Prima Secundae. Quaestio 91. Over de verschillende soorten wetten .
Prooemium
Deinde considerandum est de diversitate legum. Et circa hoc quaeruntur sex. Primo,
utrum sit aliqua lex aeterna. Secundo, utrum sit aliqua lex naturalis. Tertio, utrum
sit aliqua lex humana. Quarto, utrum sit aliqua lex divina. Quinto, utrum sit una
tantum, vel plures. Sexto, utrum sit aliqua lex peccati. (Ia-IIae q. 91 pr.)
Vervolgens moeten we de verschillende soorten wetten beschouwen. Hieromtrent stellen
we zes vragen: 1) Is er een eeuwige wet? 2) Is er een natuurwet? 3) Is er een menselijke
wet? 4) Is er een goddelijke wet? 5) Is de goddelijke wet enkel of meervoudig? 6)
Is er een wet der zonde?
Articulus 1. Is er een eeuwige wet?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod non sit aliqua lex aeterna. Omnis enim lex
aliquibus imponitur. Sed non fuit ab aeterno aliquis cui lex posset imponi, solus
enim Deus fuit ab aeterno. Ergo nulla lex est aeterna. (Ia-IIae q. 91 a. 1 arg. 1)
1 — Iedere wet immers wordt aan iemand opgelegd. Welnu niemand aan wie de wet zou kunnen
opgelegd zijn, is van eeuwigheid, want alleen God is van eeuwigheid. Dus is er geen
eeuwige wet.
Praeterea, promulgatio est de ratione legis. Sed promulgatio non potuit esse ab aeterno,
quia non erat ab aeterno cui promulgaretur. Ergo nulla lex potest esse aeterna. (Ia-IIae q. 91 a. 1 arg. 2)
2 — De afkondiging behoort tot het wezen van de wet. Welnu de afkondiging kan niet van
eeuwigheid zijn, omdat niemand van eeuwigheid is aan wie de afkondiging zou gedaan
zijn. Dus kan er geen eeuwige wet zijn.
Praeterea, lex importat ordinem ad finem. Sed nihil est aeternum quod ordinetur ad
finem, solus enim ultimus finis est aeternus. Ergo nulla lex est aeterna. (Ia-IIae q. 91 a. 1 arg. 3)
3 — Wet zegt een orde tot een doel. Welnu niets, wat geordend is tot een doel, is eeuwig;
alleen het laatste doel immers is eeuwig. Bijgevolg is geen enkele wet eeuwig.
Sed contra est quod Augustinus dicit, in I de Lib. Arb., lex quae summa ratio nominatur,
non potest cuipiam intelligenti non incommutabilis aeternaque videri. (Ia-IIae q. 91 a. 1 s. c.)
Maar daartegenover staat het gezegde van Augustinus in zijn Boek Over de vrije Wil
(I° B., VI° H.): « De wet die de hoogste rede is, kan door iemand, die weet wat ze
eigenlijk is, alleen voor onveranderlijk en eeuwig aanzien worden ».
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, nihil est aliud lex quam quoddam
dictamen practicae rationis in principe qui gubernat aliquam communitatem perfectam.
Manifestum est autem, supposito quod mundus divina providentia regatur, ut in primo
habitum est, quod tota communitas universi gubernatur ratione divina. Et ideo ipsa
ratio gubernationis rerum in Deo sicut in principe universitatis existens, legis habet
rationem. Et quia divina ratio nihil concipit ex tempore, sed habet aeternum conceptum,
ut dicitur Prov. VIII; inde est quod huiusmodi legem oportet dicere aeternam. (Ia-IIae q. 91 a. 1 co.)
Zoals hierboven gezegd is (XC° Kw., 1° Art., antwoord op de 2° Bed.; 3° en 4° Art.),
is dus de wet niets anders dan een voorschrift van het praktisch verstand van een
vorst, die het bestuur heeft over een volmaakte gemeenschap. In de veronderstelling
nu, dat, zoals we in het I° Deel bewezen hebben (XXII° Kw., 1° en 2° Art.), de wereld
door de goddelijke voorzienigheid bestuurd wordt, is het duidelijk, dat het heelal
bestuurd wordt door het goddelijk verstand. En zo is het bestuur van de dingen, dat
in God is, als vorst van het heelal, een wet. En aangezien het goddelijk verstand
niets vormt in de tijd, maar een eeuwig begrip heeft, zoals we lezen in het Boek der
Spreuken (8, 23), moet die wet eeuwig genoemd worden.
Ad primum ergo dicendum quod ea quae in seipsis non sunt, apud Deum existunt, inquantum
sunt ab ipso praecognita et praeordinata; secundum illud Rom. IV, qui vocat ea quae
non sunt, tanquam ea quae sunt. Sic igitur aeternus divinae legis conceptus habet
rationem legis aeternae, secundum quod a Deo ordinatur ad gubernationem rerum ab ipso
praecognitarum. (Ia-IIae q. 91 a. 1 ad 1)
1 — Die dingen, die niet op zichzelf bestaan, bestaan toch bij God, voor zover ze door
Hem tevoren gekend en verordend zijn, overeenkomstig de Brief aan de Romeinen (4,
17): « Die de wezens oproept, die niet bestaan, alsof ze bestonden ». Daarom is het
eeuwige begrip der goddelijke wet een eeuwige wet, voor zover het door God geordend
is tot het bestuur van die dingen, die door Hem tevoren gekend zijn.
Ad secundum dicendum quod promulgatio fit et verbo et scripto; et utroque modo lex
aeterna habet promulgationem ex parte Dei promulgantis, quia et verbum divinum est
aeternum, et Scriptura libri vitae est aeterna. Sed ex parte creaturae audientis aut
inspicientis, non potest esse promulgatio aeterna. (Ia-IIae q. 91 a. 1 ad 2)
2 — De afkondiging geschiedt ofwel mondeling, ofwel schriftelijk, en op beide manieren
is de eeuwige wet afgekondigd; van de kant van God, daar én het Goddelijk Woord eeuwig
is, én het geschreven Boek des Levens. Maar van de kant van het schepsel kan de afkondiging,
noch schriftelijk, noch mondeling, eeuwig zijn.
Ad tertium dicendum quod lex importat ordinem ad finem active, inquantum scilicet
per eam ordinantur aliqua in finem, non autem passive, idest quod ipsa lex ordinetur
ad finem, nisi per accidens in gubernante cuius finis est extra ipsum, ad quem etiam
necesse est ut lex eius ordinetur. Sed finis divinae gubernationis est ipse Deus,
nec eius lex est aliud ab ipso. Unde lex aeterna non ordinatur in alium finem. (Ia-IIae q. 91 a. 1 ad 3)
3 — De wet zegt actief een orde tot het doel, voor zover sommige dingen door haar geordend
worden tot een doel; echter niet passief, alsof de wet zelf geordend zou zijn tot
een doel, tenzij natuurlijk toevallig in de bestuurder, wiens doel iets is buiten
hem, waarop de door hem gestelde wet moet geordend zijn. Daar echter het doel van
Gods bestuur God zelf is, en Gods wet God zelf is, daarom moet de eeuwige wet niet
geordend worden tot een ander doel.
