QuaestioArticulus

Prima Pars. Quaestio 109.
De rangorde der slechte engelen .

Prooemium

Deinde considerandum est de ordinatione malorum Angelorum. Et circa hoc quaeruntur quatuor. Primo, utrum ordines sint in Daemonibus. Secundo, utrum in eis sit praelatio. Tertio, utrum unus illuminet alium. Quarto, utrum subiiciantur praelationi bonorum Angelorum. (Ia q. 109 pr.)

Vervolgens dient ook de rangorde der slechte engelen beschouwd te worden. En hieromtrent stellen we vier vragen: 1. Zijn er ook duivelenkoren? 2. Is er leiderschap bij hen? 3. Verlicht de een de ander? 4. Zijn zij onderworpen aan de leiding der goede engelen?

Articulus 1.
Zijn er ook duivelenkoren?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod ordines non sint in Daemonibus. Ordo enim pertinet ad rationem boni, sicut et modus et species, ut Augustinus dicit in libro de natura boni; et e contrario inordinatio pertinet ad rationem mali. Sed in bonis Angelis nihil est inordinatum. Ergo in malis Angelis non sunt aliqui ordines. (Ia q. 109 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat er geen koren zijn bij de duivels. — Orde behoort immers tot het wezen van het goede, zoals ook wijze en soort, naar Augustinus zegt; en omgekeerd behoort de wanorde tot het wezen van het kwaad. Maar onder de goede engelen is geen wanorde, dus zijn er bij de boze geesten geen orden (koren).

Praeterea, ordines angelici sub aliqua hierarchia continentur. Sed Daemones non sunt sub aliqua hierarchia, quae est sacer principatus, cum ab omni sanctitate sint vacui. Ergo in Daemonibus non sunt ordines. (Ia q. 109 a. 1 arg. 2)

2 — De engelenkoren behoren tot hiërarchieën. Maar de duivels staan met onder enige hiërarchie, die heilig bestuur is, want zij zijn van iedere heiligheid ontdaan. Dus zijn er bij de duivels geen koren.

Praeterea, Daemones de singulis ordinibus Angelorum ceciderunt, ut communiter dicitur. Si ergo aliqui Daemones dicuntur esse alicuius ordinis, quia de illo ordine ceciderunt; videtur quod deberent eis attribui nomina singulorum ordinum. Nunquam autem invenitur quod dicantur Seraphim, vel throni, vel dominationes. Ergo, pari ratione, non sunt in aliquibus ordinibus. (Ia q. 109 a. 1 arg. 3)

3 — De duivels zijn, naar algemeen gezegd wordt, uit de verschillende engelenkoren uitgestoten. Als men dus van sommige duivels zegt, dat zij tot een koor behoren, omdat ze daarvan uitgestoten zijn, schijnt men hen ook de namen der afzonderlijke koren te moeten geven. Maar nooit leest men, dat ze Serafijnen, Tronen of Heerschappijen genoemd worden. Dus a pari: ze behoren tot geen koren.

Sed contra est quod apostolus dicit, ad Ephes. ult., quod est nobis colluctatio adversus principes et potestates, adversus mundi rectores tenebrarum harum. (Ia q. 109 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter wat de Apostel zegt: “Onze strijd gaat tegen Hoogheden en Krachten tegen wereldbeheersers dezer duisternis” (Eph. 6, 12).

Respondeo dicendum quod, sicut iam dictum est, ordo angelicus consideratur et secundum gradum naturae, et secundum gradum gratiae. Gratia vero habet duplicem statum, scilicet imperfectum, qui est status merendi; et perfectum, qui est status gloriae consummatae. Si ergo considerentur ordines angelici quantum ad perfectionem gloriae, sic Daemones neque sunt in ordinibus angelicis, neque unquam fuerunt. Si autem considerentur quantum ad id quod est gratiae imperfectae, sic Daemones fuerunt quidem aliquando in ordinibus Angelorum, sed ab eis ceciderunt; secundum illud quod supra posuimus, omnes Angelos in gratia creatos fuisse. Si autem considerentur quantum ad id quod est naturae, sic adhuc sunt in ordinibus, quia data naturalia non amiserunt, ut Dionysius dicit. (Ia q. 109 a. 1 co.)

