QuaestioArticulus

Prima pars. Quaestio 40.
Over de Personen in vergelijking met de betrekkingen of eigenschappen .

Prooemium

Deinde quaeritur de personis in comparatione ad relationes sive proprietates. Et quaeruntur quatuor. Primo, utrum relatio sit idem quod persona. Secundo, utrum relationes distinguant et constituant personas. Tertio, utrum, abstractis per intellectum relationibus a personis, remaneant hypostases distinctae. Quarto, utrum relationes, secundum intellectum, praesupponant actus personarum, vel e converso. (Iª q. 40 pr.)

Nu moeten we nagaan welke verhouding er bestaat tusschen de Personen en de betrekkingen of eigenschappen. Daaromtrent stellen we vier vragen: 1e) Is betrekking en persoon een en hetzelfde? 2e) Brengen de betrekkingen onderscheid in de Personen en vormen zij de Personen? 3e) Blijven de hypostasen onderscheiden, wanneer wij met het verstand de betrekkingen wegdenken van de personen? 4e) Veronderstellen de betrekkingen het begrip van de persoonsakten of omgekeerd?

Articulus 1.
Is betrekking en Persoon een en hetzelfde?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod in divinis non sit idem relatio quod persona. Quaecumque enim sunt idem, multiplicato uno eorum, multiplicatur et aliud. Sed contingit in una persona esse plures relationes, sicut in persona patris est paternitas et communis spiratio, et iterum unam relationem in duabus personis esse, sicut communis spiratio est in patre et filio. Ergo relatio non est idem quod persona. (Iª q. 40 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert dat in God de betrekking niet hetzelfde is als de persoon. Immers wanneer meerdere dingen hetzelfde zijn en er een van vermenigvuldigd wordt, dan worden de anderen eveneens vermenigvuldigd. Welnu het gebeurt dat er in één persoon meerdere betrekkingen worden aangetroffen, zooals in den persoon van den Vader het vaderschap en de gezamenlijke aanademing. Ook gebeurt het dat een zelfde betrekking in twee personen is, zooals de gezamenlijke aanademing in Vader en Zoon. Bijgevolg is betrekking en persoon niet een en hetzelfde.

Praeterea, nihil est in seipso, secundum philosophum, in IV Physic. Sed relatio est in persona. Nec potest dici quod ratione identitatis, quia sic esset etiam in essentia. Ergo relatio sive proprietas et persona non sunt idem in divinis. (Iª q. 40 a. 1 arg. 2)

2 — Geen enkel ding is in zichzelf, zooals de Wijsgeer leert in het 4e Boek van de Physica (3e H., n. 2 v.v.). De betrekking is echter in den persoon, en men kan niet zeggen dat dit is omdat de betrekking en de persoon identiek zijn, want dan zou de betrekking ook in de wezenheid zijn. In God is dus de betrekking of eigenschap niet hetzelfde als de persoon.

Praeterea, quaecumque sunt idem, ita se habent, quod quidquid praedicatur de uno, praedicatur et de alio. Non autem quidquid praedicatur de persona, praedicatur de proprietate. Dicimus enim quod pater generat, sed non dicimus quod paternitas sit generans. Ergo proprietas non est idem quod persona in divinis. (Iª q. 40 a. 1 arg. 3)

3 — Wat toegekend wordt aan een ding dat hetzelfde is als een ander, wordt ook aan dit andere toegekend. Doch al wat aan den persoon wordt toegeschreven wordt niet aan de eigenschap toegeschreven. We zeggen immers dat de Vader voortbrengt, maar we zeggen niet dat het vaderschap voortbrengt. Dus is in God de eigenschap niet hetzelfde als de persoon.

Sed contra, in divinis non differt quod est et quo est, ut habetur a Boetio in libro de Hebd. Sed pater paternitate est pater. Ergo pater idem est quod paternitas. Et eadem ratione aliae proprietates idem sunt cum personis. (Iª q. 40 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter dat er in God geen verschil bestaat tusschen dat wat is en datgene waardoor het is, zooals we lezen bij Boëtius, in het boek Over de Tijdstippen (7e Stelling). Welnu de Vader is Vader door zijn vaderschap, en om dezelfde reden zijn de andere eigenschappen hetzelfde als de personen.

Respondeo dicendum quod circa hoc aliqui diversimode opinati sunt. Quidam enim dixerunt proprietates neque esse personas, neque in personis. Qui fuerunt moti ex modo significandi relationum, quae quidem non significant ut in aliquo, sed magis ut ad aliquid. Unde dixerunt relationes esse assistentes, sicut supra expositum est. Sed quia relatio, secundum quod est quaedam res in divinis, est ipsa essentia; essentia autem idem est quod persona, ut ex dictis patet; oportet quod relatio sit idem quod persona. Hanc igitur identitatem alii considerantes, dixerunt proprietates quidem esse personas, non autem in personis, quia non ponebant proprietates in divinis nisi secundum modum loquendi, ut supra dictum est. Necesse est autem ponere proprietates in divinis, ut supra ostendimus. Quae quidem significantur in abstracto, ut quaedam formae personarum. Unde, cum de ratione formae sit, quod sit in eo cuius est forma, oportet dicere proprietates esse in personis, et eas tamen esse personas; sicut essentiam esse in Deo dicimus, quae tamen est Deus. (Iª q. 40 a. 1 co.)

