QuaestioArticulus

Prima pars. Quaestio 31.
Over hetgeen behoort tot de eenheid en de veelheid in het goddelijke .

Prooemium

Post haec considerandum est de his quae ad unitatem vel pluralitatem pertinent in divinis. Et circa hoc quaeruntur quatuor. Primo, de ipso nomine Trinitatis. Secundo, utrum possit dici, filius est alius a patre. Tertio, utrum dictio exclusiva, quae videtur alietatem excludere, possit adiungi nomini essentiali in divinis. Quarto, utrum possit adiungi termino personali. (Iª q. 31 pr.)

Nu zullen we handelen over hetgeen behoort tot de eenheid en de veelheid in het goddelijke. Daaromtrent stellen we vier vragen: 1e) Over den naam « drievuldigheid » zelf. 2e) Mag men zeggen: de Zoon is een andere dan de Vader? 3e) Mag men een woord met exclusieve beteekenis, dat het anders-zijn schijnt uit te sluiten, voegen bij een wezensnaam van God. 4e) Mag men het voegen bij een persoonsterm ?

Articulus 1.
Bestaat er ’n drievuldigheid in God?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod non sit Trinitas in divinis. Omne enim nomen in divinis vel significat substantiam, vel relationem. Sed hoc nomen Trinitas non significat substantiam, praedicaretur enim de singulis personis. Neque significat relationem, quia non dicitur secundum nomen ad aliud. Ergo nomine Trinitatis non est utendum in divinis. (Iª q. 31 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert dat er geen drievuldigheid bestaat in God. Iedere naam toch van God beteekent iets zelfstandigs of iets betrekkelijks. De naam « drievuldigheid » echter beteekent niet de zelfstandigheid; dan zou hij immers gezegd worden van ieder der personen. Evenmin beteekent hij een betrekking, daar hij, volgens de naam luidt, geen gericht-zijn op iets anders uitdrukt. Dus mag men den naam « drievuldigheid » niet gebruiken voor God.

Praeterea, hoc nomen Trinitas videtur esse nomen collectivum, cum significet multitudinem. Tale autem nomen non convenit in divinis, cum unitas importata per nomen collectivum sit minima unitas, in divinis autem est maxima unitas. Ergo hoc nomen Trinitas non convenit in divinis. (Iª q. 31 a. 1 arg. 2)

2 — Daar de naam « drievuldigheid » een veelheid aanduidt, is hij blijkbaar een verzamelnaam. Doch een dergelijke naam is niet geschikt voor God. Want de eenheid die door een verzamelnaam wordt uitgedrukt is de minste eenheid, terwijl in God de grootste eenheid is. Dus is de naam « drievuldigheid » niet geschikt voor God.

Praeterea, omne trinum est triplex. Sed in Deo non est triplicitas, cum triplicitas sit species inaequalitatis. Ergo nec Trinitas. (Iª q. 31 a. 1 arg. 3)

3 — Al wat drie is, is driedubbel. In God echter is er niets driedubbel, omdat driedubbel een soort van ongelijkheid is. Dus is er in God geen drieheid of « drievuldigheid. »

Praeterea, quidquid est in Deo, est in unitate essentiae divinae, quia Deus est sua essentia. Si igitur Trinitas est in Deo, erit in unitate essentiae divinae. Et sic in Deo erunt tres essentiales unitates, quod est haereticum. (Iª q. 31 a. 1 arg. 4)

4 — Alles wat in God bestaat, is bevat in de eenheid van de goddelijke wezenheid, omdat God zijn wezenheid is. Indien er dus drieheid in God is, dan moet het zijn in de eenheid van de goddelijke wezenheid, en aldus zullen er in God drie wezens-eenheden zijn, wat ketterij is.

Praeterea, in omnibus quae dicuntur de Deo, concretum praedicatur de abstracto, deitas enim est Deus, et paternitas est pater. Sed Trinitas non potest dici trina, quia sic essent novem res in divinis, quod est erroneum. Ergo nomine Trinitatis non est utendum in divinis. (Iª q. 31 a. 1 arg. 5)

5 — Wanneer er iets wordt gezegd van God, dan wordt het konkrete gezegd van het abstrakte, b. v. de Godheid is God en het Vaderschap is de Vader. Welnu de drievuldigheid is niet drie, want aldus zouden er in God negen dingen zijn, wat valsch is. Dus moet men den naam drievuldigheid niet gebruiken voor God.

Sed contra est quod Athanasius dicit, quod unitas in Trinitate, et Trinitas in unitate veneranda sit. (Iª q. 31 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat wat Athanasius zegt (in het Symbolum) dat « de eenheid in de drieheid en de drieheid in de eenheid moet vereerd worden. »

Respondeo dicendum quod nomen Trinitatis in divinis significat determinatum numerum personarum. Sicut igitur ponitur pluralitas personarum in divinis, ita utendum est nomine Trinitatis, quia hoc idem quod significat pluralitas indeterminate, significat hoc nomen Trinitas determinate. (Iª q. 31 a. 1 co.)

De naam « drievuldigheid » beteekent in God een bepaald aantal personen. Evenals men dus in God een veelheid van personen aanneemt, kan men ook den naam « drievuldigheid » gebruiken, want de naam « drievuldigheid » beteekent op bepaalde wijze wat « veelheid » op onbepaalde wijze beduidt.

