QuaestioArticulus

Prima pars. Quaestio 27.
Over de voortkomst van degoddelijke Personen .

Articulus 1.
Is er een voortkomst in God?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod in Deo non possit esse aliqua processio. Processio enim significat motum ad extra. Sed in divinis nihil est mobile, neque extraneum. Ergo neque processio. (Iª q. 27 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert dat er in God geen voortkomst kan zijn. Voortkomen immers beteekent een beweging naar buiten uit. Maar in de Godheid is er niets beweeglijks noch buitengoddelijks. Dus ook geen voortkomst.

Praeterea, omne procedens est diversum ab eo a quo procedit. Sed in Deo non est aliqua diversitas, sed summa simplicitas. Ergo in Deo non est processio aliqua. (Iª q. 27 a. 1 arg. 2)

2 — Al wat van iets voortkomt is daarvan onderscheiden. In God is er echter geen verscheidenheid doch wel volkomen enkelvoudigheid. Er is dus geen voortkomst in God.

Praeterea, procedere ab alio videtur rationi primi principii repugnare. Sed Deus est primum principium, ut supra ostensum est. Ergo in Deo processio locum non habet. (Iª q. 27 a. 1 arg. 3)

3 — Van een ander voortkomen en eerste beginsel zijn, is blijkbaar iets tegenstrijdigs. Welnu God, zooals we hooger hebben aangetoond (2e Kw., 3e Art.), is het eerste beginsel. Er is dus geen voortkomst in God.

Sed contra est quod dicit dominus, Ioan. VIII, ego ex Deo processi. (Iª q. 27 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter het woord van den Heer bij Joannes (8, 42) : « Ik ben van God voortgekomen ».

Respondeo dicendum quod divina Scriptura, in rebus divinis, nominibus ad processionem pertinentibus utitur. Hanc autem processionem diversi diversimode acceperunt. Quidam enim acceperunt hanc processionem secundum quod effectus procedit a causa. Et sic accepit Arius, dicens filium procedere a patre sicut primam eius creaturam, et spiritum sanctum procedere a patre et filio sicut creaturam utriusque. Et secundum hoc, neque filius neque spiritus sanctus esset verus Deus. Quod est contra id quod dicitur de filio, I Ioan. ult., ut simus in vero filio eius, hic est verus Deus. Et de spiritu sancto dicitur, I Cor. VI, nescitis quia membra vestra templum sunt spiritus sancti? Templum autem habere solius Dei est. Alii vero hanc processionem acceperunt secundum quod causa dicitur procedere in effectum, inquantum vel movet ipsum, vel similitudinem suam ipsi imprimit. Et sic accepit Sabellius, dicens ipsum Deum patrem filium dici, secundum quod carnem assumpsit ex virgine. Et eundem dicit spiritum sanctum, secundum quod creaturam rationalem sanctificat, et ad vitam movet. Huic autem acceptioni repugnant verba domini de se dicentis, Ioan. V, non potest facere a se filius quidquam; et multa alia, per quae ostenditur quod non est ipse pater qui filius. Si quis autem diligenter consideret, uterque accepit processionem secundum quod est ad aliquid extra, unde neuter posuit processionem in ipso Deo. Sed, cum omnis processio sit secundum aliquam actionem, sicut secundum actionem quae tendit in exteriorem materiam, est aliqua processio ad extra; ita secundum actionem quae manet in ipso agente, attenditur processio quaedam ad intra. Et hoc maxime patet in intellectu, cuius actio, scilicet intelligere, manet in intelligente. Quicumque enim intelligit, ex hoc ipso quod intelligit, procedit aliquid intra ipsum, quod est conceptio rei intellectae, ex vi intellectiva proveniens, et ex eius notitia procedens. Quam quidem conceptionem vox significat, et dicitur verbum cordis, significatum verbo vocis. Cum autem Deus sit super omnia, ea quae in Deo dicuntur, non sunt intelligenda secundum modum infimarum creaturarum, quae sunt corpora; sed secundum similitudinem supremarum creaturarum, quae sunt intellectuales substantiae; a quibus etiam similitudo accepta deficit a repraesentatione divinorum. Non ergo accipienda est processio secundum quod est in corporalibus, vel per motum localem, vel per actionem alicuius causae in exteriorem effectum, ut calor a calefaciente in calefactum; sed secundum emanationem intelligibilem, utpote verbi intelligibilis a dicente, quod manet in ipso. Et sic fides Catholica processionem ponit in divinis. (Iª q. 27 a. 1 co.)