Articulus 2. Is er in ons een natuurwet?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod non sit in nobis aliqua lex naturalis. Sufficienter
enim homo gubernatur per legem aeternam, dicit enim Augustinus, in I de Lib. Arb.,
quod lex aeterna est qua iustum est ut omnia sint ordinatissima. Sed natura non abundat
in superfluis, sicut nec deficit in necessariis. Ergo non est aliqua lex homini naturalis. (Ia-IIae q. 91 a. 2 arg. 1)
1 — Men beweert, dat er in ons geen natuurwet is. De eeuwige wet toch is voldoende om
de mens te besturen, want in zijn Boek *Over de vrije Wil* (I B., VI° H.) zegt Augustinus,
dat de eeuwige wet er is, omdat alles rechtmatig moet geordend zijn. Welnu de natuur
voorziet niet in wat overbodig is, gelijk zij ook niet te kort schiet in het noodzakelijke.
Bijgevolg bestaat er geen natuurwet voor de mens.
Praeterea, per legem ordinatur homo in suis actibus ad finem, ut supra habitum est.
Sed ordinatio humanorum actuum ad finem non est per naturam, sicut accidit in creaturis
irrationabilibus, quae solo appetitu naturali agunt propter finem, sed agit homo propter
finem per rationem et voluntatem. Ergo non est aliqua lex homini naturalis. (Ia-IIae q. 91 a. 2 arg. 2)
2 — Door de wet wordt de mens in zijn handelingen geordend tot zijn doel, zoals hierboven
bewezen is (vorige Kwestie, 2° Arn). Welnu de ordening van de menselijke handelingen
tot hun doel geschiedt niet door de natuur, zoals bij de onredelijke schepsels, die
alleen door hun natuur handelen om een doel. De mens echter handelt om een doel door
zijn verstand en wil. Dus is er geen natuurwet voor de mens.
Praeterea, quanto aliquis est liberior, tanto minus est sub lege. Sed homo est liberior
omnibus animalibus, propter liberum arbitrium, quod prae aliis animalibus habet. Cum
igitur alia animalia non subdantur legi naturali, nec homo alicui legi naturali subditur. (Ia-IIae q. 91 a. 2 arg. 3)
3 — Hoe vrijer de mens is, des te minder valt hij onder de wet. Welnu de mens is, om zijn
vrije wil, die hij heeft boven alle andere, vrijer dan alle andere dieren. Daar nu
de overige dieren niet onderworpen zijn aan de natuurwet, is zeker de mens niet onderworpen
aan enige wet.
Sed contra est quod, Rom. II, super illud, cum gentes, quae legem non habent, naturaliter
ea quae legis sunt faciunt, dicit Glossa, etsi non habent legem scriptam, habent tamen
legem naturalem, qua quilibet intelligit et sibi conscius est quid sit bonum et quid
malum. (Ia-IIae q. 91 a. 2 s. c.)
Maar daartegenover staat de aantekening van de gewone Glossa op die woorden uit de
Brief aan de Romeinen (2, 14): « Wanneer heidenen, die geen wet hebben, natuurlijkerwijze
doen wat in de wet staat », nl.: « Indien zij geen geschreven wet hebben, hebben zij
in ieder geval een natuurwet, krachtens welke iedere persoon begrijpt en zich bewust
is, wat goed is en wat kwaad is ».
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, lex, cum sit regula et mensura, dupliciter
potest esse in aliquo, uno modo, sicut in regulante et mensurante; alio modo, sicut
in regulato et mensurato, quia inquantum participat aliquid de regula vel mensura,
sic regulatur vel mensuratur. Unde cum omnia quae divinae providentiae subduntur,
a lege aeterna regulentur et mensurentur, ut ex dictis patet; manifestum est quod
omnia participant aliqualiter legem aeternam, inquantum scilicet ex impressione eius
habent inclinationes in proprios actus et fines. Inter cetera autem rationalis creatura
excellentiori quodam modo divinae providentiae subiacet, inquantum et ipsa fit providentiae
particeps, sibi ipsi et aliis providens. Unde et in ipsa participatur ratio aeterna,
per quam habet naturalem inclinationem ad debitum actum et finem. Et talis participatio
legis aeternae in rationali creatura lex naturalis dicitur. Unde cum Psalmista dixisset,
sacrificate sacrificium iustitiae, quasi quibusdam quaerentibus quae sunt iustitiae
opera, subiungit, multi dicunt, quis ostendit nobis bona? Cui quaestioni respondens,
dicit, signatum est super nos lumen vultus tui, domine, quasi lumen rationis naturalis,
quo discernimus quid sit bonum et malum, quod pertinet ad naturalem legem, nihil aliud
sit quam impressio divini luminis in nobis. Unde patet quod lex naturalis nihil aliud
est quam participatio legis aeternae in rationali creatura. (Ia-IIae q. 91 a. 2 co.)
Daar de wet norm en maatstaf is, zoals hierboven bewezen is (XC° Kw., 1° Art., antwoord
op de 1° Bed.), kan ze op tweevoudige wijze in iets zijn, nl. ten eerste als in iets,
dat zelf norm en maatstaf is, en ten tweede als in iets, dat geregeld en gemeten is,
aangezien iets geregeld en gemeten wordt, voor zover het deel heeft aan een norm of
maatstaf. Hieruit volgt, dat alles, wat aan de Goddelijke Voorzienigheid onderworpen
is, juist omdat het geregeld en gemeten wordt door de eeuwige wet zoals uit het vorig
Artikel blijkt, op een of andere manier deel heeft aan de eeuwige Wet, voor zover
nl. alles door het indrukken van de eeuwige wet een zekere neiging heeft met betrekking
tot eigen daad en doel. Boven alle andere dingen echter is het redelijk schepsel op
een veel verhevener wijze aan de goddelijke Voorzienigheid onderworpen, in zover het
zelf deelt in de voorzienigheid, doordat het zichzelf en anderen leidt. Vandaar deelt
het redelijk schepsel ook in het eeuwig verstand, waardoor het een natuurlijke neiging
ontvangt tot de verschuldigde daad en doel. Deze deelhebbing van het redelijk schepsel
aan de eeuwige wet wordt natuurwet genoemd. Vandaar laat de Psalmist (Psalm 4, 6)
op het gezegde: « Breng uw offers van gerechtigheid » volgen: « Velen zeggen: wie
toont ons de goede werken », alsof sommigen vroegen welke de werken van gerechtigheid
zijn. Op die vraag antwoordt de Psalmist: « Opgegaan is over ons het licht van Uw
aanschijn, o Heer ». Met dit licht schijnt de Psalmist te willen aangeven het licht
van de natuurlijke rede, waardoor wij onderscheiden, wat goed is en wat kwaad is.
Dit valt onder de natuurwet, die dan ook niets anders is dan de indruk van het goddelijk
licht in ons. Het blijkt dus, dat de natuurwet niets anders is, dan de deelhebbing
van het redelijk schepsel aan de eeuwige wet.
Ad primum ergo dicendum quod ratio illa procederet, si lex naturalis esset aliquid
diversum a lege aeterna. Non autem est nisi quaedam participatio eius, ut dictum est. (Ia-IIae q. 91 a. 2 ad 1)
1 — Die redenering zou opgaan, indien de natuurwet onderscheiden was van de eeuwige wet.
