis, sed non omnis locutio
est illuminatio. Quia sicut dictum est, Angelum loqui Angelo nihil aliud est quam
conceptum suum ordinare ad hoc ut ei innotescat, per propriam voluntatem. Ea vero
quae mente concipiuntur, ad duplex principium referri possunt, scilicet ad ipsum Deum,
qui est prima veritas; et ad voluntatem intelligentis, per quam aliquid actu consideramus.
Quia vero veritas est lumen intellectus, et regula omnis veritatis est ipse Deus;
manifestatio eius quod mente concipitur, secundum quod dependet a prima veritate,
et locutio est et illuminatio; puta si unus homo dicat alii, caelum est a Deo creatum,
vel, homo est animal. Sed manifestatio eorum quae dependent ex voluntate intelligentis,
non potest dici illuminatio, sed locutio tantum; puta si aliquis alteri dicat, volo
hoc addiscere, volo hoc vel illud facere. Cuius ratio est, quia voluntas creata non
est lux, nec regula veritatis, sed participans lucem, unde communicare ea quae sunt
a voluntate creata, inquantum huiusmodi, non est illuminare. Non enim pertinet ad
perfectionem intellectus mei, quid tu velis, vel quid tu intelligas, cognoscere, sed
solum quid rei veritas habeat. Manifestum est autem quod Angeli dicuntur superiores
vel inferiores per comparationem ad hoc principium quod est Deus. Et ideo illuminatio,
quae dependet a principio quod est Deus, solum per superiores Angelos ad inferiores
deducitur. Sed in ordine ad principium quod est voluntas, ipse volens est primus et
supremus. Et ideo manifestatio eorum quae ad voluntatem pertinent, per ipsum volentem
deducitur ad alios quoscumque. Et quantum ad hoc, et superiores inferioribus, et inferiores
superioribus loquuntur. (Ia q. 107 a. 2 co.)
De lagere engelen kunnen tot de hogere spreken. Tot klaarheid hiervan bedenke men,
dat bij de engelen iedere verlichting spreken is, maar met alle spreken is verlichten.
Zoals immers gezegd is (in het vorig Art.), is het spreken van de ene engel tot de
andere niets anders, dan door eigen wil zijn gedachte zo ordenen, dat ze aan de ander
bekend wordt. Wat we echter met het verstand vatten, kan tot een tweevoudig beginsel
worden teruggebracht: tot God Zelf, die de eerste waarheid is; en tot de wil van de
kenner, waardoor we daadwerkelijk iets begrijpen. Daar nu de waarheid het licht des
verstands is, en de regel van iedere waarheid God Zelf, is de kenbaarmaking van hetgeen
we begrijpen, voor zover het van de eerste waarheid afhangt, én spreken én verlichten:
b.v. wanneer de ene mens tot de andere zegt: “de hemel is door God geschapen”, of:
“de mens is een dier”. De mededeling echter van hetgeen van de wil van de kenner afhangt,
kan men geen verlichting noemen, maar alleen spraak; b.v. als iemand een ander zegt:
“ik wil dit leren”, of: “ik wil dit of dat doen”. De reden hiervan is, dat de geschapen
wil geen licht is, noch regel der waarheid, maar slechts deelachtig is aan het licht:
daarom is de mededeling van wat van de geschapen wil als zodanig afhangt, geen verlichten.
Het behoort immers niet tot de vervolmaking van mijn verstand te weten, wat gij wilt,
of wat gij kent, maar uitsluitend wat de waarheid is. Nu is het klaar, dat de engelen
hoger of lager genoemd worden in vergelijking met het beginsel, dat God is. En daarom
wordt de verlichting, die afhangt van het beginsel, dat God is, door de hogere engelen
tot de lagere gebracht. Maar in vergelijking tot het beginsel, dat de wil is, is de
willer zelf het eerste en hoogste. En derhalve wordt wat op de wil betrekking heeft,
door de willer zelf aan anderen, wie dan ook, bekend gemaakt. En wat dit aangaat spreken
de hogere tot de lagere, en de lagere tot de hogere.