Ad primum ergo dicendum quod hoc nomen Trinitas, secundum etymologiam vocabuli, videtur significare unam essentiam trium personarum, secundum quod dicitur Trinitas quasi trium unitas. Sed secundum proprietatem vocabuli, significat magis numerum personarum unius essentiae. Et propter hoc non possumus dicere quod pater sit Trinitas, quia non est tres personae. Non autem significat ipsas relationes personarum, sed magis numerum personarum ad invicem relatarum. Et inde est quod, secundum nomen, ad aliud non refertur. (Iª q. 31 a. 1 ad 1)

1 — De Latijnsche naam « trinitas » (drievuldigheid) beteekent volgens de woordafleiding één wezenheid van drie personen, voor zoover men door « trinitas » « trium unitas » d. i. eenheid van drie of drieëenheid zegt. Naar den eigen zin van het woord echter beteekent het veeleer het aantal personen van één wezenheid. En daarom kunnen we niet zeggen dat de Vader de drievuldigheid is, daar Hij geen drie personen is. Nochtans beteekent het niet de persoonsbetrekkingen zelf, maar eerder het aantal personen die in betrekking staan tot elkaar. Vandaar dat het, naar den naam, geen betrekking aanduidt.

Ad secundum dicendum quod nomen collectivum duo importat, scilicet pluralitatem suppositorum, et unitatem quandam, scilicet ordinis alicuius, populus enim est multitudo hominum sub aliquo ordine comprehensorum. Quantum ergo ad primum, hoc nomen Trinitas convenit cum nominibus collectivis, sed quantum ad secundum differt, quia in divina Trinitate non solum est unitas ordinis, sed cum hoc est etiam unitas essentiae. (Iª q. 31 a. 1 ad 2)

2 — Een verzamelnaam dekt twee dingen: een veelheid van zelfstandelingen en een zekere eenheid, te weten die van een zekere orde. Een volk immers is een veelheid van menschen gevat in een zekere orde. Wat het eerste betreft, komt de naam « drievuldigheid » dus overeen met de andere verzamelnamen, doch wat het tweede betreft is er een verschil, omdat er in de goddelijke Drievuldigheid niet alleen een orde-eenheid maar buitendien ook een wezenseenheid is.

Ad tertium dicendum quod Trinitas absolute dicitur, significat enim numerum ternarium personarum. Sed triplicitas significat proportionem inaequalitatis, est enim species proportionis inaequalis, sicut patet per Boetium in arithmetica. Et ideo non est in Deo triplicitas, sed Trinitas. (Iª q. 31 a. 1 ad 3)

3 — « Drievuldigheid » wordt in volstrekten zin gebruikt. Het beteekent immers het getal van drie personen. Driedubbel echter beteekent een verhouding van ongelijkheid. Het is immers een soort van ongelijke verhouding, zooals blijkt uit Boëtius in zijn Arithmetica (1e B., 23e H.). En aldus is er in de Godheid geen driedubbel-zijn maar drievuldigheid.

Ad quartum dicendum quod in Trinitate divina intelligitur et numerus, et personae numeratae. Cum ergo dicimus Trinitatem in unitate, non ponimus numerum in unitate essentiae, quasi sit ter una, sed personas numeratas ponimus in unitate naturae, sicut supposita alicuius naturae dicuntur esse in natura illa. E converso autem dicimus unitatem in Trinitate, sicut natura dicitur esse in suis suppositis. (Iª q. 31 a. 1 ad 4)

4 — Door goddelijke Drievuldigheid wordt te kennen gegeven én het aantal én de getelde personen. Wanneer we dus spreken van drieheid in eenheid, dan stellen we geen getal in de eenheid van het wezen, alsof het driemaal één zou zijn, doch we stellen de getelde personen in de eenheid van de natuur. Aldus wordt er ook gezegd dat de zelfstandelingen van een natuur in deze natuur zijn. En we zeggen ook andersom dat de eenheid in e drieheid is, zooals we zeggen dat de natuur in de zelfstandelingen is.

Ad quintum dicendum quod, cum dicitur, Trinitas est trina, ratione numeri importati significatur multiplicatio eiusdem numeri in seipsum, cum hoc quod dico trinum, importet distinctionem in suppositis illius de quo dicitur. Et ideo non potest dici quod Trinitas sit trina, quia sequeretur, si Trinitas esset trina, quod tria essent supposita Trinitatis; sicut cum dicitur, Deus est trinus, sequitur quod sunt tria supposita deitatis. (Iª q. 31 a. 1 ad 5)

5 — Wanneer we heggen dat de drievuldigheid drie is, beduiden we door dit getal de vermenigvuldiging van hetzelde getal met zichzelf; wanneer we immers van iets zeggen dat het drie is, beduiden we daardoor een onderscheid van zelfstandelingen in datgene wat drie genoemd wordt. Men mag dus niet zeggen dat de drievuldigheid drie is, want indien de drievuldigheid drie was, zouden we daaruit moeten besluiten dat er drie dragers van de drievuldigheid zijn. Aldus wanneer men zegt dat God drie is, volgt daaruit dat er drie dragers van de Godheid zijn.

Articulus 2.
Is de Zoon een andere dan de Vader?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod filius non sit alius a patre. Alius enim est relativum diversitatis substantiae. Si igitur filius est alius a patre, videtur quod sit a patre diversus. Quod est contra Augustinum, VII de Trin., ubi dicit quod, cum dicimus tres personas, non diversitatem intelligere volumus. (Iª q. 31 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert dat de Zoon geen andere is dan de Vader. Een andere zijn beduidt immers 'n verscheidenheid van zelfstandigheid. Indien dus de Zoon een andere is dan de Vader moet er blijkbaar tusschen Hem en den Vader ’n verscheidenheid zijn. Dit gaat echter in tegen de leer van Augustinus die in het 7e boek Over de Drievuldigheid (4e H.) zegt dat « we geen verscheidenheid willen beduiden » wanneer we spreken van drie personen.