Hierover bestaan er verscheidene uiteenloopende meeningen. Sommigen hebben beweerd dat de betrekkingen niet de personen zelf, noch in de personen zijn. Deze hebben zich laten beïnvloeden door de manier waarop de betrekkingen beteekenen, nl. niet als zijnde in iets, maar eerder naar iets. Daarom zeiden zij, dat de betrekkingen naast het subjekt staan, zooals boven werd uiteengezet (28e Kw., 2e Art.). Doch daar de betrekking, in zoover zij in God een werkelijk ding is, de goddelijke wezenheid zelf is, en de wezenheid hetzelfde is als de persoon, zooals blijkt uit wat er gezegd werd (29e Kw., 10 Art.), moet de betrekking hetzelfde zijn als de persoon. Anderen die juist die identiteit beschouwden, zeiden: De eigenschappen zijn wel de personen, maar niet in de personen. Zij plaatsten immers eigenschappen in God alleen maar bij wijze van spreken, zooals boven gezegd werd (32e Kw., 2e Art.). Doch zooals wij (t. a. p.) hebben aangetoond, moet men de eigenschappen noodzakelijk in God zelf plaatsen. Zij worden toch abstrakt uitgedrukt als zekere vormen van de personen. Daar het nu tot het wezen van den vorm behoort in datgene te zijn waarvan hij vorm is, moet men zeggen dat de eigenschappen in de personen en nochtans de personen zelf zijn, zooals wij zeggen dat er een wezenheid is in God, hoewel zij God zelf is.

Ad primum ergo dicendum quod persona et proprietas sunt idem re, differunt tamen secundum rationem. Unde non oportet quod, multiplicato uno, multiplicetur reliquum. Considerandum tamen est quod, propter divinam simplicitatem, consideratur duplex realis identitas in divinis eorum quae differunt in rebus creatis. Quia enim divina simplicitas excludit compositionem formae et materiae, sequitur quod in divinis idem est abstractum et concretum, ut deitas et Deus. Quia vero divina simplicitas excludit compositionem subiecti et accidentis, sequitur quod quidquid attribuitur Deo, est eius essentia, et propter hoc sapientia et virtus idem sunt in Deo, quia ambo sunt in divina essentia. Et secundum hanc duplicem rationem identitatis, proprietas in divinis est idem cum persona. Nam proprietates personales sunt idem cum personis, ea ratione qua abstractum est idem cum concreto. Sunt enim ipsae personae subsistentes; ut paternitas est ipse pater, et filiatio filius, et processio spiritus sanctus. Proprietates autem non personales sunt idem cum personis secundum aliam rationem identitatis, qua omne illud quod attribuitur Deo, est eius essentia. Sic igitur communis spiratio est idem cum persona patris et cum persona filii, non quod sit una persona per se subsistens; sed, sicut una essentia est in duabus personis, ita et una proprietas, ut supra dictum est. (Iª q. 40 a. 1 ad 1)

1 — Persoon en eigenschap zijn hetzelfde als zaak, maar zij verschillen als begrip. Wanneer dan een van beiden vermenigvuldigd wordt, volgt niet noodzakelijk de vermenigvuldiging van het andere. — Om reden van Gods enkelvoudigheid moet men echter in acht nemen dat er in God een dubbele werkelijke identiteit van dingen die in de schepselen onderscheiden zijn valt te beschouwen. Immers Gods enkelvoudigheid sluit samenstelling van vorm en stof uit, waaruit volgt dat in God het abstrakte en het konkrete hetzelfde zijn, zooals Godheid en God. Gods enkelvoudigheid sluit ook samenstelling van zelfstandigheid en bijkomstigheid uit, en hieruit volgt dat al wat aan God wordt toegekend, Zijn wezenheid is. Daarom is in God wijsheid en kracht hetzelfde, daar beiden in de goddelijke wezenheid zijn. En om die dubbele reden van identiteit is eigenschap en persoon in God een en hetzelfde. Want de persoonseigenschappen zijn hetzelfde als de personen om de eerste reden die maakt dat het abstrakte hetzelfde is als het konkrete. Zij zijn immers de zelfstandig-staande personen zelf, zooals het vaderschap de Vader is, en het zoonschap de Zoon, en de voortkomst de Heilige Geest. De niet-persoonlijke eigenschappen echter zijn hetzelfde als de personen om die andere reden van identiteit die maakt dat al wat aan God wordt toegekend, Zijn wezenheid is. Zoo is de gezamenlijke aanademing hetzelfde als de persoon van den Vader en de persoon van den Zoon, niet dat zij één zelf­ standig-staande persoon is, maar zooals er één wezenheid is in twee personen, zoo ook één eigenschap. Dat werd boven reeds gezegd (30e Kw., 2e Art.).

Ad secundum dicendum quod proprietates dicuntur esse in essentia, per modum identitatis tantum. In personis autem dicuntur esse per modum identitatis, non quidem secundum rem tantum, sed quantum ad modum significandi, sicut forma in supposito. Et ideo proprietates determinant et distinguunt personas, non autem essentiam. (Iª q. 40 a. 1 ad 2)

2 — De eigenschappen zijn in de wezenheid, alleen maar omdat zij met deze identiek zijn. Zij zijn echter in de personen omdat zij met hen identiek zijn niet alleen als ding, maar ook naar de wijze van beteekenen: zooals de vorm in zijn drager. En daarom bepalen en onderscheiden zij de personen, maar niet de wezenheid.

Ad tertium dicendum quod participia et verba notionalia significant actus notionales. Actus autem suppositorum sunt. Proprietates autem non significantur ut supposita, sed ut formae suppositorum. Et ideo modus significandi repugnat, ut participia et verba notionalia de proprietatibus praedicentur. (Iª q. 40 a. 1 ad 3)

3 — Kenmerkende deel- en werkwoorden beteekenen de kenmerkende daden. Daden nu behooren aan dragers van een wezenheid. Doch de eigenschappen worden niet opgevat als dragers van een wezenheid maar als vormen van dragers. Daarom duldt de manier van beteekenen niet dat kenmerkende deel- en werkwoorden aan de eigenschappen worden toegekend.

