Prima Pars. Quaestio 42. Over de gelijkheid en de gelijkenis der Goddelijke Personen onderling .
Prooemium
Deinde considerandum est de comparatione personarum ad invicem. Et primo, quantum
ad aequalitatem et similitudinem; secundo, quantum ad missionem. Circa primum quaeruntur
sex. Primo, utrum aequalitas locum habeat in divinis personis. Secundo, utrum persona
procedens sit aequalis ei a qua procedit, secundum aeternitatem. Tertio, utrum sit
aliquis ordo in divinis personis. Quarto utrum personae divinae sint aequales secundum
magnitudinem. Quinto, utrum una earum sit in alia. Sexto, utrum sint aequales secundum
potentiam. (Ia q. 42 pr.)
Vervolgens moet er gehandeld worden over de vergelijking der goddelijke Personen onderling,
en wel ten eerste naar de gelijkheid en de gelijkenis, ten tweede naar de zending.
Omtrent het eerste worden zes vragen gesteld: 1e) Kan er spraak zijn van gelijkheid
in de Godheid? 2e) Is, wat de eeuwigheid betreft, de Persoon die voortkomt gelijk
aan degene waaruit hij voortkomt? 3e) Bestaat er orde tussen de goddelijke Personen?
4e) Zijn de goddelijke Personen gelijk naar de grootheid? 5e) Is de éne in de andere?
6e) Zijn zij gelijk in macht?
Articulus 1. Kan er gelijkheid zijn in de Godheid?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod aequalitas non competat divinis personis. Aequalitas
enim attenditur secundum unum in quantitate, ut patet per philosophum, V Metaphys.
In divinis autem personis non invenitur neque quantitas continua intrinseca, quae
dicitur magnitudo; neque quantitas continua extrinseca, quae dicitur locus et tempus;
neque secundum quantitatem discretam invenitur in eis aequalitas, quia duae personae
sunt plures quam una. Ergo divinis personis non convenit aequalitas. (Ia q. 42 a. 1 arg. 1)
1 — Men beweert dat gelijkheid aan de goddelijke Personen niet toekomt. Gelijkheid immers
berust op eenheid van hoegrootheid, zoals de Wijsgeer het aantoont in het 5e Boek
der Metaphysica. In de goddelijke Personen echter is er noch ononderbroken intrinsieke
hoegrootheid, nl. grootheid, noch ononderbroken extrinsieke hoegrootheid, nl. plaats
en tijd. En evenmin is er naar de onderbroken hoegrootheid gelijkheid in hen, want
twee personen zijn numeriek meer dan één. Dus komt gelijkheid aan de goddelijke Personen
niet toe.
Praeterea, divinae personae sunt unius essentiae, ut supra dictum est. Essentia autem
significatur per modum formae. Convenientia autem in forma non facit aequalitatem,
sed similitudinem. Ergo in divinis personis est dicenda similitudo, et non aequalitas. (Ia q. 42 a. 1 arg. 2)
2 — Zoals boven werd gezegd (39e Kw., 2e Art.) hebben de goddelijke Personen één wezenheid.
De wezenheid nu wordt als vorm beduid Overeenkomst naar de vorm echter brengt geen
gelijkheid teweeg maar wel gelijkenis. Betreffende de goddelijke Personen moet men
dus spreken van gelijkenis en niet van gelijkheid.
Praeterea, in quibuscumque invenitur aequalitas, illa sunt sibi invicem aequalia,
quia aequale dicitur aequali aequale. Sed divinae personae non possunt sibi invicem
dici aequales. Quia, ut Augustinus dicit, VI de Trin., imago, si perfecte implet illud
cuius est imago, ipsa coaequatur ei, non illud imagini suae. Imago autem patris est
filius, et sic pater non est aequalis filio. Non ergo in divinis personis invenitur
aequalitas. (Ia q. 42 a. 1 arg. 3)
3 — Al diegene waartussen gelijkheid bestaat, zijn wederzijds gelijk; het gelijke immers
is gelijk aan het gelijke. Van de goddelijke Personen echter kan niet gezegd worden
dat zij wederzijds gelijk zijn. Want zoals Augustinus zegt in het 6e boek Over de
Drievuldigheid (10e H.) : « Wanneer het beeld het verbeelde volkomen weergeeft, wordt
hei beeld aan het verbeelde gelijk, doch niet het verbeelde aan zijn beeld ». De Zoon
nu is het beeld van de Vader. En zo is de Vader niet gelijk aan de Zoon. Er is dus
geen gelijkheid tussen de goddelijke Personen.
Praeterea, aequalitas relatio quaedam est. Sed nulla relatio est communis omnibus
personis, cum secundum relationes personae ab invicem distinguantur. Non ergo aequalitas
divinis personis convenit. (Ia q. 42 a. 1 arg. 4)
4 — Gelijkheid zegt betrekking. Welnu, geen enkele betrekking is aan al de Personen gemeen,
daar de Personen naar de betrekkingen van elkaar onderscheiden zijn. Gelijkheid komt
dus aan de goddelijke Personen niet toe.
Sed contra est quod Athanasius dicit, quod tres personae coaeternae sibi sunt et coaequales. (Ia q. 42 a. 1 s. c.)
Daartegenover staat echter wat Athanasius zegt (in zijn Symbolum) : « De drie Personen
zijn mede-eeuwig en wederzijds gelijk ».
Respondeo dicendum quod necesse est ponere aequalitatem in divinis personis. Quia
secundum philosophum, in X Metaphys., aequale dicitur quasi per negationem minoris
et maioris. Non autem possumus in divinis personis ponere aliquid maius et minus,
quia, ut Boetius dicit, in libro de Trin., eos differentia, scilicet deitatis, comitatur,
qui vel augent vel minuunt, ut Ariani, qui gradibus meritorum Trinitatem variantes
distrahunt, atque in pluralitatem deducunt. Cuius ratio est, quia inaequalium non
potest esse una quantitas numero. Quantitas autem in divinis non est aliud quam eius
essentia. Unde relinquitur quod, si esset aliqua inaequalitas in divinis personis,
quod non esset in eis una essentia, et sic non essent tres personae unus Deus, quod
est impossibile. Oportet igitur aequalitatem ponere in divinis personis. (Ia q. 42 a. 1 co.)
Noodzakelijkerwijze moet men aan de goddelijke Personen gelijkheid toekennen. Want
volgens de Wijsgeer, in het 10e Boek der Metaphysica, wordt iets gelijk genoemd als
’t ware door ontkenning van minder en meer. Welnu, minder en meer kunnen wij aan de
goddelijke Personen niet toekennen. Want zoals Boëtius zegt in het boek Over de Drievuldigheid
(1e H.) : « Zij die spreken van meer of min, moeten een verschil (d. i. een onderscheid
in de goddelijke natuur) aanvaarden, zoals de Arianen, die naar verschillende trappen
van volmaaktheid de goddelijke Personen uit elkaar rukken en alzo de Drievuldigheid
tot een veelheid van zelfstandigheden herleiden ». Hiervan is de reden dat ongelijke
dingen geen hoegrootheid kunnen bezitten, die numeriek een en dezelfde is. In God
nu is de hoegrootheid niets anders dan Gods wezenheid. Bestond er dus ongelijkheid
tussen de goddelijke Personen, dan zouden zij niet één wezenheid hebben, en zo zouden
de drie Personen niet één God zijn; dit nu is onmogelijk. Men moet dus aan de goddelijke
Personen gelijkheid toekennen.