Zij is echter niets anders dan een deelhebbing aan de eeuwige wet, zoals (in de Leerstelling)
gezegd is.
Ad secundum dicendum quod omnis operatio, rationis et voluntatis derivatur in nobis
ab eo quod est secundum naturam, ut supra habitum est, nam omnis ratiocinatio derivatur
a principiis naturaliter notis, et omnis appetitus eorum quae sunt ad finem, derivatur
a naturali appetitu ultimi finis. Et sic etiam oportet quod prima directio actuum
nostrorum ad finem, fiat per legem naturalem. (Ia-IIae q. 91 a. 2 ad 2)
2 — Iedere werking van het verstand en van de wil wordt in ons afgeleid van iets wat overeenkomstig
de natuur is, zoals vroeger bewezen is (Xe Kw., 1e Art.). Iedere redenering immers
wordt afgeleid van beginselen, die ons van nature bekend zijn, en iedere neiging tot
de middelen wordt afgeleid van de natuurlijke neiging tot het laatste doel. Daarom
moet ook de eerste richting van onze handelingen op hun doel geschieden door de natuurwet.
Ad tertium dicendum quod etiam animalia irrationalia participant rationem aeternam
suo modo, sicut et rationalis creatura. Sed quia rationalis creatura participat eam
intellectualiter et rationaliter, ideo participatio legis aeternae in creatura rationali
proprie lex vocatur, nam lex est aliquid rationis, ut supra dictum est. In creatura
autem irrationali non participatur rationaliter, unde non potest dici lex nisi per
similitudinem. (Ia-IIae q. 91 a. 2 ad 3)
3 — Evenals het redelijk schepsel, zo ook hebben de onredelijke schepselen op hun manier
deel aan het eeuwig verstand. Maar omdat het redelijk schepsel rationeel en intellectueel
aan haar deel heeft, wordt alleen die deelhebbing in het redelijk schepsel in eigenlijke
zin wet genoemd. De wet is immers iets van het verstand, zoals hierboven gezegd is
(XC° Kw., 1° Art.). De onredelijke schepselen hebben niet rationeel deel aan de eeuwige
wet, en daarom kan men bij hen slechts vergelijkenderwijs spreken van wet.
Articulus 3. Is er een menselijke wet?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod non sit aliqua lex humana. Lex enim naturalis
est participatio legis aeternae, ut dictum est. Sed per legem aeternam omnia sunt
ordinatissima, ut Augustinus dicit, in I de Lib. Arb. Ergo lex naturalis sufficit
ad omnia humana ordinanda. Non est ergo necessarium quod sit aliqua lex humana. (Ia-IIae q. 91 a. 3 arg. 1)
1 — Men beweert, dat er geen menselijke wet is. De natuurwet immers is een deelhebbing
aan de eeuwige wet, zoals hierboven gezegd is (vorig artikel). Welnu Augustinus zegt
in zijn Boek *Over de vrije Wil* (I° B., VI° H.), dat door de eeuwige wet alles op
de meest rechtmatige wijze geordend is. Bijgevolg is de natuurwet voldoende om al
het menselijke te ordenen, waaruit volgt, dat de menselijke wet overbodig is.
Praeterea, lex habet rationem mensurae, ut dictum est. Sed ratio humana non est mensura
rerum, sed potius e converso, ut in X Metaphys. dicitur. Ergo ex ratione humana nulla
lex procedere potest. (Ia-IIae q. 91 a. 3 arg. 2)
2 — De wet is een maat, gelijk hierboven gezegd is (XC° Kw., 1° en 2° Art.). Welnu het
menselijk verstand is niet de maat der dingen, maar juist andersom, zoals we lezen
in het X° Boek der Metaphysica (IX° B., I° H., Nr 14). Bijgevolg kan uit het menselijk
verstand geen enkele wet voortkomen.
Praeterea, mensura debet esse certissima, ut dicitur in X Metaphys. Sed dictamen humanae
rationis de rebus gerendis est incertum; secundum illud Sap. IX, cogitationes mortalium
timidae, et incertae providentiae nostrae. Ergo ex ratione humana nulla lex procedere
potest. (Ia-IIae q. 91 a. 3 arg. 3)
3 — Een maatstaf moet absoluut zeker zijn, zoals we lezen in het X° Boek der Metaphysica
(IX° B., t. a. pl.). Welnu een voorschrift van de menselijke rede omtrent de dingen,
die gedaan moeten worden, is onzeker, zoals er geschreven staat in het Boek der Wijsheid
(9, 14): « Aarzelend zijn de raadslagen der stervelingen en feilbaar zijn onze berekeningen
». Bijgevolg kan uit het menselijk verstand geen enkele wet voortkomen.
Sed contra est quod Augustinus, in I de Lib. Arb., ponit duas leges, unam aeternam
et aliam temporalem, quam dicit esse humanam. (Ia-IIae q. 91 a. 3 s. c.)
Maar daartegenover staat, dat Augustinus, in zijn Boek Over de vrije Wil (I° B., VI°
en XV° H.) een dubbele wet aanneemt, namelijk een eeuwige en een tijdelijke, die de
menselijke wet genoemd wordt.
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, lex est quoddam dictamen practicae
rationis. Similis autem processus esse invenitur rationis practicae et speculativae,
utraque enim ex quibusdam principiis ad quasdam conclusiones procedit, ut superius
habitum est. Secundum hoc ergo dicendum est quod, sicut in ratione speculativa ex
principiis indemonstrabilibus naturaliter cognitis producuntur conclusiones diversarum
scientiarum, quarum cognitio non est nobis naturaliter indita, sed per industriam
rationis inventa; ita etiam ex praeceptis legis naturalis, quasi ex quibusdam principiis
communibus et indemonstrabilibus, necesse est quod ratio humana procedat ad aliqua
magis particulariter disponenda. Et istae particulares dispositiones adinventae secundum
rationem humanam, dicuntur leges humanae, servatis aliis conditionibus quae pertinent
ad rationem legis, ut supra dictum est. Unde et Tullius dicit, in sua Rhetor., quod
initium iuris est a natura profectum; deinde quaedam in consuetudinem ex utilitate
rationis venerunt; postea res et a natura profectas et a consuetudine probatas legum
metus et religio sanxit. (Ia-IIae q. 91 a. 3 co.)
Zoals reeds gezegd is (XC° Kw., 1° Art., Antw. op de 2° Bed.), is de wet een voorschrift
van het praktisch verstand. Welnu het praktisch verstand en het beschouwend verstand
werken op gelijke wijze. Beide toch leiden uit bepaalde beginselen bepaalde gevolgtrekkingen
af, zoals we hierboven gezegd hebben (t. a. pl.). Hieruit volgt, dat het praktisch
verstand noodzakelijk meer particuliere regelingen van de voorschriften van de natuurwet
afleidt, als van sommige algemene en onbewijsbare beginselen, evenals het beschouwend
verstand de besluiten der verschillende wetenschappen, die niet van nature, maar door
vinding gekend zijn, afleidt van onbewijsbare en van nature gekende beginselen. Die
particuliere regelingen, gevonden door het menselijk verstand, worden wetten genoemd,
wanneer ze beantwoorden aan de voorwaarden, die behoren tot het wezen van de wet,
zoals vroeger gezegd is (XC° Kw., 2° Art. en v. v.). Vandaar zegt Tullius in zijn
Rhetorica (II B., LIII H.): « Het begin van het recht komt van de natuur voort; vervolgens
komen sommige wetten in gebruik, omdat ze ingezien worden als nuttig; ten slotte geeft
de wet en de godsdienst sanctie aan de dingen, die van de natuur zelf voorkomen en
van de gewoonte kracht hebben gekregen ».