Articulus 2.
Zijn de Personen onderscheiden door de betrekkingen?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod personae non distinguantur per relationes. Simplicia enim seipsis distinguuntur. Sed personae divinae sunt maxime simplices. Ergo distinguuntur seipsis, et non relationibus. (Iª q. 40 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert dat de personen niet onderscheiden zijn door de betrekkingen. Enkelvoudige dingen zijn immers door zichzelf onderscheiden. Welnu de goddelijke personen zijn hoogst enkelvoudig. Zij zijn bijgevolg door zichzelf en niet door de betrekkingen onderscheiden.

Praeterea, nulla forma distinguitur nisi secundum suum genus, non enim album a nigro distinguitur nisi secundum qualitatem. Sed hypostasis significat individuum in genere substantiae. Non ergo relationibus hypostases distingui possint. (Iª q. 40 a. 2 arg. 2)

2 — Vormen zijn alleen naar hun geslacht onderscheiden. Wit en zwart zijn immers uitsluitend naar de hoedanigheid onderscheiden. Welnu hypostase beduidt een eenling van het geslacht zelfstandigheid. Dus kunnen de hypostasen niet door de betrekkingen onderscheiden zijn.

Praeterea, absolutum est prius quam relativum. Sed prima distinctio est distinctio divinarum personarum. Ergo divinae personae non distinguuntur relationibus. (Iª q. 40 a. 2 arg. 3)

3 — Het volstrekte gaat vóór het betrekkelijke. Welnu, het eerste onderscheid is dat van de goddelijke personen. Dus zijn de goddelijke personen niet door de betrekkingen van elkaar onderscheiden.

Praeterea, id quod praesupponit distinctionem, non potest esse primum distinctionis principium. Sed relatio praesupponit distinctionem, cum in eius definitione ponatur, esse enim relativi est ad aliud se habere. Ergo primum principium distinctivum in divinis non potest esse relatio. (Iª q. 40 a. 2 arg. 4)

4 — Wat een onderscheid onderstelt, kan onmogelijk het eerste beginsel van dat onderscheid uitmaken. Welnu, de betrekking onderstelt een onderscheid, daar dit laatste in haar bepaling vervat is. Want de wezenheid van het betrekkelijke bestaat in een gericht-zijn-op iets anders. Dus kan de betrekking niet het eerste beginsel van onderscheid zijn in God.

Sed contra est quod Boetius dicit, in libro de Trin., quod sola relatio multiplicat Trinitatem divinarum personarum. (Iª q. 40 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter dat Boetius zegt in het boek Over de Drievuldigheid (6e H.) : « Alleen de betrekking maakt de drievuldigheid » van Personen in God.

Respondeo dicendum quod in quibuscumque pluribus invenitur aliquid commune, oportet quaerere aliquid distinctivum. Unde, cum tres personae conveniant secundum essentiae unitatem, necesse est quaerere aliquid quo distinguantur, ad hoc quod plures sint. Inveniuntur autem in divinis personis duo secundum quae differunt, scilicet origo, et relatio. Quae quidem quamvis re non differant, differunt tamen secundum modum significandi, nam origo significatur per modum actus, ut generatio; relatio vero per modum formae, ut paternitas. Quidam igitur, attendentes quod relatio consequitur actum, dixerunt quod hypostases in divinis distinguuntur per originem; ut dicamus quod pater distinguitur a filio, inquantum ille generat et hic est genitus. Relationes autem sive proprietates manifestant consequenter hypostasum sive personarum distinctiones, sicut et in creaturis proprietates manifestant distinctiones individuorum, quae fiunt per materialia principia. Sed hoc non potest stare, propter duo. Primo quidem, quia ad hoc quod aliqua duo distincta intelligantur, necesse est eorum distinctionem intelligi per aliquid intrinsecum utrique; sicut in rebus creatis vel per materiam, vel per formam. Origo autem alicuius rei non significatur ut aliquid intrinsecum, sed ut via quaedam a re vel ad rem, sicut generatio significatur ut via quaedam ad rem genitam, et ut progrediens a generante. Unde non potest esse quod res genita et generans distinguantur sola generatione, sed oportet intelligere tam in generante quam in genito ea quibus ab invicem distinguuntur. In persona autem divina non est aliud intelligere nisi essentiam et relationem sive proprietatem. Unde, cum in essentia conveniant, relinquitur quod per relationes personae ab invicem distinguantur. Secundo, quia distinctio in divinis personis non est sic intelligenda, quasi aliquid commune dividatur, quia essentia communis remanet indivisa, sed oportet quod ipsa distinguentia constituant res distinctas. Sic autem relationes vel proprietates distinguunt vel constituunt hypostases vel personas, inquantum sunt ipsae personae subsistentes, sicut paternitas est pater, et filiatio est filius, eo quod in divinis non differt abstractum et concretum. Sed contra rationem originis est, quod constituat hypostasim vel personam. Quia origo active significata, significatur ut progrediens a persona subsistente, unde praesupponit eam. Origo autem passive significata, ut nativitas, significatur ut via ad personam subsistentem; et nondum ut eam constituens. Unde melius dicitur quod personae seu hypostases distinguantur relationibus, quam per originem. Licet enim distinguantur utroque modo, tamen prius et principalius per relationes, secundum modum intelligendi. Unde hoc nomen pater non solum significat proprietatem, sed etiam hypostasim, sed hoc nomen genitor, vel generans, significat tantum proprietatem. Quia hoc nomen pater significat relationem, quae est distinctiva et constitutiva hypostasis, hoc autem nomen generans, vel genitus, significat originem, quae non est distinctiva et constitutiva hypostasis. (Iª q. 40 a. 2 co.)