Ad primum ergo dicendum quod duplex est quantitas. Una scilicet quae dicitur quantitas
molis, vel quantitas dimensiva, quae in solis rebus corporalibus est, unde in divinis
personis locum non habet. Sed alia est quantitas virtutis, quae attenditur secundum
perfectionem alicuius naturae vel formae, quae quidem quantitas designatur secundum
quod dicitur aliquid magis vel minus calidum, inquantum est perfectius vel minus perfectum
in caliditate. Huiusmodi autem quantitas virtualis attenditur primo quidem in radice,
idest in ipsa perfectione formae vel naturae, et sic dicitur magnitudo spiritualis,
sicut dicitur magnus calor propter suam intensionem et perfectionem. Et ideo dicit
Augustinus, VI de Trin., quod in his quae non mole magna sunt, hoc est maius esse,
quod est melius esse, nam melius dicitur quod perfectius est. Secundo autem attenditur
quantitas virtualis in effectibus formae. Primus autem effectus formae est esse, nam
omnis res habet esse secundum suam formam. Secundus autem effectus est operatio, nam
omne agens agit per suam formam. Attenditur igitur quantitas virtualis et secundum
esse, et secundum operationem, secundum esse quidem, inquantum ea quae sunt perfectioris
naturae, sunt maioris durationis; secundum operationem vero, inquantum ea quae sunt
perfectioris naturae, sunt magis potentia ad agendum. Sic igitur, ut Augustinus dicit,
in libro de fide ad Petrum, aequalitas intelligitur in patre et filio et spiritu sancto,
inquantum nullus horum aut praecedit aeternitate, aut excedit magnitudine, aut superat
potestate. (Ia q. 42 a. 1 ad 1)
1 — Er is tweeërhande hoegrootheid. De ene noemt men massa-hoegrootheid of meetbare hoegrootheid
en die wordt enkel in de lichamelijke dingen aangetroffen; daarom komt zij in de goddelijke
Personen niet voor. De andere is de waarde-hoegrootheid, volgens welke wij de volmaaktheid
van een natuur of van een vorm schatten. Deze hoegrootheid wordt bedoeld wanneer men
b. v. van iets zegt dat het warmer is of minder warm, naar gelang het de warmte-volmaaktheid
in meerderen of minderen graad bezit. Deze waarde-hoegrootheid nu kan men ten eerste
beschouwen in haar wortel, d. i. naar de volmaaktheid zelf van de vorm of van de natuur;
en zo spreekt men van een geestelijke hoegrootheid, om reden van haar intensiteit
en volmaaktheid, zoals men overigens ook om dezelfde reden spreekt van een grote warmte.
En daarom zegt Augustinus in het 6e boek Over de Drievuldigheid (8e H.) : « In die
dingen die geen massa-hoegrootheid bezitten, betekent groter zijn beter zijn ». Want
datgene wordt beter geheten, wat volmaakter is. Ten tweede kan men de waarde-hoegrootheid
beschouwen in de uitwerkselen van de vorm. Het eerste dezer uitwerkselen is het zijn,
want ieder ding heeft het zijn door zijn vorm. Het tweede uitwerksel is de werking.
Want ieder werkend wezen werkt door zijn vorm. Men kan dus de waarde-hoegrootheid
zowel naar het zijn als naar de werking schatten. Naar het zijn, voor zover de dingen
die een volmaaktere natuur bezitten van langere duur zijn; naar de werking echter
voor zover de dingen die een volmaaktere natuur bezitten, machtiger zijn in hun werking.
Daarom zeggen we met Augustinus (Fulgentius) in het boek Over het Geloof (1e H.) :
« Wanneer we spreken van gelijkheid in de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, dan
bedoelen we daarmee dat géén onder hen een anderen in eeuwigheid voorafgaat, noch
in grootheid of macht hem overtreft ».
Ad secundum dicendum quod ubi attenditur aequalitas secundum quantitatem virtualem,
aequalitas includit in se similitudinem, et aliquid plus, quia excludit excessum.
Quaecumque enim communicant in una forma, possunt dici similia, etiamsi inaequaliter
illam formam participant, sicut si dicatur aer esse similis igni in calore, sed non
possunt dici aequalia, si unum altero perfectius formam illam participet. Et quia
non solum una est natura patris et filii, sed etiam aeque perfecte est in utroque,
ideo non solum dicimus filium esse similem patri, ut excludatur error Eunomii; sed
etiam dicimus aequalem, ut excludatur error Arii. (Ia q. 42 a. 1 ad 2)
2 — Wanneer men spreekt van gelijkheid in waarde-hoegrootheid, sluit die gelijkheid gelijkenis
in en zegt nog iets meer, want zij sluit tevens uit dat het ene het andere zou overtreffen.
Alle dingen immers die één vorm gemeen hebben, kunnen aan-elkaar-gelijk genoemd worden,
zelfs indien zij op ongelijke wijze aan die vorm deel hebben; zo b. v. wanneer men
zegt dat de lucht aan het vuur gelijkt in warmte. Indien echter het ene op volmaaktere
wijze dan het andere die vorm deelt, kan men die twee niet gelijk noemen. Daar nu
de natuur in de Vader en de Zoon niet enkel één is, maar bovendien even volmaakt in
beiden, daarom zeggen we niet enkel dat de Zoon op de Vader gelijkt — zo wordt Eunomius’
dwaalleer geweerd, — maar ook dat de Zoon gelijk is aan de Vader, en zo wordt ook
Arius' dwaalleer uitgesloten.
Ad tertium dicendum quod aequalitas vel similitudo dupliciter potest significari in
divinis, scilicet per nomina et per verba. Secundum quidem quod significatur per nomina,
mutua aequalitas dicitur in divinis personis et similitudo, filius enim est aequalis
et similis patri, et e converso. Et hoc ideo, quia essentia divina non magis est patris
quam filii, unde, sicut filius habet magnitudinem patris, quod est esse eum aequalem
patri, ita pater habet magnitudinem filii, quod est esse eum aequalem filio. Sed quantum
ad creaturas, ut Dionysius dicit, IX cap. de Div. Nom., non recipitur conversio aequalitatis
et similitudinis. Dicuntur enim causata similia causis, inquantum habent formam causarum,
sed non e converso, quia forma principaliter est in causa, et secundario in causato.
Sed verba significant aequalitatem cum motu. Et licet motus non sit in divinis, est
tamen ibi accipere. Quia igitur filius accipit a patre unde est aequalis ei, et non
e converso, propter hoc dicimus quod filius coaequatur patri, et non e converso. (Ia q. 42 a. 1 ad 3)
3 — Op tweeërlei wijze, door namen en werkwoorden, kunnen gelijkheid en gelijkenis in
de Godheid uitgedrukt worden. Drukt men ze uit door namen, dan wijst men op wederzijdse
gelijkheid en gelijkenis in de goddelijke Personen. De Zoon immers is gelijk aan en
gelijkt op de Vader, en omgekeerd, en wel omdat de goddelijke wezenheid niet meer
aan de Vader dan aan de Zoon toebehoort. Zoals dan de Zoon de hoegrootheid van de
Vader heeft, wat zeggen wil dat Hij aan de Vader gelijk is, zo ook heeft de Vader
de hoegrootheid van de Zoon, wat zeggen wil dat Hij aan de Zoon gelijk is. Bij de
schepselen echter, zoals Dionysius het zegt in het boek Over de goddelijke Namen (9e
H.) « zijn gelijkheid en gelijkenis niet omkeerbaar ». Wat veroorzaakt is, zo zegt
men immers, gelijkt op de oorzaak, voor zover het de vorm van de oorzaak bezit, maar
niet omgekeerd, want de vorm is voornamelijk in de oorzaak en op ondergeschikte wijze
in het veroorzaakte. De werkwoorden echter betekenen gelijkheid maar tevens beweging.
En hoewel in God geen beweging bestaat, toch is er « ontvangen » in Hem. Omdat dus
de Zoon van de Vader datgene ontvangt waardoor Hij aan Hem gelijk is, en niet andersom,
daarom zeggen wij: De Zoon is aan de Vader gelijk, en niet omgekeerd.