Praeterea, quicumque sunt alii ab invicem, aliquo modo ab invicem differunt. Si igitur filius est alius a patre, sequitur quod sit differens a patre. Quod est contra Ambrosium, in I de fide, ubi ait, pater et filius deitate unum sunt, nec est ibi substantiae differentia, neque ulla diversitas. (Iª q. 31 a. 2 arg. 2)

2 — Al diegenen die, in vergelijking met elkaar, anderen zijn, verschillen op een of andere wijze van elkaar. Indien dus de Zoon een andere is, dan volgt daaruit dat Hij verschilt van den Vader. Dit is echter in strijd met hetgeen Ambrosius zegt in het 1e boek Over het Geloof (2e H.) : « De Vader en de Zoon zijn één door de Godheid en daar is er geen verschil van zelfstandigheid noch eenige verscheidenheid. »

Praeterea, ab alio alienum dicitur. Sed filius non est alienus a patre, dicit enim Hilarius, in VII de Trin., quod in divinis personis nihil est diversum, nihil alienum, nihil separabile. Ergo filius non est alius a patre. (Iª q. 31 a. 2 arg. 3)

3 — Van het Latijnsche woord « alius », d. i. een andere, wordt afgeleid « alienus » d. i. vreemd. Maar de Zoon is niet vreemd aan den Vader. Hilarius zegt immers in het 7e boek Over de Drievuldigheid (n. 39) dat er in de goddelijke personen « niets is wat verscheiden, vreemd of scheidbaar is. » Dus is de Zoon geen andere dan de Vader.

Praeterea, alius et aliud idem significant, sed sola generis consignificatione differunt. Si ergo filius est alius a patre, videtur sequi quod filius sit aliud a patre. (Iª q. 31 a. 2 arg. 4)

4 — « Een andere » en « iets anders » beteekenen hetzelfde. Ze verschillen alleen door een bijbeteekenis van geslacht. Indien dus de Zoon een andere is dan de Vader, volgt daaruit blijkbaar dat de Zoon iets anders is dan de Vader.

Sed contra est quod Augustinus dicit, in libro de fide ad Petrum, una est enim essentia patris et filii et spiritus sancti, in qua non est aliud pater, aliud filius, aliud spiritus sanctus; quamvis personaliter sit alius pater, alius filius, alius spiritus sanctus. (Iª q. 31 a. 2 s. c.)

Dit komt echter niet overeen met hetgeen Augustinus (Fulgentius) schrijft in het boek Aan Petrus, Over het Geloof (1e H.) : « Eén is immers de wezenheid van Vader, Zoon en Heilige Geest, waarin noch de Vader, noch de Zoon, noch de H. Geest iets anders zijn, alhoewel naar de persoonlijkheid de Vader een andere, de Zoon een andere, en de Heilige Geest een andere zijn. »

Respondeo dicendum quod, quia ex verbis inordinate prolatis incurritur haeresis, ut Hieronymus dicit, ideo cum de Trinitate loquimur, cum cautela et modestia est agendum, quia, ut Augustinus dicit, in I de Trin., nec periculosius alicubi erratur, nec laboriosius aliquid quaeritur, nec fructuosius aliquid invenitur. Oportet autem in his quae de Trinitate loquimur, duos errores oppositos cavere, temperate inter utrumque procedentes, scilicet errorem Arii, qui posuit cum Trinitate personarum Trinitatem substantiarum; et errorem Sabellii, qui posuit cum unitate essentiae unitatem personae. Ad evitandum igitur errorem Arii, vitare debemus in divinis nomen diversitatis et differentiae, ne tollatur unitas essentiae, possumus autem uti nomine distinctionis, propter oppositionem relativam. Unde sicubi in aliqua Scriptura authentica diversitas vel differentia personarum invenitur, sumitur diversitas vel differentia pro distinctione. Ne autem tollatur simplicitas divinae essentiae, vitandum est nomen separationis et divisionis, quae est totius in partes. Ne autem tollatur aequalitas, vitandum est nomen disparitatis. Ne vero tollatur similitudo, vitandum est nomen alieni et discrepantis, dicit enim Ambrosius, in libro de fide, quod in patre et filio non est discrepans, sed una divinitas, et secundum Hilarium, ut dictum est, in divinis nihil est alienum, nihil separabile. Ad vitandum vero errorem Sabellii, vitare debemus singularitatem, ne tollatur communicabilitas essentiae divinae, unde Hilarius dicit, VII de Trin., patrem et filium singularem Deum praedicare, sacrilegum est. Debemus etiam vitare nomen unici, ne tollatur numerus personarum, unde Hilarius in eodem libro dicit quod a Deo excluditur singularis atque unici intelligentia. Dicimus tamen unicum filium, quia non sunt plures filii in divinis. Neque tamen dicimus unicum Deum, quia pluribus deitas est communis vitamus etiam nomen confusi, ne tollatur ordo naturae a personis, unde Ambrosius dicit, I de fide, neque confusum est quod unum est, neque multiplex esse potest quod indifferens est. Vitandum est etiam nomen solitarii, ne tollatur consortium trium personarum, dicit enim Hilarius, in IV de Trin., nobis neque solitarius, neque diversus Deus est confitendus. Hoc autem nomen alius, masculine sumptum, non importat nisi distinctionem suppositi. Unde convenienter dicere possumus quod filius est alius a patre, quia scilicet est aliud suppositum divinae naturae, sicut est alia persona, et alia hypostasis. (Iª q. 31 a. 2 co.)