Ad primum ergo dicendum quod ratio humana non potest participare ad plenum dictamen
rationis divinae, sed suo modo et imperfecte. Et ideo sicut ex parte rationis speculativae,
per naturalem participationem divinae sapientiae, inest nobis cognitio quorundam communium
principiorum, non autem cuiuslibet veritatis propria cognitio, sicut in divina sapientia
continetur; ita etiam ex parte rationis practicae naturaliter homo participat legem
aeternam secundum quaedam communia principia, non autem secundum particulares directiones
singulorum, quae tamen in aeterna lege continentur. Et ideo necesse est ulterius quod
ratio humana procedat ad particulares quasdam legum sanctiones. (Ia-IIae q. 91 a. 3 ad 1)
1 — Ten volle kan het menselijk verstand geen deel hebben aan de uitspraak van het goddelijk
verstand, maar op zijn manier en onvolmaakt. Zo heeft de mens, van de kant van het
praktische verstand, van nature deel aan de eeuwige wet, met betrekking tot sommige
algemene beginselen, echter niet met betrekking tot particuliere regelingen van afzonderlijke
gevallen, ofschoon die vervat zijn in de eeuwige wet; evenals hij, van de kant van
het beschouwende verstand, van nature deel heeft aan de goddelijke Wijsheid, omdat
hem de kennis van sommige algemene beginselen van nature eigen is, niet echter de
kennis van alle particuliere waarheden, die tot de goddelijke Wijsheid behoren. Het
is dus noodzakelijk, dat het menselijk verstand verder sommige particuliere wetten
afleidt.
Ad secundum dicendum quod ratio humana secundum se non est regula rerum, sed principia
ei naturaliter indita, sunt quaedam regulae generales et mensurae omnium eorum quae
sunt per hominem agenda, quorum ratio naturalis est regula et mensura, licet non sit
mensura eorum quae sunt a natura. (Ia-IIae q. 91 a. 3 ad 2)
2 — Het verstand van de mens is op zichzelf geen norm van de dingen, maar de beginselen,
die aan het verstand van nature eigen zijn, zijn in het algemeen norm en maatstaf
van alles wat door de mensen gedaan moet worden en waarvan het natuurlijk verstand
de norm en maatstaf is, ofschoon het geen norm en maatstaf is van die dingen, die
tot de natuur behoren.
Ad tertium dicendum quod ratio practica est circa operabilia, quae sunt singularia
et contingentia, non autem circa necessaria, sicut ratio speculativa. Et ideo leges
humanae non possunt illam infallibilitatem habere quam habent conclusiones demonstrativae
scientiarum. Nec oportet quod omnis mensura sit omni modo infallibilis et certa, sed
secundum quod est possibile in genere suo. (Ia-IIae q. 91 a. 3 ad 3)
3 — Het praktisch verstand betrekt zich op die dingen, die gedaan moeten worden, en die
particulier en wisselvallig zijn, en niet, zoals het beschouwend verstand, op de dingen
die noodzakelijk zijn. Daarom kunnen de menselijke wetten niet die zekerheid hebben,
die de bewezen besluiten der wetenschap hebben. Niet iedere norm echter moet absoluut
zeker zijn, maar iedere overeenkomstig zijn soort.
Articulus 4. Is een Goddelijke Wet noodzakelijk?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod non fuerit necessarium esse aliquam legem
divinam. Quia, ut dictum est, lex naturalis est quaedam participatio legis aeternae
in nobis. Sed lex aeterna est lex divina, ut dictum est. Ergo non oportet quod praeter
legem naturalem, et leges humanas ab ea derivatas, sit aliqua alia lex divina. (Ia-IIae q. 91 a. 4 arg. 1)
1 — Men beweert, dat er geen goddelijke wet nodig is. Zoals hierboven gezegd is (2° Art.),
is de natuurwet een afstraling van de eeuwige wet in ons. Welnu de eeuwige wet is
de goddelijke wet, zoals hierboven ook bewezen is (1° Art.). Bijgevolg is er buiten
de natuurwet en de daarvan afgeleide menselijke wet geen goddelijke wet nodig.
Praeterea, Eccli. XV dicitur quod Deus dimisit hominem in manu consilii sui. Consilium
autem est actus rationis, ut supra habitum est. Ergo homo dimissus est gubernationi
suae rationis. Sed dictamen rationis humanae est lex humana, ut dictum est. Ergo non
oportet quod homo alia lege divina gubernetur. (Ia-IIae q. 91 a. 4 arg. 2)
2 — In het Boek Ecclesiasticus (15, 14) wordt gezegd: « God laat de mens over aan zijn
eigen raadsbesluiten ». Welnu het beraad is een daad van het verstand, zoals hierboven
bewezen is (XIV Kw., 1° Art). Dus is de mens overgelaten aan de leiding van zijn verstand.
Maar zoals hierboven bewezen is (vorig Art.), worden de voorschriften van het verstand
menselijke wetten genoemd, en bijgevolg heeft de mens de goddelijke wet niet nodig.
Praeterea, natura humana est sufficientior irrationalibus creaturis. Sed irrationales
creaturae non habent aliquam legem divinam praeter inclinationem naturalem eis inditam.
Ergo multo minus creatura rationalis debet habere aliquam legem divinam praeter naturalem
legem. (Ia-IIae q. 91 a. 4 arg. 3)
3 — De menselijke natuur voorziet in meer dingen dan de onredelijke schepsels. Welnu de
onredelijke schepsels hebben buiten hun natuurlijke neiging geen goddelijke wet nodig.
Veel minder dus het redelijk schepsel.
Sed contra est quod David expetit legem a Deo sibi poni, dicens, legem pone mihi,
domine, in via iustificationum tuarum. (Ia-IIae q. 91 a. 4 s. c.)
Maar daarentegen staat, dat David aan God vroeg om hem een wet te stellen. Hij bad
immers (Psalm 118, 33): « Stel mij, o Heer, een wet, de weg van Uw rechtvaardiging
».
Respondeo dicendum quod praeter legem naturalem et legem humanam, necessarium fuit
ad directionem humanae vitae habere legem divinam. Et hoc propter quatuor rationes.
Primo quidem, quia per legem dirigitur homo ad actus proprios in ordine ad ultimum
finem. Et si quidem homo ordinaretur tantum ad finem qui non excederet proportionem
naturalis facultatis hominis, non oporteret quod homo haberet aliquid directivum ex
parte rationis, supra legem naturalem et legem humanitus positam, quae ab ea derivatur.
