QuaestioArticulus

Prima Secundae. Quaestio 92.
Over de gevolgen van de wet .

Prooemium

Deinde considerandum est de effectibus legis. Et circa hoc quaeruntur duo. Primo, utrum effectus legis sit homines facere bonos. Secundo, utrum effectus legis sint imperare, vetare, permittere et punire, sicut legisperitus dicit. (Ia-IIae q. 92 pr.)

Hierna moeten we onze aandacht wijden aan de gevolgen van de wet. Hieromtrent stellen we twee vragen: 1) Maakt de wet de mensen goed? 2) Zijn bevelen, verbieden, veroorloven en straffen gevolgen van de wet?

Articulus 1.
Maakt de wet de mensen goed?

Ad primum sic proceditur. Videtur quod legis non sit facere homines bonos. Homines enim sunt boni per virtutem, virtus enim est quae bonum facit habentem, ut dicitur in II Ethic. Sed virtus est homini a solo Deo, ipse enim eam facit in nobis sine nobis, ut supra dictum est in definitione virtutis. Ergo legis non est facere homines bonos. (Ia-IIae q. 92 a. 1 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de wet de mensen niet goed maakt. De mensen immers zijn goed door de deugden, want deugd is, wat degene, die de deugd heeft, goed maakt, zoals we lezen in het II° Boek der Ethica (VI° H.). Welnu alleen van God krijgt de mens de deugd, want Hij is het, die haar aan ons geeft zonder ons, zoals hierboven gezegd is in de bepaling van de deugd (LX° Kw., 4° Art.). Bijgevolg maakt de wet de mensen niet goed.

Praeterea, lex non prodest homini nisi legi obediat. Sed hoc ipsum quod homo obedit legi, est ex bonitate. Ergo bonitas praeexigitur in homine ad legem. Non igitur lex facit homines bonos. (Ia-IIae q. 92 a. 1 arg. 2)

2 — De mens heeft geen voordeel van de wet, tenzij hij ze onderhoudt. Maar dat hij ze onderhoudt, komt omdat hij goed is. Dus wordt het goedzijn verondersteld in de mens vóór de wet, en bijgevolg maakt zij hem niet goed.

Praeterea, lex ordinatur ad bonum commune, ut supra dictum est. Sed quidam bene se habent in his quae ad commune pertinent, qui tamen in propriis non bene se habent. Non ergo ad legem pertinet quod faciat homines bonos. (Ia-IIae q. 92 a. 1 arg. 3)

3 — De wet is geordend tot het algemeen welzijn, zoals hierboven gezegd is (XC° Kw., 2° Art.). Welnu, er zijn er die goed zijn met betrekking tot wat het algemeen welzijn betreft, en niet met betrekking tot het bijzonder welzijn. Dus maakt de wet de mens niet goed.

Praeterea, quaedam leges sunt tyrannicae, ut philosophus dicit, in sua politica. Sed tyrannus non intendit ad bonitatem subditorum, sed solum ad propriam utilitatem. Non ergo legis est facere homines bonos. (Ia-IIae q. 92 a. 1 arg. 4)

4 — Sommige wetten zijn tyranniek, zoals de Wijsgeer zegt in zijn Politiek (III° B., VI° H.). Welnu een tiran heeft niet het welzijn der mensen op het oog, maar alleen zijn eigen belang. Dus maakt de wet de mensen niet goed.

Sed contra est quod philosophus dicit, in II Ethic., quod voluntas cuiuslibet legislatoris haec est, ut faciat cives bonos. (Ia-IIae q. 92 a. 1 s. c.)

Maar daartegenover staat het gezag van de Wijsgeer, die in het II° Boek zijner Ethica zegt (I° H.): « De bedoeling van iedere wetgever is de mensen goed te maken ».