Ad quartum dicendum quod in divinis personis nihil est considerare nisi essentiam,
in qua communicant, et relationes, in quibus distinguuntur. Aequalitas autem utrumque
importat, scilicet distinctionem personarum, quia nihil sibi ipsi dicitur aequale;
et unitatem essentiae, quia ex hoc personae sunt sibi invicem aequales, quod sunt
unius magnitudinis et essentiae. Manifestum est autem quod idem ad seipsum non refertur
aliqua relatione reali. Nec iterum una relatio refertur ad aliam per aliquam aliam
relationem, cum enim dicimus quod paternitas opponitur filiationi, oppositio non est
relatio media inter paternitatem et filiationem. Quia utroque modo relatio multiplicaretur
in infinitum. Et ideo aequalitas et similitudo in divinis personis non est aliqua
realis relatio distincta a relationibus personalibus, sed in suo intellectu includit
et relationes distinguentes personas, et essentiae unitatem. Et propterea Magister
dicit, in XXXI dist. I Sent., quod in his appellatio tantum est relativa. (Ia q. 42 a. 1 ad 4)
4 — Voor de goddelijke Personen komt anders niets in aanmerking dan de wezenheid die zij
gemeen hebben en de betrekkingen waardoor zij onderscheiden zijn. De gelijkheid nu
sluit beiden in: onderscheid van personen, daar niets aan zichzelf gelijk wordt genoemd
en eenheid van de wezenheid, want de Personen zijn wederzijds aan elkaar gelijk, omdat
zij één en dezelfde hoegrootheid en wezenheid hebben. Nu is het klaarblijkend dat
één zelfde ding niet door een werkelijke betrekking in verhouding staat tot zichzelf.
Evenmin staat een betrekking in verhouding tot een andere door een derde. Immers wanneer
wij vaderschap aan zoonschap tegenstellen, dan is die tegenstelling niet een betrekking
die het midden houdt tussen vaderschap en zoonschap. Want op beide wijzen zou de betrekking
tot in het oneindige vermenigvuldigd worden. Daarom ook zijn gelijkheid en gelijkenis
in de goddelijke Personen geen werkelijke betrekkingen die van de persoons-betrekkingen
onderscheiden zijn, doch naar het begrip bevatten zij zowel de betrekkingen die de
personen onderscheiden als de eenheid in wezenheid. Om die reden zegt de Meester in
het 1e boek der Sententies, 31e D., dat in dit geval « alleen de benaming betrekkelijk
is ».
Articulus 2. Is een voortkomende Persoon mede-eeuwig met zijn beginsel, b. v. de Zoon met de Vader?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod persona procedens non sit coaeterna suo principio,
ut filius patri. Arius enim duodecim modos generationis assignat. Primus modus est
iuxta fluxum lineae a puncto, ubi deest aequalitas simplicitatis. Secundus modus est
iuxta emissionem radiorum a sole, ubi deest aequalitas naturae. Tertius modus est
iuxta characterem, seu impressionem a sigillo, ubi deest consubstantialitas et potentiae
efficientia. Quartus modus est iuxta immissionem bonae voluntatis a Deo, ubi etiam
deest consubstantialitas. Quintus modus est iuxta exitum accidentis a substantia,
sed accidenti deest subsistentia. Sextus modus est iuxta abstractionem speciei a materia,
sicut sensus accipit speciem a re sensibili, ubi deest aequalitas simplicitatis spiritualis.
Septimus modus est iuxta excitationem voluntatis a cogitatione, quae quidem excitatio
temporalis est. Octavus modus est iuxta transfigurationem, ut ex aere fit imago, quae
materialis est. Nonus modus est motus a movente, et hic etiam ponitur effectus et
causa. Decimus modus est iuxta eductionem specierum a genere, qui non competit in
divinis, quia pater non praedicatur de filio sicut genus de specie. Undecimus modus
est iuxta ideationem, ut arca exterior ab ea quae est in mente. Duodecimus modus est
iuxta nascentiam, ut homo est a patre, ubi est prius et posterius secundum tempus.
Patet ergo quod in omni modo quo aliquid est ex altero, aut deest aequalitas naturae,
aut aequalitas durationis. Si igitur filius est a patre, oportet dicere vel eum esse
minorem patre, aut posteriorem, aut utrumque. (Ia q. 42 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert dat de voortkomende Persoon niet mede-eeuwig is met zijn beginsel, b.
v. de Zoon met de Vader. Arius immers somt twaalf wijzen van voortbrengen op. Iets
wordt voortgebracht: 1e Zoals de lijn uit het punt wegvloeit; hier ontbreekt gelijkheid
in enkelvoudigheid. — 2e Zoals de zon haar stralen uitzendt; en hier ontbreekt gelijkheid
in natuur. — 3e Zoals een merkteken of ’n afdruksel door het zegel; hier ontbreekt
medezelfstandigheid en werkdadigheid. — 4e Zoals de goede wil ons door God wordt ingegeven;
hier ook ontbreekt medezelfstandigheid. — 3e Zoals een bijkomstigheid uit de zelfstandigheid
uitvloeit; maar de bijkomstigheid mist het zelfstandig-staan. — 6e Zoals het kenbeeld
geabstraheerd wordt van de stof; zo b. v. ontvangen de zintuigen de gelijkenis van
een zintuiglijk waarneembaar ding; doch hier ontbreekt gelijkheid in onstoffelijke
enkelvoudigheid. — 7e Zoals de gedachte de wil aanzet; doch dit geschiedt in de tijd.
— 8e Zoals een gedaanteverandering, b. v. zoals het brons tot een beeld wordt omgewerkt,
die gedaanteverandering is stoffelijk. — 9e Zoals de beweging uit de beweger voortkomt;
maar dit sluit oorzaak en uitwerksel in. — 10e Zoals de soorten uit de geslachten
worden afgeleid, dit echter komt aan God niet toe. Immers, « Vader » wordt niet van
de Zoon gezegd, zoals geslacht van de soort. — 11e Zoals een uitgedacht plan wordt
uitgewerkt, b. v. zoals een kunst werk wordt uitgevoerd naar de opvatting in de geest
van de kunstenaar. — 12e Zoals iets geboren wordt, b. v. een mens uit zijn vader;
doch hier is er opeenvolging van tijd. — Het is dus duidelijk: op welke manier ook
iets uit iets anders voortkomt, altijd ontbreekt er gelijkheid, ’t zij in natuur,
t zij in duur. Zo dus de Zoon van de Vader voortkomt, dan volgt daaruit dat de Zoon
of wel minder is dan de Vader, of wel na Hem komt, ofwel allebei.
Praeterea, omne quod est ex altero, habet principium. Sed nullum aeternum habet principium.
Ergo filius non est aeternus, neque spiritus sanctus. (Ia q. 42 a. 2 arg. 2)
2 — Al wat uit iets anders voortkomt heeft een beginsel. Welnu niets wat eeuwig is, heeft
een beginsel. Dus, noch de Zoon noch de Heilige Geest is eeuwig.
Praeterea, omne quod corrumpitur, desinit esse. Ergo omne quod generatur, incipit
esse, ad hoc enim generatur, ut sit. Sed filius est genitus a patre. Ergo incipit
esse, et non est coaeternus patri. (Ia q. 42 a. 2 arg. 3)
3 — Al wat vergaat houdt op te zijn. Dus al wat voortgebracht wordt vangt aan te zijn;
immers iets wordt voortgebracht opdat het zou zijn. De Zoon nu werd door de Vader
voortgebracht. Dus begint Hij te zijn en is Hij niet mede-eeuwig met de Vader.
Praeterea, si filius genitus est a patre, aut semper generatur, aut est dare aliquod
instans suae generationis. Si semper generatur; dum autem aliquid est in generari,
est imperfectum, sicut patet in successivis, quae sunt semper in fieri, ut tempus
et motus, sequitur quod filius semper sit imperfectus; quod est inconveniens. Est
ergo dare aliquod instans generationis filii. Ante illud ergo instans filius non erat. (Ia q. 42 a. 2 arg. 4)
4 — Indien de Zoon voortgebracht wordt door de Vader, dan wordt Hij of wel altijd voortgebracht
of wel op een bepaald ogenblik. Dat Hij altijd wordt voortgebracht is onaannemelijk;
immers wanneer iets wordt voortgebracht is het onvolmaakt, zoals blijkt in de dingen
die bestaan uit opeenvolging van bestanddelen en altijd in wording zijn, zoals tijd
en beweging. De Zoon werd dus voortgebracht op een bepaald ogenblik. Vóór dit ogenblik
dus was de Zoon niet.
Sed contra est quod Athanasius dicit, quod totae tres personae coaeternae sibi sunt. (Ia q. 42 a. 2 s. c.)
Daartegenover staat echter dat Athanasius zegt (in zijn Symbolum) : « De drie personen
zijn heel en al mede-eeuwig met elkaar ».