Om de goddelijke dingen uit te drukken gebruikt de H. Schrift benamingen die op een voortkomen duiden. Op verscheidene wijzen wordt echter dit voortkomen door verschillenden verklaard. Sommigen immers stellen dit voortkomen op één lijn met de voortkomst van een uitwerksel uit zijn oorzaak. En dit was Arius’ opvatting, die volhield dat de Zoon van den Vader voortkomt als zijn eerste schepsel, en de H. Geest van den Vader en van den Zoon, als een schepsel van beiden. Volgens deze meening zou de Zoon noch de H. Geest waarachtig God zijn. Doch dit is in strijd met hetgeen Joannes in zijn Eersten Brief (5, 20) schrijft over den Zoon: « Opdat we zouden zijn in zijn waren Zoon. Deze is waarachtig God ». En van den H. Geest wordt er gezegd in den Eersten Brief aan de Korinthiërs (6, 19) : « Weet gij niet dat uwe ledematen de tempel zijn van den H. Geest? » Welnu God alleen hoort het toe een tempel te hebben. Anderen vatten dit voortkomen op als dat van een oorzaak die zich zoodanig op haar uitwerksel richt, dat zij dit verandert of er haar gelijkenis op drukt. En dit was de meening van Sabellius. God de Vader, zoo beweerde hij, wordt Zoon genoemd in zoover Hij het vleesch heeft aangenomen uit de Maagd, en dezelfde wordt H. Geest genoemd in zoover Hij het redelijk schepsel heilig en levend maakt. Deze opvatting is echter in strijd met de woorden van den Heer, die, zooals we lezen bij Joannes (5, 19), van zichzelf getuigde: « De Zoon vermag niets uit zichzelf »; en met vele andere uitspraken, die aantoonen dat niet dezelfde die Zoon is, ook Vader is. Wanneer we nu nauwkeurig toezien, dan ligt het voor de hand dat beiden het voortkomen hebben opgevat als een voortkomen naar buiten uit. Geen van beiden dus stelt het voortkomen in God zelf. Nochtans, daar om ’t even welk voortkomen een zekere werking veronderstelt, is er een voortkomen naar buiten uit, wanneer de werking zich richt op iets dat buiten den dader ligt, en een voortkomen binnen in, wanneer de werking in den dader zelf blijft. Een teekenend voorbeeld van dit laatste biedt ons het verstand, waarvan de daad, d. i. het verstandelijk kennen, in hem blijft die kent. Bij verstandelijke kennis wordt, door de verstandelijke kennis zelve, iets voortgebracht in den kenner, binnen in zijn verstand, nl. het begrip of de voorstelling van het gekende ding. Er ontstaat immers ’n begrip of voorstelling in het verstandelijk kenvermogen, wanneer dit metterdaad iets kent. Dit begrip drukken we uit door de spraak, en noemen het ’t « innerlijk woord » waarvan het woord, dat we uitspreken, het teeken is. Daar God nu boven al wat er bestaat verheven is, moet men de dingen waarvan men zegt dat zij in God zijn, niet opvatten zooals men ze vindt bij de minste onder de schepselen, d. i. bij de lichamelijke dingen, maar naar gelijkenis met de opperste schepselen, nl. de onstoffelijke zelfstandigheden, terwijl Zelfs de gelijkenis aan deze schepselen ontleend nog ontoereikend is om de goddelijke dingen voor te stellen. Het voortkomen in God mag men dus niet opvatten zooals het bij de lichamelijke dingen geschiedt, hetzij als een plaatselijk bewegen, hetzij als een inwerken van een oorzaak op iets dat buiten haar ligt, zooals de gloed uitgaat van het vuur en het voorwerp verwarmt. Maar men moet het opvatten als een onstoffelijk voortkomen, nl. zooals dat van het verstandswoord, dat voortkomt van hem die ’t in zijn geest uit en dat in dezen zelf blijft. In dien zin nu spreekt het katholiek geloof van een voortkomen in God.

Ad primum ergo dicendum quod obiectio illa procedit de processione quae est motus localis, vel quae est secundum actionem tendentem in exteriorem materiam, vel in exteriorem effectum, talis autem processio non est in divinis, ut dictum est. (Iª q. 27 a. 1 ad 1)

1 — De eerste opwerping gaat uit van dat voortkomen hetwelk ofwel een plaatselijke beweging veronderstelt, ofwel een werking die zich richt op een buitengelegen subjekt of een uitwerksel naar buiten voortbrengt. Een dergelijk voortkomen bestaat er echter in God niet, zooals we in de Leerstelling zeiden.

Ad secundum dicendum quod id quod procedit secundum processionem quae est ad extra, oportet esse diversum ab eo a quo procedit. Sed id quod procedit ad intra processu intelligibili, non oportet esse diversum, imo, quanto perfectius procedit, tanto magis est unum cum eo a quo procedit. Manifestum est enim quod quanto aliquid magis intelligitur, tanto conceptio intellectualis est magis intima intelligenti, et magis unum, nam intellectus secundum hoc quod actu intelligit, secundum hoc fit unum cum intellecto. Unde, cum divinum intelligere sit in fine perfectionis, ut supra dictum est, necesse est quod verbum divinum sit perfecte unum cum eo a quo procedit, absque omni diversitate. (Iª q. 27 a. 1 ad 2)

2 — Wanneer iets voortkomt naar buiten uit, moet het onderscheiden zijn van het subjekt waarvan het voortkomt, niet echter wanneer iets bij wijze van een verstandelijk voortkomen binnen in voortkomt. Ja zelfs, hoe volmaakter de voortkomst is van dit tweede, hoe inniger de eenheid is tusschen dit en het subjekt waarvan het voortkomt. Het is immers duidelijk dat het verstandelijk begrip van een ding des te inniger met het verstand verbonden is en des te volmaakter één er mee, naar gelang de kennis, die ons verstand van het ding heeft, volmaakter is. Want juist doordat het verstand metterdaad kent, wordt het één met het gekende voorwerp. Daar nu het goddelijk kennen, zooals we vroeger (14e Kw., 1e Art.) gezien hebben, de hoogste volmaaktheid bereikt, moet het goddelijk Woord noodzakelijk volkomen één zijn met Hem van wien Het voortkomt en wel zonder eenige verscheidenheid.

Ad tertium dicendum quod procedere a principio ut extraneum et diversum, repugnat rationi primi principii, sed procedere ut intimum et absque diversitate, per modum intelligibilem, includitur in ratione primi principii. Cum enim dicimus aedificatorem principium domus, in ratione huius principii includitur conceptio suae artis, et includeretur in ratione primi principii, si aedificator esset primum principium. Deus autem, qui est primum principium rerum, comparatur ad res creatas ut artifex ad artificiata. (Iª q. 27 a. 1 ad 3)

3 — Voortkomen als iets dat buiten zijn beginsel ligt en ervan onderscheiden is, is in strijd met het begrip eerste beginsel. Maar voortkomen als iets dat in zijn beginsel blijft en er niet van onderscheiden is, zooals dit het geval is met het verstandelijk voortkomen, ligt vervat in het begrip zelf van eerste beginsel. Wanneer wij immers zeggen dat de bouwkundige het beginsel is van het huis, dan beduiden wij daarmee dat in het begrip van dit beginsel, de idee van het huis vervat is; en in geval de bouwkundige het eerste beginsel was, zou deze idee vervat zijn in het begrip eerste beginsel. God nu, die het Eerste Beginsel is van alle dingen, verhoudt zich tot al wat geschapen is als ’n kunstenaar tot zijn kunstwerken.