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, lex nihil aliud est quam dictamen rationis in praesidente, quo subditi gubernantur. Cuiuslibet autem subditi virtus est ut bene subdatur ei a quo gubernatur, sicut videmus quod virtus irascibilis et concupiscibilis in hoc consistit quod sint bene obedientes rationi. Et per hunc modum virtus cuiuslibet subiecti est ut bene subiiciatur principanti, ut philosophus dicit, in I Polit. Ad hoc autem ordinatur unaquaeque lex, ut obediatur ei a subditis. Unde manifestum est quod hoc sit proprium legis, inducere subiectos ad propriam ipsorum virtutem. Cum igitur virtus sit quae bonum facit habentem, sequitur quod proprius effectus legis sit bonos facere eos quibus datur, vel simpliciter vel secundum quid. Si enim intentio ferentis legem tendat in verum bonum, quod est bonum commune secundum iustitiam divinam regulatum, sequitur quod per legem homines fiant boni simpliciter. Si vero intentio legislatoris feratur ad id quod non est bonum simpliciter, sed utile vel delectabile sibi, vel repugnans iustitiae divinae; tunc lex non facit homines bonos simpliciter, sed secundum quid, scilicet in ordine ad tale regimen. Sic autem bonum invenitur etiam in per se malis, sicut aliquis dicitur bonus latro, quia operatur accommode ad finem. (Ia-IIae q. 92 a. 1 co.)

Gelijk we vroeger gezien hebben (XC° Kw., 1°, 3° en 4° Art.), is de wet niets anders dan een voorschrift van de rede van degene die aan het hoofd staat, waardoor de onderdanen bestuurd worden. Welnu het behoort tot de deugd van iedere onderdaan, dat hij goed onderworpen is aan hem, door wie hij bestuurd wordt, evenals de deugd voor het weerstrevend en voor het begerend streefvermogen hierin bestaat, dat het goed gehoorzaamt aan de rede. En in die zin moet men de woorden van de Wijsgeer verstaan, dat het een deugd is voor iedere onderdaan dat hij goed onderworpen is aan zijn bestuurder. (I° Boek der Politiek, V° H.). Welnu het is het doel van iedere wet, door de onderdanen opgevolgd te worden. Vandaar is het duidelijk dat het eigen is aan de wet haar onderdanen te leiden tot de onderhouding van hun eigen deugd. Daar nu de deugd hem in wie ze is, goed maakt, volgt ook dat het eigen gevolg van de wet is, diegenen voor wie ze gegeven wordt, óf onder alle opzichten, of onder een bepaald opzicht, goed te maken. Indien de wetgever het ware goed op het oog heeft, nl. het algemeen welzijn, geregeld overeenkomstig de goddelijke gerechtigheid, dan maakt zij die mens zonder meer goed. Indien echter het goed, dat de wetgever op het oog heeft, niet in alle opzichten goed is, maar iets wat voor hem nuttig of aangenaam is, of zelfs iets wat de goddelijke gerechtigheid weerstreeft, dan maakt de wet de mensen niet onder ieder opzicht goed, maar slechts onder een bepaald opzicht, nl. in orde tot dergelijk bestuur. In die zin kan er zelfs iets goeds gevonden worden in iets, wat op zichzelf kwaad is, zoals men b. v. iemand een goed rover noemt, in zover hij handelt in overeenstemming met zijn doel.

Ad primum ergo dicendum quod duplex est virtus, ut ex supradictis patet, scilicet acquisita, et infusa. Ad utramque autem aliquid operatur operum assuetudo, sed diversimode, nam virtutem quidem acquisitam causat; ad virtutem autem infusam disponit, et eam iam habitam conservat et promovet. Et quia lex ad hoc datur ut dirigat actus humanos, inquantum actus humani operantur ad virtutem, intantum lex facit homines bonos. Unde et philosophus dicit, II Polit., quod legislatores assuefacientes faciunt bonos. (Ia-IIae q. 92 a. 1 ad 1)

1 — Zoals vroeger is uiteengezet (LXIIIe Kw., 2e Art.), is er een dubbele soort van deugd, nl. de verworven en de ingestorte. De gewoonte betrekt zich op beide, maar op verschillende manier, want met betrekking tot de aangeworven deugd is ze oorzaak, terwijl ze met betrekking tot de ingestorte een bepaalde gesteltenis geeft, om ze te ontvangen, en, als men de ingestorte deugd reeds heeft, behoudt en bevordert ze haar. Daar nu de wet gegeven wordt om de menselijke handelingen te leiden, maakt de wet de mensen goed, voor zover de menselijke handelingen op de deugd gericht zijn. Vandaar zegt de Wijsgeer in het II° Boek zijner Politiek (Ethica, II° B., I° H.): « De wetgevers maken de mensen goed, voor zover zij ze dwingen een gewoonte aan te nemen ».