Waar er meerdere dingen zijn die onderling iets gemeen hebben, moet men een beginsel van onderscheid zoeken. Daar dus de drie personen overeenkomen in wezenseenheid, moet men noodzakelijkerwijze een beginsel van onderscheid zoeken om hun veelvoudigheid te behouden. In de goddelijke personen nu zijn er twee dingen waardoor zij onderling verschillen, nl. de oorsprong en de betrekking. En alhoewel deze in werkelijkheid niet onderscheiden zijn, zijn zij het toch naar de wijze van beteekenen. Want de oorsprong slaat op een werking, b. v. de voortbrenging; de betrekking echter slaat op een vorm, b. v. het vaderschap. In acht nemende dat de betrekking volgt op de werking, beweerden nu sommigen dat de goddelijke hypostasen door oorsprong onderscheiden zijn, zoodat wij zouden moeten zeggen: De Vader is van den Zoon onderscheiden in zoover gene voortbrengt en deze voortgebracht wordt. De betrekkingen of eigenschappen doen echter achteraf het onderscheid van de hypostasen of personen kennen, evenals bij de schepselen het onderscheid tusschen de individuen, dat door de stoffelijke beginselen wordt veroorzaakt, pas duidelijk wordt door de eigenschappen. Maar dat kan niet worden staande gehouden en wel om een dubbele reden. Ten eerste, omdat men het onderscheid van twee dingen, wil men deze begrijpen, moet opvatten naar iets wat aan beiden intrinsiek is, zooals men de schepselen onderscheidt naar hun stof of naar hun vorm. Men denkt zich echter den oorsprong van een ding niet in als iets wat intrinsiek er aan is, doch als een uitgaan van iets weg, of een heengaan naar iets toe. Zoo beduidt de voortbrenging een heengaan naar het voortgebrachte ding toe en een uitgaan van den voortbrenger weg. Het voortgebrachte en de voortbrenger kunnen dus niet louter door de voortbrenging onderscheiden zijn, maar datgene waardoor zij onderling onderscheiden zijn moet men zoowel in den voortbrenger als in het voortgebrachte zoeken. In een goddelijken persoon nu kan men enkel de wezenheid en de betrekking of eigenschap beschouwen. Daar dan de personen in wezenheid één zijn, blijft alleen over dat zij door de betrekkingen van elkaar onderscheiden zijn. — Ten tweede, omdat het onderscheid tusschen de goddelijke personen niet zóó moet worden opgevat alsof er iets gemeenschappelijks verdeeld werd, daar hun gemeenschappelijke natuur onverdeeld blijft. Maar de beginselen van onderscheid moeten zelf de onderscheiden dingen vormen. Op deze wijze nu worden de hypostasen of personen door de betrekkingen of eigenschappen onderscheiden of gevormd, in zoover deze, doordat er in God geen onderscheid bestaat tusschen het abstrakte en het konkrete, de zelfstandig-staande personen zelf zijn, zooals het vaderschap de Vader is, en het zoonschap de Zoon. Doch dat de oorsprong de hypostase of den persoon zou vormen is strijdig met zijn begrip zelf. Immers oorsprong in bedrijvenden zin beteekent: het uitgaan van een zelfstandig-staanden persoon weg; hij veronderstelt dus dezen persoon. Oorsprong in lijdenden zin, b. v. geboorte, wordt bedoeld als de weg naar een zelfstandig-staanden persoon toe, maar nog niet als datgene wat den persoon vormt. Daarom is het beter te zeggen dat de personen of hypostasen eerder door de betrekkingen dan wel door hun oorsprong onderscheiden zijn. Immers, ofschoon zij op beide manieren onderscheiden zijn, zijn zij het nochtans, naar de wijze van beteekenen, eerst en vooral door de betrekkingen. Vandaar beduidt de naam Vader niet enkel een eigenschap doch ook een hypostase, maar de naam Voortbrenger of Voortbrengende beduidt alleen een eigenschap. Want de naam Vader beteekent een betrekking die een hypostase onderscheidt en vormt, doch de naam Voortbrenger of Voort gebrachte bedoelt den oorsprong, die geen hypostase onderscheidt en vormt.

Ad primum ergo dicendum quod personae sunt ipsae relationes subsistentes. Unde non repugnat simplicitati divinarum personarum, quod relationibus distinguantur. (Iª q. 40 a. 2 ad 1)

1 — De personen zijn de zelfstandig-staande betrekkingen zelf. Het is dus niet strijdig met de enkelvoudigheid van de goddelijke personen dat zij door betrekkingen onderscheiden zijn.

Ad secundum dicendum quod personae divinae non distinguuntur in esse in quo subsistunt, neque in aliquo absoluto, sed solum secundum id quod ad aliquid dicuntur. Unde ad earum distinctionem sufficit relatio. (Iª q. 40 a. 2 ad 2)

2 — De goddelijke personen zijn niet onderscheiden naar het zijn, waarin zij zelfstandig-staan, noch in eenig absoluut opzicht, maar enkel in zoover zij « betrekking tot iets » zeggen. Vandaar volstaat de betrekking om ze van elkaar te onderscheiden.