Respondeo dicendum quod necesse est dicere filium esse coaeternum patri. Ad cuius
evidentiam, considerandum est quod aliquid ex principio existens posterius esse suo
principio, potest contingere ex duobus, uno modo, ex parte agentis; alio modo, ex
parte actionis. Ex parte agentis quidem, aliter in agentibus voluntariis, aliter in
agentibus naturalibus. In agentibus quidem voluntariis, propter electionem temporis,
sicut enim in agentis voluntarii potestate est eligere formam quam effectui conferat,
ut supra dictum est, ita in eius potestate est eligere tempus in quo effectum producat.
In agentibus autem naturalibus hoc contingit, quia agens aliquod non a principio habet
perfectionem virtutis naturaliter ad agendum, sed ei advenit post aliquod tempus;
sicut homo non a principio generare potest. Ex parte autem actionis, impeditur ne
id quod est a principio simul sit cum suo principio, propter hoc quod actio est successiva.
Unde, dato quod aliquod agens tali actione agere inciperet statim cum est, non statim
eodem instanti esset effectus, sed in instanti ad quod terminatur actio. Manifestum
est autem secundum praemissa, quod pater non generat filium voluntate, sed natura.
Et iterum, quod natura patris ab aeterno perfecta fuit. Et iterum, quod actio qua
pater producit filium, non est successiva, quia sic filius Dei successive generaretur,
et esset eius generatio materialis et cum motu, quod est impossibile. Relinquitur
ergo quod filius fuit, quandocumque fuit pater. Et sic filius est coaeternus patri,
et similiter spiritus sanctus utrique. (Ia q. 42 a. 2 co.)
We moeten aannemen dat de Zoon mede-eeuwig is met de Vader. Dit blijkt uit de volgende
beschouwing. Dat iets wat door een beginsel het aanzijn heeft na het beginsel komt,
kan twee redenen hebben. De ene van de kant van het werkend beginsel, de andere van
de kant van de werking. Vooreerst van de kant van het werkend beginsel dat of wel
uit vrijen wil of wel uit natuuraandrang handelt. In het eerste geval komt iets na
zijn beginsel, wegens de vrije keuze van het tijdstip. Immers, evenals een beginsel
dat uit vrijen wil handelt de macht heeft om de vorm die hij aan het uitwerksel wil
mededelen uit te kiezen, zoals boven gezegd werd (41e Kw., 2e Art.), evenzo ligt het
in zijn macht het tijdstip vast te stellen waarop hij het uitwerksel zal voortbrengen.
In het tweede geval, nl. wanneer het werkend beginsel uit natuuraandrang handelt,
komt iets na zijn beginsel, omdat het werkend beginsel niet altijd van het begin af
over zijn natuurlijke werkkracht in haar volkomenheid beschikt, maar enkel na enige
tijd; zo b. v. kan de mens van het begin af niet telen. Van de kant der werking beschouwd,
kan datgene wat van een beginsel voortkomt, niet tegelijkertijd bestaan met zijn beginsel,
omdat de werking een opeenvolging insluit. Toegegeven nu dat een werkend beginsel
bij de aanvang van zijn bestaan een zulkdanige werking zou daarstellen, toch kan het
uitwerksel niet op dit zelfde ogenblik bestaan, maar wel op het ogenblik waarop de
werking haar eindterm bereikt. Uit het voorgaande (41e Kw., 2e Art.) nu blijkt dat
de Vader de Zoon niet voortbrengt door wil maar door natuur; evenzo blijkt dat de
natuur van de Vader van eeuwigheid af volmaakt is, en tevens dat de daad waardoor
de Vader de Zoon voortbrengt geen opeenvolging insluit, want zo zou de Zoon opeenvolgenderwijze
voortgebracht en zijn voortbrenging stoffelijk en met verandering gepaard zijn, wat
onmogelijk is. Wij besluiten dus dat om ’t even op welk ogenblik de Vader was, ook
de Zoon was. En zo is de Zoon mede-eeuwig met de Vader en insgelijks de Heilige Geest
met beiden.
Ad primum ergo dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in libro de verbis domini, nullus
modus processionis alicuius creaturae perfecte repraesentat divinam generationem,
unde oportet ex multis modis colligere similitudinem, ut quod deest ex uno, aliqualiter
suppleatur ex altero. Et propter hoc dicitur in synodo Ephesina, coexistere semper
coaeternum patri filium, splendor tibi denuntiet, impassibilitatem nativitatis ostendat
verbum; consubstantialitatem filii nomen insinuet. Inter omnia tamen expressius repraesentat
processio verbi ab intellectu, quod quidem non est posterius eo a quo procedit; nisi
sit talis intellectus qui exeat de potentia in actum, quod in Deo dici non potest. (Ia q. 42 a. 2 ad 1)
1 — Zoals Augustinus het zegt in zijn boek Over de Woorden van de Heer (38e Serm., 6e
en 10e H.), is er in de schepselen geen enkele wijze van voortkomst die op volmaakte
wijze de goddelijke voortbrenging voorstelt. Daarom moeten wij een gelijkenis vinden
door samenvoeging van verschillende wijzen, opdat de ene enigszins zou aanvullen wat
aan de andere ontbreekt. Hierom zegt de Kerkvergadering van Ephese: « De Luister verkondigt
u dat de Zoon sedert alle tijden mede-eeuwig is met de Vader; het Woord toont u de
onlijdelijkheid van zijn geboorte; de naam « Zoon » geve u de medezelfstandigheid
te kennen ». Onder al deze voorstellingen echter is de voortkomst van het woord uit
het verstand de volmaaktste weergave van de voortbrenging in God; het woord komt immers
met na datgene waarvan het voortkomt, tenzij in een verstand dat overgaat van potentie
tot akt; dit echter kan van God niet gezegd worden.
Ad secundum dicendum quod aeternitas excludit principium durationis, sed non principium
originis. (Ia q. 42 a. 2 ad 2)
2 — Eeuwigheid sluit wel beginsel naar duur uit, maar niet beginsel naar oorsprong.
Ad tertium dicendum quod omnis corruptio est mutatio quaedam, et ideo omne quod corrumpitur,
incipit non esse, et desinit esse. Sed generatio divina non est transmutatio, ut dictum
est supra. Unde filius semper generatur, et pater semper generat. (Ia q. 42 a. 2 ad 3)
3 — Elk vergaan is een verandering; al het vergaande vangt daarom aan niet te zijn en
houdt op te zijn. De goddelijke voortbrenging echter is geen verandering, zoals boven
gezegd werd (27e Kw., 2e Art.). Vandaar dat de Zoon altijd voortgebracht wordt en
de Vader altijd voortbrengt.
Ad quartum dicendum quod in tempore aliud est quod est indivisibile, scilicet instans;
et aliud est quod est durans, scilicet tempus. Sed in aeternitate ipsum nunc indivisibile
est semper stans, ut supra dictum est. Generatio vero filii non est in nunc temporis,
aut in tempore, sed in aeternitate. Et ideo, ad significandum praesentialitatem et
permanentiam aeternitatis, potest dici quod semper nascitur, ut Origenes dixit. Sed,
ut Gregorius et Augustinus dicunt, melius est quod dicatur semper natus, ut ly semper
designet permanentiam aeternitatis, et ly natus perfectionem geniti. Sic ergo filius
nec imperfectus est, neque erat quando non erat, ut Arius dixit. (Ia q. 42 a. 2 ad 4)
4 — Tijd sluit iets ondeelbaars in, het ogenblik, en iets dat duurt, de tijd. In de eeuwigheid
daarentegen is het ondeelbare altijd in rust, zoals boven gezegd werd (10e Kw., 2e
Art., Antw. op de 1e B. en 4e Art., Antw. op de 2e B.). De voortbrenging van de Zoon
nu geschiedt niet in het tijdelijke « nu », en ook niet in de tijd, maar in eeuwigheid.
Om dan de tegenwoordigheid en de onafgebroken duur van de eeuwigheid uit te drukken,
kan men met Origenes zeggen dat de Zoon « altijd geboren wordt ». Nochtans is het
juister met Gregorius en Augustinus Hem « altijd geboren » te noemen, om door het
woord « altijd » de onafgebroken duur van de eeuwigheid en door de term « geboren
» de volmaaktheid van de voortgebrachte uit te drukken. Zo dus is de Zoon niet onvolmaakt
en « een ogenblik dat Hij niet was », zoals Arius zegde, was er nooit.