Zoals reeds gezegd is (108e Kw. 4e, 7e, 8e Art.), wordt een engelenkoor gezien zowel naar de natuurlijke graad als naar de graad der genade. Er is echter een dubbele staat van genade: de onvolmaakte, welke de staat der verdienste is; en de volmaakte, welke de staat der volkomen heerlijkheid is. Beziet men dus de engelenkoren naar de volmaaktheid der glorie, dan zijn de duivels niet in de koren der engelen, noch waren zij ooit daarin. Beziet men ze echter van de kant der onvolkomen genade, dan waren de duivels eenmaal in de koren der engelen, maar zijn eruit gestoten; volgens hetgeen we boven gesteld hebben (62e Kw. 3e Art.), dat alle engelen in genade geschapen zijn. Als men daarentegen de koren beziet naar wat van natuurwege is, dan zijn de duivels nog daarin, want ze hebben de natuurgaven niet verloren, zoals Dionysius zegt.

Ad primum ergo dicendum quod bonum potest inveniri sine malo; sed malum non potest inveniri sine bono, ut supra habitum est. Et ideo Daemones, inquantum habent naturam bonam, ordinati sunt. (Ia q. 109 a. 1 ad 1)

1 — Antwoord op de Bedenkingen. — Zoals boven gezegd is (49e Kw. 3e Art.), kan wel het goede zonder kwaad gevonden worden, maar niet het kwade zonder goed. Vandaar dat de duivels, voor zover zij een goede natuur hebben, geordend zijn.

Ad secundum dicendum quod ordinatio Daemonum, si consideretur ex parte Dei ordinantis, est sacra, utitur enim Daemonibus propter seipsum. Sed ex parte voluntatis Daemonum, non est sacra, quia abutuntur sua natura ad malum. (Ia q. 109 a. 1 ad 2)

2 — De ordening der duivels is, bezien van de kant van God, die ordent, heilig: Hij gebruikt de demonen om zijnentwille. Maar van de kant van de wil der duivels is zij niet heilig, omdat zij hun natuur misbruiken tot het kwaad.

Ad tertium dicendum quod nomen Seraphim imponitur ab ardore caritatis, nomen autem thronorum ab inhabitatione divina, nomen autem dominationum importat libertatem quandam, quae omnia opponuntur peccato. Et ideo peccantibus Angelis huiusmodi nomina non attribuuntur. (Ia q. 109 a. 1 ad 3)

3 — De naam Serafijnen is ontleend aan de gloed der liefde, die der Tronen aan de Inwoning Gods, die der Heerschappijen geeft zekere vrijheid aan: dit alles staat tegenover de zonde. Vandaar dat dergelijke namen met aan de zondige engelen gegeven worden.

Articulus 2.
Is er leiderschap bij hen?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod in Daemonibus non sit praelatio. Omnis enim praelatio est secundum aliquem ordinem iustitiae. Sed Daemones totaliter a iustitia ceciderunt. Ergo in eis non est praelatio. (Ia q. 109 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat er bij de duivels geen leiderschap bestaat. — Iedere leiding is immers volgens orde der gerechtigheid. Maar de duivels zijn volkomen aan de rechtvaardigheid ontvallen. Dus is er bij hen geen leiding.

Praeterea, ubi non est obedientia et subiectio, non est praelatio. Haec autem sine concordia esse non possunt; quae in Daemonibus nulla est, secundum illud Prov. XIII, inter superbos semper sunt iurgia. Ergo in Daemonibus non est praelatio. (Ia q. 109 a. 2 arg. 2)

2 — Waar geen onderwerping en gehoorzaamheid is, daar is geen leiding. Deze echter kunnen niet bestaan zonder eendracht, die bij de duivels niet is, naar het woord uit het Boek der Spreuken (13, 10): “Onder hoogmoedigen zijn immer twisten”. Dus is er bij de duivels geen leiding.