Et per hoc patet solutio ad primum, et ad secundum. (Ia q. 107 a. 2 ad 1)
Ad tertium dicendum quod omnis Dei locutio ad Angelos est illuminatio, quia cum voluntas
Dei sit regula veritatis, etiam scire quid Deus velit, pertinet ad perfectionem et
illuminationem mentis creatae. Sed non est eadem ratio de voluntate Angeli, ut dictum
est. (Ia q. 107 a. 2 ad 3)
3 — Het antwoord op de eerste en tweede bedenking blijkt uit het bovenstaande. Ieder gesprek
van God tot de engelen is een verlichting: want, daar de Wil van God de regel der
waarheid is, behoort ook het weten van wat God wil tot de vervolmaking en verlichting
van het geschapen verstand. Maar deze grond geldt niet voor de wil van de engel, zoals
gezegd is (in de leerstelling).
Articulus 3. Spreekt de engel ook tot God?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod Angelus Deo non loquatur. Locutio enim est
ad manifestandum aliquid alteri. Sed Angelus nihil potest manifestare Deo, qui omnia
novit. Ergo Angelus non loquitur Deo. (Ia q. 107 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de engel niet tot God spreekt. — De spraak dient om aan een ander
iets bekend te maken. Maar de engel kan niets bekend maken aan God, die alles weet.
Dus spreekt de engel niet tot God.
Praeterea, loqui est ordinare conceptum intellectus ad alterum, ut dictum est. Sed
Angelus semper conceptum suae mentis ordinat in Deum. Si ergo aliquando Deo loquitur,
semper Deo loquitur, quod potest videri alicui inconveniens, cum aliquando Angelus
Angelo loquatur. Videtur ergo quod Angelus nunquam loquatur Deo. (Ia q. 107 a. 3 arg. 2)
2 — Spreken is, zoals gezegd is (1e Art.), zijn gedachten richten op een ander. Maar de
engel richt altijd zijn gedachten op God. Als hij dus soms tot God spreekt, spreekt
hij altijd tot God; wat sommigen onjuist kan toeschijnen, daar de engel soms tot een
anderen engel spreekt. Het schijnt dus, dat de engel nooit tot God spreekt.
Sed contra est quod dicitur Zachar. I, respondit Angelus domini, et dixit, domine
exercituum, usquequo non misereberis Ierusalem? Loquitur ergo Angelus Deo. (Ia q. 107 a. 3 s. c.)
Daartegenover staat echter, wat bij Zacharias gezegd wordt (1. 12): “De engel des
Heren antwoordde en zeide: Heer der Heerscharen, hoe lang nog zult Gij U over Jerusalem
niet erbarmen?” De engel spreekt dus tot God.
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, locutio Angeli est per hoc, quod conceptus
mentis ordinatur ad alterum. Sed aliquid ordinatur ad alterum dupliciter. Uno modo,
ad hoc quod communicet alteri; sicut in rebus naturalibus agens ordinatur ad patiens
et in locutione humana doctor ordinatur ad discipulum. Et quantum ad hoc, nullo modo
Angelus loquitur Deo, neque de his quae ad rerum veritatem pertinent, neque de his
quae dependent a voluntate creata, quia Deus est omnis veritatis et omnis voluntatis
principium et conditor. Alio modo ordinatur aliquid ad alterum, ut ab eo aliquid accipiat;
sicut in rebus naturalibus passivum ad agens, et in locutione humana discipulus ad
magistrum. Et hoc modo Angelus loquitur Deo, vel consultando divinam voluntatem de
agendis; vel eius excellentiam, quam nunquam comprehendit, admirando; sicut Gregorius
dicit, II Moral., quod Angeli loquuntur Deo, cum per hoc quod super semetipsos respiciunt,
in motum admirationis surgunt. (Ia q. 107 a. 3 co.)