Ad secundum dicendum quod non semper aliquis obedit legi ex bonitate perfecta virtutis, sed quandoque quidem ex timore poenae; quandoque autem ex solo dictamine rationis, quod est quoddam principium virtutis, ut supra habitum est. (Ia-IIae q. 92 a. 1 ad 2)

2 — Niet altijd gehoorzaamt iemand aan de wet uit volmaakte deugd, soms gehoorzaamt men uit vrees voor straf, soms ook alleen omdat de rede ons het bevel daarvan oplegt, dat een beginsel is van deugd, zoals hierboven gezegd is (LXIII° Kw., I° Art.).

Ad tertium dicendum quod bonitas cuiuslibet partis consideratur in proportione ad suum totum, unde et Augustinus dicit, in III Confess., quod turpis omnis pars est quae suo toti non congruit. Cum igitur quilibet homo sit pars civitatis, impossibile est quod aliquis homo sit bonus, nisi sit bene proportionatus bono communi, nec totum potest bene consistere nisi ex partibus sibi proportionatis. Unde impossibile est quod bonum commune civitatis bene se habeat, nisi cives sint virtuosi, ad minus illi quibus convenit principari. Sufficit autem, quantum ad bonum communitatis, quod alii intantum sint virtuosi quod principum mandatis obediant. Et ideo philosophus dicit, in III Polit., quod eadem est virtus principis et boni viri; non autem eadem est virtus cuiuscumque civis et boni viri. (Ia-IIae q. 92 a. 1 ad 3)

3 — De goedheid van een deel wordt altijd beschouwd in verhouding tot het geheel. Vandaar zegt Augustinus in het III° Boek van zijn Belijdenissen (VIII° H.): « Tot schande strekt het ieder deel dat niet overeenkomt met het geheel ». Daar nu ieder mens een deel is van de staat, is het onmogelijk dat een mens goed is, wanneer hij niet goed geordend is met betrekking tot het algemeen welzijn. Ook kan het geheel niet goed bestaan, als de delen er zich niet goed toe lenen. Daarom kan het algemeen welzijn van de staat nooit goed gaan, tenzij de burgers deugdzaam zijn, ten minste zij die het bestuur in handen hebben. Voor de anderen is voor het welzijn van de gemeenschap die graad van deugd voldoende, waardoor ze gehoorzamen aan de bevelen der regeerders. Daarom zegt de Wijsgeer in het IIIe Boek van zijn Politiek (IIe H.): « Het is een en dezelfde deugd, waardoor men een goed vorst en een goed mens is; echter niet, waardoor men een goed burger en een goed mens is ».

Ad quartum dicendum quod lex tyrannica, cum non sit secundum rationem, non est simpliciter lex, sed magis est quaedam perversitas legis. Et tamen inquantum habet aliquid de ratione legis, intendit ad hoc quod cives sint boni. Non enim habet de ratione legis nisi secundum hoc quod est dictamen alicuius praesidentis in subditis, et ad hoc tendit ut subditi legi sint bene obedientes; quod est eos esse bonos, non simpliciter, sed in ordine ad tale regimen. (Ia-IIae q. 92 a. 1 ad 4)

4 — De wet van een tiran is niet onder alle opzichten wet, daar ze niet overeenkomstig de rede is. Ze is eerder een verkrachting van de wet. Voor zover ze echter iets van een wet heeft, beoogt ze de burgers goed te maken, want slechts in zóóver heeft ze iets van een wet, voor zover ze een voorschrift is van een vorst met betrekking tot zijn onderdanen; ook beoogt ze haar volbrenging door de onderdanen, wat hetzelfde is als de burgers goed maken, niet zonder meer, maar in orde tot dit bestuur.

Articulus 2.
Worden de handelingen, die tot de volmaking van de wet behoren, goed aangegeven?