Praeterea, si in eis est aliqua praelatio, aut hoc pertinet ad eorum naturam, aut ad eorum culpam vel poenam. Sed non ad eorum naturam, quia subiectio et servitus non est ex natura, sed est ex peccato subsecuta. Nec pertinet ad culpam vel poenam, quia sic superiores Daemones, qui magis peccaverunt, inferioribus subderentur. Non ergo est praelatio in Daemonibus. (Ia q. 109 a. 2 arg. 3)

3 — Als er leiding bij hen is, behoort deze ofwel bij hun natuur, ofwel bij hun schuld of bij hun straf. Niet echter bij hun natuur: want onderwerping en dienstbaarheid is niet van nature, maar gevolg van de zonde. Ook behoort zij niet bij schuld of straf: want dan zouden de hogere engelen, die zwaarder zondigden, aan de lagere onderworpen zijn. Er is dus geen leiding onder de duivelen.

Sed contra est quod dicit Glossa, I ad Cor. XV, quandiu durat mundus, Angeli Angelis, homines hominibus, et Daemones Daemonibus praesunt. (Ia q. 109 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter, wat de Clossa op de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15, 24) heeft: “Zolang de wereld duurt, zullen engelen engelen leiden, mensen mensen, en duivels duivels”.

Respondeo dicendum quod, cum actio sequatur naturam rei, quorumcumque naturae sunt ordinatae, oportet quod etiam actiones sub invicem ordinentur. Sicut patet in rebus corporalibus, quia enim inferiora corpora naturali ordine sunt infra corpora caelestia actiones et motus eorum subduntur actionibus et motibus caelestium corporum. Manifestum est autem ex praemissis quod Daemonum quidam naturali ordine sub aliis constituuntur. Unde et actiones eorum sub actionibus superiorum sunt. Et hoc est quod rationem praelationis facit, ut scilicet actio subditi subdatur actioni praelati. Sic igitur ipsa naturalis dispositio Daemonum requirit quod sit in eis praelatio. Convenit etiam hoc divinae sapientiae, quae nihil in universo inordinatum relinquit, quae attingit a fine usque ad finem fortiter, et disponit omnia suaviter, ut dicitur Sap. VIII. (Ia q. 109 a. 2 co.)

Daar de werking naar de natuur der dingen is, moeten de werkingen van dingen, welker natuur onderling geordend is, ook geordend zijn, zoals blijkt uit de stoffelijke dingen: daar de lagere lichamen in natuurlijke orde staan onder de hemellichamen, zijn hun werkingen en bewegingen ondergeschikt aan de werkingen en bewegingen der hemellichamen. Nu is uit het bovenstaande (vorig Art.) duidelijk, dat sommige duivels in natuurlijke orde onder andere staan. Vandaar dat ook hun werkingen aan de werkingen der hogere ondergeschikt zijn. En dit is wat de idee van leiderschap maakt, dat nl. de werking van de ondergeschikte aan de werking van de leider ondergeschikt is. Zo vraagt dus de natuurlijke rangorde onder de duivels, dat er leiderschap bij hen is. — Dit stemt overigens overeen met de goddelijke Wijsheid, die mets in het ganse heelal ongeordend liet, maar zoals in het Boek der Wijsheid (8, 1) gezegd wordt, “in kracht reikt van grens tot grens, en alles met zachtheid ordent”.

Ad primum ergo dicendum quod praelatio Daemonum non fundatur super eorum iustitia, sed super iustitia Dei cuncta ordinantis. (Ia q. 109 a. 2 ad 1)

1 — Antwoord op de Bedenkingen. — Het leiderschap bij de duivels berust niet op hun gerechtigheid, maar op de Gerechtigheid Gods, die alles ordent.

Ad secundum dicendum quod concordia Daemonum, qua quidam aliis obediunt, non est ex amicitia quam inter se habeant; sed ex communi nequitia, qua homines odiunt, et Dei iustitiae repugnant. Est enim proprium hominum impiorum, ut eis se adiungant et subiiciant, ad propriam nequitiam exequendam, quos potiores viribus vident. (Ia q. 109 a. 2 ad 2)

2 — De eendracht der duivels, waardoor sommige anderen gehoorzamen, is niet uit vriendschap, die zij onderling zouden hebben, maar uit gemeenschappelijke boosheid, waardoor ze de mensen haten, en Gods Gerechtigheid bestrijden. Het is immers ook eigen aan slechte mensen, dat zij zich, om hun eigen boosheid te volvoeren, aansluiten bij, en onderwerpen aan degenen, die huns inziens machtiger zijn.