Articulus 2.
Is er in de Godheid een voortkomst die « voortbrenging » of « geboorte » kan genoemd worden?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod processio quae est in divinis, non possit dici generatio. Generatio enim est mutatio de non esse in esse, corruptioni opposita; et utriusque subiectum est materia. Sed nihil horum competit divinis. Ergo non potest generatio esse in divinis. (Iª q. 27 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert dat de voortkomst in de Godheid geen « voortbrenging » of « geboorte » mag genoemd worden. Voortbrenging is verandering van niet-zijn tot zijn, in tegenstelling met vergaan of verworden. Bij beiden is de stof het subjekt. Maar dit alles komt niet voor in de Godheid. Derhalve kan men in de Godheid niet van « voortbrenging » spreken.

Praeterea, in Deo est processio secundum modum intelligibilem, ut dictum est. Sed in nobis talis processio non dicitur generatio. Ergo neque in Deo. (Iª q. 27 a. 2 arg. 2)

2 — De voortkomst in God geschiedt volgens ’n werking van het verstand, zooals in het voorgaand Artikel werd uiteengezet. Bij ons nu wordt zulk een voortkomst nooit « geboorte » genoemd. Derhalve ook in God niet.

Praeterea, omne genitum accipit esse a generante. Esse ergo cuiuslibet geniti est esse receptum. Sed nullum esse receptum est per se subsistens. Cum igitur esse divinum sit esse per se subsistens, ut supra probatum est, sequitur quod nullius geniti esse sit esse divinum. Non est ergo generatio in divinis. (Iª q. 27 a. 2 arg. 3)

3 — Alles wat voortgebracht wordt, ontvangt het zijn van zijn voortbrenger. Dit zijn is dus een verkregen-zijn. Maar geen enkel verkregen-zijn is een zijn-uitzichzelf. Daar echter het zijn der Godheid een zijn-uitzichzelf is, zooals vroeger bewezen werd (3e Kw., 4e Art.), volgt hieruit dat het zijn van iets dat voortgebracht is, nooit het goddelijk-zijn kan wezen. Dus is er geen voortbrenging in de Godheid.

Sed contra est quod dicitur in Psalmo II, ego hodie genui te. (Iª q. 27 a. 2 s. c.)

Hiertegen pleit wat staat in den Psalm (2, 7) : « Heden heb ik U geteeld ».

Respondeo dicendum quod processio verbi in divinis dicitur generatio. Ad cuius evidentiam, sciendum est quod nomine generationis dupliciter utimur. Uno modo, communiter ad omnia generabilia et corruptibilia, et sic generatio nihil aliud est quam mutatio de non esse ad esse. Alio modo, proprie in viventibus, et sic generatio significat originem alicuius viventis a principio vivente coniuncto. Et haec proprie dicitur nativitas. Non tamen omne huiusmodi dicitur genitum, sed proprie quod procedit secundum rationem similitudinis. Unde pilus vel capillus non habet rationem geniti et filii, sed solum quod procedit secundum rationem similitudinis, non cuiuscumque, nam vermes qui generantur in animalibus, non habent rationem generationis et filiationis, licet sit similitudo secundum genus, sed requiritur ad rationem talis generationis, quod procedat secundum rationem similitudinis in natura eiusdem speciei, sicut homo procedit ab homine, et equus ab equo. In viventibus autem quae de potentia in actum vitae procedunt, sicut sunt homines et animalia, generatio utramque generationem includit. Si autem sit aliquod vivens cuius vita non exeat de potentia in actum, processio, si qua in tali vivente invenitur, excludit omnino primam rationem generationis; sed potest habere rationem generationis quae est propria viventium. Sic igitur processio verbi in divinis habet rationem generationis. Procedit enim per modum intelligibilis actionis, quae est operatio vitae, et a principio coniuncto, ut supra iam dictum est, et secundum rationem similitudinis, quia conceptio intellectus est similitudo rei intellectae, et in eadem natura existens, quia in Deo idem est intelligere et esse, ut supra ostensum est. Unde processio verbi in divinis dicitur generatio, et ipsum verbum procedens dicitur filius. (Iª q. 27 a. 2 co.)