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod legis actus non sint convenienter assignati in hoc quod dicitur quod legis actus est imperare, vetare, permittere et punire. Lex enim omnis praeceptum commune est, ut legisconsultus dicit. Sed idem est imperare quod praecipere. Ergo alia tria superfluunt. (Ia-IIae q. 92 a. 2 arg. 1)

1 — Men beweert, dat de handelingen die tot de volmaking van de wet behoren, niet goed aangegeven worden, door te zeggen dat die handelingen zijn: bevelen, verbieden, toelaten en straffen. Immers iedere wet is een algemeen bevel, zoals de Wetgeleerde zegt. Maar bevelen is hetzelfde als gebieden. Dus zijn de overige drie overbodig.

Praeterea, effectus legis est ut inducat subditos ad bonum, sicut supra dictum est. Sed consilium est de meliori bono quam praeceptum. Ergo magis pertinet ad legem consulere quam praecipere. (Ia-IIae q. 92 a. 2 arg. 2)

2 — Het is een gevolg van de wet, dat de mensen geleid worden tot het goede, zoals hierboven gezegd is (vorig Artikel). Welnu het doel van een raad ligt hoger, dan dat van een bevel. Dus behoort eerder het raadgeven tot de wet dan het bevelen.

Praeterea, sicut homo aliquis incitatur ad bonum per poenas, ita etiam et per praemia. Ergo sicut punire ponitur effectus legis, ita etiam et praemiare. (Ia-IIae q. 92 a. 2 arg. 3)

3 — Evenals de mens opgewekt wordt tot het goede door straf, zo ook door beloning. Gelijk dus het straffen, zo ook behoort het belonen tot de gevolgen van de wet.

Praeterea, intentio legislatoris est ut homines faciat bonos, sicut supra dictum est. Sed ille qui solo metu poenarum obedit legi, non est bonus, nam timore servili, qui est timor poenarum, etsi bonum aliquis faciat, non tamen bene aliquid fit, ut Augustinus dicit. Non ergo videtur esse proprium legis quod puniat. (Ia-IIae q. 92 a. 2 arg. 4)

4 — De bedoeling van de wetgever is, de mensen goed te maken, zoals hierboven bewezen is (vorig Art.). Welnu hij die alleen uit vrees voor straf aan de wet gehoorzaamt, is niet goed, want ofschoon iemand, die niet uit slaafsche vrees, d.w.z. uit vrees voor straf, handelt, iets goed kan doen, doet hij het toch niet op de goede manier, zoals Augustinus zegt in zijn Enchiridion (CXXI° H.). Het straffen behoort dus eigenlijk niet tot de wet.

Sed contra est quod Isidorus dicit, in V Etymol., omnis lex aut permittit aliquid, ut, vir fortis praemium petat. Aut vetat, ut, sacrarum virginum nuptias nulli liceat petere. Aut punit, ut, qui caedem fecerit, capite plectatur. (Ia-IIae q. 92 a. 2 s. c.)

Maar daartegenover staat het gezegde van Isidorus in zijn Etymologieën (VI B., XIX H.): « Iedere wet laat iets toe, zoals deze wet: Een kloekmoedige man mag een beloning eisen; of verbiedt iets, zoals deze: Niemand mag aan God toegewijde maagden ten huwelijk vragen; of legt een straf op, zoals deze: Hij die een moord bedreven heeft, moet onthoofd worden. »

Respondeo dicendum quod, sicut enuntiatio est rationis dictamen per modum enuntiandi, ita etiam lex per modum praecipiendi. Rationis autem proprium est ut ex aliquo ad aliquid inducat. Unde sicut in demonstrativis scientiis ratio inducit ut assentiatur conclusioni per quaedam principia, ita etiam inducit ut assentiatur legis praecepto per aliquid. Praecepta autem legis sunt de actibus humanis, in quibus lex dirigit, ut supra dictum est. Sunt autem tres differentiae humanorum actuum. Nam sicut supra dictum est, quidam actus sunt boni ex genere, qui sunt actus virtutum, et respectu horum, ponitur legis actus praecipere vel imperare; praecipit enim lex omnes actus virtutum, ut dicitur in V Ethic. Quidam vero sunt actus mali ex genere, sicut actus vitiosi, et respectu horum, lex habet prohibere. Quidam vero ex genere suo sunt actus indifferentes, et respectu horum, lex habet permittere. Et possunt etiam indifferentes dici omnes illi actus qui sunt vel parum boni vel parum mali. Id autem per quod inducit lex ad hoc quod sibi obediatur, est timor poenae, et quantum ad hoc, ponitur legis effectus punire. (Ia-IIae q. 92 a. 2 co.)