Daar men, zooals Hieronymus zegt, in ketterij valt wanneer men onjuist is in zijn woorden, moeten we met omzichtigheid en bescheidenheid spreken wanneer het gaat over de Drievuldigheid. Want Augustinus zegt in het 1e boek Over de Drievuldigheid (3e H.) : « Nergens is het dwalen gevaarlijker, noch het zoeken lastiger noch het vinden vruchtbaarder. » In de leer over de Drievuldigheid moeten we twee tegenovergestelde dwalingen vermijden en behoedzaam tusschen beiden doorgaan: de eene is de dwaling van Arius, die met de drievuldigheid van personen ook de drievuldigheid van zelfstandigheid aannam; de andere is de dwaling van Sabellius, die met de eenheid van wezenheid de eenheid van personen verdedigde. Om dus de dwaling van Arius te ontwijken, moeten we de namen « verscheidenheid » en « verschil » vermijden, opdat niet de eenheid van wezenheid zou geloochend worden. We mogen echter gebruik maken van den naam « onderscheid » om de tegenover elkaar gestelde betrekkingsverhoudingen aan te duiden. Derhalve wanneer in een authentisch schrift spraak is van verscheidenheid of verschil van Personen, dan worden verscheidenheid of verschil verstaan in de beteekenis van onderscheid. Om echter de enkelvoudigheid van de goddelijke wezenheid niet op te heffen, moet men de namen « scheiding » en « verdeeling, » die van een geheel met betrekking tot zijn deelen gezegd worden, vermijden. Om de gelijkheid niet op te heffen, moet men den naam van « ongelijkheid » niet gebruiken, en om de gelijkvormigheid niet te loochenen, moet men de woorden « vreemd » en « ongelijkaardig » vermijden; Ambrosius zegt immers in het boek Over het Geloof (t. a. p.) dat er in den Vader en den Zoon « geen ongelijkaardige maar ééne Godheid is. » En volgens Hilarius, zooals hierboven gezegd werd (in de 3e B.), is er in God « niets dat aan Hem vreemd is of van Hem gescheiden kan worden. » Om echter niet in de dwaling van Sabellius te vallen, moeten we de uitdrukking « alleen-zijn » vermijden, opdat nl. de mededeelbaarheid van de goddelijke wezenheid niet zou geloochend worden. Vandaar dat Hilarius in het 7e boek Over de Drievuldigheid (n. 39) zegt: « Het is een heiligschennis te beweren dat de Vader en de Zoon een alleen-zijnde God zijn. » We moeten ook vermijden God « eenig » te noemen, om het getal personen niet te ontkennen. Vandaar dat Hilarius zegt in hetzelfde boek (n. 38) dat « de begrippen alleen-zijn en eenigheid » op God niet worden toegepast. We spreken nochtans van den éénigen Zoon omdat er niet meer dan één Zoon is in God. Doch we spreken niet van een éénigen God omdat de goddelijke wezenheid aan meerderen gemeen is. Laten we eveneens den naam « ineenvloeiing » vermijden om aan de personen de orde niet te ontzeggen, die hun in de goddelijke natuur toekomt. Vandaar dat Ambrosius in het 1e boek Over het Geloof (2e H.) zegt: « En wat één is, is niet ineenvloeiend en evenmin kan wat niet verschillend is menigvuldig zijn. » We moeten ook den naam « eenzaam » vermijden om niet de gemeenzaamheid van personen te loochenen. Hilarius zegt immers in het 4e boek Over de Drievuldigheid (n. 18): « Laat ons niet belijden dat God eenzaam is noch dat Hij verscheiden is. » Integendeel duidt de naam « een andere », in het mannelijk geslacht gesteld, niets meer aan dan ’n onderscheid van zelfstandelingen. Daarom kunnen we geredelijk zeggen dat « de Zoon een andere is dan de Vader, » omdat Hij nl. een andere drager is van de goddelijke natuur, evenals Hij ook een andere persoon en een andere hypostase is.

Ad primum ergo dicendum quod alius, quia est sicut quoddam particulare nomen, tenet se ex parte suppositi, unde ad eius rationem sufficit distinctio substantiae quae est hypostasis vel persona. Sed diversitas requirit distinctionem substantiae quae est essentia. Et ideo non possumus dicere quod filius sit diversus a patre, licet sit alius. (Iª q. 31 a. 2 ad 1)

1 — « Een andere » is een particuliere naam en slaat bijgevolg op den drager van de zelfstandigheid. Het begrip ervan eischt dan ook niets meer dan dat de zelfstandigheid zou onderscheiden zijn in zoover zij de hypostase of den persoon beteekent. De « verscheidenheid » daarentegen eischt dat de zelfstandigheid zou onderscheiden zijn in zoover zij de wezenheid beduidt. En aldus kunnen we niet zeggen van den Zoon dat Hij « verscheiden » is van den Vader, hoewel Hij « een andere » is.

Ad secundum dicendum quod differentia importat distinctionem formae. Est autem tantum una forma in divinis, ut patet per id quod dicitur Philip. II, qui cum in forma Dei esset. Et ideo nomen differentis non proprie competit in divinis, ut patet per auctoritatem inductam. Utitur tamen Damascenus nomine differentiae in divinis personis, secundum quod proprietas relativa significatur per modum formae, unde dicit quod non differunt ab invicem hypostases secundum substantiam, sed secundum determinatas proprietates. Sed differentia sumitur pro distinctione, ut dictum est. (Iª q. 31 a. 2 ad 2)

2 — Het « verschil » veronderstelt een onderscheid van vorm. Er is echter slechts één enkele vorm in de Godheid, zooals blijkt uit hetgeen gezegd wordt in den Brief aan de Philippenzen (2, 6) : « Daar Hij in den vorm van God was ». En aldus is de naam « verschillend » niet geschikt voor God, zooals blijkt uit de aangehaalde autoriteit. Damascenus spreekt nochtans (in het boek Over het waarachlig Geloof, 3e B., 5e H.) van een verschil tusschen de goddelijke personen, in zoover nl. over een betrekkelijke eigenschap wordt gesproken als over ’n vorm. Daarom zegt hij dat de hypostasen niet verschillen van elkaar naar de zelfstandigheid maar volgens bepaalde eigenschappen. Doch « verschil » wordt hier genomen voor « onderscheid », zooals gezegd werd (in de Leerstelling).

Ad tertium dicendum quod alienum est quod est extraneum et dissimile. Sed hoc non importatur cum dicitur alius. Et ideo dicimus filium alium a patre, licet non dicamus alienum. (Iª q. 31 a. 2 ad 3)

3 — « Vreemd » is wat van buiten komt en niet gelijkaardig is. Dit wordt echter niet bedoeld wanneer men zegt: « een andere. » En daarom zeggen we dat de Zoon « een andere » is dan de Vader, al zeggen we niet dat Hij aan den Vader « vreemd » is.