Ad tertium dicendum quod quanto distinctio prior est, tanto propinquior est unitati. Et ideo debet esse minima. Et ideo distinctio personarum non debet esse nisi per id quod minimum distinguit, scilicet per relationem. (Iª q. 40 a. 2 ad 3)

3 — Hoe onmiddellijker een onderscheid is, des te meer benadert het de eenheid. En daarom moet het uiterst gering zijn. Daarom moeten de personen onderscheiden zijn door iets dat nauwelijks onderscheidt, nl. door de betrekking.

Ad quartum dicendum quod relatio praesupponit distinctionem suppositorum, quando est accidens, sed si relatio sit subsistens, non praesupponit, sed secum fert distinctionem. Cum enim dicitur quod relativi esse est ad aliud se habere, per ly aliud intelligitur correlativum, quod non est prius, sed simul natura. (Iª q. 40 a. 2 ad 4)

4 — Wanneer de betrekking een bijkomstigheid is, dan veronderstelt zij het onderscheid van de subjekten; maar gesteld dat zij zelfstandig staat, dan veronderstelt zij dit onderscheid niet, maar brengt het mede. Want als men zegt dat de wezenheid van het betrekkelijke bestaat in zijn gericht-zijn-op iets anders, dan verstaat men door de uitdrukking « iets anders » het wederzijdsch betrekkelijk ding, dat niet vooraf- doch naar de natuur tegelijk bestaat.

Articulus 3.
Blijven de hypostasen nog, wanneer men met het verstand de betrekkingen wegdenkt van de Personen?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod, abstractis per intellectum proprietatibus seu relationibus a personis, adhuc remaneant hypostases. Id enim ad quod aliquid se habet ex additione, potest intelligi remoto eo quod sibi additur, sicut homo se habet ad animal ex additione, et potest intelligi animal remoto rationali. Sed persona se habet ex additione ad hypostasim, est enim persona hypostasis proprietate distincta ad dignitatem pertinente. Ergo, remota proprietate personali a persona, intelligitur hypostasis. (Iª q. 40 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert dat de hypostasen nog blijven, wanneer men met het verstand de eigenschappen of betrekkingen wegdenkt van de personen. Datgene immers waaraan iets anders toegevoegd wordt, kan zonder dat toegevoegde worden opgevat, zooals « mensch » iets toevoegt aan « dier », en « dier » kan worden opgevat zonder « redelijk ». Welnu « persoon » voegt iets toe aan hypostase, want de persoon is een hypostase, onderscheiden door een eigenschap die een waardigheid insluit. Dus kan men de hypostase nog opvatten, nadat men de persoonseigenschap van den persoon heeft weggedacht.

Praeterea, pater non ab eodem habet quod sit pater, et quod sit aliquis. Cum enim paternitate sit pater, si paternitate esset aliquis, sequeretur quod filius, in quo non est paternitas, non esset aliquis. Remota ergo per intellectum paternitate a patre, adhuc remanet quod sit aliquis; quod est esse hypostasim. Ergo, remota proprietate a persona, remanet hypostasis. (Iª q. 40 a. 3 arg. 2)

2 — De Vader is niet om dezelfde reden « Vader » en « iemand ». Hij is immers Vader door het vaderschap. Moest hij dan ook door het vaderschap « iemand » zijn, dan zou de Zoon niet « iemand » zijn, daar Hij geen vaderschap bezit. Zondert men dus in gedachte het vaderschap af van den Vader, dan blijft Hij toch iemand, en dat is een hypostase zijn. Bijgevolg, denkt men de eigenschap weg van den persoon, dan blijft toch de hypostase.

Praeterea, Augustinus dicit, V de Trin., non hoc est dicere ingenitum, quod est dicere patrem, quia etsi filium non genuisset, nihil prohiberet eum dicere ingenitum. Sed si filium non genuisset, non inesset ei paternitas. Ergo, remota paternitate, adhuc remanet hypostasis patris ut ingenita. (Iª q. 40 a. 3 arg. 3)

3 — Augustinus zegt in het 5e boek Over de Drievuldigheid (6e H.) : « wanneer men « Vader » zegt, zegt men nog niet «de ongeborene »; want zelfs indien Hij geen Zoon had voortgebracht, zou niets beletten Hem den ongeborene te noemen ». Maar indien Hij geen Zoon had voortgebracht, dan zou Hij geen vaderschap bezitten. Dus blijft nog de hypostase van den Vader als « de ongeborene », wanneer men het vaderschap wegdenkt.

Sed contra est quod Hilarius dicit, IV de Trin., nihil habet filius nisi natum. Nativitate autem est filius. Ergo, remota filiatione, non remanet hypostasis filii. Et eadem ratio est de aliis personis. (Iª q. 40 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat dat Hilarius zegt in het 4e boek Over de Drievuldigheid (n. 10) : « De Zoon heeft anders niets dan dat Hij geboren is ». Maar juist door zijn geboorte is Hij Zoon. Denk dus het zoonschap weg, en de hypostase van den Zoon verdwijnt. En hetzelfde geldt voor de andere personen.

