QuaestioArticulus

Prima Pars. Quaestio 108.
De rangorde der engelen naar hiërarchieën en koren .

Prooemium

Deinde considerandum est de ordinatione Angelorum secundum hierarchias et ordines, dictum est enim quod superiores inferiores illuminant, et non e converso. Et circa hoc quaeruntur octo. Primo, utrum omnes Angeli sint unius hierarchiae. Secundo, utrum in una hierarchia sit unus tantum ordo. Tertio, utrum in uno ordine sint plures Angeli. Quarto, utrum distinctio hierarchiarum et ordinum sit a natura. Quinto, de nominibus et proprietatibus singulorum ordinum. Sexto, de comparatione ordinum ad invicem. Septimo, utrum ordines durent post diem iudicii. Octavo, utrum homines assumantur ad ordines Angelorum. (Ia q. 108 pr.)

Vervolgens moeten we de rangorde der engelen bezien naar hiërarchieën en koren; want we hebben gezegd (106e Kw. 3e Art.), dat de hogere de lagere verlichten, en niet omgekeerd. We stellen dus acht vragen: 1. Behoren alle engelen tot één en dezelfde hiërarchie? 2. Is er in iedere hiërarchie slechts één koor? 3. Zijn er meerdere engelen in een koor? 4. Is het onderscheid van hiërarchieën en koren natuurlijk? 5. De namen en eigenschappen der afzonderlijke koren. 6. Vergelijking der koren onderling. 7. Blijven de koren na de oordeelsdag? 8. Worden de mensen in de koren der engelen opgenomen?

Articulus 1.
Behoren alle engelen tot één en dezelfde hiërarchie?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod omnes Angeli sint unius hierarchiae. Cum enim Angeli sint supremi inter creaturas, oportet dicere quod sint optime dispositi. Sed optima dispositio est multitudinis secundum quod continetur sub uno principatu; ut patet per philosophum, XII Metaphys., et in III Politic. Cum ergo hierarchia nihil sit aliud quam sacer principatus, videtur quod omnes Angeli sint unius hierarchiae. (Ia q. 108 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert dat alle engelen in één en dezelfde hiërarchie zijn. Daar immers de engelen de hoogste onder de schepselen zijn, moet men zeggen, dat zij op de beste wijze geordend zijn. Maar de beste ordening van een menigte is, dat zij onder één bestuur staat, zoals blijkt bij de Wijsgeer. Daar dus hiërarchie niets anders is dan “heilig bestuur”, schijnen alle engelen tot één en dezelfde hiërarchie te behoren.

Praeterea, Dionysius dicit, in III cap. Cael. Hier., quod hierarchia est ordo, scientia et actio. Sed omnes Angeli conveniunt in uno ordine ad Deum, quem cognoscunt, et a quo in suis actionibus regulantur. Ergo omnes Angeli sunt unius hierarchiae. (Ia q. 108 a. 1 arg. 2)

2 — Dionysius zegt, dat “hiërarchie is orde, wetenschap en daad”. Maar alle engelen komen overeen in één orde tot God, die zij kennen, en door wien zij in hun daden beheerst worden. Dus behoren alle engelen tot één en dezelfde hiërarchie.

Praeterea, sacer principatus, qui dicitur hierarchia, invenitur in hominibus et Angelis. Sed omnes homines sunt unius hierarchiae. Ergo etiam omnes Angeli sunt unius hierarchiae. (Ia q. 108 a. 1 arg. 3)

3 — Heilig bestuur, dat hiërarchie genoemd wordt, wordt bij mensen en engelen gevonden. Maar alle mensen behoren tot één dezelfde hiërarchie. Dus ook de engelen.2 3

Sed contra est quod Dionysius, VI cap. Cael. Hier., distinguit tres hierarchias Angelorum. (Ia q. 108 a. 1 s. c.)

Daartegenover staat, dat Dionysius drie hiërarchieën onderscheidt.

Respondeo dicendum quod hierarchia est sacer principatus, ut dictum est. In nomine autem principatus duo intelliguntur, scilicet ipse princeps, et multitudo ordinata sub principe. Quia igitur unus est Deus princeps non solum omnium Angelorum, sed etiam hominum, et totius creaturae; ideo non solum omnium Angelorum, sed etiam totius rationalis creaturae, quae sacrorum particeps esse potest, una est hierarchia, secundum quod Augustinus dicit, in XII de Civ. Dei duas esse civitates, hoc est societates, unam in bonis Angelis et hominibus, alteram in malis. Sed si consideretur principatus ex parte multitudinis ordinatae sub principe, sic unus principatus dicitur secundum quod multitudo uno et eodem modo potest gubernationem principis recipere. Quae vero non possunt secundum eundem modum gubernari a principe, ad diversos principatus pertinent, sicut sub uno rege sunt diversae civitates, quae diversis reguntur legibus et ministris. Manifestum est autem quod homines alio modo divinas illuminationes percipiunt quam Angeli, nam Angeli percipiunt eas in intelligibili puritate, homines vero percipiunt eas sub sensibilium similitudinibus, ut Dionysius dicit I cap. Cael. Hier. Et ideo oportuit distingui humanam hierarchiam ab angelica. Et per eundem modum in Angelis tres hierarchiae distinguuntur. Dictum est enim supra, dum de cognitione Angelorum ageretur, quod superiores Angeli habent universaliorem cognitionem veritatis quam inferiores. Huiusmodi autem universalis acceptio cognitionis secundum tres gradus in Angelis distingui potest. Possunt enim rationes rerum de quibus Angeli illuminantur, considerari tripliciter. Primo quidem, secundum quod procedunt a primo principio universali, quod est Deus, et iste modus convenit primae hierarchiae, quae immediate ad Deum extenditur, et quasi in vestibulis Dei collocatur, ut Dionysius dicit VII cap. Cael. Hier. Secundo vero, prout huiusmodi rationes dependent ab universalibus causis creatis, quae iam aliquo modo multiplicantur, et hic modus convenit secundae hierarchiae. Tertio autem modo, secundum quod huiusmodi rationes applicantur singulis rebus, et prout dependent a propriis causis, et hic modus convenit infimae hierarchiae. Quod plenius patebit, cum de singulis ordinibus agetur. Sic igitur distinguuntur hierarchiae ex parte multitudinis subiectae. Unde manifestum est eos errare, et contra intentionem Dionysii loqui, qui ponunt in divinis personis hierarchiam quam vocant supercaelestem. In divinis enim personis est quidam ordo naturae, sed non hierarchiae. Nam, ut Dionysius dicit III cap. Cael. Hier., ordo hierarchiae est alios quidem purgari et illuminari et perfici, alios autem purgare et illuminare et perficere. Quod absit ut in divinis personis ponamus. (Ia q. 108 a. 1 co.)

Hiërarchie is, zoals gezegd is (in de 1e Bedenking), heilig bestuur. In de naam bestuur worden echter twee dingen begrepen: nl. de bestuurder zelf, en de menigte onder de bestuurder geordend. Daar dus God alleen de Bestuurder is, niet slechts van alle engelen, maar ook van de mensen en geheel de schepping, is er slechts een hiërarchie, niet slechts van alle engelen, maar van alle redelijke schepselen, die het heilige deelachtig kunnen zijn; naar het woord van Augustinus, dat er “drie steden zijn, dat is maatschappijen, een van goede engelen en mensen, de ander van de fyïvade”. — Maar als het bestuur gezien wordt van de kant van de menigte, die onder de bestuurder geordend is, dan wordt één bestuur genoemd al naar gelang de menigte op één en dezelfde wijze aan het bestuur van de bestuurder deelachtig is. Degenen, die niet op dezelfde wijze door de bestuurder kunnen bestuurd worden, behoren tot verschillende besturen: zoals onder één koning meerdere steden zijn, die door verschillende wetten en (ondergeschikte) bestuurders bestuurd worden. Het is echter klaar, dat de mensen op andere wijze de goddelijke verlichtingen ontvangen dan de engelen: want de engelen ontvangen ze in louter begrijpelijkheid, de mensen echter onder zinnelijk waarneembare beelden, zoals Dionysius zegt. En daarom moet er onderscheid gemaakt worden tussen de hiërarchie der mensen en der engelen. En op dezelfde wijze worden er bij de engelen drie hiërarchieën onderscheiden. Boven immers, toen er kwestie was van de kennis der engelen, is gezegd (55e Kw. 3e Art.), dat de hogere engelen een algemenere kennis van de waarheid hebben dan de lagere. Een dergelijk algemeen verkrijgen van kennis kan bij de engelen in drie graden onderscheiden worden. De aard der dingen waarover de engelen verlicht worden, kan nl. op drievoudige wijze beschouwd worden. Eerstens, voor zover die afhangt van het eerste en algemene beginsel, dat God is: en deze wijze komt toe aan de eerste hiërarchie, die onmiddellijk tot God reikt, en, naar Dionysius zegt, “als in Gods voorhoven geplaatst wordt”. Vervolgens, voor zover de aard der dingen afhangt van de geschapen algemene oorzaken, die al enigszins meervoudig zijn; en deze wijze komt toe aan de tweede hiërarchie. Ten derde, voor zover die aard aan de afzonderlijke dingen wordt toebedeeld, in afhankelijkheid van de eigen oorzaken. En deze manier komt toe aan de laagste hiërarchie. Wat duidelijker zijn zal, wanneer we over de afzonderlijke koren handelen (6Ü Art.). Klaarblijkelijk dus dwalen zij, en spreken tegen de bedoeling van Dionysius, die bij de goddelijke Personen een hiërarchie aannemen, die zij bovenhemels noemen. Bij de goddelijke Personen is een orde der natuur, maar geen hiërarchie. Want naar Dionysius zegt: “De rangorde der hiërarchie is, dat sommigen gezuiverd worden, en verlicht en vervolmaakt, anderen zuiveren, verlichten en vervolmaken”. Wat toch wel verre zij om bij de goddelijke Personen aan te nemen.

Ad primum ergo dicendum quod ratio illa procedit de principatu ex parte principis, quia optimum est quod multitudo regatur ab uno principe, ut philosophus in praedictis locis intendit. (Ia q. 108 a. 1 ad 1)

1 — Die opwerping gaat uit van het bestuur van de kant van de bestuurder: want het allerbeste is, dat de menigte geregeerd wordt door één bestuurder, wat de Wijsgeer op genoemde plaatsen bedoelt.

Ad secundum dicendum quod, quantum ad cognitionem ipsius Dei, quem omnes uno modo, scilicet per essentiam, vident, non distinguuntur in Angelis hierarchiae, sed quantum ad rationes rerum creatarum, ut dictum est. (Ia q. 108 a. 1 ad 2)

2 — Wat de kennis aangaat van God, die allen op dezelfde wijze, nl. bij wezenheid, zien, worden bij de engelen geen hiërarchieën onderscheiden: maar slechts wat aangaat de aard der dingen, zoals gezegd is (in de Leerstelling).

Ad tertium dicendum quod omnes homines sunt unius speciei, et unus modus intelligendi est eis connaturalis, non sic autem est in Angelis. Unde non est similis ratio. (Ia q. 108 a. 1 ad 3)

3 — Alle mensen behoren tot dezelfde soort, en één wijze van kennen is hun natuurlijk; maar zo is het niet bij de engelen. Vandaar is de reden niet dezelfde.

Articulus 2.
Is er in iedere hiërarchie slechts één koor?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod in una hierarchia non sint plures ordines. Multiplicata enim definitione, multiplicatur et definitum. Sed hierarchia, ut Dionysius dicit, est ordo. Si ergo sunt multi ordines, non erit una hierarchia, sed multae. (Ia q. 108 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat er in één en dezelfde hiërarchie niet meerdere koren zijn. Bij vermenigvuldiging der definitie, wordt ook het gedefinieerde vermenigvuldigd. Maar hiërarchie is, naar Dionysius zegt, koor. Als er dus meerdere koren zijn, zijn er niet één, maar meerdere hiërarchieën.