Sed quia homo ordinatur ad finem beatitudinis aeternae, quae excedit proportionem
naturalis facultatis humanae, ut supra habitum est; ideo necessarium fuit ut supra
legem naturalem et humanam, dirigeretur etiam ad suum finem lege divinitus data. Secundo,
quia propter incertitudinem humani iudicii, praecipue de rebus contingentibus et particularibus,
contingit de actibus humanis diversorum esse diversa iudicia, ex quibus etiam diversae
et contrariae leges procedunt. Ut ergo homo absque omni dubitatione scire possit quid
ei sit agendum et quid vitandum, necessarium fuit ut in actibus propriis dirigeretur
per legem divinitus datam, de qua constat quod non potest errare. Tertio, quia de
his potest homo legem ferre, de quibus potest iudicare. Iudicium autem hominis esse
non potest de interioribus motibus, qui latent, sed solum de exterioribus actibus,
qui apparent. Et tamen ad perfectionem virtutis requiritur quod in utrisque actibus
homo rectus existat. Et ideo lex humana non potuit cohibere et ordinare sufficienter
interiores actus, sed necessarium fuit quod ad hoc superveniret lex divina. Quarto
quia, sicut Augustinus dicit, in I de Lib. Arb., lex humana non potest omnia quae
male fiunt, punire vel prohibere, quia dum auferre vellet omnia mala, sequeretur quod
etiam multa bona tollerentur, et impediretur utilitas boni communis, quod est necessarium
ad conversationem humanam. Ut ergo nullum malum improhibitum et impunitum remaneat,
necessarium fuit supervenire legem divinam, per quam omnia peccata prohibentur. Et
istae quatuor causae tanguntur in Psalmo XVIII, ubi dicitur, lex domini immaculata,
idest nullam peccati turpitudinem permittens; convertens animas, quia non solum exteriores
actus, sed etiam interiores dirigit; testimonium domini fidele, propter certitudinem
veritatis et rectitudinis; sapientiam praestans parvulis, inquantum ordinat hominem
ad supernaturalem finem et divinum. (Ia-IIae q. 91 a. 4 co.)
Buiten de natuurwet en buiten de menselijke wet, is voor de leiding van het menselijk
leven een goddelijke wet noodig, om vier redenen. Ten eerste, omdat de wet de daden
regelt, die eigen zijn aan de mens, in hun verhouding tot het laatste doel. Indien
de mens alleen maar geordend was tot een doel, dat zijn natuurlijke krachten niet
te boven ging, dan zou de mens van de kant van zijn verstand geen andere leiding nodig
hebben boven de natuurwet en de daarvan afgeleide menselijke wet. Maar nu de mens
geordend is tot de eeuwige gelukzaligheid, die boven zijn natuurlijke krachten uitgaat,
zoals vroeger bewezen is (V° Kw., 5° Art.), daarom is het noodzakelijk, dat de mens,
buiten de natuurwet en de menselijke wet, door een goddelijke wet geleid wordt tot
zijn doel. Ten tweede, omdat het voorkomt, om de onzekerheid van het menselijk oordeel,
vooral met betrekking tot particuliere en wisselvallige dingen, dat verschillenden
verschillend oordelen over de menselijke daden, waardoor ook verschillende en tegenstrijdige
wetten ontstaan. Om nu zonder enigen twijfel te weten, wat de mens te doen heeft en
te laten, is het noodzakelijk, dat de mens met betrekking tot de handelingen die hem
eigen zijn geleid wordt door een goddelijke onfeilbare wet. Ten derde, omdat de mens
slechts met betrekking tot die dingen wetten kan maken, waarover hij kan oordelen.
Het oor deel van een mens kan zich echter niet uitstrekken over innerlijke handelingen,
die verborgen zijn, maar wel en alleen over de uiterlijke handelingen, die zichtbaar
zijn. Welnu, tot de hoogste graad der deugd behoort het, dat de mens goed geregeld
is met betrekking tot beide handelingen. Het is daarom noodzakelijk, dat er een goddelijke
wet is, daar de menselijke wet niet voldoende de innerlijke handelingen kan regelen.
Ten vierde, omdat, gelijk Augustinus zegt in zijn Boek Over de vrije Wil (I° B., V°
H.), de menselijke wet niet al het verkeerde kan straffen en verhinderen. Immers indien
zij al het verkeerde zou willen opheffen, zou ze ook veel goeds opheffen, en zo zou
ze ingaan tegen het algemeen welzijn, dat noodzakelijk is voor de menselijke samenleving.
Opdat dus geen enkel kwaad onverhinderd en ongestraft zou blijven, is de goddelijke
wet noodzakelijk, waardoor al het verkeerde wordt verhinderd. Deze vier redenen worden
de Psalmist aangeraakt (Psalm 18, 18), als hij zegt: « De wet van de Heer is onbesmet
(d. i. ze laat geen enkele zondensmet toe), de harten bekerend (daar ze niet alleen
de uiterlijke, maar ook de innerlijke handelingen leidt), een getrouw getuigenis van
de Heer (om de zekerheid van de waarheid en gerechtigheid), wijsheid gevend aan de
geringen (voorzover ze de mens ordent tot het bovennatuurlijk goddelijk doel) ».
Ad primum ergo dicendum quod per naturalem legem participatur lex aeterna secundum
proportionem capacitatis humanae naturae. Sed oportet ut altiori modo dirigatur homo
in ultimum finem supernaturalem. Et ideo superadditur lex divinitus data, per quam
lex aeterna participatur altiori modo. (Ia-IIae q. 91 a. 4 ad 1)
1 — De natuurwet deelt in de eeuwige wet, overeenkomstig de krachten van de menselijke
natuur. Maar het is noodig, dat de mens op een verhevener manier geleid wordt tot
het bovennatuurlijke laatste doel. Daarom is er ook een goddelijke wet, waardoor de
eeuwige wet op een verhevener manier wordt gedeeld.
Ad secundum dicendum quod consilium est inquisitio quaedam, unde oportet quod procedat
ex aliquibus principiis. Nec sufficit quod procedat ex principiis naturaliter inditis,
quae sunt praecepta legis naturae, propter praedicta, sed oportet quod superaddantur
quaedam alia principia, scilicet praecepta legis divinae. (Ia-IIae q. 91 a. 4 ad 2)
2 — Het beraad is een soort onderzoek; vandaar moet het van bepaalde beginselen uitgaan.
Het is echter niet voldoende, dat het uitgaat van natuurlijke beginselen, namelijk
van de voorschriften van de natuurwet, om de hierboven (in de Leerstelling) aangeduide
reden. Daarom moeten er andere beginselen worden toegevoegd, namelijk de voorschriften
van de goddelijke wet.
Ad tertium dicendum quod creaturae irrationales non ordinantur ad altiorem finem quam
sit finis qui est proportionatus naturali virtuti ipsarum. Et ideo non est similis
ratio. (Ia-IIae q. 91 a. 4 ad 3)
3 — De onredelijke schepselen hebben slechts een doel, dat overeenkomt met de krachten
van hun natuur, en daarom staan ze niet op gelijke lijn met de mens.
Articulus 5. Is de Goddelijke wet slechts één?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod lex divina sit una tantum. Unius enim regis
in uno regno est una lex. Sed totum humanum genus comparatur ad Deum sicut ad unum
regem; secundum illud Psalmi XLVI, rex omnis terrae Deus. Ergo est una tantum lex
divina. (Ia-IIae q. 91 a. 5 arg. 1)
1 — Men beweert, dat de goddelijke wet slechts één is. Immers in een rijk bestaat er van
één koning slechts één wet. Welnu heel het menselijk geslacht verhoudt zich tot God
als tot een koning, overeenkomstig het woord van de Psalmist (Psalm 46, 8): « God,
de Koning van heel de aarde ». Bijgevolg is er slechts één goddelijke wet.