De voortkomst van het Woord in de Godheid moet « voortbrenging » of « geboorte » genoemd worden. Tot duidelijk inzicht hiervan moet men weten dat voortbrenging in dubbelen zin genomen kan worden. De eerste, meer algemeene beteekenis is die welke gebruikt wordt voor alle ontstaan en vergaan. En zoo beteekent voortbrenging: de verandering van nietzijn tot zijn. De andere, meer eigenlijke beteekenis wordt gebruikt met betrekking tot levende wezens. En dan beteekent voortbrenging: het voortkomen van een levend wezen uit zijn levend beginsel, waarmee het verbonden was. Deze voortbrenging noemt men in eigenlijken zin « geboorte ». Nochtans kan men ook hier niet altijd van een « geboorte » spreken, maar alleen wanneer iets voortkomt in gelijkenis met den voortbrenger. Bij de haren van lichaam of hoofd spreekt men niet van « geboren worden » of « zoon zijn », doch alleen bij een voortkomst in gelijkenis. Maar ook hier weer is niet iedere willekeurige gelijkenis voldoende. Want van de wormen, die voortkomen uit sommige dieren, kan men niet zeggen dat zij uit hen « geboren » worden en hun « jongen » zijn, ofschoon er hier gelijkenis is wat het dier-zijn betreft. De gelijkenis toch die vereischt wordt om van een geboorte te kunnen spreken, moet een gelijkenis zijn in ’n gelijksoortige natuur, zooals een mensch voortkomt van een mensch en een paard van een paard. Derhalve worden beide beteekenissen aangetroffen bij de levende wezens die voortkomen — zooals menschen en dieren — door van het leven in potentie over te gaan tot het daadwerkelijke leven. Mocht er echter een levend wezen bestaan wiens leven niet voortkomt door overgang van potentie tot daadwerkelijkheid, dan sluit deze voortkomst (indien ze bij zulk een wezen wordt aangetroffen) iedere voortbrenging in de eerste beteekenis geheel uit. Maar wel kan deze voortkomst verstaan worden in de tweede beteekenis van voortbrenging, die alleen eigen is aan de levende wezens. Op deze wijze nu kan de voortkomst van het Woord in de Godheid een voortbrenging of geboorte genoemd worden. Het Woord komt immers voort door een verstandsdaad, die een levenswerking is; en wel van uit een beginsel waarmee Het verbonden is, zooals in het vorig Artikel werd uiteengezet; en in gelijkenis, want het begrip van het verstand is de gelijkenis van de begrepen zaak; en wel in gelijkenis in dezelfde natuur, omdat, in God, begrijpen en zijn een en hetzelfde is, zooals vroeger werd aangetoond (14e Kw., 4e Art.). Bijgevolg kan de voortkomst van het Woord een « geboorte », en het Woord zelve « Zoon » genoemd worden.

Ad primum ergo dicendum quod obiectio illa procedit de generatione secundum rationem primam, prout importat exitum de potentia in actum. Et sic non invenitur in divinis, ut supra dictum est. (Iª q. 27 a. 2 ad 1)

1 — Deze opwerping vindt haar grond in de eerste beteekenis van voortbrenging, die een overgang van potentie tot daadwerkelijkheid beduidt. Deze wordt in de Godheid niet aangetroffen, zooals in de Leerstelling gezegd is.

Ad secundum dicendum quod intelligere in nobis non est ipsa substantia intellectus, unde verbum quod secundum intelligibilem operationem procedit in nobis, non est eiusdem naturae cum eo a quo procedit. Unde non proprie et complete competit sibi ratio generationis. Sed intelligere divinum est ipsa substantia intelligentis, ut supra ostensum est, unde verbum procedens procedit ut eiusdem naturae subsistens. Et propter hoc proprie dicitur genitum et filius. Unde et his quae pertinent ad generationem viventium, utitur Scriptura ad significandam processionem divinae sapientiae, scilicet conceptione et partu, dicitur enim ex persona divinae sapientiae, Proverb. VIII, nondum erant abyssi, et ego iam concepta eram; ante colles ego parturiebar. Sed in intellectu nostro utimur nomine conceptionis, secundum quod in verbo nostri intellectus invenitur similitudo rei intellectae, licet non inveniatur naturae identitas. (Iª q. 27 a. 2 ad 2)

2 — Ons begrijpen is niet de zelfstandigheid van het verstand. Daarom is het inwendig woord (het begrip), dat door de verstandswerking in ons voortkomt, niet van dezelfde natuur als het beginsel waarvan het voortkomt. En daarom bezit deze voortkomst niet het eigenlijk karakter van geboorte. Maar het goddelijk begrijpen is de zelfstandigheid van den Begrijpende zelf, zooals vroeger werd aangetoond (14e Kw., 4e Art.). Het voortkomende Woord komt dus voort als zijnde in dezelfde natuur, en daarom zegt men ervan in eigenlijken zin dat het « geboren » is en « Zoon » is. Vandaar ook gebruikt de H. Schrift de woorden die betrekking hebben op de voortbrengst der levende wezens, om de voortkomst der goddelijke Wijsheid aan te duiden, nl. ontvangenis en baring, zooals in het Boek der Spreuken (8, 24) geschreven staat: « Nog waren de afgronden er niet, of Ik was reeds ontvangen. Vóór de heuvelen werd Ik geboren ». Wel wordt bij ons verstand van « ontvangenis » gesproken, doch alleen in zoover in het begrip van ons verstand een gelijkenis met de begrepen zaak aanwezig is, maar niet alsof die gelijkenis in dezelfde natuur is.

Ad tertium dicendum quod non omne acceptum est receptum in aliquo subiecto, alioquin non posset dici quod tota substantia rei creatae sit accepta a Deo, cum totius substantiae non sit aliquod subiectum receptivum. Sic igitur id quod est genitum in divinis, accipit esse a generante, non tanquam illud esse sit receptum in aliqua materia vel subiecto (quod repugnat subsistentiae divini esse); sed secundum hoc dicitur esse acceptum, inquantum procedens ab alio habet esse divinum, non quasi aliud ab esse divino existens. In ipsa enim perfectione divini esse continetur et verbum intelligibiliter procedens, et principium verbi; sicut et quaecumque ad eius perfectionem pertinent, ut supra dictum est. (Iª q. 27 a. 2 ad 3)

3 — Niet alle verkregen-zijn behoeft ontvangen te worden in een subjekt. Anders kan men niet zeggen dat de geheele zelfstandigheid van een geschapen ding van God verkregen is, daar er geen subjekt wordt aangetroffen, dat de geheele zelfstandigheid ontvangt. Zóó dus ontvangt het Voortgebrachte in de Godheid het zijn van den Voortbrenger, niet alsof dat zijn ontvangen wordt in ’n materie of subjekt, want dit strijdt tegen het opzichzelf-zijn van het goddelijk zijn; maar men moet dit verkregen-zijn zóó verstaan, dat hetgeen voortkomt van een ander het goddelijk-zijn bezit, niet alsof het iets anders was dan het goddelijk-Zijn. Want in dezelfde volheid van het goddelijk-Zijn is vervat én het Woord, dat verstandelijk voortkomt, én het Beginsel van het Woord, evenals dit bij alles het geval is, wat tot Gods volmaaktheden behoort, zooals we hierboven (4e Kw., 2e Art.) hebben aangetoond.