Het spreken van de engel geschiedt, zoals gezegd is (1e en 2e Art.), hierdoor, dat
hij zijn gedachten richt op een ander. Maar iets wordt op twee manieren op een ander
gericht; vooreerst, om aan de ander mede te delen, zoals in de natuurlijke dingen
de werkoorzaak gericht wordt op het voorwerp van de werking, en bij de menselijke
gesprekken, de leraar gericht wordt op de leerling. En wat dit aangaat, spreekt de
engel op geen enkele manier tot God, noch met betrekking tot de waarheid, noch met
betrekking tot hetgeen van een geschapen wil afhankelijk is; want God is beginsel
en schepper van iedere waarheid en iedere wil. — Vervolgens wordt iets op een ander
gericht om iets van hem te ontvangen, zoals in de natuurlijke dingen het voorwerp
der werking op de werkoorzaak, en bij menselijke gesprekken, de leerling op de leraar.
En op deze manier spreekt de engel tot God, hetzij door de goddelijke Wil te raadplegen
over hetgeen hem te doen staat; hetzij Gods Uitnemendheid, die hij nooit doorgrondt,
bewonderend, zoals Gregorius zegt, dat “de engelen tot God spreken, wanneer zij door
hetgeen zij over zichzelf zien, in bewondering opgaan”.
Ad primum ergo dicendum quod locutio non semper est ad manifestandum alteri; sed quandoque
ad hoc ordinatur finaliter, ut loquenti aliquid manifestetur; sicut cum discipulus
quaerit aliquid a magistro. (Ia q. 107 a. 3 ad 1)
1 — Spreken dient niet altijd om een ander iets bekend te maken, maar is soms uiteindelijk
hierop gericht, dat de spreker iets bekend gemaakt wordt, zoals wanneer de leerling
iets aan de leraar vraagt.
Ad secundum dicendum quod locutione qua Angeli loquuntur Deo laudantes ipsum et admirantes,
semper Angeli Deo loquuntur. Sed locutione qua eius sapientiam consulunt super agendis,
tunc ei loquuntur, quando aliquod novum per eos agendum occurrit, super quo desiderant
illuminari. (Ia q. 107 a. 3 ad 2)
2 — Wat aangaat het spreken, waardoor de engelen lovend en bewonderend tot God spreken,
spreken zij altijd tot Hem; maar wat aangaat het spreken, waardoor zij zijn Wijsheid
raadplegen over hetgeen te doen is, spreken zij slechts dan tot Hem, wanneer hun iets
nieuws te doen staat, waarover zij wensen verlicht te worden.
Articulus 4. Doet plaatselijke afstand iets af aan de gesprekken der engelen?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod localis distantia operetur aliquid in locutione
angelica. Sicut enim dicit Damascenus, Angelus ubi est, ibi operatur. Locutio autem
est quaedam operatio Angeli. Cum ergo Angelus sit in determinato loco, videtur quod
usque ad determinatam loci distantiam Angelus loqui possit. (Ia q. 107 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat plaatselijke afstand iets afdoet aan de gesprekken der engelen. —
Zoals immers Damascenus zegt: “De engel werkt waar hij is”. Spreken is een werking
van de engel. Daar dus de engel op een bepaalde plaats is, schijnt de engel slechts
te kunnen spreken tot op bepaalde afstand van deze plaats.
Praeterea, clamor loquentis fit propter distantiam audientis. Sed Isaiae VI dicitur
de Seraphim, quod clamabat alter ad alterum. Ergo videtur quod in locutione Angelorum
aliquid operetur localis distantia. (Ia q. 107 a. 4 arg. 2)
2 — Het roepen van een spreker gebeurt om de afstand van de hoorder. Maar bij Isaïas (6.