Praeterea, omnis lex ordinatur ad finem quem legislator intendit in eis quibus legem
fert. Sed unum et idem est quod Deus intendit in omnibus hominibus; secundum illud
I ad Tim. II, vult omnes homines salvos fieri, et ad agnitionem veritatis venire.
Ergo una tantum est lex divina. (Ia-IIae q. 91 a. 5 arg. 2)
2 — Iedere wet is geordend tot het doel, dat de wetgever beoogd heeft voor degenen aan
wie hij de wet oplegt. Welnu, wat God voor de mensen beoogt, is één en hetzelfde,
overeenkomstig het woord uit de Ie° Brief aan Timotheus (2, 4): « Hij wil, dat alle
mensen zalig worden en tot de kennis der waarheid komen ». Dus is de goddelijke wet
slechts één.
Praeterea, lex divina propinquior esse videtur legi aeternae, quae est una, quam lex
naturalis, quanto altior est revelatio gratiae quam cognitio naturae. Sed lex naturalis
est una omnium hominum. Ergo multo magis lex divina. (Ia-IIae q. 91 a. 5 arg. 3)
3 — De goddelijke wet staat in zover dichter bij de eeuwige wet, die één is, dan de natuurwet,
als de openbaring van de genade hoger is dan de kennis van de natuur. Welnu de natuurwet
is één voor alle mensen. Dus veel meer de goddelijke wet.
Sed contra est quod apostolus dicit, ad Heb. VII, translato sacerdotio, necesse est
ut legis translatio fiat. Sed sacerdotium est duplex, ut ibidem dicitur, scilicet
sacerdotium leviticum, et sacerdotium Christi. Ergo etiam duplex est lex divina, scilicet
lex vetus, et lex nova. (Ia-IIae q. 91 a. 5 s. c.)
Maar daartegenover staat het gezegde van de Apostel in de Brief aan de Hebreën (7,
12): « Toen het priesterschap overgebracht was, moest ook noodzakelijk de Wet overgebracht
worden ». Welnu het priesterschap is tweevoudig, nl. het priesterschap van Levi, en
dat van Christus. Dus moet ook de goddelijke wet tweevoudig zijn, nl. de Nieuwe en
de Oude Wet.
Respondeo dicendum quod, sicut in primo dictum est, distinctio est causa numeri. Dupliciter
autem inveniuntur aliqua distingui. Uno modo, sicut ea quae sunt omnino specie diversa,
ut equus et bos. Alio modo, sicut perfectum et imperfectum in eadem specie, sicut
puer et vir. Et hoc modo lex divina distinguitur in legem veterem et legem novam.
Unde apostolus, ad Gal. III, comparat statum veteris legis statui puerili existenti
sub paedagogo, statum autem novae legis comparat statui viri perfecti, qui iam non
est sub paedagogo. Attenditur autem perfectio et imperfectio utriusque legis secundum
tria quae ad legem pertinent, ut supra dictum est. Primo enim ad legem pertinet ut
ordinetur ad bonum commune sicut ad finem, ut supra dictum est. Quod quidem potest
esse duplex. Scilicet bonum sensibile et terrenum, et ad tale bonum ordinabat directe
lex vetus; unde statim, Exodi III, in principio legis, invitatur populus ad regnum
terrenum Chananaeorum. Et iterum bonum intelligibile et caeleste, et ad hoc ordinat
lex nova. Unde statim Christus ad regnum caelorum in suae praedicationis principio
invitavit, dicens, poenitentiam agite, appropinquavit enim regnum caelorum, Matth.
IV. Et ideo Augustinus dicit, in IV contra Faustum, quod temporalium rerum promissiones
testamento veteri continentur, et ideo vetus appellatur, sed aeternae vitae promissio
ad novum pertinet testamentum. Secundo ad legem pertinet dirigere humanos actus secundum
ordinem iustitiae. In quo etiam superabundat lex nova legi veteri, interiores actus
animi ordinando; secundum illud Matth. V, nisi abundaverit iustitia vestra plus quam
Scribarum et Pharisaeorum, non intrabitis in regnum caelorum. Et ideo dicitur quod
lex vetus cohibet manum, lex nova animum. Tertio ad legem pertinet inducere homines
ad observantias mandatorum. Et hoc quidem lex vetus faciebat timore poenarum, lex
autem nova facit hoc per amorem, qui in cordibus nostris infunditur per gratiam Christi,
quae in lege nova confertur, sed in lege veteri figurabatur. Et ideo dicit Augustinus,
contra Adimantum Manichaei discipulum, quod brevis differentia est legis et Evangelii,
timor et amor. (Ia-IIae q. 91 a. 5 co.)
Zoals in het Ie Deel gezegd is (XXXe Kw., 3e Art.), is het onderscheid de oorzaak
van de veelheid. Op twee manieren nu kunnen twee dingen onderscheiden zijn: ten eerste,
zoals twee dingen, die soortelijk verschillen, b. v., paard en koe; ten tweede, als
twee dingen, die in één en dezelfde soort zich verhouden als onvolmaakt tot volmaakt,
b. v. jongeling en man. Op deze laatste manier nu wordt de goddelijke Wet onderscheiden
in Oude en Nieuwe Wet. Vandaar vergelijkt de Apostel in zijn Brief aan de Galaten
(3, 24-25), de tijd van de Oude en van de Nieuwe Wet: van de Oude Wet, met de tijd
van een jongeling, die onder een opvoeder staat; de tijd van de Nieuwe Wet vergelijkt
hij met de tijd van de volwassen man, die niet meer onder een opvoeder staat. De volmaaktheid
of onvolmaaktheid, zowel van de Oude als van de Nieuwe Wet, kan men erkennen aan drie
dingen, die, zoals hierboven gezegd is (XC° Kw., 2°, 3° en 4° Art.), tot het wezen
van de wet behoren. Immers behoort op de eerste plaats tot de wet, dat ze geordend
is tot het algemeen welzijn, als tot haar doel, volgens wat vroeger gezegd is (XC°
Kw., 2° Art.). Dit doel kan tweevoudig zijn, nl. ten eerste, een zinnelijk en aards
goed; en hiertoe was de Oude Wet rechtstreeks geordend. Daarom wordt in het begin
van het Boek Exodus (3, 8 en 17) het aardse rijk Kanaän aangeboden aan het volk. Ten
tweede, een verstandelijk en hemels goed, en hiertoe is de Nieuwe Wet geordend. Vandaar
stelt Christus de mensen van af het begin van zijn prediking het rijk der hemelen
voor met de woorden: « Doet boetvaardigheid, want het rijk der hemelen is nabij ».
(Mattheus, 4, 17). Augustinus, in zijn Boek tegen Faustus (IV° B., II° H.), zegt ook,
dat de beloften van tijdelijke goederen vervat zijn in de Oude Wet, en daarom wordt
ze ook Oud genoemd, maar de belofte van het eeuwige leven behoort tot de Nieuwe Wet.