Ad tertium dicendum quod Daemones non sunt aequales secundum naturam, unde in eis est naturalis praelatio. Quod in hominibus non contingit, qui natura sunt pares. Quod autem superioribus inferiores subdantur, non est ad bonum superiorum, sed magis ad malum eorum; quia cum mala facere maxime ad miseriam pertineat, praeesse in malis est esse magis miserum. (Ia q. 109 a. 2 ad 3)

3 — De duivels zijn van nature niet gelijk, zodat onder hen een natuurlijk leiderschap is, wat bij de mensen, die van nature gelijk zijn, niet het geval is. Dat echter de lagere aan de hogere ondergeschikt zijn, komt de hogere niet ten goede, maar eerder ten kwade: want daar kwaad doen in hoge mate tot de ellende bijdraagt, is leiding hebben bij het kwade, ellendiger zijn.

Articulus 3.
Verlicht de een de ander?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod in Daemonibus sit illuminatio. Illuminatio enim consistit in manifestatione veritatis. Sed unus Daemon potest alteri veritatem manifestare, quia superiores magis acumine naturalis scientiae vigent. Ergo superiores Daemones possunt inferiores illuminare. (Ia q. 109 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat er bij de duivels verlichting is. — Verlichting immers bestaat in bekendmaking der waarheid. Maar de ene duivel kan de ander een waarheid bekendmaken, want de hogere genieten een grotere scherpte van natuurlijk inzicht. Dus kunnen de hogere duivels de lagere verlichten.

Praeterea, corpus quod superabundat in lumine, potest illuminare corpus quod in lumine deficit; sicut sol lunam. Sed superiores Daemones magis abundant in participatione luminis naturalis. Ergo videtur quod superiores Daemones possunt inferiores illuminare. (Ia q. 109 a. 3 arg. 2)

2 — Een lichaam, dat overvloeit van licht, kan een lichaam, dat gebrek aan licht heeft, verlichten, zoals de zon de maan. Maar de hogere duivels zijn in groter overvloed aan het natuurlijk licht deelachtig. Dus schijnen zij de lagere te kunnen verlichten.

Sed contra, illuminatio cum purgatione est et perfectione, ut supra dictum est. Sed purgare non convenit Daemonibus; secundum illud Eccli. XXXIV, ab immundo quid mundabitur? Ergo etiam neque illuminare. (Ia q. 109 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat, zoals boven gezegd, verlichting samengaat met zuivering en vervolmaking. Maar zuiveren komt aan de duivels niet toe naar het woord uit het Boek Ecclesiasticus (34, 4): “Wat zal gezuiverd worden door een onzuivere?” Dus komt hun ook niet toe te verlichten.

Respondeo dicendum quod in Daemonibus non potest esse illuminatio proprie. Dictum est enim supra quod illuminatio proprie est manifestatio veritatis, secundum quod habet ordinem ad Deum, qui illuminat omnem intellectum. Alia autem manifestatio veritatis potest esse locutio; sicut cum unus Angelus alteri suum conceptum manifestat. Perversitas autem Daemonum hoc habet, quod unus alium non intendit ordinare ad Deum, sed magis ab ordine divino abducere. Et ideo unus Daemon alium non illuminat; sed unus alii suum conceptum per modum locutionis intimare potest. (Ia q. 109 a. 3 co.)

Bij de duivels kan in eigenlijke zin geen verlichting zijn. Boven is immers gezegd (107e Kw. 2e Art.), dat verlichting in eigenlijke zin de bekendmaking van een waarheid is, voor zover deze een orde zegt tot God, die ieder verstand verlicht. Een andere bekendmaking der waarheid kan bestaan in het spreken, zoals wanneer de ene engel de andere zijn gedachte bekendmaakt. De perversiteit echter der duivels brengt mee, dat de een niet bedoelt de ander op God te richten, maar eerder hem van de orde tot God af te trekken. Vandaar verlicht de ene duivel de ander niet, maar de een kan bij wijze van gesprek aan de ander zijn gedachten doen kennen.