Praeterea, diversi ordines sunt diversi gradus. Sed gradus in spiritualibus constituuntur secundum diversa dona spiritualia. Sed in Angelis omnia dona spiritualia sunt communia, quia nihil ibi singulariter possidetur. Ergo non sunt diversi ordines Angelorum. (Ia q. 108 a. 2 arg. 2)

2 — Verschillende koren zijn verschillende graden. Maar in geestelijke zaken worden verschillende graden gevormd naar verschil van geestelijke gaven. Bij de engelen zijn alle geestelijke gaven echter gemeen, omdat daar niets bij uitsluiting wordt bezeten. Dus zijn er geen verschillende engelenkoren. Het is overbodig, dat, wat naar genoegen door één kan geschieden, door velen geschiedt. Maar wat bij één engelen functie behoort, kan naar genoegen door één engel gedaan worden; veel meer dan wat tot de functie der zon behoort, door de zon alleen gebeurt, naar mate de engel volmaakter is dan dit hemellichaam. Als dus, zoals gezegd is (vorig Art.), de koren onderscheiden worden naar de functies, is het overbodig dat er meerdere engelen in één koor zijn.

Praeterea, in ecclesiastica hierarchia distinguuntur ordines secundum purgare, illuminare et perficere, nam ordo diaconorum est purgativus, sacerdotum illuminativus, episcoporum perfectivus, ut Dionysius dicit V cap. Eccles. Hier. Sed quilibet Angelus purgat, illuminat et perficit. Non ergo est distinctio ordinum in Angelis. (Ia q. 108 a. 2 arg. 3)

3 — In de kerkelijke hiërarchie worden de koren onderscheiden naar zuivering, verlichting en vervolmaking: want het koor der Diakens is zuiverend, der Priesters verlichtend, en der Bisschoppen vervolmakend, naar Dionysius zegt. Maar iedere engel zuivert, verlicht en vervolmaakt. Er is dus geen onderscheid van koren bij de engelen. Boven is gezegd (1e Bed.), dat alle engelen verschillen. Als er dus meerdere engelen in één koor zijn, b.v. drie of vier, zal de laagste van een hoger koor meer overeenkomen met de hoogsten van een lager koor dan met de hoogsten van zijn koor. En zo schijnt hij met méér met de een dan met de ander in één koor samen te horen. Er zijn dus niet meerdere engelen in één koor.

Sed contra est quod apostolus dicit ad Ephes. I, quod Deus constituit Christum hominem supra omnem principatum et potestatem et virtutem et dominationem; qui sunt diversi ordines Angelorum, et quidam eorum ad unam hierarchiam pertinent, ut infra patebit. (Ia q. 108 a. 2 s. c.)

Daartegenover staat echter, wat de Apostel zegt in de Brief aan de Efeziërs (1, 21), dat “God de Mens Christus heeft aangesteld boven alle heerschappij en macht en kracht en hoogheid”, wat verschillende koren der engelen zijn, en van wie verschillende tot één hiërarchie behoren, wat later blijken zal (6e Art.).

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est, una hierarchia est unus principatus, idest una multitudo ordinata uno modo sub principis gubernatione. Non autem esset multitudo ordinata, sed confusa, si in multitudine diversi ordines non essent. Ipsa ergo ratio hierarchiae requirit ordinum diversitatem. Quae quidem diversitas ordinum secundum diversa officia et actus consideratur. Sicut patet quod in una civitate sunt diversi ordines secundum diversos actus, nam alius est ordo iudicantium, alius pugnantium, alius laborantium in agris, et sic de aliis. Sed quamvis multi sint unius civitatis ordines, omnes tamen ad tres possunt reduci, secundum quod quaelibet multitudo perfecta habet principium, medium et finem. Unde et in civitatibus triplex ordo hominum invenitur, quidam enim sunt supremi, ut optimates; quidam autem sunt infimi, ut vilis populus; quidam autem sunt medii, ut populus honorabilis. Sic igitur et in qualibet hierarchia angelica ordines distinguuntur secundum diversos actus et officia; et omnis ista diversitas ad tria reducitur, scilicet ad summum, medium et infimum. Et propter hoc in qualibet hierarchia Dionysius ponit tres ordines. (Ia q. 108 a. 2 co.)

Eén hiërarchie is, zoals gezegd is (vorig Art.), één bestuur, dat is, een menigte, die op één wijze onder het bestuur van de bestuurder geordend is. Het zou echter geen geordende menigte zijn, maar een verwarde, als in de menigte geen rangorden (1) waren. Het wezen zelf der hiërarchie vraagt dus (1) Hier wreekt zich ons spraakgebruik, dat het woord ordo (orde, rangorde) met betrekking tot de engelen weergeeft door het eigen woord koor, met betrekking tot de mensen door stand. verscheidenheid van rangorden, welke verscheidenheid van rangorden (koren) gezien wordt naar de verscheidenheid van functies en daden. Zoals ook in één stad verscheidene rangorden blijken naar verscheidenheid van daden: want een andere is de rangorde (stand) der rechters, een andere der soldaten, een andere der landbouwers, enz. Maar ofschoon er in één stad vele standen zijn, kunnen ze toch tot drie worden teruggebracht, in zover er in iedere volmaakte menigte een toppunt, een midden en een laagtepunt is. Vandaar wordt in een stad een drievoudige stand van mensen gevonden: sommige zijn de hoogste, de elite; sommige de minste, het plebs; andere de middenstand, het eerzame volk. — Zo dus worden in een hiërarchie naar daden en functies koren onderscheiden; en heel die verscheidenheid wordt tot deze drie teruggebracht: de hoogste, de middelste, de laagste. En daarom stelt Dionysius in iedere hiërarchie drie koren.

Ad primum ergo dicendum quod ordo dupliciter dicitur. Uno modo, ipsa ordinatio comprehendens sub se diversos gradus, et hoc modo hierarchia dicitur ordo. Alio modo dicitur ordo gradus unus, et sic dicuntur plures ordines unius hierarchiae. (Ia q. 108 a. 2 ad 1)

1 — Men spreekt op twee manieren van orde. Eerstens, van de ordening zelf, die verschillende graden insluit; en zo wordt de hiërarchie orde genoemd. Vervolgens, noemt men ook een graad orde, en zo zijn er meerdere orden (koren) in één hiërarchie.

Ad secundum dicendum quod in societate Angelorum omnia possidentur communiter; sed tamen quaedam excellentius habentur a quibusdam quam ab aliis. Unumquodque autem perfectius habetur ab eo qui potest illud communicare, quam ab eo qui non potest, sicut perfectius est calidum quod potest calefacere, quam quod non potest; et perfectius scit qui potest docere, quam qui non potest. Et quanto perfectius donum aliquis communicare potest, tanto in perfectiori gradu est, sicut in perfectiori gradu magisterii est qui potest docere altiorem scientiam. Et secundum hanc similitudinem consideranda est diversitas graduum vel ordinum in Angelis, secundum diversa officia et actus. (Ia q. 108 a. 2 ad 2)

2 — In de engelengemeenschap wordt alles gemeenschappelijk bezeten; maar sommige dingen worden door sommigen in hogere mate bezeten dan door anderen. In hogere mate echter bezit Hij die kan mededelen, dan die dit niet kan: zoals warmer is wat verwarmen kan, dan wat dit niet kan; en volkomener weet, wie kan leeraren, dan wie dit niet kan. En hoe volmaakter iemand een gave kan mededelen, hoe hoger graad is Hij, zoals in hoger graad van leraarschap degene is, die hogere wetenschap doceert. En in vergelijking hiermee moet men de verscheidenheid van graden en koren bij de engelen bezien, naar verscheidenheid van functie en daden.

Ad tertium dicendum quod inferior Angelus est superior supremo homine nostrae hierarchiae; secundum illud Matth. XI, qui minor est in regno caelorum, maior est illo, scilicet Ioanne Baptista, quo nullus maior inter natos mulierum surrexit. Unde minor Angelus caelestis hierarchiae potest non solum purgare sed illuminare et perficere, et altiori modo quam ordines nostrae hierarchiae. Et sic secundum distinctionem harum actionum non distinguuntur caelestes ordines; sed secundum alias differentias actionum. (Ia q. 108 a. 2 ad 3)

3 — De laagste engel is hoger dan de hoogste mens onzer hiërarchie naar het woord bij Mattheus (11, 11): “De minste in het Rijk der hemelen is groter dan hij”, nl. S. Jan de Doper, en “onder de kinderen der vrouwen is geen grotere opgestaan”. Vandaar kan de minste engel der hemelse hiërarchie niet alleen zuiveren, maar ook verlichten en vervolmaken, en op volmaaktere wijze dan de koren onzer hiërarchie. En dus worden de hemelse koren niet onderscheiden naar de verscheidenheid dezer werkingen, maar naar andere onderscheidingen.

Articulus 3.
Zijn er meerdere engelen in één koor?

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod in uno ordine non sint plures Angeli. Dictum est enim supra omnes Angelos inaequales esse ad invicem. Sed unius ordinis esse dicuntur quae sunt aequalia. Ergo plures Angeli non sunt unius ordinis. (Ia q. 108 a. 3 arg. 1)

1 — Men beweert, dat er niet meerdere engelen in één koor zijn. — 1. Boven is immers gezegd (50e Kw. 4e Art.), dat alle engelen onderling verschillen. Maar van dingen die gelijk zijn, zegt men dat ze van dezelfde orde zijn. Dus zijn er in één koor niet meerdere engelen.

Praeterea, quod potest sufficienter fieri per unum, superfluum est quod fiat per multa. Sed illud quod pertinet ad unum officium angelicum, sufficienter potest fieri per unum Angelum; multo magis quam per unum solem sufficienter fit quod pertinet ad officium solis, quanto perfectior est Angelus caelesti corpore. Si ergo ordines distinguuntur secundum officia, ut dictum est, superfluum est quod sint plures Angeli unius ordinis. (Ia q. 108 a. 3 arg. 2)

Praeterea, supra dictum est quod omnes Angeli sunt inaequales. Si ergo plures Angeli sint unius ordinis, puta tres vel quatuor, infimus superioris ordinis magis conveniet cum supremo inferioris quam cum supremo sui ordinis. Et sic non videtur quod magis sit unius ordinis cum hoc, quam cum illo. Non igitur sunt plures Angeli unius ordinis. (Ia q. 108 a. 3 arg. 3)

Sed contra est quod Isaiae VI dicitur, quod Seraphim clamabant alter ad alterum. Sunt ergo plures Angeli in uno ordine Seraphim. (Ia q. 108 a. 3 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat bij Isaïas (6, 3) gezegd wordt, dat “de Serafijnen tot elkaar riepen”. Er zijn dus meerdere engelen in het éne koor der Serafijnen.

Respondeo dicendum quod ille qui perfecte cognoscit res aliquas, potest usque ad minima et actus et virtutes et naturas earum distinguere. Qui autem cognoscit eas imperfecte, non potest distinguere nisi in universali, quae quidem distinctio fit per pauciora. Sicut qui imperfecte cognoscit res naturales, distinguit earum ordines in universali, ponens in uno ordine caelestia corpora, in alio corpora inferiora inanimata, in alio plantas, in alio animalia, qui autem perfectius cognosceret res naturales, posset distinguere et in ipsis corporibus caelestibus diversos ordines, et in singulis aliorum. Nos autem imperfecte Angelos cognoscimus, et eorum officia, ut Dionysius dicit VI cap. Cael. Hier. Unde non possumus distinguere officia et ordines Angelorum, nisi in communi; secundum quem modum, multi Angeli sub uno ordine continentur. Si autem perfecte cognosceremus officia Angelorum, et eorum distinctiones, perfecte sciremus quod quilibet Angelus habet suum proprium officium et suum proprium ordinem in rebus, multo magis quam quaelibet stella, etsi nos lateat. (Ia q. 108 a. 3 co.)

