QuaestioArticulus

Prima pars. Quaestio 35.
Over de benaming « Beeld van den Vader » .

Prooemium

Deinde quaeritur de imagine. Et circa hoc quaeruntur duo. Primo, utrum imago in divinis dicatur personaliter. Secundo, utrum sit proprium filii. (Iª q. 35 pr.)

Omtrent die benaming stellen we twee vragen : 1e) Is de benaming « Beeld » op een goddelijken Persoon toepasselijk? 2e) Is die benaming eigen aan den Zoon?

Articulus 1.
Is de benaming « Beeld » op een goddelijken Persoon toepasselijk?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod imago non dicatur personaliter in divinis. Dicit enim Augustinus, in libro de fide ad Petrum, una est sanctae Trinitatis divinitas et imago, ad quam factus est homo. Igitur imago dicitur essentialiter, et non personaliter. (Iª q. 35 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert dat de benaming « Beeld » niet op een goddelijken Persoon toepasselijk is. Augustinus (Fulgentius) immers zegt in zijn boek Aan Petrus, Over het Geloof (1e H.) : « De Godheid, die één is in de heilige Drievuldigheid, is tevens het beeld naar hetwelk de mensch gemaakt is. » De benaming « beeld » is dus niet toepasselijk op een Persoon maar op de wezenheid.

Praeterea, Hilarius dicit, in libro de Synod., quod imago est eius rei ad quam imaginatur, species indifferens. Sed species, sive forma, in divinis dicitur essentialiter. Ergo et imago. (Iª q. 35 a. 1 arg. 2)

2 — Hilarius zegt in zijn boek Over de Kerkvergaderingen (bij can. 1) dat « het beeld de gelijkende gedaante is van datgene wat het afbeeldt ». Welnu de benaming « gedaante » of « vorm » is in de Godheid een wezensnaam. Eveneens dus de benaming « beeld ».

Praeterea, imago ab imitando dicitur, in quo importatur prius et posterius. Sed in divinis personis nihil est prius et posterius ergo imago non potest esse nomen personale in divinis. (Iª q. 35 a. 1 arg. 3)

3 — Het Latijnsche woord « imago » (beeld) wordt afgeleid van het werkwoord « imitari » (navolgen, afbeelden) en bevat dus in zijn beteekenis het « voor en na » van den tijd. Welnu bij de goddelijke Personen is er geen verloop van tijd. De benaming « beeld » is dus niet toepasselijk op een goddelijken Persoon.

Sed contra est quod dicit Augustinus, quid est absurdius quam imaginem ad se dici? Ergo imago in divinis relative dicitur. Et sic est nomen personale. (Iª q. 35 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in het 7e boek Over de Drievuldigheid (1e H.) : « Het heeft geen zin te zeggen dat iets het beeld is van zich zelf. » De benaming « Beeld » moet dus in de Godheid toegepast worden op de betrekkingen, en bijgevolg op de Personen.

Respondeo dicendum quod de ratione imaginis est similitudo. Non tamen quaecumque similitudo sufficit ad rationem imaginis; sed similitudo quae est in specie rei, vel saltem in aliquo signo speciei. Signum autem speciei in rebus corporeis maxime videtur esse figura, videmus enim quod diversorum animalium secundum speciem, sunt diversae figurae, non autem diversi colores. Unde, si depingatur color alicuius rei in pariete, non dicitur esse imago, nisi depingatur figura. Sed neque ipsa similitudo speciei sufficit vel figurae; sed requiritur ad rationem imaginis origo, quia, ut Augustinus dicit in libro octoginta trium quaest., unum ovum non est imago alterius, quia non est de illo expressum. Ad hoc ergo quod vere aliquid sit imago, requiritur quod ex alio procedat simile ei in specie, vel saltem in signo speciei. Ea vero quae processionem sive originem important in divinis, sunt personalia. Unde hoc nomen imago est nomen personale. (Iª q. 35 a. 1 co.)