Ad quartum dicendum quod neutrum genus est informe, masculinum autem est formatum et distinctum, et similiter femininum. Et ideo convenienter per neutrum genus significatur essentia communis, per masculinum autem et femininum, aliquod suppositum determinatum in communi natura. Unde etiam in rebus humanis, si quaeratur, quis est iste? Respondetur, Socrates, quod nomen est suppositi, si autem quaeratur, quid est iste? Respondetur, animal rationale et mortale. Et ideo, quia in divinis distinctio est secundum personas, non autem secundum essentiam, dicimus quod pater est alius a filio, sed non aliud, et e converso dicimus quod sunt unum, sed non unus. (Iª q. 31 a. 2 ad 4)

4 — In het onzijdig geslacht is de vorm niet bepaald; maar in het mannelijk is hij bepaald en onderscheiden, en evenzoo in het vrouwelijk. Daarom wordt terecht de gemeenschappelijke wezenheid door het onzijdig aangeduid, en een bepaalde zelfstandeling door het mannelijk of het vrouwelijk. Daarom ook wanneer het gaat over menschen en er gevraagd wordt: « Wie is deze? », antwoordt men: « Sokrates », de naam van een persoon; wanneer er echter gevraagd wordt: « Wat is deze? », antwoordt men: « een redelijk en sterfelijk dier. » En aldus omdat er in God een onderscheid is van personen en niet van wezenheid, zeggen we dat de Vader « een andere » is dan de Zoon, maar niet dat Hij « iets anders » is. En andersom zeggen we dat ze « iets een » zijn, doch niet dat ze er « eene » zijn.

Articulus 3.
Mag men het woord « alleen », dat een exclusieve beteekenis heeft, voegen bij een wezensterm in God?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod dictio exclusiva solus non sit addenda termino essentiali in divinis. Quia secundum philosophum, in II Elench., solus est qui cum alio non est. Sed Deus est cum Angelis et sanctis animabus. Ergo non possumus dicere Deum solum. (Iª q. 31 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert dat, waar het gaat over God, het woord « alleen » dat een uitsluitenden zin heeft, niet mag gevoegd worden bij een wezensterm. Volgens den Wijsgeer immers in het 2e Boek Over de soph. Weerleggingen (3e H.), is hij alleen « die niet met een andere is. » God is echter samen met de engelen en de heilige zielen. We mogen dus van God niet zeggen dat Hij alleen is.

Praeterea, quidquid adiungitur termino essentiali in divinis, potest praedicari de qualibet persona per se, et de omnibus simul, quia enim convenienter dicitur sapiens Deus, possumus dicere, pater est sapiens Deus, et Trinitas est sapiens Deus. Sed Augustinus, in VI de Trin., dicit, consideranda est illa sententia, qua dicitur non esse patrem verum Deum solum. Ergo non potest dici solus Deus. (Iª q. 31 a. 3 arg. 2)

2 — Al wat toegevoegd wordt aan een wezensterm van God, kan gezegd worden van iederen Persoon op zich zelf en van allen samen. Omdat het immers een gepaste uitdrukking is te zeggen « wijze God », mogen we ook zeggen: de Vader is een wijze God, en: de Drievuldigheid is een wijze God. Welnu Augustinus in het 6e boek Over de Drievuldigheid (9e H.) zegt: « Men houde als zijn meening deze, volgens dewelke niet de Vader de God is, die de ware God alleen is. » Dus mag men van God niet zeggen dat Hij alleen is.

Praeterea, si haec dictio solus adiungitur termino essentiali, aut hoc erit respectu praedicati personalis, aut respectu praedicati essentialis. Sed non respectu praedicati personalis, quia haec est falsa, solus Deus est pater, cum etiam homo sit pater. Neque etiam respectu praedicati essentialis. Quia si haec esset vera, solus Deus creat, videtur sequi quod haec esset vera, solus pater creat, quia quidquid dicitur de Deo, potest dici de patre. Haec autem est falsa, quia etiam filius est creator. Non ergo haec dictio solus potest in divinis adiungi termino essentiali. (Iª q. 31 a. 3 arg. 3)

3 — Het woord « alleen » wordt maar bij een wezensterm gevoegd óf in verband met een gezegde dat terugslaat op den persoon, óf in verband met een gezegde dat terugslaat op de wezenheid. Het kan echter niet gaan in verband met een persoonlijk gezegde, want het is verkeerd te zeggen: alleen God is Vader, daar ook de mensch vader is. Het gaat evenmin in verband met een wezenlijk gezegde, want indien het waar was dat God alleen schept, dan volgt ook blijkbaar dat deze zin waar is: alleen de Vader schept, want alles wat gezegd wordt van God kan ook gezegd worden van den Vader. Dit laatste geeft echter ’n verkeerden zin, daar ook de Zoon schepper is. Het woord « alleen » kan dus in het goddelijke niet gevoegd worden bij een wezensterm.

Sed contra est quod dicitur I ad Tim. I, regi saeculorum immortali, invisibili, soli Deo. (Iª q. 31 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter wat we lezen in den Eersten Brief aan Timotheus (1, 17) : « Aan den koning der eeuwen die onsterfelijk is, onzichtbaar en alleen God. »

Respondeo dicendum quod haec dictio solus potest accipi ut categorematica vel syncategorematica. Dicitur autem dictio categorematica, quae absolute ponit rem significatam circa aliquod suppositum; ut albus circa hominem, cum dicitur homo albus. Si ergo sic accipiatur haec dictio solus, nullo modo potest adiungi alicui termino in divinis, quia poneret solitudinem circa terminum cui adiungeretur, et sic sequeretur Deum esse solitarium; quod est contra praedicta. Dictio vero syncategorematica dicitur, quae importat ordinem praedicati ad subiectum, sicut haec dictio omnis, vel nullus. Et similiter haec dictio solus, quia excludit omne aliud suppositum a consortio praedicati. Sicut, cum dicitur, solus Socrates scribit, non datur intelligi quod Socrates sit solitarius; sed quod nullus sit ei consors in scribendo, quamvis cum eo multis existentibus. Et per hunc modum nihil prohibet hanc dictionem solus adiungere alicui essentiali termino in divinis, inquantum excluduntur omnia alia a Deo a consortio praedicati, ut si dicamus, solus Deus est aeternus, quia nihil praeter Deum est aeternum. (Iª q. 31 a. 3 co.)