Ad primum ergo dicendum quod non quaelibet veritatis manifestatio habet rationem illuminationis, sed solum quae dicta est. (Ia q. 109 a. 3 ad 1)

1 — Antwoord op de Bedenkingen. — Niet iedere bekendmaking ener waarheid heeft het karakter van verlichting, maar alleen zoals gezegd.

Ad secundum dicendum quod secundum ea quae ad naturalem cognitionem pertinent, non est necessaria manifestatio veritatis neque in Angelis neque in Daemonibus, quia, sicut supra dictum est, statim a principio suae conditionis omnia cognoverunt quae ad naturalem cognitionem pertinent. Et ideo maior plenitudo naturalis luminis quae est in superioribus Daemonibus, non potest esse ratio illuminationis. (Ia q. 109 a. 3 ad 2)

2 — Wat de dingen betreft, die tot de natuurlijke kennis behoren, is de bekendmaking der waarheid nodig noch bij de engelen noch bij de duivels: want, zoals boven gezegd is (55e Kw. 2e Art.; 58e Kw, 2e Art.; 79 Kw. 2e Art.), kenden zij onmiddellijk vanaf hun ontstaan alles wat tot de natuurlijke kennis behoort. Vandaar aan de grotere volheid van natuurlijk licht in de hogere duivels, geen grond voor verlichting uitmaken.

Articulus 4.
Zijn ze onderworpen aan de leiding der goede engelen?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod boni Angeli non habeant praelationem super malos. Praelatio enim Angelorum praecipue attenditur secundum illuminationes. Sed mali Angeli, cum sint tenebrae, non illuminantur a bonis. Ergo boni Angeli non habent praelationem super malos. (Ia q. 109 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de goede engelen geen leiderschap hebben over de boze. — Het leiderschap immers, bij de engelen wordt vooral gezien naar de verlichting. Maar de boze engelen worden, daar ze duisternis zijn, niet verlicht door de goede. Dus hebben de goede engelen geen leiding over de boze.

Praeterea, ad negligentiam praesidentis pertinere videntur ea quae per subditos male fiunt. Sed Daemones multa mala faciunt. Si igitur subsunt praelationi bonorum Angelorum, videtur in Angelis bonis esse aliqua negligentia. Quod est inconveniens. (Ia q. 109 a. 4 arg. 2)

2 — Wat door ondergeschikten verkeerd gebeurt, schijnt tot onachtzaamheid van de leider teruggebracht te worden. Maar de duivels doen veel kwaad. Als zij dus aan de leiding der goede engelen onderworpen zijn, schijnt er bij de goede engelen enige onachtzaamheid te bestaan. Dat is niet juist.

Praeterea, praelatio Angelorum sequitur naturae ordinem, ut supra dictum est. Sed si Daemones de singulis ordinibus ceciderunt, ut communiter dicitur, multi Daemones multis bonis Angelis sunt superiores ordine naturae. Non ergo boni Angeli praelationem habent super omnes malos. (Ia q. 109 a. 4 arg. 3)

3 — Zoals boven gezegd is (2e Art.), volgt het leiderschap bij de engelen de natuurlijke volgorde. Maar als de duivels, naar algemeen gezegd wordt, uit de afzonderlijke koren zijn uitgeworpen, zijn vele duivels in natuurlijke orde hoger dan vele goede engelen. De goede engelen hebben dus geen leiding over alle boze.

Sed contra est quod Augustinus dicit, III de Trin., quod spiritus vitae desertor atque peccator regitur per spiritum vitae rationalem, pium et iustum. Et Gregorius dicit quod potestates dicuntur Angeli quorum ditioni virtutes adversae subiectae sunt. (Ia q. 109 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat naar Augustinus zegt, “de zondige en ontrouwe levensgeest beheerst wordt door de verstandige, vrome en gerechte levensgeest.” — En Gregorius zegt, dat “Krachten genoemd worden, de engelen aan wier jurisdictie de tegenstrevende geesten onderworpen zijn.”