Articulus 3.
Is er buiten de geboorte nog een andere voortkomst in de Godheid?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod non sit in divinis alia processio a generatione verbi. Eadem enim ratione erit aliqua alia processio ab illa alia processione, et sic procederetur in infinitum, quod est inconveniens. Standum est igitur in primo, ut sit una tantum processio in divinis. (Iª q. 27 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert dat er in God buiten de geboorte van het Woord geen andere voortkomst is. Om dezelfde reden immers zou er, buiten deze andere, nog een andere voortkomst zijn, en zoo zou men tot het oneindige voortgaan. Dat kan echter niet. We moeten dus blijven bij de eerste, zoodat er slechts ééne voortkomst in God is.

Praeterea, in omni natura invenitur tantum unus modus communicationis illius naturae, et hoc ideo est, quia operationes secundum terminos habent unitatem et diversitatem. Sed processio in divinis non est nisi secundum communicationem divinae naturae. Cum igitur sit una tantum natura divina, ut supra ostensum est, relinquitur quod una sit tantum processio in divinis. (Iª q. 27 a. 3 arg. 2)

2 — Iedere natuur, welke ’t ook zij, kan zich slechts op een en dezelfde wijze meedeelen. De werking is immers verscheiden of enkelvoudig, naar gelang de term, waarop ze gericht is, verscheiden of enkelvoudig is. Welnu in God is er geen voortkomst tenzij die, waardoor de goddelijke natuur wordt meegedeeld. Daar er nu slechts ééne goddelijke natuur is, zooals we vroeger hebben aangetoond (11e Kw., 3e Art.) mogen wij ook maar één enkele voortkomst in God aannemen.

Praeterea, si sit in divinis alia processio ab intelligibili processione verbi, non erit nisi processio amoris, quae est secundum voluntatis operationem. Sed talis processio non potest esse alia a processione intellectus intelligibili, quia voluntas in Deo non est aliud ab intellectu, ut supra ostensum est. Ergo in Deo non est alia processio praeter processionem verbi. (Iª q. 27 a. 3 arg. 3)

3 — Indien er in God, buiten de verstandelijke voortkomst van het Woord, nog een andere voortkomst is, kan het geen andere zijn dan die van de liefde, die door de werking van den wil geschiedt. Maar een dergelijke voortkomst kan niet onderscheiden zijn van de verstandelijke voortkomst in het verstand, daar wil en verstand in God niet onderscheiden zijn, zooals vroeger werd aangetoond (14e Kw., 1e Art.).

Sed contra est quod spiritus sanctus procedit a patre, ut dicitur Ioan. XV. Ipse autem est alius a filio, secundum illud Ioan. XIV, rogabo patrem meum, et alium Paracletum dabit vobis. Ergo in divinis est alia processio praeter processionem verbi. (Iª q. 27 a. 3 s. c.)

Doch daartegenover staat dat de H. Geest voortkomt van den Vader, zooals we lezen bij Joannes (13, 26). De H. Geest nu is de Zoon niet, maar Hij is een ander, volgens dit woord van Joannes (14, 16) : « Ik zal tot den Vader bidden en Hij zal U een anderen Trooster geven ». Er is dus in God buiten de voortkomst van het Woord nog een andere.

Respondeo dicendum quod in divinis sunt duae processiones, scilicet processio verbi, et quaedam alia. Ad cuius evidentiam, considerandum est quod in divinis non est processio nisi secundum actionem quae non tendit in aliquid extrinsecum, sed manet in ipso agente. Huiusmodi autem actio in intellectuali natura est actio intellectus et actio voluntatis. Processio autem verbi attenditur secundum actionem intelligibilem. Secundum autem operationem voluntatis invenitur in nobis quaedam alia processio, scilicet processio amoris, secundum quam amatum est in amante, sicut per conceptionem verbi res dicta vel intellecta, est in intelligente. Unde et praeter processionem verbi, ponitur alia processio in divinis, quae est processio amoris. (Iª q. 27 a. 3 co.)

Er is in de Godheid ’n dubbele voortkomst: die van het Woord en een andere. Ten bewijze hiervan diene de volgende beschouwing. Er kan in de Godheid geen andere voortkomst zijn dan krachtens een werking, die zich niet naar buiten richt, maar binnen het werkend beginsel zelve blijft. Van dien aard is bij een verstandelijk wezen de werking van verstand en wil. De voortkomst nu van het woord geschiedt volgens een verstandelijke werking. Volgens den wil echter wordt bij ons nog een zekere andere voortkomst aangetroffen, nl. de voortkomst der liefde. Krachtens deze is het beminde in den minnaar, zooals door de vorming van het verstandswoord de begrepen zaak in den kenner is. Daarom moet men buiten de voortkomst van het Woord nog een andere voortkomst in de Godheid aannemen, die is: de voortkomst der liefde.

Ad primum ergo dicendum quod non est necessarium procedere in divinis processionibus in infinitum. Processio enim quae est ad intra in intellectuali natura, terminatur in processione voluntatis. (Iª q. 27 a. 3 ad 1)

1 — Niets dwingt er ons toe in de goddelijke voortkomsten tot in 't oneindige voort te gaan. De innerlijke voortkomst die plaats heeft in een verstandelijke natuur, houdt immers op bij die van den wil.