Respondeo dicendum quod duplex fit abstractio per intellectum. Una quidem, secundum quod universale abstrahitur a particulari, ut animal ab homine. Alia vero, secundum quod forma abstrahitur a materia; sicut forma circuli abstrahitur per intellectum ab omni materia sensibili. Inter has autem abstractiones haec est differentia, quod in abstractione quae fit secundum universale et particulare, non remanet id a quo fit abstractio, remota enim ab homine differentia rationali, non remanet in intellectu homo, sed solum animal. In abstractione vero quae attenditur secundum formam et materiam, utrumque manet in intellectu, abstrahendo enim formam circuli ab aere, remanet seorsum in intellectu nostro et intellectus circuli et intellectus aeris. Quamvis autem in divinis non sit universale neque particulare, nec forma et materia, secundum rem; tamen, secundum modum significandi, invenitur aliqua similitudo horum in divinis; secundum quem modum Damascenus dicit quod commune est substantia, particulare vero hypostasis. Si igitur loquamur de abstractione quae fit secundum universale et particulare, remotis proprietatibus, remanet in intellectu essentia communis, non autem hypostasis patris, quae est quasi particulare. Si vero loquamur secundum modum abstractionis formae a materia, remotis proprietatibus non personalibus, remanet intellectus hypostasum et personarum, sicut, remoto per intellectum a patre quod sit ingenitus vel spirans, remanet hypostasis vel persona patris. Sed remota proprietate personali per intellectum, tollitur intellectus hypostasis. Non enim proprietates personales sic intelliguntur advenire hypostasibus divinis, sicut forma subiecto praeexistenti, sed ferunt secum sua supposita, inquantum sunt ipsae personae subsistentes, sicut paternitas est ipse pater, hypostasis enim significat aliquid distinctum in divinis, cum hypostasis sit substantia individua. Cum igitur relatio sit quae distinguit hypostases et constituit eas, ut dictum est, relinquitur quod, relationibus personalibus remotis per intellectum, non remaneant hypostases. Sed, sicut dictum est, aliqui dicunt quod hypostases in divinis non distinguuntur per relationes, sed per solam originem; ut intelligatur pater esse hypostasis quaedam per hoc, quod non est ab alio; filius autem per hoc, quod est ab alio per generationem. Sed relationes advenientes quasi proprietates ad dignitatem pertinentes, constituunt rationem personae, unde et personalitates dicuntur. Unde, remotis huiusmodi relationibus per intellectum, remanent quidem hypostases, sed non personae. Sed hoc non potest esse, propter duo. Primo, quia relationes distinguunt et constituunt hypostases, ut ostensum est. Secundo, quia omnis hypostasis naturae rationalis est persona, ut patet per definitionem Boetii, dicentis quod persona est rationalis naturae individua substantia. Unde, ad hoc quod esset hypostasis et non persona, oporteret abstrahi ex parte naturae rationalitatem; non autem ex parte personae proprietatem. (Iª q. 40 a. 3 co.)

Het verstand kan op twee manieren abstraheeren. Vooreerst het algemeene van het bijzondere, als b. v. « dier » van « mensch ». Ten tweede, den vorm van de stof; zoo zondert men in gedachte den vorm « cirkel » af van alle zintuigelijk-waarneembare stof. Doch ziehier het verschil tusschen die twee wijzen van abstraheeren. Wanneer men het algemeene wegdenkt van het bijzondere, dan blijft datgene waarvan men abstraheert niet meer in het verstand. Immers, denkt men het verschil « redelijk » weg van « mensch », dan blijft in de gedachte niet meer het begrip « mensch » doch enkel het begrip « dier ». Wanneer men echter vorm en stof van elkaar wegdenkt, dan blijven beiden in ons verstand. Want denkt men den vorm « cirkel » weg van « brons », dan blijven én het begrip « cirkel » én het begrip « brons » elk op zichzelf in onzen geest. Hoewel er nu in werkelijkheid noch algemeen noch bijzonder, noch vorm en stof in God bestaan, is er nochtans naar de wijze van beteekenen iets dergelijks in God te vinden. Zoo zegt Damascenus dan ook (in zijn boek Over het waarachtig Geloof, 3e B., 6e H.) : « Het algemeene is de zelfstandigheid, de hypostase is het bijzondere ». Als het dan gaat over het abstraheeren van het algemeene en het bijzondere, dan blijft wel in den geest, nadat de eigenschappen zijn weggedacht, de gemeenschappelijke wezenheid, maar niet de hypostase van den Vader, die zich als het bijzondere verhoudt. Gaat het echter over het abstraheeren van vorm en stof, dan blijft nog, na het wegdenken van de niet-persoonlijke eigenschappen, het begrip van de hypostasen en personen; zoo blijft de hypostase of de persoon van den Vader, wanneer men van Hem wegdenkt dat Hij niet-voortgebracht is of dat Hij aanademt. Doch wanneer men de persoonseigenschap wegdenkt, gaat het begrip van de hypostase verloren. Inderdaad, men vat het bijkomen van de persoonseigenschappen bij de goddelijke hypostasen niet op als het bijkomen van een vorm bij een voorafbestaand subjekt. Maar zij sluiten hun subjekt in, doordat zij de zelfstandig-staande personen zelf zijn, zooals het vaderschap de Vader zelf is; de hypostase toch beteekent iets onderscheiden in God, daar een hypostase een individueele zelfstandigheid is. Omdat nu, zooals gezegd werd (vorig Art.), juist de betrekking de hypostasen onderscheidt en vormt, moeten wij besluiten dat de hypostasen niet blijven, na het wegdenken van de persoonlijke betrekkingen. Doch, zooals wij er (in vorig Artikel) op wezen, beweren sommigen dat de goddelijke hypostasen niet door de betrekkingen, maar alleen door hun oorsprong onderscheiden zijn, zoodat de Vader een hypostase zou zijn doordat Hij niet van een andere voortkomt, de Zoon echter, omdat Hij van een andere voortkomt door voortbrenging. De betrekkingen nu die bijkomen als een waardigheid insluitende eigenschappen vormen den persoon; vandaar dat zij persoonseigenschappen genoemd worden. Zoo dus, wanneer men die betrekkingen wegdenkt, blijven wel de hypostasen, maar niet de personen. Dat is echter onmogelijk om twee redenen. Ten eerste, omdat de betrekkingen, zooals bewezen is (vorig Art.), de hypostasen onderscheiden en vormen. Ten tweede, omdat elke hypostase in een redelijke natuur een persoon is. Dat blijkt uit de bepaling van Boëtius, die zegt (in zijn boek Over de twee Naturen, 3e H.) dat een persoon « een individueele zelfstandigheid in een redelijke natuur » is. Bijgevolg zou men, om een hypostase te hebben maar geen persoon, van den kant van de natuur de redelijkheid moeten wegdenken, doch niet de eigenschap van den kant van den persoon.