Het woord « alleen » kan men categorematisch of syncategorematisch gébruiken. Een woord wordt catcgorematisch gebruikt wanneer iets in volstrekten zin bevestigd wordt met betrekking tot een drager, zooals wit met betrekking tot een mensch, wanneer men zegt: een witte mensch. Wanneer men het woord « alleen » aldus verstaat kan het geenszins gevoegd worden bij een wezensterm van God, want het zou een alleen-zijn beduiden met betrekking tot den term zelf waaraan het wordt toegevoegd, en daaruit zou volgen dat God eenzaam is; wat in strijd is met het voorgaande (vorig Artikel). Men noemt een woord syncategorematisch wanneer het een orde bevat van het gezegde tot het onderwerp, zooals het woord « alle » of « geen enkele. » En zoo is het ook met het woord « alleen », omdat het ieder anderen drager uitsluit van deelneming aan het gezegde. Wanneer b. v. gezegd wordt: alleen Socrates schrijft, wil men niet beduiden dat Sokrates alleen is, maar dat er niemand met hem schrijft, ook al zijn er veel menschen bij hem. En aldus aangewend is er niets op tegen dat men, waar het gaat over God, het woord « alleen » voegt bij een wezensterm, in zoover daardoor al het overige uitgesloten wordt van deelneming aan het gezegde. Aldus wanneer we zeggen: alleen God is oneindig, omdat niets buiten God oneindig is.

Ad primum ergo dicendum quod, licet Angeli et animae sanctae semper sint cum Deo, tamen, si non esset pluralitas personarum in divinis, sequeretur, quod Deus esset solus vel solitarius. Non enim tollitur solitudo per associationem alicuius quod est extraneae naturae, dicitur enim aliquis solus esse in horto, quamvis sint ibi multae plantae et animalia. Et similiter diceretur Deus esse solus vel solitarius, Angelis et hominibus cum eo existentibus, si non essent in divinis personae plures. Consociatio igitur Angelorum et animarum non excludit solitudinem absolutam a divinis, et multo minus solitudinem respectivam, per comparationem ad aliquod praedicatum. (Iª q. 31 a. 3 ad 1)

1 — Hoewel de engelen en de heilige zielen altijd met God zijn, zou God toch alleen of eenzaam zijn indien er in God geen veelheid van personen was. De eenzaamheid wordt immers niet weggenomen door het gezelschap van iets dat een andere natuur heeft. Men zegt dat iemand alleen is in den hof, hoewel er daar veel planten en dieren aanwezig zijn. En zoo ook zou men zeggen dat God alleen of eenzaam is, al was Hij ook omringd van engelen en menschen, indien er niet in God meerdere personen bestonden. Het gezelschap dus van engelen en menschen sluit de volstrekte eenzaamheid van God niet uit, en noch veel minder de betrekkelijke eenzaamheid die wordt genomen in verhouding tot een gezegde.

Ad secundum dicendum quod haec dictio solus, proprie loquendo, non ponitur ex parte praedicati, quod sumitur formaliter, respicit enim suppositum, inquantum excludit aliud suppositum ab eo cui adiungitur. Sed hoc adverbium tantum, cum sit exclusivum, potest poni ex parte subiecti, et ex parte praedicati, possumus enim dicere, tantum Socrates currit, idest nullus alius; et, Socrates currit tantum, idest nihil aliud facit. Unde non proprie dici potest, pater est solus Deus, vel, Trinitas est solus Deus, nisi forte ex parte praedicati intelligatur aliqua implicatio, ut dicatur, Trinitas est Deus qui est solus Deus. Et secundum hoc etiam posset esse vera ista, pater est Deus qui est solus Deus, si relativum referret praedicatum, et non suppositum. Augustinus autem, cum dicit patrem non esse solum Deum, sed Trinitatem esse solum Deum, loquitur expositive, ac si diceret, cum dicitur, regi saeculorum, invisibili, soli Deo, non est exponendum de persona patris, sed de sola Trinitate. (Iª q. 31 a. 3 ad 2)

2 — Het woord « alleen » slaat eigenlijk niet op het gezegde dat formeel genomen wordt. Het heeft immers betrekking op den drager in zoover het van den zelfstandeling waaraan het wordt toegevoegd een anderen uitsluit. Doch het bijwoord « slechts », omdat het exclusief is, kan men laten slaan of op het onderwerp of op het gezegde. We kunnen immers zeggen: slechts Socrates loopt, d. i. niemand buiten hem. En Socrates loopt slechts, d. i. hij doet niets anders dan dat. Vandaar dat men eigenlijk niet mag zeggen: de Vader is alleen God of de Drievuldigheid is alleen God, tenzij men van den kant van het gezegde iets impliceert, zoodat men zegt: de Drievuldigheid is de God die alleen God is. En aldus uitgelegd kan ook deze zin waar zijn: de Vader is de God die alleen God is, indien het betrekkelijk woord slaat op het gezegde en niet op het onderwerp. Augustinus nu, wanneer hij zegt dat niet de Vader de God is die alleen God is maar dat de Drievuldigheid de God is die alleen God is, bedoelt de zaak uit te leggen. Het is alsof hij zeide: Wanneer gezegd wordt: « aan den koning der eeuwen, den onzichtbar en, die alleen God is », moet men dit niet verstaan van den persoon van den Vader, maar van de geheele Drievuldigheid.