Ad secundum dicendum quod quidquid est in Deo, est Deus, ut supra ostensum est, quod non contingit in aliis rebus. Et ideo per quamlibet processionem quae non est ad extra, communicatur divina natura, non autem aliae naturae. (Iª q. 27 a. 3 ad 2)

2 — Alles wat er in God is, is God, zooals vroeger werd aangetoond (3e Kw., 3e en 4e Art.). Bij de andere wezens is dit niet het geval. Daarom wordt dan ook door iedere voortkomst, die niet naar buiten gericht is, de goddelijke natuur meegedeeld, en geen andere.

Ad tertium dicendum quod, licet in Deo non sit aliud voluntas et intellectus, tamen de ratione voluntatis et intellectus est, quod processiones quae sunt secundum actionem utriusque, se habeant secundum quendam ordinem. Non enim est processio amoris nisi in ordine ad processionem verbi, nihil enim potest voluntate amari, nisi sit in intellectu conceptum. Sicut igitur attenditur quidam ordo verbi ad principium a quo procedit, licet in divinis sit eadem substantia intellectus et conceptio intellectus; ita, licet in Deo sit idem voluntas et intellectus, tamen, quia de ratione amoris est quod non procedat nisi a conceptione intellectus, habet ordinis distinctionem processio amoris a processione verbi in divinis. (Iª q. 27 a. 3 ad 3)

3 — Ofschoon de wil in God niet iets anders is dan het verstand, eischen de begrippen wil en verstand toch dat de voortkomsten, die door hun beider werkingen geschieden, zich volgens een bepaalde orde tot elkaar verhouden. Er kan immers geen voortkomst van de liefde zijn tenzij in verband met de voortkomst van het woord, daar men niets met den wil kan beminnen, als men het niet eerst in het verstand heeft opgenomen. Evenals men dus tusschen het Woord en zijn beginsel — al zijn dan ook verstand en begrip een zelfde zelfstandigheid in God — een zekere orde waarneemt, zoo moet men ook een zekere orde aanvaarden, waardoor in God de voortkomst door de liefde onderscheiden is van de voortkomst van het Woord. Want ofschoon verstand en wil één zijn in God, komt toch, volgens onze wijze van begrijpen, de liefde slechts voort, nadat het verstand het beminde voorwerp heeft opgevat.

Articulus 4.
Is de voortkomst van de liefde in God een voortbrenging of geboorte?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod processio amoris in divinis sit generatio. Quod enim procedit in similitudine naturae in viventibus, dicitur generatum et nascens. Sed id quod procedit in divinis per modum amoris, procedit in similitudine naturae, alias esset extraneum a natura divina, et sic esset processio ad extra. Ergo quod procedit in divinis per modum amoris, procedit ut genitum et nascens. (Iª q. 27 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert dat de voortkomst van de liefde in God een geboorte is. Wanneer immers bij de levende wezens het een van het ander voortspruit met een zelfde natuur, dan zegt men ervan dat het voortgebracht werd en geboren is. Welnu datgene wat in God bij wijze van liefde voortkomt, spruit voort met een zelfde natuur; want anders zou het niet tot de goddelijke natuur behooren en zou zijn voortkomst er eene zijn naar buiten uit. Wat er dus in God bij wijze van liefde voortspruit, komt voort als iets dat voortgebracht en geboren wordt.

Praeterea, sicut similitudo est de ratione verbi, ita est etiam de ratione amoris, unde dicitur Eccli. XIII, quod omne animal diligit simile sibi. Si igitur ratione similitudinis verbo procedenti convenit generari et nasci, videtur etiam quod amori procedenti convenit generari. (Iª q. 27 a. 4 arg. 2)

2 — Evenals het woord uiteraard op een gelijkenis duidt, zoo ook de liefde. Derhalve lezen we in het boek Ecclesiasticus (13, 19) : « Elk zintuigelijk wezen heeft zijns gelijke lief ». Indien men dus, om reden van de gelijkenis, van het voortkomend woord mag zeggen dat het voortgebracht en geboren wordt, dan mag men ’t zelfde zeggen van de voortkomende liefde.

Praeterea, non est in genere quod non est in aliqua eius specie. Si igitur in divinis sit quaedam processio amoris, oportet quod, praeter hoc nomen commune, habeat aliquod nomen speciale. Sed non est aliud nomen dare nisi generatio. Ergo videtur quod processio amoris in divinis sit generatio. (Iª q. 27 a. 4 arg. 3)

3 — Niets wordt bij een geslacht ondergebracht dat niet tot een soort ervan behoort. Indien er dus in God een zekere voortkomst van de liefde is, dan moet deze voortkomst, naast dezen gemeenschappelijken naam, nog een bijzonderen naam hebben. Maar buiten de benaming « voortbrenging » of « geboorte » hebben we er geen. Bijgevolg is de voortkomst van de liefde in God een geboorte.

Sed contra est quia secundum hoc sequeretur quod spiritus sanctus, qui procedit ut amor, procederet ut genitus. Quod est contra illud Athanasii, spiritus sanctus a patre et filio non factus nec creatus nec genitus, sed procedens. (Iª q. 27 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter dat in dit geval de H. Geest, die als liefde voortvloeit, door geboorte zou voortkomen. En dit is in strijd met deze woorden van Athanasius (in het Symbolum) : « De H. Geest is niet gemaakt noch geschapen noch geteeld door den Vader en den Zoon, maar Hij komt van Hen voort. »

Respondeo dicendum quod processio amoris in divinis non debet dici generatio. Ad cuius evidentiam, sciendum est quod haec est differentia inter intellectum et voluntatem, quod intellectus fit in actu per hoc quod res intellecta est in intellectu secundum suam similitudinem, voluntas autem fit in actu, non per hoc quod aliqua similitudo voliti sit in voluntate, sed ex hoc quod voluntas habet quandam inclinationem in rem volitam. Processio igitur quae attenditur secundum rationem intellectus, est secundum rationem similitudinis, et intantum potest habere rationem generationis, quia omne generans generat sibi simile. Processio autem quae attenditur secundum rationem voluntatis, non consideratur secundum rationem similitudinis, sed magis secundum rationem impellentis et moventis in aliquid. Et ideo quod procedit in divinis per modum amoris, non procedit ut genitum vel ut filius, sed magis procedit ut spiritus, quo nomine quaedam vitalis motio et impulsio designatur, prout aliquis ex amore dicitur moveri vel impelli ad aliquid faciendum. (Iª q. 27 a. 4 co.)