Wie de dingen volkomen kent, kan tot in het allerkleinste hun werkingen en vermogens en natuur onderscheiden, maar wie ze onvolkomen kent, kan niet dan in het algemeen onderscheiden, wat door minder (onderverdeelingen) gebeurt. Zo verdeelt, wie de natuurdingen slechts onvolkomen kent, hun rangen in het algemeen, en stelt in de een de hemellichamen, in een anderen de onbezielde wezens, in een anderen de planten, in een anderen de dieren: maar wie de natuurdingen beter zou kennen, zou ook bij de hemellichamen weer verschillende orden kunnen onderscheiden, en evenzeer bij ieder der andere. Wij kennen echter, naar Dionysius opmerkt, de engelen, en hun functies, onvolkomen. Vandaar kunnen we hun functies en koren, niet dan in het algemeen onderscheiden, naar welk onderscheid vele engelen in één koor zijn vervat. Zouden we echter de functies der engelen en hun onderscheidingen volkomen kennen, dan zouden we ook volkomen weten, dat iedere engel zijn eigen functie, en zijn eigen plaats heeft in het heelal, veel meer dan iedere ster, ofschoon het ons verborgen is.

Ad primum ergo dicendum quod omnes Angeli unius ordinis sunt aliquo modo aequales, quantum ad communem similitudinem secundum quam constituuntur in uno ordine, sed simpliciter non sunt aequales. Unde Dionysius dicit, X cap. Cael. Hier., quod in uno et eodem ordine Angelorum, est accipere primos, medios et ultimos. (Ia q. 108 a. 3 ad 1)

1 — Alle engelen van eenzelfde koor zijn eenigszins gelijk met betrekking nl. tot de algemene gelijkenis waarnaar ze in één koor geplaatst worden; maar ze zijn niet zonder meer gelijk. Vandaar dat Dionysius zegt, dat men in één en hetzelfde koor hoogsten en middelsten en laagsten vindt.

Ad secundum dicendum quod illa specialis distinctio ordinum et officiorum secundum quam quilibet Angelus habet proprium officium et ordinem, est nobis ignota. (Ia q. 108 a. 3 ad 2)

2 — Het speciale onderscheid van plaats en functie, waarnaar iedere engel zijn eigen functie en plaats heeft, is ons niet bekend.

Ad tertium dicendum quod, sicut in superficie quae partim est alba et partim nigra, duae partes quae sunt in confinio albi et nigri, magis conveniunt secundum situm quam aliquae duae partes albae, minus tamen secundum qualitatem; ita duo Angeli qui sunt in terminis duorum ordinum, magis secum conveniunt secundum propinquitatem naturae, quam unus eorum cum aliquibus aliis sui ordinis; minus autem secundum idoneitatem ad similia officia, quae quidem idoneitas usque ad aliquem certum terminum protenditur. (Ia q. 108 a. 3 ad 3)

3 — Zoals in een oppervlak, dat deels wit en deels zwart is, twee delen op het grensgebied van wit en zwart, meer overeenkomen in plaats dan sommige witte delen onderling, maar minder overeenkomen in kleur (dan deze); zo komen ook twee engelen op het grensgebied van twee koren, meer overeen in natuur dan een van hen met sommige anderen van zijn koor, maar minder wat de geschiktheid tot gelijkende functies aangaat; want deze geschiktheid strekt zich slechts tot zekeren graad uit.

Articulus 4.
Is het onderscheid van hiërarchieën en koren natuurlijk?

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod distinctio hierarchiarum et ordinum non sit a natura in Angelis. Hierarchia enim dicitur sacer principatus, et in definitione eius Dionysius ponit quod deiforme, quantum possibile est, similat. Sed sanctitas et deiformitas est in Angelis per gratiam, non per naturam. Ergo distinctio hierarchiarum et ordinum in Angelis est per gratiam, non per naturam. (Ia q. 108 a. 4 arg. 1)

1 — Men beweert, dat het onderscheid van hiërarchieën en koren bij de engelen niet van nature is. Hiërarchie zegt immers heilig bestuur, en Dionysius plaatst in de definitie ervan, dat het “zo ver mogelijk Godgelijkvormig maakt”. Maar gelijkheid en Godgelijkvormigheid is in de engelen door de genade, met door de natuur. Dus is het onderscheid in hiërarchieën en koren bij de engelen uit genade en niet van nature.

Praeterea, Seraphim dicuntur ardentes, vel incendentes, ut Dionysius dicit VII cap. Cael. Hier. Hoc autem videtur ad caritatem pertinere, quae non est a natura, sed a gratia, diffunditur enim in cordibus nostris per spiritum sanctum, qui datus est nobis, ut dicitur ad Rom. V. Quod non solum ad sanctos homines pertinet, sed etiam de sanctis Angelis dici potest, ut Augustinus dicit XII de Civ. Dei. Ergo ordines in Angelis non sunt a natura, sed a gratia. (Ia q. 108 a. 4 arg. 2)

2 — De Serafijnen worden, naar Dionysius zegt, “brandend” of “ontvlammend” genoemd. Dit echter schijnt tot de liefde te behoren, die niet van nature, maar uit genade is: zij wordt immers “in onze harten uitgestort door de H. Geest, die ons gegeven is”, zoals in de Brief aan de Romeinen (5, 5) gezegd wordt. “En dat geldt niet alleen voor de mensen, maar kan ook van de heilige engelen gezegd worden”, zoals Augustinus opmerkt. Dus de koren der engelen zijn niet van nature, maar uit genade.

Praeterea, hierarchia ecclesiastica exemplatur a caelesti. Sed ordines in hominibus non sunt per naturam, sed per donum gratiae, non enim est a natura quod unus est episcopus, et alius est sacerdos, et alius diaconus. Ergo neque in Angelis sunt ordines a natura, sed a gratia tantum. (Ia q. 108 a. 4 arg. 3)

3 — De kerkelijke hiërarchie is een afbeelding van de hemelse. Maar bij de mensen zijn zulke rangen niet van nature, maar uit genade: het is niet van nature, dat de een bisschop is, de ander priester, de ander diaken. Dus ook bij de engelen zijn de koren niet van nature, maar slechts uit genade.

Sed contra est quod Magister dicit, IX dist. II Sent., quod ordo Angelorum dicitur multitudo caelestium spirituum, qui inter se aliquo munere gratiae similantur, sicut et naturalium datorum participatione conveniunt. Distinctio ergo ordinum in Angelis est non solum secundum dona gratuita, sed etiam secundum dona naturalia. (Ia q. 108 a. 4 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de Magister zegt, dat “engelenkoor genoemd wordt een menigte van hemelse geesten, die onderling overeenkomen in een functie der genade, zoals ze ook overeenkomen in natuurlijke gaven”. Het onderscheid dus der engelenkoren is niet alleen naar genadegaven, maar ook naar natuurlijke gaven.

Respondeo dicendum quod ordo gubernationis, qui est ordo multitudinis sub principatu existentis, attenditur per respectum ad finem. Finis autem Angelorum potest accipi dupliciter. Uno modo, secundum facultatem suae naturae, ut scilicet cognoscant et ament Deum naturali cognitione et amore. Et secundum respectum ad hunc finem, distinguuntur ordines Angelorum secundum naturalia dona. Alio modo potest accipi finis angelicae multitudinis supra naturalem facultatem eorum, qui consistit in visione divinae essentiae, et in immobili fruitione bonitatis ipsius; ad quem finem pertingere non possunt nisi per gratiam. Unde secundum respectum ad hunc finem, ordines distinguuntur in Angelis completive quidem secundum dona gratuita, dispositive autem secundum dona naturalia, quia Angelis data sunt dona gratuita secundum capacitatem naturalium, quod non est in hominibus, ut supra dictum est. Unde in hominibus distinguuntur ordines secundum dona gratuita tantum, et non secundum naturam. (Ia q. 108 a. 4 co.)

Bestuursorde — de ordening van een menigte, die onder bestuur staat — wordt gezien met betrekking tot het doel. Het doel van de engelen kan echter tweevoudig worden verstaan. Vooreerst naar hun natuurlijk vermogen, dat zij nl. met natuurlijke kennis en liefde God kennen en beminnen. En met betrekking tot dit doel onderscheidt men de koren der engelen naar de natuurlijke gaven. — Vervolgens kan het doel van de menigte der engelen verstaan worden als iets, dat uitgaat boven hun natuurlijke vermogens, en dit bestaat in de aanschouwing van het goddelijk Wezen, en het onverstoorbare genot van zijn Goedheid; tot dit doel kunnen zij niet geraken dan door de genade. Vandaar dat met betrekking tot dit doel de koren der engelen weliswaar uiteindelijk naar de genadegaven onderscheiden worden, maar toch ook naar de natuurlijke gaven als dispositie: want, zoals boven gezegd is (62e Kw. 6e Art.), zijn de genadegaven aan de engelen gegeven volgens hun natuurlijke capaciteit, wat niet bij de mensen het geval is. Daarom worden bij de mensen deze orden alleen naar de genadegaven onderscheiden, en niet naar de natuur. En hierin is ook het antwoord op de bedenkingen gegeven.

Et per hoc patet responsio ad obiecta. (Ia q. 108 a. 4 ad arg.)

Articulus 5.
De namen en eigenschappen der afzonderlijke koren

Ad quintum sic proceditur. Videtur quod ordines Angelorum non convenienter nominentur. Omnes enim caelestes spiritus dicuntur et Angeli et virtutes caelestes. Sed nomina communia inconvenienter aliquibus appropriantur. Ergo inconvenienter nominatur unus ordo Angelorum, et alius virtutum. (Ia q. 108 a. 5 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de koren der engelen niet juist benoemd worden. — I. Alle hemelgeesten worden immers engelen genoemd, en hemelse Machten. Maar namen worden onjuist aan enkelen bij uitsluiting gegeven. Dus wordt onjuist het ene koor dat der Engelen, en een ander dat der Machten genoemd.

Praeterea, esse dominum est proprium Dei; secundum illud Psal. XCIX scitote quoniam dominus ipse est Deus. Ergo inconvenienter unus ordo caelestium spirituum dominationes vocatur. (Ia q. 108 a. 5 arg. 2)

2 — Heer zijn is eigen aan God alleen, naar het psalmvers: “Weet, dat God Zelf de Heer is” (Ps. 99, 3). Dus wordt onjuist een koor der hemelgeesten dat der Heerschappijen genoemd.

Praeterea, nomen dominationis ad gubernationem pertinere videtur. Similiter autem et nomen principatuum, et potestatum. Inconvenienter ergo tribus ordinibus haec tria nomina imponuntur. (Ia q. 108 a. 5 arg. 3)

3 — De naam Heerschappij schijnt met bestuur in betrekking te staan. Insgelijks echter de namen Hoogheid en Kracht. Onjuist worden dus aan deze drie koren deze namen gegeven.

Praeterea, Archangeli dicuntur quasi principes Angeli. Non ergo hoc nomen debet imponi alii ordini quam ordini principatuum. (Ia q. 108 a. 5 arg. 4)

4 — Aartsengelen, zegt men als van de hoogste engelen. Deze naam moet dus niet gegeven worden dan aan het koor der Hoogheden.

Praeterea, nomen Seraphim imponitur ab ardore qui ad caritatem pertinet, nomen autem Cherubim imponitur a scientia. Caritas autem et scientia sunt dona communia omnibus Angelis. Non ergo debent esse nomina specialium ordinum. (Ia q. 108 a. 5 arg. 5)

5 — De naam Serafijn wordt ontleend aan het vuur, dat tot de liefde behoort; de naam Cherubijn aan de wetenschap. Maar liefde en wetenschap zijn gaven gemeenschappelijk aan alle engelen. Dus moeten dit geen namen zijn voor speciale koren.