Articulus 3. Is er tussen de goddelijke Personen orde in natuur?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod in divinis personis non sit ordo naturae.
Quidquid enim in divinis est, vel est essentia vel persona vel notio. Sed ordo naturae
non significat essentiam, neque est aliqua personarum aut notionum. Ergo ordo naturae
non est in divinis. (Ia q. 42 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert dat er tussen de goddelijke Personen geen orde in natuur bestaat. Al wat
is in de Godheid is of wel wezenheid of wel persoon of wel kenmerk. Welnu, orde in
natuur beduidt niet de wezenheid en is niet een van de Personen en evenmin een kenmerk.
Dus bestaat er in de Godheid geen orde in natuur.
Praeterea, in quibuscumque est ordo naturae, unum est prius altero, saltem secundum
naturam et intellectum. Sed in divinis personis nihil est prius et posterius, ut Athanasius
dicit. Ergo in divinis personis non est ordo naturae. (Ia q. 42 a. 3 arg. 2)
2 — In alle dingen waarin orde in natuur bestaat, gaat het ene het andere vooraf, ten
minste naar natuur en begrip. Welnu, in de goddelijke Personen « is er noch vóór noch
na », zoals Athanasius het zegt (in zijn Symbolum). In de goddelijke Personen dus
bestaat er geen orde in natuur.
Praeterea, quidquid ordinatur, distinguitur. Sed natura in divinis non distinguitur.
Ergo non ordinatur. Ergo non est ibi ordo naturae. (Ia q. 42 a. 3 arg. 3)
3 — Al wat geordend is, is onderscheiden. Welnu, in de Godheid is de natuur niet onderscheiden.
Dus is zij ook niet geordend. Bijgevolg bestaat hier geen orde in natuur.
Praeterea, natura divina est eius essentia. Sed non dicitur in divinis ordo essentiae.
Ergo neque ordo naturae. (Ia q. 42 a. 3 arg. 4)
4 — De goddelijke natuur is Gods wezenheid. Welnu, men zegt niet dat er in de Godheid
orde in wezenheid bestaat. Dus ook geen orde in natuur.
Sed contra, ubicumque est pluralitas sine ordine, ibi est confusio. Sed in divinis
personis non est confusio, ut Athanasius dicit. Ergo est ibi ordo. (Ia q. 42 a. 3 s. c.)
Daartegenover staat dat overal waar niet-geordende veelheid is, verwarring bestaat.
Welnu, in de goddelijke Personen bestaat geen verwarring, zoals Athanasius het zegt
(t. a. pl.). Dus is daar orde.
Respondeo dicendum quod ordo semper dicitur per comparationem ad aliquod principium.
Unde sicut dicitur principium multipliciter, scilicet secundum situm, ut punctus,
secundum intellectum, ut principium demonstrationis, et secundum causas singulas;
ita etiam dicitur ordo. In divinis autem dicitur principium secundum originem, absque
prioritate, ut supra dictum est. Unde oportet ibi esse ordinem secundum originem,
absque prioritate. Et hic vocatur ordo naturae, secundum Augustinum, non quo alter
sit prius altero, sed quo alter est ex altero. (Ia q. 42 a. 3 co.)
Men spreekt van orde met het oog op een beginsel. Beginsel nu kan veel betekenissen
hebben, b. v. beginsel van ligging: het punt; beginsel van kennis: het beginsel in
de bewijsvoering; beginsel naar de verschillende oorzaken in ’t bijzonder. Evenzo
heeft « orde » meerdere betekenissen. In de Godheid nu spreken wij van een beginsel
naar oorsprong dat alle eerder-zijn uitsluit, zoals boven gezegd werd (33e Kw., 1e
Art., Antw. op de 3e B.). Bijgevolg moet daar orde in oorsprong bestaan die « eerder-zijn
» uitsluit. Deze orde wordt, naar Augustinus’ woord (Tegen Maximinus, 2e B., 14e H.),
« orde in natuur » genoemd, « Waardoor de ene niet eerder dan de andere, maar uit
de andere is ».
Ad primum ergo dicendum quod ordo naturae significat notionem originis in communi,
non autem in speciali. (Ia q. 42 a. 3 ad 1)
1 — Orde in natuur beduidt het kenmerk van oorsprong in ’t algemeen, niet echter in 't
bijzonder.
Ad secundum dicendum quod in rebus creatis, etiam cum id quod est a principio sit
suo principio coaevum secundum durationem, tamen principium est prius secundum naturam
et intellectum, si consideretur id quod est principium. Sed si considerentur ipsae
relationes causae et causati, et principii et principiati, manifestum est quod relativa
sunt simul natura et intellectu, inquantum unum est in definitione alterius. Sed in
divinis ipsae relationes sunt subsistentes personae in una natura. Unde neque ex parte
naturae, neque ex parte relationum, una persona potest esse prior alia, neque etiam
secundum naturam et intellectum. (Ia q. 42 a. 3 ad 2)
2 — Wanneer in de geschapen dingen datgene wat uit een beginsel voortkomt, in duur gelijk
is aan zijn beginsel, toch is het ding dat beginsel is eerder, zo naar de natuur als
naar het begrip. Indien men echter de oorzaak en wat veroorzaakt wordt, het beginsel
en wat hieruit voortkomt, in hun betrekking tot elkaar beschouwt, dan blijkt het dat
de termen van die betrekking naar natuur en begrip gelijktijdig zijn, voor zover de
ene in de begripsbepaling van de andere besloten ligt. In de Godheid echter zijn de
betrekkingen zelf personen die zelfstandig staan in één natuur. Noch van de kant van
de natuur, noch van de kant van de betrekkingen dus, kan één persoon eerder zijn dan
een ander, zelfs niet naar natuur of begrip.
Ad tertium dicendum quod ordo naturae dicitur, non quod ipsa natura ordinetur, sed
quod ordo in divinis personis attenditur secundum naturalem originem. (Ia q. 42 a. 3 ad 3)
3 — Orde in natuur zegt niet ordening van de natuur zelf, maar orde in de goddelijke Personen
naar hun natuurlijke oorsprong.
Ad quartum dicendum quod natura quodammodo importat rationem principii, non autem
essentia. Et ideo ordo originis melius nominatur ordo naturae, quam ordo essentiae. (Ia q. 42 a. 3 ad 4)
4 — Naar het begrip ligt « beginsel » enigszins besloten in het begrip « natuur », niet
echter in het begrip « wezenheid ». En daarom wordt de orde in oorsprong juister orde
in natuur genoemd dan wel orde in wezenheid.
Articulus 4. Is de Zoon in grootte aan de Vader gelijk?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod filius non sit aequalis patri in magnitudine.
Dicit enim ipse, Ioan. XIV, pater maior me est; et apostolus, I Cor. XV, ipse filius
subiectus erit illi qui sibi subiecit omnia. (Ia q. 42 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert dat de Zoon in grootte aan de Vader niet gelijk is. Zoals we lezen bij
Joannes (14, 28) zegt de Zoon immers zelf: « De Vader is groter dan Ik ». En de Apostel
zegt, in de Eerste Brief aan de Korintiërs (15, 28) : « De Zoon zelf zal onderworpen
zijn aan Degene die Hem alles onderwierp ».
Praeterea, paternitas pertinet ad dignitatem patris. Sed paternitas non convenit filio.
Ergo non quidquid dignitatis habet pater, habet filius. Ergo non est aequalis patri
in magnitudine. (Ia q. 42 a. 4 arg. 2)
2 — Het vaderschap behoort tot de waardigheid van de Vader. Welnu het vaderschap komt
niet aan de Zoon toe. Dus heeft de Zoon niet alle waardigheid die de Vader heeft.
Dus is Hij in grootte niet gelijk aan de Vader.
Praeterea, ubicumque est totum et pars, plures partes sunt aliquid maius quam una
tantum vel pauciores; sicut tres homines sunt aliquid maius quam duo vel unus. Sed
in divinis videtur esse totum universale et pars, nam sub relatione vel notione plures
notiones continentur. Cum igitur in patre sint tres notiones, in filio autem tantum
duae, videtur quod filius non sit aequalis patri. (Ia q. 42 a. 4 arg. 3)
3 — Overal waar geheel en delen bestaan, zijn een groter aantal delen iets groter dan
één deel of een kleiner aantal; zo zijn drie mensen iets groters dan twee of een.