We mogen de voortkomst van de liefde in God geen geboorte noemen. Dit blijkt duidelijk uit het volgend onderscheid dat we vaststellen tusschen verstand en wil: terwijl nl. het verstand tot de kendaad komt door de gelijkenis die het gekende voorwerp in het verstand inprent, gaat de wil over tot de wilsdaad, niet door een gelijkenis met het gewilde voorwerp in den wil, maar door een zekere neiging die in den wil ten opzichte van het gewilde voorwerp ontstaat. Het eigenaardige dus van de voortkomst, in zoover zij plaats heeft in het verstand, is dat dit laatste gelijk wordt aan het gekende voorwerp. En daar elke voortbrenger zijns gelijke voortbrengt, mag men die voortkomst, met het oog op de gelijkenis, een geboorte noemen. De voortkomst daarentegen, in zoover zij in den wil plaats heeft, heeft niet als kenmerk dat deze gelijk wordt aan iets anders, maar is veeleer als een drijven en stuwen naar iets toe. Wat dus in God als liefde uit Hem voortspruit, komt daarom niet voort als iets dat geboren wordt, niet als Zoon, maar veeleer als Geest. Met dezen naam drukken we een zekere levensbeweging en stuwing uit. Zoo zegt men immers van iemand dat hij door de liefde bewogen en gedreven wordt om iets te verrichten.

Ad primum ergo dicendum quod quidquid est in divinis, est unum cum divina natura. Unde ex parte huius unitatis non potest accipi propria ratio huius processionis vel illius, secundum quam una distinguatur ab alia, sed oportet quod propria ratio huius vel illius processionis accipiatur secundum ordinem unius processionis ad aliam. Huiusmodi autem ordo attenditur secundum rationem voluntatis et intellectus. Unde secundum horum propriam rationem sortitur in divinis nomen utraque processio, quod imponitur ad propriam rationem rei significandam. Et inde est quod procedens per modum amoris et divinam naturam accipit, et tamen non dicitur natum. (Iª q. 27 a. 4 ad 1)

1 — Alles wat er in God is, is één met zijn goddelijke natuur. We zullen dus het eigen kenmerk waardoor deze voortkomst van gene wordt onderscheiden, niet vinden in die eenheid, maar we moeten het eigen kenmerk van elke voortkomst zoeken in de verhouding van de eene voortkomst tot de andere. Deze verhouding nu vatten we, wanneer we het eigenaardige, dat wil en verstand kenmerkt, in acht nemen. En met het oog op dat eigenaardige noemen we elk van beide voortkomsten met een naam die dat eigenaardige uitdrukt. Vandaar spreekt men bij hetgeen als liefde voortvloeit en de goddelijke natuur ontvangt, toch niet van een geboorte.

Ad secundum dicendum quod similitudo aliter pertinet ad verbum, et aliter ad amorem. Nam ad verbum pertinet inquantum ipsum est quaedam similitudo rei intellectae, sicut genitum est similitudo generantis, sed ad amorem pertinet, non quod ipse amor sit similitudo, sed inquantum similitudo est principium amandi. Unde non sequitur quod amor sit genitus, sed quod genitum sit principium amoris. (Iª q. 27 a. 4 ad 2)

2 — Om ’n andere reden treft men gelijkenis aan in het woord en om ’n andere reden in de liefde. Want tot het woord behoort zij in zoover het woord zelf een gelijkenis is van het gekende ding, zooals het geborene de gelijkenis bezit van den voortbrenger; maar tot de liefde behoort zij, niet alsof de liefde zelf een gelijkenis was, doch in zoover de gelijkenis tot liefde voert. Men mag dus niet zeggen dat de liefde zelf geboren wordt, maar wel dat hetgeen geboren wordt het beginsel is van de liefde.

Ad tertium dicendum quod Deum nominare non possumus nisi ex creaturis, ut dictum est supra. Et quia in creaturis communicatio naturae non est nisi per generationem, processio in divinis non habet proprium vel speciale nomen nisi generationis. Unde processio quae non est generatio, remansit sine speciali nomine. Sed potest nominari spiratio, quia est processio spiritus. (Iª q. 27 a. 4 ad 3)

3 — Zooals vroeger werd aangetoond (13e Kw., 1e Art.), kan men aan God geen enkelen naam geven die niet ontleend wordt aan het geschapene. Daar er nu bij de schepselen geen natuur wordt meegedeeld tenzij door geboorte, is er maar één eigen naam die aan een voortkomst in God kan gegeven worden, nl. « geboorte ». Om de voortkomst aan te duiden, die niet door geboorte geschiedt, hebben we geen eigen kenmerkende benaming. We kunnen ze echter aanduiden met de benaming « aanademing », omdat zij de voortkomst van den Geest is.

Articulus 5.
Zijn er in God meer dan twee voortkomsten?