Praeterea, throni dicuntur sedes. Sed ex hoc ipso Deus in creatura rationali sedere dicitur, quod ipsum cognoscit et amat. Non ergo debet esse alius ordo thronorum ab ordine Cherubim et Seraphim. Sic igitur videtur quod inconvenienter ordines Angelorum nominentur. (Ia q. 108 a. 5 arg. 6)

6 — Tronen zijn zetels. Maar God wordt gezegd te zetelen in het redelijk schepsel, dat Hem kent en bemint. Geen ander koor dan dat der Cherubijnen en Serafijnen moet dus het koor der Tronen zijn.

Sed contra est auctoritas sacrae Scripturae, quae sic eos nominat. Nomen enim Seraphim ponitur Isaiae VI; nomen Cherubim Ezech. I; nomen thronorum, Coloss. I; dominationes autem et virtutes et potestates et principatus ponuntur Ephes. I; nomen autem Archangeli ponitur in canonica Iudae, nomina autem Angelorum in pluribus Scripturae locis. (Ia q. 108 a. 5 s. c.)

Daartegenover staat echter het gezag der H. Schrift, dat hen zo noemt. De naam Serafijnen staat bij Isaïas (6, 2); de naam Cherubijn bij Ezechiël (10, 15,20); de naam Tronen in de Brief aan de Colossensen (1, 16); Heerschappijen, Machten, Krachten en Hoogheden in de Brief aan de Efeziërs (1, 21); de naam Aartsengel staat in de kanonieke Brief van Judas (9); de naam Engel op verschillende plaatsen der Schrift.

Respondeo dicendum quod in nominatione angelicorum ordinum, considerare oportet quod propria nomina singulorum ordinum proprietates eorum designant, ut Dionysius dicit VII cap. Cael. Hier. Ad videndum autem quae sit proprietas cuiuslibet ordinis, considerare oportet quod in rebus ordinatis tripliciter aliquid esse contingit, scilicet per proprietatem, per excessum, et per participationem. Per proprietatem autem dicitur esse aliquid in re aliqua, quod adaequatur et proportionatur naturae ipsius. Per excessum autem, quando illud quod attribuitur alicui, est minus quam res cui attribuitur, sed tamen convenit illi rei per quendam excessum; sicut dictum est de omnibus nominibus quae attribuuntur Deo. Per participationem autem, quando illud quod attribuitur alicui, non plenarie invenitur in eo, sed deficienter; sicut sancti homines participative dicuntur dii. Si ergo aliquid nominari debeat nomine designante proprietatem ipsius, non debet nominari ab eo quod imperfecte participat, neque ab eo quod excedenter habet; sed ab eo quod est sibi quasi coaequatum. Sicut si quis velit proprie nominare hominem, dicet eum substantiam rationalem, non autem substantiam intellectualem, quod est proprium nomen Angeli, quia simplex intelligentia convenit Angelo per proprietatem, homini vero per participationem; neque substantiam sensibilem, quod est nomen bruti proprium, quia sensus est minus quam id quod est proprium homini, et convenit homini excedenter prae aliis animalibus. Sic igitur considerandum est in ordinibus Angelorum, quod omnes spirituales perfectiones sunt omnibus Angelis communes et quod omnes abundantius existunt in superioribus quam in inferioribus. Sed cum in ipsis etiam perfectionibus sit quidam gradus, superior perfectio attribuitur superiori ordini per proprietatem, inferiori vero per participationem, e converso autem inferior attribuitur inferiori per proprietatem, superiori autem per excessum. Et ita superior ordo a superiori perfectione nominatur. Sic igitur Dionysius exponit ordinum nomina secundum convenientiam ad spirituales perfectiones eorum. Gregorius vero, in expositione horum nominum, magis attendere videtur exteriora ministeria. Dicit enim, quod Angeli dicuntur qui minima nuntiant; Archangeli, qui summa; virtutes per quas miracula fiunt; potestates quibus adversae potestates repelluntur; principatus, qui ipsis bonis spiritibus praesunt. (Ia q. 108 a. 5 co.)

Bij de benaming der engelenkoren moet men bedenken, dat, naar Dionysius zegt, “de eigennamen der afzonderlijke koren hun eigenschappen aangeven”. Om nu te zien welke de eigenschappen van de afzonderlijke koren zijn, bedenke men, dat in geordende dingen iets op drievoudige wijze zijn kan, nl.: als eigenschap, als overmaat, als deelname. Men zegt dat iets, als eigenschap ergens in is, als het afgepast en geproportioneerd is aan de aard van dat ding. Overmatig, als datgene wat men toeschrijft geringer is dan het ding waaraan het toegeschreven wordt, maar het er toch aan toekomt, zij het op hogere wijze, zoals gezegd is (13e Kw. 2e Art.) van alle namen, die aan God worden toegeschreven. Als deelname, wanneer hetgeen aan iets toegeschreven wordt, niet volop erin gevonden wordt, maar op gebrekkige wijze; zoals heilige mensen góden genoemd worden. — Als dus iets moet genoemd worden met een naam, die zijn eigenschap aanduidt, moet men het niet noemen naar iets anders, waarin die eigenschap onder de maat is, noch waarin deze bovenmatig is, maar naar hetgeen eraan afgepast is. Zoals wanneer iemand de mens naar eigenschap wil benoemen, zegge hij redelijke zelfstandigheid: met echter intellectuele zelfstandigheid, wat de eigennaam voor de engel is, omdat intelligentie zonder meer de engel als eigenschap toekomt, de mens echter bij (gebrekkige) deelname; noch zegge hij zinnelijke zelfstandigheid, wat de eigennaam is voor het onredelijk dier, want het zinnelijke is geringer, dan wat eigen is aan de mens, en komt hem boven de maat der andere dieren. Zo bedenke men nu, wat de koren der engelen aangaat, dat alle geestelijke volmaaktheden allen engelen gemeen zijn, en dat deze alle overvloediger gevonden worden in de hogere dan in de lagere. Maar omdat er ook graadverschil is in de volmaaktheden zelve, wordt een hogere volmaaktheid aan een hoger koor als eigenschap toegekend, aan een lager bij deelname; omgekeerd wordt een lagere volmaaktheid aan een lager koor als eigenschap toegekend, aan een hoger bij overmaat. En zo wordt het hogere koor naar de hogere volmaaktheid benoemd. Zo dus legt Dionysius de namen der koren uit in overeenstemming met de geestelijke volkomenheden. — Gregorius echter schijnt bij de uitleg dezer namen meer te letten op de uiterlijke functies. Hij zegt toch, dat “Engelen worden genoemd, die geringe zalmen melden; Aartsengelen, die belangrijke; Machten, door wie Wonderen gebeuren; Krachten, door wie de tegenwerkende krochten bedwongen worden; Hoogheden, die aan het hoofd staan van de goede geesten”.

Ad primum ergo dicendum quod Angelus nuntius dicitur. Omnes ergo caelestes spiritus, inquantum sunt manifestatores divinorum, Angeli vocantur. Sed superiores Angeli habent quandam excellentiam in hac manifestatione, a qua superiores ordines nominantur. Infimus autem Angelorum ordo nullam excellentiam supra communem manifestationem addit, et ideo a simplici manifestatione nominatur. Et sic nomen commune remanet infimo ordini quasi proprium, ut dicit Dionysius V cap. Cael. Hier. Vel potest dici quod infimus ordo specialiter dicitur ordo Angelorum, quia immediate nobis annuntiant. Virtus autem dupliciter accipi potest. Uno modo, communiter, secundum quod est media inter essentiam et operationem, et sic omnes caelestes spiritus nominantur caelestes virtutes, sicut et caelestes essentiae. Alio modo, secundum quod importat quendam excessum fortitudinis, et sic est proprium nomen ordinis. Unde Dionysius dicit, VIII cap. Cael. Hier., quod nomen virtutum significat quandam virilem et inconcussam fortitudinem, primo quidem ad omnes operationes divinas eis convenientes; secundo, ad suscipiendum divina. Et ita significat quod sine aliquo timore aggrediuntur divina quae ad eos pertinent, quod videtur ad fortitudinem animi pertinere. (Ia q. 108 a. 5 ad 1)

1 — Engel betekent bode. Alle hemelgeesten, worden dus, in zover zij de goddelijke dingen openbaren, engelen genoemd. Maar de hogere engelen munten in deze openbaringen uit, en hiernaar worden de hogere koren genoemd. Het laagste engelenkoor echter dat niets heeft buiten de allen engelen gemeenschappelijke openbaring, wordt daarom naar deze gewone openbaring genoemd. En zo blijft, naar Dionysius zegt, de gemeenschappelijke naam voor het laagste koor eigennaam. — Men kan echter ook zeggen dat het laagste koor speciaal het koor der Engelen genoemd wordt, omdat zij onmiddellijk aan ons boodschappen. Macht kan echter tweevoudig verstaan worden: vooreerst algemeen, in zover zij het midden houdt tussen wezen en werking, en zo worden alle hemelgeesten hemelse machten genoemd, zoals ook hemelse wezens. — Vervolgens in zover zij zekere overmaat van kracht aanduidt: en zo is het de eigennaam van een koor. Vandaar zegt Dionysius dat “de naam Machten een zekere mannelijke en onwankelbare kracht aanduidt”, vooreerst voor alle goddelijke werkingen, die hun toekomen; vervolgens om goddelijke dingen te ontvangen. En aldus betekent deze naam, dat zij zonder vrees de goddelijke dingen, die hun toekomen, aanvatten: en dat schijnt te behoren bij zielskracht.

Ad secundum dicendum quod, sicut dicit Dionysius XII cap. de Div. Nom., dominatio laudatur in Deo singulariter per quendam excessum, sed per participationem, divina eloquia vocant dominos principaliores ornatus, per quos inferiores ex donis eius accipiunt. Unde et Dionysius dicit in VIII cap. Cael. Hier., quod nomen dominationum primo quidem significat quandam libertatem, quae est a servili conditione et pedestri subiectione, sicut plebs subiicitur, et a tyrannica oppressione, quam interdum etiam maiores patiuntur. Secundo significat quandam rigidam et inflexibilem gubernationem, quae ad nullum servilem actum inclinatur, neque ad aliquem actum subiectorum vel oppressorum a tyrannis. Tertio significat appetitum et participationem veri dominii, quod est in Deo. Et similiter nomen cuiuslibet ordinis significat participationem eius quod est in Deo; sicut nomen virtutum significat participationem divinae virtutis; et sic de aliis. (Ia q. 108 a. 5 ad 2)

2 — Zoals Dionysius zegt: “Heerschappij wordt uitzonderlijk in God naar zekere overmaat geprezen; maar bij deelname noemen de H. Schriften de voornaamste geesten, door wie de lagere van Gods gaven ontvangen, Heerschappen”. Vandaar zegt Dionysius ook, dat de naam “Heerschappij” vooreerst betekent “zekere vrijdom van slavenstaat, van plebejische onderworpenheid”, zoals het gewone volk onderworpen is, “en van tirannieke onderdrukking”, die soms zelfs de groten lijden. Vervolgens betekent het “zekere strakke en onkreukbare leiding, die tot geen enkele slaafse daad neigt, noch tot een daad van dezulken, die onderworpen zijn, of verdrukt worden door tirannen”. Tenslotte betekent het “verlangen naar en deelname aan de ware heerschappij, die in God is”. — En insgelijks betekent de naam van ieder koor de deelname van iets dat in God is, zoals de naam Machten de deelname betekent van de goddelijke Macht; en zo ook voor de andere namen.