Ad primum ergo dicendum quod persona non addit supra hypostasim proprietatem distinguentem absolute, sed proprietatem distinguentem ad dignitatem pertinentem, totum enim hoc est accipiendum loco unius differentiae. Ad dignitatem autem pertinet proprietas distinguens, secundum quod intelligitur subsistens in natura rationali. Unde, remota proprietate distinguente a persona, non remanet hypostasis, sed remaneret, si tolleretur rationalitas naturae. Tam enim persona quam hypostasis est substantia individua, unde in divinis de ratione utriusque est relatio distinguens. (Iª q. 40 a. 3 ad 1)

1 — « Persoon » voegt bij « hypostase » niet een onderscheidende eigenschap zonder meer, maar « een onderscheidende eigenschap, die een waardigheid insluit »: men moet dat immers in zijn geheel nemen, als één soortelijk verschil. Die onderscheidende eigenschap nu sluit een waardigheid in, doordat men ze opvat als zelfstandig-staande in een redelijke natuur. Zoodat er geen hypostase blijft, wanneer men van den persoon die onderscheidende eigenschap wegdenkt. Zij zou echter wel blijven indien men de redelijkheid der natuur wegdacht. Want zoowel de persoon als de hypostase is een individueele zelfstandigheid. Daarom behoort in God de onderscheidende betrekking aan beiden toe.

Ad secundum dicendum quod paternitate pater non solum est pater, sed est persona, et est quis sive hypostasis. Nec tamen sequitur quod filius non sit quis sive hypostasis; sicut non sequitur quod non sit persona. (Iª q. 40 a. 3 ad 2)

2 — De Vader is door het vaderschap niet alleen Vader, maar ook een persoon en « iemand », d. w. z. een hypostase. Maar daaruit volgt niet dat de Zoon niet « iemand », d. i. geen hypostase is, zoomin als er uit volgt dat Hij geen persoon is.

Ad tertium dicendum quod intentio Augustini non fuit dicere quod hypostasis patris remaneat ingenita, remota paternitate, quasi innascibilitas constituat et distinguat hypostasim patris, hoc enim esse non potest, cum ingenitum nihil ponat, sed negative dicatur, ut ipsemet dicit. Sed loquitur in communi, quia non omne ingenitum est pater. Remota ergo paternitate, non remanet in divinis hypostasis patris, ut distinguitur ab aliis personis; sed ut distinguitur a creaturis, sicut Iudaei intelligunt. (Iª q. 40 a. 3 ad 3)

3 — Augustinus bedoeld geenszins dat men, na het wegdenken van het vaderschap, nog de hypostase van den Vader behoudt van den Vader zou vormen en onderscheiden. Dat is immers onmogelijk, daar « ongeborene » niets bevestigt, doch, zooals hijzelf zegt, op ontkennende wijze wordt gebruikt. Maar hij spreekt in ’t algemeen, daar niet ieder « ongeborene » de Vader is. Neem dus het vaderschap weg, dan zal in God de hypostase van den Vader, als onderscheiden van de andere personen, niet behouden blijven, wel als onderscheiden van de schepselen, zooals de Joden haar opvatten.

Articulus 4.
Gaat het begrip van de kenmerkende daden aan het begrip van de eigenschappen vooraf?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod actus notionales praeintelligantur proprietatibus. Dicit enim Magister, XXVII dist. I Sent., quod semper pater est, quia genuit semper filium. Et ita videtur quod generatio, secundum intellectum, praecedat paternitatem. (Iª q. 40 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert dat het begrip van de kenmerkende daden aan het begrip van de eigenschappen voorafgaat. De Meester zegt immers in het 1e boek der Sententies, 27e D., dat « de Vader altijd is, daar Hij altijd zijn Zoon heeft voortgebracht ». En zoo schijnt het begrip voortbrenging aan het begrip vaderschap vooraf te gaan.

Praeterea, omnis relatio praesupponit, in intellectu, id supra quod fundatur; sicut aequalitas quantitatem. Sed paternitas est relatio fundata super actione quae est generatio. Ergo paternitas praesupponit generationem. (Iª q. 40 a. 4 arg. 2)

2 — Elke betrekking veronderstelt het begrip van datgene waarop zij steunt. Aldus veronderstelt de gelijkheid de hoegrootheid. Maar het vaderschap is een betrekking die op een werking steunt, nl. op de voortbrenging. Het vaderschap veronderstelt dus de voortbrenging.

Praeterea, sicut se habet generatio activa ad paternitatem, ita se habet nativitas ad filiationem. Sed filiatio praesupponit nativitatem, ideo enim filius est, quia natus est. Ergo et paternitas praesupponit generationem. (Iª q. 40 a. 4 arg. 3)

3 — Zooals de voortbrenging in bedrijvenden zin zich verhoudt tot het vaderschap, zoo verhoudt zich de geboorte tot het zoonschap. Welnu, het zoonschap veronderstelt de geboorte; want de Zoon is Zoon, juist omdat Hij geboren is. Het vaderschap veronderstelt dus ook de voortbrenging.