Op de tweede plaats behoort tot de wet het regelen van de menselijke handelingen overeenkomstig
de gerechtigheid. Ook hierin overtreft de Nieuwe Wet de Oude, voor zover de Nieuwe
Wet de innerlijke daden regelt, overeenkomstig het gezegde van Mattheus (5, 20) :
« Indien Uw gerechtigheid niet meer is dan die van de Schrifgeleerden en Farizeeën,
zult ge het rijk der hemelen niet binnengaan ». Daarom zegt men dan ook, dat de Oude
Wet de hand bedwingt, de Nieuwe de ziel. Op de derde plaats behoort tot de wet, het
leiden van de mensen tot de onderhouding van de voorschriften. Dit bewerkte de Oude
Wet door vrees voor straf, de Nieuwe Wet door de liefde, die in ons wordt ingestort
door de genade van Christus, die in de Nieuwe Wet wordt meegedeeld, terwijl ze in
de Oude slechts werd voorgesteld. Daarom zegt Augustinus in zijn Boek Tegen Adamantius
(XVIIe H.), dat, met een enkel woord, het verschil tussen de Oude Wet en het Evangelie
is, vrees en straf.
Ad primum ergo dicendum quod, sicut paterfamilias in domo alia mandata proponit pueris
et adultis, ita etiam unus rex Deus, in uno suo regno, aliam legem dedit hominibus
adhuc imperfectis existentibus; et aliam perfectiorem iam manuductis per priorem legem
ad maiorem capacitatem divinorum. (Ia-IIae q. 91 a. 5 ad 1)
1 — Gelijk een vader in zijn gezin andere bevelen geeft voor de kinderen dan voor de volwassenen,
zo ook heeft God in zijn rijk een andere wet gegeven aan de mensen, die onder onvolmaaktere
omstandigheden leefden, dan aan de mensen, die door de vorige wet reeds vatbaarder
gemaakt waren voor het goddelijke.
Ad secundum dicendum quod salus hominum non poterat esse nisi per Christum; secundum
illud Act. IV, non est aliud nomen datum hominibus, in quo oporteat nos salvos fieri.
Et ideo lex perfecte ad salutem omnes inducens, dari non potuit nisi post Christi
adventum. Antea vero dari oportuit populo ex quo Christus erat nasciturus, legem praeparatoriam
ad Christi susceptionem, in qua quaedam rudimenta salutaris iustitiae continerentur. (Ia-IIae q. 91 a. 5 ad 2)
2 — Het heil der mensen kan niet bereikt worden, tenzij door Christus, volgens Handelingen
(4, 12): « Geen andere naam is aan de mensen gegeven, waardoor wij kunnen zalig worden
». Daarom kan er geen wet gegeven worden, die krachtig genoeg is om alle mensen tot
het behoud te leiden, tenzij na de komst van Christus. Vóór die tijd echter moest
aan het volk, waaruit Christus geboren zou worden, een wet gegeven worden, die als
een voorbereiding was op de komst van Christus, en waarin sommige beginselen van de
naar het behoud leidende gerechtigheid vervat waren.
Ad tertium dicendum quod lex naturalis dirigit hominem secundum quaedam praecepta
communia, in quibus conveniunt tam perfecti quam imperfecti, et ideo est una omnium.
Sed lex divina dirigit hominem etiam in quibusdam particularibus, ad quae non similiter
se habent perfecti et imperfecti. Et ideo oportuit legem divinam esse duplicem, sicut
iam dictum est. (Ia-IIae q. 91 a. 5 ad 3)
3 — De natuurwet leidt de mens overeenkomstig sommige algemene regels, waarin de volmaakten
zowel als de onvolmaakten overeenkomen, en daarom is zij één voor allen. Maar de goddelijke
wet leidt de mens in bijzondere omstandigheden, welke voor de volmaakten en voor de
onvolmaakten niet hetzelfde zijn, en daarom moet de goddelijke wet tweevoudig zijn.
Articulus 6. Is er een wet, volgens welke de mens tot zondigen geneigd is?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod non sit aliqua lex fomitis. Dicit enim Isidorus,
in V Etymol., quod lex ratione consistit. Fomes autem non consistit ratione, sed magis
a ratione deviat. Ergo fomes non habet rationem legis. (Ia-IIae q. 91 a. 6 arg. 1)
1 — Men beweert, dat er geen wet is, volgens welke de mens tot zondigen geneigd is. Isidorus
immers zegt in zijn *Etymologieën* (V° B., III° H.) : « De wet zetelt in het verstand.
» Welnu de neiging tot zondigen zetelt niet in het verstand, zelfs integendeel wijkt
ze af van het verstand. Dus is de neiging tot zondigen geen wet.
Praeterea, omnis lex obligatoria est, ita quod qui ipsam non servant, transgressores
dicuntur. Sed fomes non constituit aliquem transgressorem ex hoc quod ipsum non sequitur,
sed magis transgressor redditur si quis ipsum sequatur. Ergo fomes non habet rationem
legis. (Ia-IIae q. 91 a. 6 arg. 2)
2 — Iedere wet heeft een verplichtend karakter, zodat zij, die haar niet onderhouden,
overtreders genoemd worden. Welnu, door aan de neiging tot zondigen te weerstaan,
wordt iemand geen overtreder. Integendeel, juist door haar gehoor te geven, wordt
iemand overtreder. Dus is de neiging tot zondigen geen wet.
Praeterea, lex ordinatur ad bonum commune, ut supra habitum est. Sed fomes non inclinat
ad bonum commune, sed magis ad bonum privatum. Ergo fomes non habet rationem legis. (Ia-IIae q. 91 a. 6 arg. 3)
3 — De wet is tot het algemeen welzijn geordend, zoals hierboven gezegd is (XC° Kw., 2°
Art). Welnu de neiging tot zondigen beweegt iemand niet tot het algemeen welzijn,
maar juist tot het private welzijn. Dus is de neiging tot zondigen geen wet.
Sed contra est quod apostolus dicit, Rom. VII, video aliam legem in membris meis,
repugnantem legi mentis meae. (Ia-IIae q. 91 a. 6 s. c.)
Maar daar tegenover staat het gezegde van de Apostel in de Brief aan de Romeinen (7,
23): « Ik zie een andere wet in mijn leden, die tegen de wet van mijn rede strijdt.
»
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est, lex essentialiter invenitur in regulante
et mensurante, participative autem in eo quod mensuratur et regulatur; ita quod omnis
inclinatio vel ordinatio quae invenitur in his quae subiecta sunt legi, participative
dicitur lex, ut ex supradictis patet. Potest autem in his quae subduntur legi, aliqua
inclinatio inveniri dupliciter a legislatore. Uno modo, inquantum directe inclinat
suos subditos ad aliquid; et diversos interdum ad diversos actus; secundum quem modum
potest dici quod alia est lex militum, et alia est lex mercatorum. Alio modo, indirecte,
inquantum scilicet per hoc quod legislator destituit aliquem sibi subditum aliqua
dignitate, sequitur quod transeat in alium ordinem et quasi in aliam legem, puta si
miles ex militia destituatur, transibit in legem rusticorum vel mercatorum. Sic igitur
sub Deo legislatore diversae creaturae diversas habent naturales inclinationes, ita
ut quod uni est quodammodo lex, alteri sit contra legem, ut si dicam quod furibundum
esse est quodammodo lex canis, est autem contra legem ovis vel alterius mansueti animalis.