Ad tertium dicendum quod nomen dominationis, et potestatis, et principatus, diversimode ad gubernationem pertinet. Nam domini est solummodo praecipere de agendis. Et ideo Gregorius dicit quod quaedam Angelorum agmina, pro eo quod eis cetera ad obediendum subiecta sunt, dominationes vocantur. Nomen vero potestatis ordinationem quandam designat; secundum illud apostoli ad Rom. XIII, qui potestati resistit, Dei ordinationi resistit. Et ideo Dionysius dicit quod nomen potestatis significat quandam ordinationem et circa susceptionem divinorum, et circa actiones divinas quas superiores in inferiores agunt, eas sursum ducendo. Ad ordinem ergo potestatum pertinet ordinare quae a subditis sint agenda. Principari vero, ut Gregorius dicit, est inter reliquos priorem existere, quasi primi sint in executione eorum quae imperantur. Et ideo Dionysius dicit, IX cap. Cael. Hier., quod nomen principatuum significat ductivum cum ordine sacro. Illi enim qui alios ducunt, primi inter eos existentes, principes proprie vocantur secundum illud Psalmi LXVII, praevenerunt principes coniuncti psallentibus. (Ia q. 108 a. 5 ad 3)

3 — De namen Heerschappij, Kracht en Hoogheid staan op verschillende wijzen met bestuur in verband. Want het komt alleen de heer toe bevelen te geven over wat gedaan moet worden. Daarom zegt Gregorius, dat “sommige afdeelingen der engelen Heerschappijen genoemd worden, omdat de overigen hen in gehoorzaamheid onderworpen zijn”. — De naam Kracht duidt zekere ordening aan, naar het woord van de Apostel: “Wie zich verzet tegen het gezag (1), verzet zich tegen de verordening van God” (Rom. 13.2). En daarom zegt Dionysius, dat de naam Kracht zekere ordening betekent én wat betreft het ontvangen der goddelijke dingen, én wat betreft de goddelijke werkingen, die de hogere in de lagere uitoefenen, hen opheffend. Aan het koor der Krachten komt het dus toe te verordenen wat door de ondergeschikten moet gedaan worden. — In overheid gesteld zijn is, naar Gregorius zegt, “de eerste zijn onder de overigen”, d.i. de eerste zijn bij de uitvoering van wat bevolen wordt. En daarom zegt Dionysius, dat de naam Overheid of Hoogheid (2) “een leidend beginsel met heiligen rang” aanduidt. Zij immers, die anderen leiden, onder wie ze de eersten zijn, worden eigenlijk (1) In plaats van de in het Nederlandsch gebruikelijke term voor dit engelenkoor Krachten, ware het juister te spreken van Gezagsdragers. De latijnse term heeft beide betekenissen. (2) Het latijn gebruikt hier de woorden principari, princeps en principatus door elkaar: ze zijn dan ook ten nauwste verwant. Dit is echter in het Nederlandsch niet zo klaar weer te geven, vooral daar wij gewoon zijn dit engelenkoor dat der Hoogheden of Overheden (zie P. C.-vertaling: Eph. 1. 21 en; Col. 1. 16) te noemen. overheden genoemd, naar het psalmvers: “Voorop gaan de oversten, de zangers volgen” (Ps. 67. 26).

Ad quartum dicendum quod Archangeli, secundum Dionysium, medii sunt inter principatus et Angelos. Medium autem comparatum uni extremo, videtur alterum, inquantum participat naturam utriusque, sicut tepidum respectu calidi est frigidum, respectu vero frigidi est calidum. Sic et Archangeli dicuntur quasi principes Angeli, quia respectu Angelorum sunt principes, respectu vero principatuum sunt Angeli. Secundum Gregorium autem, dicuntur Archangeli ex eo quod principantur soli ordini Angelorum, quasi magna nuntiantes. Principatus autem dicuntur ex eo quod principantur omnibus caelestibus virtutibus divinas iussiones explentibus. (Ia q. 108 a. 5 ad 4)

4 — De Aartsengelen staan volgens Dionysius tussen de Hoogheden en de Engelen. Wanneer echter het midden vergeleken wordt met een der beide uitersten, schijnt het ook een uiterste: zoals lauw ten opzichte van warm koud is, en tegenover koud, warm. Zo worden ook de Aartsengelen hoogste engelen genoemd, omdat zij ten opzichte van de Engelen Hoogheden zijn, maar ten opzichte van de Hoogheden zijn zij Engelen. — Volgens Gregorius echter worden ze Aartsengelen genoemd, omdat ze voorrang hebben op het koor der Engelen alleen, door het boodschappen van gewichtige tijdingen. Hoogheden daarentegen worden genoemd naar de voorrang op alle hemelse krachten, die de goddelijke bevelen uitvoeren.

Ad quintum dicendum quod nomen Seraphim non imponitur tantum a caritate, sed a caritatis excessu, quem importat nomen ardoris vel incendii. Unde Dionysius, VII cap. Cael. Hier., exponit nomen Seraphim secundum proprietates ignis, in quo est excessus caliditatis. In igne autem tria possumus considerare. Primo quidem, motum, qui est sursum, et qui est continuus. Per quod significatur quod indeclinabiliter moventur in Deum. Secundo vero, virtutem activam eius, quae est calidum. Quod quidem non simpliciter invenitur in igne, sed cum quadam acuitate, quia maxime est penetrativus in agendo, et pertingit usque ad minima; et iterum cum quodam superexcedenti fervore. Et per hoc significatur actio huiusmodi Angelorum, quam in subditos potenter exercent, eos in similem fervorem excitantes, et totaliter eos per incendium purgantes. Tertio consideratur in igne claritas eius. Et hoc significat quod huiusmodi Angeli in seipsis habent inextinguibilem lucem, et quod alios perfecte illuminant. Similiter etiam nomen Cherubim imponitur a quodam excessu scientiae, unde interpretatur plenitudo scientiae. Quod Dionysius exponit quantum ad quatuor, primo quidem, quantum ad perfectam Dei visionem; secundo, quantum ad plenam susceptionem divini luminis; tertio, quantum ad hoc, quod in ipso Deo contemplantur pulchritudinem ordinis rerum a Deo derivatam; quarto, quantum ad hoc, quod ipsi pleni existentes huiusmodi cognitione, eam copiose in alios effundunt. (Ia q. 108 a. 5 ad 5)

5 — De naam Serafijn wordt niet alleen gegeven om de liefde, maar om de overmaat van liefde, die in de woorden gloed en hitte ligt opgesloten. Vandaar dat Dionysius de naam Serafijn uitlegt naar de eigenschappen van vuur, dat overmaat van hitte heeft. In het vuur nu kan men drie dingen onderscheiden. Eerstens, de beweging, die zonder onderbreking omhoog gaat. Hierdoor wordt aangeduid, dat zij onontkoombaar naar God bewogen worden. — Vervolgens zijn werkvermogen, dat de warmte is. Deze wordt in het vuur niet zonder meer gevonden, maar met zekere felheid, want het dringt in de hoogste mate door, en bereikt het allerkleinste; en ook weer met zekere overmaat van hitte. En hierdoor wordt de werking der engelen aangeduid, die zij met kracht uitoefenen op die hun ondergeschikt zijn, hen insgelijks tot dergelijken gloed opwekkend, en totaal door de hitte zuiverend. — Tenslotte wordt in het vuur de helheid beschouwd. En dit betekent dat deze engelen een ondoofbaar licht in zich dragen, en anderen volmaakt verlichten. Zo wordt ook de naam Cherubijn gegeven om een bepaalde overmaat van kennis: vandaar wordt deze weergegeven als volheid van kennis. En dit verklaart Dionysius met betrekking tot vier dingen: vooreerst wat aangaat het volmaakte God zien; vervolgens wat aangaat de volle ontvangst van het goddelijk licht; ten derde voor zover zij in God de schoonheid van het heelal beschouwen, die van God voortgekomen is; ten vierde voor zover zij zelf vol van deze kennis, die ook overdadig over anderen uitstorten.

Ad sextum dicendum quod ordo thronorum habet excellentiam prae inferioribus ordinibus in hoc, quod immediate in Deo rationes divinorum operum cognoscere possunt. Sed Cherubim habent excellentiam scientiae; Seraphim vero excellentiam ardoris. Et licet in his duabus excellentiis includatur tertia, non tamen in illa quae est thronorum, includuntur aliae duae. Et ideo ordo thronorum distinguitur ab ordine Cherubim et Seraphim. Hoc enim est commune in omnibus, quod excellentia inferioris continetur in excellentia superioris, et non e converso. Exponit autem Dionysius nomen thronorum, per convenientiam ad materiales sedes. In quibus est quatuor considerare. Primo quidem, situm, quia sedes supra terram elevantur. Et sic ipsi Angeli qui throni dicuntur, elevantur usque ad hoc, quod in Deo immediate rationes rerum cognoscant. Secundo in materialibus sedibus consideratur firmitas, quia in ipsis aliquis firmiter sedet. Hic autem est e converso, nam ipsi Angeli firmantur per Deum. Tertio, quia sedes suscipit sedentem, et in ea deferri potest. Sic et isti Angeli suscipiunt Deum in seipsis, et eum quodammodo ad inferiores ferunt. Quarto, ex figura, quia sedes ex una parte est aperta ad suscipiendum sedentem. Ita et isti Angeli sunt per promptitudinem aperti ad suscipiendum Deum, et famulandum ipsi. (Ia q. 108 a. 5 ad 6)

6 — Het koor der Tronen steekt hierdoor boven de lagere koren uit, dat zij onmiddellijk in God de aard der goddelijke werken kunnen kennen. Maar de Cherubijnen hebben overmaat van kennis, de Serafijnen overmaat van liefdevuur. En ofschoon in deze beide uitmuntende eigenschappen ook dit derde is ingesloten, zijn toch in de eigenschap der Tronen niet beide andere vervat. En daarom wordt het koor der Tronen onderscheiden van dat der Cherubijnen en Serafijnen. Dit is immers alle dingen gemeen, dat de volmaaktheid van het lagere besloten is in de volmaaktheid van het hogere, maar niet omgekeerd. Dionysius legt de naam Tronen uit in overeenstemming met de stoffelijke zetel, waarin men vier dingen onderscheidt: vooreerst de plaatsing, omdat zetels boven de grond oprijzen. En zo rijzen de engelen, die Tronen genoemd worden, op tot dit: de aard der dingen onmiddellijk in God kennen. — Vervolgens wordt in stoffelijke zetels stevigheid gezien, want daarin zit men stevig. Hier is het echter omgekeerd, want de engelen worden zelf door God bevestigd. — Ten derde, de zetel ontvangt de zittende, en deze kan daarin gedragen worden. Zo ontvangen ook die engelen God in zich, en dragen Hem in zekeren zin naar de lagere. — Ten vierde, zinnebeeldig: de zetels zijn aan één zijde open om de zittende te ontvangen. Zo zijn ook de engelen door hun promptheid open om God te ontvangen, en Hem te dienen.

Articulus 6.
Vergelijking der koren onderling

Ad sextum sic proceditur. Videtur quod inconvenienter gradus ordinum assignentur. Ordo enim praelatorum videtur esse supremus. Sed dominationes, principatus et potestates ex ipsis nominibus praelationem quandam habent. Ergo isti ordines debent esse inter omnes supremi. (Ia q. 108 a. 6 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de graduatie der koren verkeerd wordt aangegeven. — 1. De orde der Prelaten schijnt toch de hoogste. Maar de Heerschappijen, Hoogheden (Overheden) en Krachten (Gezagsdragers) zijn, blijkens de namen zelf, in zekeren zin Prelaten. Deze koren moeten dus de hoogste van alle zijn.

Praeterea, quanto aliquis ordo est Deo propinquior, tanto est superior. Sed ordo thronorum videtur esse Deo propinquissimus, nihil enim coniungitur propinquius sedenti, quam sua sedes. Ergo ordo thronorum est altissimus. (Ia q. 108 a. 6 arg. 2)

2 — Hoe nader een koor bij God is, des te hoger is het. Maar het koor der Tronen schijnt toch wel het dichtste bij God: want mets is dichter bij de zittende dan zijn zetel. Dus is het koor der Tronen het allerhoogste.