3) wordt van de Serafijnen gezegd, dat “de een tot de ander riep”. Het schijnt dus
wel, dat de afstand iets afdoet aan het spreken der engelen.
Sed contra est quod, sicut dicitur Luc. XVI, dives in Inferno positus loquebatur Abrahae,
non impediente locali distantia. Multo igitur minus localis distantia potest impedire
locutionem unius Angeli ad alterum. (Ia q. 107 a. 4 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat bij Lucas (16. 24) gezegd wordt, dat de rijkaard in
de hel sprak tot Abraham, zonder dat de plaatselijke afstand dit belette. Veel minder
dus kan plaatselijke afstand het spreken van de een tot de andere engel beletten.
Respondeo dicendum quod locutio Angeli in intellectuali operatione consistit, ut ex
dictis patet. Intellectualis autem operatio Angeli omnino abstracta est a loco et
tempore, nam etiam nostra intellectualis operatio est per abstractionem ab hic et
nunc, nisi per accidens ex parte phantasmatum, quae in Angelis nulla sunt. In eo autem
quod est omnino abstractum a loco et tempore, nihil operatur neque temporis diversitas,
neque loci distantia. Unde in locutione Angeli nullum impedimentum facit distantia
loci. (Ia q. 107 a. 4 co.)
Het spreken van een engel bestaat, zoals uit wat gezegd is (L, 2e en 3e Art.) duidelijk
is, in een verstandswerking. De verstandswerking van een engel staat echter absoluut
los van plaats en tijd: want ook onze verstandswerking is vrij van hier en nu, tenzij
bijkomstig van de kant der fantasiebeelden, die echter in de engelen niet zijn. Aan
alles echter, wat absoluut onttrokken is aan plaats en tijd, kan noch verschil van
tijd, noch plaatselijke afstand iets afdoen. Vandaar dat plaatselijke afstand geen
beletsel vormt bij het spreken van een engel.
Ad primum ergo dicendum quod locutio Angeli, sicut dictum est, est locutio interior,
quae tamen ab alio percipitur, et ideo est in Angelo loquente, et per consequens ubi
est Angelus loquens. Sed sicut distantia localis non impedit quin unus Angelus alium
videre possit; ita etiam non impedit quin percipiat quod in eo ad se ordinatur, quod
est eius locutionem percipere. (Ia q. 107 a. 4 ad 1)
1 — Het spreken van een engel is, zoals gezegd is (1e Art., 2e Antw.), een innerlijk spreken,
dat echter door de ander wordt waargenomen: vandaar is het in de sprekende engel,
en bijgevolg waar de sprekende engel is. Maar zoals plaatselijke afstand met belet,
dat de ene engel de ander zien kan, zo belet die ook met, dat hij in die ander ziet
wat tot hem geordend wordt: en dit is zijn spreken verstaan.
Ad secundum dicendum quod clamor ille non est vocis corporeae, qui fit propter distantiam
loci; sed significat magnitudinem rei quae dicebatur, vel magnitudinem affectus, secundum
quod dicit Gregorius, II Moral., tanto quisque minus clamat, quanto minus desiderat. (Ia q. 107 a. 4 ad 2)
2 — Dat roepen is niet van een stoffelijke stem, wat vanwege de afstand gebeurt; maar
betekent het gewicht der zaak die gezegd werd, of de diepte van het gemoed, naar hetgeen
Gregorius zegt: “Eenieder roept des te minder naar mate hij minder verlangt”;
Articulus 5. Verstaan allen het spreken van enen engel tot de andere?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod locutionem unius Angeli ad alterum omnes cognoscant.
Quod enim unius hominis locutionem non omnes audiant, facit inaequalis loci distantia.
Sed in locutione Angeli nihil operatur localis distantia, ut dictum est. Ergo uno
Angelo loquente ad alterum, omnes percipiunt. (Ia q. 107 a. 5 arg. 1)
1 — Men beweert, dat allen het gesprek van de ene engel met de andere kennen. — Dat immers
niet allen het spreken van een mens verstaan komt van de ongelijke afstand. Maar bij
het spreken der engelen doet de afstand niets. Dus als de ene engel tot de andere
spreekt, verstaan allen het.