Ad tertium dicendum quod utroque modo potest haec dictio solus adiungi termino essentiali. Haec enim propositio, solus Deus est pater, est duplex. Quia ly pater potest praedicare personam patris, et sic est vera, non enim homo est illa persona. Vel potest praedicare relationem tantum, et sic est falsa, quia relatio paternitatis etiam in aliis invenitur, licet non univoce. Similiter haec est vera, solus Deus creat. Nec tamen sequitur, ergo solus pater, quia, ut sophistae dicunt, dictio exclusiva immobilitat terminum cui adiungitur, ut non possit fieri sub eo descensus pro aliquo suppositorum; non enim sequitur, solus homo est animal rationale mortale, ergo solus Socrates. (Iª q. 31 a. 3 ad 3)

3 — Men kan op beide wijzen het woord « alleen » voegen hij een wezensterm. Deze zin immers: alleen God is Vader, heeft een dubbele beteekenis. Het woord Vader kan den Persoon van den Vader beteekenen en aldus is de zin waar, omdat geen mensch die Persoon is. Of het kan enkel maar een verhouding te kennen geven, en aldus is de zin verkeerd, omdat de betrekking van vaderschap ook in anderen gevonden wordt, alhoewel niet op eenzinnige wijze. Ook deze zin is waar: alleen God schept. En nochtans volgt daar niet uit: dus alleen de Vader schept; want zooals de sophisten zeggen, wanneer een woord met exclusieve beteekenis aan een term wordt bij gevoegd dan blijft het aan dezen zoo onbeweeglijk vastgehecht dat het niet mag worden toegekend aan een van de subjekten die onder dezen term hooren. Het is immers geen goede gevolgtrekking te zeggen: alleen de mensch is een redelijk wezen, dus is alleen Sonates een redelijk wezen.

Articulus 4.
Mag men dat woord met exclusieve beteekenis voegen bij een persoonsterm?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod dictio exclusiva possit adiungi termino personali, etiam si praedicatum sit commune. Dicit enim dominus, ad patrem loquens, Ioan. XVII, ut cognoscant te, solum Deum verum. Ergo solus pater est Deus verus. (Iª q. 31 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert dat het exclusief woord kan gevoegd worden bij een term die den persoon aanduidt, zelfs indien het gezegde gemeenschappelijk is. We lezen immers bij Joannes (17, 3) dat de Heer sprekend tot den Vader, zegt : « dat ze U kennen die alleen de ware God zijt. » Dus is de Vader alleen de ware God.

Praeterea, Matth. XI dicitur, nemo novit filium nisi pater; quod idem significat ac si diceretur, solus pater novit filium. Sed nosse filium est commune. Ergo idem quod prius. (Iª q. 31 a. 4 arg. 2)

2 — En bij Mattheus (11, 27) lezen wij: « Niemand kent den Zoon tenzij de Vader. » Dit nu beteekent hetzelfde als dit gezegde: alleen de Vader kent den Zoon. Den Zoon kennen is echter iets gemeenschappelijks. Dus hebben we hier weer dezelfde gevolgtrekking als daar juist.

Praeterea, dictio exclusiva non excludit illud quod est de intellectu termini cui adiungitur, unde non excludit partem, neque universale, non enim sequitur, solus Socrates est albus, ergo manus eius non est alba; vel, ergo homo non est albus. Sed una persona est in intellectu alterius, sicut pater in intellectu filii, et e converso. Non ergo per hoc quod dicitur, solus pater est Deus, excluditur filius vel spiritus sanctus. Et sic videtur haec locutio esse vera. (Iª q. 31 a. 4 arg. 3)

3 — Het exclusief woord sluit datgene niet uit wat behoort tot het begrip van den term waaraan het wordt toegevoegd. Derhalve sluit het noch het deel noch het universeele uit. Men besluit immers valschelijk als men zegt: alleen Socrates is wit, dus is zijn hand niet wit, of wel, dus is de mensch niet wit. Welnu de eene Persoon is bevat in het begrip van den andere, zooals de Vader in het begrip van den Zoon en omgekeerd. Wanneer men dus zegt dat de Vader alleen God is, sluit men den Zoon en den H. Geest niet uit. En aldus blijkt dat die zegswijze juist is.

Praeterea, ab Ecclesia cantatur, tu solus altissimus, Iesu Christe. (Iª q. 31 a. 4 arg. 4)

4 — De H. Kerk zingt: « Gij zijt alleen de allerhoogste, Jezus Christus. »

Sed contra, haec locutio, solus pater est Deus, habet duas expositivas, scilicet, pater est Deus, et, nullus alius a patre est Deus. Sed haec secunda est falsa, quia filius alius est a patre, qui est Deus. Ergo et haec est falsa, solus pater est Deus. Et sic de similibus. (Iª q. 31 a. 4 s. c.)

Daar brengt men echter tegen in dat de zin « alleen de Vader is God » op twee wijzen kan uitgelegd worden, namelijk: de Vader is God, of wel: niemand is God buiten den Vader. Doch dit laatste is verkeerd, omdat de Zoon een andere is dan de Vader die God is. Dus is ook deze zegswijze verkeerd: alleen de Vader is God. En ’t zelfde geldt voor andere dergelijke zinswendingen.