Praeterea, scientia est prior quam amor; et intellectus videtur esse altior quam voluntas. Ergo et ordo Cherubim videtur esse altior quam ordo Seraphim. (Ia q. 108 a. 6 arg. 3)

3 — Wetenschap is eerder dan liefde, en het verstand hoger dan de wil. Dus schijnt het koor der Cherubijnen hoger dan dat der Serafijnen.

Praeterea, Gregorius ponit principatus supra potestates. Non ergo collocantur immediate supra Archangelos, ut Dionysius dicit. (Ia q. 108 a. 6 arg. 4)

4 — Gregorius plaatst de Hoogheden boven de Krachten. Dus worden deze niet onmiddellijk boven de Aartsengelen geplaatst.

Sed contra est quod Dionysius ponit, in prima quidem hierarchia. Seraphim ut primos, Cherubim ut medios, thronos ut ultimos; in media vero, dominationes ut primos, virtutes ut medios, potestates ut ultimos; in ultima, principatus ut primos, Archangelos ut medios, Angelos ut ultimos. (Ia q. 108 a. 6 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat Dionysius in de eerste hiërarchie, de Serafijnen als hoogsten, de Cherubijnen als middelste, de Tronen als laagste stelt; in de middelste hiërarchie de Heerschappijen als eersten, de Machten als middelste, de Krachten als laatsten; in de laagste hiërarchie de Hoogheden als eersten, de Aartsengelen als middelste, de Engelen als laatsten.

Respondeo dicendum quod gradus angelicorum ordinum assignant et Gregorius et Dionysius, quantum ad alia quidem convenienter, sed quantum ad principatus et virtutes differenter. Nam Dionysius collocat virtutes sub dominationibus et supra potestates, principatus autem sub potestatibus et supra Archangelos, Gregorius autem ponit principatus in medio dominationum et potestatum, virtutes vero in medio potestatum et Archangelorum. Et utraque assignatio fulcimentum habere potest ex auctoritate apostoli. Qui, medios ordines ascendendo enumerans, dicit, Ephes. I, quod Deus constituit illum, scilicet Christum, ad dexteram suam in caelestibus, supra omnem principatum et potestatem et virtutem et dominationem, ubi virtutem ponit inter potestatem et dominationem, secundum assignationem Dionysii. Sed ad Coloss. I, enumerans eosdem ordines descendendo, dicit, sive throni, sive dominationes, sive principatus, sive potestates, omnia per ipsum et in ipso creata sunt, ubi principatus ponit medios inter dominationes et potestates, secundum assignationem Gregorii. Primo igitur videamus rationem assignationis Dionysii. In qua considerandum est quod, sicut supra dictum est, prima hierarchia accipit rationes rerum in ipso Deo; secunda vero in causis universalibus; tertia vero secundum determinationem ad speciales effectus. Et quia Deus est finis non solum angelicorum ministeriorum, sed etiam totius creaturae, ad primam hierarchiam pertinet consideratio finis; ad mediam vero dispositio universalis de agendis; ad ultimam autem applicatio dispositionis ad effectum, quae est operis executio; haec enim tria manifestum est in qualibet operatione inveniri. Et ideo Dionysius, ex nominibus ordinum proprietates illorum considerans, illos ordines in prima hierarchia posuit, quorum nomina imponuntur per respectum ad Deum, scilicet Seraphim et Cherubim et thronos. Illos vero ordines posuit in media hierarchia, quorum nomina designant communem quandam gubernationem sive dispositionem, scilicet dominationes, virtutes et potestates. Illos vero ordines posuit in tertia hierarchia, quorum nomina designant operis executionem, scilicet principatus, Angelos et Archangelos. In respectu autem ad finem, tria considerari possunt, nam primo, aliquis considerat finem; secundo vero, perfectam finis cognitionem accipit; tertio vero, intentionem suam in ipso defigit; quorum secundum ex additione se habet ad primum, et tertium ad utrumque. Et quia Deus est finis creaturarum sicut dux est finis exercitus, ut dicitur in XII Metaphys., potest aliquid simile huius ordinis considerari in rebus humanis, nam quidam sunt qui hoc habent dignitatis, ut per seipsos familiariter accedere possunt ad regem vel ducem; quidam vero super hoc habent, ut etiam secreta eius cognoscant; alii vero insuper circa ipsum semper inhaerent, quasi ei coniuncti. Et secundum hanc similitudinem accipere possumus dispositionem ordinum primae hierarchiae. Nam throni elevantur ad hoc, quod Deum familiariter in seipsis recipiant, secundum quod rationes rerum in ipso immediate cognoscere possunt, quod est proprium totius primae hierarchiae. Cherubim vero supereminenter divina secreta cognoscunt. Seraphim vero excellunt in hoc quod est omnium supremum, scilicet Deo ipsi uniri. Ut sic ab eo quod est commune toti hierarchiae, denominetur ordo thronorum; sicut ab eo quod est commune omnibus caelestibus spiritibus, denominatur ordo Angelorum. Ad gubernationis autem rationem tria pertinent. Quorum primum est definitio eorum quae agenda sunt, quod est proprium dominationum. Secundum autem est praebere facultatem ad implendum, quod pertinet ad virtutes. Tertium autem est ordinare qualiter ea quae praecepta vel definita sunt, impleri possint, ut aliqui exequantur, et hoc pertinet ad potestates. Executio autem angelicorum ministeriorum consistit in annuntiando divina. In executione autem cuiuslibet actus, sunt quidam quasi incipientes actionem et alios ducentes, sicut in cantu praecentores, et in bello illi qui alios ducunt et dirigunt, et hoc pertinet ad principatus. Alii vero sunt qui simpliciter exequuntur, et hoc pertinet ad Angelos. Alii vero medio modo se habent, quod ad Archangelos pertinet, ut supra dictum est. Invenitur autem congrua haec ordinum assignatio. Nam semper summum inferioris ordinis affinitatem habet cum ultimo superioris; sicut infima animalia parum distant a plantis. Primus autem ordo est divinarum personarum, qui terminatur ad spiritum sanctum, qui est amor procedens, cum quo affinitatem habet supremus ordo primae hierarchiae, ab incendio amoris denominatus. Infimus autem ordo primae hierarchiae est thronorum, qui ex suo nomine habent quandam affinitatem cum dominationibus, nam throni dicuntur, secundum Gregorium, per quos Deus sua iudicia exercet; accipiunt enim divinas illuminationes per convenientiam ad immediate illuminandum secundam hierarchiam, ad quam pertinet dispositio divinorum ministeriorum. Ordo vero potestatum affinitatem habet cum ordine principatuum, nam cum potestatum sit ordinationem subiectis imponere, haec ordinatio statim in nomine principatuum designatur, qui sunt primi in executione divinorum ministeriorum, utpote praesidentes gubernationi gentium et regnorum, quod est primum et praecipuum in divinis ministeriis; nam bonum gentis est divinius quam bonum unius hominis. Unde dicitur Dan. X, princeps regni Persarum restitit mihi. Dispositio etiam ordinum quam Gregorius ponit, congruitatem habet. Nam cum dominationes sint definientes et praecipientes ea quae ad divina ministeria pertinent, ordines eis subiecti disponuntur secundum dispositionem eorum in quos divina ministeria exercentur ut autem Augustinus dicit in III de Trin., corpora quodam ordine reguntur, inferiora per superiora, et omnia per spiritualem creaturam; et spiritus malus per spiritum bonum. Primus ergo ordo post dominationes dicitur principatuum, qui etiam bonis spiritibus principantur. Deinde potestates, per quas arcentur mali spiritus, sicut per potestates terrenas arcentur malefactores, ut habetur Rom. XIII. Post quas sunt virtutes, quae habent potestatem super corporalem naturam in operatione miraculorum. Post quas sunt Archangeli et Angeli, qui nuntiant hominibus vel magna, quae sunt supra rationem; vel parva, ad quae ratio se extendere potest. (Ia q. 108 a. 6 co.)