Het lijkt nu dat in de Godheid een universeel geheel bestaat en ook delen. Want in
« betrekking » en « kenmerk » liggen verscheidene kenmerken besloten. Daar er nu drie
kenmerken zijn in de Vader en slechts twee in de Zoon, schijnt het wel dat de Zoon
niet gelijk is aan de Vader.
Sed contra est quod dicitur Philip. II, non rapinam arbitratus est esse se aequalem
Deo. (Ia q. 42 a. 4 s. c.)
Daartegenover echter staat wat we lezen in de Brief aan de Philippenzen (2, 6) : «
Die zijn gelijkheid met God niet hebzuchtig als een roofgoed vasthield ».
Respondeo dicendum quod necesse est dicere filium esse aequalem patri in magnitudine.
Magnitudo enim Dei non est aliud quam perfectio naturae ipsius. Hoc autem est de ratione
paternitatis et filiationis, quod filius per generationem pertingat ad habendam perfectionem
naturae quae est in patre, sicut et pater. Sed quia in hominibus generatio est transmutatio
quaedam exeuntis de potentia in actum, non statim a principio homo filius est aequalis
patri generanti; sed per debitum incrementum ad aequalitatem perducitur, nisi aliter
eveniat propter defectum principii generationis. Manifestum est autem ex dictis quod
in divinis est proprie et vere paternitas et filiatio. Nec potest dici quod virtus
Dei patris fuerit defectiva in generando; neque quod Dei filius successive et per
transmutationem ad perfectionem pervenerit. Unde necesse est dicere quod ab aeterno
fuerit patri aequalis in magnitudine. Unde et Hilarius dicit, in libro de Synod.,
tolle corporum infirmitates, tolle conceptus initium, tolle dolores et omnem humanam
necessitatem, omnis filius secundum naturalem nativitatem aequalitas patris est, quia
est et similitudo naturae. (Ia q. 42 a. 4 co.)
Dat de Zoon aan de Vader gelijk is in grootte moeten we noodzakelijkerwijze aanvaarden.
Gods grootte immers is niets anders dan de volmaaktheid van zijn natuur. In vaderschap
nu en zoonschap, naar het begrip beschouwd, ligt besloten dat de zoon, door de voortbrenging,
tot het bezit komt van de natuur die in de vader is, op even volmaakte wijze als de
vader. Daar echter de voortbrenging bij mensen verandering insluit van iets dat van
potentie tot akt overgaat, is een mensenzoon niet van het begin af gelijk aan de vader
die voortbrengt; doch door natuurlijke groei wordt hij tot gelijkheid gevoerd, tenzij
het zich anders voordoet wegens een tekort in het voortbrengend beginsel. Uit het
voorgaande nu (27e Kw., 2e Art., 33e Kw., 2e Art., Antw. op de 3e en 4e B. en 3e Art.)
blijkt dat er in God eigenlijk en waarachtig vaderschap en zoonschap bestaat. Ook
mag men niet zeggen dat de kracht van God de Vader faalde bij het voortbrengen; evenmin
dat de Zoon Gods opvolgenderwijze en door verandering zijn volmaaktheid bereikte.
Dus moet men noodzakelijk aannemen dat Hij van alle eeuwigheid af in grootte aan de
Vader gelijk was. Daarom zegt Hilarius in het boek Over de Kerkvergaderingen (n. 73)
: « Neem alle lichamelijke zwakheid weg, neem de wording weg van de ontvangenis, verwijder
de smarten en al wat uit menselijke zwakte voortspruit, en ieder zoon is, uit kracht
van zijn natuurlijke geboorte, aan zijn vader gelijk, daar zijn natuur op die van
zijn vader gelijkt ».
Ad primum ergo dicendum quod verba illa intelliguntur dicta de Christo secundum humanam
naturam, in qua minor est patre, et ei subiectus. Sed secundum naturam divinam, aequalis
est patri. Et hoc est quod Athanasius dicit; aequalis patri secundum divinitatem,
minor patre secundum humanitatem. Vel, secundum Hilarium, in IX libro de Trin., donantis
auctoritate pater maior est, sed minor non est cui unum esse donatur. Et in libro
de Synod. dicit quod subiectio filii naturae pietas est, idest recognitio auctoritatis
paternae, subiectio autem ceterorum, creationis infirmitas. (Ia q. 42 a. 4 ad 1)
1 — Die woorden moeten verstaan worden van Christus’ menselijke natuur, door dewelke Hij
minder is dan de Vader en aan Hem onderworpen. Door de goddelijke natuur echter is
Hij aan de Vader gelijk. En dit zegt Athanasius (in zijn Symbolum) : « Gelijk aan
de Vader door de Godheid, minder dan de Vader door de mensheid ». Of zoals Hilarius
zegt in het 9e boek Over de Drievuldigheid (n. 54) : « Groter is de Vader omdat Hij
gezag heeft als Gever; maar niet kleiner is Hij aan wie hetzelfde zijn gegeven wordt
». En in zijn boek Over de Kerkvergaderingen (n. 79) zegt hij: « De onderwerping van
de Zoon is eerbiedige liefde die tot de natuur behoort, — d. i. een erkenning van
het vaderlijk gezag, — de onderwerping echter van de schepselen is een onvolmaaktheid
van het geschapen zijn ».
Ad secundum dicendum quod aequalitas attenditur secundum magnitudinem. Magnitudo autem
in divinis significat perfectionem naturae, ut dictum est, et ad essentiam pertinet.
Et ideo aequalitas in divinis, et similitudo, secundum essentialia attenditur, nec
potest secundum distinctionem relationum inaequalitas vel dissimilitudo dici. Unde
Augustinus dicit, contra Maximinum, originis quaestio est quid de quo sit; aequalitatis
autem, qualis aut quantus sit. Paternitas igitur est dignitas patris, sicut et essentia
patris, nam dignitas absolutum est, et ad essentiam pertinet. Sicut igitur eadem essentia
quae in patre est paternitas, in filio est filiatio; ita eadem dignitas quae in patre
est paternitas, in filio est filiatio. Vere ergo dicitur quod quidquid dignitatis
habet pater, habet filius. Nec sequitur, paternitatem habet pater, ergo paternitatem
habet filius. Mutatur enim quid in ad aliquid, eadem enim est essentia et dignitas
patris et filii, sed in patre est secundum relationem dantis, in filio secundum relationem
accipientis. (Ia q. 42 a. 4 ad 2)
2 — We spreken van gelijkheid met het oog op de grootte. Grootte nu in de Godheid beduidt
volmaaktheid in natuur, zoals gezegd werd (in de Leerstelling en 1e Art., Antw. op
de 1e B.), en behoort tot de wezenheid. We spreken dus van gelijkheid en gelijkenis
in God met het oog op de wezenseigenschappen; doelend echter op het onderscheid van
de betrekkingen, kan men niet van ongelijkheid of ongelijkvormigheid spreken. Daarom
zegt Augustinus in zijn boek Tegen Maximinus (2e B., 18e H.) : « Vraagt men naar de
oorsprong, dan zegt men: van wie is deze? Vraagt men naar de gelijkheid, dan zegt
men: van welke hoedanigheid of hoe groot is deze? » Het vaderschap is dus de waardigheid
van de Vader, zoals het zijn wezenheid is. Waardigheid is inderdaad iets absoluut
en hoort tot de wezenheid. Evenals dus dezelfde wezenheid die in de Vader het vaderschap
is en in de Zoon het zoonschap, evenzo is dezelfde waardigheid die in de Vader het
vaderschap is, in de Zoon het zoonschap. Men spreekt dus waarheid wanneer men zegt
dat al wat de Vader aan waardigheid heeft, ook de Zoon toekomt. Toch volgt daaruit
niet: Aan de Vader komt het vaderschap toe, dus ook aan de Zoon. Zo immers wordt het
« quid » (wat zelfstandigheid beduidt), in de redenering vervangen door « ad aliquid
» (wat betrekking zegt). Wezenheid en waardigheid zijn immers dezelfde in de Vader
en de Zoon, maar in de Vader zeggen zij betrekking van Hem die geeft, in de Zoon betrekking
van Hem die ontvangt.