Het begrip « beeld » sluit een gelijkenis in. Iedere gelijkenis is echter nog geen beeld. Hiertoe is er 'n gelijkenis noodig naar de soort of ten minste naar een of ander kenteeken van de soort. Bij de stoffelijke dingen nu is wel het beste kenteeken van de soort de uiterlijke gedaante. Zoo zien we immers dat de dieren, die van elkaar verschillen in soort, ook verschillen in gedaante, niet echter noodzakelijk in kleur. Zoo men dus de kleur van een ding afschildert op den wand, is dat nog geen beeld, tenzij men er de gedaante aan toevoege. Maar zelfs die gelijkenis naar de soort of naar de gedaante is ontoereikend; ook de oorsprong hoort bij het begrip « beeld ». Want hierom, zooals Augustinus zegt in zijn Boek der drie en tachtig Vraagstuken (74e V.), is een ei niet het beeld van een ander ei, omdat het een niet uit het ander voortkomt. Opdat iets dus beeld zij van iets anders, wordt er vereischt dat het voortkome uit dat andere, en tevens er op gelijke naar de soort of ten minste naar een kenteeken van de soort. Welnu wat in de Godheid verband houdt met voortkomst of oorsprong, heeft betrekking op de Personen. De benaming « Beeld » is dus toepasselijk op een Persoon.

Ad primum ergo dicendum quod imago proprie dicitur quod procedit ad similitudinem alterius. Illud autem ad cuius similitudinem aliquid procedit, proprie dicitur exemplar, improprie vero imago. Sic tamen Augustinus utitur nomine imaginis, cum dicit divinitatem sanctae Trinitatis esse imaginem ad quam factus est homo. (Iª q. 35 a. 1 ad 1)

1 — « Beeld » noemt men eigenlijk datgene wat voortkomt van een ander en er op gelijkt. Datgene echter naar wiens gelijkenis iets voortkomt, noemt men in eigenlijken zin oerbeeld, in oneigenlijken zin echter ook beeld. En in dezen zin gebruikt Augustinus het woord « beeld », waar hij zegt dat de Godheid in de heilige Drievuldigheid het beeld is naar hetwelk de mensch is gemaakt.

Ad secundum dicendum quod species, prout ponitur ab Hilario in definitione imaginis, importat formam deductam in aliquo ab alio. Hoc enim modo imago dicitur esse species alicuius, sicuti id quod assimilatur alicui, dicitur forma eius, inquantum habet formam illi similem. (Iª q. 35 a. 1 ad 2)

2 — In de bepaling die Hilarius geeft van het beeld sluit het woord « gedaante » het begrip in van ’n vorm dien ’t eene ding aan 't andere heeft ontleend. Op die wijze immers kan men zeggen dat het beeld de gedaante is van iets, zooals men ook kan zeggen dat iets de vorm is van iets anders, omdat het er gelijkenis mede vertoont.

Ad tertium dicendum quod imitatio in divinis personis non significat posterioritatem, sed solam assimilationem. (Iª q. 35 a. 1 ad 3)

3 — Navolging met betrekking tot de goddelijke Personen wil niet zeggen dat de een na den andere komt in den tijd, maar enkel dat ze op elkaar gelijken.

Articulus 2.
Is de benaming « Beeld » eigen aan den Zoon?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod nomen imaginis non sit proprium filio. Quia, ut dicit Damascenus, spiritus sanctus est imago filii. Non est ergo proprium filii. (Iª q. 35 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert dat de benaming « Beeld » niet eigen is aan den Zoon. Joannes Damascenus immers zegt in het 1e boek Over het waarachtig Geloof (13e H.) : « De Heilige Geest is het beeld van den Zoon. » Die benaming is dus niet eigen aan den Zoon.

Praeterea, de ratione imaginis est similitudo cum expressione, ut Augustinus dicit, in libro octoginta trium quaest. Sed hoc convenit spiritui sancto, procedit enim ab alio secundum modum similitudinis. Ergo spiritus sanctus est imago. Et ita non est proprium filii quod sit imago. (Iª q. 35 a. 2 arg. 2)

2 — Het begrip « beeld » sluit tevens gelijkenis in en voortkomst van iets anders, zooals Augustinus zegt in het Boek van de drie en tachtig Vraagstukken (74e V.). Welnu de Heilige Geest komt voort van een ander en gelijkt er op. De Heilige Geest is dus een beeld, en bijgevolg is die benaming niet op den Zoon alleen toepasselijk.