Gregorius en Dionysius stemmen met elkaar overeen in de volgorde der engelenkoren, met verschil van de Hoogheden en Machten. Want Dionysius plaatst de Machten onder de Heerschappijen en boven de Krachten; de Hoogheden echter onder de Krachten en boven de Aartsengelen. Gregorius daarentegen plaatst de Hoogheden tussen de Heerschappijen en de Krachten; de Machten tussen de Krachten en de Aartsengelen. En beide groepeeringen kunnen grond hebben in de autoriteit van de Apostel. Deze toch zegt in de Brief aan de Ephesiërs (1, 20, 21), als hij de middelste koren naar boven toe opsomt, “dat God Hem”, nl. Christus, “heeft doen zetelen aan zijn rechterhand in de hemel, hoog boven alle Hoogheid en Kracht en Macht en Heerschappij”: waarbij hij dus de Machten stelt tussen de Krachten en de Heerschappijen, naar de groepeering van Dionysius; maar in de Brief aan de Colossensen (1, 16), als hij dezelfde koren naar beneden toe opsomt, zegt hij: “Tronen, Heerschappijen, Hoogheden en Krachten alles is geschapen door Hem en voor Hem”, waarbij hij de Hoogheden stelt tussen de Heerschappijen en de Krachten, naar de groepeering van Gregorius. Laten we dus eerst de reden zien van de groepering van Dionysius. Daarbij bedenke men, dat, zoals boven gezegd is (1fl Art.), de eerste hiërarchie de aard der dingen kent in God Zelf; de tweede in de algemene oorzaken; de derde naar de bepaling der afzonderlijke gevolgen. En daar God het doel is, niet slechts van de bedieningen der engelen, maar van de gehele schepping, behoort bij de eerste hiërarchie de beschouwing van dit doel; tot de middelste het algemene plan van wat te doen staat; tot de laatste de toepassing van het plan op de gevolgen, wat de uitvoering van het werk is. Deze drie dingen worden klaarblijkelijk bij ieder werk gevonden. En daarom heeft Dionysius, uit de naam der koren hun eigenschappen afleidend, in de eerste hiërarchie die koren geplaatst, wier namen gegeven zijn met betrekking tot God: Serafijnen, Cherubijnen en Tronen. In de middelste hiërarchie plaatste hij die koren, wier namen algemene leiding of beschikking uitdrukken: nl. Heerschappijen, Machten en Krachten. In de derde hiërarchie stelde hij de koren, wier namen de uitvoering van het werk beduiden: nl. Hoogheden, Engelen en Aartsengelen. Met betrekking tot het doel kunnen drie dingen gezien worden; want eerst denkt men na over het doel, vervolgens krijgt men volkomen kennis van het doel; ten derde geeft men zijn streven eraan. Van deze drie is het tweede een toevoeging bij het eerste, het derde bij beide. En omdat God het doel der schepselen is, zoals de veldheer het doel van het leger, naar in de Metaphysica gezegd wordt, kan men iets dergelijks ook in menselijke aangelegenheden waarnemen. Sommigen immers hebben de waardigheid, dat zij eigener beweging vertrouwelijk tot de koning of de leider kunnen gaan; anderen hebben bovendien, dat zij zijn geheimen kennen; anderen zijn buitendien blijvend bij hem, als verwanten. En naar deze gelijkenis kunnen we de rangorde der koren uit de eerste hiërarchie kennen. De Tronen toch worden hiertoe opgeheven, dat zij God vertrouwelijk in zich ontvangen in zover zij in Hem onmiddellijk de aard der dingen kunnen kennen: en dit is het eigene van heel de eerste hiërarchie. De Cherubijnen echter kennen ook op hoogste wijze de geheimen Gods. Maar de Serafijnen munten uit in wat het hoogste van al is, nl. in de vereeniging met God. Zo wordt dus het koor der Tronen genoemd naar wat gemeen is aan heel de hiërarchie, zoals naar wat gemeen is aan alle hemelgeesten het koor der Engelen wordt genaamd. Tot het bestuursplan behoren drie dingen, waarvan het eerste is de bepaling van wat gedaan moet worden: en dit is het eigene der Heerschappijen. Vervolgens het vermogen verlenen ter vervulling: dit komt de Machten toe. Het derde is regelen, hoe het gebodene of bepaalde vervuld kan worden, opdat anderen het zouden uitvoeren: en dit behoort bij de Krachten. De uitvoering echter van de bedieningen der engelen bestaat in het boodschappen der goddelijke dingen. In de uitvoering echter van iedere werking, zijn er sommigen die beginnen, en leiding geven aan anderen, zoals bij de zang de voorzangers, en in de krijg degenen die de anderen aanvoeren en leiden: en dit behoort bij de Hoogheden. Anderen zijn er echter, die zonder meer uitvoeren: en dit komt aan de Engelen toe. Anderen daarentegen staan tussen dezen in, wat, zoals boven gezegd is (vorig Art., 4e Antw.), aan de Aartsengelen toekomt. Deze groepering der koren nu is juist. Altijd immers heeft het toppunt van een lagere orde zekere verwantschap met het laagtepunt der hogere: zoals de laagste dieren weinig van de planten verschillen. De hoogste orde is die der goddelijke Personen, die haar eindterm vindt in de H. Geest, die als Liefde voortkomt: hiermede heeft het hoogste koor der eerste hiërarchie, dat naar de gloed der liefde genoemd wordt, enige verwantschap. Het laagste koor der eerste hiërarchie is dat der Tronen, die krachtens hun naam enige verwantschap hebben met de Heerschappijen: want Tronen zijn, naar Gregorius, “waardoor God zijn oordoelen voltrekt”: zij ontvangen immers de goddelijke verlichtingen, geschikt om onmiddellijk de tweede hiërarchie, waartoe de schikking der goddelijke diensten behoort, te verlichten. Het koor der Krachten heeft weer zekere verwantschap met het koor der Hoogheden: want aan de Krachten (Gezagdragers) komt het toe bepalingen op te leggen aan de ondergeschikten, en dit verordenen komt ook uit in de naam Hoogheden (Overheden), die de eersten zijn in de uitvoering der goddelijke bedieningen: zij immers presideeren het bestuur van volkeren en rijken, wat het voornaamste is onder de goddelijke bedieningen; want “het welzijn van een volk is kostelijker dan het welzijn van één mens”. Waarom bij Daniël (10, 13) gezegd wordt: “De vorst van het rijk der Perzen weerstond mij”. Ook de groepering der koren, die Gregorius opstelt, heeft zekere juistheid. Want omdat de Heerschappijen bepalen en bevelen wat tot de goddelijke bedieningen behoort, worden de koren, hun onderworpen, geordend naar de dispositie van degenen, voor wie de goddelijke bedieningen worden uitgeoefend. Zoals echter Augustinus zegt: “De lichamen worden in zekere orde geregeerd, de lagere door de hogere, en allen door het geestelijk schepsel; en de boze geest door de goede geest”. Het eerste 3e koor na de Heerschappijen wordt dan dat der Hoogheden gezegd, die ook goede geesten leiden. Dan de Krachten (Gezagsdragers), waardoor de boze geesten bedwongen worden: zoals door de gezagsdragers dezer wereld de boosdoeners bedwongen worden, naar gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (13,3,4). Hierna komen de Machten, die macht hebben over de lichamelijke natuur in het doen van wonderen. Na dezen de Aartsengelen en de Engelen, die aan de mensen ofwel groote dingen melden boven de rede uitgaand, ofwel geringe, waartoe ook de rede komen kan.

Ad primum ergo dicendum quod in Angelis potius est quod subiiciuntur Deo, quam quod inferioribus praesident, et hoc derivatur ex illo. Et ideo ordines nominati a praelatione non sunt supremi, sed magis ordines nominati a conversione ad Deum. (Ia q. 108 a. 6 ad 1)

1 — Voornamer is bij de engelen, dat zij aan God onderworpen zijn, dan dat zij het lagere leiden: het tweede vloeit uit het eerste voort. En dus zijn de koren, naar de leiding genoemd, niet de hoogste, doch eerder die naar het toekeeren tot God genoemd worden.

Ad secundum dicendum quod illa propinquitas ad Deum quae designatur nomine thronorum, convenit etiam Cherubim et Seraphim, et excellentius, ut dictum est. (Ia q. 108 a. 6 ad 2)

2 — Die Godsnabijheid, in de naam der Tronen aangeduid, komt ook, en verhevener toe aan de Cherubijnen en Serafijnen, zoals gezegd is in de Leerstelling.

Ad tertium dicendum quod, sicut supra dictum est, cognitio est secundum quod cognita sunt in cognoscente; amor autem secundum quod amans unitur rei amatae. Superiora autem nobiliori modo sunt in seipsis quam in inferioribus, inferiora vero nobiliori modo in superioribus quam in seipsis. Et ideo inferiorum quidem cognitio praeeminet dilectioni, superiorum autem dilectio, et praecipue Dei, praeeminet cognitioni. (Ia q. 108 a. 6 ad 3)

3 — Zoals boven gezegd is (26e Kw. 1e Art.; 27e Kw. 3e Art.), is er kennis voor zover het gekende in de kenner is; liefde echter voor zover de beminnende vereenigd wordt met het beminde. Het hogere is echter op nobeler wijze in zichzelf dan in het lagere; het lagere echter op nobeler wijze in het hogere dan in zichzelf. En daarom is de kennis van het lagere hoger dan de liefde ervan: de liefde echter van het hogere, en vooral van God, is hoger dan de kennis.

Ad quartum dicendum quod, si quis diligenter consideret dispositiones ordinum secundum Dionysium et Gregorium, parum vel nihil differunt, si ad rem referantur. Exponit enim Gregorius principatuum nomen ex hoc, quod bonis spiritibus praesunt, et hoc convenit virtutibus, secundum quod in nomine virtutum intelligitur quaedam fortitudo dans efficaciam inferioribus spiritibus ad exequenda divina ministeria. Rursus virtutes, secundum Gregorium, videntur esse idem quod principatus secundum Dionysium. Nam hoc est primum in divinis ministeriis, miracula facere, per hoc enim paratur via Annuntiationi Archangelorum et Angelorum. (Ia q. 108 a. 6 ad 4)

4 — Als men zorgvuldig de groepering der koren volgens Dionysius en Gregorius bestudeert, verschillen ze zakelijk weinig of niets. Gregorius legt de naam Hoogheid hiernaar uit, dat zij goede geesten leiden: en dit komt toe aan de Machten, in zover in de naam Machten zekere kracht begrepen wordt, die aan de lagere geesten krachtdadigheid verleent om de goddelijke bedieningen uit te oefenen. Daarbij schijnen de Machten volgens Gregorius, hetzelfde te zijn als de Hoogheden volgens Dionysius. Want dit is het eerste in de goddelijke bedieningen: wonderen doen. Hierdoor immers wordt de weg bereid voor de boodschap der Aartsengelen en Engelen.

Articulus 7.
Blijven de koren na den oordeelsdag?

Ad septimum sic proceditur. Videtur quod ordines non remanebunt post diem iudicii. Dicit enim apostolus, I ad Cor. XV, quod Christus evacuabit omnem principatum et potestatem, cum tradiderit regnum Deo et patri, quod erit in ultima consummatione. Pari ergo ratione, in illo statu omnes alii ordines evacuabuntur. (Ia q. 108 a. 7 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de koren na de oordeelsdag niet blijven. — 1. De Apostel zegt immers, dat “Christus, als Hij het koningschap aan God en de Vader overdraagt, alle Hoogheid en Kracht zal te niet doen” (1 Cor. 15, 24). Dit zal zijn bij het laatste einde. Om dezelfde reden zullen dan alle andere koren worden te niet gedaan.

Praeterea, ad officium angelicorum ordinum pertinet purgare, illuminare et perficere. Sed post diem iudicii unus Angelus non purgabit aut illuminabit aut perficiet alium, quia non proficient amplius in scientia. Ergo frustra ordines angelici remanerent. (Ia q. 108 a. 7 arg. 2)

2 — Tot de functie der engelenkoren behoort zuivering, verlichting en vervolmaking. Maar na de oordeelsdag zal de ene engel de andere niet zuiveren, of verlichten, of vervolmaken, omdat zij niet verder in kennis zullen vooruitgaan. Zonder reden zouden dus de engelenkoren blijven.

Praeterea, apostolus dicit, ad Heb. I, de Angelis, quod omnes sunt administratorii spiritus, in ministerium missi propter eos qui haereditatem capiunt salutis, ex quo patet quod officia Angelorum ordinantur ad hoc, quod homines ad salutem adducantur. Sed omnes electi usque ad diem iudicii salutem consequuntur. Non ergo post diem iudicii remanebunt officia et ordines Angelorum. (Ia q. 108 a. 7 arg. 3)

3 — De Apostel zegt van de engelen, dat zij “allen dienstbare geesten zijn, uitgezonden tot hulp van hen, die de zaligheid zullen beërven” (Hebr. 1, 14). Hieruit blijkt dat de functies der engelen zo geregeld zijn, dat de mensen ter zaligheid gebracht worden. Maar alle uitverkorenen zullen de zaligheid erlangen uiterlijk op de dag des oordeels. Na de oordeelsdag zullen dus de functies en de koren der engelen niet blijven.

Sed contra est quod dicitur Iudic. V, stellae manentes in ordine et cursu suo, quod exponitur de Angelis. Ergo Angeli semper in suis ordinibus remanebunt. (Ia q. 108 a. 7 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat in het Boek der Rechters (5, 20) gezegd wordt: “De sterren haar orde en loopbaan behoudend”, wat in de Glossae uitgelegd wordt van de engelen. Dus zullen de engelen altijd in hun koren blijven.

Respondeo dicendum quod in ordinibus angelicis duo possunt considerari, scilicet distinctio graduum, et executio officiorum. Distinctio autem graduum est in Angelis secundum differentiam gratiae et naturae, ut supra dictum est. Et utraque differentia semper in Angelis remanebit. Non enim posset naturarum differentia ab eis auferri, nisi eis corruptis, differentia etiam gloriae erit in eis semper, secundum differentiam meriti praecedentis. Executio autem officiorum angelicorum aliquo modo remanebit post diem iudicii, et aliquo modo cessabit. Cessabit quidem, secundum quod eorum officia ordinantur ad perducendum aliquos ad finem, remanebit autem, secundum quod convenit in ultima finis consecutione. Sicut etiam alia sunt officia militarium ordinum in pugna, et in triumpho. (Ia q. 108 a. 7 co.)

In de engelenkoren kunnen twee dingen onderscheiden worden: het gradueele onderscheid en de uitoefening hunner functies. Het onderscheid der graden is bij de engelen volgens verschil van genade en natuur, zoals boven gezegd is (vorig Art.). En deze verschillen zullen altijd in de engelen blijven. Het verschil van natuur kan hun immers niet ontnomen worden zonder dat zij vergaan; verschil van glorie zal ook altijd in hen zijn ten gevolge van het verschil van voorafgaande verdiensten. De uitoefening echter der engelenfuncties zal na de oordeelsdag in zeker opzicht blijven, en in ander opzicht ophouden. Zij zal ophouden voor zover hun functies dienen om sommigen tot hun doel te geleiden; zij zal echter blijven, voor zover ze nog nodig is voor de uiteindelijke verkrijging van het doel. Zoals ook de functies van de militaire rangorden anders zijn in de strijd, anders in de overwinning.