Ad tertium dicendum quod relatio in divinis non est totum universale, quamvis de pluribus
relationibus praedicetur, quia omnes relationes sunt unum secundum essentiam et esse,
quod repugnat rationi universalis, cuius partes secundum esse distinguuntur. Et similiter
persona, ut supra dictum est, non est universale in divinis. Unde neque omnes relationes
sunt maius aliquid quam una tantum; nec omnes personae maius aliquid quam una tantum;
quia tota perfectio divinae naturae est in qualibet personarum. (Ia q. 42 a. 4 ad 3)
3 — De betrekking in de Godheid is niet een universeel geheel, ofschoon ze van de verscheidene
betrekkingen wordt gezegd. Al de betrekkingen immers zijn één door wezenheid en zijn,
en dit is strijdig met het begrip van het universele, waarvan de delen een onderscheiden
zijn hebben. En eveneens is de persoon, zoals boven gezegd werd (33e Kw., 4e Art.,
Antw. op de 3e B.), niet een universeel in de Godheid. Daarom zijn al de betrekkingen
samen niet iets groters dan één betrekking alleen, en al de personen samen niet iets
groters dan één persoon alleen, aangezien de goddelijke natuur, in heel haar volmaaktheid,
in ieder persoon is.
Articulus 5. Is de Zoon in de Vader en de Vader in de Zoon?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod filius non sit in patre, et e converso. Philosophus
enim, in IV Physic., ponit octo modos essendi aliquid in aliquo; et secundum nullum
horum filius est in patre, aut e converso, ut patet discurrenti per singulos modos.
Ergo filius non est in patre, nec e converso. (Ia q. 42 a. 5 arg. 1)
1 — Men beweert dat de Zoon niet in de Vader is, en omgekeerd de Vader niet in de Zoon.
In het 4e Boek van de Physica (3e H., n. 1) zegt immers de Wijsgeer dat een ding in
een ander kan zijn op acht verschillende wijzen. Wanneer men dan elke wijze afzonderlijk
beschouwt, blijkt het dat de Zoon op geen enkele wijze in de Vader is, en omgekeerd.
Dus is de Zoon niet in de Vader, en andersom.
Praeterea, nihil quod exivit ab aliquo, est in eo. Sed filius ab aeterno exivit a
patre, secundum illud Micheae V, egressus eius ab initio, a diebus aeternitatis. Ergo
filius non est in patre. (Ia q. 42 a. 5 arg. 2)
2 — Niets is in datgene waarvan het uitgaat. Welnu van alle eeuwigheid af is de Zoon van
de Vader uitgegaan, naar het woord van Michaeas (5, 2) : « Zijn uitgaan was in het
begin, van af de dagen der eeuwigheid ». Dus is de Zoon niet in de Vader.
Praeterea, unum oppositorum non est in altero. Sed filius et pater opponuntur relative.
Ergo unus non potest esse in alio. (Ia q. 42 a. 5 arg. 3)
3 — Tegengestelde dingen zijn niet in elkaar. Welnu de Zoon en de Vader zijn in betrekkingsverhouding
aan elkaar tegengesteld. Dus kan de ene niet in de anderen zijn.
Sed contra est quod dicitur Ioan. XIV, ego in patre, et pater in me est. (Ia q. 42 a. 5 s. c.)
Daartegenover staat echter wat we lezen bij Joannes (14, 10) : « Ik ben in de Vader
en de Vader is in Mij ».
Respondeo dicendum quod in patre et filio tria est considerare, scilicet essentiam,
relationem et originem; et secundum quodlibet istorum filius est in patre, et e converso.
Secundum essentiam enim pater est in filio, quia pater est sua essentia, et communicat
suam essentiam filio, non per aliquam suam transmutationem, unde sequitur quod, cum
essentia patris sit in filio, quod in filio sit pater. Et similiter, cum filius sit
sua essentia, sequitur quod sit in patre, in quo est eius essentia. Et hoc est quod
Hilarius dicit, V de Trin., naturam suam, ut ita dicam, sequitur immutabilis Deus,
immutabilem gignens Deum. Subsistentem ergo in eo Dei naturam intelligimus, cum in
Deo Deus insit. Secundum etiam relationes, manifestum est quod unum oppositorum relative
est in altero secundum intellectum. Secundum originem etiam manifestum est quod processio
verbi intelligibilis non est ad extra, sed manet in dicente. Id etiam quod verbo dicitur,
in verbo continetur. Et eadem ratio est de spiritu sancto. (Ia q. 42 a. 5 co.)
In de Vader en de Zoon kunnen wij drie dingen beschouwen: wezenheid, betrekking en
oorsprong, en door elk dezer drie is de Zoon in de Vader en andersom. Door de wezenheid
immers is de Vader in de Zoon, daar de Vader zijn wezenheid is en zijn wezenheid meedeelt
aan de Zoon zonder hierdoor enige verandering te ondergaan. Aangezien de wezenheid
van de Vader in de Zoon is, volgt daaruit dat de Vader in de Zoon is. En daar ook
de Zoon zijn wezenheid is, volgt hieruit dat Hij in de Vader is, in wie zijn wezenheid
is. Dit zegt Hilarius in het 5e boek Over de Drievuldigheid (n. 37 en 38) : « Door
een onveranderlijke God voort te brengen, handelt God, die onveranderlijk is, om zo
te zeggen volgens zijn natuur. En zo vatten we de goddelijke natuur in Hem op als
zelfstandig-staande, daar God in God is ». — Ook wanneer men de betrekking beschouwt,
is het duidelijk dat de tegengestelde termen ervan naar het begrip elkaar insluiten.
— Insgelijks wat de oorsprong betreft is het klaar dat het verstandswoord niet naar
buiten uit voortkomt, maar in de kenner blijft. Ook datgene wat door het woord wordt
uitgedrukt ligt besloten in het woord. — Dezelfde redenen gelden eveneens voor de
Heilige Geest.
Ad primum ergo dicendum quod ea quae in creaturis sunt, non sufficienter repraesentant
ea quae Dei sunt. Et ideo secundum nullum eorum modorum quos philosophus enumerat,
filius est in patre, aut e converso. Accedit tamen magis ad hoc modus ille, secundum
quem aliquid dicitur esse in principio originante, nisi quod deest unitas essentiae,
in rebus creatis, inter principium et id quod est a principio. (Ia q. 42 a. 5 ad 1)
1 — Wat we bij de schepselen aantreffen is niet toereikend om goddelijke dingen voor te
stellen. Daarom is naar geen enkele van de wijzen die de Wijsgeer opsomt, de Zoon
in de Vader, of andersom. De wijze nochtans, volgens welke een ding in het beginsel
is waaruit het voortkomt, benadert nog het meest deze goddelijke werkelijkheid. Bij
de schepselen nochtans zal er nooit eenheid in wezenheid bestaan tussen het beginsel
en datgene wat uit het beginsel voortkomt.
Ad secundum dicendum quod exitus filii a patre est secundum modum processionis interioris,
prout verbum exit a corde, et manet in eo. Unde exitus iste in divinis est secundum
solam distinctionem relationum, non secundum essentialem aliquam distantiam. (Ia q. 42 a. 5 ad 2)
2 — De Zoon gaat van de Vader uit door een inwendig voortkomen, zoals het woord van de
geest uitgaat en in hem blijft. Daarom moet men dit uitgaan in de Godheid opvatten
naar het onderscheid van de betrekkingen alleen, en geenszins naar om 't even welke
afstand in wezenheid.
Ad tertium dicendum quod pater et filius opponuntur secundum relationes, non autem
secundum essentiam. Et tamen oppositorum relative unum est in altero, ut dictum est. (Ia q. 42 a. 5 ad 3)
3 — De Vader en de Zoon zijn aan elkaar tegengesteld naar de betrekkingen en niet naar
de wezenheid. De tegengestelde termen in een betrekking echter liggen in elkaar besloten,
zoals gezegd werd (in de Leerstelling).