Praeterea, homo etiam dicitur imago Dei, secundum illud I ad Cor. XI, vir non debet velare caput suum, quoniam imago et gloria Dei est. Ergo non est proprium filio. (Iª q. 35 a. 2 arg. 3)

3 — Ook de mensch wordt het beeld van God genoemd, naar het woord uit den Eersten Brief aan de Korinthiërs (11,7): « De man moet zijn hoofd niet bedekken, daar hij het beeld is en de glorie van God. » Die benaming is dus niet eigen aan den Zoon.

Sed contra est quod Augustinus dicit, VI de Trin., quod solus filius est imago patris. (Iª q. 35 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in het 6e boek Over de Drievuldigheid (2e H.) : « Alleen de Zoon is het Beeld van den Vader. »

Respondeo dicendum quod doctores Graecorum communiter dicunt spiritum sanctum esse imaginem patris et filii. Sed doctores Latini soli filio attribuunt nomen imaginis, non enim invenitur in canonica Scriptura nisi de filio. Dicitur enim Coloss. I, qui est imago Dei invisibilis, primogenitus creaturae; et ad Hebr. I, qui cum sit splendor gloriae, et figura substantiae eius. Huius autem rationem assignant quidam ex hoc, quod filius convenit cum patre non solum in natura, sed etiam in notione principii, spiritus autem sanctus non convenit cum filio nec cum patre in aliqua notione. Sed hoc non videtur sufficere. Quia sicut secundum relationes non attenditur in divinis neque aequalitas neque inaequalitas, ut Augustinus dicit; ita neque similitudo, quae requiritur ad rationem imaginis. Unde alii dicunt quod spiritus sanctus non potest dici imago filii, quia imaginis non est imago. Neque etiam imago patris, quia etiam imago refertur immediate ad id cuius est imago; spiritus sanctus autem refertur ad patrem per filium. Neque etiam est imago patris et filii, quia sic esset una imago duorum, quod videtur impossibile. Unde relinquitur quod spiritus sanctus nullo modo sit imago. Sed hoc nihil est. Quia pater et filius sunt unum principium spiritus sancti, ut infra dicetur, unde nihil prohibet sic patris et filii, inquantum sunt unum, esse unam imaginem; cum etiam homo totius Trinitatis sit una imago. Et ideo aliter dicendum est quod, sicut spiritus sanctus, quamvis sua processione accipiat naturam patris, sicut et filius, non tamen dicitur natus; ita, licet accipiat speciem similem patris, non dicitur imago. Quia filius procedit ut verbum, de cuius ratione est similitudo speciei ad id a quo procedit; non autem de ratione amoris; quamvis hoc conveniat amori qui est spiritus sanctus, inquantum est amor divinus. (Iª q. 35 a. 2 co.)