Respondeo dicendum quod, cum dicimus, solus pater est Deus, haec propositio potest habere multiplicem intellectum. Si enim solus ponat solitudinem circa patrem, sic est falsa, secundum quod sumitur categorematice. Secundum vero quod sumitur syncategorematice, sic iterum potest intelligi multipliciter. Quia si excludat a forma subiecti, sic est vera, ut sit sensus, solus pater est Deus, idest, ille cum quo nullus alius est pater, est Deus. Et hoc modo exponit Augustinus, in VI de Trin., cum dicit, solum patrem dicimus, non quia separatur a filio vel spiritu sancto; sed hoc dicentes, significamus quod illi simul cum eo non sunt pater. Sed hic sensus non habetur ex consueto modo loquendi, nisi intellecta aliqua implicatione, ut si dicatur, ille qui solus dicitur pater, est Deus. Secundum vero proprium sensum, excludit a consortio praedicati. Et sic haec propositio est falsa, si excludit alium masculine, est autem vera, si excludit aliud neutraliter tantum, quia filius est alius a patre, non tamen aliud; similiter et spiritus sanctus. Sed quia haec dictio solus respicit proprie subiectum, ut dictum est, magis se habet ad excludendum alium quam aliud. Unde non est extendenda talis locutio; sed pie exponenda, sicubi inveniatur in authentica Scriptura. (Iª q. 31 a. 4 co.)

Wanneer we zeggen, dat de Vader alleen God is, dan kan deze zin veel beteekenissen hebben. Indien immers het woord « alleen » de eenzaamheid toeschrijft aan den Vader, dan is de zin verkeerd in zoover het woord categorematisch wordt gebruikt. — Neemt men het woord syncategorematisch, dan kan de zin opnieuw op vele wijzen verstaan worden. Want indien het woord «alleen » een deelname aan den vorm van het onderwerp uitsluit, is de zin waar. Dan is de beteekenis: de alleen Vader zijnde is God, dit wil zeggen, Hij met wie niemand anders Vader is, is God. Op die wijze verklaart het Augustinus in het 6e boek Over de Drievuldigheid (7e H.), waar hij zegt: « We zeggen « de Vader alleen », niet omdat Hij gescheiden is van den Zoon en den H. Geest, maar om daardoor te beteekenen, dat zij niet samen met Hem Vader zijn. » In de gewone spreekwijze echter heeft de zin die beteekenis niet tenzij men er iets zoodanigs onder verstaat, als: Hij die alleen Vader wordt genoemd is God. — Doch volgens de eigen beteekenis van den zin wordt een deelname aan het gezegde uitgesloten. En zoo genomen is de zin verkeerd, indien een andere, in het mannelijk gesteld, uitgesloten wordt; hij is echter juist indien iets anders, in het onzijdig gesteld, uitgesloten wordt, omdat de Zoon een andere is dan de Vader, en toch niet iets anders. ’t Zelfde geldt voor den H. Geest. Maar omdat het woord « alleen » eigenlijk slaat op het onderwerp zooals boven (Vorig Artikel, 2e Bed.) gezegd werd, wordt het eerder aangewend om een ander dan om iets anders uit te sluiten. Derhalve moet men niet veel gebruik maken van dergelijke utidrukkingen, maar ze vroom uitleggen waar men ze ook in een authentisch schrift vinde.

Ad primum ergo dicendum quod, cum dicimus, te solum Deum verum, non intelligitur de persona patris, sed de tota Trinitate, ut Augustinus exponit. Vel, si intelligatur de persona patris, non excluduntur aliae personae, propter essentiae unitatem, prout ly solus excludit tantum aliud, ut dictum est. (Iª q. 31 a. 4 ad 1)

1 — U die alleen de ware God zijt, moet ons dit niet doen denken aan den persoon van den Vader, maar aan geheel de Drievuldigheid, zooals Augustinus het uitlegt (Over de Drievuldigheid, 6e B., 9e H.). Of bedoelt men den persoon van den Vader, dan worden toch, om reden van de wezenseenheid, de andere personen niet uitgesloten, in zoover nl. dit woord « alleen » slechts de uitsluiting beteekent van « iets anders, » zooals gezegd werd (in de Leerstelling).

Et similiter dicendum est ad secundum. Cum enim aliquid essentiale dicitur de patre, non excluditur filius vel spiritus sanctus, propter essentiae unitatem. Tamen sciendum est quod in auctoritate praedicta, haec dictio nemo non idem est quod nullus homo, quod videtur significare vocabulum (non enim posset excipi persona patris), sed sumitur, secundum usum loquendi, distributive pro quacumque rationali natura. (Iª q. 31 a. 4 ad 2)

2 — Zoo moet men ook op de tweede opwerping antwoorden. Wanneer men immers iets wezenlijks zegt van den Vader, dan wordt noch de Zoon noch de H. Geest uitgesloten, om reden van de wezenseenheid. Men moet immers weten dat bij de aangehaalde autoriteit het woord « niemand » niet hetzelfde is als « geen enkele mensch », wat het woord schijnt te beteekenen, — want dan kon men geen uitzondering maken voor den Vader — maar het wordt volgens het gewoon spraakgebruik genomen in distributieven zin, met betrekking tot welke redelijke natuur ook.

Ad tertium dicendum quod dictio exclusiva non excludit illa quae sunt de intellectu termini cui adiungitur, si non differunt secundum suppositum, ut pars et universale. Sed filius differt supposito a patre, et ideo non est similis ratio. (Iª q. 31 a. 4 ad 3)

3 — Het exclusief woord sluit niets uit van wat behoort tot het begrip van den term waaraan het wordt bijgevoegd, indien onder dezen term geen verschil van zelfstandelingen maar slechts 'n verschil zooals dat van een deel of van het algemeene begrepen is. De Zoon is echter een andere zelfstandeling dan de Vader. Dus geldt de aangegeven rede niet in dit geval.

Ad quartum dicendum quod non dicimus absolute quod solus filius sit altissimus, sed quod solus sit altissimus cum spiritu sancto, in gloria Dei patris. (Iª q. 31 a. 4 ad 4)

4 — We zeggen niet in volstrekten zin dat alleen de Zoon de allerhoogste is, doch dat Hij alleen de allerhoogste is samen met den Heiligen Geest, in de glorie van God den Vader.