Praeterea, omnes Angeli communicant in virtute intelligendi. Si ergo conceptus mentis
unius ordinatus ad alterum cognoscitur ab uno, pari ratione cognoscitur ab aliis. (Ia q. 107 a. 5 arg. 2)
2 — Alle engelen delen in begripsvermogen. Als dus de gedachten van de een, die op een
ander gericht zijn, door één engel gekend worden, dan ook op dezelfden grond door
andere.
Praeterea, illuminatio est quaedam species locutionis. Sed illuminatio unius Angeli
ab altero, pervenit ad omnes Angelos, quia, ut Dionysius dicit XV cap. Cael. Hier.,
unaquaeque caelestis essentia intelligentiam sibi traditam aliis communicat. Ergo
et locutio unius Angeli ad alterum, ad omnes perducitur. (Ia q. 107 a. 5 arg. 3)
3 — Verlichting is een soort van spreken. Maar de verlichting van de ene engel door de
andere, gaat tot alle engelen, want Dionysius zegt: “Ieder hemels wezen deelt de hem
geschonden kennis aan anderen mede”. Dus komt ook het gesprek van de ene engel met
de andere tot allen.
Sed contra est quod unus homo potest alteri soli loqui. Multo igitur magis hoc in
Angelis esse potest. (Ia q. 107 a. 5 s. c.)
Daartegenover staat echter, dat een mens tot één alleen kan spreken. Veel meer kan
dit dus bij de engelen het geval zijn.
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, conceptus mentis unius Angeli percipi
potest ab altero, per hoc quod ille cuius est conceptus, sua voluntate ordinat ipsum
ad alterum. Potest autem ex aliqua causa ordinari aliquid ad unum, et non ad alterum.
Et ideo potest conceptus unius ab aliquo uno cognosci, et non ab aliis. Et sic locutionem
unius Angeli ad alterum potest percipere unus absque aliis, non quidem impediente
distantia locali, sed hoc faciente voluntaria ordinatione, ut dictum est. (Ia q. 107 a. 5 co.)
De gedachte van de ene engel kan zoals boven gezegd is (1e en 2e Art.), door de ander
gezien worden, doordat degene van wien die gedachte is, ze door zijn wil richt tot
die ander. Er kan echter een reden voor zijn, dat iets tot de één gericht wordt en
niet tot de ander. En zo kan de gedachte van een engel door één anderen gekend worden,
en niet door de overige. En zo kan het spreken van de ene engel tot de andere alleen
door die ander worden waargenomen, en niet door de overige; niet alsof de plaatselijke
afstand dit belemmerde, maar, zoals gezegd, de wilsordening (van de sprekende engel).
Unde patet responsio ad primum et secundum. (Ia q. 107 a. 5 ad 1)
Ad tertium dicendum quod illuminatio est de his quae emanant a prima regula veritatis,
quae est principium commune omnium Angelorum, et ideo illuminationes sunt omnibus
communes. Sed locutio potest esse de his quae ordinantur ad principium voluntatis
creatae, quod est proprium unicuique Angelo, et ideo non oportet quod huiusmodi locutiones
sint omnibus communes. (Ia q. 107 a. 5 ad 3)
3 — Het antwoord op de de eerste en tweede bedenking blijkt uit het gezegde. Verlichting
geschiedt met betrekking tot alles wat voortvloeit van de eerste regel der waarheid,
die het universele beginsel is van alle engelen: en daarom zijn de verlichtingen aan
allen gemeen. Maar een gesprek kan gaan over dingen, die geordend zijn tot het beginsel
van de geschapen wil, die iedere engel eigen is: en dus behoeven dergelijke gesprekken
niet aan allen gemeen te zijn.