Sed contra, generatio est operatio personae patris. Sed paternitas constituit personam patris. Ergo prius est, secundum intellectum, paternitas quam generatio. (Iª q. 40 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter dat de voortbrenging een werking is van den persoon van den Vader. Het vaderschap echter vormt den persoon van den Vader. Dus gaat het begrip van het vaderschap aan het begrip van de voortbrenging vooraf.

Respondeo dicendum quod, secundum illos qui dicunt quod proprietates non distinguunt et constituunt hypostases, sed manifestant hypostases distinctas et constitutas, absolute dicendum est quod relationes, secundum modum intelligendi, consequuntur actus notionales; ut dici possit simpliciter quod quia generat, est pater. Sed supponendo quod relationes distinguant et constituant hypostases in divinis, oportet distinctione uti. Quia origo significatur in divinis active et passive, active quidem, sicut generatio attribuitur patri, et spiratio, sumpta pro actu notionali, attribuitur patri et filio; passive autem, sicut nativitas attribuitur filio, et processio spiritui sancto. Origines enim passive significatae, simpliciter praecedunt, secundum intellectum, proprietates personarum procedentium, etiam personales, quia origo passive significata, significatur ut via ad personam proprietate constitutam. Similiter et origo active significata, prior est, secundum intellectum, quam relatio personae originantis quae non est personalis, sicut actus notionalis spirationis, secundum intellectum, praecedit proprietatem relativam innominatam communem patri et filio. Sed proprietas personalis patris potest considerari dupliciter. Uno modo, ut est relatio, et sic iterum, secundum intellectum, praesupponit actum notionalem; quia relatio, inquantum huiusmodi, fundatur super actum. Alio modo, secundum quod est constitutiva personae, et sic oportet quod praeintelligatur relatio actui notionali, sicut persona agens praeintelligitur actioni. (Iª q. 40 a. 4 co.)

Zij die beweren dat de eigenschappen de hypostasen niet onderscheiden en vormen, maar dat zij de onderscheidene en in hun wezenheid bepaalde hypostasen doen kennen, moeten volstrekt houden dat het begrip van de betrekkingen volgt op het begrip van de kenmerkende daden, zoodat men zonder meer zou kunnen zeggen dat de Vader Vader is omdat Hij voortbrengt. Doch eenmaal vooropgesteld dat de betrekkingen wél de goddelijke hypostasen onderscheiden en vormen, moet men onderscheid maken. Want oorsprong wordt in God in bedrijvenden en in lijdenden zin genomen. Vooreerst in bedrijvenden zin: zooals de voortbrenging aan den Vader wordt toegekend en de aanademing, als kenmerkende daad genomen, aan den Vader en aan den Zoon. Ten tweede, in lijdenden zin: zooals men de geboorte aan den Zoon, en de voortkomst aan den Heiligen Geest toekent. Immers, het begrip oorsprong, in lijdenden zin genomen, gaat zonder meer aan het begrip van de eigenschappen der voortkomende personen, zelfs van de persoonseigenschappen, vooraf, omdat oorsprong in lijdenden zin beteekent: het heengaan naar den persoon toe, die in zijn wezen de eigenschap zelf is. Evenzoo gaat oorsprong in bedrijvenden zin naar het begrip vooraf aan de niet-persoonlijke betrekking van den persoon die oorsprong is. Aldus gaat de kenmerkende daad van de aanademmg vooraf aan de onbenoemde betrekkelijke eigenschap, welke aan Vader en Zoon gemeen is. — Doch de persoonseigenschap van den Vader kan men op tweevoudige wijze beschouwen. Ten eerste in zoover zij een betrekking is, en zoo veronderstelt zij naar het begrip de kenmerkende daad, omdat die betrekking als zoodanig op de daad steunt. Tweedens kan men ze beschouwen in zoover zij den persoon vormt, en zoo gaat de betrekking noodzakelijk aan de kenmerkende daad vooraf, zooals de handelende persoon voorafgaat aan de handeling.

Ad primum ergo dicendum quod, cum Magister dicit quod quia generat est pater, accipit nomen patris secundum quod designat relationem tantum, non autem secundum quod significat personam subsistentem. Sic enim oporteret e converso dicere quod quia pater est, generat. (Iª q. 40 a. 4 ad 1)

1 — Wanneer de Meester zegt: « Omdat Hij voortbrengt is Hij Vader », dan neemt hij het woord « Vader » alleen in zoover het de betrekking beduidt, maar niet in zoover het de zelfstandig-staande persoon beteekent. Want dan zou men integendeel moeten zeggen: Hij brengt voort omdat Hij Vader is.

Ad secundum dicendum quod obiectio illa procedit de paternitate, secundum quod est relatio, et non secundum quod est constitutiva personae. (Iª q. 40 a. 4 ad 2)

2 — In die opwerping spreekt men over het vaderschap als betrekking genomen en niet in zoover het den persoon vormt.

Ad tertium dicendum quod nativitas est via ad personam filii, et ideo, secundum intellectum, praecedit filiationem, etiam secundum quod est constitutiva personae filii. Sed generatio activa significatur ut progrediens a persona patris, et ideo praesupponit proprietatem personalem patris. (Iª q. 40 a. 4 ad 3)

3 — De geboorte is het heengaan naar den persoon van den Zoon toe. Daarom komt zij, naar het begrip, vóór het zoonschap, zelfs in zoover zij den persoon van den Zoon vormt. Doch de voortbrenging in bedrijvenden zin beteekent: uitgaan van den persoon van den Vader; zij onderstelt dan ook de persoonseigenschap van den Vader.