Respondeo dicendum quod totus ordo praelationis primo et originaliter est in Deo, et participatur a creaturis secundum quod Deo magis appropinquant, illae enim creaturae super alias influentiam habent, quae sunt perfectiores et Deo propinquiores. Maxima autem perfectio, et per quam maxime Deo appropinquatur, est creaturarum fruentium Deo, sicut sunt sancti Angeli, qua perfectione Daemones privantur. Et ideo boni Angeli super malos praelationem habent, et per eos reguntur. (Ia q. 109 a. 4 co.)

Heel de orde van leiderschap is allereerst en oorspronkelijk in God, en wordt door de schepselen gedeeld naar mate zij dichter staan bij God: die schepselen immers hebben invloed op andere, die volmaakter en God meer nabij zijn. De hoogste volmaaktheid, waardoor men tevens God het dichtst nabijkomt, is die der schepselen, welke God genieten, zoals de heilige engelen: van die volmaaktheid zijn de duivels beroofd. En daarom hebben de goede engelen leiding over de boze, en worden deze door hen beheerst.

Ad primum ergo dicendum quod per sanctos Angelos multa de divinis mysteriis Daemonibus revelantur, cum divina iustitia exigit ut per Daemones aliqua fiant vel ad punitionem malorum, vel ad exercitationem bonorum, sicut in rebus humanis assessores iudicis revelant tortoribus eius sententiam. Huiusmodi autem revelationes, si ad Angelos revelantes comparentur, illuminationes sunt, quia ordinant eas ad Deum. Ex parte vero Daemonum, non sunt illuminationes, quia eas in Deum non ordinant, sed ad expletionem propriae iniquitatis. (Ia q. 109 a. 4 ad 1)

1 — Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Vele van de goddelijke mysteriën worden door de heilige engelen aan de duivels geopenbaard, daar de goddelijke Gerechtigheid eist, dat door de duivels sommige dingen gebeuren ofwel tot straf der bozen ofwel tot oefening der goeden: zoals ook bij menselijke aangelegenheden de bijzitters van de rechter aan de beulen zijn uitspraak bekend maken. Als dergelijke openbaringen gezien worden met betrekking tot de engelen, die ze doen, zijn het verlichtingen, daar zij ze op God richten. Maar van de kant van de duivels zijn het geen verlichtingen, omdat zij ze niet op God richten, maar op de vervulling van hun eigen boosheid.

Ad secundum dicendum quod sancti Angeli sunt ministri divinae sapientiae. Unde sicut divina sapientia permittit aliqua mala fieri per malos Angelos vel homines, propter bona quae ex eis elicit; ita et boni Angeli non totaliter cohibent malos a nocendo. (Ia q. 109 a. 4 ad 2)

2 — De heilige engelen zijn de bedienaars van de goddelijke Wijsheid. Zoals dus de goddelijke Wijsheid toelaat, dat er dooi boze engelen of mensen kwaad gebeurt, om het goede, dat Hij daaruit voortbrengt, zo verhinderen ook de goede engelen de boze niet geheel om kwaad te stichten.

Ad tertium dicendum quod Angelus qui est inferior ordine naturae, praeest Daemonibus, quamvis superioribus ordine naturae; quia virtus divinae iustitiae, cui inhaerent boni Angeli, potior est quam virtus naturalis Angelorum. Unde et apud homines, spiritualis iudicat omnia, ut dicitur I ad Cor. II. Et philosophus dicit, in libro Ethic., quod virtuosus est regula et mensura omnium humanorum actuum. (Ia q. 109 a. 4 ad 3)

3 — De engel die in natuurlijke orde lager is, beheerst toch de duivels, ofschoon in natuurlijke orde hoger, omdat de macht der goddelijke Gerechtigheid, die de goede engelen aanhangen, machtiger is dan de natuurlijke kracht der engelen. Vandaar dat ook bij de mensen, naar gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (1, 2, 15), “de geestelijke mens alles beoordeelt”. En de Wijsgeer zegt, dat “de deugdzame de regel en de maat is van alle menselijke handelingen”.