Est ergo hominis lex, quam sortitur ex ordinatione divina secundum propriam conditionem,
ut secundum rationem operetur. Quae quidem lex fuit tam valida in primo statu, ut
nihil vel praeter rationem vel contra rationem posset subrepere homini. Sed dum homo
a Deo recessit, incurrit in hoc quod feratur secundum impetum sensualitatis, et unicuique
etiam particulariter hoc contingit, quanto magis a ratione recesserit, ut sic quodammodo
bestiis assimiletur, quae sensualitatis impetu feruntur; secundum illud Psalmi XLVIII,
homo, cum in honore esset, non intellexit, comparatus est iumentis insipientibus,
et similis factus est illis. Sic igitur ipsa sensualitatis inclinatio, quae fomes
dicitur, in aliis quidem animalibus simpliciter habet rationem legis, illo tamen modo
quo in talibus lex dici potest, secundum directam inclinationem. In hominibus autem
secundum hoc non habet rationem legis, sed magis est deviatio a lege rationis. Sed
inquantum per divinam iustitiam homo destituitur originali iustitia et vigore rationis,
ipse impetus sensualitatis qui eum ducit, habet rationem legis, inquantum est poenalis
et ex lege divina consequens, hominem destituente propria dignitate. (Ia-IIae q. 91 a. 6 co.)
Gelijk we gezien hebben (XC° Kw., 1° Art., antwoord op de 1° Bed.) wordt de wet naar
haar wezen gevonden in iets, dat zelf regelt en maat aangeeft, en meer bij deelhebbing
in iets, wat gemeten en geregeld wordt, zodat iedere neiging of ordening, die zich
bevindt in iets, wat aan een wet onderworpen is, slechts bij deelhebbing wet genoemd
wordt, zoals uit het voorafgaande duidelijk blijkt (2° Art.). In diegenen nu, die
aan de wet onderworpen zijn, kan de wetgever op twee manieren een neiging teweegbrengen:
ten eerste, voor zover hij zijn onderdanen rechtstreeks tot iets beweegt en zelfs
verschillenden tot verschillende daden; hiermede in overeenstemming kan men zeggen,
dat er wetten zijn voor de krijgslieden en andere wetten voor de kooplieden; ten tweede
zijdelings, voor zover namelijk uit het feit, dat de wetgever aan een onderdaan een
zekere waardigheid ontneemt, volgt, dat die onderdaan overgaat tot een andere orde
en als het ware onder een andere wet komt; b.v. wanneer een soldaat uit de dienst
wordt ontslagen, zal hij onder de boeren- of koopmanswet vallen. Zo ook hebben de
verschillende schepsels, die onder Gods wetgeving vallen, verschillende natuurlijke
neigingen, zodat wat voor de een volgens de wet is, voor de ander er tegen kan zijn;
zoals ook vurig zijn enigszins wet is voor een hond, echter tegen de wet is van een
koe of van een ander zachtzinnig dier. Hieruit volgt, dat het voor de mens een wet
is, dat hij volgens zijn verstand moet handelen, en die wet is hem door God opgelegd,
overeenkomstig zijn natuur. Die wet was zó krachtig in de eerste toestand van de mens,
dat er toen niets in hem kon opkomen, wat buiten of tegen zijn rede was. Maar toen
de mens zich van God had afgekeerd, kwam in hem de drang op, om te handelen overeenkomstig
zijn zinnelijke neiging. Die drang is zoveel te sterker in iemand, naarmate hij meer
afwijkt van de rede. In dat geval gelijkt hij meer op de onredelijke dieren, die de
drang van 't zinnelijke volgen, overeenkomstig het woord van de Psalmist (Psalm 48,
21): « De mens, wanneer hij in eer is, ziet het niet in, hij lijkt op lastdieren zonder
verstand, en hij wordt hun gelijke ». In die zin valt de zinnelijke drang zelf ook
in de andere dieren onder het begrip van wet, natuurlijk voor zover men bij die dieren
de directe neiging een wet kan noemen. In die zin echter valt het bij de mens niet
onder het begrip van wet, maar wijkt het juist af van de wet der rede. Doch in zover
de mens door de goddelijke gerechtigheid vervallen is uit de staat van oorspronkelijke
gerechtigheid, waarin de rede zo krachtig was, valt die zinnelijke drang, die hem
drijft, onder het begrip van wet, voor zover hij een straf is, die krachtens de wet
van God gevallen is op de mens, die van zijn eigen waardigheid beroofd is.
Ad primum ergo dicendum quod ratio illa procedit de fomite secundum se considerato,
prout inclinat ad malum. Sic enim non habet rationem legis, ut dictum est, sed secundum
quod sequitur ex divinae legis iustitia, tanquam si diceretur lex esse quod aliquis
nobilis, propter suam culpam, ad servilia opera induci permitteretur. (Ia-IIae q. 91 a. 6 ad 1)
1 — Die redenering gaat uit van de neiging tot zondigen, op zich zelf beschouwd, nl. in
zover ze drijft tot het kwade. In die zin valt ze niet onder het wezen van wet, zoals
(in de Leerstelling) gezegd is. Voor zover ze echter een gevolg is van de gerechtigheid
der goddelijke wet, zou ze wet genoemd kunnen worden, zoals het ook wet kan genoemd
worden, dat een voornaam persoon om zijn zonden tot slavenarbeid gedwongen wordt.
Ad secundum dicendum quod obiectio illa procedit de eo quod est lex quasi regula et
mensura, sic enim deviantes a lege transgressores constituuntur. Sic autem fomes non
est lex, sed per quandam participationem, ut supra dictum est. (Ia-IIae q. 91 a. 6 ad 2)
2 — Die moeilijkheid gaat uit van wet in de zin van norm en maatstaf. In dit geval worden
degenen, die tegen de wet handelen, overtreders genoemd. In die zin is de neiging
tot zondigen geen wet. Ze is alleen wet door deelhebbing, zoals hierboven (in de Leerstelling)
gezegd is.
Ad tertium dicendum quod ratio illa procedit de fomite quantum ad inclinationem propriam,
non autem quantum ad suam originem. Et tamen si consideretur inclinatio sensualitatis
prout est in aliis animalibus, sic ordinatur ad bonum commune, idest ad conservationem
naturae in specie vel in individuo. Et hoc est etiam in homine, prout sensualitas
subditur rationi. Sed fomes dicitur secundum quod exit rationis ordinem. (Ia-IIae q. 91 a. 6 ad 3)
3 — Die redenering gaat uit van de neiging tot zonde, in zover ze juist een neiging is
tot iets, en niet met betrekking tot haar oorsprong. Indien men echter de zinnelijke
neiging neemt voor zover ze in de onredelijke dieren is, is ze geordend tot het algemene
welzijn, nl. tot behoud van de soort en het individu; en dit is ook bij de mensen
het geval, voor zover de zinnelijkheid onderworpen is aan de rede, maar hier gaat
het over de neiging, juist voor zover ze tegen de rede ingaat.