De Grieksche godgeleerden zeggen gewoonlijk dat de Heilige Geest het beeld is van den Vader en van den Zoon. De Latijnsche godgeleerden daarentegen gebruiken die benaming uitsluitend voor den Zoon. Want in de Heilige Schrift komt zij niet voor, tenzij toegepast op den Zoon. Er wordt immers gezegd in den Brief aan de Colossenzen (1, 15) : « Deze is het beeld van den onzichtbaren God, de eerstgeborene van geheel de schepping »; en in den Brief aan de Hebreën (1, 3) : « Deze is de afstraling zijner glorie en de afdruk van zijn Wezen. » Sommigen geven als reden daarvan aan dat de Zoon niet alleen naar de natuur overeenkomt met den Vader, maar ook als beginsel. De Heilige Geest echter komt noch met den Zoon noch met den Vader overeen in een kenmerk. — Die reden is echter niet voldoende. Want zooals er in de goddelijke betrekkingen geen spraak is van gelijkheid noch van ongelijkheid, zoo is er ook geen spraak van gelijkenis, wat nochtans vervat is in het begrip beeld. Daarom zeggen anderen dat de Heilige Geest het beeld niet kan genoemd worden, noch van den Zoon, omdat iets niet het beeld kan zijn van een ander beeld; noch van den Vader, omdat elk beeld rechtstreeks in verband staat tot datgene wat het afbeeldt, en de Heilige Geest slechts in verband staat met den Vader door den Zoon; noch van den Vader en den Zoon samen, omdat Hij in dit geval het beeld zou zijn van twee Personen, wat onmogelijk schijnt. Zoo moet men dus besluiten dat de Heilige Geest volstrekt niet beeld kan zijn. — Die redeneering gaat echter niet op, daar de Vader en de Zoon één zelfde beginsel zijn van den Heiligen Geest, zooals verder zal gezegd worden (36e Kw., 4 Art.). Er is dus niets op tegen dat één zelfde beeld den Vader en den Zoon voorstelt, in zoover ze één beginsel zijn, zooals ook de mensch het ééne beeld is van heel de Drievuldigheid. En daarom moet dit op een andere manier verklaard worden. Ofschoon men immers moet zeggen dat de Heilige Geest, zooals de Zoon, de natuur van den Vader ontvangt, zegt men toch niet dat Hij geboren is. Hoewel Hij dus volkomen gelijkvormig is aan den Vader, wordt Hij nochtans geen beeld genoemd. De Zoon echter komt voort als het Woord. Welnu dit begrip « woord » sluit de soortelijke gelijkenis in met datgene waarvan het voortkomt. Deze gelijkenis behoort echter niet tot het begrip « liefde », ofschoon we ze moeten toekennen aan de liefde, die, in zoover zij goddelijke liefde is, de Heilige Geest zelf is.

Ad primum ergo dicendum quod Damascenus et alii doctores Graecorum communiter utuntur nomine imaginis pro perfecta similitudine. (Iª q. 35 a. 2 ad 1)

1 — Damascenus en de andere Grieksche godgeleerden gebruiken gewoonlijk de benaming « beeld » alleen in den zin van volkomen gelijkenis.

Ad secundum dicendum quod, licet spiritus sanctus sit similis patri et filio, non tamen sequitur quod sit imago, ratione iam dicta. (Iª q. 35 a. 2 ad 2)

2 — Hoewel de Heilige Geest gelijk is aan den Vader en aan den Zoon, volgt daar toch niet uit dat Hij hun beeld is, om de hooger aangegeven reden.

Ad tertium dicendum quod imago alicuius dupliciter in aliquo invenitur. Uno modo, in re eiusdem naturae secundum speciem, ut imago regis invenitur in filio suo. Alio modo, in re alterius naturae, sicut imago regis invenitur in denario. Primo autem modo, filius est imago patris, secundo autem modo dicitur homo imago Dei. Et ideo ad designandam in homine imperfectionem imaginis, homo non solum dicitur imago, sed ad imaginem, per quod motus quidam tendentis in perfectionem designatur. Sed de filio Dei non potest dici quod sit ad imaginem, quia est perfecta patris imago. (Iª q. 35 a. 2 ad 3)

3 — Een beeld van iets kan op twee wijzen in iets anders aanwezig zijn. Ten eerste in iets dat dezelfde soortelijke natuur bezit, zooals men het beeld van den koning terugvindt in zijn zoon. Ten tweede, in iets dat een andere natuur heeft, zooals men het beeld van den koning terugvindt op het muntstuk. Op de eerste wijze is de Zoon het beeld van den Vader. Op de tweede wijze wordt de mensch Gods beeld genoemd. En daarom zegt men, wanneer men de onvolmaaktheid van Gods beeld in den mensch wil aantoonen, dat de mensch niet alleen Gods beeld is, maar ook dat hij naar Gods beeld gemaakt is. Daardoor wil men een zekere beweging aanduiden van het onvolmaakte dat streeft naar het volmaakte. Van den Zoon Gods echter kan men niet zeggen dat Hij naar het beeld van den Vader zou gemaakt zijn, omdat Hij het volmaakte beeld is van den Vader.