Articulus 6. Is de Zoon in macht aan de Vader gelijk?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod filius non sit aequalis patri secundum potentiam.
Dicitur enim Ioan. V, non potest filius a se facere quidquam, nisi quod viderit patrem
facientem. Pater autem a se potest facere. Ergo pater maior est filio secundum potentiam. (Ia q. 42 a. 6 arg. 1)
1 — Men beweert dat de Zoon in macht aan de Vader niet gelijk is. We lezen immers bij
Joannes (5, 19) : « Niets kan de Zoon doen uit zichzelf, maar alleen wat Hij de Vader
ziet doen ». De Vader echter kan uit zichzelf handelen. Dus is de Vader groter in
macht dan de Zoon.
Praeterea, maior est potentia eius qui praecipit et docet, quam eius qui obedit et
audit. Sed pater mandat filio, secundum illud Ioan. XIV, sicut mandatum dedit mihi
pater, sic facio. Pater etiam docet filium, secundum illud Ioan. V, pater diligit
filium, et omnia demonstrat ei quae ipse facit. Similiter et filius audit, secundum
illud Ioan. V, sicut audio, iudico. Ergo pater est maioris potentiae quam filius. (Ia q. 42 a. 6 arg. 2)
2 — De macht van hem die beveelt en onderricht is groter dan de macht van hem die gehoorzaamt
en luistert. Welnu de Vader beveelt aan de Zoon, naar het woord van Joannes (14, 31)
: « Gelijk de Vader Mij bevolen heeft, zo doe ik ». De Vader onderricht ook de Zoon,
zoals Joannes zegt (5, 20) : « De Vader heeft de Zoon lief, en laat Hem alles zien
wat Hij doet ». Ook luistert de Zoon, zoals wij lezen bij Joannes (5, 30) : « Zoals
ik hoor, oordeel ik ». Dus is de Vader groter in macht dan de Zoon.
Praeterea, ad omnipotentiam patris pertinet quod possit filium generare sibi aequalem,
dicit enim Augustinus, in libro contra Maximin., si non potuit generare sibi aequalem,
ubi est omnipotentia Dei patris? Sed filius non potest generare filium, ut supra ostensum
est. Non ergo quidquid pertinet ad omnipotentiam patris, potest filius. Et ita non
est ei in potestate aequalis. (Ia q. 42 a. 6 arg. 3)
3 — Het hoort tot de almacht van de Vader een Zoon te kunnen voortbrengen aan Hem gelijk.
In het boek Tegen Maximinus (2e B., 7e H .) zegt Augustinus immers: « Indien de Vader
zijn gelijke niet kan voortbrengen, waar blijft dan zijn almacht? » Welnu de Zoon
kan geen Zoon voortbrengen, zoals boven werd aangetoond (41e Kw., 6e Art., Antw. op
de 1e en 2e B.). Dus kan de Zoon niet al wat de Vader door zijn almacht vermag. Dus
is Hij aan Hem in macht niet gelijk.
Sed contra est quod dicitur Ioan. V, quaecumque pater facit, haec et filius similiter
facit. (Ia q. 42 a. 6 s. c.)
Daartegenover staat echter wat we lezen bij Joannes (3, 19) : « Al wat de Vader doet,
dat doet ook de Zoon eveneens ».
Respondeo dicendum quod necesse est dicere quod filius est aequalis patri in potestate.
Potentia enim agendi consequitur perfectionem naturae, videmus enim in creaturis quod
quanto aliquid habet perfectiorem naturam, tanto est maioris virtutis in agendo. Ostensum
est autem supra quod ipsa ratio divinae paternitatis et filiationis exigit quod filius
sit aequalis patri in magnitudine, idest in perfectione naturae. Unde relinquitur
quod filius sit aequalis patri in potestate. Et eadem ratio est de spiritu sancto
respectu utriusque. (Ia q. 42 a. 6 co.)
Het is noodzakelijk te aanvaarden dat de Zoon in macht aan de Vader gelijk is. De
macht om te handelen volgt immers de volmaaktheid in natuur. Hoe volmaakter de natuur,
hoe groter de macht om te handelen, ook bij de schepselen. Het goddelijk Vaderschap
en Zoonschap nu eisen uiteraard gelijkheid van Zoon en Vader in grootte, d. i. in
natuur-volmaaktheid, zoals boven werd aangetoond (4e Art.). Daaruit volgt dus dat
de Zoon in macht aan de Vader gelijk is. — En dezelfde reden geldt voor de Heilige
Geest ten opzichte van beiden.
Ad primum ergo dicendum quod in hoc quod dicitur quod filius non potest a se facere
quidquam, non subtrahitur filio aliqua potestas quam habeat pater; cum statim subdatur
quod quaecumque pater facit, filius similiter facit. Sed ostenditur quod filius habet
potestatem a patre, a quo habet naturam. Unde dicit Hilarius, IX de Trin., naturae
divinae haec unitas est, ut ita per se agat filius, quod non a se agat. (Ia q. 42 a. 6 ad 1)
1 — Door de woorden: « De Zoon kan uit zichzelf niets doen », wordt aan de Zoon geen macht
onttrokken die de Vader heeft, want onmiddellijk wordt eraan toegevoegd: « Al wat
de Vader doet, dat doet ook de Zoon eveneens ». Hierdoor wordt enkel aangetoond dat
de Zoon zijn macht ontvangt van de Vader, van wie Hij ook zijn natuur ontvangt. Daarom
zegt Hilarius in het 9e boek Over de Drievuldigheid (n. 48) : « De eenheid van de
goddelijke natuur is van zulke aard dat de Zoon niet uit zichzelf handelt, hoewel
door zichzelf ».
Ad secundum dicendum quod in demonstratione patris et auditione filii, non intelligitur
nisi quod pater communicat scientiam filio, sicut et essentiam. Et ad idem potest
referri mandatum patris, per hoc quod ab aeterno dedit ei scientiam et voluntatem
agendorum, eum generando. Vel potius referendum est ad Christum secundum humanam naturam. (Ia q. 42 a. 6 ad 2)
2 — Wanneer gezegd wordt dat de Vader aan de Zoon alles laat zien en de Zoon de Vader
aanhoort, dan bedoelt men daarmee alleen dat de Vader aan de Zoon de wetenschap meedeelt,
zoals ook de wezenheid. Evenzo moet het bevel van de Vader worden verklaard: van alle
eeuwigheid gaf Hij aan de Zoon de kennis van wat Hem te doen stond en de wil om dit
te doen. — Deze teksten worden echter veel klaarder wanneer wij ze met Christus’
menselijke natuur in verband brengen.
Ad tertium dicendum quod, sicut eadem essentia quae in patre est paternitas, in filio
est filiatio; ita eadem est potentia qua pater generat, et qua filius generatur. Unde
manifestum est quod quidquid potest pater, potest filius. Non tamen sequitur quod
possit generare, sed mutatur quid in ad aliquid, nam generatio significat relationem
in divinis. Habet ergo filius eandem omnipotentiam quam pater, sed cum alia relatione.
Quia pater habet eam ut dans, et hoc significatur, cum dicitur quod potest generare.
Filius autem habet eam ut accipiens, et hoc significatur, cum dicitur quod potest
generari. (Ia q. 42 a. 6 ad 3)
3 — Evenals dezelfde wezenheid in de Vader het vaderschap is, en in de Zoon het zoonschap,
evenzo is het ook dezelfde macht waardoor de Vader voortbrengt en waardoor de Zoon
wordt voortgebracht. Daaruit blijkt dus dat al wat de Vader kan, ook de Zoon vermag.
Hieruit volgt echter niet dat de Zoon kan voortbrengen, maar het « quid », dat zelfstandigheid
beduidt, wordt in de redenering vervangen door « ad aliquid », wat betrekking uitdrukt.
Want voortbrenging in God zegt betrekking. De Zoon heeft dus dezelfde almacht als
de Vader, doch met een andere betrekking. Immers zoals ze aan de Vader toekomt, beduidt
ze Hem die geeft, en dit wordt uitgedrukt wanneer men zegt dat Hij kan voortbrengen.
Aan de Zoon komt ze toe als aan Hem die ontvangt, en dit wordt uitgedrukt wanneer
men zegt dat Hij kan voortgebracht worden.