Ad primum ergo dicendum quod principatus et potestates evacuabuntur in illa finali consummatione quantum ad hoc, quod alios ad finem perducant, quia consecuto iam fine, non est necessarium tendere in finem. Et haec ratio intelligitur ex verbis apostoli, dicentis, cum tradiderit regnum Deo et patri, idest, cum perduxerit fideles ad fruendum ipso Deo. (Ia q. 108 a. 7 ad 1)

1 — Hoogheden en Krachten zullen te niet gedaan worden bij het laatste einde, in zover zij anderen naar het doel leiden: als het doel bereikt is, is het immers niet langer nodig er naar te streven. En deze uitleg is uit de woorden van de Apostel verstaan, daar hij zegt: “als Hij het koningschap aan God en de Vader overdraagt”, d.w.z. als Hij de gelovigen tot de genieting van God Zelf heeft gebracht.

Ad secundum dicendum quod actiones Angelorum super alios Angelos considerandae sunt secundum similitudinem actionum intelligibilium quae sunt in nobis. Inveniuntur autem in nobis multae intelligibiles actiones quae sunt ordinatae secundum ordinem causae et causati; sicut cum per multa media gradatim in unam conclusionem devenimus. Manifestum est autem quod cognitio conclusionis dependet ex omnibus mediis praecedentibus, non solum quantum ad novam acquisitionem scientiae, sed etiam quantum ad scientiae conservationem. Cuius signum est quod, si quis oblivisceretur aliquod praecedentium mediorum, opinionem quidem vel fidem de conclusione posset habere, sed non scientiam, ordine causarum ignorato. Sic igitur, cum inferiores Angeli rationes divinorum operum cognoscant per lumen superiorum Angelorum, dependet eorum cognitio ex lumine superiorum, non solum quantum ad novam acquisitionem scientiae, sed etiam quantum ad cognitionis conservationem. Licet ergo post iudicium non proficiant inferiores Angeli in cognitione aliquarum rerum, non tamen propter hoc excluditur quin a superioribus illuminentur. (Ia q. 108 a. 7 ad 2)

2 — De inwerkingen van engelen op andere engelen moet men opvatten naar gelijkenis der verstandelijke werkingen in ons zelf. In ons nu vindt men vele verstandswerkingen, die onderling geordend zijn als oorzaak en gevolg, zoals wanneer we door vele tussenredeneringen geleidelijk tot een bepaalde conclusie komen. Het is echter duidelijk dat de kennis van deze conclusie van alle voorafgaande tussenredeneringen afhangt, niet alleen wat het betreft het nieuw verkrijgen van kennis, maar ook wat het behoud aangaat. Een teken hiervan is, dat als iemand een van die tussenredeneringen vergeten heeft, hij wel met betrekking tot die conclusie een mening of geloof hebben kan, maar bij gebrek aan kennis van de oorzakenreeks, geen wetenschap. — Omdat dus de lagere engelen de aard der goddelijke werken kennen door het licht der hogere engelen, hangt hun kennis af van het licht der hogere, niet alleen wat aangaat het nieuw verkrijgen, maar ook wat het behoud betreft. Ofschoon dus de lagere engelen na het oordeel niet meer vooruitgaan in de kennis der dingen, wordt hiermee toch niet uitgesloten, dat zij door de hogere verlicht worden.

Ad tertium dicendum quod, etsi post diem iudicii homines non sint ulterius ad salutem adducendi per ministerium Angelorum; tamen illi qui iam salutem erunt consecuti, aliquam illustrationem habebunt per Angelorum officia. (Ia q. 108 a. 7 ad 3)

3 — Ofschoon na de oordeelsdag de mensen niet langer meer tot de zaligheid geleid behoeven te worden, zullen toch degenen, die het heil bereikt hebben, de een of andere verlichting verkrijgen door functies der engelen. Men beweert, dat de mensen niet opgenomen worden in de koren der engelen. — 1. De menselijke hiërarchie immers staat onder de laagste der hemelse hiërarchieën, zoals de laagste onder de middelste, en de middelste onder de hoogste. Maar de engelen der laagste hiërarchie worden nooit naar de middelste of de hoogste overgebracht. Dus worden evenmin de mensen overgebracht naar de koren der engelen.

Articulus 8.
Worden de mensen opgenomen in de koren der engelen?

Ad octavum sic proceditur. Videtur quod homines non assumantur ad ordines Angelorum. Hierarchia enim humana continetur sub infima hierarchiarum caelestium, sicut infima sub media, et media sub prima. Sed Angeli infimae hierarchiae nunquam transferentur in mediam aut in primam. Ergo neque homines transferentur ad ordines Angelorum. (Ia q. 108 a. 8 arg. 1)

1 — Aan de koren der engelen komen functies toe als beschermen, wonderen doen, duivels bedwingen, e.d., die niet overeen schijnen te stemmen met de (natuur van de) zielen der heiligen. Dus worden deze ook niet overgebracht naar de koren der engelen.

Praeterea, ordinibus Angelorum aliqua officia competunt, utpote custodire, miracula facere, Daemones arcere, et huiusmodi, quae non videntur convenire animabus sanctorum. Ergo non transferentur ad ordines Angelorum. (Ia q. 108 a. 8 arg. 2)

2 — Zoals de goede engelen tot het goede opwekken, zo verleiden de duivels tot het kwaad. Maar het is dwaalleer te zeggen, dat de zielen der slechte mensen in duivels veranderd worden: dit toch veroordeelt Chrysostomus. Het schijnt dus dat de zielen der heiligen niet worden overgebracht naar de koren der engelen.

Praeterea, sicut boni Angeli inducunt ad bonum, ita Daemones inducunt ad malum. Sed erroneum est dicere quod animae hominum malorum convertantur in Daemones, hoc enim Chrysostomus reprobat, super Matth. Ergo non videtur quod animae sanctorum transferantur ad ordines Angelorum. (Ia q. 108 a. 8 arg. 3)

Sed contra est quod dominus dicit, Matth. XXII, de sanctis, quod erunt sicut Angeli Dei in caelo. (Ia q. 108 a. 8 s. c.)

Daartegenover staat echter, dat de Heer van de Heiligen zegt, dat “zij zullen zijn als engelen in de hemel” (Matth. 22, 30).

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, ordines Angelorum distinguuntur et secundum conditionem naturae, et secundum dona gratiae. Si ergo considerentur Angelorum ordines solum quantum ad gradum naturae, sic homines nullo modo assumi possunt ad ordines Angelorum, quia semper remanebit naturarum distinctio. Quam quidam considerantes, posuerunt quod nullo modo homines transferri possunt ad aequalitatem Angelorum. Quod est erroneum, repugnat enim promissioni Christi, dicentis, Lucae XX, quod filii resurrectionis erunt aequales Angelis in caelis. Illud enim quod est ex parte naturae, se habet ut materiale in ratione ordinis, completivum vero est quod est ex dono gratiae, quae dependet ex liberalitate Dei, non ex ordine naturae. Et ideo per donum gratiae homines mereri possunt tantam gloriam, ut Angelis aequentur secundum singulos Angelorum gradus. Quod est homines ad ordines Angelorum assumi. Quidam tamen dicunt quod ad ordines Angelorum non assumuntur omnes qui salvantur, sed soli virgines vel perfecti; alii vero suum ordinem constituent, quasi condivisum toti societati Angelorum. Sed hoc est contra Augustinum, qui dicit XII de Civ. Dei, quod non erunt duae societates hominum et Angelorum, sed una, quia omnium beatitudo est adhaerere uni Deo. (Ia q. 108 a. 8 co.)

Zoals boven gezegd is (4e en 7e Art.), worden de koren der engelen onderscheiden naar de aard van hun natuur en de gaven der genade. Beschouwt men de engelenkoren dus uitsluitend naar de graad der natuur, dan kunnen de mensen op geen enkele wijze in de koren der engelen opgenomen worden: want altijd zal het onderscheid der naturen blijven. En hierop lettend, hebben sommigen gezegd, dat de mensen op geen enkele wijze met de engelen gelijkgesteld kunnen worden. Maar dit is dwaalleer: in strijd met de belofte van Christus, die volgens Lucas (20, 36) gezegd heeft, dat “de kinderen der verrijzenis gelijk zullen zijn aan de engelen in de hemel”. Met betrekking tot de koren als zodanig is, wat van de kant van de natuur is slechts materieel, maar vervolledigend is wat van de kant der genadegaven komt, en dit hangt af van Gods vrijgevigheid, niet van de natuur. En daarom kunnen de mensen door de genadegaven zoveel glorie verdienen, dat zij aan de engelen der afzonderlijke koren gelijk worden. En dit is, dat de mensen opgenomen worden in de koren der engelen. Sommigen echter beweren, dat niet allen, die zalig worden, tot de koren der engelen opgenomen worden, maar slechts de maagden of de volmaakten; de overigen zullen hun eigen koor uitmaken, als staande tegenover gansch de engelenschaar. — Maar dit is tegen Augustinus, die zegt, dat “er geen twee scharen zullen zijn, der engelen en der mensen, maar één: omdat aller zaligheid bestaat in het aanhangen van de ene God”.

Ad primum ergo dicendum quod gratia Angelis datur secundum proportionem naturalium; non autem sic est de hominibus, ut supra dictum est. Et ideo sicut inferiores Angeli non possunt transferri ad naturalem gradum superiorum, ita nec ad gratuitum. Homines vero possunt ad gratuitum conscendere, sed non ad naturalem. (Ia q. 108 a. 8 ad 1)

1 — De genade wordt aan de engelen in verhouding tot de natuur gegeven; maar zo is het, gelijk boven gezegd is (4e Art.; 62e Kw. 6e Art.), niet bij de mensen. Zoals dus de lagere engelen niet tot de natuurlijke graad der hogere kunnen overgebracht worden, zo ook niet tot die der genade. De mensen kunnen echter opstijgen tot die der genade, niet echter tot de natuurlijke graad.

Ad secundum dicendum quod Angeli, secundum naturae ordinem, medii sunt inter nos et Deum. Et ideo, secundum legem communem, per eos administrantur non solum res humanae, sed etiam omnia corporalia. Homines autem sancti, etiam post hanc vitam, sunt eiusdem naturae nobiscum. Unde secundum legem communem, non administrant humana, nec rebus vivorum intersunt, ut Augustinus dicit in libro de cura pro mortuis agenda. Ex quadam tamen speciali dispensatione interdum aliquibus sanctis conceditur, vel vivis vel mortuis, huiusmodi officia exercere, vel miracula faciendo, vel Daemones arcendo, vel aliquid huiusmodi; sicut Augustinus in eodem libro dicit. (Ia q. 108 a. 8 ad 2)

2 — De engelen staan naar de orde der natuur tussen God en ons in. Vandaar dat naar de algemene wet niet alleen de menselijke aangelegenheden, maar alle lichamelijke dingen door hen beheerd worden. De heilige mensen echter zijn, ook na dit leven, van dezelfde natuur als wij. Daarom beheeren zij naar de algemene wet geen menselijke belangen, “noch mengen zij zich m de aangelegenheden der levenden”, zoals Augustinus zegt. — Maar door bijzondere toelating wordt soms aan sommige heiligen, bij hun leven of na de dood, toegestaan dergelijke functies te verrichten door het doen van wonderen, of bedwingen van duivels of iets dergelijks, naar Augustinus in hetzelfde werk zegt.

Ad tertium dicendum quod homines ad poenam Daemonum transferri, non est erroneum, sed quidam erronee posuerunt Daemones nihil aliud esse quam animas defunctorum. Et hoc Chrysostomus reprobat. (Ia q. 108 a. 8 ad 3)

3 — Dat de mensen verwezen worden tot de straf der duivels, is geen dwaalleer, maar sommigen hebben dwalend gehouden, dat de duivels niets anders zijn dan de zielen der overledenen. En dit is wat Chrysostomus veroordeelt.