Gelijk een voorafgaand oordeel het voorschrift is van het verstand, uitgedrukt in een eenvoudige uitspraak, zo is een wet het voorschrift van het verstand, uitgedrukt in een bevel. Welnu het is eigen aan het verstand, dat het van iets overgaat op iets anders. Evenals dus het verstand in de beschouwende wetenschappen de toestemming aan de gevolgtrekkingen bewerkt door sommige beginselen, zo ook is er iets waardoor het verstand ons ertoe beweegt, toe te stemmen in het bevel van een wet. Welnu de bevelen van de wet hebben betrekking op de menselijke daden, die door de wet geordend zijn, zoals hierboven gezegd is (XC° Kw., 1° Art., XCI° Kw., 4° Art.). Nu zijn er drie soorten van menselijke daden, want, zoals hierboven gezegd is (XVIII° Kw., 8° Art.), zijn sommige daden door hun voorwerp goed, nl. de daden der deugden. Met betrekking tot die daden is het bevelen of gebieden, de daad van de wet; de wet immers beveelt al de daden der deugden, zoals we lezen in het V° Boek der Ethica (I° H.). Andere daden zijn door hun voorwerp slecht. Met betrekking tot die daden verbiedt de wet. Weer andere daden zijn door hun voorwerp goed noch slecht. Met betrekking tot die daden, laat de wet toe. Onder deze daden kunnen ook die daden gerangschikt worden, die maar in geringe mate goed of slecht zijn. Datgene eindelijk, waardoor de wet ons ertoe beweegt, om eraan te gehoorzamen, is de vrees voor straf, en hiervoor is het straffen een gevolg van de wet.

Ad primum ergo dicendum quod, sicut cessare a malo habet quandam rationem boni, ita etiam prohibitio habet quandam rationem praecepti. Et secundum hoc, large accipiendo praeceptum, universaliter lex praeceptum dicitur. (Ia-IIae q. 92 a. 2 ad 1)

1 — Evenals het afhouden van het kwade in zekere zin goed is, zo ook is het verbieden in zekere zin gebieden, en in die zin kan de wet een voorschrift genoemd worden, in de ruimere betekenis van het woord.

Ad secundum dicendum quod consulere non est proprius actus legis, sed potest pertinere etiam ad personam privatam, cuius non est condere legem. Unde etiam apostolus, I ad Cor. VII, cum consilium quoddam daret, dixit, ego dico, non dominus. Et ideo non ponitur inter effectus legis. (Ia-IIae q. 92 a. 2 ad 2)

2 — Raad geven is geen daad die eigen is aan de wet; immers kan het ook behoren aan een privaat persoon, die geen wetten kan maken. Daarom zegt de Apostel, als hij een raad geeft: « Ik zeg U, en niet de Heer. » (I° Brief aan de Corinthiërs, 7, 12.) Daarom behoort het raadgever niet tot de gevolgen van de wet.

Ad tertium dicendum quod etiam praemiare potest ad quemlibet pertinere, sed punire non pertinet nisi ad ministrum legis, cuius auctoritate poena infertur. Et ideo praemiare non ponitur actus legis, sed solum punire. (Ia-IIae q. 92 a. 2 ad 3)

3 — Ook belonen kan iedereen, terwijl het straffen alleen behoort tot een bedienaar van de wet, die door zijn gezag kan straffen. Daarom behoort het belonen niet tot de daden die een gevolg zijn van de wet, wel echter het straffen.

Ad quartum dicendum quod per hoc quod aliquis incipit assuefieri ad vitandum mala et ad implendum bona propter metum poenae, perducitur quandoque ad hoc quod delectabiliter et ex propria voluntate hoc faciat. Et secundum hoc, lex etiam puniendo perducit ad hoc quod homines sint boni. (Ia-IIae q. 92 a. 2 ad 4)

4 — Iemand die zich uit vrees voor straf went het kwade te laten en het goede te doen, wordt er soms toe gebracht, dat hij dit genegen en uit eigen beweging gaat doen. In die zin kan de wet ook door te straffen de mensen goed maken.