Ad quintum sic proceditur. Videtur quod sint plures processiones in divinis quam duae. Sicut enim scientia et voluntas attribuitur Deo, ita et potentia. Si igitur secundum intellectum et voluntatem accipiuntur in Deo duae processiones, videtur quod tertia sit accipienda secundum potentiam. (Iª q. 27 a. 5 arg. 1)

1 — Men beweert dat er meer dan twee voortkomsten in God zijn. Evenals wetenschap en wil, wordt aan God macht toegeschreven. Neemt men dus twee voortkomsten in God aan uit hoofde van het verstand en van den wil, dan is het redelijk, ook een derde te aanvaarden uit hoofde van de macht.

Praeterea, bonitas maxime videtur esse principium processionis, cum bonum dicatur diffusivum sui esse. Videtur igitur quod secundum bonitatem aliqua processio in divinis accipi debeat. (Iª q. 27 a. 5 arg. 2)

2 — Het meest van al moet het goede een voortkomst bewerken, daar men van het goede zegt dat het zichzelf meedeelt. Daaruit blijkt wel dat men met het oog op het goede nog een andere voortkomst in God moet aanvaarden.

Praeterea, maior est fecunditatis virtus in Deo quam in nobis. Sed in nobis non est tantum una processio verbi, sed multae, quia ex uno verbo in nobis procedit aliud verbum; et similiter ex uno amore alius amor. Ergo et in Deo sunt plures processiones quam duae. (Iª q. 27 a. 5 arg. 3)

3 — De vruchtbaarheid in God is rijker dan bij ons. Welnu bij ons is er niet slechts een enkele voortkomst van het woord, maar vele, want uit een woord ontstaat er een ander. Eveneens vloeit er uit eene liefde een andere voort. Er moeten dan ook in God meer dan twee voortkomsten zijn.

Sed contra est quod in Deo non sunt nisi duo procedentes, scilicet filius et spiritus sanctus. Ergo sunt ibi tantum duae processiones. (Iª q. 27 a. 5 s. c.)

Maar daartegenover staat dat er in God niet meer dan twee zijn die van Hem voortkomen, te weten de Zoon en de H. Geest. Dus zijn er in God niet meer dan twee voortkomsten.

Respondeo dicendum quod processiones in divinis accipi non possunt nisi secundum actiones quae in agente manent. Huiusmodi autem actiones in natura intellectuali et divina non sunt nisi duae, scilicet intelligere et velle. Nam sentire, quod etiam videtur esse operatio in sentiente, est extra naturam intellectualem, neque totaliter est remotum a genere actionum quae sunt ad extra; nam sentire perficitur per actionem sensibilis in sensum. Relinquitur igitur quod nulla alia processio possit esse in Deo, nisi verbi et amoris. (Iª q. 27 a. 5 co.)

We kunnen ons geen voortkomsten in de Godheid voorstellen tenzij op grond van werkingen die in den dader zelf blijven. Het is echter onmogelijk dat er in een verstandelijke en goddelijke natuur buiten deze twee, nl. het verstandelijk kennen en het willen, nog meer dergelijke werkingen zouden zijn. De zintuigelijke waarneming toch die zich eveneens voordoet als een werking in hem die zintuigelijk waarneemt, ligt nochtans buiten de verstandelijke natuur en komt bovendien eenigszins overeen met dat soort van werkingen die naar buiten uit gaan. Want het zintuigelijk waarnemen geschiedt onder invloed van de zintuigelijk waarneembare zaak, wanneer deze op het zintuig inwerkt. Het staat dus vast dat er in God, buiten de voortkomsten van verstand en wil, geen andere valt aan te wijzen.

Ad primum ergo dicendum quod potentia est principium agendi in aliud, unde secundum potentiam accipitur actio ad extra. Et sic secundum attributum potentiae non accipitur processio divinae personae, sed solum processio creaturarum. (Iª q. 27 a. 5 ad 1)

1 — Macht is het beginsel waardoor iets op iets anders kan inwerken. Daarom spreken wij van macht in verband met werkingen die naar buiten uit gaan. En aldus is niet de voortkomst van de goddelijke Personen, maar alleen deze van de schepselen met de eigenschap van macht verbonden.

Ad secundum dicendum quod bonum, sicut dicit Boetius in libro de Hebd., pertinet ad essentiam et non ad operationem, nisi forte sicut obiectum voluntatis. Unde, cum processiones divinas secundum aliquas actiones necesse sit accipere, secundum bonitatem et huiusmodi alia attributa non accipiuntur aliae processiones nisi verbi et amoris, secundum quod Deus suam essentiam, veritatem et bonitatem intelligit et amat. (Iª q. 27 a. 5 ad 2)

2 — Het goede, zegt Boëtius in zijn boek Over de Tijdstippen, wordt aan de wezenheid, niet aan de werking, toegeschreven, tenzij voor zoover men het als voorwerp van den wil beschouwt. Daar nu de goddelijke voortkomsten met zekere werkingen verbonden zijn, kunnen we uit de goedheid en uit andere dergelijke eigenschappen geen voortkomsten afleiden, tenzij voor zoover God door de voortkomsten van het Woord en van de Liefde zijn wezenheid, waarheid en goedheid kent en bemint.

Ad tertium dicendum quod, sicut supra habitum est, Deus uno simplici actu omnia intelligit, et similiter omnia vult. Unde in eo non potest esse processio verbi ex verbo, neque amoris ex amore, sed est in eo solum unum verbum perfectum, et unus amor perfectus. Et in hoc eius perfecta fecunditas manifestatur. (Iª q. 27 a. 5 ad 3)

3 — Zooals we hierboven (14e Kw., 7e Art. en 19e Kw., 5e Art.) hebben aangetoond, kent en wil God alles wat Hij kent of wil, door één enkelvoudige daad. Daarvandaan dat er bij Hem geen voortkomst kan zijn van een woord uit een woord en van een liefde uit een liefde, maar bij Hem is er slechts één volmaakt Woord en één volmaakte Liefde. En juist daarin openbaart zich zijn oneindige vruchtbaarheid.